Boek II · Hoofdstuk 1

De zondeval en de erfzonde

Inhoud van dit hoofdstuk · 11 secties
  1. 1Zelfkennis moet ons nederig maken
  2. 2Nederige zelfkennis is niet aantrekkelijk voor mensen
  3. 3Zelfkennis moet ons leren wat onze plicht is en of we die plicht kunnen volbrengen
  4. 4Ongeloof en ongehoorzaamheid waren de oorzaak van de zondeval
  5. 5De erfzonde
  6. 6Door de zonde van Adam zijn alle mensen besmet geraakt
  7. 7De zonde is erfelijk omdat God dat zo bepaald heeft
  8. 8Een definitie van de erfzonde
  9. 9De mens is door de zonde volledig bedorven
  10. 10Dat de mens van nature zondig is, betekent niet dat de mens zo gemaakt is
  11. 11Dat de mens van nature zondig is, wil zeggen dat de zonde onontkoombaar is

Zelfkennis moet ons nederig maken

Niet voor niets was er vroeger altijd een spreekwoord dat de mens sterk aanraadde om zichzelf te kennen. Want als het als een schande beschouwd wordt als we niet weten hoe het dagelijks leven in elkaar steekt, dan is het een nog veel grotere schande als we onszelf niet kennen. Want dan houden we onszelf bij het nemen van belangrijke beslissingen jammerlijk voor de gek. We zijn zelfs blind.

Maar omdat het zo nuttig is om jezelf te kennen, moeten we extra oppassen dat we die kennis niet verkeerd gebruiken. We zien dat dat sommige filosofen overkomen is. Als zij de mens aansporen om zichzelf te kennen, geven ze daarbij tegelijk als doel aan dat een mens goed moet weten hoe waardevol en geweldig hij is. En ze willen dat hij alleen maar aandacht schenkt aan die dingen in zichzelf waardoor hij van ongefundeerd zelfvertrouwen opzwelt en zich opblaast van trots.

Maar onze zelfkennis ligt in de eerste plaats hierin: dat we bedenken wat we bij de schepping gekregen hebben en hoe mild God ons nog steeds zijn genade blijft bewijzen. Dat we weten hoe geweldig goed we van nature zouden zijn als onze natuurlijke aanleg niet geschonden was. Maar tegelijk ook dat we bedenken dat er in ons niets is dat we van onszelf hebben, maar dat we alles wat God ons gegeven heeft uit genade gekregen hebben. Dat we altijd van Hem afhankelijk zijn.

In de tweede plaats dat we beseffen hoe ellendig onze toestand is na de val van Adam. Dat besef moet ons van schaamte vervullen en ons echt nederig maken, omdat al onze eigendunk en zelfvertrouwen vernietigd is.

God heeft ons in het begin volgens zijn beeld gemaakt. Genesis 1:27 Want Hij wilde ons opwekken om goede eigenschappen na te streven en om na te denken over het eeuwige leven. We hebben een hoge en edele afkomst. Dat onderscheidt ons van de redeloze dieren. En dat mag niet in vergetelheid raken omdat we laks zijn. Daarom moeten we weten dat we verstand en inzicht gekregen hebben om een heilig en fatsoenlijk leven te leiden. Op die manier moeten we het doel nastreven dat ons gesteld is: volmaakt geluk en onsterfelijkheid.

Verder kunnen we niet beseffen hoe geweldig we eerst waren, zonder dat van de andere kant al snel tot ons doordringt hoe lelijk we nu zijn. Sinds de persoon van de eerste mens uit zijn oorspronkelijke toestand gevallen is, leven we in schande. En zo komt het dat we een hekel krijgen aan onszelf, ontevreden raken over onszelf en echt nederig worden. Dat spoort ons aan om met hernieuwde ijver God te zoeken. Want in Hem kan iedereen de goede dingen terugkrijgen die we nu volledig blijken te missen.

Nederige zelfkennis is niet aantrekkelijk voor mensen

Als we onszelf onderzoeken, moeten we inderdaad hiernaar zoeken. Gods waarheid schrijft dat voor. Die waarheid eist immers dat we onszelf kennen op een manier die ons laat afzien van elk vertrouwen in eigen kunnen en ons brengt tot nederigheid, omdat elke reden tot eigendunk ons ontbreekt. Ons einddoel bestaat eruit dat we een juist inzicht hebben en juist handelen. Als we dat einddoel willen bereiken, moeten we ons aan deze regel houden.

Het ontgaat mij niet dat een opvatting die ons eerder uitnodigt om onze rijkdom te overdenken dan onze ellendige armoede te bekijken, veel populairder is. Want onze armoede gaat gepaard met schande en moet ons wel met schaamte vervullen. En er is niets wat een mens van nature liever wil dan gestreeld worden met vleierij. Als hij hoort dat zijn gaven geprezen worden, gelooft hij het dus maar al te graag. Het is daarom geen wonder dat de meeste mensen op dit punt zo vreselijk gedwaald hebben. Want een door en door blinde eigenliefde is alle stervelingen aangeboren. Daarom maken ze zichzelf heel graag wijs dat er in hen niets is waar je terecht een hekel aan zou moeten hebben. Het totaal ongefundeerde idee dat de mens aan zichzelf meer dan genoeg heeft om goed en gelukkig te leven, hoeft niet door iemand anders in bescherming te worden genomen. Want het wordt door iedereen geloofd.

