Boek II · Hoofdstuk 12
Christus moest mens worden
Inhoud van dit hoofdstuk · 7 secties
- 1Alleen iemand die tegelijk God en mens was, kon tussenpersoon zijn tussen God en mens
- 2Omdat Christus zowel God als mens was, kon Hij ons kinderen van God maken
- 3Omdat Christus zowel God als mens was, kon Hij onze schuld betalen
- 4Christus is alleen mens geworden om ons te redden
- 5Christus zou geen mens geworden zijn als Adam niet gezondigd had
- 6De dwaling van Osiander
- 7De dwaling van Osiander punt voor punt weerlegd
Alleen iemand die tegelijk God en mens was, kon tussenpersoon zijn tussen God en mens
Verder was het voor ons heel belangrijk dat degene die onze middelaar zou zijn echt God en echt mens was. Als iemand vraagt of dat echt niet anders kon: het was niet logisch – zoals men dat noemt – of absoluut noodzakelijk. Maar het kon niet anders als gevolg van een hemels besluit waar de redding van de mensen van afhing. Bovendien was wat de genadige Vader bepaalde voor ons het beste. Want onze zonden hingen als een wolk tussen ons en Hem. Ze hadden ons totaal van het koninkrijk van de hemel vervreemd. Jesaja 59:2 Daarom kon niemand tussenpersoon zijn om de vrede te herstellen, behalve wie tot God kon doordringen. Maar wie zou tot God kunnen doordringen? Een van de kinderen van Adam? Maar net als hun voorvader durven ze God geen van allen onder ogen te komen. Genesis 3:8 Een van de engelen? Maar die hadden zelf immers ook een hoofd nodig als schakel om vast en onlosmakelijk met God verbonden te zijn. Kolossenzen 2:10
Wat dan? Inderdaad zou het er hopeloos voorstaan als Gods majesteit niet naar ons afdaalde. Want wij waren niet in staat om naar Hem op te klimmen. Daarom moest de Zoon van God voor ons een Immanuel worden – ‘God bij ons.’ Jesaja 7:14; Mattheüs 1:23 En dan zo dat zijn goddelijke en zijn menselijke natuur zich wederzijds met elkaar zouden verbinden en zouden samengroeien. Anders zou Hij nog niet dicht genoeg bij ons zijn en zou zijn verwantschap nog niet hecht genoeg zijn. Dan zouden we er nog niet op kunnen hopen dat God bij ons woonde. Zo groot was het verschil tussen onze smerigheid en Gods volmaakte reinheid. Zelfs al zou de mens van elke smet vrij zijn gebleven en zelfs al zou hij overeind zijn blijven staan, dan nog zou hij zo laag gestaan hebben dat hij niet zonder middelaar tot God zou hebben kunnen doordringen. Hoe zou hij dat dan kunnen nu hij door zijn dodelijke val gezonken was in de dood en in de hel, nu hij met zoveel vlekken besmeurd was en stonk van slechtheid, kortom, nu hij met allerlei vloeken overladen was?
