Boek III · Hoofdstuk 2
Geloof
Inhoud van dit hoofdstuk · 43 secties
- 1Geloof moet gericht zijn op Christus
- 2Een ‘impliciet’ geloof is geen geloof
- 3Je moet zelf geloven en zelf weten wat je gelooft
- 4Ons geloof is altijd beperkt
- 5Voorbereidend geloof
- 6Geloof is onlosmakelijk verbonden met het Woord
- 7Geloof richt zich op Gods goedheid
- 8Geen onderscheid tussen ‘gevormd’ en ‘ongevormd’ geloof
- 9Het woord ‘geloof’ heeft verschillende betekenissen
- 10Schijngeloof wordt soms ook ‘geloof’ genoemd
- 11Een tijdelijk geloof is geen echt geloof
- 12Waar geloof en vals geloof
- 13Andere betekenissen van het woord ‘geloof’
- 14Geloven is weten
- 15Geloven is zeker weten
- 16Geloven is zeker weten dat je gered bent
- 17Geloofszekerheid sluit twijfel niet uit
- 18Geloof en twijfel, geest en vlees
- 19Gelovig weten is nog geen volledig weten
- 20Onze onwetendheid zorgt voor twijfel en angst
- 21Geloof is ons schild tegen twijfel
- 22Vrees is nuttig tegen overmoed
- 23Vrees voorkomt dat we op onszelf vertrouwen
- 24Geloof is zeker omdat Christus in ons woont
- 25Bernardus van Clairvaux over zekerheid en vrees
- 26Vrees voor God als Vader en als Heer
- 27Goddelozen vrezen God als Heer, de gelovigen als Vader
- 28Geloof richt zich op Gods liefde voor ons
- 29Geloof is gebaseerd op de belofte van genade
- 30Het kenmerk dat waar geloof onderscheidt van vals geloof
- 31Geloof kan niet zonder het Woord
- 32Geloof kan niet zonder Christus
- 33Geloof is een gave van God
- 34Geloof kan niet zonder de Heilige Geest
- 35God geeft geloof aan wie Hij wil
- 36Geloof is vooral een zaak van het hart
- 37Geloof blijft altijd overeind
- 38Geloofszekerheid is niet vinden in je eigen daden
- 39Geloofszekerheid is geen aanmatiging
- 40Ook dat we volhouden in geloof is zeker
- 41De definitie uit Hebreeën 11
- 42Geloof en hoop zijn onafscheidelijk
- 43Geloof en hoop zijn gericht op hetzelfde doel
Geloof moet gericht zijn op Christus
Maar je kunt dit alles gemakkelijk leren kennen als ik een heldere definitie heb gegeven van geloof, zodat de lezers begrijpen wat dat betekent en wat het inhoudt. En het is goed om terug te denken aan wat ik eerder verteld heb: in de wet schrijft God ons voor wat we moeten doen. Maar als we daar ook maar een klein beetje in tekortschieten, rust het vreselijke vonnis van de eeuwige dood op ons, dat de wet over ons uitspreekt.
In de tweede plaats heb ik gezegd dat het niet alleen moeilijk is om je aan de wet te houden zoals God dat eist, maar dat dat onze vermogens zelfs volledig te boven gaat. We zijn er totaal niet toe in staat! Daarom is er voor ons geen hoop meer op iets goeds en liggen we door God verlaten onder de eeuwige ondergang, als we alleen maar kijken naar onszelf en bedenken welke toestand in overeenstemming zou zijn met wat we verdienen.
In de derde plaats heb ik uitgelegd dat er één manier is van verlossing, één manier waarop we gered kunnen worden uit zo’n vreselijke ellende: als Christus, de verlosser, verschijnt. Door zijn hand heeft de hemelse Vader ons te hulp willen komen, omdat
Hij ons in zijn oneindige goedheid en welwillendheid barmhartig wilde zijn. Maar dan moeten we zijn barmhartigheid wel met een vast geloof omhelzen en daar met een onwankelbare hoop op vertrouwen.
Nu moeten we echter nadenken over de vraag wat voor geloof ervoor nodig is om alle mensen die God tot zijn kinderen geadopteerd heeft het hemelse koninkrijk in bezit te laten krijgen. Want het staat vast dat niet elke opvatting of overtuiging in staat is om zoiets groots voor elkaar te krijgen. En nog zorgvuldiger en ijveriger moeten we bekijken en uitzoeken wat de juiste kenmerken zijn van geloof. Want op dit punt worden velen op een extra gevaarlijke manier misleid. Immers, een groot deel van de wereld heeft bij het horen van de term ‘geloof’ het idee dat dat niet meer betekent dan dat je instemt met het verhaal van het evangelie. Sterker nog, als op de scholen bij de behandeling van het geloof simpelweg God als het object daarvan genomen wordt, dan brengen ze ongelukkige mensen met loze speculaties op een dwaalspoor, in plaats van dat ze de mensen recht op het doel af leiden. Ik heb dat ergens anders al gezegd. Want God woont in een ontoegankelijk licht. 1 Timotheüs 6:16 Daarom is het nodig dat Christus tussenbeide komt.
Daarom noemt Christus zich ook het licht voor de wereld Johannes 8:12 en ergens anders de weg, de waarheid en het leven. Johannes 14:6 Want niemand kan tot de Vader – de bron van het leven – komen dan via Christus. Want alleen Christus kent de Vader en pas daarna kennen de gelovigen Hem, als Christus de Vader aan hen wil openbaren. Lucas 10:22
Om die reden verzekert Paulus dat hij niets de moeite waard vindt om te weten dan Christus. 1 Korinthiërs 2:2 En in Handelingen 20 vertelt hij dat hij het geloof in Christus gepredikt heeft. Handelingen 20:20-21 En ergens anders citeert hij Christus als volgt: ‘Ik zend je naar de heidenen zodat zij vergeving krijgen voor hun zonden en door geloof in Mij een erfdeel krijgen samen met de heiligen.’ Handelingen 26:17-18 Ook verklaart Paulus dat in de persoon van Christus Gods glorie ons tegemoet komt, oftewel dat in zijn gelaat het licht schijnt waardoor wij Gods glorie kennen. 2 Korinthiërs 4:6
Het is inderdaad waar dat geloof zich richt op de enige God. Maar daar moeten we wel aan toevoegen dat geloof Jezus Christus erkent die door God gezonden is. Johannes 17:3 Want als de glans van Christus ons niet verlichtte, zou God zelf voor ons diep verborgen zijn. De Vader heeft alles wat Hij had aan de eniggeboren Zoon toevertrouwd, omdat Hij zich in Hem wilde openbaren. Door Christus te laten delen in zijn goede gaven, toonde Hij een levensecht beeld van zijn glorie. Hebreeën 1:3 Ik heb gezegd dat de Geest ons hoort te trekken en aan te sporen om Christus te gaan zoeken. Zo moeten we ook gewaarschuwd worden dat de onzichtbare Vader nergens anders gevonden kan worden dan in dit beeld.
