Boek I · Hoofdstuk 18

God en het kwaad

Inhoud van dit hoofdstuk · 4 secties
  1. 1God laat het kwaad niet alleen maar toe, maar doet het zelf
  2. 2God werkt in het hart van uitverkorenen en verworpenen
  3. 3Gods verborgen wil en zijn geopenbaarde wil spreken elkaar niet tegen
  4. 4Gods gebod en Gods wil moeten niet met elkaar verward worden

God laat het kwaad niet alleen maar toe, maar doet het zelf

Op andere plaatsen in de Schrift wordt gezegd dat God Satan zelf en alle verworpenen naar eigen goeddunken buigt of trekt. Dat werpt een vraag op die lastiger te beantwoorden is. Want als God handelt door middel van Satan en alle verworpenen, raakt Hij toch niet besmet door hun misdaden. Als Hij samen met hen iets onderneemt, treft Hem toch geen enkele blaam. Hoe dat kan, is voor het menselijk verstand nauwelijks te bevatten.

Vandaar dat men een onderscheid bedacht heeft tussen doen en toelaten. Want velen vinden het een onoplosbaar probleem als Satan en alle goddelozen onderworpen zijn aan Gods macht en gezag op een manier die zou inhouden dat God hun kwaad dirigeert naar welk doel Hij maar goed vindt en hun misdaden gebruikt om zijn oordelen uit te voeren. En misschien zou dat van sommigen nog te verontschuldigen zijn, omdat ze uit bescheidenheid terugschrikken voor iets wat absurd lijkt. Alleen, het is verkeerd van hen dat ze Gods rechtvaardigheid door middel van een leugen van elke blaam willen zuiveren.

Het lijkt absurd dat een mens verblind wordt omdat God dat wil en het beveelt en dat die mens vervolgens voor zijn blindheid gestraft wordt. Dus wringen ze zich in allerlei bochten en komen dan met de uitvlucht dat dit alleen gebeurt omdat God het toelaat, niet omdat Hij het ook wil. Maar God spreekt zelf openlijk uit dat Hij het doet. Zo snijdt Hij deze uitvlucht af.

Er zijn echter in de Schrift talloze duidelijke bewijzen dat mensen niets kunnen beginnen buiten de verborgen wil van God om. Ze kunnen geen enkel plan uitvoeren waar God niet zelf al toe besloten heeft en dat Hij niet zelf door zijn verborgen leiding vastgesteld heeft. Ik heb hiervóór uit Psalm 115 aangehaald dat God alles doet wat Hem behaagt. Psalm 115:3 Dat slaat vast en zeker op alles wat mensen doen. Daar wordt gezegd dat God echt degene is die oorlog en vrede beschikt en dat zonder enige uitzondering. Wie zal dan durven beweren dat mensen zomaar worden voortgedreven door een blinde beweging, zonder dat God het weet of zich ermee bemoeit?

Maar specifieke voorbeelden kunnen hier meer licht op werpen. Uit Job 1 weten we dat Satan voor God gaat staan om zijn bevelen te krijgen. Job 1:6 Hij doet dat net zo goed als de engelen, die vrijwillig gehoorzamen, maar wel op een andere manier en met een andere bedoeling. Toch is het duidelijk dat hij niets kan beginnen zonder dat God het wil. Er lijkt dan alleen maar gezegd te worden dat God toelaat dat Satan de heilige man aanpakt. Maar Job zegt: ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen. Zoals het de HEER behaagd heeft, zo is het gebeurd.’ Job 1:21 Als deze woorden waar zijn, dan kunnen we daaruit concluderen dat Satan en de misdadige rovers bij deze test slechts dienaren geweest zijn, maar dat God die bewerkt heeft. Satan doet zijn best om de heilige man tot wanhoop en razernij te brengen. De Sabeeërs plegen een overval om andermans bezittingen te roven. Maar Job erkent dat hij door God beroofd is van al zijn rijkdommen en dat hij arm geworden is omdat God dat wilde. Dus wat mensen ook doen, of Satan zelf, God houdt toch het roer in handen. Hij draait hun pogingen zo dat ze zijn oordelen uitvoeren.

