Boek II · Hoofdstuk 11
Het verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament
Inhoud van dit hoofdstuk · 14 secties
- 1Het eerste verschil: de aardse erfenis als beeld van de hemelse erfenis
- 2De aardse erfenis is een hulpmiddel om de gelovigen te richten op de hemelse erfenis
- 3God is niet veranderd, maar alleen de manier waarop Hij zijn verbond bekend maakt
- 4Het tweede verschil: rituelen als schaduwen van de werkelijkheid
- 5De Joden waren net kinderen die basisonderwijs kregen
- 6Zelfs de profeten wisten minder dan wij nu
- 7Het derde verschil: schriftelijk en geestelijk
- 8De tegenstelling die Paulus en Jeremia maken
- 9Het vierde verschil: slavernij en vrijheid
- 10Wet en evangelie
- 11Het vijfde verschil: Joden en heidenen
- 12De roeping van de heidenen
- 13God verandert niet, maar past alleen de vorm aan
- 14God heeft het volste recht om te doen wat Hij wil
Het eerste verschil: de aardse erfenis als beeld van de hemelse erfenis
‘Wat dan?’ zul je vragen. ‘Is er dan helemaal geen verschil meer tussen het Oude en het Nieuwe Testament? Wat moeten we dan aan met al die Schriftpassages waar beide Testamenten als heel verschillend tegenover elkaar gezet worden?’ Ik accepteer graag het verschil dat de Schrift noemt. Maar dan zo dat het niets afdoet aan de vastgestelde eenheid. Je kunt dat zien als ik het verschil systematisch behandeld heb.
Voor zover ik heb kunnen ontdekken en me kan herinneren, bestaan er vier belangrijke verschillen. Als je er nog een vijfde aan wilt toevoegen, verzet ik me daar absoluut niet tegen. Volgens mij – ik beloof dat ik dat zal aantonen – hebben deze verschilpunten vooral te maken met de manier van uitdelen en niet met het wezen. Daarom voorkomen die verschillen niet dat de beloften van het Oude en van het Nieuwe Testament dezelfde beloften blijven en dat ook de basis voor die beloften dezelfde blijft: Christus.
Het eerste verschil is dit: de Heer wilde weliswaar ook vroeger het hart van zijn volk richten op de hemelse erfenis. Hij wilde dat het volk in gedachten daarheen zou opklimmen. Toch maakte Hij die erfenis voor hen zichtbaar in aardse zegeningen, om bij het volk de hoop op die erfenis extra te voeden. Maar nu is de genade van het evangelie duidelijker geopenbaard. Daarom laat de Heer dat basisonderwijs nu achterwege. Nu richt Hij ons hart rechtstreeks op het overdenken van die genade.
Zij die dit plan van God niet opmerken, denken dat het oude volk niet verder gekomen is dan de goede gaven die hun beloofd werden voor lichamelijk voordeel. Zij horen dat het land Kanaän heel vaak genoemd wordt als een speciale en zelfs als de enige beloning voor wie zich aan Gods wet houdt. Ze horen dat verbanning uit dat land en verstrooiing over andere landen het ergste is waar de Heer degenen mee dreigt die zijn wet overtreden. Ze zien dat elke zegen en elke vloek die Mozes aankondigt uiteindelijk hierop neerkomt. Zonder ook maar een beetje te twijfelen concluderen ze daarom dat de Joden niet omwille van henzelf, maar omwille van anderen apart gezet zijn van de andere volken. Het Joodse volk moest een afbeelding vormen waarin de christelijke kerk bewijzen kon zien van geestelijke dingen.
Maar de Schrift laat meermalen zien dat God zelf met de aardse zegeningen die Hij aan de Joden gaf de bedoeling had om hen zo aan de hand te leiden, zodat ze zouden gaan hopen op de hemelse zegeningen. Als je met deze manier van uitdelen geen rekening houdt, laat je zien hoe onwetend – om niet te zeggen hoe stompzinnig – je bent.
De discussie met dit soort mensen draait om dit punt: zij leren dat de Israëlieten het bezit van het land Kanaän beschouwden als het toppunt van hun geluk. Voor hen was dat het hoogst haalbare. Maar voor ons, na de komst van Christus, is het een afbeelding van de hemelse erfenis. Maar ik beweer dat het aardse bezit waar de Israëlieten van genoten voor hen een spiegel was waarin ze hun toekomstige erfenis zagen. Ze geloofden dat die erfenis voor hen klaar lag in de hemel.
De aardse erfenis is een hulpmiddel om de gelovigen te richten op de hemelse erfenis
Dat blijkt nog beter uit de vergelijking die Paulus maakt in zijn brief aan de Galaten. Hij vergelijkt het Joodse volk met een jonge erfgenaam die nog niet in staat is om zelf de leiding te nemen over zijn leven. Daarom luistert hij naar een voogd of mentor aan wiens zorg hij is toevertrouwd. Galaten 4:1-2 Paulus laat die vergelijking vooral slaan op de rituelen. Maar dat verhindert niet dat deze vergelijking ook heel geschikt is om toe te passen op het onderwerp waar het nu over gaat. Voor de Joden was dus dezelfde erfenis bestemd als voor ons. Maar door hun leeftijd waren ze nog niet in staat om die te aanvaarden en te gebruiken. In hun midden bestond dezelfde kerk, maar die was qua leeftijd nog te jong. Dus hield de Heer hen onder voogdij. Hij gaf hun de geestelijke beloften niet open en bloot, maar in een enigszins vage schets van aardse beloften.
