Boek II · Hoofdstuk 3

Het bederf van de menselijke natuur

Inhoud van dit hoofdstuk · 14 secties
  1. 1De mens is met lichaam en ziel van nature slecht
  2. 2De argumentatie van Paulus
  3. 3Gods genade houdt de slechtheid van de mensen in toom
  4. 4Als een mens van nature beter lijkt dan een ander, is dat slechts schijn
  5. 5Het onderscheid tussen onvermijdelijkheid en dwang
  6. 6Onze vernieuwing is van begin tot eind Gods werk
  7. 7Elke goede daad van een bekeerde wil is Gods werk
  8. 8Volgens de Schrift is God de bron van al het goede in ons
  9. 9We kunnen niets goeds doen, behalve uit genade
  10. 10Ook het volhouden is een genadegave van God
  11. 11Latere genadegaven verdienen we niet met onze reactie op eerdere genadegaven
  12. 12Al het goede dat Paulus doet, doet de genade in hem
  13. 13Volgens Augustinus is het willen een genadegave van God
  14. 14Volgens Augustinus is ook het volhouden een genadegave van God

De mens is met lichaam en ziel van nature slecht

We kunnen de mens in beide delen van zijn ziel – het verstand en de wil – het beste leren kennen in de benamingen waarmee de Schrift hem tekent. Christus zegt: ‘Wat uit het vlees geboren is, is vlees.’ Johannes 3:6 Het is gemakkelijk te bewijzen dat met deze woorden de mens in zijn geheel getekend wordt. Dat maakt duidelijk dat de mens een heel ongelukkig wezen is. Want alles wat het vlees bedenkt, betekent de dood. Want het is vijandschap tegen God, omdat het zich niet onderwerpt aan Gods wet. Het kan dat ook niet. Romeinen 8:6-7 Is het vlees zo bedorven dat de mens met heel zijn hart God vijandig gezind is? Dat hij niet kan instemmen met de rechtvaardigheid van Gods wet? Kortom, dat hij alleen maar dingen kan voortbrengen waarvoor hij de dood verdient? Stel je voor dat de menselijke natuur alleen maar bestaat uit vlees en probeer dan eens of je de mens kunt verleiden tot iets goeds.

Maar, zul je zeggen, het woord ‘vlees’ slaat alleen op het zinnelijke deel van de ziel en niet op het edelste deel van de ziel. Dat kan ik echter gemakkelijk weerleggen met woorden van Christus en van de apostel Paulus. Christus redeneert: de mens moet opnieuw geboren worden omdat hij vlees is. Johannes 3:3-6 Hij leert niet dat de mens lichamelijk opnieuw geboren moet worden. Maar de ziel wordt niet opnieuw geboren als de ziel alleen gedeeltelijk gecorrigeerd wordt. De ziel moet volledig vernieuwd worden. Dat wordt bevestigd door de tegenstelling die Christus maakt. Want Hij zet de geest tegenover het vlees op zo’n manier dat daartussen geen ruimte meer overblijft voor iets anders. Dus alles wat in de mens niet geestelijk is, wordt volgens deze redenering vleselijk genoemd. Maar we hebben niets geestelijks, behalve als we opnieuw geboren zijn. Dus alles wat we van nature hebben, is vlees.

Maar Paulus neemt de laatste twijfel weg die hierover nog zou kunnen bestaan. Hij beschrijft eerst de oude mens. Over hem zegt hij dat hij bedorven is door misleidende begeerten. En vervolgens beveelt hij ons dat we vernieuwd moeten worden in de geest van ons denken. Efeziërs 4:22-23 Je ziet dat hij de verboden en slechte begeerte niet alleen in het zinnelijke deel van de ziel plaatst, maar zelfs in de geest zelf. Daarom vindt hij het nodig dat ook die vernieuwd wordt.

Even daarvoor had hij een beeld geschetst van de menselijke natuur waaruit bleek dat wij in alle opzichten door en door bedorven zijn. Want hij schrijft over alle heidenen dat hun verstand verduisterd is, dat ze vervreemd zijn van het leven met God, omdat ze onwetend zijn en hun hart blind is. Efeziërs 4:17-18 Ongetwijfeld slaat dat op iedereen die nog niet door de Heer vernieuwd is in overeenstemming met de zuiverheid van zijn wijsheid en rechtvaardigheid.

Nog duidelijker blijkt dat uit de vergelijking die daar meteen op volgt. Paulus herinnert de gelovigen eraan dat ze zo Christus niet hebben leren kennen. Efeziërs 4:20 Uit Paulus’ woorden kunnen we concluderen dat de genade van Christus het enige geneesmiddel is waardoor we bevrijd kunnen worden van die blindheid en van de rampen die daar het gevolg van zijn.

Jesaja had dat ook voorzegd over het koninkrijk van Christus. Hij beloofde dat de Heer een eeuwig licht zou zijn voor zijn kerk, ook al zou ondertussen duisternis de aarde bedekken en het donker de volken. Jesaja 60:2 Omdat Jesaja verklaart dat Gods licht alleen zou opgaan over de kerk, blijft er volgens hem buiten de kerk dus niets anders over dan duisternis en blindheid.

Ik zal maar niet één voor één opsommen wat er her en der, vooral in de psalmen en de profeten allemaal gezegd wordt over de vluchtige zinloosheid van de mensen. Geweldig is wat David schrijft: als de mens samen met lucht op een weegschaal gelegd zou worden, zou de mens omhoog gaan. Want hij weegt nog minder dan lucht. Psalm 62:10 Een scherpe pijl doorboort zijn hart als alle gedachten die daaruit voortkomen belachelijk gemaakt worden als dwaas, onbeduidend, waanzinnig en pervers.

De argumentatie van Paulus

Niet minder hard wordt het hart veroordeeld als ervan gezegd wordt dat er niets zo onbetrouwbaar is en dat het door en door slecht is. Jeremia 17:9 Omdat ik beknopt probeer te zijn, neem ik genoegen met slechts één passage. Maar die vormt wel een heldere spiegel waarin we een compleet beeld kunnen zien van onze aard.

Want als de apostel Paulus het menselijk geslacht in zijn hoogmoed een toontje lager wil laten zingen, gebruikt hij de volgende Schriftbewijzen: ‘Er is niemand rechtvaardig. Er is niemand verstandig en niemand zoekt God. Allemaal zijn ze afgeweken, samen zijn ze nutteloos geworden. Er is niemand die goed doet, zelfs niet één. Psalm 14:1-3; 53:2-4 Hun keel is een open graf. Met hun tong plegen ze bedrog. Psalm 5:10 Achter hun lippen schuilt het venijn van een adder. Psalm 140:4 Hun mond is vol gevloek en bitterheid. Psalm 10:7 Ze haasten zich om bloed te vergieten, ze trekken een spoor van vernieling en ellende. Jesaja 59:7-8 Vrees voor God kennen ze niet.’ Romeinen 3:10-18

Met deze bliksemschichten fulmineert hij niet tegen bepaalde mensen, maar tegen heel het nageslacht van Adam. En hij vaart niet uit tegen de slechte moraal van een bepaalde tijd, maar beschuldigt de menselijke natuur ervan dat die altijd slecht is. Immers, in deze passage is het niet zijn bedoeling om de mensen simpelweg te vermanen, zodat ze zich bekeren. Hij wil juist leren dat iedereen in het nauw zit door onvermijdelijke rampen. Ze kunnen er niet aan ontkomen als God ze er in zijn barmhartigheid niet uittrekt. Maar dat kon Paulus alleen maar bewijzen op basis van de ondergang en vernietiging van de menselijke natuur. Daarom komt hij met deze Schriftbewijzen. Die tonen aan dat onze natuur volslagen verloren is.

We moeten er dus aan vasthouden dat het niet alleen door de zonde van een slechte gewoonte komt dat de mensen zijn zoals ze hier worden beschreven. Het komt ook door de slechtheid van hun aard. Anders kan de argumentatie van de apostel niet overeind blijven dat er voor de mens geen redding mogelijk is behalve als God hem barmhartig is. Want dat geldt alleen als de mens in zichzelf hopeloos verloren is. Romeinen 3:23-24

Ik ga hier geen moeite doen om aan te tonen dat Paulus deze Schriftbewijzen op de juiste manier heeft aangehaald, om daarmee te voorkomen dat iemand zou denken dat Paulus ze verkeerd toepast. Ik doe maar gewoon alsof Paulus de eerste is die dit zegt en alsof hij het niet van de profeten heeft overgenomen.

