Boek II · Hoofdstuk 14
De twee naturen van Christus
Inhoud van dit hoofdstuk · 8 secties
Twee naturen, één persoon
De Schrift zegt dat het Woord vlees geworden is. Johannes 1:14 Dat moeten we echter niet zo opvatten, dat het Woord veranderd is in vlees of dat het volledig met vlees vermengd is. Dit wordt gezegd omdat het Woord een tempel uitgekozen heeft uit de schoot van een maagd, om daarin te wonen. De Zoon van God is een mensenzoon geworden, niet door vermenging van wezen, maar door eenheid van persoon. We stellen immers dat zijn God zijn zo met zijn mens zijn verbonden en verenigd is, dat die beide naturen elk hun eigen kenmerken behouden. En toch vormen die twee samen één Christus.
Als we in ons dagelijks leven iets zoeken dat op zo’n groot mysterie lijkt, dan lijkt het nog het meest geschikt om het te vergelijken met een mens. We zien immers dat een mens uit twee zelfstandige wezens bestaat, die echter niet zo met elkaar vermengd zijn dat ze niet elk de eigen kenmerken van hun natuur behouden. Immers, de ziel is niet het lichaam en het lichaam is niet de ziel. Daarom worden er specifiek over de ziel dingen gezegd die op geen enkele manier van toepassing zijn op het lichaam. En andersom worden er over het lichaam dingen gezegd die op geen enkele manier op de ziel kunnen slaan. En over de mens als geheel worden dingen gezegd die onaanvaardbaar zijn voor de ziel alleen, of voor het lichaam alleen, zonder dat je onzin zou zeggen. Ten slotte worden er eigenschappen van de ziel toegekend aan het lichaam en eigenschappen van het lichaam aan de ziel. Toch, al bestaat een mens uit die twee wezens, toch is hij één mens en niet meerdere mensen. Maar zulke manieren van spreken geven aan dat er in de mens één persoon is, die is samengesteld uit twee onderling verbonden onderdelen. Er zijn in hem twee verschillende naturen aanwezig, die samen die persoon vormen.
Zo spreekt de Schrift dus ook over Christus. Soms kent de Schrift Hem dingen toe die we speciaal op zijn mens zijn moeten laten slaan. Soms dingen die specifiek passen bij zijn God zijn. Soms dingen die beide naturen omvatten, maar bij geen van beide afzonderlijk passen. En de Schrift legt er zoveel nadruk op dat beide naturen met elkaar verbonden zijn, dat ze die soms uitwisselbaar maakt. Deze manier van spreken noemden de oude schrijvers een
‘uitwisseling van eigenschappen’.
Het onderscheid tussen beide naturen
Deze dingen zouden niet erg zeker zijn als er in de Schrift niet overal heel veel uitdrukkingen voorkwamen die bewijzen dat niets van dit alles door mensen verzonnen is. Christus zei van zichzelf: ‘Voor Abraham er was, ben ik er.’ Johannes 8:58 Dat sloeg absoluut niet op zijn mens zijn. En ik weet best welke uitvlucht dwaalgeesten gebruiken om deze passage te bederven: Christus was er voor het begin van de tijd, omdat Hij toen al van tevoren bekend was als verlosser, zowel in het plan van de Vader als in het hart van de vromen. Maar blijkbaar maakt Hij zelf onderscheid tussen de dag waarop Hij verschenen is en zijn eeuwige wezen. En Hij geeft uitdrukkelijk hoog op van zijn gezag dat ouder is dan Abraham. Dus ongetwijfeld kent Hij zichzelf toe wat eigen is aan het God zijn.
Paulus zegt over Hem dat Hij de eerstgeborene is van heel de schepping. Hij bestond al voor alle dingen en door Hem bestaan alle dingen. Kolossenzen 1:15-16 Zelf zegt Christus dat Hij voor de schepping van de wereld glorierijk was bij de Vader Johannes 17:5 en dat Hij samen werkt met de Vader. Johannes 5:17 Ook dat past niet bij zijn mens zijn. Het is dus zeker dat we deze en dergelijke dingen specifiek aan zijn God zijn moeten toeschrijven.