God wil dat de ontrouwe koning Achab bedrogen wordt. De duivel biedt daarvoor zijn diensten aan. Hij wordt gezonden met een vastomlijnde opdracht: hij moet een leugengeest zijn in de mond van alle profeten. 1 Koningen 22:20-23 Als het Gods oordeel is dat Achab verblind wordt en zijn verstand verliest, dan blijft er niets over van het verzinsel dat God het kwaad alleen maar toelaat. Want het zou belachelijk zijn als een rechter alleen maar toelaat wat hij wil dat er gebeurt en niet ook het besluit neemt en zijn dienaren opdracht geeft om het uit te voeren.

De Joden hebben zich voorgenomen om Christus om te brengen. Pilatus en zijn soldaten geven hun in hun dolle drift hun zin. En toch erkennen Christus’ leerlingen in een plechtig gebed dat al die goddelozen alleen maar gedaan hebben wat God in zijn plan besloten had dat Hij zou doen. Handelingen 4:28 Petrus had eerder al hetzelfde gepredikt: Christus was volgens het vastgestelde plan en de voorkennis van God overgeleverd om gedood te worden. Handelingen 2:23 Alsof hij zei dat voor God vanaf het begin niets verborgen was en dat Hij willens en wetens vastgesteld had wat de Joden hebben uitgevoerd. Dat herhaalt hij ook ergens anders: ‘God heeft via al zijn profeten van tevoren aangekondigd dat de Christus zou lijden en zo heeft Hij het vervuld.’ Handelingen 3:18

Absalom pleegt incest, een afschuwelijke schanddaad waarmee hij het bed van zijn vader besmeurt. 2 Samuël 16:22 Maar toch verklaart God dat dit zijn werk is. Want Hij heeft het volgende gezegd: ‘Jij hebt het in het geheim gedaan, maar ik zal het openlijk doen, in het volle licht.’ 2 Samuël 12:12

Jeremia verklaart dat al de wreedheid die de Chaldeeën in Juda begaan, Gods werk is. Jeremia 50:25 Daarom noemt hij

Nebukadnezar Gods dienaar. Jeremia 25:9 Op verschillende plaatsen in de Schrift roept God uit dat goddelozen tot oorlog worden aangezet door zijn gefluit, Jesaja 5:26; 7:18 door de klank van zijn bazuin Hosea 8:1 en door zijn gezag en bevel. De Assyriër noemt Hij de roede van zijn woede en de bijl waar zijn hand mee zwaait. Jesaja 10:5 De val van de heilige stad en de verwoesting van de tempel noemt Hij zijn werk.

David gaat niet tegen God tekeer, maar erkent dat Hij een rechtvaardige rechter is. Toch erkent hij ook dat de vervloekingen van Simeï voortkomen uit Gods bevel. 2 Samuël 16:10 Hij zegt: ‘De HEER heeft hem opgedragen om mij te vervloeken.’

Meerdere keren komen we in de heilige geschiedenis tegen dat alles wat er gebeurt bij God vandaan komt. Bijvoorbeeld de afscheiding van de tien stammen, de dood van de zonen van Eli en nog veel meer van zulke dingen. Wie een beetje thuis is in de Schrift, ziet wel dat ik uit vele voorbeelden er maar enkele aanhaal. Ik wil het beknopt houden. Maar uit deze paar voorbeelden blijkt toch duidelijk genoeg dat het dwaas geklets is als je het idee dat God het kwaad alleen maar toelaat de plaats laat innemen van Gods voorzienigheid. Alsof Hij op een uitkijkpost de toevallige afloop zit af te wachten. Dan zouden mensen het laatste woord hebben over zijn oordelen.

God werkt in het hart van uitverkorenen en verworpenen

Over verborgen gemoedsbewegingen zegt Salomo dat het hart van de koning hierheen en daarheen gebogen wordt, net zoals God het goed vindt. Spreuken 21:1 Ongetwijfeld geldt dat voor heel het menselijk geslacht. Het betekent dus hetzelfde als wanneer hij gezegd had dat elk plan dat ons in gedachten komt door een verborgen inspiratie van God gedirigeerd wordt naar zijn doel. Als God niet binnen in het hart van mensen zou werken, zou het vast en zeker onjuist zijn om te zeggen dat Hij oprechten hun lippen ontneemt en ouderen hun wijsheid, Ezechiël 7:26; Jesaja 29:14 dat Hij vorsten hun hart ontneemt, zodat ze gaan dwalen waar geen weg is. Job 12:24; Psalm 107:40 Hierop slaat ook – wat je vaak leest – dat mensen bang zijn omdat hun hart door schrik overmand is. Leviticus 26:36 Zo is David uit Sauls legerplaats vertrokken zonder dat iemand het merkte, omdat God hen diep in slaap had laten vallen. 1 Samuël 26:12

