Boek II · Hoofdstuk 4

Gods werk in het hart van de mens

Inhoud van dit hoofdstuk · 8 secties
  1. 1Mensen geven zich vrijwillig over aan Satan
  2. 2In elke slechte daad zijn God, Satan en de mens alle drie aan het werk
  3. 3God verblindt en verhardt de goddelozen
  4. 4Voorbeelden uit de Schrift dat God mensen verblindt en verhardt
  5. 5Bewijs uit de Schrift dat God Satan gebruikt voor zijn doel
  6. 6Ook in de ondergeschikte dingen werkt God in de mens
  7. 7De wil van de mens is niet alleen in bijzondere gevallen aan God onderworpen
  8. 8De onvrijheid van de wil zegt alleen iets over de mogelijkheid om vrij te kiezen

Mensen geven zich vrijwillig over aan Satan

Als ik me niet vergis, heb ik nu wel duidelijk genoeg bewezen dat de mens zo gevangen zit onder het juk van de zonde dat hij van nature met zijn begeerte niet naar het goede kan verlangen en niet in staat is zijn best te doen om het goede te doen. Bovendien heb ik uitgelegd wat het verschil is tussen dwang en onvermijdelijkheid. Het is nu dus duidelijk dat de mens weliswaar onvermijdelijk zondigt, maar ondanks dat toch zondigt omdat hij dat wil.

Maar omdat de mens in slavernij gebonden is aan de duivel, lijkt het erop dat hij meer gedreven wordt door wat de duivel wil, dan door wat hij zelf wil. Daarom rest mij nu nog de taak om te ontrafelen wat nu eigenlijk de een doet en wat de ander doet. Vervolgens moeten we een vraag beantwoorden waar velen mee worstelen: is God ook voor een deel verantwoordelijk voor onze slechte daden? Want volgens de Schrift is Hij op een of andere manier in die daden aan het werk.

Augustinus vergelijkt de menselijke wil ergens met een paard dat reageert op de aanwijzingen van zijn berijder. En hij vergelijkt God en de duivel met berijders. Hij zegt: ‘Als God de wil van een mens berijdt, dan bestuurt Hij die rustig, als een bedaarde en ervaren ruiter. Hij spoort hem aan als hij traag is en houdt hem in toom als hij te snel gaat. Hij bedwingt zijn uitgelatenheid en overmoed en breekt zijn koppigheid. Hij leidt hem op de juiste weg. Maar als de duivel de wil van een mens in bezit genomen heeft, dan drijft hij hem als een doldwaze ruiter buiten de gebaande wegen. Hij jaagt hem in kuilen en laat hem in ravijnen vallen. En hij zet hem aan tot koppigheid en onbesuisdheid.’ Ik kan geen betere vergelijking bedenken en daarom moeten we met deze vergelijking tevreden zijn.

Dat de wil van een natuurlijk mens onderworpen is aan het gezag van de duivel wil dus niet zeggen dat de wil tegen zijn zin gedwongen wordt om de duivel te gehoorzamen, ook al verzet hij zich. Zo dwingen wij mensen onwillige slaven onze bevelen te gehoorzamen, als wij zeggenschap over hen hebben. Maar Satan betovert de wil met zijn goocheltrucs en dan is de wil onvermijdelijk bereid om alle leiding van Satan te gehoorzamen. Want als de

Heer hen niet de leiding van zijn Geest waard keurt, geeft Hij hun op grond van zijn rechtvaardig oordeel over aan het werk van Satan.

Daarom zegt de apostel Paulus dat de god van deze wereld de gedachten verblind heeft van de ongelovigen die bestemd zijn voor de ondergang, zodat ze het licht van het evangelie niet kunnen onderscheiden. 2 Korinthiërs 4:4 En ergens anders zegt de apostel dat Satan werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid. Efeziërs 2:2 De verblinding van de goddelozen en de schanddaden die daar het gevolg van zijn, worden het werk van Satan genoemd. Maar toch moeten we de oorzaak daarvan niet zoeken buiten de menselijke wil. In de wil schiet de wortel op van het kwaad. In de wil ligt het fundament van het rijk van Satan: de zonde.