Maar Christus wordt ook de slaaf van de Vader genoemd. Jesaja 42:1 En er wordt verteld dat Hij opgroeide en steeds wijzer werd bij God en mensen. Lucas 2:52 Er wordt van Hem gezegd dat Hij niet zijn eigen eer zocht, Johannes 8:50 dat Hij niet wist wanneer de laatste dag komt, Marcus 13:32 dat Hij niet uit zichzelf sprak, Johannes 14:10 dat Hij niet deed wat Hij zelf wilde Johannes 6:38 en dat Hij gezien en aangeraakt is.
Lucas 24:39 Al die dingen horen bij zijn mens zijn. Immers, voor zover Hij God is, kan Hij nergens in groeien, doet Hij alles omwille van zichzelf en is er niets voor Hem verborgen. Als God doet Hij alles volgens zijn eigen vrije wil en kun je Hem niet zien of aanraken. Toch schrijft Hij deze dingen niet apart alleen aan zijn menselijke natuur toe, maar betrekt Hij ze op zichzelf, alsof ze horen bij de persoon van de middelaar.
En het is een uitwisseling van eigenschappen als Paulus zegt dat God met zijn bloed een gemeente voor zichzelf gekocht heeft Handelingen 20:28 en dat de Heer van de glorie gekruisigd is. 1 Korinthiërs 2:8 En Johannes zegt dat hij het Woord van het leven aangeraakt heeft. 1 Johannes 1:1 Maar God heeft immers geen bloed, Hij lijdt niet en we kunnen Hem echt niet met onze handen aanraken. Maar Christus was echt God en echt mens. Hij is voor ons gekruisigd, Hij heeft voor ons zijn bloed vergoten. Daarom wordt wat Hij in zijn menselijke natuur gedaan heeft, op een oneigenlijke manier – maar niet zonder reden – aan zijn God zijn toegekend.
We vinden daar nog een voorbeeld van als Johannes leert dat God zijn leven voor ons gegeven heeft. 1 Johannes 3:16 Ook daar wordt een eigenschap van zijn menselijke natuur gedeeld met zijn goddelijke natuur. En nog een ander voorbeeld: toen Christus nog op aarde was, zei Hij dat niemand opgevaren is naar de hemel dan de mensenzoon die in de hemel is. Johannes 3:13 Vast en zeker was Hij toen als mens en met het vlees dat Hij had aangetrokken niet in de hemel. Maar Hij was allebei, God en mens. Omdat zijn beide naturen een eenheid vormden, kende Hij aan zijn ene natuur toe wat hoorde bij zijn andere natuur.
De eenheid van beide naturen
Maar de passages die beide naturen samenvoegen, leggen het duidelijkst uit wat werkelijk het wezen van Christus is. Het evangelie van Johannes bevat heel veel van zulke passages. Daar lees je immers dingen die niet specifiek eigen zijn aan zijn God zijn of aan zijn mens zijn, maar aan beide naturen tegelijk: Hij heeft van de Vader de macht gekregen om zonden te vergeven, Johannes 1:29 om tot leven te wekken wie Hij maar wil, om rechtvaardigheid, heiligheid en het behoud te geven en Hij is door de Vader aangesteld als rechter over levenden en doden. Daarom moet Hij net als de Vader geëerd worden. Johannes 5:21-23 Ten slotte wordt Hij het licht voor de wereld genoemd, Johannes 9:5 de goede herder, de enige deur Johannes 10:7-11 en de echte wijnstok. Johannes 15:1 Want toen Gods Zoon geopenbaard was in het lichaam, was Hij voorzien van dergelijke voorrechten. Weliswaar had Hij die al samen met de Vader, vóór de schepping van de wereld. Maar toen had Hij ze niet op dezelfde manier en voor hetzelfde doel. Bovendien waren dit voorrechten die niet gegeven konden worden aan een mens die niet meer was dan een mens.