Augustinus spreekt hier heel mooi over. Als hij het erover heeft waar geloof op gericht moet zijn, leert hij dat we moeten weten wat onze bestemming is en langs welke weg we daar moeten komen. En meteen daarop concludeert hij dat degene die zowel God als mens is, de best begaanbare weg is tegen elke dwaling. Want God is de bestemming waar we heengaan en een mens is de weg waarlangs wij gaan. En alleen in Christus vind je die beiden. En als Paulus predikt dat we in God moeten geloven, wil hij daarmee niet onderuithalen wat hij zo vaak benadrukt: dat geloof alleen standhoudt in Christus. En Petrus voegt die twee dingen heel effectief samen als hij zegt dat wij door Christus in God geloven. 1 Petrus 1:21
Een ‘impliciet’ geloof is geen geloof
Net als zoveel ander kwaad moeten we dit kwaad dus de scholastische theologen van de Sorbonne-universiteit in Parijs aanrekenen. Zij hebben Christus als het ware verstopt achter een gordijn. Maar als we Hem niet rechtstreeks kunnen zien, raken we aan het dwalen door vele doolhoven. De scholastici hebben niet alleen heel de betekenis van het geloof afgezwakt en onderuitgehaald door hun onduidelijke definitie. Ze hebben ook een verzinsel gefabriceerd met hun ‘impliciet’ – of ‘omhuld’ – geloof. Met die naam tooien ze een zeer grove onwetendheid en zo laten ze het arme, ongelukkige volk door hun misleiding een vreselijke ondergang tegemoet gaan. Sterker nog, om openlijk en eerlijk te zeggen waar het op staat: dit verzinsel begraaft echt geloof niet alleen. Het verwoest het volledig!
Is dát geloven, dat je er niets van begrijpt, als je je in je opvattingen maar gehoorzaam onderwerpt aan de kerk? Geloof bestaat niet uit onwetendheid, maar uit kennis! En dan niet alleen kennis van God, maar ook van wat God wil. We worden immers niet gered op basis van onze bereidheid om alles als waarheid te accepteren wat de kerk maar voorschrijft, of omdat wij aan de kerk onze taak overdragen om de waarheid te onderzoeken en te leren kennen. We worden gered als we erkennen dat God onze genadige Vader is, dankzij de verzoening die Christus tot stand gebracht heeft, en dat Christus ons gegeven is als rechtvaardigheid, heiliging en leven. Door dit te weten en niet door onze opvattingen te onderwerpen, krijgen we volgens mij toegang tot het koninkrijk van de hemel.
Want de apostel Paulus zegt dat we met het hart geloven om rechtvaardig te worden en met de mond belijden om gered te worden. Romeinen 10:10 Daarmee geeft hij aan dat het niet genoeg is om met een impliciet geloof iets te geloven wat je niet begrijpt en ook niet onderzoekt. Hij eist een expliciete erkenning van Gods goedheid, want daarin ligt onze rechtvaardigheid.
Je moet zelf geloven en zelf weten wat je gelooft
Ik ontken niet dat veel dingen voor ons nu nog impliciet zijn en blijven, omdat we omringd zijn door onwetendheid. Dat verandert pas als we de last van het vlees hebben afgelegd en dichter bij Gods aanwezigheid gekomen zijn. In zulke dingen kunnen we ons oordeel maar het beste opschorten en moed houden om de eenheid van de kerk te bewaren. Maar het is heel absurd om dit als excuus te gebruiken om onwetendheid aangelengd met nederigheid te bestempelen als geloof. Want geloof bestaat uit het kennen van God en Christus, Johannes 17:3 niet uit eerbied voor de kerk.
En we zien wat voor doolhof de scholastici met dat impliciete geloof voor zichzelf gecreëerd hebben. Ondeskundige mensen grijpen zonder onderscheid alle mogelijke dingen die hun namens de kerk worden opgedrongen aan als goddelijke uitspraken. Zelfs de vreemdste dwalingen! En toch verontschuldigen de scholastici die onbezonnen goedgelovigheid, ook al is het onvermijdelijk dat je zo je ondergang tegemoet gaat. Want het maakt hun niet uit wat de mensen eigenlijk precies geloven. Als ze het maar doen onder deze voorwaarde: dat de kerk het ook gelooft. Zo doen ze net alsof dwaling waarheid bevat, duisternis licht en onwetendheid juiste kennis.
Maar om niet nog langer bezig te blijven om dit te weerleggen, roep ik de lezer alleen op om deze dingen eens te vergelijken met wat ik leer. Want de waarheid is zo duidelijk dat deze dingen daardoor vanzelf weerlegd worden. De scholastici vragen zich immers niet af of vele restjes onwetendheid impliciet geloof kunnen bevatten. Ze bepalen gewoon dat je op de juiste manier gelooft als je in onwetendheid bent afgestompt en dat jezelf ook toestaat. Als je maar instemt met het gezag van de kerk en met wat de kerk vindt van dingen die je zelf niet weet. Alsof de Schrift niet overal leert dat geloof gepaard gaat met inzicht.
Ons geloof is altijd beperkt
Ik geef toe dat geloof impliciet is zolang we als vreemdelingen in deze wereld verblijven. Niet alleen omdat er nog veel voor ons verborgen is, maar ook omdat veel dwalingen ons als wolken omhullen en we dus niet alles leren begrijpen. Want het toppunt van wijsheid voor de meest volmaakte mens is dat hij vooruitkomt en rustig en bescheiden nog verder probeert te komen.
Daarom spoort Paulus de gelovigen aan om bij kwesties waarover sommigen van mening verschillen met de rest, te wachten op een openbaring. Filippenzen 3:15 En inderdaad weten we uit ervaring dat we zolang we dit vlees nog niet uitgetrokken hebben, minder bereiken dan we zouden willen. Elke dag komen we bij het lezen veel onduidelijke passages tegen die ons laten beseffen hoe onwetend we zijn. Zo toomt God ons in om bescheiden te blijven. Hij geeft ieder een dosis geloof, Romeinen 12:3 zodat ook de beste leraar toch bereid blijft om te leren.