Daarom noemt Paulus, als hij Christus als middelaar wil presenteren, ook uitdrukkelijk dat Hij een mens is. Hij zegt: ‘Er is één middelaar tussen God en mensen: de mens Jezus Christus.’ 1 Timotheüs 2:5 Hij had Hem ook God kunnen noemen. Of in elk geval had Hij zowel de aanduiding ‘mens’ als de aanduiding ‘God’ kunnen weglaten. Maar de Geest, die via zijn mond sprak, kende onze zwakheid. Om daar op het juiste moment aan tegemoet te komen, heeft Hij een heel geschikt middel gebruikt: Hij heeft de Zoon van God als één van ons als een vriend in ons midden geplaatst. Niemand moet zich dus kwellen met de vraag waar je die middelaar moet zoeken of hoe je bij Hem kunt komen. De Geest noemt Hem een mens. Zo wijst Hij ons erop dat Hij vlak bij ons is. Hij is aan ons verwant, want Hij is ons eigen vlees. Dat betekent vast en zeker hetzelfde als wat ergens anders met meer woorden wordt uitgelegd: we hebben geen hogepriester die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden. Want Hij is in alle dingen uitgetest net als wij. Alleen heeft Hij niet gezondigd. Hebreeën 4:15
Omdat Christus zowel God als mens was, kon Hij ons kinderen van God maken
Dit wordt nog duidelijker als we nagaan hoe ongewoon het werk was dat de middelaar moest uitvoeren: Hij moest ons herstellen in Gods genade. Zo moest Hij ons in plaats van mensenkinderen, kinderen van God maken en in plaats van erfgenamen van de hel, erfgenamen van het hemelse koninkrijk. Wie had dat gekund, als Gods Zoon niet tegelijk ook een mensenzoon was geworden en door aan te nemen wat van ons was, aan ons gaf wat van Hem was en wat van nature van Hem was uit genade iets van onszelf maakte?
Op basis van deze waarborg vertrouwen we erop dat we kinderen van God zijn. Want de natuurlijke Zoon van God heeft net zo’n lichaam aangenomen als wij, hetzelfde vlees als wij, hetzelfde gebeente als wij. Efeziërs 5:29-31; Genesis 2:23-24 Daarom was Hij aan ons gelijk. Hij vond het niet erg om op zich te nemen wat eigen was aan ons, zodat wat omgekeerd eigen was aan Hemzelf ook voor ons zou gelden. Zo was Hij samen met ons zowel Gods zoon als mensenzoon. Vandaar die heilige verwantschap als Hij ons met zijn eigen mond zijn broers noemt: ‘Ik vaar op naar mijn Vader en jullie Vader, naar mijn God en jullie God.’ Johannes 20:17 Dus kunnen wij zeker zijn van de erfenis van het hemelse koninkrijk, omdat de enige Zoon van God ons als zijn broers heeft aangenomen. De erfenis was volledig zijn eigendom, maar als wij zijn broers zijn, dan zijn we dus ook mede-erfgenamen. Romeinen 8:17
Daarom was het ook vooral om deze reden goed dat degene die onze verlosser zou zijn, echt God en echt mens was. Hij moest de dood verslinden. Wie zou dat gekund hebben, behalve Hij die het leven is? Hij moest de zonde overwinnen. Wie zou dat gekund hebben, behalve Hij die de rechtvaardigheid zelf is? Hij moest de machten van de wereld en de lucht vernietigen. Wie zou dat gekund hebben, behalve Hij die de kracht is die boven wereld en lucht uitsteekt? Bovendien, bij wie zijn leven, rechtvaardigheid of het gezag en de macht van de hemel anders dan bij God alleen? Dus heeft de barmhartige God, toen Hij wilde dat wij verlost zouden worden, in de persoon van de eniggeborene zichzelf aangesteld als onze verlosser.
Omdat Christus zowel God als mens was, kon Hij onze schuld betalen
Het andere kernpunt van onze verzoening met God was dat de mens, die zichzelf bedorven had door zijn ongehoorzaamheid, dat moest herstellen door in plaats daarvan gehoorzaam te zijn, Gods vonnis moest voldoen en de straf voor de zonde moest betalen. Daarom is onze Heer verschenen als echt mens. Hij heeft de persoon en de naam van Adam aangenomen om in diens plaats de Vader gehoorzaam te zijn, om ons vlees aan te bieden als losprijs voor het rechtvaardige vonnis van God en om in dat vlees de straf te betalen die wij verdiend hadden.
Kortom, als Hij alleen God was, had Hij de dood niet kunnen ondergaan. Als Hij alleen mens was, had Hij de dood niet kunnen overwinnen. Daarom heeft Hij de menselijke en de goddelijke natuur met elkaar verenigd. Zo onderwierp Hij de zwakheid van de ene natuur aan de dood en bond Hij met de kracht van de andere natuur de strijd aan met de dood, om onze zonden te verzoenen en voor ons de overwinning te behalen.
