Boek IV · Hoofdstuk 5
De roomse kerk
Inhoud van dit hoofdstuk · 19 secties
- 1De eisen voor de bisschopstaak worden genegeerd
- 2Het volk wordt van zijn recht beroofd
- 3De burgerlijke overheid heeft te veel invloed gekregen
- 4De functies van presbyters en diakenen worden misbruikt
- 5De ordening van presbyters is verworden tot een schertsvertoning
- 6Priesterschappen om er zelf beter van te worden
- 7Monsterlijke schanddaden
- 8Monniken mogen geen priester zijn
- 9Seculiere priesters misbruiken hun priesterschap
- 10De roomse priesters zijn geen presbyters
- 11Bisschoppen en parochiepriesters
- 12Gregorius de Grote over priesters die niet preken
- 13De roomsen zijn geen opvolgers van de apostelen en de oude kerk
- 14Leven en moraal van de priesters
- 15Diakenen
- 16Roomse geestelijken roven en stelen
- 17Armoede is de echte glorie van de kerk
- 18Overdaad en verkwisting op kosten van de armen
- 19Overdaad en verkwisting door priesters en bisschoppen
De eisen voor de bisschopstaak worden genegeerd
Nu is het goed om te kijken naar de orde van kerkregering waar de roomse stoel en al zijn handlangers zich tegenwoordig aan houden en een volledig overzicht te geven van de hiërarchie waar zij het steeds over hebben. Die vergelijken we dan met de orde van de eerste, oude kerk, die ik beschreven heb. Dan blijkt daaruit wel wat voor kerk degenen hebben die enkel met de naam ‘kerk’ tegen ons te keer gaan om ons de mond te snoeren, of liever tot zwijgen te brengen.
We kunnen het beste beginnen bij de roeping. Dan zien we wie ze tot een bediening roepen, wat voor mensen dat zijn en op welke manier die geroepen worden. Vervolgens zullen we dan kijken hoe trouw zij hun taak uitvoeren.
De eerste plaats geven we aan de bisschoppen. Ach, was het maar eervol voor hen om in deze uitleg de eerste plaats in te nemen! Maar de feiten laten niet toe dat ik dit onderwerp oppervlakkig aanstip, zonder grote schande voor hen! Toch zal ik er rekening mee houden wat voor boek ik nu aan het schrijven ben. Mijn woorden moeten nuttig zijn om eenvoudig onderwijs te geven in de leer. Dus ik zal niet toelaten dat ik te veel uitweid.
Laat iemand van hen die niet elk schaamtegevoel verloren heeft, mij eens antwoord geven op de vraag wat voor bisschoppen er tegenwoordig gekozen worden!
Werkelijk, het is veel te ouderwets om nog onderzoek te doen naar de leer! Als er al een beetje gekeken wordt naar wat iemand geleerd heeft, dan kiezen ze een of andere jurist, die meer verstand heeft van pleiten in de rechtszaal dan van preken in de kerk. Het staat vast dat er in de afgelopen honderd jaar nauwelijks één op de honderd bisschoppen gekozen is die iets van de heilige leer afwist. Ik laat de voorgaande eeuwen niet rusten omdat het toen veel beter was, maar omdat we het nu alleen over de tegenwoordige kerk hebben.
Als we hun leven en moraal beoordelen, dan merken we dat er maar weinigen geweest zijn, of bijna niemand, die we het volgens de oude canones waard zouden vinden. Wie niet dronken was, pleegde overspel. En wie zelfs rein was van deze zonde, dobbelde wel of jaagde of leefde in een bepaald opzicht losbandig. En dan zijn de gebreken die iemand volgens de oude canones uitsluiten van de bisschopstaak nog lichter dan deze gebreken!
Maar verreweg het meest absurd is nog dat zelfs kinderen van nauwelijks tien jaar oud met toestemming van de paus tot bisschop aangesteld zijn! Zo onbeschaamd en afgestompt zijn ze geraakt, dat ze niet terugdeinsden voor zo’n extreme, monsterlijke misdaad, die volledig indruist tegen wat natuurlijk is. Hieruit blijkt wel hoe vroom hun verkiezingen waren, als het er zo laks en onzorgvuldig aan toeging.
Het volk wordt van zijn recht beroofd
Verder is bij het kiezen van een bisschop het volk volledig van zijn recht beroofd. Stemmen, instemmen, ondertekenen en al zulke dingen zijn verdwenen. Alle macht is volledig overgedragen aan de kanunniken. Zij dragen de bisschopstaak op aan wie ze maar willen en ze presenteren hem meteen aan het volk, niet om onderzocht te worden, maar om aanbeden te worden.
Maar Leo I roept hiertegen uit dat dit om geen enkele reden is toegestaan. Hij zegt dat het met geweld opdringen is. Cyprianus verklaart dat het uit Gods recht voortvloeit dat je alleen bisschop kunt worden als het volk ermee instemt. Daarmee laat hij zien dat een tegenovergestelde gewoonte met Gods Woord in strijd is. Heel veel besluiten van synodes verbieden heel streng dat de verkiezing op een andere manier gaat. En als het wel gebeurd is, verklaren ze z’n verkiezing ongeldig. Als dit waar is, is er tegenwoordig in heel het pausdom geen verkiezing meer over die volgens goddelijk en kerkelijk recht wettig is.
Maar zelfs al zou dit het enige kwaad zijn, hoe kunnen ze het dan goed praten dat ze de kerk zo van haar recht beroofd hebben? ‘Ja maar,’ zeggen ze, ‘de tijden zijn bedorven. Bij het kiezen van bisschoppen hadden de haat en nijd van het volk en van de overheid meer invloed dan een juist en gezond oordeel. Daarom was het nodig om de beslissing te laten nemen door enkelen.’ Maar dan was dit dus een laatste redmiddel voor het kwaad in die bedorven toestand. Het middel blijkt echter erger dan de kwaal! Waarom doet men dan niets aan dit nieuwe kwaad?
‘Ja maar,’ zeggen ze, ‘aan de kanunniken is precies voorgeschreven waar ze zich bij het kiezen aan moeten houden.’ Maar we twijfelen er toch ook niet aan dat het volk vroeger, als ze bijeenkwamen om een bisschop te kiezen, besefte dat ze aan heel heilige wetten gebonden waren, omdat Gods Woord hun een norm stelde? Immers, die ene uitspraak van God, waarin hij beschrijft hoe een bisschop er echt uitziet, hoort natuurlijk meer waard te zijn dan duizenden canones zonder eind. Toch was het volk zo bedorven dat het in zijn verkeerde verlangens geen rekening hield met wat wettig of eerlijk was. Zo is het ook nu. Al zijn er nog zulke goede wetten opgeschreven, ze blijven in de boeken begraven.