In elke slechte daad zijn God, Satan en de mens alle drie aan het werk

Maar met Gods werk in zulke mensen zit het heel anders. Om dat extra duidelijk te maken, kunnen we als voorbeeld het onheil nemen dat de Chaldeeën de heilige Job aandeden. Eerst doodden de Chaldeeën zijn herders en daarna roofden ze zijn kudde. Het is klip en klaar dat dit een goddeloze daad van hen was. Want als we zien dat rovers een moord of een roofoverval plegen, aarzelen we niet om hun de schuld te geven en hen te veroordelen. Maar Satan is in hun daad niet passief. Dit komt allemaal van hem, zo vertelt het verhaal. Job zelf echter herkent er het werk van de Heer in. Hij zegt dat de Heer hem heeft afgenomen wat de Chaldeeën van hem geroofd hebben. Job 1:12-21

Hoe kunnen we een en dezelfde daad toeschrijven aan God, Satan en de mens, zonder Satan te verontschuldigen omdat hij samenwerkt met God en zonder God verantwoordelijk te stellen voor het kwaad? Dat is niet moeilijk. We moeten eerst kijken naar het doel van deze daad en vervolgens naar de manier waarop deze daad wordt uitgevoerd. De bedoeling van de Heer is dat zijn dienaar door tegenslag getraind wordt in geduld. Satan probeert hem tot wanhoop te brengen. De Chaldeeën willen onrechtmatig en oneerlijk voordeel halen uit andermans bezit.

Je kunt dus al een groot onderscheid aanbrengen in deze daad doordat er een groot verschil is in het doel.

In de manier waarop is het verschil niet minder groot. De Heer staat toe dat Satan zijn dienaar slaat. De Heer heeft de Chaldeeën uitgekozen als dienaren om dit uit te voeren. Hij laat hen over aan Satan zodat die hen ertoe kan aanzetten. De Chaldeeën zijn toch al geen beste lieden en Satan hitst hen met zijn venijnige prikkels op om deze schanddaad uit te voeren. In een razende woede haastten zij zich om dit onrecht voor elkaar te krijgen. Zo raken ze met al hun ledematen verstrikt en besmeurd in deze misdaad.

Eigenlijk wordt er dus gezegd dat Satan werkt in de verworpenen. In hen oefent hij zijn gezag van zonde uit. Maar er wordt ook gezegd dat God op zijn eigen manier werkt. Want Satan is zelf een instrument van Gods woede. God buigt hem hierheen en daarheen, net wat Hij wil, om zijn rechtvaardige oordelen uit te voeren. Ik heb het hier niet over de algemene beweging waarmee God alle schepselen onderhoudt en de kracht geeft om alles te doen wat ze doen. Ik heb het over het specifieke werk van God die in elke daad zichtbaar wordt.

We zien dus dat het niet absurd is om een en dezelfde daad toe te schrijven aan God, Satan en de mens. Maar omdat er verschil is in het doel en in de manier waarop, schittert Gods rechtvaardigheid onberispelijk, terwijl de slechtheid van Satan en de mens openbaar worden tot hun schande.

God verblindt en verhardt de goddelozen

De kerkvaders deinzen er soms voor terug om op dit punt simpelweg te belijden wat de waarheid is. Want ze zijn bang dat ze goddelozen dan aanleiding zouden geven om oneerbiedig te spreken over Gods werk. Zulke zelfbeheersing waardeer ik enorm. Toch vind ik dat we geen enkel risico lopen als we gewoon vasthouden aan wat de Schrift leert.

Zelfs Augustinus is soms niet vrij geweest van die angst. Hij zegt bijvoorbeeld ergens dat het verharden en verblinden niet valt onder Gods werk, maar onder zijn voorkennis. Maar er zijn vele uitspraken in de Schrift die duidelijk laten zien dat er van God meer aan te pas komt dan alleen voorkennis. Die uitspraken laten zulke spitsvondigheden niet toe. En Augustinus zegt zelf in een lang betoog in boek 5 van Tegen Julianus dat zonden niet alleen maar door God toegelaten of getolereerd worden. Ze vallen onder zijn macht. Hij gebruikt ze om eerdere zonden te bestraffen. Daarmee komt Augustinus dus op zijn eerdere uitspraak terug.