Op dezelfde manier moet je ook opvatten wat je bij Paulus leest: als Christus klaar is met het oordeel, zal Hij het koninkrijk overgeven aan God en aan de Vader. 1 Korinthiërs 15:24
Natuurlijk heeft het rijk van Gods Zoon geen begin gehad en zal er dus ook geen eind aan komen. Maar Hij lag verscholen onder zijn nederigheid en had zichzelf leeg gemaakt door het uiterlijk aan te nemen van een slaaf. Hij is gehoorzaam geweest aan de Vader. En toen zijn vernedering voltooid was, is Hij ten slotte gekroond met eer en glorie. Hij is verheven tot de hoogste regering en iedereen moet zich voor Hem buigen. Filippenzen 2:6-11; Hebreeën 2:7-9 Daarom zal Hij ook zelf zijn naam en de kroon van zijn glorie en alles wat Hij van de Vader gekregen heeft onderwerpen aan de Vader. Want God moet alles zijn in allen. 1 Korinthiërs 15:27-28 Waarom heeft Hij anders de macht en het gezag gekregen, dan omdat door zijn hand de Vader ons zou regeren?
Dat wordt er ook bedoeld als er over Christus gezegd wordt dat Hij aan de rechterhand van de Vader zit. Marcus 16:19; Romeinen 8:34 Dat is tijdelijk, totdat we het genot hebben dat we zelf bij Hem zijn en Hem zien als God. De oude schrijvers dwalen op dit punt. Zij letten niet op de persoon van de middelaar. Ze verduisteren bijna de hele leer die je in het evangelie van Johannes leest en raken in allerlei strikken verward. Dat valt niet te verontschuldigen.
De sleutel om dit goed te begrijpen is dus dat wat op de taak van middelaar slaat niet alleen over de goddelijke of alleen over de menselijke natuur gaat. Christus regeert dus totdat Hij optreedt als rechter van de wereld. En alleen om ons te verenigen met de Vader, voor zover dat bij onze zwakheid past. Maar als wij eenmaal delen in de hemelse glorie en daarom zelf God zien zoals Hij is, dan is Christus klaar met de taak van middelaar. Dan treedt Hij niet langer op namens de Vader en neemt Hij weer genoegen met de glorie die Hij vóór de schepping van de wereld had.
En de naam ‘Heer’ past ook alleen maar specifiek bij de persoon van Christus voor zover Hij de middelaar is tussen God en ons. Daarop slaat dit woord van Paulus: ‘Er is maar één God, uit wie alle dingen voortkomen, en één Heer, door wie alle dingen bestaan.’ 1 Korinthiërs 8:6 Want aan Hem heeft de Vader het tijdelijke gezag opgedragen, totdat we zijn goddelijke majesteit met eigen ogen zien. Immers, nu reflecteert Christus de glorie van de Vader. Daarom zal er straks aan zijn majesteit niets worden afgedaan. Zijn majesteit zal alleen maar nog helderder gaan stralen. Want dan zal God ook niet langer het hoofd van Christus zijn. Dan zal Christus’ eigen God zijn zelfstandig stralen. Nu is dat nog gehuld in een sluier.
De twee naturen zijn ongedeeld en onvermengd
Als de lezers dit in het oog houden en verstandig weten toe te passen, kan dit hen enorm helpen om heel veel problemen op te lossen. Want het is opmerkelijk dat mensen die heel weinig weten en zelfs mensen die niet helemaal ongeschoold zijn het zo moeilijk hebben met uitspraken die op Christus worden toegepast, maar die blijkbaar toch niet goed passen bij zijn God zijn en ook niet bij zijn mens zijn. Dat komt omdat ze er niet op letten dat die uitspraken van toepassing zijn op Christus’ persoon en op zijn taak als middelaar. In zijn persoon is Christus geopenbaard als God en mens. En het is volslagen duidelijk hoe mooi alles onderling samenhangt, als het ons maar uitgelegd wordt door iemand die verstandig is en deze grote mysteries met gepaste eerbied onderzoekt.
Maar krankzinnigen gooien in hun waanzin altijd alles door elkaar. Ze gebruiken de eigenschappen van Christus’ mens zijn om zijn God zijn onderuit te halen. En andersom gebruiken ze de eigenschappen van zijn God zijn om zijn mens zijn onderuit te halen. En wat gezegd wordt over beide naturen als eenheid gebruiken ze om de twee naturen onderuit te halen. Maar dan beweer je immers niets anders dan: Christus is geen mens, want Hij is God. En Hij is geen God, want Hij is mens. En Hij is geen mens en ook geen God, want Hij is mens en God tegelijk.
We stellen dus vast dat Christus God en mens is. Hij bestaat uit twee naturen die een eenheid vormen, maar niet met elkaar vermengd zijn. Hij is onze Heer en de echte Zoon van God, ook als mens, maar niet omdat Hij mens is.