Ondertussen is het heel gewoon geworden en algemeen geaccepteerd om dronkaards, overspeligen en gokkers tot deze eer te bevorderen, alsof daar alle reden voor is. Wat zeg ik? Bisschopsplaatsen zijn beloningen geworden voor overspel en ontucht! Want als ze gegeven worden aan jagers en vogelvangers, moeten we dat als een uitstekende uitkomst beschouwen. Het is een grote schande om zoiets onwaardigs op wat voor manier ook te verontschuldigen!
Volgens mij had het volk vroeger dus een heel goede regel. Want Gods Woord schreef hun voor dat een bisschop iemand moest zijn op wie niets aan te merken was, die kon onderwijzen, die geen ruzie maakte, enzovoort. 1 Timotheüs 3:1-13; Titus 1:7-9 Waarom is de taak om de bisschoppen te kiezen dan van het volk overgedragen op de kanunniken? Nou, zegt men, omdat er in alle onlusten en partijdigheid van het volk niet meer naar Gods Woord werd geluisterd. Maar waarom wordt die taak hun dan nu niet weer afgenomen? Want niet alleen schenden ze alle wetten. Zonder enige schaamte vermengen en verwarren ze met hun wellust, hebzucht en eerzucht ook nog eens menselijke zaken met goddelijke zaken.
De burgerlijke overheid heeft te veel invloed gekregen
Maar de roomsen liegen als ze zeggen dat dit is uitgevonden als geneesmiddel. Weliswaar lezen we dat vroeger bij het kiezen van bisschoppen steden in opschudding raakten. Maar toch heeft niemand er ooit aan durven denken om de burgers van hun recht te beroven. Ze hadden andere manieren om deze fouten te voorkomen of, als ze al begaan waren, te corrigeren. Maar ik zal uitleggen hoe het dan wel zit.
Het volk werd steeds nalatiger in het kiezen en schoof deze verantwoordelijk af op de presbyters, alsof het niet hun eigen verantwoordelijkheid was. De presbyters hebben van deze gelegenheid misbruik gemaakt om zich een tirannie toe te eigenen die ze later hebben bevestigd door nieuwe canones uit te vaardigen.
Het ordenen is niets anders meer dan een schertsvertoning. Want het schijnonderzoek dat ze daarbij laten zien, is zo hol en leeg dat het zelfs aan de buitenkant kleurloos is.
Op sommige plaatsen hebben de vorsten door middel van een verdrag van de roomse pausen het recht gekregen om zelf bisschoppen te benoemen. Maar dat heeft de kerk geen nieuwe schade opgeleverd. Want daardoor is het kiezen alleen maar afgepakt van de kanunniken. En die hadden het zich toch maar onterecht toegeëigend of zelfs gestolen. Dat is wel een heel schandelijk voorbeeld: vanuit het hof worden bisschoppen uitgezonden om de kerk in bezit te nemen. Vrome vorsten zouden zich van zulk bederf moeten onthouden! Want telkens als het volk een bisschop wordt opgedrongen die ze niet hebben gewild of met wiens verkiezing ze in elk geval niet met een vrije stem hebben ingestemd, is dat een goddeloze beroving van de kerk.
Maar wanorde is nu al zolang gewoonte in de kerk. Dat heeft de vorsten de gelegenheid gegeven om het benoemen van bisschoppen naar zich toe te trekken. Want ze hadden liever dat zij de macht hadden om dat geschenk te verlenen, dan mensen die er evenmin recht op hadden en er even slecht gebruik van maakten.
De functies van presbyters en diakenen worden misbruikt
Dat is dan die geweldige roeping op grond waarvan de bisschoppen pochen dat ze de opvolgers zijn van de apostelen!
Verder zeggen ze dat alleen zij het recht hebben om presbyters te kiezen. Maar op dat punt bederven ze de oude instelling heel erg. Want met hun ordening stellen ze geen presbyters aan om het volk te regeren en te weiden, maar priesters om te offeren.
En ook als ze diakenen wijden, gaat het hun niet om de echte en eigenlijke taak van diakenen. Nee, ze ordenen hen alleen voor het uitvoeren van bepaalde rituelen met beker en schotel.
Maar op het concilie van Chalcedon (451) is daartegen bepaald dat er geen algemene ordeningen plaats mogen vinden. Dat wil zeggen: zonder dat degenen die geordend worden tegelijk ook een plaats toegewezen krijgen waar ze hun taak moeten uitvoeren. Om twee redenen is dit een heel waardevol besluit. In de eerste plaats worden kerken zo niet belast met overbodige uitgaven. Zo wordt niet aan mensen die niets uitvoeren, besteed wat uitgedeeld hoort te worden aan de armen. En in de tweede plaats moeten degenen die geordend worden, bedenken dat ze niet bevorderd worden tot een eervolle positie, maar dat hun een taak wordt opgedragen. En met een plechtige belofte verplichten ze zich ertoe om die taak uit te voeren.
Maar de roomse leermeesters vinden dat je in de godsdienst alleen maar voor je buik hoeft te zorgen. Een titel zien ze in de eerste plaats als een inkomen dat voldoende is voor hun onderhoud, of het nu afkomstig is uit bezit of uit het priesterschap. Dus als zij een diaken of een presbyter ordenen, dan ordenen ze hem zonder zich druk te maken om de vraag waar ze moeten dienen. Als ze maar rijk genoeg zijn om zichzelf te onderhouden. Maar voor wie is dat acceptabel, dat de titel die door het besluit van het concilie een vereiste is, bestaat uit een jaarlijks inkomen voor het onderhoud?
Verder veroordeelden latere canones de bisschoppen tot het onderhouden van degenen die ze ordenden zonder behoorlijke titel. Zo wilde men voorkomen dat ze er te gemakkelijk mee omgingen. En daarom werd er ook een voorzorgsmaatregel bedacht om aan die straf te ontkomen. Want wie geordend wordt, belooft dat hij tevreden zal zijn met de titel die genoemd wordt. Die instemming verhindert hem om eisen te stellen voor zijn onderhoud.