Om te beginnen ontzegt Paulus de mens rechtvaardigheid. Dat wil zeggen: hij ontkent dat de mens ongeschonden en zuiver is. Vervolgens ontzegt hij de mens verstand. Dat het de mens aan verstand ontbreekt, wordt bewezen door het verraad aan God. Want Hem zoeken is de basis van wijsheid. Als je van God afwijkt, is dit dus onvermijdelijk je lot. Paulus voegt daaraan toe dat iedereen afgeweken is. Daardoor is het net alsof ze verrot zijn. En er is niemand die goed doet. Vervolgens noemt Paulus de schanddaden op waarmee de mensen al hun ledematen bezoedelen, nu ze eenmaal in hun slechtheid hun eigen gang kunnen gaan. Ten slotte verklaart hij dat de mensen de vrees voor God missen. Terwijl dat de norm is waar ze hun voetstappen naar hadden moeten richten.

Als dit de erfelijke eigenschappen van het menselijk geslacht zijn, dan zoeken we in onze natuur tevergeefs naar iets goeds. Nu geef ik toe dat deze schanddaden niet in ieder mens tevoorschijn komen. Maar we mogen niet ontkennen dat deze veelkoppige slang in ieders hart schuilt. Als de ziektekiem zich al in een lichaam bevindt en zich daar nestelt, dan kun je ook niet zeggen dat dat lichaam gezond is. Ook al brandt de pijn nog niet. Zo kun je ook de ziel niet gezond noemen als zij krioelt van dit soort zonde-ziekten. Hoewel deze vergelijking niet helemaal opgaat. Want als een lichaam is aangetast door ziekte, is daarin toch nog levenskracht over. Maar als de ziel in deze levensgevaarlijke draaikolk ondergedompeld is, gaat zij niet alleen gebukt onder de zonde. Er is in de ziel helemaal niets goeds meer over.

Gods genade houdt de slechtheid van de mensen in toom

Nu stuiten we weer op vrijwel dezelfde kwestie die ik hiervóór al heb opgelost. Want alle eeuwen door zijn er mensen geweest die met de menselijke natuur als gids steeds geprobeerd hebben een fatsoenlijk leven te leiden. En het maakt niet uit of je in hun leven veel morele misstappen kunt aanwijzen. Want juist omdat ze het geprobeerd hebben, hebben ze aangetoond dat er in hun aard nog iets zuivers over was.

Hoeveel waarde dit soort goede eigenschappen hebben in de ogen van God, zal ik later uitgebreider bespreken, als ik het ga hebben over wat we kunnen verdienen met onze daden. Maar ook hier moet ik er iets over zeggen, voor zover dat nodig is om het onderwerp te behandelen waar het nu over gaat.

Er zijn dus voorbeelden die erop lijken te duiden dat we de menselijke natuur niet als volledig zondig moeten beschouwen. Want sommige mensen worden er niet alleen door hun natuurlijke aanleg toe aangezet om uit te blinken door heel goede dingen te doen. Ze gedragen zich ook hun hele leven lang ononderbroken heel fatsoenlijk.

Maar op dit punt moeten we bedenken dat er te midden van het bederf van onze natuur nog steeds ruimte is voor Gods genade. Die genade reinigt niet van het bederf, maar houdt dat bederf wel in bedwang. Want stel dat de Heer iedereen de vrije teugel zou laten om zijn eigen gang te gaan, wat hij ook maar zou willen. Dan zou er ongetwijfeld niemand zijn die niet overtuigend zou aantonen dat op hem daadwerkelijk alle rampen van toepassing zijn op grond waarvan Paulus de menselijke natuur veroordeelt.

Want wat dan? Zou jij durven beweren dat je niet hoort bij hen die zich haasten om bloed te vergieten? Bij hen van wie de handen bezoedeld zijn door roof en moord? Bij hen van wie de keel net een open graf is, van wie de tong onbetrouwbaar is, de lippen vol venijn? Bij hen van wie de daden nutteloos zijn, onrechtvaardig, verrot en dodelijk? Bij hen van wie de ziel zonder God is, die van binnen slecht zijn, die loeren op een hinderlaag en ernaar hunkeren om te spotten? Kortom, bij hen van wie alle ledematen popelen om een oneindig aantal schanddaden te bedrijven?

De apostel verklaart onvervaard dat ieder mens onderworpen is aan al dit soort monsterlijkheden. Als dat waar is, dan begrijpen we wel wat er zou gebeuren als de Heer de mens in zijn begeerten en neigingen zijn gang liet gaan. Geen enkel beest zou in zo’n woedende galop uitbreken. Geen enkele rivier, hoe wild en onstuimig ook, zou met zo’n geweld buiten zijn oevers treden.

In zijn uitverkorenen geneest de Heer die ziekten. De manier waarop Hij dat doet zal ik later uitleggen. Bij de andere mensen houdt God die ziekten in bedwang. Maar alleen maar om te voorkomen dat ze losbreken en alleen voor zover het in zijn ogen nuttig is om alles wat er bestaat in stand te houden. Daardoor worden sommigen door schaamte en anderen door vrees voor de wet ervan weerhouden om uit te breken in allerlei soorten smerigheid. Zelfs al proberen ze meestal niet eens om hun vuilheid te verdoezelen. Anderen proberen min of meer fatsoenlijk te leven, omdat ze denken dat dat goed voor hen is. Weer anderen komen uit het gewone volk bovendrijven en brengen door hun verheven positie anderen tot gehoorzaamheid.

Zo houdt God door zijn voorzienigheid het bederf van onze natuur in toom. Zo voorkomt Hij dat het bederf daadwerkelijk uitbreekt, maar Hij reinigt het vanbinnen niet.

Als een mens van nature beter lijkt dan een ander, is dat slechts schijn

Het probleem is echter nog niet opgelost. Want óf we moeten Camillus gelijkstellen aan Catilina, óf Camillus is er een voorbeeld van dat onze natuurlijke aanleg niet volledig beroofd is van het goede. Als je je natuurlijke aanleg maar ijverig cultiveert.

Inderdaad geef ik toe dat Camillus schitterende gaven had. Die gaven waren een geschenk van God, maar toch valt Camillus er terecht om te prijzen. Maar alleen zolang je die gaven op zichzelf bekijkt. Want hoe kunnen die gaven het bewijs vormen dat Camillus van nature ongeschonden was? Moeten we misschien in zijn hart kijken en als volgt redeneren: als een natuurlijk mens uitblinkt door zo’n morele integriteit, dan moet de mens van nature wel in staat zijn om een fatsoenlijk leven na te streven?

Maar wat als het hart van Camillus slecht en misvormd was? Wat als hij eerder iets anders nastreefde dan rechtvaardigheid? En er valt niet aan te twijfelen dat het zo was, als je toegeeft dat hij een natuurlijk mens was. Tot wat voor goeds wil je mij wijsmaken dat de mens op dit punt van nature in staat is? Zelfs wie het meest zuiver lijkt te zijn, blijkt zich altijd weer in het bederf te storten.

Je moet een mens dus niet prijzen om zijn goede eigenschappen als onder het mom van goede eigenschappen zijn slechte eigenschappen je bedriegen. En zo moet je dus ook de menselijke wil niet het vermogen toedichten om het goede te zoeken zolang de wil vastzit in zijn slechtheid.

Echter, dit is de betrouwbaarste en gemakkelijkste oplossing van dit probleem: de gaven van Camillus waren geen algemene, natuurlijke gaven. Het waren bijzondere genadegaven van God. Deze gaven deelt Hij in verschillende mate op beperkte schaal aan mensen uit. Verder blijven die mensen onheilig. En daarom ben ik niet bang om in het dagelijks taalgebruik van de een te zeggen dat hij een goed karakter heeft en van een ander dat hij een slecht karakter heeft. Toch is dat voor mij geen belemmering om te stellen dat op hen beiden de algemene verdorven toestand van de mensen van toepassing is. Ik geef alleen aan dat de Heer de een een speciale genadegave waardig gekeurd heeft en een ander niet.