Weg dus met de dwaling van Nestorius! Die wilde de twee naturen eerder uit elkaar trekken dan van elkaar onderscheiden. Zo bedacht Hij een dubbele Christus. Maar we zien dat de Schrift dat klip en klaar weerlegt in de passages waar Hij die uit de maagd geboren wordt, Gods Zoon genoemd wordt Lucas 1:32 en waar de maagd zelf de moeder van onze Heer genoemd wordt. Lucas 1:43
En pas ook op voor de dwaasheid van Eutyches! Om de eenheid van Christus’ persoon te bewijzen, moeten we niet de twee naturen onderuithalen. Want ik heb al zoveel Schriftbewijzen aangehaald waarin onderscheid gemaakt wordt tussen zijn God zijn en zijn mens zijn en er zijn er nog zoveel meer dat ik zelfs mijn meest strijdlustige tegenstanders de mond kan snoeren. Straks zal ik enkele Schriftbewijzen noemen die dit verzinsel nog beter kunnen ontzenuwen. Op dit moment is één passage voor ons voldoende. Christus zou zijn lichaam immers geen tempel genoemd hebben als zijn goddelijke natuur niet in zijn lichaam gewoond had als iets dat van dat lichaam onderscheiden kan worden. Johannes 2:19-21
Het is dus terecht dat Nestorius veroordeeld is op het concilie van Efeze (431) en later ook Eutyches op de concilies van Constantinopel (448) en Chalcedon (451). Want je mag de twee naturen van Christus niet uit elkaar trekken en evenmin met elkaar vermengen.
De dwaling van Servet
Maar ook in onze tijd is een niet minder dodelijk monster opgestaan: Servet. Hij heeft een verzinsel in de plaats gesteld van Gods Zoon. Dat verzinsel is samengesteld uit het wezen van God, geest, vlees en drie ongeschapen elementen. Om te beginnen zegt Hij dat Christus alleen maar Gods Zoon is omdat Hij in de moederschoot van de maagd verwekt is door de Heilige Geest. Met zijn sluwheid is Servet erop uit om het onderscheid tussen de beide naturen van Christus uit te wissen. Hij wil van Christus iemand maken die een mengsel is van God en mens, maar niet als God en mens beschouwd kan worden. Want in heel zijn argumentatie doet hij zijn best om aan te tonen dat er, voordat Christus geopenbaard werd in het vlees, bij God alleen maar schaduwachtige afbeeldingen waren. Die werden pas effectieve werkelijkheid toen het Woord dat voor deze eer bestemd was daadwerkelijk Gods Zoon begon te worden.
Ook ik erken inderdaad dat de middelaar die uit de maagd geboren is, letterlijk Gods Zoon is. En de mens Christus zou geen spiegel kunnen vormen van Gods onmetelijke genade, als Hij niet de eer had dat Hij de eniggeboren Zoon van God is en genoemd wordt. Maar ondertussen blijft de definitie van de kerk overeind: Christus wordt beschouwd als Gods Zoon omdat Hij als het Woord voor het begin van de tijd uit de Vader is voortgekomen en de menselijke natuur heeft aangenomen door een hypostatische vereniging. Met een ‘hypostatische vereniging’ bedoelden de oude schrijvers een vereniging waardoor twee naturen samen één persoon vormen. Die uitdrukking is bedacht om de dwaasheid van Nestorius te weerleggen. Want Hij verzon dat de Zoon van God in het vlees woonde, zonder dat Hij tegelijk ook mens was.
Servet doet ons onrecht door te zeggen dat wij een dubbele Zoon van God fabriceren als we zeggen dat het eeuwige Woord al Gods Zoon was voordat Hij met een lichaam bekleed werd. Alsof we iets anders zeiden dan dat Hij in het vlees geopenbaard is. Immers, als Hij God was voordat Hij mens was, betekent dat nog niet dat Hij, toen Hij mens werd, een nieuwe God werd! Evenmin is het absurd dat de Zoon van God verscheen in het vlees, terwijl Hij toch dankzij zijn eeuwige afkomst altijd al Zoon was. De woorden van de engel aan Maria maken dat duidelijk: ‘Het heilige dat uit jou geboren zal worden, zal Gods Zoon genoemd worden.’ Lucas 1:35 Het is alsof hij bedoelde dat de aanduiding ‘Zoon’ onder de wet minder duidelijk was, maar nu algemeen bekend zou worden.