Ik zwijg maar over de duizenden vormen van bedrog die hierbij plaats vinden. Sommigen dragen bijvoorbeeld vals loze titels van priesterschappen waaruit ze nog geen vijf stuivers per jaar kunnen krijgen. Anderen krijgen in een geheime overeenkomst priesterschappen in leen. Ze beloven dat ze die meteen terug zullen geven, maar soms doen ze dat niet. En zo zijn er meer van dit soort duistere praktijken.
De ordening van presbyters is verworden tot een schertsvertoning
Maar zelfs al zou er aan die grovere misbruiken een eind komen, blijft het dan niet nog altijd absurd dat men een presbyter aanstelt zonder hem een plaats toe te wijzen? Want de roomsen ordenen niemand, behalve om te offeren. Maar de wettige ordening van een presbyter bestaat uit een roeping om de kerk te besturen en van een diaken om de liefdegaven voor de armen te beheren.
Zij verhullen wat ze doen met veel pracht en praal, om met uiterlijke schijn eerbied op te wekken bij eenvoudigen. Maar wat voor waarde kan die maskerade hebben voor mensen met een gezond verstand? Er is geen enkele basis voor en er is niets echts aan. Want ze gebruiken rituelen die ze óf overgenomen hebben van het jodendom, óf zelf verzonnen hebben, maar die je maar beter kunt nalaten.
Maar ze reppen niet over een echt onderzoek, de instemming van het volk en andere onmisbare dingen. Want om de schaduw van onderzoek die ze nog over hebben, geef ik niets. Met schaduw bedoel ik de belachelijke gebaren die een domme en zinloze imitatie vormen van hoe het in de oude kerk toeging. De bisschoppen hebben hun vicarissen die vóór de ordening onderzoek doen naar wat iemand geleerd heeft. Maar wat onderzoeken ze? Of ze hun missen kunnen lezen, of ze een alledaags naamwoord dat ze bij het lezen tegenkomen, kunnen verbuigen of een werkwoord kunnen vervoegen, of ze de betekenis van één woord kennen. Het is zelfs niet nodig dat ze van één heel zinnetje de betekenis kunnen weergeven. En toch worden degenen die zelfs in deze kinderlijke basisbeginselen falen, niet van het priesterschap afgehouden. Als ze maar een aanbeveling meebrengen in geld of gunst.
Net zo onzinnig is het dat degenen die geordend moeten worden, naar het altaar gebracht worden en dat dan drie maal een onverstaanbare stem in het Latijn vraagt of ze de eer waard zijn. Dan antwoordt er in het Latijn iemand die hen nog nooit gezien heeft of een of andere lakei die helemaal geen Latijn kent, maar die deze rol vervult in het toneelstuk zodat er maar niets aan de formaliteiten ontbreekt: ‘Zij zijn het waard.’ Waar zou je die eerbiedwaardige vaders anders van kunnen beschuldigen dan dat ze met zo’n openlijke heiligschennis een spelletje spelen en God en mensen schaamteloos uitlachen?
Maar ze hebben dit nu al zo lang ongestoord kunnen doen, dat ze denken dat het nu wel toegestaan is. Want ieder die zijn mond open durft doen tegen zulke duidelijke en afschuwelijke misdaden, wordt door hen ter dood veroordeeld, net als degene die in de oudheid de mysteries van de godin Ceres onthuld had. Zouden ze dat doen als ze dachten dat er een God is?
Priesterschappen om er zelf beter van te worden
Verder, gedragen de pausgezinden zich beter bij het uitdelen van de priesterschappen? Vroeger waren die verbonden met het ordenen, maar nu staan ze daar volledig los van. Het uitdelen doen ze op allerlei manieren. Bisschoppen zijn niet de enigen die priesterschappen uitdelen en zelfs bij de priesterschappen waarvan zij de collator – ‘toedeler’ – genoemd worden, hebben zij niet altijd het volledige gezag. Soms hebben anderen het recht van presentatie, terwijl ze zelf de eretitel van collatie hebben. Daarbij komen nog de nominaties uit de scholen, de resignaties die eenzijdig plaatsvinden of als ruil, de aanbevelingsbrieven, de preventies en meer van dat soort dingen.
Maar ze gedragen zich allemaal zo dat ze elkaar geen van allen iets kunnen verwijten. Ik durf te stellen dat tegenwoordig nauwelijks een op de honderd priesterschappen verleend wordt zonder simonie, volgens de definitie die de oude schrijvers van simonie gegeven hebben. Ik zeg niet dat ze hun priesterschappen allemaal met contant geld kopen. Maar wijs mij eens een op de twintig aan die aan een priesterschap komt zonder een of andere indirecte aanbeveling. Sommigen worden ertoe bevorderd dankzij bloed- of aanverwantschap, anderen dankzij het aanzien van hun ouders, nog weer anderen komen in de gunst door onderdanigheid.
Kortom, priesterschappen worden niet verleend in het belang van de kerken, maar in het belang van degenen die ze krijgen. Daarom noemen zij ze beneficia – ‘weldaden’. Met die benaming maken ze voldoende duidelijk dat zij ze op één lijn stellen met schenkingen waarmee vorsten de gunst van ridders winnen of hun inspanningen belonen.
Ik ga er nu maar aan voorbij dat deze beloningen geschonken worden aan barbiers, koks, ezeldrijvers en dat slag lieden. Bovendien galmt het in de rechtszalen tegenwoordig haast alleen nog maar van rechtszaken over priesterschappen. Je zou kunnen zeggen dat ze niets anders zijn dan een prooi die honden wordt toegeworpen om erop te jagen.
Het is toch onacceptabel als je hoort dat degenen die een kerk als vijandelijk gebied binnengevallen zijn en in bezit genomen hebben, ‘herders’ genoemd worden? Degenen die een kerk door middel van processen gekregen hebben, met vuile onderdanigheid verdiend hebben of er, terwijl ze nog kinderen waren die nauwelijks konden brabbelen, ingegroeid zijn als in een erfenis van hun ooms en familieleden, soms zelfs als buitenechtelijke kinderen, van hun vaders?
Monsterlijke schanddaden
Zou de bandeloosheid van het volk, hoe bedorven en wetteloos ook, ooit zover gegaan zijn? Maar nog monsterlijker is het dat er één man – ik zeg niet wat voor man, maar in elk geval een die zichzelf niet kan regeren – wordt aangesteld om vijf of zes kerken te regeren. Aan het hof van vorsten kun je tegenwoordig jongemannen zien die drie abdijen, twee bisdommen en één aartsbisdom in bezit hebben. Overal zijn kanunniken die belast zijn met vijf, zes of zeven priesterschappen, waar ze helemaal niet voor zorgen, behalve dan als het gaat om het ontvangen van hun inkomsten.
