Voorwerk

Opdracht aan koning Frans I

De ware leer wordt in Frankrijk onterecht bestreden

Johannes Calvijn wenst zijn vorst, de zeer machtige en zeer luisterrijke monarch, Frans, de zeer christelijke koning van de Fransen, vrede en heil in Christus.

Toen ik aan dit boek begon te werken, roemruchte koning, had ik er absoluut geen idee van dat wat ik schreef later aan u zou worden aangeboden. Ik wilde alleen maar de belangrijkste punten opschrijven van de godsdienst, zodat degenen die daarin geïnteresseerd zijn, de echte vroomheid konden leren kennen. Ik deed dat werk vooral voor onze Franse landgenoten. Want ik merkte dat er velen waren die hunkerden naar Christus. Maar ik zag dat er maar weinig waren die beschikten over ook maar een beetje behoorlijke kennis over Hem. Dat dit mijn bedoeling was, blijkt uit het boek zelf. Want het is eenvoudig geschreven, voor ongeschoolde lezers.

Maar toen vernam ik dat in uw koninkrijk sommige slechte mensen met zoveel razernij tekeergingen, dat er voor de gezonde leer helemaal geen plaats meer is. Daarom dacht ik dat het de moeite waard zou zijn als ik, tegelijk met mijn onderwijs aan onze landgenoten, ook u mijn belijdenis onder ogen zou brengen. Dan zou u kunnen leren wat nu eigenlijk de leer is waartegen die mensen in hun waanzinnige woede ontbranden en waarvoor ze met vuur en zwaard onrust over uw koninkrijk brengen. Ik aarzel niet om te erkennen dat ik in dit boek juist van die leer de kern heb weergegeven. Die leer waarvan zij luid roepen dat die bestraft moet worden met gevangenschap, verbanning, vogelvrijverklaring en verbranding. Die leer die zij te land en ter zee willen uitroeien.

Ik weet heel goed met wat voor gruwelijke beschuldigingen zij uw oren en uw hart hebben vervuld, om onze zaak bij u zo gehaat mogelijk te maken. Maar overweegt u in uw welwillendheid eens dat een aanklacht alleen nooit voldoende kan zijn. Anders zou er immers nooit iemand onschuldig zijn, ook al zou hij niets verkeerds gezegd of gedaan hebben.

Natuurlijk willen onze tegenstanders deze leer, die ik u probeer uit te leggen, verdacht maken door te zeggen dat alle standenvergaderingen deze leer met hun stem veroordeeld hebben en dat ook veel rechtbanken deze leer in hun vonnissen hebben afgekeurd. Maar daarmee zeggen ze alleen maar dat de samengebalde macht van haar tegenstanders deze leer met geweld, leugens, sluwe streken, verraad en bedrog onderdrukt. Geweld is het dat er tegen deze leer zonder vorm van proces bloedige vonnissen geveld worden. Bedrog is het dat deze leer beticht wordt van opstandige misdaden.

Laat niemand denken dat wij hier onterecht over klagen. Uzelf, hoogedele koning, kunt voor ons getuigen met hoeveel laster over deze leer onze tegenstanders elke dag bij u aankomen. Onze bedoeling zou zijn om de koningen hun scepter uit handen te rukken, de rechtbanken en alle rechtspraak uit de weg te ruimen, alle standenvergaderingen en burgerlijke overheden omver te werpen, de vrede en rust van het volk te verstoren, alle wetten af te schaffen, eigendommen en bezittingen te verwoesten, kortom, om alles op z’n kop te zetten.

En dan hoort u nog maar een heel klein gedeelte. Want onder het volk worden afschuwelijke geruchten verspreid. Als die waar zouden zijn, zou de hele wereld terecht vinden dat deze leer en degenen die deze leer verbreiden duizend vuren en kruisen verdienen. Als aan die onterechte beschuldigingen geloof gehecht wordt, dan is het toch geen wonder dat de publieke opinie ontbrand is in haat tegen ons?

Ziet u, dat is de reden dat alle standenvergaderingen het erover eens zijn dat wij en onze leer veroordeeld moeten worden en dat ze samenspannen om dat te bereiken. Degenen die zitting hebben in een rechtbank zetten onder invloed van deze stemming hun van huis meegebrachte vooroordelen om in vonnissen. En ze denken dat ze hun taak naar behoren vervuld hebben als ze niemand ter dood laten brengen die niet zelf bekend heeft of wiens schuld niet door betrouwbare getuigen aangetoond is.

Maar aan welke misdaad is zo iemand dan schuldig? Aan de misdaad van de veroordeelde leer, zeggen ze. Maar met welk recht is die leer veroordeeld?

We kunnen ons niet verdedigen door de leer zelf te verloochenen. We kunnen alleen maar volhouden dat deze leer waar is. Maar ons wordt totaal geen gelegenheid gegeven om hierover ook maar iets te zeggen.

De koning moet de ware leer onderzoeken

Daarom, onoverwinnelijke koning, is het niet onbillijk als ik u verzoek om deze zaak grondig te onderzoeken. Tot nog toe is zij wanordelijk behandeld. Buiten de rechtsorde om wordt ze opgejaagd, eerder in tomeloze hartstocht dan in gepaste ernst. En u moet niet denken dat ik hier mijzelf probeer te verdedigen, om zo veilig in mijn vaderland te kunnen terugkeren. Natuurlijk houd ik van mijn vaderland. Maar zoals de zaken nu staan, vind ik het helemaal niet erg dat ik het moet missen. Liever omhels ik de gemeenschappelijke zaak van alle gelovigen. Want dat is de zaak van Christus zelf. Een zaak die tegenwoordig in uw koninkrijk op allerlei manieren verscheurd en vertrapt wordt en er als het ware hopeloos verslagen bij ligt. Maar dat komt meer door de tirannie van sommige farizeeën dan door u.

Ik hoef hier echter niet te vertellen hoe het zo gekomen is. In ieder geval ligt onze zaak er gehavend bij. Weliswaar kunnen de goddelozen de waarheid van Christus niet vernietigen door haar te verdrijven en te verstrooien. Maar ze hebben er wel voor gezorgd dat ze zich schuilhoudt, begraven en zonder aanzien. En de arme kerk is óf door wrede moorden vernietigd, óf in ballingschap verdreven, óf zo bedreigd en bang gemaakt dat ze geen kik meer durft geven. Nog steeds bestormen onze tegenstanders met hun gebruikelijke razernij en woede de muur die al overhelt, om de val waar ze op uit zijn te voltooien.

Ondertussen komt er niemand naar voren om de kerk te verdedigen tegen zo’n razende woede. Er zijn wel mensen die de indruk willen wekken dat ze de waarheid heel gunstig gezind zijn. Zij vinden dat je onwetende mensen hun dwaling en domheid vergeven moet. Want zo spreken deze gematigde mensen. Ze noemen het dwaling en domheid, terwijl ze weten dat het de ontwijfelbare waarheid van God is. En ze noemen de mensen onwetend, terwijl ze zien dat Christus hun verstand goed genoeg vindt om hun de geheimen van zijn hemelse waarheid waard te keuren. Zo erg schamen zij zich allemaal voor het evangelie.

Daarom is het uw taak, luisterrijke koning, om uw oren en uw hart niet af te wenden voor zo’n rechtmatige verdediging. Vooral omdat het gaat om een belangrijke zaak. De vraag is namelijk hoe de eer van God op aarde veilig kan bestaan, hoe Gods waarheid in ere gehouden kan worden, hoe het rijk van Christus onder ons in stand kan blijven. Dit is een zaak die uw oren, uw belangstelling, uw rechterstoel waard is. Want een koning is pas echt koning als hij erkent dat hij bij het regeren van zijn rijk een dienaar van God is. Wie niet regeert om de eer van God te dienen, regeert niet als koning, maar gedraagt zich als een struikrover. En wie langdurige voorspoed verwacht als hij zijn koninkrijk niet laat regeren door Gods scepter – zijn heilig Woord – vergist zich. Immers, de hemelse uitspraak dat het volk verstrooid zal worden als de profetie ontbreekt, Spreuken 29:18 kan niet zonder betekenis zijn.