Maar het laat niets aan duidelijkheid te wensen over dat God zo vaak zegt dat Hij mensen verblindt, dat Hij hen laat overvallen door duizeligheid, Deuteronomium 28:28 dat Hij hen dronken maakt van de slaap, Romeinen 11:8; Jesaja 29:10 dat Hij hen hun verstand laat verliezen Romeinen 1:28 en hun hart verhardt. Exodus 14:17 Velen schuiven zelfs dit aan de kant en beweren dat God het alleen maar toelaat. Alsof God de verworpenen zou verlaten en zou toestaan dat Satan hen verblindt. Maar de Heilige Geest zegt uitdrukkelijk dat Gods rechtvaardig oordeel hen slaat met verblinding en verstandsverbijstering. Daarom is deze oplossing volslagen waardeloos.

De Schrift zegt dat God het hart van de farao verhardde en ook dat Hij het onvermurwbaar maakte en verstokte. Exodus 9:12; 10:1; 10:20 Sommigen steken op een flauwe manier de draak met deze manier van spreken. Want ergens anders wordt gezegd dat de farao zelf zijn hart onvermurwbaar maakte. Exodus 8:15 (8:11) Daar wordt dus als oorzaak van zijn verharding gegeven dat hij dat zelf wilde. Alsof deze twee dingen niet uitstekend met elkaar in overeenstemming zijn: als een mens door God in beweging gezet wordt, brengt hij tegelijk ook zichzelf in beweging. God en de mens doen het alleen wel elk op een andere manier. Maar wat deze mensen tegen mij inbrengen, keer ik om tegen hen. Want als ‘verharden’ alleen maar een synoniem is voor ‘toelaten’, dan ligt het initiatief voor de koppigheid van de farao dus ook niet bij de farao zelf. Maar wat een zwakke en dwaze uitleg zou dat zijn! Alsof de farao zijn verharding alleen maar passief ondergaan heeft!

Bovendien snijdt de Schrift elk aanknopingspunt voor zulk gespot af. ‘Ik zal zijn hart in mijn macht houden,’ zegt God over de farao. Exodus 4:21 Zo zegt Mozes ook over de inwoners van het land Kanaän dat zij de strijd aangingen omdat God hun hart verhard had. Jozua 11:20 En dat wordt door een andere profeet herhaald: ‘Hij keerde hun hart om, zodat zij zijn volk haatten.’ Psalm 105:25

Op dezelfde manier zegt God bij Jesaja dat Hij de Assyriërs zal afsturen op het huichelachtige volk. Hij zal hun bevel geven om te roven en te plunderen. Dat doen ze niet omdat God goddeloze en verharde mensen leert om Hem vrijwillig te gehoorzamen. Ze doen dat omdat Hij hen buigt zodat ze zijn oordelen uitvoeren, net alsof ze zijn geboden in hun ziel gegrift hadden staan. Jesaja

10:6-7 En daaruit blijkt dat ze ertoe gedreven worden omdat God hen daartoe vast bestemd heeft.

Ik geef wel toe dat God vaak door tussenkomst van de dienst van Satan in verworpenen werkt. Maar dan wel zo dat Satan zelf zijn werk uitvoert omdat God hem ertoe aanzet. En hij kan niet verder gaan dan wat God hem laat doen. Een slechte geest kwelt Saul, maar er wordt gezegd dat die bij God vandaan komt. 1 Samuël 16:14 Dat wordt gezegd om ons te laten weten dat Sauls waanzin het resultaat is van een rechtvaardige straf van God.