Van zo’n impliciet geloof kunnen we opmerkelijke voorbeelden vinden bij de leerlingen van Christus, voordat ze het volle licht gekregen hadden. We zien hoeveel moeite ze ermee hebben als ze alleen nog maar de eerste basisbeginselen proeven. Bij de kleinste dingen blijven ze steken. Ook al luisteren ze continu naar hun leermeester, toch boeken ze maar weinig vooruitgang. Ja, zelfs als ze aangespoord door de vrouwen naar het graf rennen, denken ze nog dat de opstanding van hun leermeester een droom is. Lucas 24:11-12
Christus had eerder verklaard dat zij geloofden. Daarom mogen we niet zeggen dat ze helemaal geen geloof hadden. Sterker nog, als ze er niet van overtuigd geweest waren dat Christus zou opstaan, zouden ze alle moed verloren hebben. Ook was het geen bijgeloof waardoor de vrouwen ertoe kwamen om met specerijen het lijk te balsemen van een gestorven mens, zonder enige hoop voor diens leven. Maar ook al geloofden ze zijn woorden, omdat ze wisten dat Hij altijd de waarheid sprak, toch was hun geloof gehuld in duisternis. Hun onwetendheid hield hun verstand bevangen en daarom stonden ze haast verbijsterd.
Daarom wordt er ook over hen gezegd dat ze pas geloofden toen ze daadwerkelijk gezien hadden dat Christus’ woorden waar waren. Niet dat ze toen pas begonnen te geloven. Maar toen ontkiemde het verborgen zaad van het geloof, dat als het ware afgestorven in hun hart lag, en het schoot op. Hun geloof was dus echt, maar impliciet. Want ze hadden Christus eerbiedig aanvaard als hun enige leraar. Vervolgens, toen Hij hun onderwijs gaf, stelden ze vast Hij hun redder was. Kortom, ze geloofden dat Hij uit de hemel gekomen was om door de genade van de Vader zijn leerlingen daar te verzamelen.
En hiervan kunnen we geen bewijs vinden dat voor ons dichter bij huis komt dan dit: bij iedereen is geloof altijd vermengd met ongeloof.
Voorbereidend geloof
Je kunt ook iets een impliciet geloof noemen wat eigenlijk alleen maar een voorbereiding is op geloof. De evangelisten zeggen van heel veel personen dat ze geloofden, terwijl ze niet verder kwamen dan geloven dat Christus de beloofde Messias was, uit verwondering over de wonderen. Ook al was een groot deel van de leer van het evangelie aan hen onderwezen. Zo’n eerbiedige aandacht waarmee zij zich graag aan Christus onderwierpen, wordt getooid met de naam ‘geloof’. Maar eigenlijk was het alleen een begin van geloof.
Bijvoorbeeld de hoveling die de belofte van Christus geloofde dat zijn zoon gezond zou worden. Toen hij thuis kwam, zo verklaart de evangelist Johannes, geloofde hij opnieuw. Johannes 4:50-53 Want eerst beschouwde hij wat hij uit Christus’ mond hoorde als een goddelijke uitspraak. En vervolgens onderwierp hij zich aan Christus’ gezag en nam hij Christus’ leer aan. Maar we moeten weten dat de hoveling ontvankelijk en leergierig was. Daarom slaat het woord ‘geloven’ de eerste keer op een specifiek geloof. De tweede keer geeft het woord ‘geloven’ aan dat hij bij de leerlingen hoorde die Christus toegewijd waren.
Een vergelijkbaar voorbeeld geeft Johannes ons in de Samaritanen die de vrouw geloofden. Enthousiast liepen ze naar Christus toe. Maar toen ze Hem gehoord hadden, zeiden ze: ‘Nu geloven we niet meer om wat jij ons verteld hebt, maar we hebben Hem zelf gehoord en weten dat Hij de redder van de wereld is.’ Johannes 4:39-42 Hieruit blijkt dat ook degenen die nog niet in de basisbeginselen zijn onderwezen, toch gelovigen genoemd worden. Als ze zich maar laten leiden om gehoorzaam te zijn. Ze zijn weliswaar nog geen gelovigen in eigenlijke zin, maar alleen voor zover God hen die vrome neiging in zijn toegeeflijkheid waard keurt.
Maar er is een groot verschil tussen deze ontvankelijkheid die gepaard gaat met het verlangen om vooruit te komen en de grove, luie onwetendheid van hen die tevreden zijn met een impliciet geloof, zoals de pausgezinden dat verzonnen hebben. Paulus veroordeelt streng wie altijd leert, maar nooit de waarheid leert kennen. 2 Timotheüs 3:7 Dan verdien je toch nog veel meer schande als je opzettelijk je best doet om niets te weten?
Geloof is onlosmakelijk verbonden met het Woord
Zo kennen we Christus echt: als we Hem aannemen zoals de Vader Hem ons aanbiedt. Dat wil zeggen: gekleed in het evangelie. Hij is het mikpunt waarop ons geloof gericht moet zijn. En we kunnen alleen recht op dat doel afgaan, als het evangelie voor ons uitgaat. En echt waar, in het evangelie worden voor ons de schatten van de genade geopend. Als die gesloten bleven, zou Christus ons maar weinig voordeel opleveren. Daarom maakt Paulus van geloof en onderwijs onafscheidelijke metgezellen als hij zegt: ‘Jullie hebben Christus zo niet leren kennen, als jullie tenminste geleerd hebben wat de waarheid in Christus is.’ Efeziërs 4:20-21
Toch beperk ik het geloof niet tot het evangelie. Ik erken dat wat Mozes en de profeten leerden, voldoende was voor het geloof. Maar in het evangelie wordt een meer volledige openbaring van Christus gegeven. Daarom noemt Paulus het evangelie terecht de leer van het geloof. 1 Timotheüs 4:6 En daarom zegt hij ook ergens anders dat met de komst van het geloof de wet is afgeschaft. Romeinen 10:4; Galaten 3:25 Met het woord ‘geloof’ bedoelt hij een nieuw en tot dan toe ongekend soort onderwijs. In dat onderwijs heeft Christus de barmhartigheid van de Vader beter uitgelegd en met nog meer zekerheid getuigd van onze redding, nadat Hij als leermeester verschenen is.
Maar dit is gemakkelijker te begrijpen als we tree voor tree afdalen van het algemene naar het specifieke. Dat is een methode die meer geschikt is.
Om te beginnen moeten we erop gewezen worden dat geloof continu in relatie staat tot het Woord. Geloof kan net zomin losgemaakt worden van het Woord als de stralen van de zon. Want dat is hun bron. Daarom roept God bij Jesaja: ‘Luister naar Mij en jullie ziel zal leven.’ Jesaja 55:3 En Johannes wijst dezelfde bron aan voor het geloof als hij zegt: ‘Deze dingen zijn opgeschreven zodat jullie geloven.’ Johannes 20:31 Ook de profeet zegt, als hij het volk wil oproepen om te geloven: ‘Vandaag, als jullie zijn stem horen.’ Psalm 95:7 En het woord ‘horen’ wordt op meerdere plekken gebruikt in de betekenis van ‘geloven’. Kortom, God onderscheidt bij Jesaja niet voor niets de kinderen van de kerk van degenen buiten de kerk door middel van dit kenmerk: Hij zal zijn kinderen allemaal onderwijzen zodat ze door Hem onderwezen zijn. Jesaja 54:13; Johannes 6:45 Want als God geen onderscheid maakt bij deze zegen, waarom zou Hij zijn Woord dan alleen tot zijn kinderen richten?