En om onze zaak ijverig te onderzoeken, daar mag u zich ook niet van laten afbrengen omdat u op ons neerkijkt in onze lage positie. We beseffen heel goed wat voor armzalige en onaanzienlijke mensjes wij zijn. Want voor God zijn we ellendige zondaren en in de ogen van de mensen zijn we heel verachtelijk. Of zo u wilt, het uitschot en uitvaagsel van de wereld 1

Korinthiërs 4:13 of wat voor minderwaardige namen men ons maar geven kan. Daarom blijft er niets over waarop we ons bij God kunnen beroemen, behalve zijn barmhartigheid. 2 Korinthiërs 10:17 Zonder enige verdienste van onze kant heeft Hij ons aangenomen in de hoop op eeuwig behoud. Titus 3:5 Bij de mensen houden we nog minder over. We hebben alleen onze zwakheid. 2 Korinthiërs 11:30; 12:5-10 Maar toegeven dat je ook maar een beetje zwak bent, vinden zij al de grootst mogelijke schande.

Onze leer moet echter hoogverheven staan boven alle wereldlijke roem en onoverwinnelijk boven alle macht. Want het is niet onze leer. Het is de leer van de levende God en van zijn Christus. De Vader heeft zijn Zoon tot koning aangesteld, om te regeren van zee tot zee en van de rivieren tot aan de einden van de aarde. Psalm 72:8 Als Hij heel de aarde, sterk als ijzer en metaal, glanzend als goud en zilver, slaat met de roede van zijn mond, dan verbrijzelt Hij die als vaten van aardewerk. Zo profeteren de profeten over de glorie van zijn koninkrijk. Daniël 2:34; Jesaja 11:4; Psalm 2:9

Onze tegenstanders voeren hier wel tegen aan dat wij op een bedrieglijke manier gebruik maken van Gods Woord. Zij zeggen dat wij dat Woord op een misdadige manier schenden. Maar dit is niet alleen kwaadaardige laster, het is ook een opvallende onbeschaamdheid. U kunt dat in uw wijsheid zelf beoordelen als u mijn belijdenis leest.

Toch moet ik hier ook het een en ander zeggen om u aan te sporen en uw interesse te wekken om te gaan lezen. Of in elk geval om voor u een weg te banen om te gaan lezen. Paulus wilde dat alle profetie zou overeenstemmen met het geloof.

Romeinen 12:7 (12:6) Daarmee heeft hij ons een vaste maatstaf gegeven, aan de hand waarvan wij de uitleg van de Schrift moeten onderzoeken. Als onze leer dus langs deze meetlat van het geloof gelegd wordt, is de overwinning aan ons. Want wat stemt beter overeen met het geloof dan dat we erkennen dat we, als het om onze goede eigenschappen gaat, naakt staan voor God, om door Hem gekleed te worden? Dat we leeg zijn, om door Hem gevuld te worden? Dat we slaven zijn van de zonde, om door Hem bevrijd te worden? Dat we kreupel zijn, om door Hem geleid te worden? Dat we zwak zijn, om door Hem ondersteund te worden? Dat we onszelf alle reden tot roemen ontzeggen, zodat Hij alleen uitblinkt in roem, omdat wij alleen in Hem roemen? 1 Korinthiërs 1:31

Als wij dit soort dingen zeggen, klagen onze tegenstanders dat we op die manier van alles omverwerpen: een ik weet niet wat voor blind natuurlijk licht, verzonnen voorbereidingen, de vrije wil, goede daden waarmee we eeuwig leven kunnen verdienen en waar dan zelfs nog iets van overblijft. Want ze kunnen niet verdragen dat de lof en roem van alle goede eigenschappen, rechtvaardigheid en wijsheid volledig bij God berust. Maar nergens lezen we dat er mensen bestraft worden die te veel putten uit de bron van het levende water. Johannes 4:14 Wel worden degenen berispt die voor zichzelf bakken hebben uitgehouwen, lekkende bakken die geen water houden. Jeremia 2:13

Nogmaals, wat stemt beter overeen met het geloof, dan dat we ons God voorstellen als onze genadige vader en dat we Christus erkennen als onze broer en onze verzoener? Dat we alle vreugde en voorspoed onbekommerd van Hem verwachten, omdat zijn onuitsprekelijke liefde voor ons zover ging dat Hij zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons heeft overgegeven? Romeinen 8:32 Dat we rust vinden in de zekerheid van ons behoud en het eeuwige leven, omdat we bedenken dat Christus door de Vader gegeven is en dat in Hem deze schatten verborgen liggen?

Op dit punt vallen onze tegenstanders ons aan en schreeuwen dat dat vaste vertrouwen aanmatigend en ingebeeld is. Maar net zoals we ons over onszelf niets moeten inbeelden, zo moeten we wel alles verwachten van God. De enige reden dat we onszelf alle roem moeten ontzeggen, is dat we leren roemen in de Heer. Jeremia 9:23-24 (9:22-23)

Wat zal ik verder nog zeggen?

Machtige koning, gaat u alle onderdelen van onze zaak na. Dan mag u ons slechter vinden dan welk soort misdadigers u maar wilt, als u niet duidelijk merkt dat we het alleen maar zo moeilijk hebben en geminacht worden omdat we onze hoop stellen op de levende God. 1 Timotheüs 4:10 Omdat we geloven dat het eeuwige leven inhoudt dat je de enige echte God kent en Jezus Christus die door Hem gezonden is. Johannes 17:3 Om die hoop worden sommigen van ons met ketenen geboeid, anderen met roeden gegeseld. Sommigen worden rondgevoerd om bespot te worden, anderen verbannen. Sommigen worden hevig gemarteld, anderen ontkomen door te vluchten. Allemaal worden we in het nauw gebracht en onderdrukt, op vreselijke manieren vervloekt, gekrenkt door laster en op de meest onwaardige manieren behandeld.

Let u nu ook eens op onze tegenstanders. Ik bedoel de priesterstand. Op hun aanwijzing behandelen anderen ons vijandig. Kijkt u samen met mij eens wat de motivatie is voor hun ijver. Ze vinden het geen enkel probleem dat zijzelf en anderen de ware godsdienst, die in de Schrift geleerd wordt en waar iedereen zeker van hoort te zijn, niet eens kennen en die verwaarlozen en minachten. Ze vinden dat het er weinig toe doet wat iedereen denkt of niet denkt over God en Christus. Als hij maar met – zoals zij dat noemen – een impliciet geloof zijn verstand onderwerpt aan het oordeel van de kerk. Het maakt op hen weinig indruk als God openlijk gelasterd en zijn eer gekrenkt wordt. Als er maar niemand een vinger opheft tegen het primaat van de apostolische stoel en het gezag van de heilige moederkerk.

Maar waarom strijden ze dan zo wreed en bitter voor de mis, het vagevuur, bedevaarten en meer van dergelijke onbenulligheden? Ze kunnen niet eens bewijzen dat een van die dingen volgens Gods Woord is. Waarom zeggen ze dan dat er zonder – zoals zij dat noemen – een heel expliciet geloof in die dingen geen vroomheid kan bestaan? Waarom anders dan omdat hun buik hun God is Filippenzen 3:19 en hun keuken hun godsdienst? Als die hun worden afgenomen, geloven ze dat ze niet alleen geen christenen meer zouden zijn, maar zelfs geen mensen. Sommigen doen zich te goed in overdaad, anderen leven van schrale korstjes. Maar toch leven ze allemaal uit dezelfde pot. Een pot die zonder die brandstoffen niet alleen maar koud zou worden, maar volledig zou bevriezen.

Wie van hen zich het meest druk maakt om zijn buik, blijkt daarom ook het hardst te strijden voor zijn geloof. Kortom, zonder uitzondering zijn ze maar op één ding uit: óf ze willen aan de macht blijven, óf ze willen hun buik gevuld houden. Niemand geeft ook maar een beetje blijk van oprechte ijver.