Daarom is ook wat men aanvoert over het toelaten niet overtuigend genoeg om overeind te blijven. In de Schrift wordt vaak gezegd dat God verworpenen verblindt en verhardt, dat Hij hun hart keert, buigt en in beweging brengt. Ik heb dat ergens anders al uitgebreider uitgelegd. Hoe dit zit, valt echt niet te verklaren als je je toevlucht neemt tot voorkennis of toelating.

Mijn antwoord is dus dat het op twee manieren gaat. Waar Gods licht weggenomen is, blijft immers alleen maar duisternis en blindheid over. En als Gods Geest is weggenomen, verandert ons hart in steen. Wie niet langer door God geleid wordt, raakt van het juiste pad en wordt misvormd. Het is dus terecht als de Schrift zegt dat God de mensen verblindt, verhardt en buigt van wie Hij het vermogen om te zien, te gehoorzamen en het goede te doen heeft afgenomen.

De tweede manier komt veel dichter bij wat het letterlijk betekent dat God in het hart van de verworpenen werkt. Om zijn oordelen uit te voeren buigt God door middel van de uitdeler van zijn woede, Satan, hun plannen waarheen Hij maar wil. Zo brengt Hij hun wil in beweging en geeft Hij hun kracht voor wat ze ondernemen. Mozes vertelt dat koning Sihon het volk geen doorgang gaf, omdat God zijn geest verhard en zijn hart verstokt had. Hij voegt daar dan meteen aan toe wat de bedoeling daarvan was: ‘Om hem in onze hand te geven,’ zegt Mozes. Deuteronomium 2:30 Dus omdat God wilde dat Sihon zou omkomen, bereidde Hij zijn val voor door zijn hart te verharden.

Voorbeelden uit de Schrift dat God mensen verblindt en verhardt

De volgende uitspraken lijken te stroken met de eerste manier: ‘Trouwe mannen snoert Hij de mond en oude mannen ontneemt Hij hun verstand.’ Job 12:20 ‘Hun die de leiding hebben over het volk van de aarde beneemt Hij het hart.’ Job 12:24 ‘Hij laat hen dwalen waar geen weg is.’ Psalm 107:40 En: ‘Waarom hebt U ons dwaas gemaakt, HEER? En waarom hebt U ons hart verhard, zodat we U niet vrezen?’ Jesaja 63:17 Want deze woorden laten meer zien wat er door Gods toedoen van mensen wordt als Hij hen verlaat, dan dat ze tonen op welke manier Hij in hen werkt.

Maar er zijn andere Schriftbewijzen die een stap verder gaan. Bijvoorbeeld de passages die gaan over de verharding van de farao: ‘Ik zal het hart van de farao verharden, zodat hij niet naar jullie luistert en het volk niet laat gaan.’ Exodus 4:21; 7:3-4 Later zegt God dat Hij het hart van de farao onvermurwbaar gemaakt en verstokt heeft. Exodus 10:1 Heeft God het hart van de farao verhard omdat Hij het niet verzacht heeft? Dat is waar. Maar God heeft meer gedaan dan dat. Hij heeft het hart van de farao overgegeven aan Satan, zodat die het stijf kon maken van koppigheid. Daarom had God eerder gezegd: ‘Ik zal zijn hart in bezit houden.’ Exodus 4:21

Het volk trekt uit Egypte. De inwoners van het land trekken hen als vijanden tegemoet. Wie heeft hen daartoe aangezet? Inderdaad verklaarde Mozes tegenover het volk dat de Heer hun hart verhard had. Deuteronomium 2:30 Maar de profeet vertelt dezelfde geschiedenis en zegt dat Hij hun hart omgekeerd had, zodat zij zijn volk zouden haten. Psalm 105:25 Nu kun je niet zeggen dat ze hun hoofd stootten omdat ze het zonder de raad van de Heer moesten doen. Want als ze verhard en omgekeerd worden, worden ze er expres toe aangezet.