Dat correspondeert met deze uitspraak van Paulus: nu we door Christus kinderen van God zijn, roepen we vrijuit en vol vertrouwen: ‘Abba, Vader!’ Romeinen 8:15 Werden de heilige aartsvaders vroeger niet ook als kinderen van God beschouwd? Jazeker, omdat ze erop vertrouwden dat ze dat recht hadden, hebben ze God aangeroepen als hun Vader. Maar sinds de eniggeboren Zoon van God in de wereld gekomen is, weten we nog beter dat God onze hemelse Vader is. Daarom kent Paulus dit als een voorrecht toe aan het rijk van Christus. We moeten echter blijven beseffen dat God nooit een Vader is geweest voor de engelen en ook niet voor de mensen, behalve dankzij zijn eniggeboren Zoon. En vooral dat de mensen zijn kinderen zijn omdat ze uit genade als zijn kinderen geadopteerd zijn, omdat Christus van nature Gods kind is. Want zelf hebben de mensen zich door hun onrechtvaardigheid bij God gehaat gemaakt.
En Servet heeft geen enkele reden om hiertegen in te brengen dat deze adoptie gebaseerd is op een kind zijn dat God in zijn plan bepaald had. Want het gaat hier niet over afbeeldingen, zoals de verzoening afgebeeld werd met dierenbloed. Mensen konden inderdaad geen kinderen van God zijn als hun adoptie als kinderen niet gebaseerd was op het hoofd. Daarom is het totaal onlogisch om het hoofd te ontzeggen wat de ledematen wel allemaal hebben.
Ik ga nog een stapje verder: de Schrift noemt de engelen kinderen van God. Psalm 82:6 Die grote eer was bij hen niet afhankelijk van een verlossing die nog moest komen. Daarom kan het niet anders of Christus gaat in volgorde aan hen vooraf, om hen met de Vader te verenigen. Ik zal ik dit nog een keer kort herhalen en dan hetzelfde toevoegen wat betreft het menselijk geslacht: zowel de engelen als de mensen zijn vanaf het eerste begin geschapen met de bedoeling dat God voor hen beiden samen Vader zou zijn. En Paulus zegt dat Christus altijd het hoofd en de eerstgeborene geweest is van alle schepselen, om over iedereen te regeren. Kolossenzen 1:15 Als dat waar is, vind ik dat ik terecht concludeer dat Hij ook vóór de schepping van de wereld al Gods Zoon was.
Gods Zoon en mensenzoon
Als Christus, zeg maar, pas begonnen is Gods Zoon te zijn op het moment dat Hij in het vlees geopenbaard werd, dan betekent dat dat Hij ook Gods Zoon was wat betreft zijn menselijke natuur. Servet en meer van zulke krankzinnigen stellen dat Christus Gods Zoon was omdat Hij verschenen is in het vlees. Buiten dat vlees zou Hij die naam niet kunnen dragen.
Maar ze moeten mij maar eens antwoord geven op de vraag of Christus Gods Zoon was volgens en wat betreft beide naturen. Want ze kletsen maar wat. Paulus leert iets heel anders. Ik geef wel toe dat Christus Gods Zoon genoemd wordt in zijn menselijk vlees. Niet zoals de gelovigen. Die worden alleen Gods kinderen genoemd omdat ze uit genade geadopteerd zijn. Maar Christus is een echte en natuurlijke en dus de enige Zoon. Dat kenmerk onderscheidt Hem van alle anderen. God keurt ons, die opnieuw geboren zijn in een nieuw leven, het waard dat wij zijn kinderen genoemd worden. Maar Christus alleen krijgt van Hem de naam van echte eniggeboren Zoon. Maar hoe kan Hij tussen zoveel broers de enige zijn? Dat kan toch alleen maar omdat Hij van nature heeft wat wij cadeau gekregen hebben?