Toen de Heer Saul aan wilde stellen als hoofd van het koninkrijk, maakte Hij hem net een nieuw mens. 1 Samuël 10:6 Dit is de reden dat Plato – zinspelend op een verhaal van Homerus – zegt dat koningszonen geboren worden met een of ander speciaal kenmerk. Want God wil voor het menselijk geslacht zorgen. Daarom voorziet Hij degenen die Hij bestemt om te regeren vaak van een heroïsch karakter. Alle grote leiders die in de geschiedenisboeken bejubeld worden, zijn afkomstig uit deze werkplaats.

Gewone mensen moeten we op dezelfde manier beoordelen. Maar hoe meer iemand uitblonk, hoe meer zo iemand ook altijd gedreven werd door zijn eigen eerzucht. Dat is een smet die alle goede eigenschappen bezoedelt, zodat ze God er op geen enkele manier meer plezier mee doen. Daarom moeten we alles wat in goddeloze mensen prijzenswaard lijkt als waardeloos beschouwen.

Daar komt bij dat het belangrijkste onderdeel van rechtvaardigheid ontbreekt als je niet je best doet om God groot te maken. En niemand doet daarvoor zijn best zolang God hem niet door zijn Geest opnieuw geboren heeft laten worden. Niet voor niets zegt Jesaja dat op Christus de Geest van de vrees voor de HEER rust. Jesaja 11:2 Zo wordt ons geleerd dat zij die Christus niet kennen de vrees voor God missen. En die vrees is het begin van wijsheid. Psalm 111:10

Wat betreft de goede eigenschappen die ons bedriegen met hun loze schijn: in de politieke arena en door de grote massa worden ze geprezen. Maar voor de hemelse rechtbank zullen ze geen enkele waarde hebben om rechtvaardigheid te verdienen.

Het onderscheid tussen onvermijdelijkheid en dwang

De wil wordt dus gevangen gehouden als slaaf van de zonde. Daarom kan de wil zich niet richten op het goede, laat staan dat hij zich daaraan kan toewijden. Want dat zou het begin zijn van een bekering tot God. En zo’n bekering wordt in de Schrift volledig toegeschreven aan Gods genade. Daarom bidt Jeremia of de Heer hem wil bekeren als Hij wil dat hij bekeerd wordt. Jeremia 31:18 En als de profeet in hetzelfde hoofdstuk de geestelijke verlossing beschrijft van het gelovige volk, zegt hij daarom dat het volk verlost is uit de hand van iemand die sterker was dan zij. Jeremia 31:11 Daarmee geeft hij immers aan hoe stevig een zondaar geketend is zolang hij door de Heer verlaten is en onder het juk van de duivel leeft.

Toch blijft de wil bestaan. Maar hij is sterk geneigd om te zondigen en haast zich om dat te doen. Want toen de mens zich aan deze onvermijdelijkheid uitleverde, is hij niet van zijn wil beroofd. Alleen was zijn wil niet langer gezond. Bernardus van Clairvaux leert heel toepasselijk dat we allemaal willen. Maar als we het goede willen, is dat winst en als we het slechte willen, is dat verlies. Dus het willen zelf is eigen aan de mens. Het slechte willen komt voort uit onze bedorven aard. Het goede willen komt voort uit genade.

Bovendien is het vreemd dat iemand het wrang vindt als ik zeg dat de wil niet langer vrij is, maar onvermijdelijk wordt meegesleept en ertoe gebracht wordt om kwaad te doen. Want daar is niets absurds aan en het wijkt ook niet af van wat de heiligen altijd geleerd hebben.

Maar wie zich hieraan ergert, kent het onderscheid niet tussen onvermijdelijkheid en dwang. Stel dat iemand hun vroeg of het niet onvermijdelijk is dat God goed is en de duivel slecht. Wat zouden ze dan antwoorden? Want Gods goedheid is onlosmakelijk verbonden met zijn God zijn. Dat Hij God is, is net zo onvermijdelijk als dat Hij goed is. Maar de duivel is door zijn verraad zo vervreemd geraakt van het goede, dat hij nu alleen nog maar kwaad kan doen. Misschien brengt een of ander godslasterlijk keffertje hiertegen in dat God dan maar weinig eer verdient voor zijn goedheid. Hij wordt er immers toe gedwongen. Maar wie zal dan niet zijn antwoord klaar hebben: dat God niets slechts kan doen, komt doordat Hij oneindig goed is. Het komt niet doordat Hij er met een overweldigende kracht toe gedwongen wordt.

Gods vrije wil wordt dus niet belemmerd, ook al is het onvermijdelijk dat Hij goed doet. En de duivel kan alleen maar kwaad doen en toch zondigt hij omdat hij dat zelf wil. Hoe kun je dan beweren dat de mens wel tegen zijn wil zondigt omdat het onvermijdelijk is dat hij zondigt?

Augustinus leert overal dat het onvermijdelijk is dat de mens zondigt. En hij heeft niet geaarzeld die opvatting te verdedigen toen Caelestius hem over de hekel haalde. Hij zei: ‘Doordat hij vrij was, is de mens zondaar geworden. Maar vervolgens is zijn vrijheid veranderd in onvermijdelijkheid. Want als gevolg van zijn zonde is de mens bedorven en daarom strafbaar.’ En telkens als Augustinus op dit onderwerp komt, aarzelt hij niet om op deze manier te spreken over het onvermijdelijk slaaf van de zonde zijn.

De kern van dit onderscheid is dus dat de mens ook nu hij als gevolg van de zondeval bedorven is, zondigt omdat hij dat zelf wil. Hij zondigt niet tegen zijn wil en wordt er ook niet toe gedwongen. Hij zondigt omdat hij dat zelf heel graag wil en niet omdat een overweldigende macht hem daartoe dwingt. Hij zondigt omdat zijn eigen begeerte hem daartoe aanzet, niet door dwang van buitenaf. Maar omdat hij van nature slecht is, kan hij nergens anders toe aangezet en toe gebracht worden dan tot het kwade. Als dit waar is, geeft dat duidelijk aan dat het onvermijdelijk is dat de mens zondigt.

Bernardus onderschrijft wat Augustinus zegt. Zelf schrijft hij: ‘De mens is het enige levende wezen dat vrij is. Maar door de komst van de zonde ondergaat ook hij een vorm van dwang. Maar hij wordt gedwongen door zijn wil, niet door zijn aard. Zelfs op die manier wordt hij dus niet beroofd van zijn aangeboren vrijheid. Want als je iets vrijwillig doet, ben je dus vrij om het te doen.’

En een stukje verder: ‘De wil is door de zonde bedorven. Daardoor veroorzaakt de wil op een of andere misvormde en vreemde manier een onvermijdelijkheid voor zichzelf. Die onvermijdelijkheid kan geen excuus zijn voor de wil, want de wil heeft er zelf voor gekozen. Evenmin kan de wil de onvermijdelijkheid voorkomen, want de wil is ertoe verleid. In zekere zin is deze onvermijdelijkheid dus vrijwillig.’

Later zegt hij dat we gebukt gaan onder een juk. Maar dat is niets anders dan een vrijwillige slavernij. Die slavernij maakt ons ongelukkig. Maar dat is geen excuus voor de wil. Want toen de wil nog vrij was, heeft hij zich zelf tot een slaaf van de zonde gemaakt.

Ten slotte concludeert hij: ‘De ziel is dus op een vreemde en slechte manier gebonden aan een vrijwillige en ongelukkige onvermijdelijkheid, als slavin en als vrije. Als slavin vanwege de onvermijdelijkheid. Als vrije vanwege de wil. En wat nog vreemder en nog ellendiger is: de ziel is schuldig omdat ze vrij is. En de ziel is slavin omdat ze schuldig is. Dat betekent dus dat de ziel slavin is omdat ze vrij is.’