Als je Christus zijn God zijn of zijn mens zijn afneemt, doe je dus zijn majesteit en glorie tekort of verduister je zijn goedheid. Maar aan de andere kant ben je niet minder onrechtvaardig tegenover de mensen. Want je brengt hun geloof aan het wankelen en je laat het ten val komen. Want dat geloof kan alleen overeind blijven als het op dit fundament rust.
Daar komt bij dat de verwachte verlosser de zoon was van Abraham en David, die God in de wet en de profeten beloofd had. Dat levert mensen met een vroom hart nog een tweede vrucht op: als ze naar zijn afkomst kijken, komen ze uit bij David en Abraham. En zo kunnen ze met nog meer zekerheid erkennen dat Hij de Christus is die in al die goddelijke uitspraken aangekondigd was.
Maar we moeten vooral beseffen wat ik zojuist heb uitgelegd: dat wij onze natuur delen met de Zoon van God, is voor ons een waarborg dat we één geworden zijn met Hem. Dat Hij de dood en de zonde overwonnen heeft gekleed in ons vlees, zodat het onze overwinning en onze zege zou zijn. Dat Hij het vlees dat Hij van ons gekregen heeft, geofferd heeft om verzoening te doen en zo onze schuld uit te wissen en Gods rechtvaardige woede te stoppen.
Christus is alleen mens geworden om ons te redden
Dit alles moeten we ijverig overdenken. Wie dat doet, zal gemakkelijk de vluchtige speculaties aan de kant schuiven waar oppervlakkige mensen die graag iets nieuws horen zich zo gemakkelijk door laten meeslepen. Bijvoorbeeld het idee dat Christus toch mens geworden zou zijn, zelfs als er geen middel nodig was geweest om het menselijk geslacht te verlossen.
Ik geef toe dat Christus in de oorspronkelijke scheppingsorde en in de ongeschonden toestand van de natuur het hoofd was van de engelen en van de mensen. Daarom noemt Paulus Hem de eerstgeborene van heel de schepping. Kolossenzen 1:15 Maar heel de Schrift roept dat Hij ons vlees aangetrokken heeft om ons te verlossen. Daarom ben je wel heel onbezonnen bezig als je daar een andere reden of bedoeling voor bedenkt.
Het is bekend genoeg waarom Christus vanaf het begin het hoofd geweest is: om de gevallen wereld te vernieuwen en de verloren mensen te hulp te komen. Daarom werd er in de wet een afbeelding van Hem gegeven in de offers. Dat moest de gelovigen de hoop geven dat God hun genadig zou zijn als Hij eenmaal verzoend was door het uitwissen van de zonden. De middelaar is echt nooit, in welke tijd ook, beloofd zonder bloedvergieten, zelfs niet toen de wet nog niet gegeven was. Daaruit concludeer ik dat Hij in Gods eeuwige plan bestemd was om de onreinheid van de mensen af te wassen. Want bloedvergieten is het teken van verzoening.
Daarom hebben de profeten, als ze over Hem predikten, beloofd dat Hij God en de mensen met elkaar zou verzoenen. Uit al die profetieën zal dit ene beroemde getuigenis van Jesaja voldoende zijn: Jesaja voorzegt dat Christus door Gods hand geslagen zou worden om de misdaden van het volk, dat Hij de straf zou dragen die ons vrede brengt en dat Hij de priester zou zijn die zichzelf zou offeren, dat door zijn slagen anderen genezen zouden worden en dat God Hem heeft willen kwetsen zodat Hij ieders zonden zou dragen. Want allen dwaalden en waren als schapen verstrooid. Jesaja 53:4-6; Hebreeën 9:12 We horen dus dat Christus door God speciaal wordt aangewezen om ongelukkige zondaren te hulp te komen. Ieder die deze grens overschrijdt, geeft daarom te veel toe aan domme nieuwsgierigheid.