Sommigen willen er best een meer bescheiden opvatting op nahouden. Ze willen niet de indruk wekken dat ze zichzelf alles aanmatigen en daarom laten ze ook iets aan God over. Maar ze verdelen het zo dat ze nog steeds alle reden hebben voor eigendunk en zelfvertrouwen.

Komt er dan ook nog iemand die met verleidelijke woorden de trots kietelt die uit zichzelf al welig binnen in de mens tiert, dan is er niets wat hem zo sterk toelacht. Dus hoe royaler iemand de geweldige kwaliteiten van de menselijke natuur prees en hoe hoger hij ervan opgaf, hoe meer zo iemand vrijwel alle eeuwen door werd toegejuicht. Echter, hoe sterk de geweldige kwaliteiten van de mens ook geprezen worden, zodat hij op zichzelf leert vertrouwen, het levert alleen maar genot op omdat het zo aangenaam klinkt. Wie ermee instemmen, worden er zo door misleid, dat ze een ellendige ondergang tegemoet gaan.

Want wat heb je eraan als je op basis van een totaal ongefundeerd zelfvertrouwen plannen maakt en voorbereidingen treft voor dingen waarvan je vindt dat die ertoe doen? Wat levert het je op als je eraan probeert te beginnen, maar het mislukt al bij de eerste poging, omdat gezond verstand en echte kracht je ontbreken? En als je toch onbekommerd doorgaat en je je ondergang tegemoet snelt? Toch kan het niet anders gaan dan zo, als je je vertrouwen stelt op eigen kracht.

Zulke leermeesters belemmeren ons alleen maar als ze ons onze rijkdom laten overdenken. Wie naar hen luistert, zal niet verder komen in zelfkennis. Hij zal worden meegesleurd in de grootst mogelijke onwetendheid.

Zelfkennis moet ons leren wat onze plicht is en of we die plicht kunnen volbrengen

Gods waarheid stemt dus overeen met de publieke opinie van alle stervelingen: het tweede deel van wijsheid ligt in het kennen van onszelf. Toch is er een groot verschil in de manier waarop we onszelf leren kennen. Want op grond van zijn vleselijk oordeel vindt de mens dat hij zichzelf al heel goed onderzocht heeft als hij op zijn verstand en volmaaktheid vertrouwt en overmoedig wordt. Hij spoort zichzelf aan om de plichten van het fatsoen te volbrengen. Hij verklaart de oorlog aan de zonde en doet zijn uiterste best om te doen wat goed en fatsoenlijk is.

Maar wie naar zichzelf kijkt en zichzelf onderzoekt op basis van de maatstaf van Gods oordeel, vindt niets om zich op te beuren en op zichzelf te vertrouwen. Hoe dieper hij met zijn zelfonderzoek gaat, hoe neerslachtiger hij wordt. Uiteindelijk raakt hij elk zelfvertrouwen kwijt en houdt hij in zichzelf niets over waarmee hij zijn leven in de juiste richting kan leiden.

Toch wil God niet dat we vergeten hoe edel Hij onze voorvader Adam in het begin gemaakt had. Dat moet ons terecht aansporen om na te streven wat rechtvaardig en goed is. Want wij kunnen niet denken aan onze eerste oorsprong, of aan het doel waarvoor we geschapen zijn, zonder geprikkeld te worden tot nadenken over onze onsterfelijkheid en tot het zoeken van Gods koninkrijk. Maar het is absoluut niet zo dat we door die kennis bemoedigd worden. Het laat ons juist de moed in de schoenen zinken en het maakt ons nederig.

Want wat is onze oorsprong? Dat is immers de oorsprong waar we van afgevallen zijn. En wat is het doel waarvoor we geschapen zijn? Dat is het doel waar we ons volledig van afgekeerd hebben. Vol afschuw van ons ellendige lot smachten we nu zuchtend en steunend naar onze verloren waardigheid. Maar als ik zeg dat de mens in zichzelf niets mag zien dat hem moed kan geven, dan bedoel ik daarmee dat er in hem niets is waar hij op kan vertrouwen en waar hij trots op mag zijn.

Laten we de zelfkennis die de mens moet hebben dus maar als volgt verdelen. In de eerste plaats moet hij nagaan voor welk doel hij geschapen is en waarvoor hij al die niet te versmaden gaven gekregen heeft. Dat moet hem prikkelen om na te denken over het dienen van God en over het toekomstige leven. In de tweede plaats moet hij nadenken over wat hij kan, of liever, wat hij niet kan. Als hij dat inziet, blijft er als het ware niets van hem over en ligt hij er diep verslagen bij.