Mijn lezers zien nu vast wel in dat ik niet met iets nieuws kom. Augustinus heeft dit vroeger al uit de algemene opvatting van alle vromen naar voren gebracht. Bijna duizend jaar lang is deze opvatting bewaard gebleven in de kloosters van de monniken. Maar Lombardus zag het verschil niet tussen onvermijdelijkheid en dwang. Daardoor gaf hij aanleiding tot een gevaarlijke dwaling, die een dodelijke pest geweest is voor de kerk: dat de mens de zonde kan vermijden omdat hij vrijwillig zondigt.

Onze vernieuwing is van begin tot eind Gods werk

Aan de andere kant is het de moeite waard om na te gaan met welk geneesmiddel Gods genade het bederf van onze natuur corrigeert en geneest. Want als de Heer ons te hulp komt, geeft Hij ons wat ons ontbreekt. Als we vastgesteld hebben wat Hij in ons doet, is aan de andere kant dus meteen duidelijk wat wij tekortkomen.

De apostel Paulus zegt tegen de Filippenzen dat hij erop vertrouwt dat God het goede werk dat Hij in hen begonnen is ook zal afmaken, tot op de dag van Jezus Christus. Filippenzen 1:6 We hoeven er niet aan te twijfelen dat de apostel met het begin van het goede werk het begin van de bekering bedoelt, in de wil. God begint het goede werk in ons dus door in ons een liefde, verlangen en ijver op te wekken naar rechtvaardigheid. Of om het nauwkeuriger te zeggen: door ons hart te buigen, te vormen en te richten naar rechtvaardigheid. Maar hij voltooit dat werk door ons de kracht te geven om vol te houden.

En niemand moet hiertegen inbrengen dat God het goede in ons begint om onze wil te helpen, die op zichzelf zwak is. Want om dat te voorkomen, verklaart de Geest ergens anders waartoe de wil in staat is als hij aan zichzelf wordt overgelaten. Hij zegt: ‘Ik zal jullie een nieuw hart geven. En Ik zal jullie in jullie binnenste een nieuwe geest geven. En Ik zal het stenen hart uit jullie lichaam halen en jullie een hart van vlees geven. En Ik zal jullie in jullie binnenste mijn Geest geven. En Ik zal ervoor zorgen dat jullie volgens mijn geboden leven.’ Ezechiël 36:26-27

Hoe kun je nu nog zeggen dat de menselijke wil geholpen en versterkt wordt in zijn zwakheid, zodat hij effectief kan proberen het goede te kiezen? De wil moet compleet veranderd en vernieuwd worden! Als een steen nog een beetje flexibel zou zijn en met een beetje hulp nog flexibeler gemaakt kon worden, zodat hij in elke richting gebogen kon worden – dán zou ik niet ontkennen dat het hart van de mens ertoe gebracht kan worden om te gehoorzamen als Gods genade het gebrek in dat hart opvult. Maar de Heer heeft met deze vergelijking willen laten zien dat er nooit iets goeds uit ons hart tevoorschijn kan komen, tenzij het een heel ander hart wordt. Dan moeten we het werk dat God voor zichzelf opeist niet tussen Hem en ons verdelen.

Als God ons bekeert zodat we het goede gaan nastreven, wordt er dus een steen verandert in vlees. Van onze eigen wil wordt dan dus alles vernietigd. Wat daarvoor in de plaats komt, is volledig van God afkomstig. Ik zeg niet dat de wil zelf vernietigd wordt. Want als de mens bekeerd wordt, blijft alles van zijn oorspronkelijke natuur onaangetast. Ik zeg ook niet dat de wil pas bestaat vanaf het moment dat hij nieuw gemaakt wordt. Met ‘nieuw’ bedoel ik dat een slechte wil veranderd wordt in een goede wil. En ik stel dat dit door God alleen gedaan wordt. Want wij zijn zelfs niet in staat om te denken, zo getuigt dezelfde apostel. 2 Korinthiërs 3:5

Daarom verklaart hij ergens anders dat God niet slechts een zwakke wil te hulp komt of een slechte wil corrigeert. God maakt dat wij willen. Filippenzen 2:13 Daaruit kun je gemakkelijk opmaken dat – zoals ik gezegd heb – al het goede in de mens alleen het werk is van genade. Hetzelfde bedoelt de apostel als hij ergens anders zegt dat God alles werkt in allen. 1 Korinthiërs 12:6 Hij heeft het daar immers niet over een algemene leiding. Hij geeft daar God alleen de eer voor al het goede dat gelovigen hebben.

Als de apostel zegt dat God ‘alles’ werkt, maakt hij God vast en zeker de bewerker van heel het geestelijk leven, van begin tot eind. Dezelfde apostel heeft dat eerder al met andere woorden geleerd, toen hij zei dat gelovigen uit God in Christus zijn. Efeziërs 1:1 Hij prijst daar duidelijk de nieuwe schepping. Door die nieuwe schepping wordt alles vernietigd wat hoort bij onze gemeenschappelijke aard. We moeten daarbij denken aan de tegenstelling tussen Adam en Christus. Ergens anders legt hij dat duidelijker uit. Hij leert dan dat we door God gemaakt zijn. In Christus zijn we geschapen om goede daden te verrichten, die God heeft voorbereid, zodat we op die manier zouden leven. Efeziërs 2:10

De apostel wil hiermee bewijzen dat onze redding alleen maar genade is. Want het begin van al het goede is het resultaat van de tweede schepping, die we in Christus krijgen. Als er ook maar iets was dat we uit ons zelf konden doen, al was het maar het allerkleinste beetje, dan zouden we toch nog een stukje zelf verdiend hebben. Maar de apostel wil ons echt alles afpakken. Daarom beargumenteert hij dat we niets verdiend hebben. Want we zijn in Christus geschapen om goede daden te verrichten, die God heeft voorbereid. En met die woorden maakt hij opnieuw duidelijk dat al onze goede daden stuk voor stuk van de eerste aanzet af volledig van God komen.

Ook in Psalm 100 zegt de profeet dat wij door God gemaakt zijn. En om te voorkomen dat we dat werk verdelen tussen God en onszelf, voegt hij er meteen aan toe: ‘Wij hebben niet onszelf gemaakt.’ Uit de context blijkt dat hij het heeft over onze nieuwe geboorte, het begin van ons geestelijk leven. Want meteen daarop volgt er dat wij Gods volk zijn en de schapen in zijn wei. We zien dus dat de profeet er niet mee tevreden is dat hij God eenvoudigweg de eer geeft voor onze redding. Uitdrukkelijk ontkent hij dat wij daar zelf aan meegewerkt hebben. Eigenlijk zegt hij dat er voor de mens nog geen sprietje overblijft om zich op te laten voorstaan. Want alles komt van God.

Elke goede daad van een bekeerde wil is Gods werk

Nu zullen er misschien mensen zijn die toegeven dat de wil uit zichzelf een hekel heeft aan het goede. En dat de wil alleen bekeerd wordt door de kracht van de Heer. Maar dan op deze manier: de kracht van de Heer bereidt de wil voor en daarna heeft de wil zijn eigen aandeel in het werk. Augustinus leert dat er genade voorafgaat aan elke goede daad. De wil werkt mee, maar heeft niet de leiding. Als een lakei volgt de wil de genade op de voet, maar hij gaat niet voorop. Dat is van de heilige man geen verkeerde manier om het te zeggen. Maar Petrus Lombardus verdraait zijn woorden voor dit verkeerde doel.

Mijn stelling is echter dat in de door mij geciteerde woorden van de profeet en ook op andere plaatsen duidelijk twee dingen worden aangegeven: de Heer corrigeert – of beter: vernietigt – onze slechte wil. En daarvoor in de plaats geeft Hij ons een goede wil die van Hem zelf afkomstig is. Omdat er genade aan de wil voorafgaat, mag je de wil van mij een lakei noemen die de genade op de voet volgt. Maar het is verkeerd om aan de mens toe te schrijven dat hij de genade die voorafgaat, met zijn wil op de voet volgt. Want als de wil vernieuwd is, is de wil het werk van de Heer.

Daarom was het onjuist van Chrysostomos om te schrijven dat genade niets kan doen zonder de wil en de wil niets zonder genade. Alsof genade niet zelf de wil gemaakt heeft, zoals we zojuist bij Paulus gezien hebben!