En deze eer omvat volgens ons heel de persoon van de middelaar. Hij is echt en in eigenlijke zin Gods Zoon. Hij die geboren is uit de maagd en zich aan het kruis als offer geeft aangeboden aan zijn Vader. Toch is Hij ook Gods Zoon wat betreft zijn God zijn. Paulus leert dat als hij zegt dat hij apart gezet is voor het evangelie van God, dat God van tevoren beloofd had over zijn Zoon, die wat het vlees betreft geboren is uit het zaad van David, van wie overtuigend bewezen is dat Hij de Zoon van God is. Romeinen 1:1-4 Paulus noemt Christus dus uitdrukkelijk de zoon van David wat betreft het vlees. Waarom zou hij dan nog apart zeggen dat bewezen is dat Hij Gods Zoon was? Daarmee wilde hij toch aangeven dat dit nog van iets anders afhing dan van het vlees?
Ergens anders zegt Paulus dat Christus geleden heeft door de zwakheid van het vlees en is opgestaan door de kracht van de Geest. 2 Korinthiërs 13:4 Op dezelfde manier maakt hij hier onderscheid tussen de twee naturen. Mijn tegenstanders moeten toch zeker toegeven dat Christus, zoals Hij dankzij zijn moeder een zoon van David genoemd wordt, zo ook dankzij zijn Vader een Zoon van God genoemd wordt. En dat dat laatste iets anders is, dat verschilt van zijn menselijke natuur. De Schrift geeft Hem steeds twee namen, het ene moment heet Hij Gods Zoon, het volgende moment een mensenzoon. Wat betreft die laatste aanduiding kan er geen discussie over bestaan dat Hij volgens de algemeen gebruikelijke Hebreeuwse manier van spreken een mensenzoon genoemd wordt omdat Hij afstamt van Adam. Aan de andere kant beweer ik dat Hij Gods Zoon genoemd wordt omdat Hij gezien zijn eeuwig wezen God is. Want dat Hij Gods Zoon genoemd wordt, moet je betrekken op zijn goddelijke natuur. En zo moet je het ook op zijn menselijke natuur laten slaan dat Hij een mensenzoon genoemd wordt.
Ten slotte, in deze passage die ik aangehaald heb – dat Christus wat betreft het vlees geboren is uit David, maar dat overtuigend bewezen is dat Hij de Zoon van God is – bedoelt Paulus hetzelfde als wanneer hij ergens anders leert dat Christus, die wat betreft het vlees uit de Joden stamt, God is en daarom voor eeuwig geprezen moet worden. Romeinen 9:5 In beide passages wijst Paulus op het onderscheid tussen de twee naturen. Hoe kunnen mijn tegenstanders dan ontkennen dat Christus Gods Zoon is wat betreft zijn goddelijke natuur, terwijl Hij ook een mensenzoon is wat betreft zijn vlees?
Christus was altijd al Gods Zoon
Luidruchtig voeren mijn tegenstanders tot verdediging van hun dwaling aan dat er gezegd wordt dat God zijn eigen Zoon niet gespaard heeft. Romeinen 8:32 En dat de engel voorschreef dat het kind dat uit de maagd geboren zou worden een Zoon van de allerhoogste genoemd zou worden. Lucas 1:32 Maar ze moeten maar niet trots zijn op zo’n onbeduidend tegenargument. Kijk maar eens hoe weinig het voorstelt. Zij concluderen dat Christus pas Gods Zoon werd toen Hij verwekt werd, omdat Hij die verwekt werd Gods Zoon genoemd wordt. Maar als dat een terechte conclusie is, dan betekent dat ook dat Hij pas het Woord werd toen Hij geopenbaard werd in het vlees. Want Johannes zegt dat Hij het Woord van het leven verkondigt dat hij met eigen handen aangeraakt heeft. 1 Johannes 1:1
Bovendien, als ze op zo’n manier willen argumenteren, hoe moeten ze dan uitleggen wat we lezen bij de profeet Micha? ‘En jij, Bethlehem, land van Juda, bent klein onder de duizenden van Juda. Uit jou zal voor Mij iemand voortkomen die over mijn volk Israël zal regeren. Zijn oorsprong ligt ver in het verleden, in de dagen van de eeuwigheid.’ Micha 5:1 Want ik heb verklaard dat ik het absoluut niet eens ben met Nestorius. Die verzon een dubbele Christus. Maar volgens onze leer heeft Christus ons kinderen van God gemaakt, samen met Hem, omdat wij als broers met Hem verbonden zijn en omdat Hij zelf, in het vlees dat Hij van ons aangenomen heeft, de eniggeboren Zoon van God is.
