Boek II · Hoofdstuk 16
Christus’ dood, opstanding en hemelvaart
Inhoud van dit hoofdstuk · 19 secties
- 1Verlossing is er alleen in Christus
- 2Gods liefde en woede
- 3We verdienen Gods woede, maar krijgen Gods liefde
- 4Augustinus over Gods woede en Gods liefde
- 5Christus heeft geleden onder Pontius Pilatus
- 6Christus is gekruisigd
- 7Christus is gestorven en begraven
- 8Christus is neergedaald in de hel
- 9Het voorgeborchte is een fabeltje
- 10Christus’ lijden was meer dan alleen lichamelijk
- 11Christus moest strijden tegen de angst voor de dood
- 12Weerlegging van dwalingen
- 13Christus is op de derde dag opgestaan uit de doden
- 14Christus is opgevaren naar de hemel
- 15Christus zit aan de rechterhand van de Vader
- 16Wat Christus’ hemelvaart ons oplevert
- 17Christus zal terugkomen om de levenden en de doden te oordelen
- 18De troost van het laatste oordeel
- 19Christus alleen
Verlossing is er alleen in Christus
Wat ik tot nog toe over Christus gezegd heb, moeten we zien in het licht van dit ene doel: omdat we in onszelf vervloekt, dood en verloren zijn, moeten we in Hem rechtvaardigheid, verlossing, leven en redding zoeken. Dat leren we uit die beroemde woorden van Petrus dat de mensen onder de hemel geen andere naam gekregen hebben waardoor ze gered kunnen worden. Handelingen 4:12 En Hij heeft de naam Jezus ook niet zomaar gekregen, door toeval of omdat mensen dat wilden. Die naam is Hem vanuit de hemel gegeven, door een engel die als boodschapper een eeuwig en onaantastbaar besluit overbracht. En de reden werd erbij gezegd: Hij was gezonden om zijn volk te redden van hun zonden. Mattheüs 1:21; Lucas 1:31
En in die woorden moeten we erop letten dat Hem de taak van verlosser is opgedragen omdat Hij ons zou redden. Ik heb dat ook ergens anders al genoemd. Er zou immers nog iets aan de verlossing ontbreken als Christus niet continu zou doorgaan tot Hij ons aan de eindstreep van het behoud gebracht had. Als we ook maar iets van Hem afwijken, verdwijnt daarom ons behoud. Want dat ligt vast in Hem. Wie niet berust in Hem, berooft zichzelf dus uit eigen beweging van alle genade.
Het is het vermelden waard dat Bernardus van Clairvaux opmerkt dat de naam Jezus niet alleen licht is, maar ook voedsel. Bovendien is de naam Jezus olie. Zonder die olie is elk voedsel voor de ziel droog. De naam Jezus is ook zout. Als dat zout niet wordt toegevoegd, is alles wat je voorgezet krijgt smakeloos. Ten slotte is de naam Jezus honing in de mond, muziek in het oor, een juichtoon in het hart en bovendien medicijn. En elk redeneren is dwaasheid, tenzij deze naam erin mee klinkt, zegt Bernardus.
Maar nu moeten we nauwkeurig bekijken hoe Christus ons behoud verdiend heeft. Dat moet ons er niet alleen van overtuigen dat Hij ons behoud bewerkt heeft. Als we alles omhelsd hebben wat genoeg is om ons geloof stevig te onderbouwen, moet dat ons er ook toe brengen om alles af te wijzen wat ons daarvan zou kunnen aftrekken, hierheen of daarheen. Niemand kan in zichzelf afdalen en serieus overdenken wat voor iemand hij is, zonder dat hij aanvoelt dat God boos en vijandig tegenover hem staat en zonder dat hij in zijn angst beseft dat hij een manier moet vinden om zich met God te verzoenen, omdat God eist dat zijn schuld betaald wordt. Daarom is er een buitengewone zekerheid nodig. Want zolang zondaren niet van hun schuld verlost zijn, rust op hen altijd Gods woede en vloek. Hij is een rechtvaardige rechter en daarom laat Hij niet toe dat zijn wet ongestraft overtreden wordt. Hij heeft zich gewapend om dat te wreken.
Gods liefde en woede
Maar voor we verder gaan, moeten we ons in het voorbijgaan afvragen hoe het kan dat dezelfde God die in zijn barmhartigheid de eerste stap gezet heeft, onze vijand was zolang Hij nog niet door Christus met ons verzoend was. Want hoe kon Hij ons in zijn eniggeboren Zoon een bijzonder bewijs van zijn liefde geven als Hij ons niet eerst met onverdiende genegenheid omhelsd had? We lijken hier dus op een tegenstrijdigheid te stuiten en dat probleem moet ik oplossen.
De Geest zegt het in de Schrift ongeveer zo: God stond vijandig tegenover de mensen, totdat zij door de dood van Christus weer in genade aangenomen zijn. Romeinen 5:10 Ze waren vervloekt, totdat hun zonden door zijn offer verzoend zijn. Galaten 3:10-13 Ze waren van God vervreemd, totdat ze door zijn lichaam zijn aangenomen om met Hem verbonden te zijn. Kolossenzen 1:21-22 Dit soort uitspraken is aangepast aan ons begrip, zodat we extra goed kunnen begrijpen hoe ellendig en catastrofaal onze toestand is buiten Christus. Want als niet met duidelijke woorden gezegd werd dat Gods woede en wraak en de eeuwige dood op ons drukten, zouden we veel minder goed begrijpen hoe ellendig we eraan toe zouden zijn zonder Gods barmhartigheid. En dan zouden we de zegen van de verlossing niet op waarde schatten.
Stel bijvoorbeeld dat iemand deze woorden zou horen: ‘Als God in de tijd dat jij nog een zondaar was jou had gehaat en je verworpen had, zoals je verdiende, dan wachtte jou een vreselijke ondergang. Maar Hij heeft je uit eigen beweging en door zijn onverdiende welwillendheid uit genade gered. Hij heeft je niet van Hem laten vervreemden. Zo heeft Hij je uit dat gevaar bevrijd.’ Als iemand deze woorden hoort, zal hij daar wel door geraakt worden en enigszins aanvoelen hoeveel hij aan Gods barmhartigheid te danken heeft.
Maar stel nu dat hij hoort wat de Schrift leert: ‘Je was van God vervreemd door je zonde. Je was een erfgenaam van Gods woede, onderworpen aan de vloek van de eeuwige dood, uitgesloten van alle hoop op redding, vervreemd van elke zegen van God, een slaaf van Satan, gevangen onder het juk van de zonde. Kortom, je was bestemd voor een afschuwelijke ondergang, je zat daar al middenin. Maar Christus is als advocaat tussenbeide gekomen. De straf, die in overeenstemming met Gods rechtvaardig oordeel alle zondaren boven het hoofd hing, heeft Hij op zich genomen en betaald. De verkeerde dingen waardoor God ons haatte, heeft Hij met zijn bloed voldaan. Door dat zoenoffer heeft Hij God de Vader genoegdoening gegeven en Hem verzoend. Doordat Christus tussenbeide kwam, is Gods woede gestild. Op dat fundament rust de vrede tussen God en mensen, deze band houdt zijn welwillendheid tegenover ons vast.’ Als iemand dit hoort, zal hij daardoor dan niet extra geraakt worden, omdat hem extra levendig getekend wordt hoe groot de ellende was waaruit hij verlost is?
Kortom, wij kunnen het leven in Gods barmhartigheid niet begerig genoeg vastpakken en met gepaste dankbaarheid aannemen. Dat kunnen we alleen als we eerst geraakt en verslagen worden door vrees voor Gods woede en angst voor de eeuwige dood. Daarom onderwijst de heilige leer ons zo dat we leren zien dat God zonder Christus in zekere zin vijandig tegenover ons staat en dat zijn hand gewapend is om ons te vernietigen. Want we moeten zijn welwillendheid en vaderliefde alleen omhelzen in Christus.
We verdienen Gods woede, maar krijgen Gods liefde
Dit wordt dus zo gezegd omdat ons begrip zwak is. Toch is het wel waar. Want God is het toppunt van rechtvaardigheid. Hij kan de onrechtvaardigheid die Hij in ons allemaal ziet niet liefhebben. Allemaal hebben we dus iets in ons dat Gods woede verdient. Wat betreft onze bedorven aard en ons slechte leven dat daarop volgt, staan we daarom inderdaad allemaal schuldig voor Gods ogen. We zijn geboren om veroordeeld te worden tot de hel. Maar de Heer wil niet vernietigen wat in ons van Hem is. Daarom vindt Hij toch nog iets wat Hij uit welwillendheid liefheeft. Want ook al zijn we dankzij onze eigen schuld zondaren, we blijven toch zijn schepselen. Ook al hebben wij ons de dood op de hals gehaald, toch had Hij ons voor het leven geschapen. Dus alleen doordat Hij ons liefheeft, zonder dat we dat verdienen, wordt Hij ertoe aangezet om ons in genade aan te nemen.
Maar er woedt een eeuwige en onverzoenlijke strijd tussen rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid. Daarom kan God ons niet volledig aannemen zolang wij nog zondaren blijven. Om zich volledig met ons te verzoenen, moet Hij dus elke reden voor vijandschap wegnemen. Nadat Hij de verzoening in de dood van Christus gepresenteerd heeft, wist Hij daarom al het kwaad uit dat in ons is. Eerst waren we vies en smerig, maar nu mogen we Hem rechtvaardig en heilig onder ogen komen.