En Augustinus bedoelde dit ook niet. Toen hij de menselijke wil een lakei noemde die de genade op de voet volgt, wilde hij de wil bij het doen van goede daden geen tweede rol toekennen na genade. Hij wilde alleen de afschuwelijke leer van Pelagius weerleggen. Pelagius beschouwde de eigen verdienste van de mens als de eerste oorzaak van de redding. En Augustinus zegt alleen wat nodig is voor dat onderwerp: dat genade eerder komt dan elke menselijke verdienste. Ondertussen negeert hij de andere kwestie: dat de genade continu aan het werk blijft.

Maar dat onderwerp behandelt hij ergens anders uitstekend. Want meerdere keren zegt hij dat de Heer voorop gaat bij wie niet wil, zodat hij wel wil. En dat de Heer hem die wel wil volgt, zodat zijn willen nooit tevergeefs is. Daarmee maakt Augustinus duidelijk dat een goede daad volledig Gods werk is.

Trouwens, Augustinus’ uitspraken over dit onderwerp zijn zo duidelijk dat een uitgebreide argumentatie niet nodig is. Hij zegt: ‘Mensen doen zoveel moeite om in onze wil iets te vinden dat van onszelf is en niet van God komt. Maar ik zou niet weten hoe ze iets zouden moeten vinden.’ En in boek 1 van Tegen Pelagius en Caelestius legt hij deze woorden van Christus uit: ‘Ieder die het van mijn Vader gehoord heeft, komt bij Mij.’ Johannes 6:45 Hij zegt dan: ‘De wil wordt geholpen zodat hij niet alleen weet wat hij moet doen, maar ook doet wat hij weet dat hij moet doen. God onderwijst daarbij niet door de letter van de wet, maar door de genade van de Geest. Hij doet dat zo, dat ieder wat hij geleerd heeft niet alleen verstandelijk weet, maar ook graag wil doen.’

Volgens de Schrift is God de bron van al het goede in ons

We zijn nu gekomen op het punt waar alles om draait. Laat ik met enkele heel duidelijke passages uit de Schrift voor de lezers bewijzen wat de kern is. Daarna zal ik aantonen dat deze heilige man – Augustinus bedoel ik – mij niet in de steek laat. Ook hij getuigt dat wat ik uit de Schrift haal, de waarheid is. Niemand moet mij er dus van beschuldigen dat ik met verkeerde bedoelingen de Schrift opzettelijk verdraai.

Ik vind het niet nodig om een voor een alle passages uit de Schrift op te sommen die volgens mij uit de Schrift geciteerd kunnen worden om mijn beweringen te onderbouwen. Als ik door de belangrijkste passages te citeren maar de weg baan om al het andere wat je hier en daar kunt lezen goed te begrijpen. En aan de andere kant lijkt het me niet misplaatst als ik aantoon dat mijn mening heel goed overeenstemt met de opvattingen van de man aan wie de vromen terecht allemaal zo’n groot gezag toekennen.

Vast en zeker kan ik gemakkelijk overtuigend bewijzen dat het begin van het goede nergens anders vandaan komt dan van God. Er is immers nergens een wil te vinden die geneigd is het goede te doen, behalve bij de uitverkorenen. Maar de reden voor de uitverkiezing moeten we buiten de mensen zoeken. Dat betekent dus dat een mens nooit van zichzelf een goede wil heeft. Een goede wil komt voort uit hetzelfde welbehagen waardoor wij vóór de schepping van de wereld uitverkoren zijn.

En er is nog een ander argument. Want het komt door geloof als iemand begint het goede te willen en te doen. Daarom moeten we ons afvragen waar geloof zelf dan vandaan komt. Nu roept heel de Schrift uit dat geloof een genadegave van God is. Dat betekent dus dat het enkel genade is als wij, die van nature met heel ons hart geneigd zijn om kwaad te doen, het goede beginnen te doen.

Wat betreft de bekering van zijn volk verklaart de Heer immers twee dingen: Hij haalt het stenen hart uit hen weg en geeft hun een hart van vlees. Daarmee verzekert Hij openlijk dat, als we bekeerd worden tot rechtvaardigheid, wat uit onszelf is vernietigd moet worden. En dat wat in plaats daarvan komt, van Hem komt.

De Heer zegt dit op meerdere plaatsen. Bij Jeremia zegt Hij: ‘Ik zal hun één hart en één weg geven om mij elke dag te vrezen.’ En een klein stukje verder: ‘Ik zal hun de vrees voor mijn naam in het hart geven, zodat zij niet van Mij afwijken.’ Jeremia 32:39-40 En opnieuw bij Ezechiël: ‘Ik zal hun één hart geven en ik zal hun een nieuwe geest in hun binnenste geven. Ik zal het stenen hart uit hun lichaam halen en ik zal hun een hart van vlees geven.’ Ezechiël 11:19

De Heer verklaart dat onze bekering de schepping is van een nieuwe geest en een nieuw hart. Hij zou de eer voor alles wat goed en juist is in onze wil niet duidelijker voor zichzelf kunnen opeisen en van ons kunnen afpakken. Want dit kan alleen maar betekenen dat er uit onze wil niets goeds voortkomt zolang hij nog niet vernieuwd is, én dat onze wil ook als hij wel vernieuwd is, van God afkomstig is en niet van ons.

We kunnen niets goeds doen, behalve uit genade

Hetzelfde lezen we in de gebeden die door heiligen zijn opgesteld. ‘Moge de HEER ervoor zorgen dat ons hart Hem genegen is,’ zei Salomo, ‘zodat we ons aan zijn geboden houden.’ 1 Koningen 8:58 Hij laat daarmee zien dat ons hart koppig is. Van nature komt het in verzet tegen de wet van God, als het niet buigzaam gemaakt wordt.

Je vindt dit ook in Psalm 119: ‘Buig mijn hart naar uw getuigenissen.’ Psalm 119:36 We moeten altijd letten op de tegenstelling tussen de verkeerde gemoedsbewegingen die het hart koppig maken en de correctie die het hart tot gehoorzaamheid dwingt.

En als David beseft dat hij een tijdlang de leidende genade van God gemist heeft, vraagt hij of God in hem een rein hart wil scheppen en hem vanbinnen wil vernieuwen met een standvastige geest. Psalm 51:12 Erkent hij daarmee niet dat zijn hele hart vol vuilheid zit en dat zijn geest door alle slechtheid misvormd is? En geeft hij niet toe dat de reinheid waar hij om bidt volledig van God komt? Hij zegt immers dat God die schept.

Misschien brengt iemand hiertegen in dat Davids gebed zelf al een bewijs is van een vroom en heilig hart. Maar dan heb ik mijn antwoord klaar: David was inderdaad al gedeeltelijk tot inkeer gekomen. Maar hij zet hier zijn vorige toestand tegenover de trieste val die hij ervaren had. Hij stelt zich dus op als een mens die van God vervreemd is. En dan is het terecht dat hij bidt of hij mag krijgen wat God de uitverkorenen allemaal geeft als ze opnieuw geboren worden. Als een dode wil hij herschapen worden, zodat hij niet langer een slaaf van Satan is, maar een instrument wordt van de Heilige Geest.

De wellust van onze trots is werkelijk vreemd en afschuwelijk. De Heer eist van ons niets zo streng als dat we ons toegewijd houden aan zijn rustdag en uitrusten van ons werk. Exodus 20:8-11; Deuteronomium 5:12-15 En toch zijn wij nergens zo moeilijk toe te brengen als tot het loslaten van ons eigen werk om Gods werk de ruimte te geven die het toekomt.

Stond onze dwaasheid maar niet in de weg. Dan zouden we zien dat Christus duidelijk genoeg van zijn genadegaven getuigd heeft. En dan zouden we ze niet opzettelijk verduisteren. Hij zegt: ‘Ik ben de wijnstok. Jullie zijn de ranken. Mijn vader is de landbouwer. De rank kan geen vrucht dragen als ze niet aan de wijnstok blijft. Zo kunnen jullie ook geen vrucht dragen als jullie niet in Mij blijven. Want zonder Mij kunnen jullie niets doen.’ Johannes 15:1-5 Uit onszelf dragen wij dus net zomin vrucht als een rank die uit de aarde losgerukt is en zonder water zit, uitbot. We hoeven dus niet verder te vragen hoe geschikt onze natuur is om het goede te doen.