De ware leer is niet nieuw, niet onzeker en heeft geen wonderen nodig

Toch houden onze tegenstanders niet op om onze leer aan te vallen en op alle mogelijke manieren te beschuldigen en te belasteren. Ze willen onze leer gehaat en verdacht maken. Ze noemen die een nieuwe leer die pas kortgeleden ontstaan zou zijn. Ze drijven er de spot mee omdat ze twijfelachtig en onzeker zou zijn. Ze vragen welke wonderen er gebeurd zijn om onze leer te bevestigen. Ze vragen of het wel terecht is dat we onze leer handhaven, omdat die in zou gaan tegen de eenparige opvattingen van zoveel heilige kerkvaders en tegen de oeroude traditie. Ze dringen erop aan dat we erkennen óf dat onze leer scheuringen veroorzaakt, omdat die leer de strijd aanbindt met de kerk, óf dat de kerk vele eeuwen dood geweest is, omdat onze leer al die tijd niet gehoord werd. Ten slotte zeggen ze dat ze niet veel bewijzen nodig hebben, omdat ze aan de vruchten kunnen zien hoe onze leer is. Want ze zou een grote hoop sekten, veel onrust en opstand en een grote bandeloosheid voortgebracht hebben.

Inderdaad, het is voor hen heel gemakkelijk om bij de goedgelovige en onwetende massa een zaak te bespotten die door niemand verdedigd wordt. Maar als wij op onze beurt ook de gelegenheid zouden krijgen om te spreken, zou de felheid, waarmee ze ongeremd en ongestraft hun gal tegen ons spuwen, wel bekoelen.

In de eerste plaats, dat ze onze leer nieuw noemen, is een groot onrecht tegenover God. Zijn heilig Woord verdient het niet om van nieuwheid beschuldigd te worden. Ik twijfel er natuurlijk niet aan dat onze leer voor hén nieuw is. Want voor hen zijn ook Christus en het evangelie nieuw. Maar de mensen die weten dat de prediking van Paulus, dat Jezus Christus gestorven is om onze zonden en opgewekt is om ons te rechtvaardigen, Romeinen 4:25 oud is – die mensen zullen bij ons niets nieuws ontdekken.

Onze leer is lange tijd onbekend en begraven geweest. Maar dat is te wijten aan de goddeloosheid van de mensen. God is zo goed om ons deze leer nu terug te geven. Daarom moet ze in elk geval in ere hersteld worden. We moeten weer erkennen dat ze oud is.

Uit dezelfde bron van onwetendheid komt voort dat onze tegenstanders beweren dat onze leer twijfelachtig en onzeker is. Dat is precies waarover de Heer klaagt door zijn profeet: een rund kent zijn eigenaar en een ezel kent de voerbak van zijn meester, maar God wordt niet gekend door zijn volk. Jesaja 1:3

Laat hen maar de spot drijven met de onzekerheid van onze leer. Als ze hun eigen leer moesten bezegelen met hun eigen bloed, ten koste van hun leven, dan zouden we kunnen zien hoeveel waarde ze daaraan hechten. Met ons geloofsvertrouwen is het heel anders gesteld. Wij zijn niet bang voor de verschrikkingen van de dood, ja zelfs niet voor Gods rechterstoel.

Dat ze wondertekenen van ons eisen, is niet eerlijk van hen. Wij fabriceren niet een of ander nieuw evangelie. Wij bewaren juist het evangelie dat bevestigd wordt door alle wondertekenen die Christus en de apostelen ooit gedaan hebben.

Nu kun je zeggen dat zij op ons het voordeel hebben dat ze hun geloof tot op de dag van vandaag nog steeds door wondertekenen kunnen bevestigen. Ja, maar ze beroepen zich op wonderen die zelfs de meest onbevangen gelovige nog aan het twijfelen kunnen brengen. Zo flauw en belachelijk, zo waardeloos en vals zijn die wonderen. En toch, ook al waren het nog zulke wonderbaarlijke wonderen, dan hoorden ze nog geen gewicht in de schaal te leggen tegenover Gods waarheid. Want Gods naam moet overal en altijd geheiligd worden, of het nu door wonderen is of door de natuurlijke orde van de dingen.

Het zou misschien nog een beetje indruk kunnen maken, als de Schrift ons niet leerde wat de bedoeling is van wondertekenen en hoe die op de juiste manier gebruikt moeten worden. Want Marcus leert dat de tekenen die volgden op de prediking door de apostelen, gegeven werden om die prediking te bevestigen. Marcus 16:20 Zo vertelt Lucas dat de Heer het Woord van zijn genade kracht van bewijs gaf doordat er tekenen en wonderen gebeurden door de handen van de apostelen. Handelingen 14:3 Dat klopt helemaal met het woord van de apostel dat ons behoud nadat het verkondigd werd, bevestigd werd doordat ook God ervan getuigde door tekenen en wonderen en allerlei grote daden te verrichten. Hebreeën 2:4; Romeinen 15:18-19

We horen dus dat wondertekenen zegels of waarmerken van het evangelie zijn. Zouden we die dan gebruiken om het geloof in het evangelie te vernietigen? Ze zijn alleen bedoeld om de waarheid te bezegelen. Zouden we die dan gebruiken om leugens te bevestigen? Daarom moet in de eerste plaats de leer onderzocht en uitgeplozen worden. Marcus zegt immers dat de leer voorop gaat. Pas als blijkt dat de leer goed is, mag ze bevestiging vinden in wonderen.

Het kenmerk van de ware leer, zo getuigt Christus, is nu dat ze niet de eer van mensen zoekt, maar de eer van God. Johannes 7:18; 8:50 Christus verzekert dat we de leer daarop moeten toetsen. Daarom is het verkeerd om waarde te hechten aan wonderen die op een ander doel gericht zijn dan op het laten schitteren van de glorie van de naam van de enige God. Deuteronomium 13:1-3 (13:2-4) En het is goed om te bedenken dat ook Satan zijn wondertekenen heeft. Weliswaar zijn dat meer goocheltrucs dan echte grote daden. Maar toch zijn ze in staat om onverstandigen en ongeschoolden te bedriegen. Waarzeggers en tovenaars zijn altijd beroemd geweest om hun wonderen. De afgodendienst dreef op verbazingwekkende wonderen. Toch bewijst dat voor ons niet dat waarzeggers en afgodendienaars gelijk hebben met hun bijgeloof.

Ook de donatisten brachten tegen de eenvoud van het volk in stelling dat ze sterk waren in het doen van wondertekenen. Dus antwoorden wij onze tegenstanders nu hetzelfde als Augustinus tegen de donatisten zei: de Heer heeft ons tegen zulke wonderdoeners gewaarschuwd, toen Hij voorzegde dat er valse profeten zouden komen, die zouden proberen om de uitverkorenen te verleiden met valse tekenen en allerlei wonderdaden. Mattheüs 24:24 En Paulus heeft ons gewaarschuwd dat het rijk van de antichrist zou bestaan uit allerlei grote daden, tekenen en wonderen van de leugen. 2

Thessalonicenzen 2:9

Maar déze wonderen, zo zeggen onze tegenstanders, worden niet gedaan door afgoden, niet door bedriegers, niet door valse profeten, maar door heiligen. Alsof we niet zouden weten dat dat de methode van Satan is, om zichzelf voor te doen als een engel van het licht. 2 Korinthiërs 11:14 In het verleden hebben de Egyptenaren Jeremia, die in hun land begraven was, met offers en andere goddelijke eerbewijzen vereerd. Misbruikten zij zo de heilige profeet van God niet voor hun afgodendienst? Toch bracht hun verering van zijn graf hen tot de overtuiging dat ze de genezing van een slangenbeet daarmee eerlijk verdiend hadden. Wat zullen we anders zeggen dan dat dit Gods rechtvaardige straf geweest is? Dat zal altijd zijn straf zijn voor degenen die geen liefde voor de waarheid hebben aangenomen. Hun geeft Hij een dwaling die zo sterk is, dat ze de leugen geloven. 2 Thessalonicenzen 2:11

Wij hebben dus wel degelijk wondertekenen. Zekere wondertekenen zelfs, waar niet mee te spotten valt. Maar de tekenen waar onze tegenstanders zich op beroepen, zijn niet meer dan luchtspiegelingen van Satan. Want zij voeren het volk af van het echt dienen van God en verleiden het tot loos bijgeloof.