Toen Hij Abraham, Izak en Jacob en hun nakomelingen opnam in de hoop op onsterfelijkheid, beloofde Hij hun het land Kanaän als erfenis. Niet omdat dat het hoogste was waar ze op mochten hopen, maar omdat het kijken naar die erfenis hen moest trainen om nog sterker te hopen op de echte erfenis. Want die erfenis was onzichtbaar. En om te voorkomen dat ze zich zouden vergissen, werd hun een hogere belofte gegeven. Die moest voor hen het bewijs vormen dat het land niet Gods grootste zegen was.
Daarom mag Abraham niet passief blijven als hem het land beloofd wordt. Zijn geest wordt door een grotere belofte omhoog geheven, naar de Heer. Want hij krijgt te horen: ‘Abraham, Ik ben je beschermer en jouw zeer hoge beloning.’ Genesis 15:1
Hier zien we dat Abraham voorgehouden wordt dat zijn uiteindelijke beloning in de Heer ligt. Hij moet die beloning niet als een vergankelijke en tijdelijke beloning gaan zoeken in de dingen van deze wereld. Hij moet beseffen dat zijn beloning onvergankelijk is. Daar voegt de Heer dan de landbelofte aan toe, maar met deze voorwaarde: dat land moet voor hem een symbool zijn dat God hem goedgezind is. Het is een beeld van de hemelse erfenis.
Dat de heiligen het zo zagen, blijkt uit wat ze gezegd hebben. David bijvoorbeeld klimt van de tijdelijke zegeningen op naar de hoogste en ultieme zegen. Hij zegt: ‘Als mijn hart en mijn lichaam bezwijkt uit verlangen naar U, dan is God voor eeuwig mijn deel.’ Psalm 73:26 En: ‘De HEER is mijn erfdeel en mijn beker. U bent het die mijn erfenis voor mij bewaart.’ Psalm 16:5 En: ‘Tot u riep ik, HEER. Ik zei: U bent mijn hoop, mijn deel in het land van de levenden.’ Psalm 142:6 Als je dit durft zeggen, geef je duidelijk aan dat je verwachting uitgaat boven de wereld en alle tijdelijke goede dingen.
Toch beschrijven de profeten dit toekomstige geluk meerdere keren aan de hand van het voorbeeld dat de Heer hun gaf. Zo moeten we de uitspraken opvatten dat de vromen de aarde erfelijk in bezit zullen hebben, maar dat de goddelozen vernietigd worden. Spreuken 2:21-22 Dat Jeruzalem een overvloed zal hebben van alle mogelijke soorten rijkdom en dat Sion zal overlopen van zoveel goede dingen. Jesaja 60; 62 We zien dat dit niet letterlijk van toepassing is op het land waar we als vreemdelingen leven of op het aardse Jeruzalem. Het slaat op het echte vaderland van de gelovigen en op de hemelse stad. Daar heeft de Heer zijn zegen bevolen en een eeuwig leven.
God is niet veranderd, maar alleen de manier waarop Hij zijn verbond bekend maakt
Daarom lees je dat de heiligen in het Oude Testament het leven op aarde met de zegeningen die daarbij hoorden, hoger aansloegen dan tegenwoordig gepast zou zijn. Ze wisten weliswaar heel goed dat ze niet bij dit leven moesten blijven staan, alsof dat de eindstreep was. Maar ze erkenden dat de Heer hun in dit leven een ruwe schets had gegeven van zijn genade, om hun de training te geven die paste bij hun zwakheid. Daarom waardeerden ze dit leven meer dan ze gedaan zouden hebben als ze het alleen op zichzelf genomen hadden.
En zoals de Heer toen door tijdelijke gaven aan de gelovigen bewees dat Hij hun goedgezind was en door dergelijke voorbeelden en symbolen het geestelijk geluk schetste, zo gaf Hij aan de andere kant in fysieke straffen ook bewijzen van zijn oordeel over de verworpenen. Gods zegeningen waren duidelijker zichtbaar in aardse zaken. En zo was het dus ook met zijn straffen.
Onwetende mensen houden geen rekening met deze, zeg maar, analogie en overeenkomst. Daarom vinden ze het vreemd dat God zo enorm veranderd is. Want vroeger was Hij er snel bij om allerlei zonden van de mensen streng en vreselijk te straffen. Maar nu is het net alsof Hij zijn vroegere boosheid heeft afgelegd en veel zachter en minder vaak straft. Het scheelt niet veel of ze beelden zich om deze reden in dat het Oude en het Nieuwe Testament over verschillende goden gaan. Dat is de manicheeërs overkomen.
Maar we kunnen ons gemakkelijk uit dit soort problemen bevrijden als we letten op Gods manier van uitdelen waar ik het over gehad heb. In die tijd maakte Hij zijn verbond nog aan de Israëlieten bekend in een enigszins verhullende vorm. Daarom wilde Hij de genade van het toekomstige, eeuwige geluk aanduiden en afbeelden door aardse zegeningen en de ernst van de geestelijke dood door fysieke straffen.
Het tweede verschil: rituelen als schaduwen van de werkelijkheid
Het tweede verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament ligt in de vormen. In het Oude Testament ontbrak de werkelijkheid nog. Daarom liet het Oude Testament in plaats van die werkelijkheid slechts een afbeelding en een schaduw zien. In het Nieuwe Testament is de werkelijkheid aanwezig en zelf zichtbaar.
