Boek II · Hoofdstuk 17

Christus’ verdienste

Inhoud van dit hoofdstuk · 6 secties
  1. 1Dat Christus ons behoud verdiend heeft, is niet in strijd met Gods genade
  2. 2Het onderscheid tussen Gods genade en Christus’ verdienste
  3. 3Christus heeft Gods genade voor ons echt verdiend
  4. 4Christus heeft onze plaats ingenomen
  5. 5Christus heeft onze schuld betaald
  6. 6Christus heeft niets voor zichzelf verdiend

Dat Christus ons behoud verdiend heeft, is niet in strijd met Gods genade

Als een soort bijlage moet ik nu ook nog de volgende kwestie behandelen: er zijn mensen die weliswaar erkennen dat wij ons behoud krijgen door Christus, maar die uit een verkeerde scherpzinnigheid er niet van willen horen dat Christus ons behoud voor ons ‘verdiend’ heeft. Want ze vinden dat je dan de genade van God verduistert. Daarom willen ze Christus alleen een instrument of uitdeler noemen en niet de bewerker of de aanvoerder en de vorst van het leven, zoals Petrus Hem noemt. Handelingen 3:15

Ik geef toe dat er geen ruimte is voor verdienste als je Christus simpelweg en op zichzelf gezien tegenover Gods oordeel wilt plaatsen. Want in een mens is niets te vinden waardoor hij bij God iets zou kunnen verdienen. Augustinus heeft daarom groot gelijk als hij schrijft: ‘Het helderste licht van de uitverkiezing en de genade is de redder, de mens Jezus Christus zelf. Want Hij is dat geworden zonder dat de menselijke natuur die in Hem is dat van tevoren verdiend heeft door goede daden of door geloof. Ik vraag je, geef maar eens antwoord op de volgende vraag: waarmee heeft de mens Christus het verdiend dat Hij met het Woord, dat samen met de Vader eeuwig bestaat, één persoon zou vormen en Gods eniggeboren Zoon zou zijn? Dan blijkt wel dat de bron van de genade in het hoofd zelf ligt. Vandaar verspreidt het zich over alle ledematen en krijgt ieder zoveel als hij nodig heeft. Door dezelfde genade waardoor de mens Christus vanaf het begin Christus was, wordt ieder vanaf het moment dat hij gelooft een christen.’

En ergens anders: ‘Er bestaat geen duidelijker voorbeeld van de uitverkiezing dan de middelaar zelf. Want God heeft Hem uit het nageslacht van David tot een rechtvaardig mens gemaakt die nooit onrechtvaardig zou zijn, zonder dat Hij van tevoren uit eigen beweging iets verdiend had. En zo heeft God ook de ledematen van dat hoofd van onrechtvaardigen veranderd in rechtvaardigen …’

Als het gaat over wat Christus verdiend heeft, leggen we de oorsprong daarvan dus niet in Hem. We klimmen op tot Gods bepaling. Die vormt de eerste oorzaak. Enkel en alleen omdat Hij dat wilde, heeft Hij de middelaar aangesteld om voor ons ons behoud te verwerven. En dus is het dom om Christus’ verdienste tegenover Gods barmhartigheid te plaatsen. Want er bestaat een algemene regel dat dingen die aan elkaar ondergeschikt zijn, nooit met elkaar in strijd kunnen zijn. En dus is er geen enkele belemmering om te zeggen dat God mensen rechtvaardig maakt, alleen uit genade en alleen uit barmhartigheid, en dat tegelijk Christus’ verdienste, ondergeschikt aan Gods barmhartigheid, daarbij ook een rol speelt.

Maar het is volkomen terecht om onze goede daden te plaatsen tegenover zowel Gods genade als Christus’ gehoorzaamheid, ieder op zijn beurt. Want Christus heeft alleen iets kunnen verdienen omdat God dat wilde. God had Hem ervoor bestemd om met zijn offer zijn woede te stillen en met zijn gehoorzaamheid onze overtredingen uit te wissen. Kortom, wat Christus verdiend heeft, hangt volledig af van Gods genade. Door Gods genade is bepaald dat wij door dit middel gered konden worden. Dus als je Christus’ verdienste tegenover elke menselijke rechtvaardigheid plaatst, is dat even juist als wanneer je Gods genade daartegenover plaatst.