Bovendien, God heeft telkens de overtredingen van zijn volk willen bestraffen. Hoe heeft Hij daarbij zijn werk gedaan in de verworpenen? Dan kun je zien dat alle effectiviteit van hun daden van Hem kwam. Ze dienden Hem alleen maar. Daarom dreigde Hij het ene moment dat Hij hen zou oproepen met zijn gefluit, Jesaja 5:26; 7:18 het volgende moment dat ze voor Hem een net zouden zijn om de Israëlieten in te vangen Ezechiël 12:13; 17:20 en dan weer dat ze net een hamer zouden zijn om hen te slaan. Jeremia 50:23 Maar God heeft vooral verklaard dat Hij actief in hen werkt, toen Hij Sanherib een bijl noemde die Hij met eigen hand gericht en gezwaaid had om het volk neer te houwen. Jesaja 10:15

Augustinus definieert het ergens zo – lang niet slecht: ze zondigen uit zichzelf. Maar door de kracht van God doen ze in hun zonde dit of dat. Want Hij verdeelt de duisternis zoals Hij het goed vindt.

Bewijs uit de Schrift dat God Satan gebruikt voor zijn doel

Verder zal uit één Schriftpassage duidelijk genoeg blijken dat de bediening van Satan eraan te pas komt om verworpenen ergens toe aan te zetten, telkens als de Heer hen in zijn voorzienigheid voor dit of dat bestemt. Want in het boek 1 Samuël wordt meer dan eens gezegd dat een slechte geest van de Heer of een slechte geest die bij de Heer vandaan kwam Saul kwelde of verliet. 1 Samuël 16:4; 18:10; 19:9 We mogen dat niet op de Heilige Geest laten slaan. Dus wordt een onreine geest een geest van God genoemd. Want hij gehoorzaamt de wil en de macht van God. Daarom is hij in wat hij doet eerder een instrument van God, dan dat hij op eigen initiatief handelt.

Hier moeten we nog aan toevoegen wat Paulus leert: God zendt verworpenen een kracht die hen laat dwalen en hen verleidt. Wie de waarheid niet gehoorzaamd hebben, gaan dan de leugen geloven. 2 Thessalonicenzen 2:10-11

Toch is er in een en dezelfde daad altijd een groot verschil tussen wat de Heer doet en wat Satan en de goddelozen ondernemen. De Heer heeft de slechte instrumenten in zijn macht. Hij kan hen sturen waarheen Hij maar wil en Hij zorgt ervoor dat ze zijn rechtvaardigheid dienen. Maar zij zijn slecht en daarom brengen ze ook inderdaad de misdaden voort die hun bedorven natuur meebrengt.

Wat verder nog kan dienen om Gods majesteit te bevrijden van laster en om de goddelozen hun tegenargumenten te ontnemen, heb ik al besproken in het hoofdstuk over de voorzienigheid. Hier wilde ik alleen beknopt laten zien hoe Satan regeert in een verworpen mens en hoe de Heer in hen beiden werkt.

Ook in de ondergeschikte dingen werkt God in de mens

Hierboven heb ik aangestipt hoe vrij de mens is in het doen en laten van dingen die op zichzelf niet rechtvaardig of verkeerd zijn. Dan gaat het meer om het fysieke dan om het geestelijke leven. Maar ik heb dit nog niet uitgelegd. Sommige kerkvaders gaven toe dat de mens in deze dingen vrij kan kiezen. Maar volgens mij deden ze dat vooral omdat ze niet in discussie wilden gaan over een onbelangrijk onderwerp en niet omdat ze datgene wat ze toegaven ook als een vaststaand feit wilden beschouwen.