De ware leer gaat niet in tegen de kerkvaders

Verder durven onze tegenstanders beweren dat wij ingaan tegen de kerkvaders. Ik bedoel dan de oude schrijvers uit een tijd dat alles nog beter was. Alsof die kerkvaders hen in hun goddeloosheid zouden steunen! Als de strijd beslecht moest worden door het gezag van de kerkvaders, dan zouden – om het maar bescheiden te stellen – onze kansen op de overwinning heel gunstig zijn.

Maar al hebben de kerkvaders veel uitstekende en wijze dingen geschreven, in enkele zaken is hun overkomen wat mensen altijd overkomt. Toch aanbidden hun zogenaamde vrome zonen, slinks als ze zijn, alleen hun vergissingen en dwalingen. Wat de kerkvaders goed gezegd hebben, zien onze tegenstanders niet, of ze doen alsof ze het niet zien, of ze verdraaien het. Je zou haast zeggen dat ze hun uiterste best gedaan hebben om in goud naar modder te zoeken. En dan gaan ze ons met luid geschreeuw te lijf, alsof wij de kerkvaders zouden verachten en bestrijden!

Maar wij verachten de kerkvaders helemaal niet. Als het in mijn opzet zou passen, zou ik geen enkele moeite hoeven doen om de belangrijkste punten van wat wij tegenwoordig beweren te onderbouwen met hun getuigenissen. Maar als wij ons met hun geschriften bezighouden, herinneren we ons er steeds aan dat alles van ons is, maar alleen om ons daardoor te laten dienen. Niet om ons erdoor te laten overheersen. Want we zijn alleen van Christus. Hem alleen moeten we gehoorzamen, zonder uitzondering. 1 Korinthiërs 3:21 Wie dat onderscheid loslaat, zal in de godsdienst geen zekerheid vinden. Want er zijn veel dingen die die heilige mannen niet geweten hebben. Vaak zijn ze het niet met elkaar eens. Soms spreken ze zelfs zichzelf tegen.

Niet voor niets, zo zeggen onze tegenstanders, vermaant Salomo ons om geen oude grenspalen te verplaatsen, die onze voorvaders gezet hebben. Spreuken 22:38 Maar dat gaat over de grenspalen van akkers. Dezelfde regel geldt niet ook voor de grenspalen van het geloof. Want in het geloof moeten we ons volk en het huis van onze vader juist vergeten. Psalm 45:11 Als ze deze tekst zo graag als beeldspraak willen lezen, waarom leggen ze het dan niet zo uit, dat in de eerste plaats de apostelen de voorvaders zijn van wie we geen grenspalen mogen weghalen? Zo heeft Hiëronymus het uitgelegd en zijn woorden hebben ze in hun canones opgenomen. En als ze willen dat de grenspalen blijven staan van hen die zij bedoelen met de voorvaders, waarom overschrijden ze die grenzen dan zelf vrijuit, zo vaak ze daar maar zin in hebben?

Het was een van de kerkvaders die zei dat onze God niet eet en drinkt en dus geen borden of bekers nodig heeft. En een ander heeft gezegd dat voor de sacramenten geen goud nodig is en dat je dingen die je niet met goud kunt kopen, ook niet mooier kunt maken met goud.3 Onze tegenstanders overschrijden dus een grens als ze in hun rituelen zoveel waarde hechten aan goud, zilver, ivoor, marmer, edelstenen en zijden stoffen. Als ze denken dat God niet behoorlijk gediend wordt als niet alles overloopt van schitterende rijkdom, of liever van dwaze overdaad.

Het was een kerkvader die zei dat hij gerust vlees at op een dag dat anderen dat niet deden, juist omdat hij een christen was.4

Dus gaan onze tegenstanders een grens over als ze iemand in de ban doen als hij tijdens de veertigdagentijd vlees eet.

Het was een kerkvader die zei dat je een monnik die niet met zijn handen werkt, moet beschouwen als een misdadiger of een struikrover.5 Een andere kerkvader heeft gezegd dat monniken niet mogen leven van het bezit van anderen, ook al zijn ze altijd bezig met mediteren, bidden en studeren.6 Ook deze grens hebben onze tegenstanders overschreden, toen ze luie monniken met hun vadsige buiken in hun liederlijke bordelen bij elkaar zetten, om zich vet te mesten met andermans goed.

Het was een kerkvader die zei dat het een vreselijke gruwel is om in christelijke kerken Christus of een of andere heilige afgebeeld te zien op een schilderij.7 En dit is niet slechts door één man zo gezegd. Zelfs een kerkelijk concilie heeft besloten dat we niet op de muren mogen schilderen wat we vereren.8 Onze tegenstanders blijven absoluut niet binnen deze grenzen, want ze laten nog geen hoekje vrij van afbeeldingen.

Een andere kerkvader adviseerde om de doden verder te laten rusten, als we hun bij de begrafenis de laatste eer bewezen hebben.9 Deze grens doorbreken onze tegenstanders als ze ons ertoe aanzetten om ons voortdurend druk te blijven maken om de doden.

Het was een van de kerkvaders die verklaarde dat brood en wijn ook tijdens de eucharistie gewoon brood en wijn blijven, net zoals Christus de Heer echt mens bleef, ook al was zijn menselijke natuur verbonden met de goddelijke natuur. Dus treden onze tegenstanders buiten de grenzen als ze beweren dat, zodra bij de eucharistie de woorden van de Heer uitgesproken zijn, brood en wijn geen brood en wijn meer zijn, maar lichaam en bloed van Christus.

Het waren kerkvaders die slechts één eucharistie bedienden aan heel de kerk. Slechte mensen en misdadigers hielden ze af van de eucharistie, maar tegelijk veroordeelden ze ernstig iedereen die wel aanwezig was, maar geen deel nam. Hoever hebben onze tegenstanders die grenzen verlegd! Ze vullen niet alleen de kerken, maar zelfs de huizen van particulieren met hun missen. En ze laten iedereen toe om daarbij te zijn, vooral als iemand veel geld neertelt, hoe onrein of verdorven hij ook mag zijn. Maar ze nodigen niemand uit om in geloof in Christus deel te nemen aan de sacramenten. In plaats daarvan verkopen ze hun eigen werk, alsof dat de genade is die Christus voor ons verdiend heeft.

Het was een kerkvader die bevel gaf dat mensen die bij het heilig avondmaal van Christus tevreden waren met het ene deel en zich van het andere deel onthielden, volledig van het avondmaal moesten worden afgehouden. Een andere kerkvader pleit er sterk voor dat het bloed van hun Heer niet onthouden mag worden aan gewone christenen. Zij krijgen immers ook bevel om, als ze Christus belijden, hun eigen bloed te vergieten. Ook deze grenzen hebben onze tegenstanders weggehaald. Want ze hebben een wet aangenomen die niet overtreden mag worden en in die wet bevelen ze juist wat de eerstgenoemde kerkvader met de ban bestrafte en wat de laatstgenoemde sterk afkeurde.

Het was een kerkvader die verzekerde dat het onnadenkend is om in een onduidelijke zaak een keus te maken voor het een of het ander, als de Schrift daarvoor geen duidelijke aanwijzingen geeft. Deze grens zijn onze tegenstanders vergeten, want ze hebben zoveel besluiten, regels en bepalingen vastgesteld zonder enig woord van God.

Het was een kerkvader die Montanus naast andere ketterijen ook verweet dat hij de eerste was die wetten oplegde voor het vasten. Ook deze grens hebben onze tegenstanders ver overschreden, want ze hebben het vasten met zeer strenge wetten geregeld.

Het was een kerkvader die zei dat het de dienaren van de kerk niet verboden mocht worden om te trouwen. Seksuele gemeenschap met je eigen vrouw noemde hij kuis. En andere kerkvaders hebben met zijn uitspraak ingestemd. Deze grens hebben onze tegenstanders overschreden, want ze hebben hun priesters streng bevolen ongetrouwd te blijven.