Van dezelfde Satan wordt ook gezegd dat hij de gedachten van ongelovigen verblindt. 2 Korinthiërs 4:4 Maar hoe komt dat anders dan doordat God zelf de dwaling effectief maakt, zodat zij die weigeren de waarheid te geloven, de leugen geloven? 2 Thessalonicenzen 2:11 In overeenstemming met de eerste redenering wordt gezegd: ‘Als een profeet leugens zal spreken, heb Ik, God, hem misleid.’ Ezechiël 14:9 Maar in overeenstemming met de andere redenering wordt gezegd dat God zelf de mensen overgeeft aan hun verdorven zinnen en hen in hun schandelijke begeerten werpt. Want Hij is de voornaamste bewerker van zijn rechtvaardige straf. Satan is alleen maar zijn dienaar.

Maar in boek 2 gaan we het hebben over de vrije of onvrije wil van de mens. Dan zal dit onderwerp opnieuw behandeld moeten worden. Daarom denk ik dat ik, voor wat op dit moment nodig is, in het kort genoeg gezegd heb. Dit moet de kern zijn: als er wordt gezegd dat Gods wil de oorzaak van alles is, dan wordt bedoeld dat zijn voorzienigheid alle plannen en al het doen en laten van mensen bestuurt. Gods voorzienigheid laat zich dus niet alleen gelden in de uitverkorenen, die door de Heilige Geest geleid worden. Ook de verworpenen worden door Gods voorzienigheid tot gehoorzaamheid gedwongen.

Gods verborgen wil en zijn geopenbaarde wil spreken elkaar niet tegen

Tot nog toe heb ik alleen dingen genoemd die overduidelijk en ondubbelzinnig in de Schrift geleerd worden. Mijn tegenstanders deinzen er niet voor terug om deze hemelse uitspraken te brandmerken. Maar ze moeten zich maar eens afvragen hoe arrogant hun kritiek is. Ze doen alsof ze maar weinig weten, omdat ze geprezen willen worden om hun bescheidenheid. Maar dan vraag ik: kun je iets bedenken dat zo hoogmoedig is als ook maar één woordje inbrengen tegen Gods gezag en zeggen: ‘Volgens mij zit het anders,’ of: ‘Het bevalt me niet dat dit onderwerp aangesneden wordt.’ Maar als ze openlijk lasteren, wat winnen ze er dan bij als ze de hemel bespugen?

Dit is geen nieuw voorbeeld van brutaliteit. In alle tijden zijn er goddeloze mensen geweest die met hun mond als razenden tekeergingen tegen deze leer. Maar ze zullen daadwerkelijk ervaren dat het waar is wat de Geest ooit heeft uitgesproken via de mond van David: als God aan een oordeel onderworpen wordt, wint Hij. Psalm 51:6 Indirect berispt David de mensen om hun dwaasheid, dat ze zo tomeloos onbeschaamd zijn. Vanuit het slijk doen ze niet alleen God een proces aan, maar ze eigenen zich ook het recht toe om Hem te veroordelen. Ondertussen waarschuwt David hen in het kort dat de godslasteringen die ze tegen de hemel uitkramen, niet tot God doordringen zonder dat Hij hun mist van laster verdrijft en zijn rechtvaardigheid laat schitteren. Ook wij minachten die mist vanuit de hoogte van ons geloof. Dat geloof overwint de hele wereld, omdat het gebaseerd is op Gods heilige Woord. 1 Johannes 5:4 Hun eerste bezwaar is: als er niets gebeurt dat God niet wil, dan heeft Hij twee tegenstrijdige willen. Want in zijn verborgen plan wil Hij iets dat Hij in zijn wet openlijk verboden heeft. Maar dit bezwaar kan gemakkelijk weerlegd worden.

Echter, voor ik erop antwoord, wil ik mijn lezers er nogmaals aan herinneren dat deze laster niet mij als mikpunt heeft, maar de Heilige Geest. Want ongetwijfeld heeft de Heilige Geest de heilige man Job deze woorden in de mond gelegd: ‘Zoals het God behaagd heeft, zo is het gebeurd.’ Job 1:21 Toen hij door rovers geplunderd was, erkende Job in hun onrechtvaardige misdaad de rechtvaardige roede van God.