Het eerste moet hem leren wat zijn plicht is. Het tweede moet hem leren inzien in hoeverre hij in staat is die plicht te volbrengen. Beide punten zal ik behandelen in de volgorde die voor mijn onderwijs nodig is.

Ongeloof en ongehoorzaamheid waren de oorzaak van de zondeval

De val van Adam kan geen lichte overtreding geweest zijn. Omdat God die zo streng bestraft heeft, moet het een afschuwelijke misdaad zijn geweest. Daarom moeten we nagaan wat voor soort zonde het geweest is waardoor Gods vreselijke wraak ontbrand is over heel het menselijk geslacht.

Het is een kinderachtig idee dat het ging om gulzigheid, zoals de grote massa gelooft. Alsof het het toppunt van goed gedrag zou betekenen als de mens van slechts één vrucht zou kunnen afblijven. Van alle kanten kwamen alle mogelijke vormen van genot op hem toestromen.

De aarde was zo heerlijk vruchtbaar dat hem niet alleen een enorme voorraad ter beschikking stond, maar ook een geweldige verscheidenheid. Hij kon daar overvloedig gebruik van maken.

We moeten dus dieper kijken. Het verbod over de boom van de kennis van goed en kwaad vormde een test voor Adams gehoorzaamheid. Door gehoorzaam te zijn moest hij bewijzen dat hij zich graag schikte onder Gods gezag. Alleen al de naam van de boom toont aan dat het enige doel van het gebod was dat Adam met zijn deel tevreden zou zijn en niet door een verkeerde begeerte omhoog zou reiken. Maar dat hem het eeuwige leven werd beloofd, zolang hij at van de boom van het leven, en aan de andere kant de dood aangekondigd werd, zodra hij van de boom van de kennis van goed en kwaad zou eten – dat was bedoeld om zijn geloof te testen en te trainen.

Het is niet moeilijk om hieruit op te maken op welke manier Adam Gods woede over zich afgeroepen heeft. Augustinus heeft geen ongelijk als hij zegt dat hoogmoed het begin geweest is van al het kwaad. Want als de mens niet uit eerzucht hoger gereikt had dan toegestaan en gepast was, dan had hij in zijn toestand kunnen blijven.

Maar toch moeten we een meer volledige definitie afleiden uit de vorm van de test, zoals Mozes die beschrijft. De vrouw wordt door de listigheid van de slang afgeleid van Gods Woord omdat ze niet trouw is aan dat Woord. Daaruit blijkt al dat ongehoorzaamheid het begin van de val was. Paulus bevestigt dat ook. Hij leert dat alle mensen bedorven zijn door de ongehoorzaamheid van één. Romeinen 5:19

Maar we moeten er ook op letten dat de eerste mens niet alleen in opstand kwam tegen Gods gezag omdat hij gevangen werd door de verleiding van Satan. Het kwam ook omdat hij de waarheid verachtte en liever de leugen geloofde. Als we Gods Woord verachten, gooien we ongetwijfeld alle eerbied voor Hem van ons af. Zijn majesteit en zijn dienst blijven onder ons alleen ongeschonden in stand zolang we aan zijn lippen hangen. Daarom is ongeloof de wortel van het verraad geweest. Maar daaruit is eerzucht gegroeid en hoogmoed. Dat ging gepaard met ondankbaarheid. Want Adam wilde meer dan hem was toegestaan. Hij minachtte dus op een ongepaste manier de grote vrijgevigheid van God die hem zo rijk gemaakt had. Maar het was monsterlijk goddeloos dat de zoon van de aarde het niet genoeg vond dat hij geschapen was volgens Gods beeld. Hij wilde ook nog gelijkwaardig zijn aan God!

Door het verraad onttrekt de mens zich dus aan het gezag van de schepper. Hij werpt zelfs brutaal zijn juk af. Dat is een schandelijke en vervloekte misdaad. De zonde van Adam valt daarom niet te bagatelliseren. Het was trouwens niet zomaar verraad. Dit verraad ging gepaard met schandelijke verwijten aan God. Want Adam en Eva accepteerden de laster van Satan, die God beschuldigde van leugens, jaloezie en kwaadaardigheid.

Ten slotte opende ongeloof de deur voor eerzucht. En eerzucht was de moeder van koppigheid. Daardoor wierpen de mensen de vrees voor God van zich af en stortten ze zich in alles waar ze maar zin in hadden.

Bernardus van Clairvaux leert daarom terecht dat nu de deur naar onze redding voor ons geopend wordt als we met onze oren het evangelie aannemen, net zoals de dood door diezelfde vensters werd toegelaten toen ze open stonden voor Satan. Want Adam zou zich nooit tegen Gods bevel hebben durven verzetten als hij dat Woord geloofd had. Dit was vast en zeker de beste teugel om alle begeerten op de juiste manier in toom te houden: dat er niets beter is dan Gods bevelen gehoorzamen en jezelf trainen in rechtvaardigheid. En verder dat het toppunt van een gelukkig leven is dat God je lief heeft.