Ik zal hun niet voor de voeten werpen dat Gods Woord hier overal tegenin roept. Want dat maakt hun allang niets meer uit. Ik zal hun niet voor de voeten werpen dat op meerdere concilies heel strenge bepalingen opgesteld zijn tegen deze goddeloosheid. Want ook daar hebben ze een sterke minachting voor, zo vaak ze maar willen.
Maar ik zeg wel dat dit twee monsterlijke schanddaden zijn die regelrecht tegen God, de natuur en de kerkregering ingaan: dat één rover tegelijk meer dan één kerk in bezit heeft en dat iemand herder genoemd wordt die niet bij zijn kudde kan zijn, zelfs al zou hij het willen. Toch zijn zij zo onbeschaamd dat ze zulke afschuwelijke gruwelen verhullen met de naam ‘kerk’, om ze te beschermen tegen elke berisping. Sterker nog, ze beweren zelfs dat in die schandelijke dingen de heilige lijn van opvolging zit waar het aan te danken is, zo pochen zij, dat de kerk niet vergaat.
Monniken mogen geen priester zijn
Laten we nu kijken hoe trouw de roomse priesters hun taak uitvoeren. Dat is het tweede kenmerk bij het beoordelen van een wettige herder.
Van de presbyters – priesters – die in het pausdom aangesteld worden, zijn sommigen monniken en anderen, zoals zij dat noemen, seculieren.
De eerste categorie was in de oude kerk onbekend. Dat monniken zo’n positie in de kerk hebben, is zo in strijd met het beroep van monnik, dat je vroeger geen monnik bleef als je vanuit het klooster werd opgenomen onder de geestelijken. Sterker nog, in de tijd van Gregorius de Grote waren er al veel fouten. Toch stond hij niet toe dat deze categorieën met elkaar vermengd raakten. Hij wil dat degenen die abt worden, afstand doen van hun positie als geestelijke. Want niemand kan tegelijk monnik en geestelijke zijn zoals het hoort. Het een vormt namelijk een belemmering voor het ander.
Stel nu dat ik vraag hoe iemand zijn taak goed kan uitvoeren als de canones hem ongeschikt verklaren. Wat, vraag ik je, zullen zij dan antwoorden? Natuurlijk zullen ze dan voor mij de ontijdig geboren besluiten citeren van Innocentius en Bonifatius. Zij laten de monniken toe tot de eer en de macht van het priesterschap, terwijl ze toch in hun kloosters kunnen blijven. Maar wat is dat voor manier van doen dat een of andere domme ezel, omdat hij de stoel van Rome bezet, alles van de oude kerk met één woordje ondersteboven keert? Maar daar zal ik het later over hebben.
Nu moet dit voldoende zijn: toen de kerk nog zuiver was, werd het als heel absurd beschouwd als een monnik als priester zou fungeren. Want Hiëronymus ontkent dat hij de priestertaak uitvoert terwijl hij tussen monniken leeft. Nee, hij beschouwt zichzelf als iemand van het volk, die door een priester geregeerd moet worden.
Maar stel dat ik hun op dit punt gelijk geef. Wat van hun taak voeren zij dan uit? Sommige bedelmonniken preken. Alle andere monniken zingen of prevelen hun missen in hun schuilhoeken. Alsof Christus gewild heeft dat daar dienaren voor aangesteld zouden worden, of alsof de aard van die taak dat toelaat! De Schrift verklaart duidelijk dat het de taak van een dienaar is om zijn eigen kerk te regeren. Handelingen 20:28 Is het dan geen goddeloze ontheiliging als je die taak op iemand anders overdraagt en Gods heilige instelling zelfs compleet verandert?
Want als monniken geordend worden, wordt hun expliciet verboden wat God alle dienaren opdraagt. Immers, hun wordt dit liedje voorgezongen: een monnik moet tevreden zijn met zijn klooster. Hij moet het niet wagen de sacramenten te bedienen of op een andere manier publiek iets van zijn taak uit te voeren.
De roomsen moeten maar ontkennen, als ze dat kunnen, dat je openlijk een spelletje speelt met God als je een dienaar aanstelt met de bedoeling dat hij zijn taak niet daadwerkelijk echt uitvoert. En dat je dan misschien wel presbyter heet, maar het niet echt bent.
Seculiere priesters misbruiken hun priesterschap
Ik kom bij de seculieren. Voor een deel zijn dat beneficiarissen, zoals zij dat noemen. Dat wil zeggen dat ze priesterschappen hebben om daardoor onderhouden te worden. En een deel leeft van het geld dat ze dagelijks verdienen met het lezen of zingen van missen.
De beneficiën houden de zorg in voor zielen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij bisdommen en parochies. Of het zijn inkomens voor genotzuchtige mensen die hun levensonderhoud verdienen door te zingen. Dat geldt bijvoorbeeld voor prebenden, kanunnikschappen, personaatschappen, digniteiten, kapelaanschappen en dergelijke. Trouwens, omdat de dingen toch al op hun kop gezet zijn, worden er niet alleen abdijen en prioraten aan seculiere priesters gegeven, maar zelfs aan kinderen. Dit gebeurt bij privilege en het is een algemeen gebruikelijke gewoonte.
Wat betreft de huurlingen die elke dag hun kost proberen te verdienen: wat kunnen ze anders doen dan ze nu doen? Wat anders dan zichzelf op een onwaardige en schandelijke manier weggeven in prostitutie, vooral in zo’n grote menigte als nu de wereld overspoelt? Ze durven niet openlijk te bedelen of ze denken dat ze daar weinig mee zouden bereiken. Daarom trekken ze rond als hongerige honden en om hun lege maag te vullen, persen ze met brutaal geblaf gaven af van mensen die met tegenzin luisteren.
Als ik nu zou proberen om met woorden aan te geven wat voor grote schande het voor de kerk is dat het met de eer en de taak van de dienaren zover gekomen is, dan zou er geen eind aan komen. De lezers moeten van mij dus niet verwachten dat ik zo’n schandelijke onwaardigheid ga behandelen zoals gepast zou zijn.