Hiermee is ook in overeenstemming dat de evangelisten op veel plaatsen de woorden ‘gelovigen’ en ‘leerlingen’ als synoniemen gebruiken. Vooral Lucas doet dat in de Handelingen van de apostelen. Sterker nog, hij gebruikt de aanduiding ‘leerling’ zelfs voor een vrouw. Handelingen 9:36
Daarom is geloof geen geloof meer als het ook maar een klein stukje afwijkt van het Woord als mikpunt waar het op gericht moet zijn. Dan wordt het een onzekere goedgelovigheid en een vluchtige dwaling van het verstand. Het Woord is tegelijk ook het fundament waarop het rust en waardoor het overeind blijft. Als geloof dat fundament loslaat, stort het in. Haal het Woord weg en er blijft geen geloof meer over. Ik heb het nu niet over de vraag of er mensenwerk nodig is om dat Woord te zaaien, zodat er geloof uit kan opschieten. Dat zal ik later behandelen. Maar ik zeg dat het Woord zelf, hoe het ook aan ons gebracht wordt, net een spiegel is waarin we in geloof God zien. Of God daar nu het werk van een mens voor gebruikt of dat Hij het alleen door zijn eigen kracht doet, altijd laat God zichzelf door zijn Woord zien aan degenen die Hij naar zich toe wil trekken.
Daarom definieert Paulus geloof als gehoorzaamheid aan het evangelie. Romeinen 1:5 En ergens anders prijst hij de Filippenzen om hun geloofsgehoorzaamheid. Filippenzen 2:17 Immers, in het geloofsinzicht gaat het er niet alleen om dat we weten dat er een God is. Het gaat er ook, ja zelfs vooral om dat we begrijpen wat Hij met ons wil. Het gaat er niet alleen om dat we weten wat voor iemand Hij zelf is, maar wie Hij voor ons wil zijn.
We weten nu dus al dat geloof de kennis is van wat God met ons wil, een kennis die we krijgen uit het Woord. En het fundament van die kennis is een vaste overtuiging van Gods waarheid. Zolang het hart met zichzelf in discussie is over die zekerheid, zal ook het Woord een twijfelachtig en zwak, of eigenlijk helemaal geen gezag hebben. Ook is het niet genoeg om te geloven dat God betrouwbaar is en dat Hij dus niet liegen of bedriegen kan, als je het niet boven elke twijfel verheven acht dat alles wat Hij zegt de onschendbare en onaantastbare waarheid is.
Geloof richt zich op Gods goedheid
Maar in een mensenhart wordt niet bij elk denkbaar woord van God geloof gewekt. Daarom moeten we nu nog onderzoeken waarop geloof eigenlijk let in het Woord. God zelf zei tegen Adam: ‘Je zult sterven.’ Genesis 2:17 God zelf zei tegen Kaïn: ‘Het bloed van je broer roept vanaf de aarde naar Mij.’ Genesis 4:10 Maar deze woorden kunnen op zichzelf geloof alleen maar aan het wankelen brengen. Ze zijn absoluut niet geschikt om geloof overeind te houden.
Ondertussen ontken ik niet dat geloof tot taak heeft om Gods waarheid te onderschrijven, telkens als Hij iets zegt, bij alles wat Hij zegt en op welke manier Hij het ook zegt. Maar ik stel alleen de vraag wat geloof in het Woord van de Heer kan vinden waar het op kan steunen en rusten. Als ons geweten alleen woede en straf ziet, dan kunnen we toch niet anders dan sidderen en beven? Dan moeten we toch wel voor God wegvluchten? En toch moeten we God in geloof opzoeken en niet voor Hem wegvluchten.
Blijkbaar hebben we dus nog geen volledige definitie van geloof. Want het min of meer kennen van wat God wil, mogen we nog niet beschouwen als geloof. Maar als we nu eens Gods welwillendheid of barmhartigheid in de plaats stellen van zijn wil? Het Woord geeft vaak een somber verhaal en een vreselijk bericht over wat God wil. Maar zijn welwillendheid en barmhartigheid brengen ons vast en zeker dichter bij de aard van geloof. Want als we geleerd hebben dat bij Hem ons behoud klaarligt, worden we gelokt om God te zoeken. En dat ons behoud bij Hem klaarligt, wordt ons verzekerd als Hij verklaart dat Hij ijverig voor ons behoud zorgt. Daarom is de belofte van de genade onmisbaar. Door die belofte verklaart God dat Hij voor ons een Vader is die ons goedgezind is. Wij kunnen niet op een andere manier bij God komen. Het hart van de mens kan alleen vertrouwen op genade.
Daarom wordt in de Psalmen in vele passages het tweetal barmhartigheid en waarheid aan elkaar verbonden. Ze hangen immers met elkaar samen. Want we zouden er niets mee opschieten om te weten dat God altijd de waarheid spreekt als Hij zich niet welwillend tot zich trok. En aan de andere kant zouden we zijn barmhartigheid niet kunnen omhelzen als Hij ons die niet aanbood in zijn Woord.
‘Uw waarheid en uw redding heb ik verkondigd. Uw goedheid en uw waarheid heb ik niet verzwegen. Laten uw goedheid en uw waarheid mij beschermen.’ Psalm 40:11-12 Ergens anders: ‘Uw barmhartigheid reikt tot in de hemel, uw waarheid tot aan de hoogste wolken.’ Psalm 36:6 En: ‘Alle wegen van de Heer zijn welwillendheid en waarheid voor wie zijn verbond bewaren.’ Psalm 25:10 En: ‘Zijn barmhartigheid overstelpt ons en de waarheid van de Heer blijft voor eeuwig.’ Psalm 117:2 En: ‘Ik zal uw naam loven, om uw barmhartigheid en om uw waarheid.’ Psalm 138:2
Ik som maar niet op wat je met dezelfde betekenis bij de profeten kunt lezen: God is barmhartig en zijn beloften zijn betrouwbaar. Ons geloof dat God ons goedgezind is, zou nergens op gebaseerd zijn als Hij niet van zichzelf getuigt dat Hij dat is en als Hij ons niet eerst uitnodigt. Alleen dan hoeven we er niet aan te twijfelen en is het duidelijk wat Hij wil. En we hebben al gezien dat Christus de enige waarborg van zijn liefde is. Zonder Christus zijn overal tekenen zichtbaar van Gods haat en boosheid.