Het was een kerkvader die vond dat we alleen naar Christus moeten luisteren. Want van Hem is gezegd: ‘Luister naar Hem.’ Mattheüs 17:5 Hij vond ook dat we niet moeten letten op wat anderen vóór ons gezegd of gedaan hebben. We moeten alleen letten op wat Christus bevolen heeft, want Hij is in rang de hoogste van iedereen. Aan deze grens houden onze tegenstanders zich niet en ze staan ook niet toe dat anderen zich eraan houden. Want ze stellen over zichzelf en over anderen liever alle mogelijke andere meesters aan dan Christus.

Het was een kerkvader die beweerde dat de kerk zich niet boven Christus moet stellen. Want Christus oordeelt altijd juist, maar de kerkelijke rechters zijn mensen en vergissen zich daarom heel vaak. Ook deze grens hebben onze tegenstanders geschonden, want ze aarzelen niet om te verzekeren dat het gezag van de Schrift volledig afhangt van het oordeel van de kerk.

Alle kerkvaders hebben het eenparig afgekeurd en vervloekt dat Gods heilig Woord besmeurd werd door spitsvondige drogredeneringen of betrokken werd in diepzinnige debatten. Blijven onze tegenstanders binnen die grenzen? Ze besteden hun leven aan eindeloze discussies en spitsvondige disputen, waarmee ze de eenvoud van de Schrift verduisteren en haar ingewikkeld maken. Dat noemen ze speculatieve theologie. Maar als de kerkvaders nu zouden opstaan en dat soort debatten zouden horen, dan zouden die gewoon denken dat ze God ter discussie stelden.

Onze tegenstanders willen gehoorzame zonen van de kerkvaders lijken. Mijn verhaal zou echter veel te lang worden als ik zou willen nagaan hoe brutaal zij het juk van de kerkvaders van zich afwerpen. Echt waar, ik zou maanden, ja zelfs jaren tekort komen. En dan zijn zij zo vreselijk onbeschaamd om ons te durven verwijten dat we niet aarzelen de oude grenzen te overschrijden!

De ware leer heeft niets te vrezen van de traditie

Ook met hun beroep tegenover ons op de traditie bereiken onze tegenstanders niets. Het zou voor ons heel oneerlijk zijn als we moesten buigen voor de gewoonte. Immers, als mensen juist zouden oordelen, zouden gewoonten ontstaan naar het voorbeeld van goede mensen. Maar meestal gaat het heel anders. Als blijkt dat iets gedaan wordt door véél mensen, dan wordt het al snel een algemeen geaccepteerde gewoonte. En maar zelden pakken onder mensen de dingen zo goed uit dat de meerderheid de juiste keuzes maakt. Op die manier is vaak een algemene dwaling ontstaan uit individuele fouten van velen, omdat iedereen met die fouten instemde. En deze gemeenschappelijke instemming willen deze beste mensen nu als een wet beschouwen.

Maar wie ogen heeft, ziet dat de aarde overstroomd is door zeeën van slechtheid. Vele dodelijke plagen hebben de aarde aangetast en alles dreigt ten onder te gaan. Voor de mensen staan de zaken er hopeloos voor, tenzij we al dat grote kwaad met geweld de kop indrukken. Het geneesmiddel wordt echter afgewezen. De enige reden daarvoor is dat we al zo lang aan het kwaad gewend zijn.

Maar zelfs als we een openbare dwaling toestaan in de maatschappij – in het koninkrijk van God mogen we alleen luisteren naar de eeuwige waarheid en alleen daarnaar handelen. Die waarheid kan niet door een jarenlange traditie gedicteerd worden. Geen enkele gewoonte, geen enkele samenzwering kan er iets aan toe- of afdoen. Zo leerde Jesaja Gods uitverkorenen eens dat ze niet alles een samenzwering moesten noemen, waarvan het volk zei dat het een samenzwering was. Jesaja 8:12 Dat wil zeggen dat ze zich niet moesten aansluiten bij de goddeloze opvattingen waar heel het volk mee instemde. Ze moesten niet bang zijn voor het volk, maar ze moesten de Heer van de legermachten heiligen en Hem vrezen.

Laat onze tegenstanders ons dus maar zoveel voorbeelden uit heden en verleden voor de voeten werpen als ze willen. Als wij de Heer van de legermachten heiligen, zal dat ons geen angst aanjagen. Want ook al hebben de mensen vele eeuwen lang ingestemd met dezelfde goddeloosheid, Hij is sterk genoeg om wraak te nemen tot in de derde en de vierde generatie. Exodus 20:5 Ook al spant heel de wereld tegelijk samen in hetzelfde kwaad, Hij heeft ons door ervaring geleerd hoe het afloopt met mensen die in grote aantallen zondigen. Want Hij heeft al eens eerder heel het menselijk geslacht vernietigd. Alleen Noach en zijn kleine gezin bleven behouden. Door het geloof van Noach alleen veroordeelde Hij de hele wereld. Hebreeën 11:7

Een slechte gewoonte is dus niets anders dan een algemene plaag. De mensen vallen daarbij in grote aantallen, maar komen evengoed om. Ze zouden hierbij eens moeten overwegen wat

Cyprianus ergens zegt: als je zondigt uit onwetendheid, kun je je niet van alle schuld vrijpleiten. Maar in een bepaald opzicht lijk je je toch te kunnen verontschuldigen. Sla je echter de eeuwige waarheid af, die God je in zijn goedheid aanbiedt, dan heb je niets dat je als excuus kunt gebruiken.

De ware leer strijdt niet tegen de kerk

Het lukt onze tegenstanders ook niet om ons in het nauw te brengen met het volgende dilemma: dat we zouden moeten erkennen óf dat de kerk een tijd lang dood geweest is, óf dat we nu tegen de kerk strijden.

Het is waar, de kerk van Christus heeft steeds geleefd en zal altijd leven, zolang als Christus zal regeren aan de rechterhand van de Vader. Door zijn hand wordt de kerk gesteund, door zijn hulp wordt zij beschermd, door zijn kracht blijft ze ongedeerd in stand. Want de taak die Hij eenmaal op zich genomen heeft, zal Hij ongetwijfeld voltooien. Hij zal tot het einde van de wereld bij de zijnen zijn. Mattheüs 28:20

Echter, tegen deze kerk gaat onze strijd niet. Want wij eren de enige God en Christus de Heer en wij doen dat eenstemmig met heel het volk van gelovigen. Alle vromen hebben Hem altijd aanbeden zoals wij nu doen. Maar onze tegenstanders dwalen zelf een heel eind van de waarheid af als ze geen andere kerk erkennen dan de kerk zie ze met hun ogen kunnen zien. Binnen de grenzen van die kerk proberen ze Gods kerk op te sluiten. Maar de kerk valt niet binnen die grenzen op te sluiten.

Dit zijn de belangrijkste punten waarover wij van mening verschillen. In de eerste plaats beweren onze tegenstanders dat de kerk altijd zichtbaar is. In de tweede plaats dat de kerk zichtbaar is in de stoel van de roomse kerk en in de hiërarchie van die kerk. Maar wij beweren dat de kerk ook kan bestaan zonder dat ze zichtbaar is. En dat de kerk niet zichtbaar is in de uiterlijke glans, die zij zo dwaas bewonderen, maar in de zuivere prediking van Gods Woord en de juiste bediening van de sacramenten.

Zij klagen als de kerk niet altijd met de vinger aangewezen kan worden. Maar hoe vaak werd de kerk onder het Joodse volk niet zo misvormd dat ze niet meer te herkennen was? In welke vorm denken we dat de kerk nog zichtbaar was toen Elia klaagde dat hij alleen overgebleven was? 1 Koningen 19:10 Hoelang is de kerk na de komst van Christus verborgen gebleven? Hoe vaak is de kerk sinds die tijd door oorlog, oproer en ketterij zo onderdrukt, dat ze nergens zichtbaar was? Als onze tegenstanders in die tijd geleefd hadden, zouden ze dan wel geloofd hebben dat er een kerk was? Maar Elia kreeg te horen dat er nog zevenduizend mannen over waren, die niet voor Baäl knielden. En wij hoeven er niet aan te twijfelen dat Christus altijd op aarde geregeerd heeft, sinds Hij naar de hemel gevaren is. Maar als de vromen toen naar een zichtbare vorm gezocht hadden, zouden ze dan de moed niet meteen hebben laten zakken?