Zo heeft de mens dus, meegesleept door de godslasteringen van de duivel, heel Gods glorie, voor zover die in hem was, tenietgedaan.

De erfzonde

Adam leefde geestelijk omdat hij verbonden bleef aan zijn schepper. Hij was aan Hem verknocht. Daarom betekende het de ondergang van zijn ziel toen hij van zijn schepper vervreemd raakte. En het is niet vreemd dat hij door zijn verraad zijn hele soort in de ondergang stortte. Want hij zette de hele natuurlijke orde van hemel en aarde op z’n kop. Heel de schepping zucht, zegt Paulus. Alle schepselen zijn tegen hun wil onderworpen aan het bederf. Romeinen 8:20-22 Als we vragen wat daarvan de oorzaak is, dan hoeven we er niet aan te twijfelen dat alle schepselen een deel van de straf dragen. De mens heeft die straf verdiend en alle schepselen waren geschapen om door de mens gebruikt te worden. Het is dus de schuld van de mens dat de vloek her en der uitvloeit en overal ter wereld huishoudt.

Daarom is het ook niet moeilijk te begrijpen dat de vloek zich van Adam heeft voortgeplant in heel zijn nageslacht. Adam was getooid met wijsheid, kracht, heiligheid, betrouwbaarheid en rechtvaardigheid. Maar nadat in hem het hemelse beeld verduisterd was, werden die versierselen vervangen door de afschuwelijke plagen van blindheid, onmacht, onreinheid, onbetrouwbaarheid en onrechtvaardigheid. Maar deze straf heeft hij dus niet alleen gedragen. Ook zijn nageslacht is door hem in deze ellende verstrikt geraakt en erin ondergedompeld.

Dit is het erfelijke bederf dat de kerkvaders ‘erfzonde’ noemden. Met het woord ‘zonde’ bedoelden ze dat onze natuurlijke aanleg die eerst goed en zuiver was, nu misvormd is. En over dit onderwerp hebben ze veel discussie gehad. Want niets staat zover af van de publieke opinie als het idee dat iedereen de schuld krijgt van iets wat één persoon misdaan heeft en dat de zonde zo iets wordt van iedereen samen. Dit lijkt de reden te zijn geweest dat de eerste leraren van de kerk de erfzonde alleen terughoudend en terloops aanstipten. In elk geval legden ze die minder duidelijk uit dan ze hoorden te doen.

Toch hebben ze met hun voorzichtigheid niet kunnen voorkomen dat Pelagius opstond. Hij kwam met het godslasterlijke verzinsel dat Adam alleen maar zichzelf benadeeld had door te zondigen. Hij zou zijn nakomelingen daarmee geen schade berokkend hebben. Blijkbaar heeft Satan met deze list geprobeerd de ziekte te verhullen, zodat er geen genezing meer mogelijk zou zijn. Later werd Pelagius er door duidelijke bewijzen uit de Schrift van overtuigd dat de zonde van de eerste mens werd overgedragen op al zijn nakomelingen. Toen bedacht hij het spitsvondige idee dat dat komt door imitatie, niet door voortplanting.

Daarom hebben goede mannen – Augustinus voorop – hun best gedaan om aan te tonen dat wij niet bedorven raken door een aangeleerde slechtheid, maar dat we van de moederschoot af een aangeboren bederf met ons meedragen. En het was het toppunt van onbeschaamdheid om dat te ontkennen. Maar je hoeft je niet te verbazen over de brutaliteit van de pelagianen en celestianen. Uit de geschriften van de heilige Augustinus kun je zien wat voor onbeschaamde beesten zij in elk ander opzicht geweest zijn.

Er blijft vast en zeker geen ruimte voor twijfel als David belijdt dat hij in onrechtvaardigheid geboren is en dat zijn moeder hem in zonde ontvangen heeft. Psalm 51:7 Daarmee beschuldigt hij niet zijn vader of moeder van zonde. Maar hij belijdt dat hij zelf al bedorven is vanaf zijn geboorte. Zo wil hij Gods goedheid tegenover hem extra prijzen. Het is wel zeker dat dat niet speciaal van David alleen gold. Daaruit volgt dat hij een voorbeeld is dat aangeeft hoe heel het menselijk geslacht er gemeenschappelijk aan toe is. Wij komen allemaal voort uit onrein zaad. We worden dus allemaal besmeurd en besmet met zonde geboren. Ja, nog voordat wij op aarde het levenslicht zien, staan we bevlekt en bezoedeld voor Gods ogen. Want wie zal een reine voortbrengen uit een onreine? Niemand, zoals er in het boek Job staat. Job 14:4

Door de zonde van Adam zijn alle mensen besmet geraakt

We horen dat de onreinheid van ouders zo op hun kinderen overgedragen wordt en dat ze allemaal zonder uitzondering door hun afkomst besmet zijn. Het begin van deze vervuiling zul je alleen vinden als je teruggaat tot de eerste voorvader van iedereen. Dat is de bron. Ongetwijfeld moeten we eraan vasthouden dat Adam niet alleen de stamvader is van de menselijke natuur. Hij is ook als het ware de wortel van die natuur. En daarom is het verdiend dat met zijn bederf het menselijk geslacht verpest is.