Verder heeft het kennen van Gods goedheid maar weinig waarde als die kennis er niet voor zorgt dat we op Gods goedheid vertrouwen. Daarom moeten we van onze definitie van geloof de kennis uitsluiten die gepaard gaat met twijfel, die niet consistent is, maar zichzelf tegenspreekt. Echter, de mens kan met zijn verstand – blind en verduisterd als het is – absoluut niet zover doordringen en zo hoog opklimmen dat het Gods wil begrijpt. Ook kan de mens in zijn hart, dat continu in onzekerheid heen en weer geslingerd wordt, niet onbekommerd rusten in de overtuiging dat God goed is. Daarom moet de mens door iemand anders in zijn verstand verlicht en in zijn hart versterkt worden. Alleen dan gaan we Gods Woord pas echt geloven. Daarmee staat voor ons vast wat de juiste definitie is van geloof, als we zeggen: geloof is een vast en zeker weten dat God ons goed wil doen. Dat weten is gebaseerd op de waarheid van zijn belofte van genade in Christus en wordt door de Heilige Geest geopenbaard in ons verstand en bezegeld in ons hart.
Geen onderscheid tussen ‘gevormd’ en ‘ongevormd’ geloof
Maar voor ik verder ga, moet ik enkele inleidende opmerkingen maken om de problemen op te lossen die anders hindernissen kunnen vormen voor de lezers.
Om te beginnen moet ik dan het dwaze onderscheid weerleggen tussen een ‘gevormd’ en een ‘ongevormd’ geloof, dat in de scholen rondwaart. Want daar stelt men het zo voor dat je alles kunt wat voor je behoud nodig is, zonder dat je geraakt wordt door vrees voor God of een vroom gevoel. Alsof de Heilige Geest, door ons hart te verlichten tot geloof, niet getuigt dat we als kinderen geadopteerd zijn! Maar ook al spreekt heel de Schrift dat luid en duidelijk tegen, toch zijn zij zo brutaal om een overtuiging die de vrees voor God mist, de naam ‘geloof’ waard te keuren.
Ik hoef verder niet in discussie te gaan over hun definitie. Ik hoef alleen maar simpelweg te vertellen wat de Schrift leert over de aard van geloof. Daaruit zal klip en klaar blijken hoe ondeskundig en dwaas zij daarover meer gillen dan spreken.
Een deel heb ik al behandeld. De rest zal ik later op het juiste moment invoegen. Nu zeg ik dat je niets kunt verzinnen dat zo absurd is als wat zij verzonnen hebben. Zij stellen dat geloof een instemmen is met alles wat je vanuit de Schrift wordt voorgehouden, zelfs al veracht je God. Maar ze hadden eerst moeten kijken of ieder op eigen kracht voor zichzelf geloof verwerft, of dat de Heilige Geest door geloof getuigt dat we zijn geadopteerd als kinderen. Het is dus kinderlijk gezwam als ze de vraag stellen of een geloof dat gevormd wordt door een toegevoegde kwaliteit nog hetzelfde geloof is, of een ander en nieuw geloof. Uit dat geklets blijkt wel dat ze nog nooit nagedacht hebben over de bijzondere gave van de Geest. Want het begin van geloof bevat al de verzoening waardoor de mens naar God toegaat. Paulus zegt dat we met het hart geloven om rechtvaardig te worden. Romeinen 10:10 Als ze daar eens over zouden nadenken, zouden ze niet langer zo’n betekenisloze kwaliteit verzinnen.
Als alleen het volgende argument ons ter beschikking stond, zou dat voldoende moeten zijn om de discussie te beslissen: het instemmen zelf is meer een zaak van het hart dan van het hoofd, meer een zaak van gevoel dan van verstand. Ik heb dat al gedeeltelijk behandeld en zal het nog een keer uitgebreider herhalen. Het instemmen wordt geloofsgehoorzaamheid genoemd. Romeinen 1:5 Geen enkele andere gehoorzaamheid stelt de Heer boven deze gehoorzaamheid. En terecht. Want voor Hem is niets zo kostbaar als zijn waarheid. Johannes de Doper getuigt dat de gelovigen die waarheid bevestigen, alsof ze daar hun handtekening onder zetten. Johannes 3:33 Er bestaat geen enkele twijfel over deze kwestie. Dus stel ik in één woord vast dat ze dwaas spreken als ze zeggen dat geloof gevormd wordt als er bij het instemmen ook nog een vrome genegenheid komt. Want het instemmen zelf berust ook al op een vrome genegenheid. Zo laat de Schrift het ons tenminste zien.
Maar er staat ons nog een tweede, veel duidelijker argument ter beschikking. Want geloof omhelst Christus, zoals de Vader Hem aan ons aanbiedt. En Christus wordt ons niet alleen aangeboden als rechtvaardigheid, vergeving van zonden en vrede, maar ook als heiliging 1 Korinthiërs 1:30 en als een bron van levend water. Johannes 7:38 Daarom kunnen we Hem met ons geloof ongetwijfeld nooit kennen zoals het hoort, zonder dat we in ons geloof tegelijk ook de heiliging van de Geest aannemen. Of als iemand een nog duidelijker uitspraak verlangt: geloven houdt in dat je Christus kent. Je kunt Christus alleen kennen samen met de heiliging van zijn Geest. Dat betekent dus dat je geloof op geen enkele manier mag losmaken van vrome genegenheid.
Het woord ‘geloof’ heeft verschillende betekenissen
Mijn tegenstanders komen steeds aandragen met wat Paulus zegt: al had iemand geloof om bergen te verzetten, als hij geen liefde had, dan was hij niets. 1 Korinthiërs 13:2 Zo willen ze aantonen dat geloof ongevormd is zonder liefde. Maar ze hebben niet door wat de apostel in die passage met geloof bedoelt. Want in het voorgaande hoofdstuk heeft hij de verschillende gaven van de Geest behandeld. Daaronder rekende hij allerlei talen, krachten en profetie. Hij heeft de Korinthiërs aangespoord om de beste van die gaven na te streven: de gaven waar heel het lichaam van de kerk het meeste baat bij heeft. Vervolgens voegt hij eraan toe dat hij een weg zal wijzen die nog beter is: 1 Korinthiërs 12:31 al zulke gaven kunnen op zichzelf nog zo geweldig zijn, maar ze hebben geen enkele waarde als ze niet de liefde dienen. Want ze zijn gegeven tot opbouw van de kerk. Als ze daar niet voor gebruikt worden, is er niets aantrekkelijks meer aan.
Om dit te bewijzen gebruikt hij een indeling waarbij hij dezelfde gaven herhaalt die hij net had opgesomd, maar nu met andere benamingen. Met ‘krachten’ en ‘geloof’ bedoelt hij hetzelfde: dat je in staat bent om wonderen te doen. Deze kracht of dit geloof is dus een specifieke gave van God. Een goddeloze kan die bezitten en misbruiken. Hetzelfde geldt voor de gave van talen en profetie en andere gaven. Daarom is het niet zo vreemd als die worden losgemaakt van liefde.