Daarom gaat de liefde van God de Vader vooraf aan onze verzoening in Christus. Sterker nog, Hij verzoent zich pas met ons nadat en omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Maar in ons blijft nog de onrechtvaardigheid waarmee we Gods verontwaardiging verdienen en waardoor we voor zijn ogen vervloekt en veroordeeld worden. Die verdwijnt pas als Christus ons met zijn dood te hulp komt. Daarom zijn we pas volledig en hecht aan God verbonden als Christus ons met Hem verbindt. Dus als we onszelf ervan willen overtuigen dat God zich met ons verzoend heeft en ons goedgezind is, dan moeten we onze ogen en ons hart alleen op Christus richten. Want alleen via Hem kunnen we voorkomen dat onze zonden ons worden aangerekend. Zouden ze ons wel worden aangerekend, dan zou dat Gods woede betekenen.
Augustinus over Gods woede en Gods liefde
En daarom zegt Paulus dat de liefde waarmee God ons vóór de schepping van de wereld liefgehad heeft, gebaseerd was op Christus. Efeziërs 1:4 Dit is helder en in overeenstemming met de Schrift. Het verbindt heel mooi de passages met elkaar waar de Schrift zegt dat God zijn liefde voor ons heeft laten zien door zijn eniggeboren Zoon over te geven aan de dood Johannes 3:16 en dat Hij toch onze vijand was vóór Hij door de dood van Christus met ons verzoend was. Romeinen 5:10
Maar er zijn mensen die vragen om bewijzen uit de oude kerk. Om hen op dit punt meer zekerheid te geven, zal ik een passage van Augustinus citeren waarin dit ook geleerd wordt. Hij zegt:
‘Onbegrijpelijk en onveranderlijk is Gods liefde. Want Hij heeft ons niet pas lief gekregen sinds wij met Hem verzoend zijn door het bloed van zijn Zoon. Al voordat Hij het fundament voor de wereld gelegd heeft, had Hij ons lief. Hij wilde al dat wij samen met zijn Zoon zijn kinderen zouden worden, nog voordat wij zelf iets waren, wat dan ook. Dat wij door de dood van Christus verzoend zijn, moeten we dus niet zo opvatten alsof de Zoon ons met Hem verzoend heeft om ons daarna lief te krijgen, terwijl Hij ons eerst nog haatte. Nee, Hij had ons al lief toen wij verzoend werden met Hem die vanwege onze zonde onze vijand was.
Of ik gelijk heb als ik dit zeg, mag de apostel Paulus getuigen. God bevestigt zijn liefde voor ons, zegt hij, doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaren waren. Romeinen 5:8 Zelfs toen wij nog in vijandschap tegen Hem leefden en slechte dingen deden, had Hij ons dus al lief. Hij hield van ons op een wonderbaarlijke en goddelijke manier, zelfs toen Hij ons haatte.
Want Hij haatte ons voor zover wij anders waren dan Hij ons gemaakt had. Maar omdat onze onrechtvaardigheid zijn werk niet volledig vernietigd had, kon Hij ieder van ons tegelijk haten om wat we gedaan hadden en liefhebben om wat Hij gemaakt had.’
Dit zijn de woorden van Augustinus.
Christus heeft geleden onder Pontius Pilatus
Misschien vraagt iemand nu hoe Christus, na het uitwissen van onze zonden, de scheiding tussen God en ons heeft opgeheven en hoe Hij de rechtvaardigheid verdiend heeft waardoor God ons gunstig en welwillend gezind is. Het antwoord daarop kan in het algemeen luiden dat Christus dit voor ons voor elkaar gekregen heeft door heel zijn gehoorzame levenswandel.
Dat wordt bewezen door het getuigenis van Paulus: ‘Zoals door de overtreding van één velen zondaren gemaakt zijn, zo worden wij door de gehoorzaamheid van één rechtvaardigen gemaakt.’ Romeinen 5:19 En ergens anders laat hij inderdaad de basis voor onze vergeving, waardoor wij van de vloek van de wet verlost zijn, heel het leven van Christus omvatten: ‘Toen het moment gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om degenen die onder de wet waren te verlossen.’ Galaten 4:4-5 En Christus zelf verklaarde dat Hij ook in zijn doop een deel van de rechtvaardigheid vervulde. Want Hij voerde gehoorzaam het bevel van zijn Vader uit. Mattheüs 3:15 Kortom, vanaf het moment waarop Christus de rol van slaaf op zich nam, was Hij bezig de losprijs te betalen om ons te verlossen.
Maar als de Schrift de manier waarop wij gered worden exact wil definiëren, dan schrijft zij dit als specifiek eigen toe aan Christus’ dood. Zelf verkondigt Hij dat Hij zijn leven geeft om velen te verlossen. Mattheüs 20:28 Paulus leert dat Hij gestorven is om onze zonden. Romeinen 4:25 Johannes de Doper riep uit dat Hij gekomen was om de zonden van de wereld weg te nemen, want Hij was het lam van God. Johannes 1:29 Ergens anders zegt Paulus dat wij gratis gerechtvaardigd worden doordat we in Christus verlost worden. Want Hij wordt ons gepresenteerd als degene die ons verlost door zijn bloed. Romeinen 3:24-25 En weer ergens anders: ‘Hij die geen zonde kende, is voor ons tot zonde gemaakt, zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden worden.’ 2 Korinthiërs 5:21
En daarom stapt de zogenaamde Apostolische Geloofsbelijdenis van Christus’ geboorte meteen over op zijn dood en opstanding. Dat is een uitstekende volgorde. Want daarin wordt het volmaakte behoud volledig omvat. Toch sluit dat de rest van zijn gehoorzaamheid, die Hij in zijn leven heeft laten zien, niet uit. Zoals ook Paulus die gehoorzaamheid van begin tot eind samenvat als hij zegt dat Christus zichzelf leeg gemaakt heeft door het uiterlijk aan te nemen van een slaaf en dat Hij zijn Vader gehoorzaam geweest is tot de dood, ja tot de kruisdood.
En natuurlijk gaat het er bij zijn gehoorzaamheid in de eerste plaats om dat Hij zich vrijwillig onderwierp. Want zijn offer zou niets opgeleverd hebben voor rechtvaardigheid als Hij dat offer niet vrijwillig gebracht had. Als de Heer verklaart dat Hij zijn leven geeft voor de schapen, voegt Hij er daarom uitdrukkelijk aan toe: ‘Niemand pakt het van Mij af.’ Johannes 10:15-18 Dat bedoelt Jesaja als hij zegt dat Hij stom was als een schaap voor zijn scheerder. Jesaja 53:7 En het verhaal van het evangelie vertelt dat Hij de soldaten tegemoet ging en dat Hij zich voor Pilatus niet verdedigde, maar passief zijn oordeel onderging. Maar het kostte Hem wel strijd, want Hij had onze zwakheden op zich genomen en bovendien moest op die manier blijken dat Hij zijn Vader gehoorzaam was. En het is een bijzonder bewijs dat Hij ons weergaloos liefhad, dat Hij met een verschrikkelijke angst te kampen had en dat Hij onder afschuwelijke kwellingen helemaal niet voor zichzelf gezorgd heeft, maar alleen voor ons.
Dit moeten we vasthouden: geen enkel offer was voldoende voor God, behalve dat Christus zijn eigen gevoelens opzij zette en zich volledig aan Gods oordeel onderwierp. In dit verband citeert de apostel toepasselijk Psalm 40: ‘In het boek van de wet staat over Mij geschreven dat Ik uw wil moet doen, God. Ik wil en uw wet ligt diep in mijn hart. Toen zei Ik: kijk, Ik kom.’ Hebreeën 10:7-9; Psalm 40:8-9 Als je een angstig geweten hebt, vind je alleen rust in het offer en de afwassing waardoor de zonden uitgewist worden. Daarom is het terecht dat we daarheen geleid worden en dat de dood van Christus beschouwd wordt als de basis voor ons leven.
Verder vermeldt de Apostolische Geloofsbelijdenis in de eerste plaats dat Christus veroordeeld is voor de stadhouder van Judea, Pontius Pilatus. Want vanwege onze schuld wachtte ons de vloek voor Gods hemelse rechtbank. Daarom moeten we weten dat de straf die wij moesten ondergaan op een rechtvaardige gelegd is. Wij konden Gods vreselijke oordeel niet ontvluchten. Maar om ons daarvan te vrijwaren heeft Christus toegelaten dat Hij als een sterfelijk, ja zelfs als een misdadig en goddeloos mens veroordeeld is.
De naam van de stadhouder wordt niet alleen genoemd om te laten zien dat dit verhaal betrouwbaar is. Die naam wordt ook genoemd om ons te leren wat Jesaja zegt: de straf die ons vrede brengt, was op Hem. Door zijn striemen zijn wij genezen. Jesaja 53:5 Om onze vloek weg te nemen was het immers niet voldoende om een willekeurige dood te sterven. Om voor onze verlossing te betalen moest Hij een dood kiezen waarbij Hij zowel de vloek als onze schuld op zich nam. Alleen zo kon Hij ons van allebei bevrijden.