Bijna overal waar het Nieuwe Testament tegenover het Oude Testament gezet wordt, wordt dit verschil genoemd. Maar nergens wordt het zo uitgebreid behandeld als in de brief aan de Hebreeën. Daar bestrijdt de apostel degenen die vonden dat je je aan de wet van Mozes moest blijven houden. Dat kon volgens hen niet worden afgeschaft zonder dat als gevolg daarvan heel de godsdienst in elkaar zou storten.
Om deze dwaling te weerleggen, gebruikt de apostel wat de profeet voorzegd heeft over het priesterschap van Christus. Psalm 110:4; Hebreeën 7:11 Christus wordt voor eeuwig aangesteld als priester. Ongetwijfeld wordt dan dus het priesterschap waarbij de ene priester de ander opvolgt, afgeschaft. Hebreeën 7:23-24 En de aanstelling van die nieuwe priester heeft een extra betekenis. Om dat te bewijzen, wijst de apostel erop dat die aanstelling bevestigd wordt met een eed. Hebreeën 7:20-21 Later voegt hij eraan toe dat met die overdracht van het priesterschap er ook een ander testament gekomen is. Hebreeën 8:6-13 Dat dat nodig was, onderbouwt de apostel door aan te voeren dat de wet zo zwak was dat niemand daardoor tot volmaaktheid gebracht kon worden. Hebreeën 7:18-19 Vervolgens behandelt hij wat de aard van die zwakheid was. De wet bevatte alleen uiterlijke, fysieke manieren om te rechtvaardigen. Maar als je je daaraan hield, maakte dat je nog niet volmaakt in je geweten. Want dierenoffers konden geen zonden uitwissen en konden je geen echte heiligheid bezorgen. Ten slotte concludeert de apostel dus dat de wet een schaduw was van toekomstige goede dingen. De wet was geen levend beeld van die dingen zelf. Hebreeën 10:1 De wet had daarom geen andere taak dan om een introductie te geven op een betere hoop, die in het evangelie geopenbaard wordt.
Nu moet je erop letten in welk opzicht het verbond van de wet tegenover het verbond van het evangelie en de dienst van Christus tegenover de dienst van Mozes gezet worden. Want als de tegenstelling draaide om het wezen van de beloften, zouden de twee testamenten enorm met elkaar in tegenspraak zijn. Maar de vraagstelling leidt ons in een andere richting. Dus moeten we het antwoord ook in die richting zoeken. Laten we dus vooropstellen dat God zijn verbond ooit bevestigd heeft als een eeuwig en onvergankelijk verbond. De vervulling van dat verbond is Christus. In Hem wordt dat verbond uiteindelijk bevestigd en geratificeerd.
Zolang die bevestiging nog uitblijft, schrijft de Heer via Mozes de rituelen voor. Dat zijn, zeg maar, de officiële symbolen van die bevestiging. En nu ging het in de discussie om de vraag of die rituelen voor Christus aan de kant moesten. Eigenlijk waren die rituelen maar bijzaken bij het verbond. In elk geval waren ze eraan toegevoegd als zogenaamde bijlagen. Maar omdat zij de instrumenten vormden om het verbond te bedienen, droegen ze ook zelf de naam ‘verbond’. De Schrift heeft immers de gewoonte om sacramenten te noemen naar de dingen die erdoor worden afgebeeld. Kortom, in deze Schriftpassage wordt de gebruikelijke manier om het verbond te bevestigen – het uitvoeren van rituelen en het brengen van offers – het ‘Oude Testament’ genoemd.
Maar die manier van bevestigen bevat niets substantieels, tenzij je verder gaat. Daarom stelt de apostel dat de rituelen aan de kant geschoven en afgeschaft moesten worden, om plaats te maken voor Christus. Hij is de borg en middelaar van een beter testament. Hebreeën 7:22 Hij heeft voor de uitverkorenen voor eens en voor altijd een eeuwige heiliging verdiend en de zonden uitgewist die onder de wet blijvend waren.
Of, als je dat liever hebt, zie het dan zo: het oude verbond is het testament van de Heer dat werd overgeleverd verhuld in de schaduwen van rituelen. Maar het uitvoeren van die rituelen had geen daadwerkelijk effect. Daarom was dat testament tijdelijk. Want onder dat testament bleef alles onbeslist, totdat het kon steunen op een vast en solide fundament. Het is pas nieuw en eeuwig sinds het door het bloed van Christus geheiligd en bevestigd is. Daarom noemt Christus de beker die Hij tijdens het avondmaal aan zijn leerlingen overhandigt, de beker van het Nieuwe Testament in zijn bloed. Lucas 22:20; Mattheüs 26:28 Daarmee geeft Hij aan dat Gods testament pas echt werkelijkheid wordt en daardoor nieuw en eeuwig, als het met zijn bloed bezegeld wordt.
De Joden waren net kinderen die basisonderwijs kregen
Hieruit blijkt wat de apostel Paulus bedoelde, toen hij zei dat de Joden door de discipline van de wet naar Christus geleid werden, voordat Christus zelf geopenbaard werd in het vlees. Galaten 3:24; 4:1-2 Hij erkent dat ook de Joden kinderen en erfgenamen van God waren. Maar vanwege hun jonge leeftijd moesten ze onder de bescherming van een mentor staan. Want toen de zon van rechtvaardigheid nog niet opgegaan was, zou het ongepast geweest zijn als er al zo’n heldere openbaring en zo’n sterk inzicht was. De Heer deelde het licht van zijn Woord dus zo aan hen uit dat zij het alleen nog maar vanuit de verte en in het donker zagen.