De apostel Paulus maakt dat duidelijk met een vergelijking tussen Adam en Christus. Hij zegt: ‘Door één mens is de zonde in de hele wereld gekomen en door de zonde de dood. En de dood is over alle mensen gekomen, want allemaal hebben ze gezondigd. Zo is ons door de genade van Christus de rechtvaardigheid en het leven teruggegeven.’ Romeinen 5:12-18

Wat zullen de pelagianen hierover kletsen? Dat de zonde van Adam voortgeplant is door imitatie? Levert de rechtvaardigheid van Christus ons dan ook als enig voordeel op dat we daarin een voorbeeld gekregen hebben dat we moeten imiteren? Wie zou zo’n heiligschennis kunnen verdragen? Het staat buiten kijf dat Christus’ rechtvaardigheid van ons is en daardoor ook het leven, doordat wij daar deel aan krijgen. En dan betekent dat dat we in Adam de rechtvaardigheid en het leven verloren hadden op dezelfde manier waarop we ze in Christus terugkrijgen. En dat de zonde en de dood binnengeslopen zijn op dezelfde manier waarop Christus ze tenietdoet. Het zijn geen onduidelijke woorden dat velen door de gehoorzaamheid van Christus rechtvaardig gemaakt worden, net zoals ze door de ongehoorzaamheid van Adam tot zondaren gemaakt waren. Romeinen 5:19 Het verband tussen die twee is dus dat Adam ons in zijn ondergang meegesleurd heeft en ons samen met hem bedorven heeft, maar dat Christus door zijn genade onze volmaaktheid hersteld heeft.

Nu het licht van de waarheid zo helder is, vind ik dat er niet meer of uitgebreider bewijs nodig is. Ook in de eerste brief aan de Korinthiërs toont Paulus aan dat we in Christus het leven terugkrijgen dat we in Adam verloren hebben. 1 Korinthiërs 15:22 Zo wil hij het vertrouwen van de vromen in de opstanding versterken. Maar als je zegt dat we allemaal in Adam gestorven zijn, dan verklaar je daarmee tegelijk openlijk dat we geïnfecteerd zijn met de zonde. Want wie geen enkele blaam treft voor de zonde, zou ook niet getroffen worden door de veroordeling.

Maar wat Paulus wil zeggen, kun je het duidelijkst zien in verband met het tweede deel van het citaat, waarin hij leert dat we de hoop op het leven teruggekregen hebben in Christus. Het is genoegzaam bekend dat dit alleen gebeurt doordat Christus ons op een wonderlijke manier laat delen in zijn rechtvaardigheid. Hij giet zijn kracht over in ons. De Geest is ons leven vanwege de rechtvaardigheid. Romeinen 8:10 Als er gezegd wordt dat we in Adam gestorven zijn, dan mogen we dat dus niet anders uitleggen dan zo: doordat hij zondigde, riep hij niet alleen ellende en bederf af over zichzelf. Hij heeft ook onze natuur in hetzelfde ongeluk gestort. Dat is niet omdat alleen hij bedorven was, want dat zou ons niet raken. Maar hij heeft zijn hele nageslacht besmet met het bederf waarin hij gevallen was.

Want Paulus zegt dat we allemaal van nature kinderen van Gods woede zijn. Efeziërs 2:3 Dat kan alleen overeind blijven als we al in de moederschoot vervloekt zijn. En het is gemakkelijk te zien dat Paulus hier niet de natuurlijke aanleg bedoelt zoals God die geschapen heeft, maar zoals die in Adam bedorven is. Want het zou heel ongepast zijn om God te beschouwen als de bewerker van de dood. Dus heeft Adam zichzelf zo bedorven dat heel zijn nageslacht daardoor besmet is geraakt.

Ook de hemelse rechter Christus verklaart duidelijk genoeg dat alle mensen slecht en zondig geboren worden. Want Hij leert dat wat uit het vlees geboren is, vleselijk is. Daarom is de deur naar het leven voor alle mensen gesloten, totdat ze opnieuw geboren worden. Johannes 3:5-6

De zonde is erfelijk omdat God dat zo bepaald heeft

En om deze kwestie goed te kunnen begrijpen is het niet nodig om angstvallig te discussiëren over de vraag of de ziel van een zoon afstamt van de ziel van zijn vader. Voor de kerkvaders was dit een prangende vraag, omdat de besmetting vooral in de ziel huist. Maar wij moeten ermee tevreden zijn dat de Heer de gaven die Hij aan de menselijke natuur wilde geven, bij Adam in bewaring heeft gegeven. Dus toen Adam die gaven kwijtraakte, raakte hij ze niet alleen kwijt voor zichzelf, maar voor ons allemaal. Waarom zou je je druk maken over de afstamming van de ziel, als je hoort dat Adam de gaven die hij kwijtgeraakt is ook voor ons gekregen heeft en niet alleen voor zichzelf? Als je hoort dat die gaven niet aan één mens gegeven zijn, maar aan de hele menselijke natuur?