Als Hij door rovers vermoord was of tijdens een volksopstand was omgekomen in het tumult, dan zou zo’n dood geen enkel blijk van genoegdoening gegeven hebben. Maar nu is Hij voor een rechtbank aangeklaagd, door getuigen beschuldigd en in het nauw gebracht en zelfs door een uitspraak van een rechter ter dood veroordeeld. Dat is voor ons allemaal bewijs dat Hij de rol van schuldige en misdadiger vervuld heeft.
Daarbij moeten we op twee dingen letten, die door de profeten voorzegd waren en die ons enorm troosten en ons geloof versterken.
Aan de ene kant horen we dat Christus van voor de rechterstoel is weggeleid om ter dood gebracht te worden en dat Hij tussen moordenaars is opgehangen. Dat is een vervulling van de profetie die de evangelist citeert: ‘Hij is bij de misdadigers gerekend.’ Jesaja 53:12; Marcus 15:28 Waarom? Nou, om de plaats in te nemen van een zondaar, niet van een rechtvaardige of een onschuldige.
Aan de andere kant horen we dat dezelfde persoon die Hem veroordeelt, Hem ook vrijspreekt. Want Pilatus moet meer dan eens openlijk erkennen dat Christus onschuldig is. Als we dat horen, moeten we denken aan wat we bij een andere profeet lezen: Hij heeft betaald wat Hij niet gestolen had. Psalm 69:5
En dus wordt Christus ons gepresenteerd in de rol van zondaar en misdadiger. Maar omdat zijn onschuld van Hem afstraalt, zien we tegelijk ook dat Hij niet de last van zijn eigen misdaad, maar van de misdaden van anderen gedragen heeft. Hij heeft dus geleden onder Pontius Pilatus. Door een officiële uitspraak van de stadhouder werd Hij meegeteld als een van de misdadigers. Maar tegelijkertijd heeft dezelfde Pilatus Hem rechtvaardig verklaard. Want hij verzekert dat hij in Hem geen schuld vindt. Mattheüs 27:24; Lucas 23:14; 23:22; Johannes 18:38; 19:4
Dit is onze vrijspraak: de schuld waarvoor wij straf verdienden, is overgebracht op het hoofd van Gods Zoon. We moeten vooral vasthouden dat die schuld betaald is. Dan hoeven we ons leven lang nooit meer te sidderen of bang te zijn, alsof Gods rechtvaardige straf ons boven het hoofd hing. Want Gods Zoon heeft die straf op zich genomen.
Christus is gekruisigd
Verder bevat ook de manier waarop Christus gestorven is een opmerkelijk mysterie. Het kruis was vervloekt. Dat vonden niet alleen de mensen. Dat was ook zo volgens een bepaling van Gods wet. Deuteronomium 21:23 Dus als Christus aan het kruis gehangen wordt, onderwerpt Hij zich aan de vloek. En dat moest zo gebeuren om ons te verlossen van elke vloek die ons vanwege onze zonden boven het hoofd hing. Die werden op Hem overgedragen.
De wet heeft ook daar een voorafschaduwing van gegeven. In het Hebreeuws wordt de zonde zelf in eigenlijke zin aangeduid met het woord asjamot. Maar dat woord wordt immers ook gebruikt voor de slachtoffers en zoenoffers die geofferd werden voor de zonden. Door dit woord figuurlijk te gebruiken, wil de Geest aangeven dat die offers reinigingsoffers waren. De vloek die door de misdaden verdiend was, werd overgedragen op die offerdieren. En wat in de offers volgens de wet van Mozes werd afgebeeld, dat wordt in Christus vervuld. Hij is het model waarnaar de afbeeldingen gemaakt zijn. Om echt verzoening te doen, heeft Hij zijn leven gegeven als een asjam, dat is: als een zoenoffer voor de zonde, zoals de profeet Jesaja zegt. Op dat lam is de smet en de straf als het ware afgeschoven. Die wordt ons niet langer aangerekend. Jesaja 53:5-11
De apostel Paulus getuigt hier nog duidelijker van als hij leert dat Hij die geen zonde kende, door de Vader voor ons tot zonde gemaakt is, zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden worden. 2 Korinthiërs 5:21 Want Gods Zoon is volledig schoon van alle zonde, maar toch heeft Hij de smaad en de schande van onze zonden aangetrokken en ons in plaats daarvan gekleed in zijn reinheid.
Paulus lijkt hetzelfde te bedoelen als hij zegt dat de zonde veroordeeld is in het vlees van Christus. Romeinen 8:3 De Vader heeft de kracht van de zonde immers vernietigd toen de vloek van de zonde werd overgedragen op het vlees van Christus. Dus wordt met deze uitspraak aangegeven dat Christus door te sterven geofferd is aan de Vader als een offer om de Vader genoegdoening te geven. Door dat offer is de verzoening volbracht en hoeven wij voortaan niet meer bang te zijn voor Gods woede.
Nu is duidelijk wat de profeet Jesaja bedoelt met de uitspraak dat al onze misdaden op Hem gelegd zijn: Jesaja 53:6 om de vuilheid van onze misdaden van ons af te wassen, werd Christus daarmee bedekt. Ze zijn op Hem overgedragen en Hem aangerekend. Het kruis waar Hij aan gehangen werd, was daar een symbool van, zo getuigt de apostel Paulus. Hij zegt: ‘Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet doordat Hij voor ons een vervloekte geworden is. Want er staat geschreven: “Vervloekt is ieder die aan het hout hangt.” Zo moest de zegen van Abraham in Christus naar de heidenen komen.’ Galaten 3:13-14; Deuteronomium 21:23
Petrus bedoelde hetzelfde, als hij leert dat Christus onze zonden gedragen heeft aan het hout. 1 Petrus 2:24 Want juist uit het symbool van de vloek begrijpen we extra duidelijk dat de last die op ons drukte, op Hem gelegd is.
Toch moeten we begrijpen dat Christus geen vloek op zich genomen heeft die zo zwaar was dat Hij er zelf onder bezweken zou zijn. Integendeel, door de vloek op zich te nemen heeft hij de kracht van die vloek juist volledig onderdrukt, gebroken en uiteengeslagen. Daarom zien we in geloof vrijspraak in Christus’ veroordeling en zegen in zijn vervloeking. En terecht geeft Paulus daarom enorm hoog op van de zege die Christus aan het kruis behaald heeft. Alsof het kruis – vol schande – veranderd was in een zegekar! Want hij zegt dat de schriftelijke schuldbekentenis die tegen ons getuigde, aan het kruis genageld is en dat de overheden ontwapend en openlijk aan de kaak gesteld zijn. Kolossenzen 2:14-15 Geen wonder! Want een andere apostel getuigt dat Christus zichzelf geofferd heeft door de eeuwige Geest. Hebreeën 9:14 Vandaar dat daarbij de dingen op hun kop gezet werden.
Maar dit moet diep wortel schieten in ons hart en zich daar vast in hechten. Daarom moeten we altijd het offer en de afwassing in gedachten houden. We zouden er immers niet op kunnen vertrouwen dat Christus de verlossing, het losgeld en de verzoening is, als hij geen slachtoffer was geweest. Daarom gaat het zo vaak over bloed als de Schrift laat zien hoe wij verlost worden. Trouwens, het vergoten bloed van Christus werkte niet alleen als zoenmiddel, maar diende ook als bad om onze onreinheid af te wassen. Hebreeën 9:14; 1 Johannes 1:7; Openbaring 1:5
Christus is gestorven en begraven
In de Apostolische Geloofsbelijdenis volgt dan dat Christus gestorven en begraven is. Opnieuw kun je daaraan zien dat Hij in alles onze plaats ingenomen heeft om de prijs te betalen voor onze verlossing. De dood hield ons gevangen onder zijn juk. Christus heeft zich in onze plaats aan de macht van de dood overgegeven, om ons uit die macht te verlossen.
Dit bedoelt de apostel als hij schrijft dat Christus voor iedereen de dood geproefd heeft. Hebreeën 2:9 Want door te sterven heeft Hij ervoor gezorgd dat wij niet sterven. Of – dat is hetzelfde – door zijn dood heeft Hij voor ons het leven verlost. Maar het verschil tussen Hem en ons was dat Hij zich heeft overgegeven om zich door de dood te laten verslinden, niet om door de diepten van de dood te worden verzwolgen, maar juist om de dood te verzwelgen, die ons meteen verzwolgen zou hebben. En Hij heeft zich door de dood laten onderwerpen, niet om door de macht van de dood overweldigd te worden, maar om de dood neer te slaan, die ons boven het hoofd hing en ons tartte in onze benauwde toestand. Kortom, Christus stierf om daardoor hem te vernietigen die over de dood regeerde: de duivel. En om hen te verlossen die heel hun leven lang slaaf waren van de angst voor de dood. Hebreeën 2:14-15 Dat is de eerste vrucht die Christus’ dood ons opgeleverd heeft.