Daarom duidt Paulus dit beperkte inzicht aan met het woord ‘jeugd’. Want de Heer wilde dat ze in dit basisonderwijs getraind werden door de dingen van deze wereld en door uiterlijke gehoorzaamheid, net zoals kinderen discipline leren door zich aan de regels te houden. Daardoor moest het gelovige volk opgroeien in kennis totdat Christus zou verschijnen.
Dit onderscheid heeft Christus zelf aangegeven, toen Hij zei dat tot aan Johannes de Doper er de wet en de profeten waren. En dat vanaf dat moment Gods koninkrijk verkondigd wordt. Lucas 16:16; Mattheüs 11:12-13 Wat hebben de wet en de profeten de mensen in hun tijd opgeleverd? Ze gaven een voorproefje van de wijsheid die ooit helder geopenbaard zou worden. Zij lieten die van een afstand schitteren. Maar als Christus met de vinger kan worden aangewezen, dan is Gods koninkrijk geopend. Want in Hem worden alle schatten van wijsheid en inzicht tentoongespreid. Door Hem dring je haast door tot in het binnenste heiligdom van de hemel. Kolossenzen 2:3
Zelfs de profeten wisten minder dan wij nu
Dat je in de christelijke kerk haast niemand vindt die zich wat betreft de kwaliteit van zijn geloof kan meten met Abraham, doet hier niets aan af. Ook maakt het niet uit dat in de profeten zo sterk de kracht van de Geest schitterde, dat ze ook tegenwoordig nog heel de wereld verlichten. Want de vraag is nu niet hoeveel genade de Heer aan een enkeling gaf. De vraag is hoe Hij zijn onderwijs normaal gesproken uitdeelde aan het volk.
Juist bij de profeten zie je dat. Want ze staken boven de anderen uit, omdat ze voorzien waren van speciale kennis. Maar hun prediking is duister. Het gaat over dingen die veraf zijn en wat ze zeggen, zit vol met beeldspraak. Bovendien, hoeveel wonderlijke kennis er ook in hen tevoorschijn kwam, zelf worden ze toch ook tot de kinderen gerekend. Want ook zelf moesten ze zich onderwerpen aan de normale discipline voor het volk. En ten slotte heeft niemand van hen ooit een inzicht gekregen waar de duisternis van die tijd niet toch nog gedeeltelijk in doorwerkte.
Daarom zegt Christus: ‘Vele koningen en profeten hebben ernaar verlangd om de dingen te zien die jullie zien, maar ze hebben ze niet gezien. Ook hebben ze ernaar verlangd om de dingen te horen die jullie horen, maar ze hebben ze niet gehoord. Gelukkig zijn daarom jullie ogen, omdat ze zien, en jullie oren, omdat ze horen.’ Mattheüs 13:16-17; Lucas 10:23-24 Het is natuurlijk terecht dat de aanwezigheid van Christus dit voorrecht oplevert. Want daardoor wordt het hemelse mysterie extra helder geopenbaard. En daarop slaat ook wat ik eerder geciteerd heb uit de eerste brief van Petrus, dat aan de profeten geopenbaard is dat hun dienst vooral nuttig was voor onze tijd. 1 Petrus 1:12
Het derde verschil: schriftelijk en geestelijk
Nu ben ik toe aan het derde verschil. Dat verschil is ontleend aan Jeremia, die zegt: ‘Kijk, er komen dagen, zegt de HEER, dat ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten. Niet zoals het verbond dat Ik met jullie voorvaders gesloten heb, toen Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Dat verbond hebben zij vernietigd, hoewel Ik over hen regeerde. Maar dit zal het verbond zijn dat Ik met het huis van Israël ga sluiten: Ik zal mijn wet binnen in hen leggen, Ik zal die in hun hart schrijven en Ik zal hun zonden vergeven. En zij zullen niet ieder zijn naaste en ieder zijn broeder onderwijs geven. Want zij zullen Mij allemaal kennen, van klein tot groot.’ Jeremia 31:31-34
Deze woorden waren voor de apostel Paulus aanleiding om de wet tegenover het evangelie te zetten. De wet noemde hij een schriftelijke leer en het evangelie een geestelijke leer. De eerste leer stond in stenen tafels gegraveerd, maar de laatste is in het hart geschreven. De wet verkondigt de dood, maar het evangelie verkondigt rechtvaardigheid. De wet gaat verloren, maar het evangelie blijft. 2 Korinthiërs 3:6-11
De apostel wilde hiermee uitleggen wat de profeet bedoelde. Daarom hoeven we maar van één van hen de woorden te overwegen, om van beiden te ontdekken wat ze bedoelden. Al is er wel een klein verschil. Want de apostel spreekt negatiever over de wet dan de profeet. Dat doet hij niet om de wet zelf, maar omdat er sommige sukkels waren met een misplaatste ijver voor de wet. Onterecht deden zij hun best voor de rituelen en zo verduisterden ze de helderheid van het evangelie. Met het oog op hun dwaling en dwaze ideeën legt hij uit wat de aard van de wet is. Op die specifieke situatie moet je bij Paulus letten.
Maar voor beiden geldt: ze zetten het Oude en het Nieuwe Testament tegenover elkaar. En daarom zien ze de wet slechts als wat alleen eigen is aan de wet. Bijvoorbeeld: de wet bevat allerlei beloften van barmhartigheid. Maar die horen eigenlijk ergens anders bij. Daarom worden ze niet tot de wet gerekend als het gaat over de aard van de wet zelf. Alleen dit rekenen ze tot de wet: de wet schrijft voor wat juist is, de wet verbiedt de zonden, de wet belooft een beloning voor wie rechtvaardigheid dient en de wet dreigt overtreders met straf. Maar ondertussen verandert of corrigeert de wet niet de slechtheid van het hart die van nature in alle mensen aanwezig is.