Wat zegt de Schrift in andere passages? De zonen van Eli gehoorzaamden hun vader niet, want God wilde hen doden. 1 Samuël 2:25 Ook een andere profeet roept uit dat God die in de hemel woont alles doet wat Hij maar wil. Psalm 115:3 En ik heb al duidelijk genoeg aangetoond dat God genoemd wordt als degene die alles bewerkt waarvan die bemoeials willen dat Hij het alleen maar passief toelaat. Hij verklaart dat Hij het licht en het donker schept en vrede en onheil maakt. Jesaja 45:7 Hij verklaart dat er niets slechts gebeurt zonder dat Hij het gedaan heeft. Amos 3:6

Ik smeek hen: ze moeten maar eens zeggen of God zijn oordelen uitvoert omdat Hij dat wil, of zonder dat Hij dat wil. Maar Mozes leert dat als iemand toevallig gedood wordt door een vallende bijl, God hem heeft overgegeven in handen van een moordenaar. Deuteronomium 19:5; Exodus 21:13 Op dezelfde manier zegt bij Lucas heel de kerk dat Herodes en Pilatus samengespannen hadden om te doen wat God in zijn plan besloten had te doen. Handelingen 4:28 En inderdaad, als Christus niet gekruisigd was omdat God dat wilde, waar zou onze verlossing dan vandaan komen?

Maar dat betekent nog niet dat God met zichzelf in strijd is. Gods wil wordt niet veranderd. God doet niet alsof Hij iets niet wil, terwijl Hij het wel wil. Zijn wil is één en enkelvoudig. Maar voor ons lijkt het alsof zijn wil meervoudig is. Want ons verstand is beperkt en wij begrijpen niet hoe Hij van een en hetzelfde op verschillende manieren wel en niet wil dat het gebeurt.

Paulus zegt dat de roeping van de heidenen een diep mysterie is. Even later voegt hij daaraan toe dat in die roeping de ‘rijk geschakeerde’ wijsheid van God geopenbaard is. Efeziërs 3:1-11 Omdat ons verstand zo afgestompt is dat Gods wijsheid voor ons meervoudig lijkt – of ‘veelvormig’, zoals in het verleden iemand het vertaald heeft – moeten we dan maar fantaseren dat God zelf veranderlijk is? Alsof Hij zijn plan zou veranderen of het met zichzelf oneens zou zijn? Wij begrijpen niet dat God wil dat er iets gebeurt dat Hij verboden heeft om te doen. Maar dan moeten we ons herinneren dat we zwak zijn. En dan moeten we ook bedenken dat Hij woont in het licht en dat dat licht niet voor niets ontoegankelijk genoemd wordt. 1 Timotheüs 6:16 Want het is gehuld in duisternis.

Alle vrome en bescheiden mensen zullen daarom gemakkelijk genoegen nemen met deze woorden van Augustinus: ‘Soms wil een mens met een goede wil iets dat God niet wil. Bijvoorbeeld als een goede zoon wil dat zijn vader in leven blijft, terwijl God wil dat hij sterft. Aan de andere kant kan het gebeuren dat een mens met een slechte wil hetzelfde wil als wat God met een goede wil wil. Bijvoorbeeld als een slechte zoon wil dat zijn vader sterft en God ook wil dat hij sterft. De eerste zoon wil dus iets wat God niet wil, maar de tweede zoon wil wat God ook wil. Toch is de vroomheid van de eerste zoon meer in overeenstemming met Gods goede wil dan de goddeloosheid van de tweede zoon. Ook al wil de tweede zoon hetzelfde als God. Zo groot is het verschil tussen wat voor een mens gepast is om te willen en wat voor God gepast is om te willen. En voor de vraag of zijn wil goed- of afgekeurd moet worden, maakt het veel uit op welk doel ieders wil gericht is. Want God gebruikt het slechte willen van slechte mensen voor het goede dat Hij wil.’

Echter, kort daarvoor had Augustinus gezegd dat de opstandige engelen en alle verworpen mensen door hun verraad vanuit hun perspectief gezien gedaan hebben wat God niet wilde. Maar gezien vanuit het perspectief van Gods almacht konden ze helemaal niet doen wat God niet wilde. Want terwijl zij deden wat tegen Gods wil inging, werd met hen gedaan wat God wilde.

En daarom roept Augustinus uit: ‘De dingen die God doet zijn groot en uitstekend geschikt om alles te volbrengen wat Hij wil! Psalm 111:2 Op een wonderlijke en onuitsprekelijke manier gebeurt er niets buiten zijn wil om, zelfs niet als het tegen zijn wil ingaat. Want het zou niet gebeuren als Hij het niet liet gebeuren.