En de conclusie is ondubbelzinnig: ‘Zonder Mij kunnen jullie niets doen.’ Hij zegt niet dat we te zwak zijn om aan onszelf genoeg te hebben. Hij laat niets van ons over en ontneemt ons elk waanidee dat we zelf ook maar iets zouden kunnen. Een wijnstok krijgt zijn groei uit het vocht van de aarde, uit de dauw van de hemel en uit de warmte van de zon. Als wij zo vrucht dragen als we zijn geënt in Christus, dan zie ik in het doen van goede daden niets overblijven voor onszelf. Als we tenminste afblijven van wat God toebehoort.

Het is tevergeefs om met een flauwe scherpzinnigheid op te merken dat een rank al sap in zich heeft en de mogelijkheid om vrucht te dragen. En dat een rank daarom niet alles uit de aarde of uit de wortel van de wijnstok krijgt, maar ook zelf iets bijdraagt. Christus bedoelt niets anders dan dat wij dor hout zijn dat geen enkele waarde heeft, als we van Hem gescheiden zijn. Want zonder Hem zijn wij niet in staat iets goeds te doen. Dat zegt Hij ook ergens anders: ‘Elke plant die mijn Vader niet geplant heeft, zal met wortel en tak uitgeroeid worden.’ Mattheüs 15:13

Daarom schrijft de apostel Paulus alles aan Hem toe, in de passage die ik al aangehaald heb: ‘God maakt zowel dat jullie willen als dat jullie doen.’ Filippenzen 2:13 Het eerste onderdeel van een goede daad is dat je het wilt. Het andere onderdeel is dat je je uiterste best doet om het uit te voeren. Beide onderdelen worden door God bewerkt. Dus als we onszelf iets aanmatigen – in het willen of in het uitvoeren – dan ontfutselen we dat dus aan de Heer. Als er gezegd zou worden dat God een zwakke wil te hulp komt, dán zou er voor ons nog iets overblijven. Maar er wordt gezegd dat Hij maakt dat we willen. Daarmee wordt alles wat goed is in onze wil buiten onszelf geplaatst.

Verder gaat een wil die al goed is, nog steeds zwaar gebukt onder het vlees. Hij wordt erdoor overmand en kan zich niet eens oprichten. Daarom voegde de apostel eraan toe dat de wil de standvastigheid gegeven wordt om de inspanning te volbrengen. Zo kan hij zich ontworstelen aan deze strijd. Anders zou immers niet kloppen wat de apostel ergens anders leert: de enige God werkt alles in allen. 1 Korinthiërs 12:6 Ik heb hiervóór al uitgelegd dat dat de hele loop van het geestelijk leven omvat.

David bidt of Gods wegen aan hem geopenbaard mogen worden, zodat hij in Gods waarheid kan wandelen. Maar hij voegt er meteen aan toe:

‘Maak mijn hart één om uw naam te vrezen.’ Psalm 86:11 Met die woorden geeft hij aan dat er ook aan hen die het goed bedoelen van allerlei kanten getrokken wordt. Ze worden gemakkelijk weggeblazen of weggespoeld als ze niet de kracht krijgen om stand te houden. En in een andere passage bidt hij of zijn voetstappen zo gericht mogen worden dat hij zich houdt aan Gods Woord. En dan vraagt hij ook of hij de kracht mag krijgen voor de strijd. Hij zegt: ‘Laat geen zonde over mij heersen.’ Psalm 119:133

Op deze manier begint de Heer een goede daad dus in ons en maakt Hij die ook af. Dus komt het van Hem dat een mens met zijn wil het goede lief krijgt, dat hij graag het goede nastreeft, dat hij wordt aangezet en aangespoord om zich in te spannen om het goede te bereiken. En vervolgens komt het ook van Hem dat zijn keuze, ijver en inspanning niet verflauwen, maar dat hij daadwerkelijk aan het werk gaat. En ten slotte komt het van Hem dat een mens standvastig blijft doorgaan en tot het eind toe volhoudt.

Ook het volhouden is een genadegave van God

Vele eeuwen lang hebben mensen geleerd en geloofd dat God de wil aanraakt en dat daarna aan ons de keus is of we aan die aanraking gehoorzamen of die tegenwerken. Maar zo doet God het niet. Hij buigt de wil daadwerkelijk. We moeten daarom een uitspraak afwijzen van Chrysostomos, die hij zo vaak herhaald heeft: ‘Wie Hij trekt, trekt Hij vrijwillig.’ Daarmee suggereert hij dat de Heer alleen zijn hand uitsteekt en dan afwacht of wij zin hebben om zijn hulp aan te nemen.

Ik geef toe dat de mens in zijn toestand voordat hij gevallen was voor het een of het ander kon kiezen. Maar door zijn eigen voorbeeld heeft de mens geleerd hoe ellendig een vrije wil is, als God niet in ons wil of kan werken. Wat zal er dan van ons worden als Gods genade zo karig aan ons wordt uitgedeeld? Ja, wij verduisteren en kleineren die genade zelf omdat we ondankbaar zijn.

Want de apostel Paulus leert niet dat ons uit genade een goede wil wordt aangeboden, als we die maar aannemen. Het willen zelf wordt in ons tot stand gebracht. Dat is niets anders dan dat de Heer door zijn Geest ons hart leidt, buigt en bestuurt. Dat Hij in ons hart regeert alsof het zijn bezit is. En als Hij via Ezechiël belooft dat Hij de uitverkorenen een nieuwe geest zal geven, bedoelt Hij niet alleen maar dat ze dan volgens zijn geboden kúnnen leven. Hij bedoelt ook dat ze dat daadwerkelijk zúllen doen. Ezechiël 11:19-20; 36:27

En de uitspraak van Christus: ‘Ieder die het van de Vader gehoord heeft, komt bij Mij,’ Johannes 6:45 moet je zo opvatten: Hij leert dat Gods genade van zichzelf effectief is. Ook Augustinus stelt het zo.

En de Heer keurt niet iedereen die genade waard, zonder onderscheid. Iedereen heeft er de mond van vol dat de genade aan niemand wordt geweigerd als hij doet wat in hem is. Als ik me niet vergis komt dat van Ockham. Inderdaad moeten we de mensen zonder onderscheid leren dat Gods welwillendheid beschikbaar is voor ieder die er naar zoekt. Maar je begint er pas naar te zoeken als de hemelse genade je daartoe aanzet. Daarom mag je ook dit stukje eer niet afplukken voor jezelf. Het is echt een voorrecht voor de uitverkorenen dat ze door Gods Geest opnieuw geboren worden en door zijn leiding in beweging gebracht en geregeerd worden.

Terecht lacht Augustinus daarom de mensen uit die voor zichzelf nog een rol willen opeisen. En hij wijst anderen terecht die denken dat iedereen zonder onderscheid krijgt wat bijzonder is: het getuigenis van de uitverkiezing uit genade. Hij zegt: ‘De natuur is voor iedereen gemeenschappelijk. Genade niet.’ Als je wat God alleen geeft aan wie Hij wil, uitbreidt tot iedereen gemeenschappelijk, dan noemt Augustinus dat zo scherpzinnig als glas – een loze schittering.

En ergens anders zegt hij: ‘Hoe ben je gekomen? Door te geloven. Pas op dat je jezelf niet verbeeldt dat je zelf de juiste weg gevonden hebt. Want dan dwaal je van de juiste weg af en kom je om. “Ik ben gekomen,” zeg je, “uit vrije wil. Ik ben gekomen omdat ik dat zelf wilde.” Wat ben je hoogmoedig! Weet je wel dat je dat ook gekregen hebt? Luister naar Hem die roept: “Niemand komt bij Mij als de Vader hem niet trekt.”’ Johannes 6:44

En het staat buiten kijf dat je uit de woorden van Johannes kunt afleiden dat God het hart van de vromen zo effectief bestuurt dat ze Hem volgen omdat ze niets anders meer willen. Hij zegt: ‘Ieder die uit God geboren is, kan niet zondigen. Want het zaad van God blijft in hem.’ 1 Johannes 3:9 De sofisten stellen zich een halfslachtige aanraking voor. Je kunt die volgen of afwijzen, wat je maar wilt. Maar het is duidelijk dat zo’n waanidee vlees noch vis is en onmogelijk waar kan zijn. Want de Schrift leert duidelijk dat de gelovigen de standvastigheid krijgen om daadwerkelijk vol te houden. God zorgt ervoor dat ze geen enkel risico lopen om te vallen.