De dwaling van mijn tegenstanders is dus dat ze niet letten op het verschil in betekenis van het woord ‘geloof’. Dat woord heeft veel betekenissen, maar zij doen in deze discussie net alsof het altijd dezelfde betekenis heeft.
De passage van Jacobus die ze citeren om dezelfde dwaling te verdedigen zal ik ergens anders uitleggen. Jacobus 2:21
Weliswaar geef ik omwille van het onderwijs toe dat er meerdere vormen van geloof bestaan. Dat is nodig om duidelijk te maken wat voor kennis goddelozen hebben van God. Maar ik erken en predik maar één geloof voor de vromen. Zo leert de Schrift. Inderdaad geloven heel veel mensen dat er een God is. En ze vinden dat het verhaal van het evangelie en de andere gedeelten van de Schrift waar zijn, zoals je normaal gesproken denkt over dingen die verteld worden over wat in het verleden gebeurd is of over dingen die we zelf met onze eigen ogen gezien hebben. Er zijn ook mensen die nog een stapje verder gaan. Ze beschouwen Gods Woord als een zeer betrouwbare openbaring van God en ze negeren zijn bevelen niet volledig. Zijn dreigementen en beloften raken hen wel enigszins. Van zulke mensen wordt verklaard dat ze geloven, maar niet in eigenlijke zin. Ze gaan niet in openlijke goddeloosheid in tegen Gods Woord. Ze verwerpen het niet en minachten het niet, maar lijken op het oog te gehoorzamen.
Schijngeloof wordt soms ook ‘geloof’ genoemd
Maar deze schaduw van geloof of schijngeloof heeft geen enkele betekenis. Daarom is het de benaming ‘geloof’ ook niet waard. Later zal uitgebreider blijken hoe ver het verwijderd is van daadwerkelijk geloof. Maar er is niets op tegen om dat nu al in het voorbijgaan te laten zien.
Van Simon de Tovenaar wordt gezegd dat hij geloofde. Maar even later blijkt toch zijn ongeloof. Handelingen 8:13-23 Dat hem geloof wordt toegeschreven, vatten sommigen zo op dat hij met zijn woorden net deed alsof hij geloofde, terwijl er in zijn hart helemaal geen geloof was. Ik zie het niet zo. Ik houd het er eerder op dat hij door de majesteit van het evangelie overwonnen is en er een soort van geloof op nahield. Hij erkende dat Christus het leven en het behoud bewerkt en dus wilde hij graag tot zijn volgelingen behoren.
Op dezelfde manier wordt in het evangelie van Lucas gezegd dat degenen in wie het zaad van het Woord verstikt wordt voordat het vrucht draagt, geloven. En ook degenen in wie dat zaad meteen uitdroogt en sterft, voordat het wortel geschoten heeft. Lucas 8:6-7; 8:13-14 Ik twijfel er niet aan dat zulke mensen het Woord echt geproefd hebben en het vol verlangen aangrijpen en dat ze de goddelijke kracht ervan ervaren. Door het bedrog van hun gehuichelde geloof misleiden ze dus niet alleen andere mensen, maar ook hun eigen hart. Want ze maken zichzelf wijs dat de eerbied die zij Gods Woord bewijzen, echte vroomheid is. Want ze denken dat je alleen goddeloos bent als je dat Woord duidelijk herkenbaar en openlijk beledigt en minacht.
Hoe ze ook met het Woord instemmen, het dringt absoluut niet door tot het hart zelf, om daarin vastgehecht te blijven. Soms lijkt het wel wortel te schieten, maar is die wortel niet levend. Het menselijk hart heeft zoveel schuilhoeken vol ijdelheid, zoveel geheime plekjes vol leugen, het is zo bezaaid met bedrog en huichelarij, dat het vaak zichzelf voor de gek houdt. Maar zij die zich op zulk schijngeloof beroemen, moeten beseffen dat ze op dit punt niets voor hebben op de demonen. Die eerste groep staat zelfs nog ver onder de demonen. Zij luisteren en begrijpen zonder dat het hen iets doet. Maar de duivels sidderen om wat ze weten. Jacobus 2:19 De tweede groep is gelijk aan de demonen omdat het hen wel iets doet, wat dan ook, maar uiteindelijk loopt het uit op angst en ontzetting.
Een tijdelijk geloof is geen echt geloof
Ik weet dat sommigen het moeilijk vinden dat er geloof wordt toegekend aan verworpenen. Want Paulus zegt dat geloof een vrucht is van de uitverkiezing. 1 Thessalonicenzen 1:4 Maar dat probleem is gemakkelijk op te lossen. Alleen wie bestemd zijn om behouden te worden, worden door geloof verlicht en voelen de krachtige werking van het evangelie echt. Toch blijkt uit ervaring dat verworpenen soms geraakt worden door vrijwel hetzelfde gevoel als de uitverkorenen. Zelfs zijzelf vinden dat er geen enkel verschil is tussen hen en de uitverkorenen. En daarom is er niets absurds aan dat de apostel hun toeschrijft dat ze de hemelse gaven proeven Hebreeën 6:4-6 en dat Christus hun toeschrijft dat ze tijdelijk geloven. Lucas 8:13 Niet dat ze de kracht van de geestelijke genade en het zekere licht van het geloof volledig in zich opnemen. De Heer zorgt ervoor dat ze extra overtuigd worden van hun schuld en zich nog minder kunnen verontschuldigen. Dat doet Hij door binnen te dringen in hun hart, voor zover zijn goedheid geproefd kan worden zonder de Geest van de adoptie als kinderen.
Misschien werpt iemand nu tegen dat de gelovigen er dan dus op geen enkele manier meer zeker van kunnen zijn dat ze als kind geadopteerd zijn. Mijn antwoord is dan dat er weliswaar een sterke overeenkomst bestaat tussen Gods uitverkorenen en degenen die alleen een tijdelijk, voorbijgaand geloof gekregen hebben. Maar alleen in de uitverkorenen floreert het vertrouwen waarvan Paulus zo hoog opgeeft dat hij zegt dat ze luid roepen: ‘Abba, Vader!’ Galaten 4:6; Romeinen 8:15 Alleen de uitverkorenen laat God door een onvergankelijk zaad opnieuw geboren worden, voor eeuwig. Het zaad van het leven dat in hun hart geplant is, vergaat nooit. En dus bezegelt en garandeert Hij alleen aan hen de genade dat Hij hen als kinderen geadopteerd heeft, zodat ze standvastig en zeker kunnen zijn.
Maar dit verhindert niet dat de Geest ook in verworpenen minder diepgaand werkt. Ondertussen leren de gelovigen dat ze zich zorgvuldig en nederig moeten onderzoeken, zodat hun geloofszekerheid niet verdrongen wordt door vleselijke zorgeloosheid.