Ook in de tijd van Hilarius waren de mensen al vol dwaze bewondering voor de bisschoppelijke waardigheid. Hij vond dat een grote fout. Want ze merkten niet dat onder dat masker een dodelijke adder school. Hilarius zegt namelijk: ‘Eén ding raad ik jullie dringend aan: pas op voor de antichrist. Want jullie hebben ten onrechte de muren lief gekregen. Ten onrechte eren jullie daken en gebouwen als Gods kerk. Ten onrechte verbinden jullie daar het woord “vrede” aan. Is het onzeker dat de antichrist daar zal zetelen? Bergen, bossen, wateren, kerkers en holen vind ik veiliger. Want daar verbleven de profeten of ze kwamen daar terecht, toen ze profeteerden.’2

Maar wat vereert de wereld tegenwoordig in haar gemijterde bisschoppen? Ze beschouwt hen, die zetelen in grote steden, als heilige leiders van de godsdienst. Weg met dat dwaze opkijken tegen hen! Laten we het oordeel liever aan de Heer overlaten. Want Hijzelf alleen weet wie van Hem zijn. 2 Timotheüs 2:19 En soms maakt Hij zijn kerk voor de ogen van de mensen onzichtbaar. Ik erken dat dat voor de aarde een verschrikkelijke straf van God is. Maar als de mensen dat met hun goddeloosheid verdienen, waarom proberen wij ons dan tegen de wraak van God te verzetten? Zo heeft God in vroegere eeuwen de mensen gestraft voor hun ondankbaarheid. Zij wilden zijn waarheid niet gehoorzamen en doofden zijn licht uit. Daarom liet Hij toe dat hun verstand verblind werd, zodat ze werden misleid door dwaze leugens en gedompeld werden in diepe duisternis. Er bestond daardoor geen zichtbare vorm meer van de echte kerk.

Maar ondertussen heeft Hij de zijnen gered van de ondergang, ook al waren ze verstrooid en onvindbaar te midden van alle dwalingen en duisternis. Geen wonder! Want Hij wist hen ook te redden zelfs uit de verwarring van Babel en uit de vlammen van de brandende oven. Daniël 3

Het is echter heel gevaarlijk dat onze tegenstanders de zichtbare kerk beoordelen naar ik weet niet welke ijdele praal. Ik zal dat in het kort laten zien en niet uitgebreid uiteenzetten, om mijn verhaal niet oneindig lang te rekken.

De paus, zo zeggen ze, die zetelt op de apostolische stoel en de bisschoppen die door hem gezalfd en gewijd zijn, vormen de zichtbare kerk. Als ze maar de tekenen dragen van mijter en staf. Zij moeten beschouwd worden als de kerk. En daarom kunnen ze niet dwalen. Hoe kan dat? Omdat ze herders van de kerk zijn en door de Heer zijn geheiligd.

Maar waren Aäron en anderen met een officiële functie in Israël dan geen herders? En hebben Aäron en zijn zonen niet ook gedwaald nadat ze al tot priester waren aangesteld? Ze maakten immers het gouden kalf. Exodus 32

En waarom zouden volgens deze redenering de vierhonderd profeten die Achab bedrogen niet de zichtbare kerk gevormd hebben? Maar de kerk stond aan de kant van Micha. Die was weliswaar alleen en hij werd geminacht. Maar uit zijn mond kwam wel de waarheid. 1 Koningen 22:8-28

Noemden de profeten die als één man opstonden tegen Jeremia zich ook niet de kerk en zagen zij er niet uit als de kerk? Dreigend verkondigden ze dat het onmogelijk was dat de wet van de priester, de raad van de wijze of het woord van de profeet zouden vergaan. Jeremia 18:18 Maar Jeremia wordt in zijn eentje gezonden tegenover alle andere profeten, om namens de Heer te verkondigen dat de wet van de profeet, de raad van de wijze en het woord van de profeet wel zouden vergaan. Jeremia 4:9

Zag dat concilie waarin de overpriesters, schriftgeleerden en farizeeën bij elkaar kwamen, toen ze wilden overleggen over het doden van Christus, er ook niet schitterend uit? Johannes 11:47

Laat onze tegenstanders nu hun gang maar gaan. Laat hen maar blijven vasthouden aan het uiterlijke masker. Laat hen Christus en alle profeten maar bestempelen tot scheurmakers en omgekeerd de dienaren van Satan tot instrumenten van de Heilige Geest. Als ze het goed bedoelen, dan moeten ze mij eens oprecht antwoord geven op de vraag waar ter wereld volgens hen de kerk zetelt sinds het concilie van Bazel (1431-1449). Dat concilie heeft immers Eugenius uit de pauselijke waardigheid gezet en in zijn plaats Amadeus gekozen. Al zouden ze het nog zo erg vinden, ze kunnen niet ontkennen dat dat concilie wettig geweest is. Officieel was alles goed geregeld en het is niet slechts door één paus uitgeschreven, maar zelfs door twee. Eugenius is daar veroordeeld als een opstandige, koppige scheurmaker, met de hele bende kardinalen en bisschoppen die samen met hem het concilie probeerden te laten ontbinden. Maar later heeft hij met steun van vorsten de pauselijke waardigheid weer teruggekregen. De verkiezing van Amadeus is in rook opgegaan, ondanks het gezag van de algemene heilige synode en alle gebruikelijke rituelen. Alleen werd hij – als een blaffende hond die een stuk brood in de bek geworpen krijgt – gepaaid met een kardinaalshoed.

Uit de schoot van die koppige ketters en rebellen zijn alle pausen, kardinalen, bisschoppen, abten en priesters voortgekomen die er sindsdien geweest zijn. Nu moeten onze tegenstanders zich toch wel gewonnen geven. Want aan welk van deze twee delen moeten ze de naam kerk toekennen? Willen ze ontkennen dat het concilie van Bazel wettig was en er qua uiterlijke glans niets mis mee was? Het is immers officieel uitgeschreven met twee bullen, het is ingewijd onder voorzitterschap van de legaat van de stoel van Rome, alles ging volgens de regels en tot het laatst toe is dat zo gebleven. Zullen ze erkennen dat Eugenius met zijn hele bende een ketter was? Hij, door wie ze allemaal gewijd zijn? Kortom, óf ze moeten de zichtbare vorm van de kerk anders definiëren, óf wij zullen hen allemaal – met hoevelen ze ook zijn – als scheurmakers beschouwen, omdat ze zich willens en wetens door ketters hebben laten aanstellen.

En als nog nooit eerder gebleken zou zijn dat de kerk niet gebonden is aan uiterlijke praal, dan zouden zij zelf genoeg bewijs vormen. Ze hebben zich al zolang hoogmoedig bij de wereld aangeprezen onder de mooie naam van kerk, maar in werkelijkheid waren ze schadelijke plagen voor de kerk. Ik ga het niet hebben over hun slechte moraal of over de verschrikkelijke misdaden waar hun leven vol van is. Ze zeggen immers zelf dat ze net als de farizeeën zijn: je moet wel naar hen luisteren, maar je moet hen niet nadoen. Mattheüs 23:3 Ze zeggen dat het aan hun leer te danken is dat ze de kerk zijn. Maar als u een beetje van uw vrije tijd besteedt aan het lezen van wat wij geschreven hebben, dan zult u ontdekken dat juist die leer een schadelijke vorm van zielenmoord is. Het is een fakkel die de kerk in brand steekt, zodat ze instort en ten onder gaat.