Ik geef toe dat zij die beseffen dat ze niet in staat zijn tot rechtvaardigheid het belangrijkste begrijpen van wat we moeten weten voor ons behoud. Toch vind ik dat we ook dit deel niet mogen negeren. We moeten ook weten dat het speciale genade van de Heer is, telkens als het in ons hoofd opkomt om te kiezen wat voor ons het beste is, telkens als we geneigd zijn dat te willen en ook telkens als ons hoofd en hart de dingen ontvlucht die anders schadelijk voor ons zouden zijn geweest.

Gods voorzienigheid reikt zover dat de dingen niet alleen uitkomen zoals God voorzien heeft dat het goed is. De mensen worden zo geleid dat ze die uitkomst ook willen. Zeker, als we met ons beperkte verstand bedenken hoe de zichtbare dingen bestuurd worden, zullen we er niet aan twijfelen dat een mens zelf kan kiezen. Maar als we luisteren naar al die Schriftbewijzen die uitroepen dat de Heer ook in deze dingen het hart van mensen leidt, dan worden we gedwongen om te erkennen dat die keus zelf onderworpen is aan wat God specifiek in een mens bewerkt.

Wie heeft de Egyptenaren gunstig gestemd tegenover de Israëlieten, zodat ze hun hun kostbaarste vaatwerk ter beschikking stelden? Exodus 11:2-3 Uit eigen beweging zou dat nooit in hun hart zijn opgekomen. Dus was hun hart meer onderworpen aan de Heer dan dat ze er zelf zeggenschap over hadden. En Jacob was ervan overtuigd dat God ervoor zorgt dat mensen elkaar goed of slecht gezind zijn, net wat Hij wil. Anders zou hij over zijn zoon Jozef – een of andere heidense Egyptenaar, dacht hij – niet gezegd hebben: ‘Moge God jullie medelijden geven in de ogen van die man.’ Genesis 43:14 En zo belijdt ook heel de kerk in Psalm 106 dat God het hart van de wrede heidenvolken zacht stemde als Hij aan de kerk barmhartigheid wilde bewijzen. Psalm 106:46 En toen Saul boos werd en zich klaarmaakte voor de oorlog, kwam dat doordat Gods Geest over Hem kwam, zoals ons verteld wordt. 1 Samuël 11:6

Wie weerhield Absalom ervan om het advies van Achitofel aan te nemen? Anders werd Achitofels advies altijd beschouwd als een uitspraak van God zelf. 2 Samuël 17:14 Wie zorgde ervoor dat Rehabeam zich liet overhalen door het advies van de jongemannen? 1 Koningen 12:10-14 Wie maakte de anders zo overmoedige heidenen bang omdat Israël eraan kwam? De hoer Rachab erkende dat dat door God kwam. Jozua 2:9 En wie sloeg het hart van de Israëlieten neer in vrees en beven? Wie anders dan Hij die in de wet dreigde dat Hij hen doodsbang zou maken? Leviticus 26:36

De wil van de mens is niet alleen in bijzondere gevallen aan God onderworpen

Misschien is er iemand die zegt dat dit bijzondere gevallen zijn en dat je hier geen algemene regel uit kunt afleiden om alle andere gevallen aan af te meten. Maar ik zeg dat door deze gevallen duidelijk genoeg bewezen wordt wat ik beweer: telkens als God de weg wil banen voor zijn voorzienigheid, buigt en keert Hij de wil van mensen, ook in uiterlijke dingen. Hun keus is niet zo vrij dat Gods wil niet over die vrijheid zou regeren.

Je geest is meer onderworpen aan Gods leiding dan dat je zelf vrij kunt kiezen. Of je nu wilt of niet, de volgende dagelijkse ervaring zal je dwingen om dat te bedenken: bij dingen die helemaal niet zo lastig zijn, ontbreekt het je aan beoordelingsvermogen en inzicht. En bij dingen die niet moeilijk te doen zijn, verlies je de moed. Maar bij erg ingewikkelde dingen heb je meteen een plan klaar en bij grote en gevaarlijke problemen is je geest alle moeilijkheden de baas. Hoe komt dat anders dan doordat God in beide gevallen tussenbeide komt?