De tegenstelling die Paulus en Jeremia maken
Ik zal nu punt voor punt de tegenstelling uitleggen die de apostel Paulus maakt. Het Oude Testament is schriftelijk, omdat het is afgekondigd zonder de effectiviteit van de Geest. Het Nieuwe Testament is geestelijk, omdat de Heer het geestelijk in het hart van de mensen gegraveerd heeft. De tweede tegenstelling is daarom eigenlijk een uitleg van de eerste tegenstelling: het Oude Testament brengt de dood, omdat het niet anders kan dan het menselijk geslacht onder de vloek brengen. Het Nieuwe Testament is het instrument van het leven, omdat het de mensen bevrijdt van de vloek en met God verzoent. Het ene testament bedient de vloek, omdat het alle kinderen van Adam beschuldigt van zonden. Het andere testament bedient rechtvaardigheid, omdat het Gods barmhartigheid openbaart, waardoor wij gerechtvaardigd worden.
Het laatste punt gaat over de rituelen van de wet. Omdat het Oude Testament een beeld liet zien van dingen die nog niet aanwezig waren, moest dat testament na verloop van tijd verdwijnen. Maar het evangelie laat de werkelijkheid zelf zien. Daarom blijft het voor altijd stevig overeind staan. Jeremia noemt zelfs de morele wet een zwak en broos verbond, maar om een andere reden: het wordt snel gebroken door het plotselinge verraad van een ondankbaar volk. Maar zo’n verbondsbreuk is de schuld van het volk. Daarom mag je dat eigenlijk niet aan het testament wijten. De rituelen zijn echter vanwege hun eigen zwakheid bij de komst van Christus afgeschaft. De reden voor die zwakheid lag in de rituelen zelf.
Verder moeten we het verschil tussen schriftelijk en geestelijk niet zo opvatten alsof de Heer zijn wet aan de Joden heeft gegeven zonder dat dat iets opleverde, alsof niemand zich tot Hem bekeerde. Het gaat om de tegenstelling, om duidelijk te maken hoe overvloedig de genade is waarmee de wetgever de prediking van het evangelie geëerd heeft. Het is net alsof dezelfde wetgever nu een nieuwe rol aangenomen heeft. Want als we kijken wat voor menigte Hij door de prediking van het evangelie uit alle volken opnieuw geboren heeft laten worden en binnen de gemeenschap van zijn kerk verzameld heeft – dan kunnen we alleen maar zeggen dat vroeger in Israël maar weinig mensen van harte en oprecht het verbond van de Heer omhelsd hebben. In aantal was het bijna niemand. Toch waren het er op zichzelf genomen veel, als je hun aantal nergens mee vergelijkt.
Het vierde verschil: slavernij en vrijheid
Het vierde verschil komt voort uit het derde verschil. Want de Schrift noemt het Oude Testament een testament van slavernij, omdat het angst inboezemt. Maar het Nieuwe Testament wordt door de Schrift een testament van vrijheid genoemd, omdat het het hart opbeurt en vertrouwen en zekerheid geeft. Daarom zegt Paulus: ‘Jullie hebben niet een Geest van slavernij gekregen om opnieuw bang te moeten zijn, maar een Geest van adoptie. Door die Geest roepen wij: “Abba, Vader!”’ Romeinen 8:15
Hierop slaat wat je leest in de brief aan de Hebreeën: de gelovigen zijn niet genaderd tot een tastbare berg en een brandend vuur, tot duisternis en onweer. Wat je daar hoort of ziet, maakt je alleen maar bang. Zelfs Mozes stond te trillen op zijn benen toen die vreselijke stem weerklonk. Allemaal smeekten ze of ze die stem niet hoefden te horen. Maar de gelovigen zijn genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem. Hebreeën 12:18-22
Maar wat Paulus in het genoemde citaat uit de brief aan de Romeinen kort aanstipt, legt hij uitgebreider uit in de brief aan de Galaten. Daar vat hij de twee zonen van Abraham op als beeldspraak. Hagar, de slavin, staat voor de berg Sinaï, waar het volk Israël de wet kreeg. Sara, de vrije, staat voor het hemelse Jeruzalem, waar het evangelie vandaan komt. Het kind van Hagar wordt als slaaf geboren en zal daarom nooit de erfenis krijgen. Maar het kind van Sara is vrij en heeft wel recht op de erfenis. Zo zijn ook wij door de wet in slavernij gebracht, maar worden we alleen door het evangelie opnieuw geboren in vrijheid. Galaten 4:21-31
In de kern komt het dus hierop neer: het Oude Testament joeg het geweten angst en schrik aan, maar door de zegen van het Nieuwe Testament wordt het daar tot zijn vreugde van bevrijd. Het ene testament hield het geweten geboeid onder het slavenjuk, maar het andere testament is mild en laat het geweten vrij.
Maar stel dat mijn tegenstanders als tegenargument wijzen op de heilige aartsvaders, alsof die onder het volk Israël een uitzondering vormden. Het staat immers vast dat zij dezelfde Geest van geloof gekregen hebben als wij. En dus deelden ze ook in dezelfde vrijheid en vreugde. Maar dan is mijn antwoord dat die dingen geen van beiden het resultaat waren van de wet. Ze hebben hun toevlucht genomen tot het evangelie, omdat ze merkten dat de wet hen onderdrukte in een toestand van slavernij en hun geweten belastte met onzekerheid. En daarom is het speciaal aan het Nieuwe Testament te danken dat ze buiten de gemeenschappelijke wet van het Oude Testament om bevrijd zijn van dat kwaad.
