EN er was een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Micha.
Die zeide tot zijn moeder: De duizend en honderd zilverlingen die u ontnomen zijn, om dewelke gij gevloekt hebt en ook voor mijn oren gesproken hebt, zie, dat geld is bij mij, ik heb dat genomen. Toen zeide zijn moeder: Gezegend zij mijn zoon den HEERE.
Alzo gaf hij zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weder. Doch zijn moeder zeide: Ik heb dat geld den HEERE ganselijk geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu wedergeven.
Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder weder. En zijn moeder nam tweehonderd zilverlingen en gaf ze den goudsmid; die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Micha.
En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.
In diezelve dagen was er geen koning in Israël; een iegelijk deed wat recht was in zijn ogen.
Nu was er een jongeling van Bethlehem-Juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet en verkeerde aldaar als vreemdeling.
En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-Juda getogen om te verkeren waar hij gelegenheid zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van Efraïm tot aan het huis van Micha, om zijn weg te gaan,
Zo zeide Micha tot hem: Vanwaar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet van Bethlehem-Juda, en ik wandel om te verkeren waar ik gelegenheid zal vinden.
Toen zeide Micha tot hem: Blijf bij mij en zijt mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen en orde van klederen en uw leeftocht. Alzo ging de Leviet met hem.
En de Leviet bewilligde bij dien man te blijven; en de jongeling was hem als een van zijn zonen.
En Micha vulde de hand van den Leviet, dat hij hem tot een priester werd; alzo was hij in het huis van Micha.
Toen zeide Micha: Nu weet ik dat de HEERE mij weldoen zal, omdat ik dezen Leviet tot een priester heb.