Het onderscheid tussen Gods genade en Christus’ verdienste

Dit onderscheid tussen Gods genade en Christus’ verdienste is gebaseerd op heel veel passages uit de Schrift. ‘Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat.’ Johannes 3:16 We zien dat Gods liefde op de eerste plek staat, als de ultieme oorzaak en oorsprong. En het geloof in Christus volgt daarop als tweede en meer directe oorzaak. Als je daartegen inbrengt dat Christus alleen logisch gezien een oorzaak is – dat wil zeggen dat Hij op zichzelf gezien geen werkelijk effect heeft – dan maak je Hem minder belangrijk dan deze woorden impliceren. We krijgen rechtvaardigheid door geloof in Hem. Als dat zo is, dan moet de aanleiding voor ons behoud ook in Hem te vinden zijn. En meerdere Schriftpassages bewijzen dat ook. ‘Wij hebben niet eerst God liefgehad, maar Hij heeft eerst ons liefgehad en zijn Zoon gezonden als verzoening voor onze zonden.’ 1 Johannes 4:10 Die woorden laten duidelijk zien dat God Christus heeft aangesteld als het middel voor de verzoening, zodat niets zijn liefde voor ons in de weg zou staan.

En dat woord ‘verzoening’ weegt zwaar. Want in de tijd dat God ons liefhad, was Hij tegelijk ook boos op ons, op een manier die niet in woorden valt uit te leggen, totdat Hij in Christus verzoend was. Daarop slaan al deze uitspraken: ‘Hij verzoent onze zonden.’ 1 Johannes 2:2 En: ‘Het heeft God behaagd door Hem alle dingen met zichzelf te verzoenen, door vrede te maken door het bloed van zijn kruis, door Hem …’ Kolossenzen 1:20 En: ‘In Christus verzoende God de wereld met zichzelf. Want Hij rekende de mensen hun zonden niet aan.’ 2 Korinthiërs 5:19 En: ‘Hij heeft ons genade bewezen in zijn geliefde Zoon.’

Efeziërs 1:6 En: ‘Om hen beiden in één lichaam met God te verzoenen door het kruis.’ Efeziërs 2:16

De reden voor dit mysterie kunnen we vinden in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Efeziërs. Daar leert Paulus dat wij in Christus zijn uitverkoren. En dan voegt hij eraan toe dat wij ook in Hem genade gekregen hebben. Efeziërs 1:4-6 Hoe ging God degenen die Hij voor de schepping van de wereld liefhad met zijn genade omhelzen? Doordat Hij hun zijn liefde bewees toen Hij verzoend was door het bloed van Christus! Want God is de bron van alle rechtvaardigheid. Dus kon het niet anders of zolang de mens zondaar was, was God zijn vijand en rechter. Daarom is het terecht dat Gods liefde zo begint, zoals Paulus dat beschrijft: ‘Hij die geen zonde kende, is voor ons tot zonde gemaakt, zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden worden.’ 2 Korinthiërs 5:21 Want Paulus maakt duidelijk dat wij door het offer gratis rechtvaardigheid gekregen hebben, zodat God blij zou zijn met ons, die van nature kinderen van Gods woede Efeziërs 2:3 en door de zonde van Hem vervreemd zijn.

Maar dit onderscheid wordt ook expliciet aangegeven telkens als Gods liefde gekoppeld wordt aan Christus’ genade. Dat betekent dus dat Christus ons iets geeft van wat Hij verworven heeft. Anders zou het ongepast zijn dat Hij, los van de Vader, de eer krijgt dat het zijn genade is en dat die van Hem komt.

Christus heeft Gods genade voor ons echt verdiend

En inderdaad heeft Christus door zijn gehoorzaamheid werkelijk bij de Vader genade voor ons verworven en verdiend. Dat blijkt onweerlegbaar uit verschillende passages uit de Schrift. Want ik beschouw dit als een vaststaand feit: als Christus voor onze zonden betaald heeft, als Hij de straf die wij verdiend hadden, voldaan heeft en als Hij als rechtvaardige voor de onrechtvaardigen geleden heeft – dan heeft Hij voor ons ons behoud verworven. En ‘verworven’ komt op hetzelfde neer als ‘verdiend’.