En Hij laat niets gebeuren tegen zijn wil. Maar in zijn goedheid zou Hij niet willen dat het kwaad zou gebeuren en zou Hij het ook niet laten gebeuren, als Hij in zijn almacht niet zelfs uit het kwaad het goede kon laten voortkomen.’

Gods gebod en Gods wil moeten niet met elkaar verward worden

Op deze manier wordt ook het andere bezwaar uit de weg geruimd, ja het lost vanzelf op: als God niet alleen gebruik maakt van de dienst van goddelozen, maar ook hun plannen en begeerten gebruikt, dan zou Hij verantwoordelijk zijn voor alle misdaden. En dan zou het dus onterecht zijn dat de mensen veroordeeld worden als ze uitvoeren wat God besloten heeft. Want dan zouden ze gehoorzaam zijn aan zijn wil. Maar Gods wil en zijn gebod worden dan op een verkeerde manier met elkaar verward. Uit talloze voorbeelden blijkt dat dat twee heel verschillende dingen zijn.

Toen Absalom seksuele gemeenschap had met de vrouwen van zijn vader, 2 Samuël 16:22 wilde God door die schanddaad het overspel van David straffen. Maar daarom heeft Hij die doortrapte zoon nog niet geboden om incest te plegen. Hooguit misschien wat betreft David, zoals David zegt over de vervloekingen door Simeï. Want hij erkent dat Simeï hem vervloekt op bevel van God. 2 Samuël 16:10 Maar dan prijst hij Simeï niet om zijn gehoorzaamheid, alsof die brutale hond gehoorzaam was aan Gods bevel. Nee, hij laat zich geduldig tuchtigen, omdat hij in de tong van Simeï Gods gesel ziet.

Dit moeten we weten: als God door middel van goddelozen uitvoert wat Hij in zijn verborgen oordeel besloten heeft, zijn die goddelozen niet te verontschuldigen. Ze zijn niet gehoorzaam aan Gods gebod, maar schenden dat met opzet, omdat ze daar zin in hebben.

De verkiezing van koning Jerobeam is een heel goed voorbeeld van hoe wat de mensen verkeerd doen, bij God vandaan komt en door zijn verborgen voorzienigheid bestuurd wordt. In Jerobeams verkiezing wordt het volk streng gestraft om hun onbezonnen dwaasheid. Want ze hadden de door God ingestelde orde omvergeworpen. Uit ontrouw hadden ze verraad gepleegd aan het huis van David. 1 Koningen

12:16-20 En toch weten wij dat God wilde dat Jerobeam gezalfd werd. 1 Koningen 11:26-40

Er lijkt daarom ook een tegenstrijdigheid te zitten in de woorden van Hosea. Het ene moment klaagt God dat het koninkrijk van Jerobeam is gesticht zonder dat Hij het wist en zonder dat Hij het wilde. Hosea 8:4 Maar het volgende moment zegt Hij dat Hij Jerobeam gegeven heeft omdat Hij boos was. Hosea 13:11 Hoe valt dat met elkaar te rijmen, dat Jerobeam geregeerd heeft buiten God om en dat hij toch door God tot koning is aangesteld?

Nou, dat zit zo: het volk kon zich niet afscheiden van het huis van David zonder het juk dat God hen had opgelegd van zich af te schudden. Toch betekende dat niet dat God niet de vrijheid had om de ondankbaarheid van Salomo op die manier te bestraffen. We zien dus dat God geen ontrouw wil, maar toch op een rechtvaardige manier voor een ander doel het verraad wil. En daarom wordt tegen alle verwachting in door een heilige zalving de aanzet gegeven tot het koningschap van Jerobeam. Daarom vertelt de heilige geschiedenis dat God een vijand verwekte om de zoon van Salomo te beroven van een deel van het koninkrijk. 1 Koningen 12:15

Mijn lezers moeten beide aspecten dus zorgvuldig overwegen. God wilde dat het volk door één koning geregeerd werd. Dat het koninkrijk in twee delen uiteengescheurd werd, gebeurde dus tegen Gods wil. En toch ligt het initiatief voor die scheuring in diezelfde wil van God. Een profeet zette Jerobeam ertoe aan om te gaan hopen op het koningschap, door een woord te spreken en door het teken van zalving. Jerobeam zelf dacht niet aan zoiets. Het gebeurde dus ongetwijfeld niet zonder dat God het wist of het wilde. God had geboden dat het moest gebeuren. En toch is het terecht dat de opstand van het volk veroordeeld wordt. Want het was tegen Gods wil dat ze zich afscheidden van de nakomelingen van David.