Bovendien, toen Hij zelf verschenen was, heeft Hij verklaard dat Hij gekomen was om God te verzoenen en ons van de dood naar het leven te brengen. Hetzelfde hebben de apostelen over Hem getuigd. Johannes bijvoorbeeld vertelt nog voordat Hij leert dat het Woord vlees geworden is, over het verraad van de mens. Johannes 1:10-11 Maar we moeten vooral luisteren naar hoe Hij zelf over zijn taak spreekt. Hij zegt: ‘God heeft de wereld zo liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leeft.’ Johannes 3:16 En: ‘Er komt een tijd dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen. En wie die stem gehoord hebben, zullen leven.’ Johannes 5:25 ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven.’ Johannes 11:25 En: ‘De mensenzoon is gekomen om te redden wat verloren was.’ Mattheüs 18:11 En: ‘Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig.’ Mattheüs 9:12
Als ik alles zou willen citeren, zou er geen eind aan komen. De apostelen roepen ons eensgezind naar deze bron. En als Christus niet gekomen was om God te verzoenen, zou de eer van het priesterschap vast en zeker wegvallen. Want een priester staat tussen God en mensen in om te smeken om genade. Hebreeën 5:1 Christus zou dan niet onze rechtvaardigheid zijn. Want Hij is voor ons een slachtoffer geworden om te voorkomen dat God ons onze zonden zou aanrekenen. 2 Korinthiërs 5:19 Kortom, dan zou Hij alle titels kwijtraken waar de Schrift Hem mee tooit.
Ook zou dan dit woord van Paulus wegvallen: wat voor de wet onmogelijk was, heeft God gedaan door zijn Zoon te zenden. Hij werd gelijk aan het zondige vlees om voor ons de schuld te voldoen. Romeinen 8:3-4 Ook zou dan niet overeind blijven wat hij ergens anders leert: Gods goedheid en zijn onmetelijke liefde voor de mensen worden zichtbaar in het feit dat Christus gegeven is als verlosser. Titus 2:11
Kortom, nergens wijst de Schrift een ander doel aan waarom de Zoon van God ons vlees wilde aannemen en waarom de Vader Hem dat bevel gegeven heeft, dan dat Hij zichzelf zou offeren om de Vader met ons te verzoenen. Zo staat het geschreven en zo moest de Christus lijden en zo moest er in zijn naam bekering gepredikt worden. Lucas 24:46-47 ‘De Vader heeft Mij lief omdat Ik mijn leven afleg voor de schapen. Dit gebod heb Ik van mijn Vader gekregen.’ Johannes 10:15-18 ‘Zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, zo moet de mensenzoon omhoog geheven worden.’ Johannes 3:14 Ergens anders: ‘Vader, verlos Mij uit dit moment! Maar hierom ben ik in dit moment gekomen: Vader, geef uw Zoon glorie!’ Johannes 12:27-28 Daar wijst Hij duidelijk aan met welk doel Hij het vlees heeft aangenomen: om een zoenoffer te worden om de zonden uit te wissen. Daarom getuigt Zacharias dat Hij, volgens de belofte die de aartsvaders hadden gekregen, gekomen is om licht te geven aan hen die in de schaduw van de dood zaten. Lucas 1:79
We moeten bedenken dat dit allemaal gezegd wordt over de Zoon van God, in wie alle schatten van kennis en wijsheid verborgen liggen, zoals Paulus ergens anders getuigt. Kolossenzen 2:3 En Paulus laat zich erop voorstaan dat Hij buiten Christus niets weet. 1 Korinthiërs 2:2
Christus zou geen mens geworden zijn als Adam niet gezondigd had
Stel dat iemand hiertegen inbrengt dat niets verhindert dat dezelfde Christus die veroordeelden verlost, door hun vlees aan te nemen ook zijn liefde had kunnen bewijzen aan mensen die onaangetast waren en geen redding nodig hebben. Dan kan ik kort antwoorden: de Geest zegt dat volgens Gods eeuwig besluit deze twee dingen onlosmakelijk verbonden zijn: Christus zou ons verlossen en Hij zou delen in onze natuur. Daarom is het niet toegestaan om verdere naspeuringen te doen. Want wie geprikkeld wordt door de begeerte om iets meer te weten en niet tevreden is met Gods onveranderlijke bepalingen, laat daarmee zien dat hij ook niet tevreden is met een Christus die ons gegeven is als losprijs om ons te redden.