Volgens Paulus zijn wij verzoend en hebben wij verzoening gekregen door Christus’ dood. Romeinen 5:11 Maar er hoeft alleen verzoening plaats te vinden als er eerst iemand gekwetst is, als er haat en een breuk aan voorafgegaan is. Paulus bedoelt dus dat God, die ons vanwege onze zonde haatte, door de dood van zijn Zoon tevredengesteld is, zodat Hij ons genadig is. En we moeten goed op de tegenstelling letten die even later volgt: ‘Zoals door de overtreding van één velen zondaren gemaakt zijn, zo zullen wij door de gehoorzaamheid van één rechtvaardigen gemaakt worden.’ Romeinen 5:19 Want daarmee bedoelt Paulus: zoals wij door de zonde van Adam van God vervreemd geraakt zijn en bestemd waren om verloren te gaan, zo worden wij door de gehoorzaamheid van Christus in genade aangenomen als rechtvaardigen. Dat het werkwoord in de toekomende tijd staat, sluit niet uit dat we nu al rechtvaardig zijn. Dat blijkt uit de context. Want eerder had hij gezegd dat de genadegave te midden van veel overtredingen toch rechtvaardiging betekent. Romeinen 5:16

Christus heeft onze plaats ingenomen

Verder, als ik zeg dat Christus de genade voor ons verdiend heeft, dan bedoel ik daarmee dat wij door zijn bloed gereinigd zijn en dat zijn dood onze zonden uitgewist heeft. ‘Zijn bloed reinigt ons van zonde.’ 1 Johannes 1:7 ‘Dit is mijn bloed, dat vergoten wordt om de zonden te vergeven.’ Mattheüs 26:28; Lucas 22:20 Als dat het effect is van zijn vergoten bloed, dat onze zonden ons niet worden aangerekend, dan betekent dat dus dat dat bloed de prijs is waardoor aan Gods oordeel voldaan is.

Daarop slaat de uitspraak van Johannes de Doper: ‘Kijk, het lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.’ Johannes 1:29 Want hij plaatst Christus tegenover de offers van de wet. Zo wil hij leren dat alleen in Hem vervuld is wat door die afbeeldingen werd aangeduid. En we weten dat Mozes overal zegt dat de overtredingen goedgemaakt zullen worden, dat de zonden zullen worden uitgewist en vergeven. Exodus 34:7

Kortom, de oude afbeeldingen vormen voor ons een heel goede les in de betekenis en het effect van Christus’ dood.

En de apostel legt deze kwestie uit in de brief aan de Hebreeën. Volkomen terecht gaat hij daarbij uit van het principe dat er geen vergeving plaatsvindt als er geen bloed vloeit. Hebreeën 9:22 Daaruit concludeert hij dat Christus verschenen is om met zijn offer de zonde voor eens en voor altijd uit te wissen. En ook dat Hij geofferd is om de zonden van velen weg te nemen. Hebreeën 9:26-28 Want eerder had hij gezegd dat Christus niet door het bloed van bokken of kalveren het heiligdom was binnengegaan, maar door zijn eigen bloed. Zo had Hij een eeuwige verlossing tot stand gebracht. Hebreeën 9:12

Bovendien volgt hij deze argumentatie: als het bloed van een jonge koe het vlees heiligt en reinigt, dan reinigt Christus’ bloed nog veel meer het geweten van dode daden. Daaruit blijkt heel duidelijk dat we Christus’ genade tekort doen als we zijn offer niet het effect toekennen dat het verzoent, tevredenstelt en genoegdoening schenkt. Daarom voegt hij er ook even later aan toe: ‘Hij is de middelaar van het nieuwe verbond. Zijn dood is tussenbeide gekomen om de zonden onder het oude verbond te verzoenen. Nu kunnen zij die geroepen zijn de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.’ Hebreeën 9:13-15

Maar we moeten vooral denken aan de analogie die Paulus tekent: ‘Christus is voor ons een vervloekte geworden …’ Galaten 3:13 Want het zou onnodig, ja zelfs absurd geweest zijn als de last van de vloek op Christus gelegd was als Hij zo niet de schuld van anderen zou betalen en voor hen rechtvaardigheid zou verdienen.

Ook de verklaring van Jesaja is duidelijk: de straf die ons vrede geeft, was op Christus gelegd en zijn striemen brachten ons genezing. Jesaja 53:5 Want als Christus niet voor onze zonden betaald had, zou er niet over Hem gezegd worden dat Hij God tevredengesteld heeft door de de straf op zich te nemen die ons boven het hoofd hing. Dat klopt ook met wat op deze passage volgt: ‘Om de overtredingen van mijn volk heb ik Hem geslagen.’ Jesaja 53:8

En daar komt de uitleg van Petrus nog bij. Die laat geen ruimte meer voor twijfel: Christus heeft onze zonden gedragen aan het hout. 1 Petrus 2:24 Want Petrus zegt dus dat de last van de vloek van ons afgenomen is en op Christus geworpen is.