Er is dus niets absurds aan dat de menselijke natuur naakt en berooid achterbleef toen Adam van zijn gaven beroofd was. En dat heel de menselijke natuur geïnfecteerd raakte toen Adam door de zonde besmeurd was. Vandaar dat uit een verrotte wortel, rotte takken voortgekomen zijn. En die takken hebben hun rotheid weer overgebracht op andere scheuten die uit hen voortkwamen. Want als de kinderen bedorven zijn in hun vader, dan besmetten zij ook weer de kleinkinderen. Dat betekent dus dat Adam het begin geweest is van een bederf dat zich continu blijft verspreiden van de ene generatie op de volgende. De bron van de besmetting ligt immers niet in het wezen van het lichaam of de ziel. Het ligt in het feit dat God bepaald heeft dat de eerste mens de gaven die God hem gegeven had niet alleen voor zichzelf zou hebben en verliezen, maar ook voor zijn nageslacht.

De pelagianen steken daar echter de draak mee. Volgens hen is het onwaarschijnlijk dat kinderen van vrome ouders het bederf overnemen. Ze zouden juist door de zuiverheid van hun ouders geheiligd moeten worden. Maar dit is gemakkelijk te weerleggen. Want kinderen stammen niet van hun ouders af via de nieuwe, geestelijke geboorte uit de Heilige Geest, maar via de vleselijke geboorte uit Adam. Daarom zegt Augustinus dat een ongelovige die schuldig staat en een gelovige die vrijgesproken is geen van beiden vrijgesproken kinderen voortbrengen. Allebei brengen ze kinderen voort die schuldig staan. Want allebei brengen ze kinderen voort uit hun zondige aard. Dat de kinderen in een bepaald opzicht deel hebben aan de heiligheid van hun ouders, is een speciale zegen voor Gods volk. Het voorkomt niet dat de eerste en algemene vervloeking van het menselijk geslacht aan die zegen vooraf gaat. Want door onze natuurlijke aanleg staan we schuldig. Maar heilig worden we door bovennatuurlijke genade.

Een definitie van de erfzonde

Laat ik nu een definitie geven van de erfzonde. Dan weten we tenminste precies waar we het over hebben. Maar ik ben niet van plan om een voor een de definities te bespreken die door verschillende schrijvers gegeven zijn. Ik neem gewoon één definitie, die volgens mij het meest in overeenstemming is met de waarheid.

Welnu, waarschijnlijk is de erfzonde een erfelijke slechtheid en bederf in onze aard. Dit heeft zich verspreid over alle delen van de ziel. Daardoor staan we in de eerste plaats schuldig tegenover God. En in de tweede plaats ontstaan hierdoor in ons de daden die de Schrift de daden van het vlees noemt. Galaten 5:19-21 En wat Paulus meer dan eens zonde noemt, is eigenlijk erfzonde. Daarom noemt hij de daden die eruit voortkomen – bijvoorbeeld overspel, ontucht, diefstal, moord en drankmisbruik – vruchten van de zonde, ook al worden ze op veel plaatsen in de Schrift, ook door Paulus zelf, ook zonde genoemd.

We moeten deze twee dingen dus goed van elkaar onderscheiden. In de eerste plaats zijn wij in onze aard zo verpest en bedorven dat we alleen daarom al terecht schuldig en veroordeeld voor Gods ogen staan. Want voor Hem zijn alleen rechtvaardigheid, onschuld en zuiverheid acceptabel. En dat betekent niet dat we de schuld dragen van wat iemand anders verkeerd gedaan heeft. Want als er gezegd wordt dat we voor Gods oordeel schuldig staan door de zonde van Adam, dan moeten we dat niet opvatten alsof we zelf onschuldig zijn en vrijuit gaan, maar toch moeten betalen voor wat Adam verkeerd gedaan heeft. Door Adams overtreding zijn we verstrikt geraakt in de vloek en daarom wordt er gezegd dat we schuldig staan door Adam. Het is niet alleen de straf die van hem op ons is overgegaan. We zijn door hem ook besmet geraakt. En het is terecht dat wij voor die besmetting gestraft moeten worden.

Augustinus noemt de erfzonde vaak de zonde van een ander. Zo wil hij extra duidelijk laten zien dat de erfzonde via de voortplanting bij ons terechtkomt. Maar toch verzekert hij ook dat het ieders eigen zonde is. En de apostel Paulus zelf verklaart heel nadrukkelijk dat de dood over alle mensen gekomen is, omdat alle mensen gezondigd hebben. Romeinen 5:12 Dat wil zeggen: omdat alle mensen verstrikt zitten in de erfzonde en daardoor besmet zijn. Zelfs kleine kinderen zijn daarom niet schuldig door de zonde van iemand anders, maar door hun eigen zonde. Want van de moederschoot af dragen ze hun eigen veroordeling met zich mee. Ze hebben de vruchten van hun zondigheid nog niet voortgebracht. Maar het zaad zit toch al in hen. Heel hun aard is zelfs een soort zaad van zonde. Daarom moeten ze in Gods ogen wel weerzinwekkend en verwerpelijk zijn. En dat betekent dat God hun dat aanrekent als de eigenlijke zonde. Want niemand wordt in staat van beschuldiging gesteld zonder dat hij schuldig is.