En Paulus vertelt niet alleen waarom Christus gezonden is. Hij steekt ook af naar het diepe mysterie van de uitverkiezing. Zo houdt hij alle bandeloze gretigheid van het menselijk verstand uitstekend in toom. De Vader heeft ons vóór de schepping van de wereld in Christus uitverkoren om ons volgens het plan van zijn wil te adopteren als zijn kinderen. Hij heeft ons aangenomen in zijn geliefde Zoon, in wie wij de verlossing hebben door zijn bloed. Efeziërs 1:4-7 Paulus plaatst hier de val van Adam vast en zeker niet in tijd voorafgaand aan Gods plan. Hij laat hier zien wat God bepaald heeft vóór de tijden, toen Hij de ellende van het menselijk geslacht wilde genezen.
Maar stel dat mijn tegenstander mij weer tegenwerpt dat dit plan van God afhing van de val van de mens die God voorzag. Dan hoef ik er alleen maar op te wijzen dat al die mensen die zichzelf toestaan om over Christus meer uit te zoeken of die meer over Hem willen weten dan God in zijn verborgen besluit voorbestemd heeft, in hun goddeloze brutaliteit zover gaan dat ze een nieuwe Christus bedenken.
En nadat Paulus zo de speciale taak van Christus besproken heeft, bidt hij terecht voor de Efeziërs om de Geest van inzicht, zodat ze kunnen begrijpen wat de lengte, de hoogte, de breedte en de diepte is: de liefde van Christus die alle kennis te boven gaat. Efeziërs 3:14-19 Het is alsof Paulus doelbewust een hek om onze gedachten zet, om te voorkomen dat we ook maar een centimeter zouden afwijken van de genade van de verzoening, telkens als Christus genoemd wordt. En volgens het getuigenis van Paulus is het een betrouwbaar woord dat Christus gekomen is om zondaren te redden. 1 Timotheüs 1:15 Daarom rust ik graag op dat fundament. En dezelfde Paulus leert ergens anders dat de genade die nu door het evangelie geopenbaard is, ons voor alle eeuwen in Christus gegeven is. 2 Timotheüs 1:9 Daarom stel ik vast dat we op die basis tot het eind toe onwankelbaar moeten blijven staan.
Onterecht verzet Osiander zich tegen deze bescheidenheid. Vroeger is deze kwestie slechts door een enkeling oppervlakkig aangestipt, maar helaas heeft Osiander die in onze tijd weer opgerakeld. Wie ontkent dat de Zoon van God zou zijn verschenen in het vlees als Adam niet gevallen was, beschuldigt hij van overmoed. Want volgens hem is er geen enkel Schriftbewijs dat zijn verzinsel weerlegt. Alsof Paulus onze misplaatste nieuwsgierigheid niet in toom houdt als hij, nadat hij de verlossing door Christus behandeld heeft, meteen daarna beveelt deze dwaze vragen te ontwijken! Titus 3:9
Sommigen gingen in hun dwaasheid zelfs zover dat ze, in een mislukte poging om intelligent te lijken, de vraag gesteld hebben of de Zoon van God de natuur van een ezel had kunnen aannemen. Wat een monsterlijke gedachte! Terecht vinden alle vromen zoiets vreselijks afschuwelijk. Maar Osiander praat het goed omdat het nergens in de Schrift uitdrukkelijk wordt tegengesproken. Alsof Paulus zou toestaan dat een ezel onze redding bewerkt had! Paulus, die nergens waarde aan hecht dan aan het kennen van Christus, de gekruisigde! 1 Korinthiërs 2:2 Ergens verkondigt Paulus dat Christus door het eeuwige plan van de Vader als hoofd is aangesteld om alles bij elkaar te brengen. Hij zal dus nooit een ander erkennen, die niet de taak van de verlossing als opdracht gekregen heeft.