Maar de andere vrucht is dat Hij ons in zijn dood laat delen en zo onze aardse ledematen doodt. Die kunnen voortaan hun werk niet meer doen. Christus doodt onze oude mens. Die is daarna niet meer in staat om vrucht te dragen. Dat is ook het doel van Christus’ begrafenis: omdat wij daarin delen, worden wij ook zelf begraven. Want de apostel Paulus leert dat wij geënt zijn in dezelfde dood als die van Christus en met Hem in de dood van de zonde begraven zijn. Romeinen 6:4-5 En dat door zijn kruis de wereld voor ons gekruisigd is en wij voor de wereld gekruisigd zijn. Galaten 6:14; 2:19 En dat wij met Christus gestorven zijn. Kolossenzen 3:3 Met deze woorden spoort Paulus ons niet alleen maar aan om Christus’ dood te imiteren. Hij verklaart dat die dood een effect heeft dat in iedere christen gezien moet worden. Anders maken we zelf zijn dood nutteloos en onvruchtbaar.
Er worden ons in Christus’ dood en begrafenis dus twee zegeningen gepresenteerd om van te genieten: we zijn verlost van de dood waaraan we onderworpen waren en ons vlees wordt gedood.
Christus is neergedaald in de hel
Ook horen we niet over te slaan dat Christus is neergedaald in de hel. Want dat is bepaald niet onbelangrijk voor de totstandkoming van onze verlossing. Weliswaar blijkt uit de geschriften van de oude schrijvers dat dit zinsdeel, dat we in de Apostolische Geloofsbelijdenis lezen, vroeger niet erg gebruikelijk was in de kerken. Toch is het nodig om hier bij het behandelen van de kern van de leer plaats voor in te ruimen. Want het bevat een nuttig mysterie over een belangrijk onderwerp. We moeten dat zeker niet negeren.
Ook sommigen van de oude schrijvers slaan het niet over. Op grond daarvan zou je kunnen opmaken dat dit zinsdeel pas later is ingevoegd en dat het in de kerken niet direct, maar pas geleidelijk in gebruik genomen werd. In elke geval staat buiten kijf dat het het gemeenschappelijk geloof weergeeft van alle vromen. Want van de kerkvaders is er niemand die in zijn geschriften niet noemt dat Christus is neergedaald in de hel, ook al leggen ze dat wel verschillend uit. Het doet er echter weinig toe door wie of wanneer dit zinsdeel is ingevoegd. Bij de artikelen van de geloofsbelijdenis moeten we er meer op letten of ze in alle opzichten volledig de kern van het geloof bevatten en of er niets aan wordt toegevoegd dat niet afkomstig is uit het heel zuivere woord van God.
Sommigen zijn zo eigenwijs om dit zinsdeel niet in de geloofsbelijdenis te accepteren. Maar straks zal snel duidelijk worden dat dit zo belangrijk is voor het geheel van de verlossing, dat je het niet kunt passeren zonder dat er veel van de vrucht van Christus’ dood verloren gaat. Aan de andere kant zijn er ook mensen die vinden dat hier niets nieuws gezegd wordt. Volgens hen wordt hier alleen in andere woorden herhaald wat eerst over Christus’ begrafenis gezegd is. Want in de Schrift wordt het woord voor ‘hel’ meer dan eens gebruikt voor ‘graf’. Ik erken dat ze gelijk hebben wat betreft de betekenis van het woord. Voor ‘graf’ wordt inderdaad vaak hetzelfde woord gebruikt als voor ‘hel’. Maar er zijn twee argumenten die tegen hun opvatting ingaan en die mij er gemakkelijk van overtuigen dat ik het niet met hen eens kan zijn.
In de eerste plaats zou het wel heel slordig zijn om een onderwerp dat helemaal niet moeilijk is en klip en klaar is weergegeven daarna nog een keer, maar dan met minder duidelijke woorden, meer aan te stippen dan uit te leggen. Immers, als je twee keer hetzelfde zegt, moet de tweede keer een uitleg geven van de eerste keer. Maar wat is dat nu voor uitleg, als iemand zegt: Christus is begraven en dat betekent dat Hij neergedaald is in de hel?
In de tweede plaats is het niet waarschijnlijk dat er zo’n overbodige verdubbeling heeft kunnen binnensluipen in deze korte samenvatting van de belangrijkste kernpunten van het geloof, opgeschreven in zo min mogelijk woorden. Ik twijfel er dus niet aan, of ieder die zelf iets nauwkeuriger over deze kwestie nadenkt, zal het gemakkelijk met mij eens zijn.
Het voorgeborchte is een fabeltje
Anderen leggen het anders uit: Christus zou neergedaald zijn naar de zielen van de aartsvaders die onder de wet gestorven waren. Hij zou hun het nieuws gebracht hebben dat de verlossing tot stand gebracht was en hen hebben bevrijd uit de gevangenis waar ze in opgesloten zaten. Om hun fantasie te bevredigen slepen ze hier een passage uit Psalm 107 aan de haren bij, waarin staat dat de HEER de koperen deuren en de ijzeren grendels opengebroken heeft. Psalm 107:16 En een passage uit Zacharia dat Hij de gevangenen bevrijd heeft uit de put zonder water. Zacharia 9:11
Maar in deze psalm gaat het over de bevrijding van hen die in verre landen gevangen en geboeid worden. En Zacharia vergelijkt de Babylonische ballingschap met een diepe, droge put of afgrond waar het volk in weggezonken was. Bovendien leert hij dat de redding van heel de kerk een uitkomst is uit de diepste diepte. Daarom snap ik niet hoe men later op het idee gekomen is dat er een onderaardse plek zou bestaan die men het ‘voorgeborchte’ ging noemen. Dit fabeltje wordt gesteund door mannen van naam en ook tegenwoordig verdedigen velen dit serieus als de waarheid. Toch is het niet meer dan een fabeltje. Want het is kinderachtig om de zielen van de doden op te sluiten in een gevangenis. En waarom was het nodig dat Christus’ ziel daarheen afdaalde om ze te bevrijden?
Wel geef ik graag toe dat Christus aan hen verschenen is door de kracht van zijn Geest, om hen te laten weten dat de genade waar zij alleen een voorproefje van gehad hadden, toen daadwerkelijk aan de wereld geopenbaard is. Waarschijnlijk is hierop de passage van toepassing van Petrus, waar hij zegt dat Christus naar de geesten in de uitkijktoren – meestal vertaald met ‘gevangenis’ – gegaan is en aan hen gepredikt heeft. 1 Petrus 3:19 Want ook de context wijst ons erop dat de gelovigen die voor die tijd gestorven waren, samen met ons deel hadden aan dezelfde genade. Want de apostel geeft Christus’ dood extra betekenis doordat zelfs de doden erdoor geraakt worden. De vrome zielen hebben daadwerkelijk het bezoek gezien waar ze vol spanning naar uitkeken. Voor de verworpenen echter was het nu nog duidelijker dat ze van elke redding waren uitgesloten. Petrus maakt dat onderscheid niet zo duidelijk. Maar dat moeten we niet opvatten alsof hij vromen en goddelozen zonder onderscheid door elkaar haalt. Hij wil alleen maar leren dat vromen en goddelozen beiden Christus’ dood gezien hebben.
Christus’ lijden was meer dan alleen lichamelijk
Maar we moeten een meer betrouwbare uitleg zoeken over Christus’ afdaling in de hel, buiten de geloofsbelijdenis om. En zo’n uitleg vinden we in Gods Woord, niet alleen heilig en vroom, maar ook vol heerlijke troost. Christus zou niets tot stand gebracht hebben als Hij alleen een lichamelijke dood gestorven had. Hij moest daarnaast ook de strengheid van Gods wraak voelen, om Gods woede op te vangen en aan zijn rechtvaardig oordeel te voldoen. En daarom moest Hij als het ware een gevecht van man tegen man leveren tegen de legermachten van de hel en de verschrikking van de eeuwige dood.
Kort hiervóór heb ik uit de profeet Jesaja geciteerd dat op Hem de straf gelegd was die ons vrede brengt, dat de Vader Hem geslagen heeft om onze zonden en dat Hij verbrijzeld is om onze zwakheden. Jesaja 53:5-6 Daarom geeft de profeet aan dat Christus in plaats van de zondaren is aangesteld als een borg en dus als een schuldenaar. Hij moest elke straf betalen en voldoen die van hen geëist moest worden. De enige uitzondering was dat de weeën van de dood Hem niet konden vasthouden. Handelingen 2:24 Dus is het niet zo vreemd dat er over Hem gezegd wordt dat Hij is neergedaald in de hel. Want Hij heeft de dood doorstaan die God in zijn woede oplegt aan zondaren.
En het is veel te flauw, zelfs belachelijk dat sommigen tegenwerpen dat dat de omgekeerde volgorde is. Volgens hen is het absurd dat na het artikel over de begrafenis dit artikel komt, over iets dat daarvóór gebeurd is. Want eerst is behandeld wat Christus geleden heeft voor het oog van de mensen. En terecht wordt er daarna het onzichtbare en niet te bevatten oordeel aan toegevoegd dat Hij voor het oog van God doorstaan heeft. Want we moeten weten dat Christus niet alleen zijn lichaam heeft prijsgegeven om voor onze verlossing te betalen. Hij heeft ook nog een andere, grotere en hogere prijs betaald: met zijn ziel heeft Hij de vreselijke kwellingen doorstaan van een veroordeeld en verloren mens.