Christus heeft onze schuld betaald

En de apostelen verklaren duidelijk dat Christus de prijs betaald heeft waardoor Hij ons zou verlossen van de schuld van de dood. ‘We worden gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing in Christus. Hem heeft God gepresenteerd als zoenmiddel door geloof in zijn bloed.’ Romeinen 3:24-25 Paulus prijst hier Gods genade, omdat God zelf de losprijs gegeven heeft in Christus’ dood. Vervolgens beveelt hij ons om onze toevlucht te zoeken in Christus’ bloed. Want dan krijgen we rechtvaardigheid en kunnen we onbevreesd voor Gods oordeel staan.

Dezelfde betekenis heeft een uitspraak van Petrus: ‘Jullie zijn niet vrijgekocht met goud of zilver, maar met het kostbaar bloed van een onbevlekt lam.’ 1 Petrus 1:18-19 Deze tegenstelling zou immers niet van toepassing zijn als het niet ging om de prijs waarmee voor de zonden betaald is. Daarom zegt Paulus ook dat wij duur gekocht zijn. 1 Korinthiërs 6:20 Ook een andere uitspraak van Paulus zou niet overeind blijven als de straf die wij verdiend hadden niet op Hem geworpen was: ‘Er is één middelaar, die zichzelf gegeven heeft als losprijs.’ 1 Timotheüs 2:5-6 Daarom definieert dezelfde apostel de verlossing in het bloed van Christus als vergeving van de zonden. Kolossenzen 1:14 Daarmee zegt hij eigenlijk dat wij voor God gerechtvaardigd en vrijgesproken worden omdat het bloed voldoende is om God tevreden te stellen. Dat klopt ook met een andere passage, dat de schriftelijke schuldbekentenis die tegen ons getuigde aan het kruis is uitgewist. Kolossenzen 2:14 Want dat duidt op een betaling of een schadeloosstelling die ons bevrijdt van schuld.

Ook de volgende woorden van Paulus zijn heel belangrijk: ‘Als wij gerechtvaardigd worden door het doen van de wet, dan is Christus voor niets gestorven.’ Galaten 2:21 Want hieruit maak ik op dat we van Christus moeten krijgen wat we van de wet zouden krijgen als iemand zich daar volledig aan zou houden. Of – dat is hetzelfde – dat wij door de genade van Christus krijgen wat God beloofd had dat we in de wet zouden krijgen door onze daden: ‘Wie dit doet, zal daardoor leven.’ Leviticus 18:5

Paulus bevestigt dit niet minder duidelijk in de preek die hij in Antiochië houdt. Daar zegt hij dat we door in Christus te geloven gerechtvaardigd worden van alles waarvan we niet gerechtvaardigd konden worden door de wet van Mozes. Handelingen 13:39 (13:38-39) Want als het rechtvaardigheid betekent als je je aan de wet houdt, wie kan dan ontkennen dat Christus voor ons Gods gunst verdiend heeft, doordat Hij de last van de wet op zich heeft genomen en ons zo met God verzoent alsof wijzelf ons aan de wet gehouden hadden?

Hetzelfde bedoelt Paulus met wat hij later aan de Galaten leert: ‘God heeft zijn Zoon gezonden, geboren onder de wet, om degenen die onder de wet waren te verlossen.’ Galaten 4:4 Want wat had het voor zin dat Christus onderworpen was aan de wet, als dat niet was omdat Hij voor ons rechtvaardigheid verdiend heeft doordat Hij het op zich nam om te betalen wat wij niet konden betalen? Vandaar dat wij als rechtvaardig beschouwd worden onafhankelijk van wat we doen, zoals Paulus zegt. Romeinen 4:5 Want de rechtvaardigheid die alleen in Christus te vinden is, wordt beschouwd als onze rechtvaardigheid.