Ik zeg alleen in het kort: Gods Woord schrijft voor en de oude canones eisen dat een dienaar de kerk weidt en het geestelijke koninkrijk van Christus bestuurt. Als dat zijn plicht is, dan doen alle priesters die geen ander werk of inkomen hebben dan handeldrijven in missen, niet alleen hun plicht niet. Nee, dan hebben ze helemaal geen wettige taak om uit te voeren. Want ze krijgen geen kans om te onderwijzen en ze hebben geen gemeente om te besturen. Kortom, ze hebben niets anders dan een altaar om daarop Christus te offeren. Dat is geen offeren aan God, maar aan demonen. 1 Korinthiërs 10:20 Dat zullen we ergens anders nog zien.
De roomse priesters zijn geen presbyters
Ik stip hier geen fouten aan die slechts aan de buitenkant zitten, fouten van enkelingen. Nee, het gaat alleen om fouten die zitten ingebakken in de roomse instelling zelf. Ik zal er iets aan toevoegen dat de roomse priesters onaangenaam in de oren zal klinken. Maar het is waar en daarom moet ik het zeggen: kanunniken, dekens, kapelaans, proosten en allen die onderhouden worden door gemakkelijke priesterschappen, kun je met hen op één lijn stellen. Want wat voor bediening kunnen zij voor de kerk uitvoeren? De prediking van het Woord, de zorg voor de tucht en het uitdelen van de sacramenten hebben ze immers als te zware lasten van zich af geschud. Dus wat hebben ze dan nog over waarop ze zich kunnen laten voorstaan als echte dienaren? Nou, het zingen en de pracht en praal van de rituelen. Maar wat heeft dat ermee te maken?
Als zij als verdediging aanvoeren dat het een allang gebruikelijke gewoonte is, dan wijs ik echter op de definitie waarmee Christus ons de echte dienaren getekend heeft. Daarmee heeft Hij ons verteld waar degenen die als echte dienaren beschouwd willen worden, aan moeten voldoen. En als ze niet tegen zo’n harde wet kunnen en zich niet kunnen onderwerpen aan de regel van Christus, dan moeten ze toch in elk geval accepteren dat deze zaak beslecht wordt door het gezag van de eerste kerk. Maar ze staan er echt niet beter voor als hun toestand beoordeeld wordt op basis van de oude canones.
Degenen die ontaard zijn tot kanunniken, hadden presbyters moeten zijn. Dat waren degenen die vroeger samen met de bisschop de kerk regeerden. Zij waren als het ware zijn collega-herders. De waardigheid van hun zogenaamde kapittels heeft helemaal niets te maken met de echte regering van de kerk. En dat geldt nog veel minder voor de kapelaanschappen en wat er nog meer voor modder is met zulke namen. In welke positie moeten we hen dus zien? Vast en zeker sluit zowel het woord van Christus als de praktijk in de oude kerk hen uit van de eer van de presbyters. Toch beweren zij dat zij presbyters zijn. Maar dat masker moet hun van het gezicht getrokken worden. Dan zullen we merken dat hun werk heel anders is en ver afstaat van de taak van de presbyters zoals de apostelen die voor ons beschrijven en de eerste kerk die eiste.
Dus met welke benamingen ze al zulke rangen ook tooien, ze zijn allemaal nieuw. In elk geval zijn ze niet gebaseerd op een instelling van God en evenmin op de praktijk van de oude kerk. Daarom mag daarvoor geen plaats zijn in een beschrijving van de geestelijke regering die de kerk heeft ontvangen. Want die regering is geheiligd door de mond van de Heer zelf.
Misschien hebben ze liever dat ik het wat ruwer en grover zeg. Daarom: kapelaans, kanunniken, dekens, proosten en al die vadsige buiken raken zelfs met hun pink nog geen stukje aan van de taak die van dienaren als onmisbaar geëist wordt. Daarom is het onacceptabel dat zij zich die eer onterecht aanmatigen en zo Christus’ heilige instelling geweld aandoen.
Bisschoppen en parochiepriesters
De bisschoppen en de bestuurders van de parochies zijn nu nog over. Och, deden die nu maar hun best om bij hun taak te blijven! Want ik geef hun graag toe dat ze een vrome en geweldige taak hebben. Als ze die maar uitvoerden! Maar de kerken die hun zijn toevertrouwd, verlaten ze. De zorg ervoor schuiven ze af op anderen. Maar toch willen ze beschouwd worden als herders. Daarom doen ze net alsof de taak van een herder bestaat uit nietsdoen.
Stel dat een rentenier, die nooit een voet buiten de stad zet, zich uitgeeft voor een landbouwer of wijnboer. Stel dat een soldaat, die altijd op het slagveld of in de legerplaats verbleven heeft en nooit een rechtszaal of boeken gezien heeft, zich uitgeeft voor een jurist. Wie zou zo’n afschuwelijke dwaasheid kunnen verdragen?
Maar wat deze mensen doen is nog veel absurder. Ze doen alsof ze wettige herders van de kerk zijn en willen zo genoemd worden. Maar ze willen het niet zijn! Want hoe weinigen van hen houden zelfs maar de schijn op dat ze hun kerk regeren. Heel velen verslinden hun leven lang de inkomsten van kerken die ze zelfs nooit eens bezoeken om ze te inspecteren. Anderen komen één keer per jaar zelf, of ze sturen een rentmeester, om te voorkomen dat er iets van de pacht verloren zou gaan.
Toen dit bederf begon op te komen, hebben degenen die wilden genieten van nietsdoen, zich vrijgemaakt door privileges. Nu komt het nog maar zelden voor dat iemand bij zijn kerk woont. Want zij beschouwen kerken als landgoederen. De leiding daarover geven ze aan hun plaatsvervangers als rentmeesters of pachtboeren. Maar het is zelfs in strijd met de natuur dat iemand die nooit een schaap gezien heeft, herder van een kudde zou zijn!
Gregorius de Grote over priesters die niet preken
Al in de tijd van Gregorius de Grote bestonden er blijkbaar al enkele kiemen van dit kwaad. Toen al begonnen de bestuurders van de kerk nalatig te worden in het geven van onderwijs. Want ergens klaagt hij daar erg over. Hij zegt: ‘De wereld is vol priesters. Toch vind je maar weinig arbeiders in de oogst. Want we nemen wel de priestertaak op ons, maar we voeren die taak niet uit.’ En: ‘Omdat zij van binnen geen liefde voelen, willen ze heren lijken. Maar ze beseffen niet dat ze vaders zijn. Een nederige positie wisselen ze in voor een hoge regeringspositie.’ En: ‘Maar wij, herders, wat doen wij? We krijgen loon, maar werken er niet voor. We zijn vervallen tot uiterlijke dingen. We nemen het een op ons, maar doen iets anders. We verlaten de bediening van de prediking en volgens mij is het voor ons een straf dat we bisschoppen genoemd worden. Want we hebben wel een eervolle titel, maar niet de dingen waar die titel voor staat.’