Christus moest strijden tegen de angst voor de dood
Daarom zegt Petrus dat Christus is opgestaan nadat Hij de weeën van de dood had losgemaakt, omdat die Hem onmogelijk konden vasthouden of overwinnen. Hij noemt niet simpelweg de dood, maar vertelt expliciet dat Gods Zoon verward zat in de weeën die voortkomen uit Gods vloek en woede. En die vormen de oorsprong van de dood. Want wat zou het eigenlijk voorgesteld hebben als Hij gekomen was om de dood te ondergaan, terwijl Hij niets te vrezen had, alsof het een spelletje was? Maar Hij sidderde voor de dood en toch vluchtte Hij er niet voor. Dat was echt een voorbeeld van zijn grenzeloze barmhartigheid.
En er is geen twijfel aan dat de apostel in de brief aan de Hebreeën hetzelfde wil leren. Hij schrijft dat Christus verhoord is uit zijn angst. Hebreeën 5:7 Anderen vertalen ‘angst’ met
‘ontzag’ of ‘vroomheid’. Maar uit de context en ook uit de manier van spreken blijkt wel hoe onterecht dat is. Christus bidt dus met tranen en luide uitroepen en Hij wordt uit zijn angst verhoord. Niet om vrij te zijn van de dood, maar om niet als een zondaar door de dood verslonden te worden. Hij had immers onze rol als zondaar op zich genomen. We kunnen ons vast geen afgrond voorstellen die zo afschuwelijk is als het gevoel dat God je verlaten heeft en dat je van Hem vervreemd bent. Dat je niet verhoord wordt als je tot Hem bidt. Dan is het net alsof Hij uit is op je ondergang.
We zien dat Christus zo diep verslagen was dat Hij in zijn vreselijke benauwdheid moest uitroepen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U
Mij verlaten?’ Psalm 22:2; Mattheüs 27:46 Sommigen willen beweren dat Hij dit niet zei omdat Hij het zelf zo voelde, maar alleen omdat anderen vonden dat God Hem verlaten had. Maar dat is totaal onwaarschijnlijk. Want het staat vast dat deze uitspraak voortkwam uit een diepe benauwdheid van zijn ziel.
Toch beweer ik niet dat God Hem ooit vijandig gezind geweest is of boos op Hem is geweest. Want hoe zou Hij boos kunnen worden op zijn geliefde Zoon, met wie Hij heel blij is? Mattheüs 3:17; 12:18; 17:5; Marcus 9:7; Lucas 9:35; Jesaja 42:1 Of hoe zou Christus met zijn tussenkomst zijn Vader kunnen verzoenen met anderen, als Hij Hem zelf als vijand had? Maar ik beweer dat Hij de zware last van Gods strengheid gedragen heeft. Hij is geslagen en neergeworpen door Gods hand. Hij heeft alle tekenen ervaren van Gods woede en straf.
Daarom beargumenteert Hilarius dat Christus’ afdaling in de hel ons heeft opgeleverd dat de dood gedood is. En ook op andere plaatsen wijkt hij niet af van mijn opvatting. Bijvoorbeeld als hij zegt: ‘Het kruis, de dood en de hel betekenen voor ons leven.’ En ergens anders: ‘Gods Zoon is in de hel. Maar de mens wordt opgenomen in de hemel.’
Maar waarom citeer ik het getuigenis van een gewoon mens? De apostel verzekert hetzelfde. Want als een vrucht van Christus’ overwinning noemt hij dat zij die heel hun leven slaaf waren van hun angst voor de dood, verlost zijn. Hebreeën 2:15 Christus heeft dus de angst moeten overwinnen die van nature alle stervelingen continu bang maakt en onderdrukt. En dat kon alleen door tegen die angst te strijden. Straks zal nog duidelijker blijken dat deze onderdrukking niet gewoon was en geen onbeduidende oorzaak had. Christus was dus verwikkeld in een gevecht van man tegen man tegen de macht van de duivel, tegen de verschrikking van de dood en tegen de weeën van de hel. Maar Hij behaalde de overwinning en zegevierde! Nu hoeven wij in de dood voor die dingen nooit meer bang te zijn. Want onze vorst heeft ze verslonden!
Weerlegging van dwalingen
Maar sommige domme sukkels – al is het vooral uit boze opzet en niet uit onwetendheid – roepen dat ik Christus een afschuwelijk onrecht aandoe. Want het zou totaal ongepast zijn dat Hij bang zou zijn voor het behoud van zijn ziel. En ze gaan nog harder te keer in hun laster door te beweren dat ik de Zoon van God een wanhoop toeschrijf die in strijd zou zijn met geloof.
Om te beginnen zijn ze zo brutaal om een discussie te beginnen over Christus’ vrees en angst. Maar de evangelisten leren dat klip en klaar! Want toen het moment naderde dat Hij zou sterven, stormde het in zijn geest en raakte Hij bedroefd. Johannes 13:21 En tijdens de strijd zelf werd Hij zelfs nog banger. Mattheüs 26:37 Als ze zeggen dat Hij alleen maar deed alsof, dan is dat een nogal schandelijke uitvlucht. Als we ons niet schamen voor Christus’ kruis, horen we dus vol vertrouwen te belijden dat Hij bedroefd was. Ambrosius leert dat en hij heeft gelijk. En inderdaad: als Christus’ ziel niet in de straf gedeeld had, dan zou Hij alleen ons lichaam verlost hebben. Maar Hij moest dit gevecht leveren om de verslagenen op te richten. En dit doet niets af aan zijn hemelse glorie. Sterker nog, hierin schittert juist zijn goedheid, die nooit genoeg geprezen kan worden. Want Hij heeft niet geweigerd onze zwakheid op zich te nemen.
Vandaar ook dat de apostel ons in angst en verdriet troost dat deze middelaar onze zwakheden ervaren heeft. Daarom is Hij extra bereid om mensen in hun ellende te hulp te komen. Hebreeën 5:14 Mijn tegenstanders wijzen erop dat het beledigend is om aan Christus iets toe te kennen dat per definitie verkeerd is. Alsof zij wijzer zouden zijn dan de Geest van God!
Want die voegt deze twee dingen samen: Christus is net als wij in alles uitgetest, maar toch heeft Hij niet gezondigd. Er is dus geen reden waarom Christus’ zwakheid ons zou moeten afschrikken. Want Hij heeft zich niet aan die zwakheid onderworpen omdat het niet anders kon of omdat Hij ertoe gedwongen werd. Hij heeft dat alleen gedaan uit liefde voor ons, uit barmhartigheid. En alles wat Hij uit eigen beweging voor ons geleden heeft, doet niets af van zijn goede eigenschappen.
Maar op één punt vergissen die lasteraars zich: Christus’ zwakheid was zuiver en vrij van elk gebrek en elke smet. Want Hij is binnen de grenzen van gehoorzaamheid gebleven. In onze bedorven aard valt geen zelfbeheersing te ontdekken. In al onze begeerten gaan we ons met een razende drift te buiten. En onterecht meten zij Gods Zoon met deze maat. Maar Hij was volmaakt. Zijn begeerten werden in toom gehouden door een zelfbeheersing die buitensporigheid voorkwam. En daardoor kon Hij in verdriet en angst aan ons gelijk zijn en toch op dit punt anders zijn dan wij.
Maar als ik hen hiervan overtuigd heb, springen ze over op een andere drogredenering. Dan beweren ze dat Christus misschien wel bang geweest is voor de dood, maar niet voor Gods vloek en woede. Want Hij wist dat Hij daar veilig voor was. Maar vrome lezers moeten maar eens overwegen of dit eigenlijk wel zo eervol voor Christus is. Dan zou Hij weekhartiger en bangelijker geweest zijn dan de meeste gewone mensen. Moordenaars en andere misdadigers haasten zich koppig hun dood tegemoet. Velen verachten die hoogmoedig, anderen ondergaan hem kalm. Hoe standvastig of groot zou de Zoon van God dan blijken als Hij getroffen werd door doodsangst en er bijna onder bezweek?
Want over Hem wordt iets verteld wat je bij een gewoon mens als een wonder zou beschouwen: Hij werd zo zwaar gekweld dat er bloeddruppels over zijn gezicht liepen. Maar Hij heeft dat niet aan iemand anders laten zien, want Hij heeft op een verborgen plek zijn smeekbedes aan de Vader gericht. En om de laatste twijfel weg te nemen: er moesten engelen uit de hemel komen om Hem op te beuren met een bijzondere troost. Wat een smadelijke lafheid zou dat geweest zijn, zoals ik zei, als Hij zo bang was voor een normale menselijke dood dat Hij bloed zweette en alleen versterkt kon worden door het zien van engelen! Lucas 22:43-44 En dan: driemaal bidt Christus: ‘Vader, als het kan, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan!’ Mattheüs 26:39 Kwam dat dan niet voort uit een ongelooflijk bitter gekwelde ziel? Laat dat dan niet zien dat Christus veel harder en zwaarder tegen de dood heeft moeten vechten dan ieder ander mens?
Hieruit blijkt dat die praatjesmakers met wie ik in discussie ben brutaalweg kletsen over dingen waar ze geen benul van hebben. Want ze hebben nog nooit serieus overwogen wat het inhoudt of wat het betekent dat we verlost zijn van Gods oordeel. Maar we zijn wijs als we heel goed beseffen wat onze redding Gods Zoon gekost heeft.