De dwaling van Osiander
Het principe waar Osiander van uitgaat, is compleet waardeloos. Hij wil beweren dat de mens geschapen is volgens Gods beeld omdat hij gevormd is volgens het voorbeeld van de Christus die zou komen. De Vader had al besloten dat Hij Hem met vlees zou bekleden en de mens zou op Hem lijken. En daaruit concludeert Osiander dat als Adam nooit zou zijn afgeweken van zijn eerste ongeschonden oorsprong, Christus toch mens zou zijn geworden. Ieder die beschikt over een gezond beoordelingsvermogen, snapt wat voor verwrongen geklets dat is. Ondertussen denkt hij dat hij als eerste beseft wat het beeld van God eigenlijk inhoudt: Gods glorie blinkt niet alleen in de geweldige gaven waar de mens mee getooid is. Nee, Gods wezen woont in de mens.
Ik echter, ik geef toe dat Adam beelddrager was van God, voor zover hij met God verbonden was. Dat is het werkelijke toppunt van volmaakte waardigheid. Maar toch blijf ik volhouden dat het lijken op God alleen gezocht moet worden in de kenmerken waarmee God Adam boven de andere levende wezens liet uitsteken. En iedereen erkent eensgezind dat Christus toen al het beeld van God was. En dat alle geweldige gaven die in Adam zelf gegraveerd waren, het gevolg waren van het feit dat hij via de eniggeboren Zoon de glorie van zijn schepper benaderde. De mens is dus geschapen volgens Gods beeld, omdat de schepper zelf in hem zijn glorie wilde laten zien, als in een spiegel. De mens is tot deze eervolle rang gestegen dankzij de eniggeboren Zoon.
Maar ik voeg hieraan toe dat de Zoon zelf het hoofd was van de engelen en de mensen samen. De waardigheid die de mens gekregen had, was dus ook van toepassing op de engelen. We horen immers dat zij zonen van God genoemd worden. Psalm 82:6 Daarom kunnen we moeilijk ontkennen dat zij iets gekregen hebben waardoor ze op de Vader lijken. Hij heeft gewild dat zijn glorie zowel in de engelen als in de mensen aanwezig was en in beide naturen te zien was. Dus is het dom geklets van Osiander als hij zegt dat de engelen toen achtergesteld waren bij de mensen, omdat zij niet de zichtbare vorm van Christus droegen. Immers, zij zouden niet het genot hebben dat ze God voortdurend echt kunnen zien als ze niet op Hem leken. En Paulus leert dat de mensen, als ze vernieuwd worden en weer op God gaan lijken, dat alleen doen doordat ze samengaan met de engelen. Ze worden samen verenigd onder één hoofd. Kolossenzen 3:10 Kortom, als we Christus geloven, zal dit het toppunt van ons geluk zijn: we worden opgenomen in de hemel om gelijk te zijn aan de engelen. Mattheüs 22:30 Osiander mag dan beweren dat Christus het belangrijkste voorbeeld geweest is van Gods beeld in de mens. Maar dan kun je evengoed beweren dat Christus ook had moeten delen in de natuur van de engelen. Want het beeld van God is ook van toepassing op hen.