Als Gregorius zulke scherpe woorden gebruikt tegen degenen die hun taak alleen maar minder nauwkeurig of minder ijverig uitvoerden, wat zou hij dan zeggen, vraag ik je, als hij zag dat van de bisschoppen bijna niemand, of in elk geval heel weinigen, en van de rest nauwelijks één op de honderd in heel hun leven één keer de preekstoel beklimmen? Want men is zo waanzinnig geworden, dat het houden van een preek voor het volk algemeen beschouwd wordt als iets dat te min is voor de waardigheid van een bisschop.
In de tijd van Bernardus van Clairvaux waren de dingen nog veel erger in verval geraakt. Maar we zien ook met wat voor strenge berispingen hij uitvaart tegen de hele priesterorde. En we mogen ervan uitgaan dat die toen nog veel zuiverder was dan nu.
De roomsen zijn geen opvolgers van de apostelen en de oude kerk
Als we deze hele zichtbare vorm van kerkregering zoals die tegenwoordig onder het pausdom bestaat, overwegen en onderzoeken zoals het hoort, zullen we merken dat er geen rovershol is waarin de struikrovers zo losbandig zonder wet of teugel tekeergaan. Werkelijk, in het pausdom is alles zo anders dan hoe Christus het heeft ingesteld, zo ontaard van de bepalingen en morele normen van de oude kerk en zo in strijd met de natuur en de rede, dat Christus geen groter onrecht aangedaan kan worden dan dat zij zijn naam gebruiken als voorwendsel om zo’n wanordelijke regering te verdedigen.
Ze zeggen: ‘Wij zijn de steunpilaren van de kerk, de leiders van de godsdienst, de plaatsvervangers van Christus, de aanvoerders van de gelovigen. Want via opvolging hebben wij de macht van de apostelen gekregen.’ Continu pronken ze met die dwaasheden, alsof ze het tegen blokken hout hebben.
Maar steeds als ze daarop pochen, zal ik hun op mijn beurt vragen wat zij gemeen hebben met de apostelen. Want het gaat niet over een of andere erfelijke eer. Die zou zelfs aan slapenden verleend kunnen worden. Nee, het gaat over de taak van het prediken. En die ontvluchten ze steeds!
Bovendien, als ik beweer dat hun rijk de tirannie van de antichrist is, dan zeggen ze daar meteen tegenin dat het de eerbiedwaardige hiërarchie is, die zo vaak door grote en heilige mannen geprezen is. Alsof de heilige kerkvaders, toen zij de kerkelijke hiërarchie of geestelijke regering aanprezen zoals die aan henzelf van hand tot hand was overgeleverd door de apostelen, zich deze misvormde en totaal verwoeste chaos konden dromen! Bisschoppen zijn meestal ongeschoolde ezels die zelfs de eerste, gewone basisbeginselen van het geloof niet kennen. Soms zijn het nog kinderen die net bij hun voedster vandaan komen. En als sommigen iets meer geleerd hebben – wat maar zelden voorkomt – dan denken ze dat de taak van een bisschop niets anders inhoudt dan een schitterende titel vol pracht en praal. De bestuurders van de kerken denken er niet aan de kudde te weiden, evenmin als een schoenmaker eraan denkt om het land te bebouwen. Alles is zo verward, nog erger dan in de Babylonische spraakverwarring, Genesis 11:9 dat er geen enkel spoortje meer te ontdekken valt van wat de kerkvaders bepaald hebben.
Leven en moraal van de priesters
En als we kijken naar leven en moraal van de priesters, waar vinden we dan het licht voor de wereld, dat Christus eist? Waar het zout voor de aarde? Mattheüs 5:13-14 Waar de heiligheid die je als een voortdurende leefregel zou kunnen zien? Er is tegenwoordig geen categorie mensen die schandelijker leeft als het gaat om overdaad, verwijfdheid, genot, kortom, alle vormen van wellust. In geen enkele stand vind je mensen die zulke bekwame en ervaren meesters zijn in allerlei vormen van leugen, bedrog, verraad en ontrouw. Nergens vind je zoveel slimheid of overmoed in het berokkenen van schade. Ik zwijg maar over hun hoogmoed, trots, roofzucht en wreedheid. Ik zwijg over hun losbandige lichtzinnigheid op alle terreinen van het leven.
De wereld is het zo zat om al deze dingen te dragen, dat je niet bang hoeft te zijn dat ik te veel overdrijf. Ik noem één ding dat ze zelf niet kunnen ontkennen: er is onder de bisschoppen haast niemand en van de rest niet één op de honderd die het niet zou verdienen om in de ban gedaan te worden of in elk geval te worden afgezet, als je over hun leven en moraal een oordeel moest vellen volgens de oude canones. Het lijkt alsof ik iets ongelooflijks zeg, maar zo sterk is de oude tucht in verval geraakt, die een nauwkeurig onderzoek voorschreef naar leven en moraal van de geestelijken.
Laat degenen die onder het vaandel en de leiding van de stoel van Rome dienen nu hun gang maar gaan en pochen op hun priesterorde. Het is in elk geval zeker dat hun orde niet van Christus, niet van de apostelen, niet van de kerkvaders en niet van de oude kerk afkomstig is.
Diakenen
Laat nu de diakenen naar voren komen met hun heel heilige uitdeling van de kerkelijke bezittingen. Echter, de pausgezinden benoemen hun diakenen helemaal niet voor dat doel. Ze leggen hun immers geen andere taak op dan dienen bij het altaar, het evangelie voorlezen of zingen en het verrichten van ik weet niet wat verder nog voor onbenulligheden. Niets hebben die te maken met liefdegaven of zorg voor de armen, niets met heel die bediening die diakenen vroeger hadden. Ik heb het over de instelling zelf. Want als we kijken naar wat ze doen, dan hebben ze eigenlijk helemaal geen taak. Het is voor hen alleen maar een opstapje naar het priesterschap.
Op één punt laten degenen die de positie van diaken bij de mis innemen, nog een loos beeld zien van wat in de oude kerk gebruikelijk was. Want ze nemen voor de consecratie de offergaven in ontvangst. In de oude kerk was het de gewoonte dat de gelovigen vóór het deelnemen aan het avondmaal elkaar kusten en hun liefdegaven offerden aan het altaar. Zo lieten ze hun liefde blijken, eerst symbolisch en daarna door daadwerkelijk goed te doen. De diaken zorgde voor de armen. Hij nam de gaven in ontvangst om uit te delen.