De ware leer leidt niet tot oproer

Ten slotte, onze tegenstanders handelen onzuiver als ze ons in een kwaad daglicht proberen te stellen door te vertellen hoeveel oproer, onrust en twist de prediking van onze leer meegebracht heeft en wat voor vruchten ze nu bij veel mensen draagt. Want het is niet terecht dat de schuld van die rampen op onze leer geschoven wordt. Die schuld hoort aan de kwaadaardigheid van Satan te worden toegeschreven.

Altijd gaat het Woord van God hiermee gepaard: als het tevoorschijn komt, blijft Satan nooit rustig slapen. Dit is een heel betrouwbaar kenmerk van het Woord, waardoor je het gemakkelijk kunt onderscheiden van elke valse leer. Want valse leer is gemakkelijk te herkennen. Iedereen luistert er graag naar en de hele wereld juicht die toe. Enkele eeuwen geleden was alles in zo’n diepe duisternis gehuld, dat de heer van deze wereld met bijna alle stervelingen kon doen waar hij zin in had. Als een Sardanapalus kon hij toen vredig blijven liggen en zich vermaken. Hij had immers niets anders te doen dan lachen en spelen. Hij kon zijn rijk in alle rust en vrede in bezit houden.

Maar toen begon er van bovenaf een beetje licht te schijnen en werd zijn duisternis een klein beetje verdreven. Toen bracht de machtige zijn rijk in beroering en verstoorde de rust. En toen begon Satan de lusteloosheid, waar hij aan gewend geraakt was, van zich af te schudden en naar de wapens te grijpen. Eerst jutte hij de mensen op om in actie te komen, om zo de oplichtende waarheid met geweld te onderdrukken. En toen hij daarmee niets bereikte, nam hij zijn toevlucht tot list en bedrog. Door middel van zijn wederdopers en ander gespuis wekte hij onenigheid en twist over de leer. Zo wilde hij de leer verduisteren en uitwissen. En nu gaat hij er nog steeds mee door om op die beide manieren de leer aan te vallen. Hij probeert immers met geweld van mensen het echte zaad uit te rukken en hij probeert het door zijn onkruid zoveel mogelijk te verstikken. Want hij wil niet dat het opgroeit en vrucht draagt. Maar het is allemaal tevergeefs, als wij luisteren naar de waarschuwing van de Heer. Hij heeft ons lang van tevoren laten zien welke trucs Satan gebruikt. Hij kan ons daarom niet onverhoeds vangen. God heeft ons sterk genoeg bewapend.

Trouwens, het laat wel zien hoe kwaadaardig onze tegenstanders zijn. Ze geven Gods Woord de schuld van het oproer van de goddeloze rebellen, of van de sekten van de bedriegers. Maar die zijn juist tegen dat Woord gericht. Toch bestaan daar ook voorbeelden van in het verleden. Elia kreeg de vraag of hij het niet was die onrust over Israël bracht. 1 Koningen 18:17 Christus werd door de Joden als een oproerkraaier beschouwd. Lucas 23:5 De apostelen werden ervan beschuldigd dat ze het volk opruiden. Handelingen 24:5 Is dat niet hetzelfde als wat degenen doen die ons tegenwoordig al het oproer, elke opschudding en elke twist aanrekenen, die tegen ons opborrelen? Maar wat we hen moeten antwoorden, heeft Elia ons geleerd: wij zijn het niet die dwalingen rondstrooien of opschudding verwekken. Ze zijn het zelf, want ze strijden tegen de kracht van God. 1 Koningen 18:18

Dat ene is genoeg om hun brutaliteit in te tomen. Toch moeten we aan de andere kant ook tegemoetkomen aan de domheid van de mensen. Meer dan eens worden ze aan het wankelen gebracht, omdat dergelijke beschuldigingen hen raken en verwarren. Ze hoeven zich echter niet van hun stuk te laten brengen. Ze moeten weten dat de apostelen in hun tijd hetzelfde hebben ervaren als wat ons nu overkomt.

Petrus zegt dat onwetende en onstandvastige mensen tot hun eigen ondergang verdraaiden wat Paulus had geschreven namens God. 2 Petrus 3:16 Mensen die God verachtten, hoorden dat de zonde was toegenomen, zodat de genade meer dan overvloedig zou worden. En toen brachten ze daar meteen tegen in: ‘Dan blijven we in de zonde, zodat de genade toeneemt.’ Romeinen 6:1 En toen ze hoorden dat de gelovigen niet meer onder de wet leven, zeiden ze meteen: ‘Dan blijven we zondigen, want we leven niet meer onder de wet, maar onder de genade.’

Romeinen 6:15 Er waren mensen die Paulus ervan beschuldigden dat hij de mensen ertoe aanspoorde om kwaad te doen.

Veel valse apostelen drongen de kerken binnen die Paulus zelf gesticht had, om die te vernielen. 1 Korinthiërs 1:10-12; 2 Korinthiërs 11:4; Galaten 1:6-7 Sommigen predikten het evangelie uit afgunst en rivaliteit, met onzuivere bedoelingen, om Paulus’ gevangenschap nog zwaarder te maken. Filippenzen 1:15-17 In sommige plaatsen boekte het evangelie maar weinig vooruitgang. Ieder zocht zijn eigen belang en niet dat van Jezus Christus. Filippenzen 2:3 Anderen keerden terug, als honden naar hun eigen braaksel en als varkens rolden ze weer door de modder. 2 Petrus 2:22 Heel veel mensen misbruikten de geestelijke vrijheid voor vleselijke bandeloosheid. 2 Petrus 2:18

Velen drongen de kerk binnen als broeders, maar daarna vormden ze een gevaarlijke bedreiging voor de vromen. Onder de broeders zelf ontstonden allerlei discussies.

Wat moesten de apostelen hieraan doen? Moesten ze het evangelie soms een tijdlang verborgen houden, of nog beter, helemaal opgeven? Ze zagen immers dat het een broedplaats was van zoveel twist, een bron van zoveel gevaar, een aanleiding tot zoveel ergernis. Maar in dergelijke moeiten bedachten ze dat Christus een steen des aanstoots en een struikelblok was. Romeinen 9:33; 1 Petrus 2:6-8 Velen zouden door Hem ten val komen of juist opstaan. Hij was een teken dat tegengesproken zou worden. Lucas 2:34 En gewapend met dat vertrouwen, doorstonden ze onverschrokken alle gevaren van onrust en ergernis.

Ook wij moeten ons laten steunen door diezelfde overweging. Paulus getuigt dat het evangelie altijd een doodsgeur is voor degenen die verloren gaan, ook al is het voor ons juist bedoeld als een levensgeur en een kracht van God tot redding van degenen die geloven. 2 Korinthiërs 2:15-16 Dit zouden we ook zeker ervaren, als we niet zo ondankbaar waren om dit bijzondere geschenk van God te bederven en om te keren. En zo wordt wat het enige redmiddel had moeten zijn voor ons behoud, onze ondergang.

De aanhangers van de ware leer zijn voorbeeldige burgers

Maar ik richt me weer tot u, sire.

Laat u zich niet overhalen door die loze aanklachten, waarmee onze tegenstanders u schrik proberen aan te jagen. Ze beweren dat we met dit nieuwe evangelie – zo noemen ze het – alleen maar een gelegenheid zoeken om in opstand te komen om voor onszelf de vrijheid te krijgen om ongestraft allerlei misdaden te plegen. Maar onze God is niet iemand die verdeeldheid zaait, maar vrede. 1 Korinthiërs 14:33 En Gods Zoon is niet iemand die de zonde dient, Galaten 2:17 maar Hij is juist gekomen om de daden van de duivel teniet te doen. 1 Johannes 3:8 Het is onterecht dat ze ons ervan beschuldigen dat we zulke dingen willen. We hebben nooit enige aanleiding gegeven om zoiets van ons te denken. Zouden wij plannen beramen om koninkrijken omver te werpen? Er is nog nooit een opstandig woord van ons gehoord. Ons leven heeft altijd bekend gestaan als rustig en eenvoudig. Dat was zo toen we onder uw regering leefden en zo is het nog steeds. Ook al zijn we van huis verdreven, toch bidden we ook nu nog continu voor alle voorspoed voor u en uw rijk!