Bovendien ontken ik dat de Geest van vrijheid en zekerheid zo royaal in hen was uitgedeeld dat ze de angst en de slavernij van de wet helemaal niet meer ervaren hebben. Ze genoten weliswaar de voorrechten die ze door de genade van het evangelie gekregen hadden. Maar toch waren ze onderworpen aan dezelfde boeien en dezelfde last van de rituelen als het gewone volk. Ze waren gedwongen die rituelen nauwkeurig uit te voeren. En die rituelen waren de symbolen van de discipline – oftewel de slavernij – en de schriftelijke schuldbekentenissen, waarmee ze erkenden dat ze schuldig waren aan zonde. Van deze verplichting konden ze zich niet losmaken. Daarom is het terecht als je zegt dat ze, vergeleken met ons, onder het testament van slavernij en angst leefden, gelet op de algemene manier van uitdelen waarmee de Heer toen het volk Israël behandelde.
Wet en evangelie
De laatste drie genoemde verschillen hebben te maken met de tegenstelling tussen wet en evangelie. Daarom wordt daarbij de wet aangeduid als het Oude en het evangelie als het Nieuwe Testament. Het eerste verschil reikt verder. Want dat heeft ook te maken met de beloften die gedaan zijn vóór de wet.
Augustinus heeft gezegd dat die beloften niet onder de term ‘Oude Testament’ geschaard mogen worden. Dat heeft hij heel goed begrepen. En daarmee wil hij hetzelfde leren als ik. Hij refereerde immers aan de uitspraken van Jeremia en Paulus, waar zij onderscheid maken tussen het Oude Testament en het woord van genade en barmhartigheid. En hij heeft gelijk dat hij er dan aan toevoegt dat vanaf het begin de kinderen van de belofte Romeinen 9:8 tot het Nieuwe Testament behoord hebben. Dat zijn de degenen die God opnieuw geboren heeft laten worden en die gehoorzaam geweest zijn aan de geboden, door geloof dat werkt door liefde. Galaten 5:6 Zij hoopten niet op vleselijke, aardse en tijdelijke zegeningen, maar op geestelijke, hemelse en eeuwige zegeningen. Want zij geloofden vooral in de middelaar. Zij twijfelden er niet aan dat ze van Hem de Geest kregen om goed te doen, en vergeving, telkens als ze zondigden.
Dit is precies mijn stelling: alle heiligen die God volgens het verhaal van de Schrift vanaf het begin van de wereld speciaal heeft uitverkoren, delen samen met ons in dezelfde zegen van het eeuwige leven. Tussen mijn indeling en die van Augustinus bestaat alleen dit verschil: mijn indeling maakt onderscheid tussen de helderheid van het evangelie en de meer duistere uitdeling van het woord dat aan het evangelie voorafging. Dat komt overeen met wat Christus zegt: de wet en de profeten zijn er geweest tot aan Johannes de Doper en vanaf dat moment wordt het Woord van God verkondigd. Lucas 16:16; Mattheüs 11:12-13 Maar de indeling van Augustinus maakt enkel onderscheid tussen de kracht van het evangelie en de zwakte van de wet.
Bovendien moeten we wat betreft de heilige aartsvaders ook nog dit bedenken: zij leefden wel onder het Oude Testament, maar daar bleven ze niet bij staan. Ze keken steeds uit naar het Nieuwe Testament en zo kregen ze een reëel aandeel daarin in handen. De apostel Paulus veroordeelt wie tegenwoordig tevreden zijn met schaduwen en hun hart niet uitstrekken naar Christus. Hij verklaart hen schuldig aan blindheid en vervloekt hen. Want, om van de rest maar te zwijgen, kun je een nog grotere blindheid verzinnen dan dat je van geslacht vee verzoening van de zonde verwacht? Dat je in uiterlijke besprenkeling met water de reiniging van de ziel zoekt? Dat je God met kille rituelen tevreden wilt stellen, alsof je Hem daar zo’n groot plezier mee doet? Als je je oog niet op Christus richt, maar blijft hangen in de rituelen van de wet, dan verval je tot al dit soort absurde dingen.
Het vijfde verschil: Joden en heidenen
We kunnen hier nog een vijfde verschil aan toevoegen: totdat Christus kwam, had de Heer één volk apart gezet om zijn genadeverbond tot hen te beperken.
Mozes zegt: ‘Toen de allerhoogste de volken verdeelde en de kinderen van Adam van elkaar scheidde, is zijn volk zijn eigendom geworden. Jacob is het koord van zijn erfdeel.’ Deuteronomium 32:8-9 Ergens anders spreekt hij het volk zo toe: ‘Kijk, de hemel, de aarde en alles wat daarin is, is van de HEER, jullie God. Maar alleen aan jullie voorvaders heeft Hij zich gehecht. Hen had Hij lief en Hij heeft hun nageslacht na hen, jullie dus, uit alle volken uitgekozen.’ Deuteronomium 10:14-15 Alleen dat volk heeft Hij het dus waard gekeurd om zijn naam te kennen, alsof uit alle mensen alleen dat volk bij Hem hoorde. Hij heeft zijn verbond, zeg maar, binnen in dat volk geplant. Aan hen heeft Hij zijn goddelijke aanwezigheid geopenbaard en Hij heeft hen met alle mogelijke voorrechten geëerd. Maar – ik sla de andere zegeningen maar over – het gaat nu hierom: doordat God zijn Woord aan dat volk gecommuniceerd heeft, heeft Hij het aan zich verbonden. Daarom wordt Hij de God van dat volk genoemd en als de God van dat volk beschouwd.