En vast en zeker is de enige reden waarom het vlees van Christus ons voedsel genoemd wordt, Johannes 6:55 dat daarin het bouwmateriaal voor ons leven ligt. En dat zijn vlees die betekenis heeft, komt alleen maar doordat Gods Zoon gekruisigd is als de prijs voor onze rechtvaardigheid. Of zoals Paulus zegt: Hij heeft zichzelf overgegeven als een offer, als een aangename geur. Efeziërs 5:2 En ergens anders: ‘Hij is gestorven om onze zonden en opgestaan om ons te rechtvaardigen.’ Romeinen 4:25 Daaruit kun je opmaken dat we dankzij Christus niet alleen behouden zijn. De Vader is ons nu ook omwille van Hem gunstig gezind. Want er is geen twijfel aan dat in Hem volledig vervuld is wat God via Jesaja zegt in beeldspraak: ‘Ik zal het doen omwille van Mijzelf en omwille van David, mijn knecht.’ Jesaja 37:35 En de apostel Johannes is daarvan de beste getuige. Hij zegt: ‘De zonden worden jullie vergeven omwille van zijn naam.’ 1 Johannes 2:12 Johannes noemt de naam van Christus niet, maar zoals de gewoonte was, bedoelt hij Hem wel als hij het persoonlijk voornaamwoord gebruikt – ‘zijn’ naam. De Heer zelf wil hetzelfde zeggen als Hij verklaart: ‘Zoals ik leef door de Vader, zo zullen jullie ook leven door Mij.’ Johannes 6:57 En dat stemt overeen met wat Paulus zegt: ‘Het is jullie gegeven omwille van Christus dat jullie niet alleen in Hem geloven, maar ook voor Hem lijden.’ Filippenzen 1:29

Christus heeft niets voor zichzelf verdiend

Petrus Lombardus en de scholastici stellen de vraag of Christus ook iets voor zichzelf verdiend heeft. Dat doen ze uit een dwaze nieuwsgierigheid. En als ze beweren dat Christus inderdaad iets voor zichzelf verdiend heeft, dan is dat een brutale uitspraak. Want waar zou het voor nodig geweest zijn dat de enige Zoon van God neerdaalde uit de hemel om voor zichzelf iets nieuws te verdienen? En God maakt aan alle twijfel een eind als Hij zijn plan uiteenzet. Er wordt immers niet gezegd dat de Vader in wat de Zoon verdiend heeft, in de behoeften van de Zoon voorzag. Nee, er wordt gezegd dat Hij de Zoon heeft overgegeven in de dood en Hem niet gespaard heeft omdat Hij de wereld liefhad. Romeinen 8:32-37; Johannes 3:16

Ook moeten we erop letten hoe de profeten het zeggen: ‘Een kind is ons geboren.’ Jesaja 9:5 En: ‘Verheug je, dochter Sion, kijk, je koning komt naar je toe!’ Zacharia 9:9 Bovendien zou het helemaal niets te betekenen hebben dat Paulus zo hoog opgeeft van het bewijs van Christus’ liefde dat Hij voor zijn vijanden de dood ondergaan heeft. Romeinen 5:10 Want daaruit kunnen we concluderen dat Christus geen rekening heeft gehouden met zichzelf. En dat bevestigt Hij duidelijk als Hij zegt: ‘Ik heilig Mijzelf voor hen.’ Johannes 17:19 Hij verklaart dus dat Hij niets voor zichzelf verdient. Want wat zijn heiligheid oplevert, geeft Hij aan anderen. En dat is vast en zeker heel opmerkelijk: om zich volledig te wijden aan ons behoud, heeft Christus in zekere zin zichzelf vergeten!

Maar de geleerden van de Sorbonne-universiteit in Parijs verdraaien deze uitspraak van Paulus: ‘Daarom heeft de Vader Hem verhoogd en Hem een naam gegeven …’ Filippenzen 2:9

Zij maken ervan dat God Christus verhoogd heeft omdat Hij zichzelf vernederd heeft. Maar hoe kon Hij het als mens verdienen om rechter te zijn over de wereld en het hoofd van de engelen, hoe kon Hij het verdienen dat God Hem het hoogste gezag zou geven en dat in Hem een majesteit zou huizen die alle krachten van engelen en mensen meer dan duizendmaal te boven gaat? Maar de simpele oplossing is gewoon dat Paulus het hier niet heeft over de reden waarom Christus verhoogd is. Hij laat alleen de volgorde zien. Die moet voor ons een voorbeeld zijn. Hij wilde niets anders zeggen dan wat ook ergens anders gezegd wordt: Christus moest lijden en zo de glorie van de Vader binnengaan. Lucas 24:26

Voetnoten

  1. 292

    Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 15,30-31.

  2. 293

    Augustinus, De dono perseverantiae, 24,67.

  3. 294

    Petrus Lombardus, Sententiae III, 18,1.

Voetnoot 292

Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 15,30-31.

Voetnoot 293

Augustinus, De dono perseverantiae, 24,67.

Voetnoot 294

Petrus Lombardus, Sententiae III, 18,1.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.