Latere genadegaven verdienen we niet met onze reactie op eerdere genadegaven

Er zou geen twijfel over bestaan dat we volharding moeten beschouwen als een genadegave van God, als niet deze verderfelijke dwaling de overhand had gekregen: dat volharding uitgedeeld wordt op basis van wat mensen verdiend hebben, afhankelijk van de vraag of ze niet ondankbaar zijn gebleken voor de eerste genade. Maar deze dwaling is ontstaan uit het idee dat we het zelf in de hand hebben of we het aanbod van Gods genade afwijzen of aannemen. Als we dat idee opblazen, stort deze dwaling ook meteen in elkaar.

De aanhangers van deze dwaling maken trouwens twee fouten. Ze leren dat we, als we dankbaar zijn voor de eerste genade en die op de juiste manier gebruiken, beloond worden met de latere gaven. En daar voegen ze nog aan toe dat de genade dan niet meer alleen in ons werkt. De genade werkt dan enkel nog maar met ons mee.

Wat betreft het eerste punt moeten we het zo zien: de Heer maakt zijn dienaren elke dag rijker. Hij overstelpt hen met telkens nieuwe genadegaven. Want het werk dat Hij in hen begonnen is, bevalt Hem. Daarom vindt Hij in hen redenen om hen nog grotere genadegaven waard te keuren. En daarop slaan de volgende zinnen: ‘… aan hem zal gegeven worden,’ en: ‘Uitstekend, goede slaaf! Omdat je trouw bent geweest in weinig, zal ik je aanstellen over veel.’ Mattheüs 25:21-29; Lucas 19:17-26

Maar we moeten hier voor twee dingen oppassen. We mogen niet zeggen dat latere genadegaven een beloning zijn voor het juiste gebruik van de eerste genade. Alsof de mens Gods genade effectief maakt door zelf zijn best te doen. In de tweede plaats mogen we die beloning niet zo opvatten dat we die niet meer beschouwen als Gods vrije genade.

Ik geef dus toe dat gelovigen Gods zegen mogen verwachten. Hoe beter ze gebruik maken van eerdere genadegaven, hoe grotere genadegaven ze daarna nog zullen krijgen. Maar volgens mij is ook het gebruik dat ze van de eerste genade maken een geschenk van God. En de beloning is het gevolg van zijn genadige welwillendheid.

De aanhangers van deze dwaling maken op een even gemene als ongelukkige manier gebruik van het bekende onderscheid tussen werkende en meewerkende genade. Augustinus gebruikte dit onderscheid ook wel, maar hij zwakte dat af met deze toepasselijke definitie: God maakt meewerkend af wat Hij werkend begint. En de genade is hetzelfde, maar wordt anders genoemd, omdat zij anders werkt. Dat betekent dus dat Augustinus geen verdeling maakt tussen God en ons, alsof wat God doet en wat wij doen van beide kanten bij elkaar komt. In plaats daarvan wil hij aangeven dat we steeds meer genade krijgen. En daarom zegt hij ergens anders dat God veel dingen geeft vóórdat de mens het goede wil. Dat geldt ook voor de wil om het goede te doen zelf. En dat betekent dus dat Augustinus niets voor de wil overlaat dat we onszelf zouden kunnen aanmatigen.

Paulus heeft dat ook uitdrukkelijk gezegd. Hij zei dat God zowel maakt dat wij willen als dat wij doen. En daar voegde hij meteen aan toe dat God die beide dingen doet omdat het Hem behaagt. Filippenzen 2:13 Daarmee zegt Paulus dat het een geschenk van God is, uit genade.

De aanhangers van deze dwaling zeggen steeds dat we na het aannemen van de eerste genade, zelf meewerken met de volgende genade. Daarop is mijn antwoord: als ze daarmee bedoelen dat we – door de kracht van de Heer eenmaal gedwongen tot gehoorzaamheid aan rechtvaardigheid – uit eigen beweging doorgaan en graag het werk van de genade volgen, dan heb ik daar niets tegen in te brengen. Want het is absoluut waar dat waar Gods genade regeert, mensen graag bereid zijn te gehoorzamen. Maar hoe komt dat? De Geest van God verandert nooit van gedachten. Als Hij eerst in iemand de bereidheid om te gehoorzamen heeft gewekt, voedt en versterkt Hij die vervolgens zodat zo iemand standvastig blijft volhouden. Maar als ze bedoelen dat een mens uit zichzelf in staat is om met Gods genade mee te werken, dan lijden ze aan levensgevaarlijke waanideeën.

Al het goede dat Paulus doet, doet de genade in hem

Hiervoor verdraaien ze onterecht uit onwetendheid een uitspraak van de apostel Paulus: ‘Ik heb harder gezwoegd dan zij allemaal. Echter, niet ik, maar Gods genade met mij.’ 1 Korinthiërs 15:10 Want zij vatten dat zo op: het kon nogal arrogant lijken van de apostel om het zo te zeggen, omdat hij zichzelf boven alle anderen plaatst. Daarom corrigeert hij dit en geeft Gods genade de eer. Maar dan zo dat hij zegt dat hij zelf meewerkt met de genade.

Het is vreemd dat zoveel mensen die verder niet slecht waren over dit strootje gestruikeld zijn. Want de apostel schrijft niet dat Gods genade met hem meegewerkt heeft en zo aan het werk heeft deelgenomen. Hij geeft juist alle eer voor het werk alleen aan de genade door deze correctie: ‘Niet ik,’ zegt hij, ‘heb het werk gedaan, maar Gods genade die met mij was.’

Ze zijn misleidt doordat dit citaat in het Latijn dubbelzinnig is. Of eigenlijk doordat het verkeerd vertaald is. Want in de Latijnse vertaling van de Vulgaat is het belang van het Griekse lidwoord over het hoofd gezien. Als je het letterlijk vertaalt, zegt Paulus niet dat de genade met hem meegewerkt heeft, maar dat de genade die met hem was, al het werk gedaan heeft.

Dit leert Augustinus duidelijk, hoewel beknopt, als hij zegt: ‘De goede wil van de mens gaat vooraf aan veel gaven van God. Maar niet aan alle gaven. Immers, de wil die voorafgaat, is zelf een van die gaven.’ En dan volgt de reden: ‘Want er staat geschreven: “Zijn barmhartigheid gaat voor mij uit.” Psalm 59:11 En: “Zijn barmhartigheid zal mij volgen.” Psalm 23:6 Zij gaat voorop bij wie niet wil, zodat hij wel wil. En zij volgt hem die wel wil, zodat zijn willen nooit tevergeefs is.’

Bernardus van Clairvaux is het daarmee eens. Hij laat de kerk zeggen: ‘Trek mij, al is het tegen mijn wil, om te zorgen dat ik wil. Trek mij, traag als ik ben, om mij te laten lopen.’

Volgens Augustinus is het willen een genadegave van God

Laten we nu luisteren naar wat Augustinus zegt in zijn eigen woorden. De pelagianen van onze tijd – de sofisten van de Sorbonne-universiteit in Parijs – kunnen dan niet meer lasteren dat wij alle oude schrijvers tegen ons hebben, zoals hun gewoonte is. Daarmee imiteren ze ongetwijfeld hun vader Pelagius. Die sleepte Augustinus ooit hetzelfde strijdperk in.

In zijn boek Over berisping en genade bespreekt hij dit uitvoerig. Ik zal het kort citeren, maar wel in zijn eigen woorden: ‘Adam had genade gekregen om overeind te kunnen blijven in het goede, als hij dat wilde. Wij krijgen genade om het goede te willen en door de wil onze slechte begeerten te overwinnen. Adam kon dus als hij maar wilde. Maar hij wilde niet en dus kon hij niet. Wij krijgen zowel het willen als het kunnen. De eerste vrijheid hield dus in dat we in staat waren om niet te zondigen. Onze vrijheid is veel groter: we zijn niet meer in staat om te zondigen.’