Misschien vraagt iemand nu of Christus op dat moment is afgedaald naar de hel, toen Hij bad of de dood aan Hem voorbij mocht gaan. Mijn antwoord is dan dat dit het begin geweest is. Je kunt eruit opmaken wat voor afschuwelijke en vreselijke kwellingen Hij geleden heeft toen Hij wist dat Hij omwille van ons als schuldige voor Gods rechterstoel stond. De goddelijke kracht van de Geest hield zich toen even verborgen, om plaats te maken voor de zwakheid van het vlees. Toch moeten we weten dat de emoties van verdriet en angst voor Hem wel een beproeving vormden, maar dat dat niet in strijd is met geloof. Op die manier is vervuld wat je leest in de preek van Petrus: de weeën van de dood konden Christus niet vasthouden. Handelingen 2:24 Want Hij had weliswaar het gevoel alsof God Hem verlaten had. Maar toch heeft Hij het vertrouwen op Gods goedheid zelfs geen klein stukje losgelaten. Dat leren we uit dat bekende gebed dat Christus uitroept omdat Hij zo diep gekweld was: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ Mattheüs 27:46 Hij is dan buitengewoon bang. Maar toch blijft Hij de God van wie Hij uitroept dat die Hem verlaten heeft, zijn God noemen.
Dit weerlegt ook de dwalingen van zowel Apollinarius als van de zogenaamde monothelieten. Apollinarius beweert dat de eeuwige Geest in Christus aanwezig was als ziel. Hij zou dan slechts een halve mens zijn. Alsof Hij onze zonden had kunnen verzoenen op een andere manier dan door de Vader te gehoorzamen. Maar waar huist het verlangen of de wil om te gehoorzamen anders dan in zijn ziel? En we weten dat Christus’ ziel het zo zwaar had om onze ziel, na het verdrijven van de angst, rust en vrede te geven.
Bovendien zien we – dat in tegenstelling tot de monothelieten – dat Christus volgens zijn menselijke natuur iets niet wilde wat Hij volgens zijn goddelijke natuur wel wilde. En dan laat ik liggen dat Hij de angst waar ik het over gehad heb, onderdrukt met een tegengestelde begeerte. De tegenstelling uit Hij immers duidelijk: ‘Vader, verlos Mij uit dit moment! Maar hierom ben ik in dit moment gekomen: Vader, laat de glorie van uw naam schitteren!’ Johannes 12:27-28 Die tweeslachtigheid hield echter geen gebrek aan zelfbeheersing in, zoals bij ons als we ons best doen om onszelf in toom te houden.
Christus is op de derde dag opgestaan uit de doden
Dan komt nu de opstanding uit de doden. Zonder Christus’ opstanding zou wat ik tot nu toe gezegd heb onvolledig zijn. Want uit het kruis, de dood en de begrafenis van Christus blijkt alleen maar zwakheid. Maar geloof moet over al die dingen heen springen om op volle sterkte te komen. Weliswaar is in Christus’ dood onze redding volledig vervuld. Want daardoor zijn wij met God verzoend, is er aan zijn rechtvaardig oordeel voldaan, is de vloek weggenomen en is de straf betaald. Maar toch wordt er gezegd dat wij niet door Christus’ dood, maar door zijn opstanding opnieuw geboren zijn tot een levende hoop. 1 Petrus 1:3 Doordat Hij opstond, kwam Christus tevoorschijn als overwinnaar op de dood. En daarom ligt ook de overwinning van ons geloof alleen in zijn opstanding.
De woorden van Paulus maken nog duidelijker hoe dit zit. Want hij zegt dat Christus gestorven is om onze zonden en opgewekt om ons te rechtvaardigen. Romeinen 4:25 Alsof hij wilde zeggen dat door Christus’ dood de zonde is weggenomen en door zijn opstanding de rechtvaardigheid vernieuwd en hersteld is. Want hoe had Christus ons van de dood kunnen bevrijden als Hij zelf onder de dood bezweken was? Hoe had Hij ons de overwinning kunnen bezorgen als Hij in de strijd het onderspit gedolven had? Daarom verdelen we de bouwstenen van ons behoud zo over Christus’ dood en opstanding: door zijn dood is de zonde vernietigd en de dood verslonden en door zijn opstanding is de rechtvaardigheid hersteld en het leven weer opgericht. Maar dan wel zo: de betekenis en het effect van zijn dood krijgen we door de zegen van zijn opstanding.
Daarom zegt Paulus dat de opstanding bewees dat Christus Gods Zoon was. Romeinen 1:4 Want toen heeft Hij pas zijn hemelse macht laten zien. Die macht vormt zowel een heldere spiegel van zijn God zijn als een solide basis voor ons geloof. Zo leert Paulus ook ergens anders dat Christus geleden heeft volgens de zwakheid van zijn vlees, maar opgestaan is door de kracht van de Geest. 2 Korinthiërs 13:4 En als hij het ergens anders over de volmaaktheid heeft, bedoelt hij hetzelfde als hij zegt: ‘Opdat ik Hem mag kennen en de kracht van zijn opstanding.’ Maar meteen daarna voegt hij eraan toe: ‘En het delen in zijn dood.’ Filippenzen 3:10
En dat klopt precies met een uitspraak van Petrus: God heeft Christus uit de doden opgewekt en zijn glorie laten schitteren zodat ons geloof en onze hoop op God gericht zouden zijn. 1 Petrus 1:21 Niet dat ons geloof op basis van Christus’ dood wankel zou staan. Maar omdat de kracht van God die ons in het geloof bewaart zich vooral openbaart in de opstanding.
We moeten daarom in gedachten houden dat, telkens als alleen Christus’ dood genoemd wordt, daarmee tegelijk ook bedoeld wordt wat hoort bij zijn opstanding. En ook dat op dezelfde manier, telkens als alleen zijn opstanding genoemd wordt, daarmee tegelijk ook bedoeld wordt wat specifiek op zijn dood van toepassing is.
Maar doordat Christus opstond, heeft Hij de prijs van de overwinning gekregen. Zo werd Hij de opstanding en het leven. Daarom stelt Paulus terecht dat er van geloof niets overblijft en dat het evangelie zinloos en vals is als de opstanding niet stevig in ons hart verankerd zit. 1 Korinthiërs 15:17 Daarom voegt hij ergens anders aan een lofprijzing op Christus’ dood tegen de verschrikkingen van de veroordeling het volgende toe om extra nadruk te geven: ‘Sterker nog, dezelfde die gestorven is, is opgestaan en verschijnt nu als middelaar voor Gods ogen.’ Romeinen 8:34
Hiervóór heb ik uitgelegd dat het afsterven van ons vlees afhankelijk is van het delen in het kruis. Nu moeten we begrijpen dat op dezelfde manier zijn opstanding ons een andere vrucht oplevert, die daarmee correspondeert. ‘Want,’ zegt de apostel Paulus, ‘wij zijn geënt in dezelfde dood als die van Hem, om ook te delen in zijn opstanding en te wandelen in een nieuw leven.’ Romeinen 6:4-5 En ergens anders ontleent hij aan het feit dat wij met Christus gestorven zijn het bewijs dat we op aarde onze ledematen moeten doden. Op dezelfde manier leidt hij ook uit het feit dat wij met Christus opgestaan zijn af dat wij de dingen moeten zoeken die boven zijn en niet de dingen die op de aarde zijn. Kolossenzen 3:1-5 En die woorden zijn voor ons niet alleen maar een uitnodiging om een nieuw leven na te streven door het voorbeeld te volgen van de uit de doden opgewekte Christus. Het is voor ons ook een les dat we door zijn kracht opnieuw geboren worden tot rechtvaardigheid. Als derde vrucht levert Christus’ opstanding ons op dat we daarin een waarborg gekregen hebben van onze eigen opstanding. Want vast en zeker vormt Christus’ opstanding het betrouwbaarste fundament voor onze eigen opstanding. De apostel behandelt dat nog uitgebreider in 1 Korinthiërs 15.
In het voorbijgaan moet ik nog opmerken dat er gezegd wordt dat Christus is opgestaan uit de ‘doden’. Die woorden drukken zowel de waarheid van zijn dood als van zijn opstanding uit. Alsof er gezegd werd dat Hij dezelfde dood gestorven is die alle mensen van nature sterven en dat Hij de onsterfelijkheid gekregen heeft in hetzelfde sterfelijke vlees, dat Hij aangenomen had.
Christus is opgevaren naar de hemel
Niet voor niets wordt in de Apostolische Geloofsbelijdenis aan de opstanding de hemelvaart gekoppeld. Weliswaar begon Christus met zijn opstanding extra glans te geven aan zijn glorie en kracht. Want toen had Hij de verachtelijke en onaanzienlijke toestand van het sterfelijk leven en de schande van het kruis al afgelegd. Toch is Hij pas echt aan zijn regering begonnen met zijn hemelvaart. De apostel Paulus laat dat zien als hij leert dat Christus opgevaren is om alle dingen te vervullen. Efeziërs 4:10 Het lijkt tegenstrijdig, maar Paulus laat zien dat het precies klopt: Christus is bij ons weggegaan, maar dat Hij wegging, daar hebben wij meer aan dan wanneer Hij bij ons gebleven was. Want zolang Hij bij ons op aarde was, bleef Hij binnen de nederige woning van het vlees.