Daarom wordt later ook gezegd dat Rehabeam door God het verzoek van het volk hoogmoedig naast zich neerlegde. Zo maakte God het woord waar dat Hij gesproken had door de dienst van zijn knecht Ahia. Je ziet dus hoe tegen Gods wil de heilige eenheid verbroken wordt en toch omdat Hij het wil de tien stammen vervreemd raken van de zoon van Salomo.

Een ander voorbeeld kan hier nog aan toegevoegd worden. Met instemming van het volk, ja zelfs met hun medewerking, worden de zonen van Achab vermoord. Heel zijn nageslacht wordt uitgeroeid. Jehu heeft gelijk als hij zegt dat geen van de woorden van God onvervuld blijft. God had alles gedaan wat Hij gezegd had door de dienst van zijn knecht Elia. En toch berispt Jehu niet voor niets de burgers van Samaria, omdat ze zich hiervoor geleend hadden. ‘Zijn jullie rechtvaardig?’ zegt hij. ‘Als ik een samenzwering beraamd heb tegen mijn heer, wie heeft dan al deze mannen vermoord?’ 2 Koningen 10:7-10

Ik heb, als ik me niet vergis, eerder al duidelijk uitgelegd hoe in een en dezelfde daad zowel de schuld van mensen als de rechtvaardigheid van God zichtbaar wordt. En mensen met een bescheiden inslag zullen altijd genoegen nemen met dit antwoord van Augustinus: ‘De Vader heeft de Zoon overgeleverd en Christus zijn lichaam en Judas de Heer. In deze overlevering is God rechtvaardig en de mens schuldig. Waarom is dat anders dan omdat ze wel hetzelfde gedaan hebben, maar niet dezelfde reden gehad hebben waarom ze dat gedaan hebben?’

Maar misschien hebben sommigen nog steeds moeite met wat ik nu zeg: dat God niet instemt met een mens als deze er door God op een rechtvaardige manier toe wordt aangezet om iets te doen dat hij niet mag doen. Laten ze dan bedenken dat dezelfde Augustinus ergens anders waarschuwt: ‘Wie zou niet sidderen bij deze oordelen? God werkt ook in de harten van slechte mensen wat Hij maar wil. En toch betaalt Hij hun wat ze verdienen.’

En wat betreft de ontrouw van Judas: je kunt de schuld voor de misdaad aan God toeschrijven, omdat Hij zelf ook wilde dat zijn

Zoon overgeleverd zou worden en Hem ook aan de dood heeft overgegeven. Maar dat is net zomin toegestaan als de eer voor onze verlossing aan Judas geven. Dezelfde schrijver waarschuwt daarom ergens anders terecht dat God bij zijn onderzoek hiernaar niet vraagt wat mensen hebben kunnen doen of wat ze gedaan hebben. Hij vraagt wat ze wilden. Hij brengt hun plan en hun wil in rekening.

Wie dit wrang vinden, moeten maar eens bedenken hoe acceptabel hun eigenzinnigheid eigenlijk is. Iets dat zo duidelijk uit de Schrift bewezen is, wijzen ze af omdat het hun begrip te boven gaat. En ze vinden het verkeerd dat er dingen naar voren gebracht worden die God nooit door zijn profeten en apostelen had laten onderwijzen als Hij niet geweten had dat het voor ons goed was om die dingen te weten. Want onze wijsheid moet niet meer zijn dan een nederige en leergierige acceptatie van alles wat in de Schriften geleerd wordt, zonder uitzondering. Maar wie zich daar brutaal tegen verzetten, zijn het niet waard dat we hun opvattingen nog verder weerleggen. Want het staat nu wel voldoende vast dat ze tegen God in blaten.

Voetnoten

  1. 149

    Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 24,101.

  2. 150

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 111.

  3. 151

    Augustinus, Epistulae, 93,2.

  4. 152

    Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum, 21,42.

Voetnoot 149

Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 24,101.

Voetnoot 150

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 111.

Voetnoot 151

Augustinus, Epistulae, 93,2.

Voetnoot 152

Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum, 21,42.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.