En Augustinus is zo wijs ons erop te wijzen dat Christus een schitterende spiegel is van Gods wonderbare en speciale genade. Want Hij heeft een eer gekregen die Hij nooit had kunnen verdienen als Hij alleen maar mens was. Vanaf de moederschoot had Christus dus ook dit geweldige kenmerk: Hij was Gods Zoon!
Toch moeten we niet denken dat de eenheid van zijn persoon een mengsel inhoudt. Want dan ontneem je aan zijn God zijn wat daar eigen aan is. Dat het eeuwige Woord van God, nadat zijn twee naturen verenigd zijn tot één persoon op verschillende manieren Gods Zoon genoemd wordt, is niet meer absurd dan dat Hij vanuit verschillend perspectief de ene keer Gods Zoon en de andere keer een mensenzoon genoemd wordt.
Servet lastert ons ook door te beweren dat Christus, voordat Hij lichamelijk verscheen, nergens Gods Zoon genoemd wordt, behalve figuurlijk. Maar dat raakt ons net zomin. Want de manier waarop Hij toen beschreven werd, was weliswaar niet helemaal helder. Maar toch was ook toen al duidelijk bewezen dat Christus eeuwig God was, simpelweg omdat Hij het Woord was dat door de eeuwige Vader is voortgebracht. En dat deze naam van toepassing is op de door Christus aangenomen persoon van middelaar, simpelweg omdat Hij God is, geopenbaard in het vlees. En dat God de Vader niet vanaf het begin Vader genoemd zou zijn als er niet toen al een wederzijdse relatie was met de Zoon. Want elke familiebetrekking of elk vaderschap in hemel en op aarde wordt dankzij Hem als zodanig beschouwd. Efeziërs 3:15 Dus ligt het volgens mij voor de hand om daaruit op te maken dat Gods Zoon er ook al was in de tijd van de wet en de profeten, voordat deze aanduiding algemeen bekend was in de kerk.
Als de discussie alleen over het woord ‘Zoon’ gaat, dan wijs ik erop dat Salomo – als hij het erover heeft dat God oneindig hoog is – verzekert dat zowel zijn Zoon als Hijzelf onbegrijpelijk is. Hij zegt: ‘Vertel me hoe Hij heet, als je kunt, of de naam van zijn Zoon.’ Spreuken 30:4 Ik besef dat dit Schriftbewijs niet genoeg gewicht in de schaal legt bij wie graag in discussie gaat. Daarom steun ik er ook niet speciaal op. Maar het laat wel zien dat wie ontkennen dat Christus alleen maar Gods Zoon is voor zover Hij mens geworden is, boosaardige lasteraars zijn.
Daar komt bij dat juist de oude schrijvers eenstemmig ditzelfde overduidelijk verklaard hebben. Daarom is het niet alleen belachelijk maar ook heel erg dat mijn tegenstanders zo onbeschaamd zijn om ons Ireneüs en Tertullianus voor de voeten te werpen. Want die erkennen allebei dat Gods Zoon eerst onzichtbaar was en pas later zichtbaar verschenen is.
De kern van Servets dwaling
Servet heeft het ene afschuwelijke en monsterlijke idee op het andere gestapeld. Anderen onderschrijven die ideeën waarschijnlijk niet. Maar als je je er iets meer in verdiept, merk je toch dat iedereen die Christus alleen als Gods Zoon erkent als mens, dat alleen doet omdat Hij in de schoot van de maagd verwekt is door de Heilige Geest. In het verleden kletsten de manicheeërs bijvoorbeeld dat de ziel van de mens van God was afgeleid, omdat ze lazen dat God de levensadem in Adam had ingeblazen. Genesis 2:7 Ze bijten zich zo vast in de aanduiding ‘Zoon’ dat ze geen onderscheid meer laten bestaan tussen de twee naturen. In verwarring stotteren ze dat de mens Christus Gods Zoon is omdat Hij wat betreft zijn menselijke natuur van God afstamt. Zo blijft er niets over van de eeuwige afkomst van de Wijsheid, waar Salomo het over heeft. Spreuken 8:22 En bij de middelaar wordt geen rekening meer gehouden met zijn God zijn, of Hij is niet meer echt mens, maar alleen in schijn.