Johannes vertelt van die heerlijke uitnodiging: ‘Als iemand dorst heeft, dan moet hij bij Mij komen …’ En dan voegt hij eraan toe dat de gelovigen toen de Geest nog niet gekregen hadden, omdat Jezus nog geen glorie gekregen had. Johannes 7:37-39 De Heer heeft dat ook zelf verklaard tegenover zijn leerlingen: ‘Het is goed voor jullie dat ik wegga. Want als ik niet wegga, zal de Heilige Geest niet komen.’ Johannes 16:7 En om hen te troosten over zijn lichamelijke afwezigheid, vertelt Hij hun dat Hij hen niet als wezen zal achterlaten. Hij komt weer bij hen terug, weliswaar onzichtbaar, maar wel op een meer begerenswaardige manier. Want dan zouden ze ervaren en nog beter leren dat zijn gezag en zijn macht voor een gelovige voldoende zijn, niet alleen om gelukkig te leven, maar ook om gelukkig te sterven. Johannes 14:15-19 En inderdaad zien we met hoeveel meer overvloed Hij toen zijn Geest heeft uitgestort, met hoeveel meer glorie Hij zijn rijk bevorderd heeft en hoeveel meer macht Hij heeft laten zien, zowel in het helpen van de zijnen als in het verslaan van zijn vijanden.
Toen Hij werd opgenomen in de hemel, heeft Christus zijn lichamelijke aanwezigheid dus aan ons zicht onttrokken. Niet om niet langer dicht bij de gelovigen te zijn, die nog als vreemdelingen op aarde verblijven, maar om hemel en aarde te regeren met een kracht die extra sterk aanwezig is. Sterker nog, door zijn hemelvaart heeft Hij zich juist aan zijn belofte gehouden dat Hij tot het eind van de wereld bij ons zou blijven. Want door zijn hemelvaart is niet alleen zijn lichaam opgeheven tot boven alle hemelen. Ook zijn kracht en het effect van zijn werk reikt nu tot aan alle uithoeken van de hemel en van de aarde.
Ik leg dit liever uit met woorden van Augustinus dan van mezelf. Hij zegt: ‘Christus zou via de dood naar de rechterhand van de Vader gaan. Vandaar zal Hij komen om de levenden en de doden te oordelen. Ook na zijn hemelvaart zal Hij lichamelijk aanwezig zijn, volgens de gezonde leer en de regel van het geloof. Want dan zou Hij geestelijk bij hen aanwezig zijn.’
En ergens anders zegt hij het nog uitgebreider en nog duidelijker: ‘Wat betreft zijn onuitsprekelijke en onzichtbare genade wordt vervuld wat Hij gezegd heeft: “Kijk, ik ben elke dag bij jullie, tot aan het eind van de wereld.” Mattheüs 28:20 Maar wat betreft het lichaam dat het Woord heeft aangenomen – het lichaam waarin Hij uit de maagd geboren is, waarin de Joden Hem gegrepen hebben, waarin Hij aan het hout gehangen is, waarin Hij van het kruis afgehaald is, waarin Hij in doeken gelegd is, waarin Hij in het graf gelegd is en waarin Hij in de opstanding geopenbaard is – wat betreft dat lichaam wordt vervuld wat Hij zei: “Jullie zullen Mij niet altijd bij jullie hebben.” Waarom? Omdat Hij, lichamelijk aanwezig, veertig dagen met zijn leerlingen omgegaan is en toen naar de hemel gevaren is. Met hun ogen volgden ze Hem, maar anders niet. Handelingen 1:3-9 Nu is Hij niet meer hier. Want Hij zit daar aan de rechterhand van de Vader. En Hij is nog wel hier. Want met zijn majesteit is Hij hier aanwezig gebleven. Dus in zijn majesteit blijft Christus altijd bij ons. Maar wat betreft zijn lichamelijke aanwezigheid heeft Hij terecht tegen de leerlingen gezegd: “Jullie zullen Mij niet altijd bij jullie hebben.” Want de kerk heeft Hem lichamelijk maar enkele dagen bij zich gehad. Nu blijft Hij bij hen in geloof. Ze zien Hem niet met hun ogen.’
Christus zit aan de rechterhand van de Vader
Daarom wordt in de Apostolische Geloofsbelijdenis meteen daarna gezegd dat Christus aan de rechterhand van de Vader zit. Dat is een vergelijking die is ontleend aan de vorsten die hun assistenten hebben. Aan hen dragen zij de taak op om te besturen en bevelen te geven. De Vader wil in Christus geprezen worden en Hij wil door zijn hand regeren. Dus wordt over Christus gezegd dat Hij is opgenomen naar de rechterhand van de Vader. Marcus 16:19; Hebreeën 1:3 Het is net alsof er gezegd werd dat Hij is ingehuldigd om te regeren over hemel en aarde en dat Hij de aan Hem toevertrouwde bediening officieel op zich genomen heeft. En dat heeft Hij niet voor één keer gedaan. Hij blijft die bediening uitvoeren totdat Hij komt om te oordelen.
Want zo legt de apostel Paulus het uit. Hij zegt het zo: ‘De Vader heeft Hem aan zijn rechterhand gezet, boven elke overheid, macht, kracht en gezag en boven elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige wereld.’ Efeziërs 1:20; Filippenzen 2:9 En zo: ‘Hij heeft alles onder zijn voeten gelegd 1 Korinthiërs 15:27 en heeft Hem de kerk gegeven om Hem hoofd te laten zijn over alle dingen …’ Efeziërs 4:15 Je ziet waarom Hij daar zit: zowel de hemelse als de aardse schepselen moeten opkijken tegen zijn majesteit, door zijn hand geregeerd worden, op zijn wenken gespitst zijn en zich aan zijn macht onderwerpen.
En telkens als de apostelen het noemen dat Christus aan Gods rechterhand zit, willen ze daarmee niets anders leren dan dat Hij in alles het laatste woord gekregen heeft. Handelingen
2:30-36; 3:21; Hebreeën 1:8-13 Wie denkt dat met dat zitten simpelweg het geluk wordt bedoeld, heeft het dus mis. Verder maakt het niets uit dat in Handelingen Stefanus verklaart dat Hij Christus ziet staan. Want het gaat hier niet om de lichaamshouding, maar om de majesteit van het gezag. Het ‘zitten’ betekent dus gewoon het voorzitten van de hemelse rechtbank.
Wat Christus’ hemelvaart ons oplevert
Dit levert ons allerlei vrucht op voor ons geloof. In geloof begrijpen we immers dat de Heer door zijn hemelvaart de toegang geopend heeft tot het hemelse koninkrijk. Voor Adam was die toegang gesloten. Maar Christus is in een menselijk lichaam de hemel binnengegaan. Daarom is het net alsof Hij namens ons de hemel binnengegaan is. En dat betekent dus, zoals de apostel Paulus zegt, dat wij in zekere zin in Hem in de hemel zitten. Wij hebben niet slechts hoop op de hemel, maar in ons hoofd Christus hebben wij de hemel al. Efeziërs 2:6
In de tweede plaats zien we in geloof in dat het voor ons grote voordelen heeft dat Christus naast de Vader zit. Want nu Hij het heiligdom is binnengegaan dat niet met handen gemaakt is, verschijnt Hij blijvend voor Gods ogen als advocaat en pleiter voor ons. Hebreeën 7:25; 9:11; Romeinen 8:34 Hij laat de Vader zijn ogen richten op zijn rechtvaardigheid, zodat die niet langer kijkt naar onze zonden. Hij verzoent het hart van de Vader zo met ons dat Hij met zijn pleiten voor ons de weg en de toegang baant tot Gods troon. En ondertussen zorgt Hij ervoor dat die troon vol genade en welwillendheid is, terwijl die anders voor ellendige zondaren vol verschrikking zou zijn.
In de derde plaats grijpen we in geloof zijn macht vast. In die macht liggen onze weerbaarheid, kracht, wapens en triomf tegen de hel. Want ‘toen Hij opvoer naar de hemel, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen’ Efeziërs 4:8; Psalm 68:19 en nadat Hij zijn vijanden ontwapend had, overlaadde Hij zijn volk en elke dag geeft Hij hun nog meer geestelijke rijkdom. Christus zit dus in hoge regionen om vandaar zijn kracht op ons uit te storten en ons levend te maken, om ons te heiligen door zijn Geest, om zijn kerk te tooien met allerlei genadegaven, om haar door zijn bescherming veilig te bewaren tegen elk kwaad, om de razende vijanden van zijn kruis en van ons behoud te bedwingen met de kracht van zijn hand, kortom, om alle macht te hebben op hemel en aarde, totdat Hij al zijn vijanden – dat zijn ook onze vijanden – verslagen heeft en Hij de opbouw van zijn kerk voltooid heeft. Zo staat het er werkelijk voor in zijn rijk. Dit is de macht die de Vader Hem gegeven heeft, totdat Hij zijn laatste daad verricht, als Hij komt om de levenden en de doden te oordelen.
Christus zal terugkomen om de levenden en de doden te oordelen
Christus geeft de zijnen weliswaar bewijzen dat Hij met zijn kracht zeer aanwezig is. Maar die bewijzen zijn nogal onduidelijk. Zijn koninkrijk ligt op aarde een beetje verborgen onder de lage positie van het vlees. Daarom is het volledig terecht dat we in het geloof geroepen worden om na te denken over zijn zichtbare aanwezigheid die Hij op de laatste dag zal openbaren. Want Hij zal in een zichtbare gedaante neerdalen uit de hemel, net zo als zijn leerlingen Hem hebben zien opvaren. Handelingen 1:11; Mattheüs 24:30 En Hij zal voor iedereen verschijnen met de onuitsprekelijke majesteit van zijn koningschap, met de glans van onsterfelijkheid, met de immense macht van zijn goddelijkheid, met een escorte van engelen.