Dan het tweede punt: deze slechtheid in ons houdt nooit op. Er komen continu nieuwe vruchten uit voort. Dat zijn de daden van het vlees die ik hiervóór genoemd heb. Het is net als bij een brandende oven waaruit vuur en vonken oplaaien of bij een bron waaruit voortdurend water opborrelt.

Er zijn mensen die de erfzonde definiëren als het missen van de oorspronkelijke rechtvaardigheid die we zouden moeten hebben. Daarmee hebben ze de complete inhoud van de erfzonde te pakken. Maar zo’n definitie maakt niet genoeg duidelijk hoe groot het effect van de erfzonde is. Want onze aard is niet alleen beroofd en ontdaan van het goede. Onze aard brengt nu ook een overvloed aan alle mogelijke slechte vruchten voort. Onze aard kan daarom niet neutraal zijn. Er zijn mensen die zeggen dat de erfzonde een hartstochtelijke begeerte is. Dat is geen totaal ongeschikte manier om het te zeggen, maar dan moeten ze er wel bij zeggen dat heel de mens, van het verstand tot de wil, van de ziel tot het lichaam, met deze begeerte besmet is en er vol van is. Kortom: dat de mens uit zichzelf een en al hartstochtelijke begeerte is. Maar dat willen de meesten absoluut niet toegeven.

De mens is door de zonde volledig bedorven

Daarom heb ik gezegd dat de zonde alle delen van de ziel in bezit genomen heeft sinds Adam zich losmaakte van de bron van rechtvaardigheid. Hij is immers niet verleid door een begeerte van ondergeschikt belang. De vesting van zijn ziel werd in bezit genomen door schandelijke goddeloosheid. De hoogmoed drong door tot in het diepst van zijn hart. Daarom is het flauw en dom om het bederf dat daaruit is voortgekomen te beperken tot zogenaamde zinnelijke gemoedsbewegingen. Of om het licht ontvlambaar materiaal te noemen dat alleen het deel van de zogenaamde zinnelijkheid tot zonde zou verleiden, prikkelen en trekken.

Petrus Lombardus heeft hiermee laten zien hoe vreselijk onwetend hij is. Hij zocht naar de plek waar dit bederf huist en op basis van wat Paulus verklaart, zegt hij dan dat dit bederf in het lichaam zit. Weliswaar is het niet beperkt tot het lichaam, maar in het lichaam is het volgens hem het duidelijkst zichtbaar. Alsof Paulus slechts een deel van de ziel bedoelde en niet de hele menselijke natuur! Paulus stelt de natuurlijke aanleg van de mens tegenover de bovennatuurlijke genade. En hij maakt aan alle twijfel een eind door te leren dat het bederf niet in slechts één deel huist, maar dat er niets vrij of schoon blijft van de dodelijke besmetting. Want als hij het heeft over onze zondige aard, veroordeelt hij niet alleen de bandeloze begeerten die zichtbaar zijn. Hij beweert vooral dat het verstand gebukt gaat onder blindheid en het hart onder slechtheid.

Romeinen 3 is niets anders dan een beschrijving van de erfzonde. Uit de vernieuwing blijkt de erfzonde nog duidelijker. De geest wordt geplaatst tegenover de oude mens en het vlees.

Dat duidt niet op een genade die alleen het minder belangrijke, zinnelijke deel van de ziel corrigeert. Het omvat een volledige herstel van alle delen van de ziel. En daarom beveelt Paulus ons dat niet alleen onze minderwaardige begeerten tot niets gereduceerd moeten worden. Hij beveelt ook dat onze geest en ons denken vernieuwd moeten worden. Efeziërs 4:22-23 Ook ergens anders beveelt hij ons dat we veranderd moeten worden door een vernieuwing van ons denken. Romeinen 12:2

Dat betekent dus dat het deel waarin het geweldige en edele van de ziel het meest schittert niet slechts aangetast, maar bedorven is. Het moet niet alleen maar genezen, het moet een bijna volledig nieuwe aard aantrekken.