Nu bereikt van die liefdegaven even weinig de armen als wanneer ze in zee geworpen zouden worden. Met hun valse diakenschap spelen de roomsen dus een spelletje met de kerk. Hun diakenschap heeft echt niets gemeen met de instelling van de apostelen of met de praktijk in de oude kerk. Nee, ze hebben het uitdelen van gaven verplaatst en zo ingericht dat je je geen grotere wanorde kunt voorstellen. Want zoals struikrovers mensen vermoorden en dan de buit onder elkaar verdelen, zo hebben zij het licht van Gods Woord gedoofd en als het ware de kerk vermoord en nu denken ze dat alles wat voor heilig gebruik gewijd was, is prijsgegeven als buit om te plunderen. Dus hebben ze de boel verdeeld en heeft ieder zoveel mogelijk naar zich toegetrokken.
Roomse geestelijken roven en stelen
Zo zijn de oude gewoonten die ik behandeld heb, niet slechts verward, maar zelfs volledig uit de weg geruimd en vernietigd. De bisschoppen en de stadspriesters – die, rijk geworden van deze buit, veranderd zijn in kanunniken – hebben het belangrijkste deel onder elkaar verdeeld. Maar bij die verdeling is het rumoerig toegegaan. Dat blijkt doordat ze tot vandaag toe ruzie maken over de precieze grenzen.
Hoe dan ook, deze schikking zorgt ervoor dat geen cent van alle bezittingen van de kerk terechtkomt bij de armen, die er in elk geval voor de helft recht op hebben. Want de canones kennen een vierde deel aan hen toe. En nog een ander vierde deel kennen ze toe aan de bisschoppen met de bedoeling dat ze het gebruiken voor gastvrijheid en andere verplichtingen om goed te doen. Ik zwijg erover wat de geestelijken moesten doen met hun deel en waar zij dat voor moesten gebruiken. Ik heb al duidelijk genoeg aangetoond dat het laatste deel, dat bestemd is voor de kerken, gebouwen en andere uitgaven, in tijd van nood beschikbaar hoort te zijn voor de armen.
Ik vraag je: als ze maar één vonkje vrees voor God in hun hart hadden, zouden ze dan kunnen leven met het besef dat alles wat ze eten en waarmee ze zich kleden afkomstig is van diefstal, ja zelfs van heiligschennis? Maar Gods oordeel raakt hen nauwelijks. Daarom zouden ze zich op z’n minst moeten realiseren dat degenen die zij willen wijsmaken dat ze in hun kerk zulke mooie en goed ingerichte orden hebben – dat pochen ze altijd zo graag – mensen zijn met zinnen en verstand.
Ze moeten mij maar eens ronduit antwoorden of diaken zijn inhoudt dat je vrij bent om te roven en te stelen. Als ze dat ontkennen, moeten ze natuurlijk ook erkennen dat zij geen diakenen meer hebben. Want bij hen is heel de uitdeling van de kerkelijke bezittingen openlijk veranderd in een heiligschennende plundering.
Armoede is de echte glorie van de kerk
Maar op dit punt gebruiken de pausgezinden een heel mooie uitvlucht. Ze zeggen dat deze schittering gepast is om de waardigheid van de kerk hoog te houden. Sommigen van hun sekte zijn zo onbeschaamd dat ze openlijk durven pochen dat de voorzeggingen waarin de oude profeten de glans van Christus’ koninkrijk beschrijven, pas vervuld worden als die koninklijke pracht en praal zichtbaar is in de priesterorde. God heeft zijn kerk niet voor niets de volgende dingen beloofd, zeggen zij: ‘Koningen zullen komen. Zij zullen voor uw ogen bidden. Zij zullen u geschenken brengen.’ Psalm 72:10-11 ‘Sta op, sta op, trek je kracht aan, Sion, trek je sierlijke kleding aan, Jeruzalem!’ Jesaja 52:1 ‘Iedereen uit Scheba zal komen. Goud en wierook zullen ze meebrengen en ze zullen de Heer loven. Alle schapen van Kedar zullen bij jou verzameld worden.’ Jesaja 60:6-7
Ik ben bang dat ik dwaas zou lijken als ik lang de tijd zou nemen om deze onbeschaamdheid te weerleggen. Daarom heb ik geen zin om mijn woorden te verspillen. Toch vraag ik welke oplossing zij zouden geven als een Jood deze Schriftbewijzen zou misbruiken. Natuurlijk zouden ze hem berispen om zijn domheid, omdat hij op vlees en wereld toepast wat geestelijk gezegd wordt over het geestelijke rijk van Christus. We weten immers dat de profeten in het beeld van aardse dingen Gods hemelse glorie voor ons getekend hebben, die in de kerk moet schitteren. Want van deze zegeningen waar hun woorden van vertellen, heeft de kerk nooit zo weinig gehad als in de tijd van de apostelen. En toch erkent iedereen dat de kracht van Christus’ rijk toen het meest gefloreerd heeft.
Wat betekenen deze uitspraken dan? Dat alles wat ook maar kostbaar, verheven of geweldig is, onderworpen moet zijn aan de Heer. En dat uitdrukkelijk gezegd wordt dat koningen hun macht aan Christus zullen onderwerpen, hun kronen aan zijn voeten zullen werpen en hun schatten aan de kerk zullen wijden – wanneer is dat volgens hen echter en vollediger vervuld dan toen keizer Theodosius zijn purperen mantel uittrok, de tekenen van zijn keizerschap opgaf en zich als een man uit het volk voor God en de kerk onderwierp aan het doen van openbare boete? Toen hij en andere zulke vrome vorsten hun ijver en zorg gebruiken om de zuivere leer in de kerk te bewaren en de gezonde leraren te ondersteunen en te beschermen?
Maar de priesters baadden toen niet in overbodige luxe en rijkdom. Dat blijkt duidelijk genoeg uit die ene uitspraak van de synode van Aquileia (381), waarvan Ambrosius voorzitter was: ‘Voor de priesters van de Heer is armoede hun glorie.’ Natuurlijk hadden de bisschoppen toen wel wat bezittingen waarmee ze de kerk hadden kunnen versieren, als ze van mening geweest waren dat dat de echte versieringen van de kerk waren. Maar ze wisten dat niets zo in strijd is met de taak van herders als stralend pronken met tafelgenot, schitterende kleding en prachtige paleizen. Daarom volgden en cultiveerden ze de nederigheid en bescheidenheid, ja zelfs de armoede die Christus onder zijn dienaren geheiligd heeft.