Het zou best nuttig zijn om de ergste goocheltrucs waarmee Servet zichzelf en sommige anderen betoverd heeft, te weerleggen. Dat zou een waarschuwing zijn voor vrome lezers om zich te houden aan de grenzen van zelfbeheersing en bescheidenheid. Toch denk ik dat het overbodig zou zijn, omdat ik dat al in een apart boek gedaan heb.
In de kern komt het hierop neer: Gods Zoon zou vanaf het begin een voorafgaande afbeelding geweest zijn. Toen zou al bepaald zijn dat Hij mens zou worden om in zijn wezen het beeld van God te zijn. Servet erkent geen ander Woord van God, behalve in een uiterlijke glans. Het voortbrengen door God legt hij zo uit: vanaf het begin is in God de wil voortgebracht om een Zoon voort te brengen. En die wil heeft er ook daadwerkelijk toe geleid dat Hij Christus mens gemaakt heeft. Ondertussen vermengt Servet de Geest en het Woord zelf. Want volgens hem heeft God het onzichtbare Woord en de Geest verdeeld over lichaam en ziel. Kortom, hij stelt een voorafgaande afbeelding van Christus in de plaats van het voortbrengen. Hij zegt dat Christus eerst een schaduwbeeld was van een Zoon, maar dat Hij uiteindelijk geboren is door het Woord. Aan het Woord kent hij de rol van zaad toe. Maar dat zou betekenen dat varkens en honden evengoed zonen van God zijn! Want ook die zijn oorspronkelijk geschapen door het Woord van God.
Servet stelt Christus samen uit drie ongeschapen elementen, zodat Hij voortgekomen zou zijn uit Gods wezen. Toch verzint hij dat Christus de eerstgeborene is van de schepselen op zo’n manier dat ook stenen, in overeenstemming met hun rang, hetzelfde wezen van God hebben. En om niet de indruk te wekken dat hij Christus berooft van zijn God zijn, zegt hij dat Christus’ vlees één van wezen is met God en dat het Woord vlees geworden is doordat het vlees veranderd is in God. Want hij kan niet begrijpen dat Christus Gods Zoon is, als zijn vlees niet uit Gods wezen is voortgekomen en in God veranderd is. Maar zo laat hij niets over van de zelfstandigheid van het Woord. En hij beroofd ons van de zoon van David die ons beloofd was als verlosser. Steeds herhaalt hij dat de Zoon door God is voortgebracht doordat Hij Hem van tevoren gekend en bepaald heeft. Maar uiteindelijk, zegt Servet, is Hij mens geworden uit de materie die in het begin bij God schitterde in drie elementen en die later zichtbaar werden in het eerste licht van de wereld, Genesis 1:3 in de wolk en in de vuurkolom. Exodus 13:21
Verder zou het veel te lang duren om te vertellen hoe schandelijk Servet zichzelf soms tegenspreekt. Uit deze korte opsomming van zijn ideeën kunnen verstandige lezers opmaken hoe de sluwe omwegen van deze vuile hond elke hoop op redding uitdoven. Want als het vlees zelf God was, zou het niet langer Gods tempel zijn. Bovendien kan niemand onze verlosser zijn, behalve wie geboren is als nakomeling van Abraham en van David en wat het vlees betreft echt mens geworden is. En het is onterecht dat Servet zich baseert op de woorden van Johannes dat het Woord vlees geworden is. Want die woorden weerleggen niet alleen de dwaling van Nestorius. Ze bieden ook geen enkele basis voor dit goddeloze verzinsel dat door Eutyches is uitgevonden. Want de evangelist wil er alleen maar op wijzen dat Christus één persoon is met twee naturen.
Voetnoten
- 279
Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 11,36.
- 280
Nestorius (ca. 400), patriarch van Constantinopel.
- 281
Eutyches (ca. 400), monnik in Constantinopel.
- 282
Augustinus, De civitate Dei I, 29,1.
Voetnoot 279
Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 11,36.
Voetnoot 280
Nestorius (ca. 400), patriarch van Constantinopel.
Voetnoot 281
Eutyches (ca. 400), monnik in Constantinopel.
Voetnoot 282
Augustinus, De civitate Dei I, 29,1.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.