De dwaling van Osiander punt voor punt weerlegd
Er is dus geen reden waarom Osiander zou moeten vrezen dat God misschien een leugenaar blijkt te zijn, als Hij niet eerst een vast en onveranderlijk besluit had genomen over de menswording van zijn Zoon. Want als Adam niet uit zijn volmaakte toestand gevallen was, zou hij samen met de engelen op God geleken hebben. En dan zou het niet nodig geweest zijn dat de Zoon van God een mens of een engel werd.
Ook is het helemaal niet nodig en zelfs absurd dat Osiander bang is dat Christus zijn voorrecht zou verliezen als niet vóór de schepping van de mens in Gods onveranderlijke plan vaststond dat Hij geboren zou worden, niet als verlosser, maar als de eerste mens. Volgens Osiander zou Hij dan alleen bij toeval geboren zijn, om het verloren menselijk geslacht weer overeind te helpen. En op basis daarvan beweert Osiander dat Christus dan geschapen zou zijn volgens het beeld van Adam.
Maar waarom siddert Osiander eigenlijk voor wat de Schrift zo duidelijk leert, dat Christus ons in alles aan ons gelijk werd, uitgezonderd de zonde? Hebreeën 4:15 Daarom aarzelt Lucas ook niet om Hem in zijn geslachtsregister een zoon van Adam te noemen. Lucas 3:38 Ik zou ook wel eens willen weten waarom Paulus Christus de tweede Adam noemt. 1 Korinthiërs 15:45-49 Waarom is dat anders, dan omdat het mens zijn van Christus bepaald was omdat Hij de nakomelingen van Adam uit hun val overeind zou helpen? Want als Christus vóór de schepping al mens had moeten worden, had Hij de eerste Adam genoemd moeten worden.
Osiander beweert ronduit dat Christus vooraf al in Gods geest bekend was als mens. En daarom zijn volgens hem de mensen gevormd volgens dit voorbeeld. Maar als Paulus Hem de tweede Adam noemt, plaatst hij tussen de eerste oorsprong van de mens en het herstel dat we door Christus krijgen, de zondeval. Door die val was het nodig om onze natuur te herstellen in haar oorspronkelijke toestand. En dat betekent dus dat het ook door de zondeval nodig was dat Gods Zoon geboren werd om mens te worden.
Ondertussen komt Osiander met een verkeerd en dom argument: zolang Adam in zijn ongeschonden toestand bleef, zou hij geen beeld van Christus geweest zijn, maar van zichzelf. Maar mijn antwoord daarop is: al zou Gods Zoon nooit gekomen zijn in het vlees, dan zou toch het beeld van God nog steeds geschitterd hebben in het lichaam en de ziel van Adam. En uit de lichtstralen van dat beeld bleek steeds dat Christus echt het hoofd is en dat Hij in alles de eerste en hoogste plaats heeft.
En daarmee wordt de waardeloze scherpzinnigheid weerlegd die Osiander laat blijken als hij zegt dat de engelen dat hoofd hadden moeten missen als God niet van plan geweest was om zijn Zoon te laten komen in het vlees, ook zonder dat Adam gezondigd had. Want veel te ondoordacht neemt hij aan dat het oppergezag over de engelen, waardoor de engelen het genot hebben dat Christus hun vorst is, Hem alleen toekomt als mens. Niemand met gezond verstand zal het daarmee eens zijn. Wel kun je gemakkelijk uit Paulus’ woorden opmaken dat Christus, als het eeuwige Woord van God, de eerstgeborene is van heel de schepping. Kolossenzen 1:15 Dat is Hij dus niet omdat Hij geschapen is of omdat Hij als een van de schepselen beschouwd moet worden. Hij is dat omdat Hij het beginpunt is van de volmaakte toestand van de wereld zoals die vanaf het begin geweest is, voorzien van de grootst mogelijke schoonheid. En verder is Hij als mens de eerstgeborene van heel de schepping omdat Hij als eerste van de doden is opgestaan. Want die twee dingen presenteert de apostel kort achter elkaar in dezelfde context: door de Zoon zijn alle dingen geschapen, zodat Hij over de engelen zou heersen. En Hij is mens geworden om hen te gaan verlossen. Kolossenzen 1:15-18
Osiander laat dezelfde onwetendheid zien als hij zegt dat de mensen Christus niet als koning gehad zouden hebben als Hij geen mens was geweest. Alsof Gods rijk niet had kunnen bestaan als de eeuwige Zoon van God de engelen en de mensen niet bij elkaar gebracht had om te delen in zijn hemelse glorie en in het leven en als Hij niet zelf hun hoofd was, zelfs al had Hij zelf geen menselijk vlees gedragen! Maar door dit valse uitgangspunt bedriegt en begoochelt Osiander zichzelf steeds: de kerk zou geen hoofd gehad hebben als Christus niet verschenen was in het vlees. Als de engelen Hem als hoofd hadden, had Hij dan niet ook de mensen door zijn goddelijke kracht kunnen regeren? Had Hij hen door de verborgen kracht van zijn Geest niet kunnen voeden en koesteren als zijn lichaam, totdat ze verzameld waren in de hemel en daar samen met de engelen genoten van hetzelfde leven?