Bovendien krijgen verworpenen nooit meer dan een onduidelijk besef van de genade. Ze zien slechts een schaduw, niet de werkelijkheid zelf.
Want de vergeving van zonden bezegelt de Geest in eigenlijke zin alleen aan de uitverkorenen. Zij kunnen daar door een speciaal geloof hun voordeel mee doen. Maar van de verworpenen wordt terecht gezegd dat ze geloven dat God hun genadig is, omdat ze het geschenk van de verzoening aannemen. Maar dan wel verward en zonder dat ze het duidelijk onderscheiden. Ze delen dus niet in hetzelfde geloof of dezelfde nieuwe geboorte als Gods kinderen. Onder een dekmantel van huichelarij lijken ze een begin te hebben van hetzelfde geloof als zij.
Ik ontken ook niet dat God hun hart zover verlicht dat ze zijn genade herkennen. Maar dat besef is heel anders dan het speciale getuigenis dat God aan zijn uitverkorenen geeft. Verworpenen komen nooit zover dat ze kunnen genieten van het effect van die genade. Want God is hun niet zo goedgezind dat Hij hen daadwerkelijk bevrijdt van de dood en hen in zijn bescherming neemt. Hij laat hun slechts een ogenblik zijn barmhartigheid zien, als bij vlagen. Alleen de uitverkorenen keurt Hij de levende wortel van het geloof waard, zodat wij tot het eind toe volhouden.
Dit weerlegt dus het tegenargument dat als God echt zijn genade laat zien, dit voor eeuwig zo blijft. Want niets verhindert dat God sommigen slechts een ogenblik verlicht met een tijdelijk besef van zijn genade, dat later weer overgaat.
Waar geloof en vals geloof
Bovendien, geloof is weliswaar het weten dat God ons goedgezind is en een vast vertrouwen op zijn waarheid. Maar toch is het niet vreemd dat het besef van Gods liefde overgaat bij degenen die tijdelijk gelovigen. Want dit besef ligt wel dicht tegen geloof aan, maar toch is het iets heel anders. Gods wil is onveranderlijk. Dat erken ik. Maar ik ontken dat verworpenen zover komen dat ze doordringen tot die verborgen openbaring die de Schrift alleen toekent aan de uitverkorenen. Ik ontken dus dat ze Gods wil aannemen als onveranderlijk of zijn waarheid blijvend omhelzen. Want ze komen niet verder dan een voorbijgaand besef. Het is net als bij een boom die niet diep genoeg gepland is om levende wortels te schieten. Na verloop van tijd verdort hij, ook al draagt hij een paar jaar lang niet alleen bloesem en blad, maar zelfs vrucht.
Kortom, door het verraad van de eerste mens kon het beeld van God uit zijn geest en ziel gewist worden. En dus is het ook niet vreemd als God verworpenen verlicht met enkele stralen van zijn genade en dat Hij die stralen later laat uitdoven. Ook verhindert niets dat Hij sommigen een klein beetje besprenkelt met de kennis van zijn evangelie en anderen daar volledig mee doordrenkt.
Ondertussen moeten we weten dat het stempel van het geloof nooit verwijderd kan worden uit het hart van de uitverkorenen, hoe klein en zwak dat geloof ook is. Want Gods Geest vormt een betrouwbaar waarborg en zegel dat ze zijn geadopteerd als kinderen. Efeziërs 1:14; 2 Korinthiërs 1:22 Verworpenen worden weliswaar besprenkeld met een licht dat later verdwijnt. De Geest maakt het zaad dat Hij in hun hart strooit niet levend. Hij laat het niet onvergankelijk in hun hart blijven, zoals in het hart van de uitverkorenen. Toch maakt dat de Geest nog niet onbetrouwbaar.
Ik ga nog een stapje verder: op grond van de leer van de Schrift en op grond van onze dagelijkse ervaring staat vast dat verworpenen soms getroffen worden door een besef van Gods genade. Daarom kan het niet anders of er wordt in hun hart een verlangen gewekt om van hun kant ook God lief te hebben. In Saul bijvoorbeeld leefde een tijdlang een vrome genegenheid om God lief te hebben. Want hij wist dat God Hem als een Vader behandelde en daarom trok Gods goedheid hem aan als iets heerlijks. 1 Samuël 9-11 Maar de overtuiging dat God hen liefheeft als Vader is niet stevig geworteld in verworpenen. En dus gaat hun liefde voor Hem als kinderen ook niet diep. Ze worden geleid door een genegenheid als van een ingehuurde arbeider voor zijn baas. Want alleen Christus heeft de Geest van de liefde gekregen, op voorwaarde dat Hij die indruppelt in zijn ledematen. En deze woorden van Paulus reiken zeker niet verder dan de uitverkorenen: ‘Gods liefde is in ons hart uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven is.’ Romeinen 5:5 Dat is de Geest die ons het vertrouwen geeft om God aan te roepen, zoals ik hierboven genoemd heb.
Maar aan de andere kant zien we ook dat God op een verbazingwekkende manier boos wordt op zijn kinderen, die Hij toch blijft liefhebben. Hij haat hen niet, maar Hij wil hen opschrikken door hen zijn woede te laten beseffen. Zo wil Hij hun vleselijke hoogmoed vernederen, hun laksheid verdrijven en hen opwekken tot berouw. Daarom beseffen ze dat Hij op hetzelfde moment boos op hen is en hun genadig is. Want het is geen huichelarij als ze bidden of Hij zijn woede wil afwenden. Ze vluchten naar Hem omdat ze erop vertrouwen dat ze bij Hem veilig zijn.