Ondertussen liet God de andere volken hun eigen zinloze gang gaan, Handelingen 14:16 alsof ze helemaal niets met Hem te maken hadden. De enige remedie tegen hun ondergang – de prediking van zijn Woord – gaf Hij hun niet. En zo was Israël toen Gods troetelkind en de anderen waren buitenstaanders. Israël was gekend en opgenomen in Gods trouw en bescherming, maar de anderen waren overgeleverd aan hun duisternis. Israël was door God geheiligd, maar de anderen waren onheilig. Israël had de eer van Gods aanwezigheid, maar de anderen waren uitgesloten van elke nabijheid.
Maar toen het moment gekomen was Galaten 4:4 dat bestemd was om alles te herstellen en toen degene verschenen was die God en mensen zou verzoenen – toen is de scheiding makende omheining afgebroken die Gods barmhartigheid zolang beperkt had tot het gebied van Israël. Toen is de vrede verkondigd aan hen die op afstand stonden evengoed als aan hen die dichtbij waren, om hen tegelijk met God te verzoenen en tot één volk te laten samengroeien. Efeziërs 2:14-16 Daarom is er geen Griek of Jood meer, Galaten 3:28 geen besneden of onbesneden, Galaten 6:15 maar Christus is alles in allen. Kolossenzen 3:11 Aan Hem zijn de heidenen gegeven als erfdeel en de einden van de aarde als eigendom. Psalm 2:8 Want Hij moet zonder uitzondering regeren van zee tot zee en van de rivieren tot de uiterste einden van de aarde. Psalm 72:8
De roeping van de heidenen
De roeping van de heidenen is dus een opvallend kenmerk dat duidelijk maakt dat het Nieuwe Testament uitsteekt boven het Oude Testament. Die roeping was weliswaar van tevoren aangekondigd door vele zeer duidelijke uitspraken van de profeten. Maar de vervulling daarvan werd steeds uitgesteld tot de tijd van het koninkrijk van de Messias. En zelfs Christus ging niet meteen bij het begin van zijn prediking over tot het roepen van de heidenen. Ook Hij stelde dat uit tot Hij alle onderdelen van onze verlossing uitgevoerd had en de tijd van zijn vernedering voltooid had. Toen kreeg Hij van de Vader een naam die alle namen te boven gaat en waarvoor iedereen zijn knieën moet buigen. Filippenzen 2:9-10
Omdat dat moment nog niet gekomen was, zei Christus tegen de Kanaänitische vrouw dat Hij alleen naar de verloren schapen van het huis van Israël gezonden was. Mattheüs 15:24 En als Hij de apostelen de eerste keer uitzendt, staat Hij daarom ook hun niet toe om deze grens te overschrijden. Hij zegt dan: ‘Jullie mogen niet op weg gaan naar de heidenen en jullie mogen de steden van de Samaritanen niet binnengaan. Jullie moeten juist naar de verloren schapen van het huis van Israël gaan.’ Mattheüs 10:5-6
Maar hoewel de roeping van de heidenen door zoveel getuigenissen aangekondigd was, vonden de apostelen dat iets totaal nieuws en vreemds. Toen ze eraan moesten beginnen, schrokken ze ervoor terug als voor iets tegennatuurlijks. Uiteindelijk zijn ze er schoorvoetend en onder protest toe overgegaan. Geen wonder: het leek hun totaal niet logisch dat de Heer zoveel eeuwen lang Israël apart gehouden had van de andere volken en nu een eind zou maken aan die uitverkiezing. Alsof Hij opeens van gedachten veranderd was! De profeten hadden het wel voorzegd. Maar hoeveel aandacht ze ook voor die profetieën hadden, wat ze nu te zien kregen, schokte hen toch omdat het zo nieuw was.
Ook de voorbeelden die de Heer in het verleden al gegeven had van heidenen die geroepen werden, waren niet overtuigend genoeg om de apostelen over te halen. Immers, niet alleen had de Heer zo nu en dan slechts een enkeling geroepen, Hij entte die ook in zekere zin in de familie van Abraham. Ze gingen dus tot zijn volk behoren. Maar door die openbare roeping werden de heidenen niet alleen aan de Joden gelijkgesteld. Het leek ook dat ze als het ware de plaats innamen van afgestorven takken. Daar komt nog bij dat alle buitenstaanders die God vroeger in het lichaam van de kerk opgenomen had, nooit met de Joden gelijkgesteld waren. En daarom verklaart Paulus niet voor niets dat dit een mysterie is, dat voor alle tijden en generaties verborgen is. Kolossenzen 1:26 Zelfs voor de engelen is het te wonderlijk.
God verandert niet, maar past alleen de vorm aan
Ik geloof dat ik in deze vier of vijf punten heel het verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament goed en betrouwbaar heb uitgelegd, voor zover dat nodig is voor eenvoudig onderwijs. Maar er zijn mensen die deze verandering in het bestuur van de kerk, deze verschillende manier van onderwijzen en deze wijziging in rituelen uitmaken voor iets heel absurds. Daarom moet ik ook op hen reageren voordat ik verderga met andere onderwerpen. En ik kan dat heel kort doen, omdat hun bezwaren niet zo overtuigend zijn dat ze nauwkeurig weerlegd moeten worden.