Zouden wij proberen te bereiken dat we ongestraft in bandeloosheid kunnen leven? Er is moreel gezien veel in ons leven dat af te keuren valt. Maar toch niet iets waarmee we zo’n beschuldiging verdienen! We hebben, God dank, toch niet zo weinig geleerd van het evangelie dat ons leven voor die lasteraars geen voorbeeld kan zijn van kuisheid, vriendelijkheid, barmhartigheid, zelfbeheersing, geduld, bescheidenheid en alle mogelijke andere goede eigenschappen. Dat wij God echt oprecht vrezen en dienen, blijkt duidelijk uit het feit dat wij zowel door ons leven als door ons sterven zijn naam proberen te heiligen. Filippenzen 1:20 Zelfs degenen die ons haten, hebben moeten toegeven dat het onschuldige, eerlijke burgers waren die met de dood gestraft zijn. En ze werden gestraft om iets waarom ze juist bijzonder geprezen hadden moeten worden.

Er zijn mensen die onder het mom van het evangelie oproer stichten, al is dat tot nu toe in uw rijk nog niet voorgekomen. Er zijn mensen die hun bandeloosheid proberen goed te praten met de vrijheid van Gods genade. Ik ken veel van die mensen. Maar dan zijn er wetten en wettige straffen. Daarmee kunnen ze in toom gehouden worden, zo streng als ze verdienen. Zolang ondertussen het evangelie van God maar geen slechte naam krijgt door de slechtheid van misdadige mensen.

U hebt, sire, nu uitvoerig genoeg kennis kunnen nemen van het boze vergif van onze lasteraars. Ik vertrouw er daarom op dat u niet al te goedgelovig het oor zult lenen aan hun aanklachten. Ik ben zelfs bang dat ik een beetje te uitvoerig geweest ben. Want dit voorwoord heeft bijna de omvang bereikt van een volledig verdedigingsgeschrift. Het was niet mijn bedoeling om met dit voorwoord onze zaak te verdedigen. Ik wilde u alleen gunstig stemmen, zodat u onze zaak zou willen aanhoren. Want nu hebt u zich van ons afgewend en bent u van ons vervreemd. Ja, u bent zelfs boos op ons. Maar ik vertrouw erop dat we uw gunst kunnen terugwinnen, als u deze belijdenis van mij eenmaal rustig gelezen zult hebben. Ik hoop dat we ons daarmee voor uwe majesteit kunnen verdedigen.

Maar als de influisteringen van de kwaadwilligen uw oren zo in beslag nemen dat er voor de beschuldigden geen gelegenheid is om zich vrij te pleiten, als u integendeel oogluikend toestaat dat die onbeschaamde geesten blijven doorrazen met ketenen, gesels, pijnbanken, vuur en zwaard – dan zullen wij tot het uiterste gedreven worden, als schapen die bestemd zijn voor de slachtbank. Jesaja 53:7 Maar wel zo dat we onze zielen redden door geduldig te blijven wachten op de sterke hand van de Heer. Lucas 21:19 Ongetwijfeld zal Hij op zijn tijd komen en gewapend verschijnen om de armen te verlossen uit de verdrukking. En om degenen die Hem verachten en nu zo onbezorgd tekeergaan te straffen.

Ik bid dat de Heer, de allerhoogste koning, uw troon zal vastzetten in rechtvaardigheid Spreuken 25:5 en uw hof in stand zal houden in onpartijdigheid, zeer luisterrijke koning!

Bazel, 1 augustus 1536

Voetnoten

  1. 3

    Frans I (1494-1547), koning van Frankrijk.

  2. 4

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 13,17.

  3. 5

    Isidorus van Sevilla, De ortu et orbitum patrum, 33,74.

  4. 6

    Hiëromymus (†420), bisschop van Stridon.

  5. 7

    Acatius van Amida, in: Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeXI, 16.

  6. 8

    Ambrosius van Milaan, De officiis II, 28.

  7. 9

    Spyridion van Trimethus, in: Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeI, 10.

  8. 10

    Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeVIII, 1.

  9. 11

    Augustinus, De opere monachorum, 17.

  10. 12

    Epiphanius van Salamis, in een brief vertaald door Hiëronymus van Stridon, Epistulae, 9

  11. 13

    Concilie van Elvira (305), canon 36.

  12. 14

    Ambrosius van Milaan, De Abraham I, 9.

  13. 15

    Paus Gelasius I, De duabus naturis in Christo adversus Eutychem et Nestorium, 3.

  14. 16

    Chrysostomos, Homiliae in epistulam ad Ephesios 1; Paus Calixtus I, in: Gratianus, Decretum (De consecratione) III, 2.

  15. 17

    Paus Gelasius I, in: Gratianus, Decretum (De consecratione) III, 2.

  16. 18

    Cyprianus van Carthago, Epistulae, 57,2.

  17. 19

    Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 36

  18. 20

    Montanus (†ca. 195) .

  19. 21

    Apollonius van Efeze, in: Eusebius van Caesarea, Historiaecclesiastica V, 18.

  20. 22

    Paphnutius van Thebe, in: Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeII, 14.

  21. 23

    Cyprianus van Carthago, Epistulae, 58,14.

  22. 24

    Augustinus, Contra Cresconium grammaticum Donatista,2,21.

  23. 25

    Cyprianus (†258), bisschop van Carthago.

  24. 26

    Cyprianus van Carthago, Epistulae, 58,17 en 58,13.

  25. 27

    Hilarius († 367), bisschop van Poitiers.

  26. 28

    Hilarius van Poitiers, Contra Arianos vel Auxentium Mediolanensem, 7.

  27. 29

    Paus Eugenius IV (1383-1447).

  28. 30

    Amadeus VIII van Savoye (paus Felix V) (1383-1451).

Voetnoot 3

Frans I (1494-1547), koning van Frankrijk.

Voetnoot 4

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 13,17.

Voetnoot 5

Isidorus van Sevilla, De ortu et orbitum patrum, 33,74.

Voetnoot 6

Hiëromymus (†420), bisschop van Stridon.

Voetnoot 7

Acatius van Amida, in: Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeXI, 16.

Voetnoot 8

Ambrosius van Milaan, De officiis II, 28.

Voetnoot 9

Spyridion van Trimethus, in: Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeI, 10.

Voetnoot 10

Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeVIII, 1.

Voetnoot 11

Augustinus, De opere monachorum, 17.

Voetnoot 12

Epiphanius van Salamis, in een brief vertaald door Hiëronymus van Stridon, Epistulae, 9

Voetnoot 13

Concilie van Elvira (305), canon 36.

Voetnoot 14

Ambrosius van Milaan, De Abraham I, 9.

Voetnoot 15

Paus Gelasius I, De duabus naturis in Christo adversus Eutychem et Nestorium, 3.

Voetnoot 16

Chrysostomos, Homiliae in epistulam ad Ephesios 1; Paus Calixtus I, in: Gratianus, Decretum (De consecratione) III, 2.

Voetnoot 17

Paus Gelasius I, in: Gratianus, Decretum (De consecratione) III, 2.

Voetnoot 18

Cyprianus van Carthago, Epistulae, 57,2.

Voetnoot 19

Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 36

Voetnoot 20

Montanus (†ca. 195) .

Voetnoot 21

Apollonius van Efeze, in: Eusebius van Caesarea, Historiaecclesiastica V, 18.

Voetnoot 22

Paphnutius van Thebe, in: Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeII, 14.

Voetnoot 23

Cyprianus van Carthago, Epistulae, 58,14.

Voetnoot 24

Augustinus, Contra Cresconium grammaticum Donatista,2,21.

Voetnoot 25

Cyprianus (†258), bisschop van Carthago.

Voetnoot 26

Cyprianus van Carthago, Epistulae, 58,17 en 58,13.

Voetnoot 27

Hilarius († 367), bisschop van Poitiers.

Voetnoot 28

Hilarius van Poitiers, Contra Arianos vel Auxentium Mediolanensem, 7.

Voetnoot 29

Paus Eugenius IV (1383-1447).

Voetnoot 30

Amadeus VIII van Savoye (paus Felix V) (1383-1451).

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.