We zullen straks zien in hoeverre de zonde het verstand en het hart in bezit houdt. Hier heb ik alleen maar kort willen aanstippen dat heel de mens van het hoofd tot de voeten als het ware door een zondvloed overstroomd is. Er is geen enkel stukje van de mens vrij van zonde. Alles wat er uit hem voortkomt, moet hem daarom als zonde worden aangerekend. Daarom zegt Paulus dat alle begeerten of gedachten van het vlees vijandschap zijn tegen God en daarom de dood betekenen. Romeinen 8:6-7

Dat de mens van nature zondig is, betekent niet dat de mens zo gemaakt is

De mensen die hun zonden aan God durven toeschrijven, omdat we zeggen dat de mensen van nature bedorven zijn, moeten we nu maar laten gaan. Ze vergissen zich als ze Gods werk zoeken in hun besmetting. Gods werk moeten ze zoeken in de ongeschonden en onbedorven aard van Adam. Dat we bedorven zijn, is dus te wijten aan ons vlees, niet aan God. We zijn alleen verloren gegaan omdat we ontaard zijn van onze eerste toestand. En je moet hier niet tegen God tekeergaan door te zeggen dat God beter voor ons welzijn gezorgd had als Hij voorkomen had dat Adam viel. Want voor vrome mensen is dit een veel te brutaal en daarom verwerpelijk verwijt. Bovendien raakt dit de verborgen voorbeschikking. Maar die zal ik later op het juiste moment behandelen.

Laten we dus bedenken dat onze val te wijten is aan het bederf van onze natuurlijke aanleg. We mogen de schuld daarvan niet afschuiven op God, de maker van onze natuurlijke aanleg. Weliswaar hecht die dodelijke wond zich aan onze natuurlijke aanleg. Maar het maakt heel veel uit of die wond van buitenaf gekomen is, of dat de oorsprong ervan al van nature in ons aanwezig was. Het staat echter vast dat die wond ons toegebracht is door de zonde. We hebben dus alleen maar reden om te klagen over onszelf. De Schrift maakt daar uitgebreid melding van. Want de Prediker zegt: ‘Dit weet ik: God heeft de mens goed gemaakt, maar de mensen hebben zelf van alles bedacht.’ Prediker 7:29 Blijkbaar is de ondergang van de mens alleen aan hemzelf te wijten. Want door Gods welwillendheid kreeg hij rechtvaardigheid. Maar door zijn eigen dwaasheid is hij weggezonken in zinloosheid.

Dat de mens van nature zondig is, wil zeggen dat de zonde onontkoombaar is

Ik zeg dus dat de mens bedorven is doordat hij van nature zondig is. Maar die zondigheid is niet uit zijn natuurlijke aanleg voortgekomen. Ik ontken dat die zondigheid uit de natuurlijke aanleg van de mens is voortgekomen omdat ik wil aangeven dat het juist een eigenschap is die van buitenaf in de mens gekomen is. Het is geen eigenschap die bij zijn wezen hoorde en deze eigenschap is niet al in het begin in de mens gelegd. Toch noem ik het een natuurlijke eigenschap, omdat niemand moet denken dat je die eigenschap krijgt door een verkeerde gewoonte. Deze eigenschap houdt alle mensen samen gevangen door een erfelijk recht.

Ik zeg dit niet op eigen gezag. Want om dezelfde reden leert de apostel Paulus dat wij allemaal van nature kinderen van de woede zijn. Efeziërs 2:3 God is tevreden zelfs over de allerkleinste dingen die Hij gemaakt heeft. Hoe kan Hij dan boos zijn op het edelste schepsel van allemaal? Maar Hij is eerder boos om het bederf van wat Hij gemaakt heeft, dan om zijn maaksel zelf. Dus als het niet onjuist is om te zeggen dat de mens van nature verwerpelijk is voor God omdat de natuurlijke aanleg van de mens bedorven is, dan is het ook niet overdreven om te zeggen dat de mens van nature slecht en zondig is.

Augustinus aarzelt dan ook niet om vanwege het bederf van onze natuurlijke aanleg te spreken over natuurlijke zonden. Het is onontkoombaar dat die zonden ons beheersen als Gods genade ontbreekt.

Op deze manier vervluchtigt vanzelf het dwaze geklets van de manicheeërs. Zij stelden zich voor dat er een kwaadaardigheid in het wezen van de mens schuilt. Daarom hebben ze het gewaagd om een tweede schepper te verzinnen. Want ze wilden niet de indruk wekken dat ze de oorzaak en het begin van het kwaad toeschreven aan de rechtvaardige God.

Voetnoten

  1. 153

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 18, 2,15.

  2. 154

    Bernardus (1090-1153), abt van het cisterciënzer klooster in Clairvaux.

  3. 155

    Pelagius (ca. 400).

  4. 156

    Augustinus, De gratia Christi et de peccato originali contra Pelagiumet Coelestinum, 39.

  5. 157

    Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum III, 8.

  6. 158

    Petrus Lombardus (†1160), scholastisch theoloog in Parijs.

  7. 159

    Petrus Lombardus, Sententiae II, 31.

Voetnoot 153

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 18, 2,15.

Voetnoot 154

Bernardus (1090-1153), abt van het cisterciënzer klooster in Clairvaux.

Voetnoot 155

Pelagius (ca. 400).

Voetnoot 156

Augustinus, De gratia Christi et de peccato originali contra Pelagiumet Coelestinum, 39.

Voetnoot 157

Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum III, 8.

Voetnoot 158

Petrus Lombardus (†1160), scholastisch theoloog in Parijs.

Voetnoot 159

Petrus Lombardus, Sententiae II, 31.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.