En we moeten niet denken dat hij het heeft over onze toekomstige volmaaktheid in het eeuwige leven. Lombardus laat zijn woorden daar onterecht op slaan. Augustinus neemt deze twijfel even later weg. Want hij zegt: ‘De Heilige Geest spoort de wil van de heiligen zo aan dat ze daardoor kunnen. En ze kunnen omdat ze dat willen en ze willen dat omdat God maakt dat ze dat willen. De heiligen zijn heel zwak. Juist in die zwakheid moet Gods kracht volbracht worden om hoogmoed te voorkomen. 2 Korinthiërs 12:9 Maar stel dat ze op hun eigen kracht aangewezen zouden zijn en God hen alleen zou helpen om te kunnen, als ze maar willen. Stel dat God niet zou maken dat ze ook willen. Onder alle beproevingen zou hun wil bezwijken omdat die zwak is. En dus zouden ze niet kunnen volhouden. Daarom wordt de zwakheid van de menselijke wil geholpen. Door Gods genade wordt hij aangespoord, zodat hij onwankelbaar volhoudt en – hoe zwak ook – niet kan bezwijken.’ Vervolgens legt hij uitgebreider uit dat ons hart onvermijdelijk Gods leiding volgt. Hij zegt dan dat de Heer wel mensen trekt die willen, maar dat Hij zelf gemaakt heeft dat ze willen.

Ik heb nu uit Augustinus’ eigen mond het belangrijkste gewenste bewijs geleverd: de Heer biedt genade niet alleen maar aan, zodat ieder zelf vrij kan kiezen om de genade aan te nemen of af te wijzen. Nee, de Heer bewerkt zelf de keus en de wil in het hart. Elke goede daad die daarop volgt, is daar het resultaat en het effect van. En de genade wordt door geen andere wil gehoorzaamd, dan door de wil die door de genade zelf is gemaakt. Want ook dit zijn woorden van Augustinus, die ergens anders vandaan komen: ‘Genade alleen bewerkt al het goede in ons.’

Volgens Augustinus is ook het volhouden een genadegave van God

Maar ergens anders zegt Augustinus dat genade de wil niet wegneemt. De wil wordt van een slechte wil veranderd in een goede wil. En als hij goed is, wordt hij geholpen. Hiermee geeft Augustinus aan dat de mens niet getrokken wordt zonder dat zijn hart beroerd wordt. Alsof er alleen van buitenaf kracht op hem uitgeoefend wordt, zoals bij een steen. Nee, de mens wordt van binnen aangeraakt zodat hij graag gehoorzaamt.

Aan Bonifacius schrijft hij dat de genade speciaal aan de uitverkorenen geschonken wordt, zonder dat ze dat verdiend hebben. Hij zegt het zo: ‘We weten dat Gods genade niet aan alle mensen geschonken wordt. En aan hen aan wie wel genade geschonken wordt, wordt niet om wat ze met hun daden verdiend hebben genade geschonken en ook niet om wat ze verdiend hebben met wat ze willen. En aan hen aan wie geen genade geschonken wordt, wordt op grond van Gods rechtvaardig oordeel geen genade geschonken.’

En in dezelfde brief bestrijdt Augustinus krachtig het idee dat genade die op de eerste genade volgt, gegeven wordt als beloning voor wat mensen verdiend hebben, als blijkt dat ze de eerste genade waard zijn omdat ze die niet afwijzen. Want hij wil dat Pelagius toegeeft dat we voor elke afzonderlijke daad genade nodig hebben. En dat die genade niet gegeven wordt omdat we daar recht op hebben op grond van onze daden. Want alleen dan is genade inderdaad genade.

Maar deze kwestie kan niet korter samengevat worden dan met woorden die ik ontleen aan hoofdstuk 8 van het boek Over berisping en genade. Daar leert Augustinus eerst dat de menselijke wil niet genade krijgt omdat hij vrij is, maar dat hij zijn vrijheid krijgt door genade.

Door dezelfde genade wordt er in de wil een gevoel van verrukking ingeprent. Daardoor wordt de wil standvastig gemaakt. Hij wordt zo sterk gemaakt dat hij onoverwinnelijk is. Als de wil onder leiding van de genade staat, zal hij nooit verloren gaan. Maar als de genade hem verlaat, bezwijkt hij meteen. Door Gods genadige barmhartigheid wordt de wil bekeerd tot het goede en houdt hij vol nadat hij bekeerd is. Het in de goede richting sturen van de menselijke wil en het volhouden in de goede richting daarna hangen alleen af van Gods wil. De menselijke wil heeft dat op geen enkele manier verdiend.

De wil van de mens is dus alleen maar vrij – als je dat zo wilt noemen – op de manier waarop Augustinus dat ergens anders beschrijft: zonder genade kan de wil zich niet tot God bekeren en evenmin kan hij zonder genade in God overeind blijven. Maar door genade kan hij alles wat hij kan.

Voetnoten

  1. 212

    Marcus Furius Camillus (†365 v. Chr.), Romeinse politicus.

  2. 213

    Lucius Sergius Catilina (108-62 v. Chr.), Romeinse politicus, probeerde twee keer om een staatsgreep te plegen.

  3. 214

    Augustinus, Contra Iulianum IV, 3,16.

  4. 215

    Caelestius (ca. 400), volgeling van Pelagius.

  5. 216

    Augustinus, De perfectione iustitiae hominis, 4,9.

  6. 217

    Augustinus, De natura et gratia, 66,79.

  7. 218

    Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 81.

  8. 219

    Augustinus, Epistulae, 186.

  9. 220

    Petrus Lombardus, Sententiae II, 26,3.

  10. 221

    Pseudo-Chrysostomos, De inventione sanctae crucis.

  11. 222

    Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 18,28.

  12. 223

    Augustinus, De gratia Christi et de peccato originali contra Pelagium et Coelestinum, 39.

  13. 224

    Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 8,13.

  14. 225

    Willem van Ockham († 1347), Engelse filosoof.

  15. 226

    Augustinus, De verbis apostolorum, 11.

  16. 227

    Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 9,32.

  17. 228

    Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 21,9.

  18. 229

    Augustinus, De correptione et gratia, 12.

  19. 230

    Petrus Lombardus, Sententiae II, 25.

  20. 231

    Augustinus, De correptione et gratia, 14.

  21. 232

    Augustinus, Epistulae, 194.

  22. 233

    Augustinus, Epistulae, 186.

  23. 234

    Augustinus, Epistulae, 214.

Voetnoot 212

Marcus Furius Camillus (†365 v. Chr.), Romeinse politicus.

Voetnoot 213

Lucius Sergius Catilina (108-62 v. Chr.), Romeinse politicus, probeerde twee keer om een staatsgreep te plegen.

Voetnoot 214

Augustinus, Contra Iulianum IV, 3,16.

Voetnoot 215

Caelestius (ca. 400), volgeling van Pelagius.

Voetnoot 216

Augustinus, De perfectione iustitiae hominis, 4,9.

Voetnoot 217

Augustinus, De natura et gratia, 66,79.

Voetnoot 218

Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 81.

Voetnoot 219

Augustinus, Epistulae, 186.

Voetnoot 220

Petrus Lombardus, Sententiae II, 26,3.

Voetnoot 221

Pseudo-Chrysostomos, De inventione sanctae crucis.

Voetnoot 222

Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 18,28.

Voetnoot 223

Augustinus, De gratia Christi et de peccato originali contra Pelagium et Coelestinum, 39.

Voetnoot 224

Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 8,13.

Voetnoot 225

Willem van Ockham († 1347), Engelse filosoof.

Voetnoot 226

Augustinus, De verbis apostolorum, 11.

Voetnoot 227

Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 9,32.

Voetnoot 228

Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 21,9.

Voetnoot 229

Augustinus, De correptione et gratia, 12.

Voetnoot 230

Petrus Lombardus, Sententiae II, 25.

Voetnoot 231

Augustinus, De correptione et gratia, 14.

Voetnoot 232

Augustinus, Epistulae, 194.

Voetnoot 233

Augustinus, Epistulae, 186.

Voetnoot 234

Augustinus, Epistulae, 214.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.