Daarom wordt ons dus bevolen dat we naar Hem moeten uitkijken als verlosser, op die dag waarop Hij de schapen zal scheiden van de bokken, de uitverkorenen van de verworpenen. Mattheüs 25:31-33 En niemand zal dan aan zijn oordeel kunnen ontkomen. Niemand van de levenden en ook niemand van de doden. Want vanuit de uithoeken van de hemelkoepel zal de klank van de bazuin gehoord worden. Die daagt iedereen voor zijn rechterstoel, zowel wie op die dag nog in leven zijn als wie eerder al door de dood uit de gemeenschap van de levenden zijn weggenomen. 1 Thessalonicenzen 4:16-17
Er zijn mensen die de woorden ‘de levenden en de doden’ hier opvatten als ‘de goeden en de slechten’. En inderdaad zien we dat sommigen van de oude schrijvers geaarzeld hebben hoe ze dit artikel moesten uitleggen. Maar de betekenis die ik net gegeven heb, is niet alleen helder en duidelijk. Het is ook de uitleg die verreweg het beste past bij de twaalf artikelen van het geloof. Want het staat vast dat die zo geformuleerd zijn dat het gewone volk ze kan begrijpen. En dat is niet in strijd met wat de apostel verklaart, dat alle mensen ooit moeten sterven. Hebreeën 9:27 Zij die bij het laatste oordeel nog in dit sterfelijke leven overgebleven zijn, zullen niet sterven op de gewone, natuurlijke manier. Maar de verandering die ze zullen ondergaan, lijkt op de dood en daarom is het niet ongepast om die verandering ‘dood’ te noemen. Niet iedereen zal inslapen. Maar het is wel zeker dat iedereen veranderd zal worden. 1 Korinthiërs 15:51 Wat houdt dat in? Hun sterfelijk lichaam zal in één ogenblik verdwijnen en verslonden worden en veranderen in een compleet nieuwe natuur.
Niemand kan ontkennen dat die verdwijning van het vlees een dood is.
Ondertussen is het nog steeds waar dat de levenden en de doden gedaagd zullen worden voor het oordeel. Want de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen zij die nog in leven gebleven zijn samen met hen opgenomen worden in de lucht, de Heer tegemoet. 1 Thessalonicenzen 4:16-17 En het is inderdaad waarschijnlijk dat dit artikel ontleend is aan een preek van Petrus waar Lucas van vertelt Handelingen 10:42 en een plechtige bezwering van Paulus aan Timotheüs. 2Timotheüs 4:1
De troost van het laatste oordeel
Dit biedt ons een enorme troost: we horen dat het oordeel in handen ligt van Hem die ons er al voor bestemd heeft met Hem te delen in de eer van het oordelen. Mattheüs 19:28 Hij zal de rechterstoel in elk geval dus niet beklimmen om ons te veroordelen! Want hoe kan zo’n welwillende vorst zijn eigen volk verloren laten gaan? Hoe kan het hoofd zijn eigen ledematen wegwerpen? Hoe kan de beschermheer zijn beschermelingen veroordelen? De apostel Paulus roept uit dat, als Christus voor ons pleit, er niemand kan komen om ons te veroordelen. Romeinen 8:33-34 Als Paulus dat durft zeggen, dan is nog meer waar dat Christus, de pleiter zelf, niet zal veroordelen wie Hij beloofd heeft te beschermen. Het is bepaald geen geringe geruststelling dat we geplaatst zullen worden voor de rechterstoel van niemand anders dan onze verlosser, van wie wij ons behoud mogen verwachten! En ook dat Hij die ons nu door middel van het evangelie eeuwig geluk belooft, die belofte dan door middel van het oordeel waar zal maken! Voor dit doel heeft de Vader dus de Zoon geëerd en Hem het oordeel opgedragen. Johannes 5:22-23 Zo moet Hij zorgen voor het geweten van de zijnen, die sidderen van angst voor het oordeel.
Tot zover heb ik de volgorde van de Apostolische Geloofsbelijdenis aangehouden. Want die behandelt in enkele woorden de kernpunten van de verlossing. Daarom kan die voor ons fungeren als een lijst waarop we één voor één de afzonderlijke punten zien waarop we moeten letten om in Christus gered te worden.
Ik noem dit de ‘Apostolische’ Geloofsbelijdenis, zonder dat ik me ondertussen druk maak over de vraag wie die geloofsbelijdenis eigenlijk heeft opgesteld. Zeker, de oude schrijvers zijn het er vrijwel over eens dat deze geloofsbelijdenis moet worden toegeschreven aan de apostelen. Óf omdat ze van mening waren dat de apostelen haar samen geschreven en uitgegeven hebben, óf omdat ze vonden dat deze geloofsbelijdenis deze erenaam waard was als een betrouwbare samenvatting van de leer die via de handen van de apostelen is overgeleverd.
Zelf echter twijfel ik er niet aan of deze geloofsbelijdenis heeft meteen vanaf het eerste begin van de kerk, ja vanaf de tijd van de apostelen, gefungeerd als een openbare en met algemene instemming aanvaarde geloofsbelijdenis. Het maakt niet uit wat de precieze oorsprong geweest is. Waarschijnlijk is deze geloofsbelijdenis niet door één persoon in zijn eentje opgesteld. Want het staat vast dat deze geloofsbelijdenis sinds mensenheugenis onder alle vromen een heilig gezag gehad heeft.
Maar waar we vooral op moeten letten, daar hoeven we niet over te discussiëren. Want dat staat vast: in deze geloofsbelijdenis wordt heel ons geloof kort, duidelijk en overzichtelijk beschreven en deze geloofsbelijdenis bevat niets dat niet bevestigd wordt door betrouwbare bewijzen uit de Schrift. Als je dat begrepen hebt, hoef je je geen zorgen te maken over de vraag wie de schrijver was. Je hoeft daar met niemand over in discussie te gaan. Of is er soms iemand die er niet tevreden mee is dat de waarheid van de Heilige Geest zeker is, als hij niet tegelijk ook weet wie die waarheid met zijn mond heeft uitgesproken of met zijn hand heeft opgeschreven?
Christus alleen
We zien dus dat Christus ons behoud bevat, niet allen het geheel, maar ook elk afzonderlijk onderdeel. Daarom moeten we oppassen dat we zelfs geen heel klein stukje van ons behoud bij iemand anders zoeken.
Zoek je redding? Alleen de naam Jezus al leert ons dat die bij Hem te vinden is. Handelingen 4:12 Verlang je naar andere gaven van de Geest, welke dan ook? Je vindt ze in Christus’ zalving. Kracht? Die ligt in zijn regering. Reinheid? Die zie je in zijn conceptie. Liefde? Die zie je in zijn geboorte, waarin Hij ons in alles gelijk werd om te leren met ons mee te lijden. Verlossing? Die vind je in zijn lijden. Vrijspraak? Die vind je in zijn veroordeling. Kwijtschelding van de vloek?
Die vind je in zijn kruis. Betaling van de schuld? Die vind je in zijn offer. Reiniging? Die vind je in zijn bloed. Verzoening? Die vind je in zijn neerdalen in de hel. Het doden van je vlees? Dat vind je in zijn graf. Een nieuw leven? Dat vind je in zijn opstanding. Onsterfelijkheid? Die vind je ook in zijn opstanding. Het erven van het hemelse koninkrijk? Dat vind je in zijn hemelvaart. Bescherming, veiligheid, overvloed en rijkdom aan alle mogelijke zegeningen? Die vind je in zijn koningschap. Rust in afwachting van zijn oordeel? Die vind je in de macht die Hem gegeven is om te oordelen.
Kortom, Hij vormt een schatkamer van allerlei soorten zegeningen. Als we ons daarmee willen verzadigen, moeten we die dus uit Hem putten en nergens anders uit. Want als je niet met Hem tevreden bent en dan hier, dan daar ronddwaalt omdat je het van allerlei andere dingen verwacht – dan blijf je niet op het juiste pad, zelfs al richt je je blik in de eerste plaats op Hem. Want je wijdt ook een deel van je gedachten aan iets anders. Maar dit gebrek aan vertrouwen kan niet bij je binnensluipen als je eenmaal goed bekend bent met de overvloed van zijn zegeningen.
Voetnoten
- 284
Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 15,6.
- 285
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 110,6.
- 286
Hilarius van Poitiers, De trinitate II, 24; III, 15.
- 287
Apollinarius (3e eeuw), bisschop van Laodicea.
- 288
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 78,1.
- 289
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 50,13.
- 290
Augustinus, De fide et symbolo, 7,14.
- 291
Ambrosius van Milaan, De Iacobo et vita beata I, 6.
Voetnoot 284
Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 15,6.
Voetnoot 285
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 110,6.
Voetnoot 286
Hilarius van Poitiers, De trinitate II, 24; III, 15.
Voetnoot 287
Apollinarius (3e eeuw), bisschop van Laodicea.
Voetnoot 288
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 78,1.
Voetnoot 289
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 50,13.
Voetnoot 290
Augustinus, De fide et symbolo, 7,14.
Voetnoot 291
Ambrosius van Milaan, De Iacobo et vita beata I, 6.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.