Overdaad en verkwisting op kosten van de armen
Maar laten we hier niet langer bij blijven stilstaan. Laten we kort samenvatten hoever de uitdeling, of beter verkwisting, van de kerkelijke bezittingen zoals die nu gebruikelijk is, verwijderd is van het echte diakenschap dat Gods Woord ons aanbeveelt en dat in de oude kerk praktijk was.
Volgens mij wordt alles wat gebruikt wordt om kerkgebouwen te versieren, verkeerd besteed als men zich niet houdt aan de beperking die de aard van de heilige dingen zelf voorschrijft en die de apostelen en de andere heilige kerkvaders zowel door hun leer als door hun voorbeeld hebben voorgeschreven. Maar wat zie je daar tegenwoordig van in de tempels van de roomsen? Ze wijzen alles af wat voldoet, ik zeg niet aan de oude canones over soberheid, maar aan een fatsoenlijke matigheid. Ze vinden niets goed dat niet getuigt van overdaad en het bederf van de tijden.
Ondertussen zorgen ze helemaal niet voor de levende tempels zoals het hoort. Ze zouden liever vele duizenden armen van honger om laten komen dan dat ze ook maar de kleinste beker of kroes zouden breken om hun gebrek te verlichten.
Zelf wil ik liever geen te zware uitspraken doen. Daarom zou ik graag willen dat de vrome lezers alleen hier eens over nadachten: stel dat Exuperius, de bisschop van Toulouse, die ik hierboven noemde, of Acatius, Ambrosius of nog zo’n man uit de doden kon worden opgewekt. Wat zouden zij dan zeggen? Zij zouden het zeker niet goedkeuren dat bij zo’n grote nood van de armen de bezittingen voor een ander doel besteed worden alsof ze over zijn. En dan zwijg ik er nog over dat de manier waarop ze gebruikt worden in veel opzichten schadelijk en in geen enkel opzicht nuttig is, zelfs al zouden er helemaal geen armen zijn!
Maar ik ga het niet meer over mensen hebben. Deze bezittingen zijn aan Christus gewijd. Dus moeten ze worden uitgedeeld zoals Hij dat wil. En het deel dat ze buiten zijn bevel om verkwist hebben, zullen ze tevergeefs op zijn rekening schrijven.
Overigens moet ik erkennen dat déze uitgaven nog niet eens zoveel afnemen van de gewone inkomsten van de kerk. Want geen bisdom is zo rijk en geen abdij zo vet, kortom er zijn niet zoveel grote, welvoorziene priesterschappen, dat ze in staat zijn te voldoen aan de gulzigheid van de priesters. Dus willen ze de gewone inkomsten sparen voor zichzelf en halen ze met bijgeloof het volk over om dat wat moest worden uitgegeven voor de armen, te besteden aan het bouwen van kerken, het oprichten van beelden, het kopen van vaatwerk en het aanschaffen van kostbare gewaden. Zo verslindt deze afgrond de dagelijkse liefdegaven.
Overdaad en verkwisting door priesters en bisschoppen
Wat kan ik over de inkomsten die de priesters uit landgoederen en bezittingen krijgen nog meer zeggen dan wat ik al gezegd heb en wat ieder kan zien? We zien hoe trouw degenen die bisschoppen en abten genoemd worden, het grootste deel besturen. Wat is het dwaas om hier kerkelijke orde te zoeken! Hun leven hoorde een buitengewoon voorbeeld te zijn van soberheid, matigheid, zelfbeheersing en nederigheid. Is het dan gepast dat zij in het aantal van hun bedienden, in de pracht en praal van hun huizen en de verfijndheid van hun kleding en maaltijden de luxueuze levensstijl van vorsten imiteren? Ook leggen ze niet alleen hun hand op dorpen en kastelen. Ze maken zich meester van heel grote vorstendommen en nemen zelfs hele koninkrijken in bezit. Wat is dat in strijd met de taak van degenen aan wie een eeuwig en onaantastbaar bevel van God schandelijk winstbejag verbiedt en tevreden zijn met een eenvoudige levensstijl gebiedt! Titus 1:7
Als ze Gods Woord minachten, wat zullen ze dan antwoorden op die oude besluiten van de synodes? Die bepaalden dat een bisschop niet ver van de kerk zijn huisje moet hebben en dat zijn tafel en huisraad eenvoudig moeten zijn. Wat zullen ze antwoorden op de uitspraak van de synode van Aquileia dat voor de priesters van de Heer armoede hun glorie is? Want zij zullen heel beslist als veel te streng afwijzen wat Hiëronymus Nepotianus voorschrijft: een priester moet aan zijn eenvoudige tafel armen en vreemdelingen als gast uitnodigen en met hen Christus. Maar ze zullen zich er toch voor schamen om te ontkennen wat hij daarna schrijft: het is voor een bisschop een glorie om te zorgen voor de bezittingen van de armen en een schande voor alle priesters om eigen rijkdom na te jagen. Maar dit kunnen ze niet aanvaarden zonder zichzelf tot hun schande te veroordelen.
Maar het is niet nodig dat ik hen nu nog harder aanval. Het was alleen mijn bedoeling om te bewijzen dat de wettige orde van de diakenen bij hen allang is opgeruimd en dat ze dus niet langer met deze titel mogen pronken om hun kerk aan te prijzen. En volgens mij heb ik dat bewijs meer dan voldoende geleverd.
Voetnoten
- 495
Leo I, Epistulae,167.
- 496
Cyprianus van Carthago, Epistulae,67, 4.
- 497
Concilie van Chalcedon, canon 6.
- 498
Gregorius de Grote, Epistulae III, 11.
- 499
Gregorius de Grote, Homiliae super evangeliis, 17.
- 500
Statuta ecclesia antiqua,14 en 15.
Voetnoot 495
Leo I, Epistulae,167.
Voetnoot 496
Cyprianus van Carthago, Epistulae,67, 4.
Voetnoot 497
Concilie van Chalcedon, canon 6.
Voetnoot 498
Gregorius de Grote, Epistulae III, 11.
Voetnoot 499
Gregorius de Grote, Homiliae super evangeliis, 17.
Voetnoot 500
Statuta ecclesia antiqua,14 en 15.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.