Dat is volgens mij de uitleg van wat Salomo zegt: ‘Dat een oor hoort en dat een oog ziet, dat heeft de HEER allebei zo gemaakt.’ Spreuken 20:12 Want ik denk dat Salomo het hier niet over de schepping heeft, maar over de speciale genade dat we onze ogen en oren kunnen gebruiken. Salomo schrijft ook dat de HEER het hart van de koning in zijn hand houdt als waterstromen en het buigt waarheen Hij wil. Spreuken 21:1 Dan vat Salomo vast en zeker heel het menselijk geslacht samen in dit ene voorbeeld. Want als er iemand is wiens wil vrij is van elke vorm van onderwerping, dan geldt dat toch het meest voor de wil van de koning! In zekere zin heerst de wil van de koning immers over de wil van ieder ander. En als zelfs zijn wil door de hand van God gebogen wordt, dan geldt dat helemaal voor onze wil.

Hierover bestaat een opmerkelijke uitspraak van Augustinus: ‘Als je de Schrift nauwkeurig leest, zie je dat niet alleen de goede willen van de mensen in Gods macht zijn. Dat zijn de willen die God van slecht goed maakt en die Hij, als ze goed gemaakt zijn, richt op het doen van goede daden en op het eeuwige leven. Maar ook de willen die de geschapen wereld in stand houden, zijn in Gods macht. Hij buigt ze waarheen en wanneer Hij wil. Hij gebruikt ze om te zegenen of om te straffen, volgens zijn oordeel dat strikt geheim, maar heel rechtvaardig is.’

De onvrijheid van de wil zegt alleen iets over de mogelijkheid om vrij te kiezen

De lezers moeten hier wel bedenken dat je waar de wil van de mens toe in staat is niet kunt beoordelen door te kijken naar hoe de dingen aflopen. Sommige mensen zijn zo dom dat wel te doen. Zij denken dat het een geweldig en slim idee is om te bewijzen dat de wil slaaf is op basis van het feit dat zelfs de hoogste monarchen niet altijd hun zin krijgen. Maar ik heb het hier over de vraag waartoe de mens vanbinnen in zichzelf in staat is. We moeten dat niet afmeten aan de zichtbare uitkomst.

Immers, als we de vrijheid van de wil behandelen, is de vraag niet of de mens alles wat hij bedacht heeft, kan uitvoeren, ondanks de hindernissen die er buiten hemzelf bestaan. De vraag is of hij in alle denkbare gevallen vrij kan kiezen wat hij goed vindt en wat hij wil. Als mensen die twee dingen zouden kunnen, zou Atilius Regulus, opgesloten in een nauw met spijkers beslagen vat, een even vrije wil hebben als keizer Augustus als heerser over een groot deel van de wereld.

Voetnoten

  1. 235

    Pseudo-Augustinus, De praedestinatione et gratia, 4-5.

  2. 236

    Augustinus, Contra Iulianum V, 3.

  3. 237

    Augustinus, De praedestinatione sanctorum,16,33.

  4. 238

    Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum, 20,42.

  5. 239

    Marcus Atilius Regulus († ca. 250 v. Chr.), Romeinse politicus en generaal, werd gevangengenomen door Carthago en stierf daar volgens overlevering de marteldood in een ton met spijkers.

  6. 240

    Augustus (63 v. Chr.-14), eerste keizer van Rome.

Voetnoot 235

Pseudo-Augustinus, De praedestinatione et gratia, 4-5.

Voetnoot 236

Augustinus, Contra Iulianum V, 3.

Voetnoot 237

Augustinus, De praedestinatione sanctorum,16,33.

Voetnoot 238

Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum, 20,42.

Voetnoot 239

Marcus Atilius Regulus († ca. 250 v. Chr.), Romeinse politicus en generaal, werd gevangengenomen door Carthago en stierf daar volgens overlevering de marteldood in een ton met spijkers.

Voetnoot 240

Augustus (63 v. Chr.-14), eerste keizer van Rome.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.