De bezweringsformules die ik tot nu toe weerlegd heb, ziet Osiander als goed gefundeerde goddelijke uitspraken. Dronken van zijn eigen aantrekkelijke speculaties, galmt hij steeds maar weer belachelijke lofzangen uit over dingen die niets te betekenen hebben. Maar vervolgens zegt hij dat hij één bewijs heeft dat nog veel sterker is: de profetie van Adam toen hij bij het zien van zijn vrouw zei: ‘Eindelijk iemand met hetzelfde gebeente als ik en hetzelfde vlees als ik.’ Genesis 2:23-24 Maar hoe weet hij zo zeker dat dit een profetie is? Omdat Christus bij Mattheüs dezelfde woorden aan God toeschrijft. Alsof alles wat God via mensen gezegd heeft een profetie inhoudt! Dan mag Osiander wel in elk gebod een profetie gaan zoeken, want het staat vast dat die van God komen. Bovendien zou Christus dan onwetend en aards zijn. Want Hij gaat niet verder dan de letterlijke betekenis. Immers, Hij heeft het niet over de mystieke eenwording die Hij de kerk waard gekeurd heeft. Hij heeft het alleen over huwelijkstrouw. Hij leert dat God heeft afgekondigd dat man en vrouw samen één vlees worden, om te voorkomen dat iemand zou proberen die onlosmakelijke band kapot te maken. Mattheüs 19:4-6 Als dit Osiander te simpel is, moet hij Christus berispen omdat Hij zijn leerlingen niet bij dit mysterie gebracht heeft en de woorden van zijn Vader niet diepzinniger uitlegt.
En ook Paulus biedt geen steun aan zijn waanzin. Paulus zegt dat wij hetzelfde vlees hebben als Christus. En meteen daarop zegt hij dat dit een groot mysterie is. Efeziërs 5:30-32 Maar hij wilde daarmee niet vertellen wat Adam bedoelde toen hij dit zei. Hij wilde het huwelijk gebruiken als vorm om daarin de heilige verbintenis te presenteren die ons één maakt met Christus. Dat blijkt uit zijn woorden. Want als hij erop wijst dat hij dit toepast op Christus en de kerk, maakt hij bij wijze van correctie onderscheid tussen de norm van het huwelijk en de geestelijke verbintenis tussen Christus en de kerk. En dus blijft er van dit geklets van Osiander niets over.
Ik vind het niet nodig zulke kletspraatjes nog verder te bespreken. Ik heb er nu een paar heel kort weerlegd en daardoor kun je wel zien dat het allemaal maar loze praatjes zijn. Om Gods kinderen volledig tevreden te stellen, is deze bescheidenheid ruim voldoende: toen het moment daarvoor gekomen was, is de Zoon van God gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om degenen die onder de wet waren te verlossen. Galaten 4:4-5
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.