God blijft zichzelf altijd gelijk. Daarom, zeggen zij, is het ongepast dat Hij zo’n enorme verandering zou ondergaan dat Hij iets eerst beveelt en aanprijst en vervolgens afkeurt. Mijn antwoord is dat je niet moet concluderen dat God veranderlijk is omdat Hij verschillende vormen aanpast aan verschillende tijden, precies zo als het voor elke tijd het beste is. Een boer geeft zijn gezin ’s winters andere opdrachten dan ’s zomers. Toch zullen zij hem daarom nog niet van onevenwichtigheid beschuldigen of vinden dat hij afwijkt van de juiste manier om landbouw te bedrijven, die is vastgelegd in de onveranderlijke orde van de natuur. En een huisvader voedt zijn kinderen in hun kindertijd anders op dan als jongvolwassenen en als ze nog ouder zijn nog weer anders. Toch zullen we daarom nog niet zeggen dat hij wispelturig is of ontrouw aan zijn eigen opvattingen. Waarom brandmerken we God dan als grillig als Hij door geschikte en toepasselijke kenmerken onderscheid maakt tussen verschillende tijden?
De laatste vergelijking moet ons volledig tevreden stellen. Paulus vergelijkt de Joden met kinderen en de christenen met jongvolwassenen. Galaten 4:1-3 De Joden beperkte God tot de basisbeginselen. Dat paste bij hun leeftijd. Ons geeft Hij diepgaander en, zeg maar, volwassener onderwijs. Wat is er voor warrigs aan deze manier van besturen van God? Gods onveranderlijkheid blijkt uit het feit dat Hij aan alle tijden dezelfde leer gegeven heeft en dat Hij blijft eisen dat we zijn naam dienen, zoals Hij vanaf het begin bevolen heeft. Dat Hij de uiterlijke vorm en de manier gewijzigd heeft, bewijst niet dat Hij veranderingen ondergaat. Hij heeft zich op dat punt aangepast aan het begrip van de mensen, want dat verschilt en verandert.
God heeft het volste recht om te doen wat Hij wil
Maar, zeggen mijn tegenstanders, waar komt die verscheidenheid vandaan? Die is er toch omdat God dat zo gewild heeft? Had Hij vanaf het begin niet evengoed als na Christus’ komst met duidelijke woorden, zonder afbeeldingen, het eeuwige leven kunnen openbaren, de zijnen met enkele heldere sacramenten kunnen onderwijzen, de Heilige Geest kunnen geven en zijn genade over heel de wereld kunnen uitgieten?
Maar dat is hetzelfde als met God in discussie gaan omdat Hij de wereld zo laat geschapen heeft, terwijl Hij dat ook meteen had kunnen doen. Of omdat Hij gewild heeft dat winter en zomer, en dag en nacht elkaar zouden afwisselen. Echter, alle vromen moeten beseffen dat alles wat God doet, wijs en rechtvaardig is. Daar moeten we niet aan twijfelen, ook al weten wij niet waarom het zo moest gebeuren. Want als we God niet zouden toestaan om voor zijn plannen redenen te hebben die voor ons verborgen zijn, dan zou dat betekenen dat we ons veel te veel aanmatigen.
Maar, zeggen mijn tegenstanders, het is vreemd dat God nu de dierenoffers en heel het systeem van de Levitische priesters afwijst en verafschuwt, terwijl Hij daar vroeger blij mee was. Alsof die uiterlijke en vergankelijke dingen God genot konden geven of op een of andere manier indruk op Hem konden maken! Ik heb al gezegd dat Hij geen van die dingen omwille van zichzelf gedaan heeft, maar dat Hij ze allemaal bepaald heeft om de mensen te redden.
Als een arts een jongeman op een heel goede manier van een ziekte geneest en later op dezelfde man, als hij oud geworden is, een andere geneeswijze toepast, dan zeggen we toch ook niet dat hij nu de geneeswijze afwijst die hij eerder goedkeurde? Nee, hij blijft die geneeswijze toepassen, maar hij houdt rekening met de leeftijd. Zo waren er ook andere tekenen nodig om Christus te verkondigen als afwezig en op komst. En nu zijn er andere tekenen nodig om Hem te presenteren als verschenen.
En dat Gods roeping sinds de komst van Christus breder verspreid is onder de volken dan daarvoor en dat de genadegaven van de Geest overvloediger uitgestort zijn – wie, vraag ik je, zou ontkennen dat het billijk is dat God in zijn macht en oordeel vrij is om zijn genadegaven uit te delen en om de volken te verlichten die Hij wil? Om de prediking van zijn Woord te planten op de plaatsen die Hij wil? Om de groei en voortgang van zijn leer te geven op de manier die Hij wil en zoveel als Hij wil? Om, vanwege de ondankbaarheid van de wereld, de kennis van zijn naam uit de wereld weg te nemen in de tijden die Hij wil? En om die kennis door zijn barmhartigheid weer te herstellen als Hij dat wil?
We zien dus dat goddeloze lieden in deze kwestie door een zeer onterechte laster het hart van eenvoudige mensen verontrusten. Op die manier willen ze bereiken dat zulke mensen óf Gods rechtvaardigheid, óf de betrouwbaarheid van de Schrift in twijfel gaan trekken.
Voetnoten
- 278
Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 4,6-12.
Voetnoot 278
Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 4,6-12.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.