Uit deze dingen blijkt wel dat sommigen geen geloof huichelen en toch echt geloof missen. Ze worden gedreven door een plotseling enthousiasme, maar ze bedriegen zichzelf met een vals idee. Ongetwijfeld zijn ze bevangen door een zorgeloosheid die voorkomt dat ze hun hart grondig onderzoeken, zoals ze horen te doen. Dat was er waarschijnlijk aan de hand met degenen aan wie Christus zich – zo getuigt Johannes – niet toevertrouwde. Want ook al geloofden ze wel in Hem, Hij kende iedereen en wist wat er in de mens leefde. Johannes 2:24-25 Velen vielen van het gewone geloof – ik noem dat ‘gewoon’ geloof omdat tijdelijk geloof sterk lijkt op levend en blijvend geloof – af. Anders zou Christus niet tegen zijn leerlingen gezegd hebben: ‘Als jullie blijven in mijn Woord, dan zijn jullie werkelijk mijn leerlingen. Dan zullen jullie de waarheid begrijpen en zal de waarheid jullie vrijmaken.’ Johannes 8:31-32 Want Hij spreekt hier tegen degenen die zijn leer omhelsd hadden. Hij spoort hen aan om verder te komen in geloof, om te voorkomen dat hun laksheid het licht zou uitdoven dat hun gegeven was. Daarom kent Paulus dit geloof alleen specifiek toe aan de uitverkorenen. Titus 1:1 Daarmee geeft hij aan dat velen verdwijnen omdat ze geen levende wortel geschoten hebben. Zo spreekt Christus ook bij Mattheüs: ‘Elke boom die mijn Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.’ Mattheüs 15:13
In anderen is er een nog veel ergere leugen. Zij schamen zich er niet voor om God en mensen te bespotten. Jacobus geeft dit soort mensen, die onder een vals voorwendsel het geloof ontheiligen, ervan langs. Jacobus 2:14-26 En Paulus zou geen oprecht geloof eisen van Gods kinderen, 1 Timotheüs 1:5 als niet velen zich brutaal aanmatigden wat ze niet hebben en door loze schijn anderen of soms zichzelf misleidden. Daarom vergelijkt hij een goed geweten met een kist waar je het geloof in bewaart. Want velen hebben het goede geweten opgegeven en daardoor hebben ze schipbreuk geleden in het geloof. 1 Timotheüs 1:19
Andere betekenissen van het woord ‘geloof’
We moeten er ook op letten dat het woord ‘geloof’ niet altijd hetzelfde betekent. Vaak betekent het zoiets als ‘de gezonde leer van de vroomheid’, bijvoorbeeld in de passage die ik zojuist aangehaald heb en in dezelfde brief de passage waar Paulus wil dat de diakenen het mysterie van het geloof vasthouden in een zuiver geweten. 1 Timotheüs 3:9 En ook in de passage waar hij aankondigt dat sommigen van het geloof zullen afvallen. 1 Timotheüs 4:1 Aan de andere kant zegt hij dat Timotheüs is opgevoed in de woorden van het geloof. 1 Timotheüs 4:6 En ook in de passage waar hij zegt dat de onheilige onzin en de tegenstrijdigheden van wat ten onrechte kennis genoemd wordt er de oorzaak van zijn dat velen van het geloof afdwalen. 1 Timotheüs 6:20-21 En ergens anders noemt hij zulke mensen verwerpelijk wat betreft het geloof. 2 Timotheüs 3:8 Bovendien geeft hij ergens anders aan Titus deze opdracht: ‘Waarschuw hen dat ze gezond moeten zijn in het geloof.’ Titus 1:13; 2:2 Met het woord ‘gezondheid’ bedoelt hij dan de zuivere leer, die door de oppervlakkigheid van de mensen gemakkelijk bedorven wordt. Wie gelooft, bezit Christus en in Hem liggen alle schatten van kennis en wijsheid verborgen. Kolossenzen 2:3 Daarom wordt de betekenis van het woord ‘geloof’ terecht uitgebreid tot heel de hemelse leer. Want geloof kan niet van die leer gescheiden worden.
Aan de andere kant wordt het woord ‘geloof’ soms beperkt tot een of ander specifiek geval. Mattheüs zegt bijvoorbeeld dat Christus het geloof zag van de mannen die de verlamde man neer lieten door het dak. Mattheüs 9:2 En Christus roept uit dat Hij in Israël niet zo’n groot geloof had gevonden als de centurio liet zien. Mattheüs 8:10 Waarschijnlijk had de centurio alleen maar aandacht voor de genezing van zijn zoon. Uit zijn aandringen blijkt hoe bang hij was. Die zorg nam zijn gedachten volledig in beslag. Maar hij is ermee tevreden dat Christus toestemmend antwoordt en vindt het niet nodig dat Christus fysiek aanwezig is. Om die reden wordt zijn geloof zo hoog geprezen.
Kort hiervóór heb ik ook geleerd dat Paulus het woord ‘geloof’ gebruikt in de betekenis van ‘de gave om wonderen te doen’. 1 Korinthiërs 13:2 Die gave hebben ook mensen die niet door Gods Geest opnieuw geboren zijn en die Hem ook niet serieus dienen. Ergens anders gebruikt Paulus het woord ‘geloof’ in de betekenis van ‘de leer waardoor wij in het geloof onderwezen worden’. Want hij schrijft dat het geloof zal verdwijnen. 1 Korinthiërs 13:10 Er is geen twijfel aan dat dit slaat op de bediening van de kerk die we nu in onze zwakheid nodig hebben. Deze manier van spreken bevat beeldspraak.
Maar het woord ‘geloof’ wordt figuurlijk gebruikt voor een valse leer of onecht schijngeloof. Je moet niet denken dat dat een minder acceptabel gebruik van het woord ‘geloof’ is dan wanneer een bedorven en verkeerde godsdienst het ‘vrezen van God’ genoemd wordt. Zo wordt er in de heilige geschiedenis bijvoorbeeld meer dan eens gezegd dat de buitenlandse volken die naar Samaria en omstreken gedeporteerd werden, verzonnen goden vreesden én de God van Israël. 2 Koningen 17:24-41 Dat is hetzelfde als het vermengen van hemel en aarde.
Maar de vraag is nu wat voor geloof Gods kinderen onderscheidt van de ongelovigen, waardoor wij God aanroepen als Vader, waardoor wij overgaan van de dood naar het leven en waardoor Christus, het eeuwige behoud en het leven, in ons woont. Ik denk dat ik van dit geloof kort en duidelijk heb uitgelegd wat het betekent en wat het inhoudt.
Geloven is weten
Laten we nu de afzonderlijke onderdelen van deze definitie opnieuw langslopen. Want als we die nauwkeurig onderzocht hebben, zal er volgens mij geen twijfel meer over bestaan.
Als ik geloof een ‘weten’ noem, bedoel ik daarmee niet een begrijpen zoals we meestal de dingen begrijpen die onder het menselijk waarnemingsvermogen vallen. Want dit weten gaat veel hoger. Het menselijk verstand moet daarbij boven zichzelf uitstijgen om dat te kunnen bereiken. En zelfs als het dat bereikt, kan het nog steeds niet begrijpen wat het waarneemt. Maar het is wel overtuigd van wat het niet begrijpt. Door de zekerheid van die overtuiging begrijpt het juist nog meer dan wanneer het met zijn eigen bevattingsvermogen iets menselijks doorziet.
Paulus beschrijft dit heel mooi. Hij noemt dit begrijpen wat de lengte, breedte, diepte en hoogte is en de liefde van Christus kennen die de kennis te boven gaat. Efeziërs 4:18-19 Want hij wilde duidelijk maken dat wat ons verstand door geloof aanneemt in alle opzichten oneindig is.
Dit soort kennis gaat elk verstand ver te boven. Maar de Heer heeft zijn geheime wil, die alle eeuwen door voor alle generaties verborgen was, geopenbaard aan de heiligen. Kolossenzen 1:26; 2:2 Daarom wordt geloof in de Schrift vaak ‘kennis’ genoemd. Efeziërs 1:17; 4:13; Kolossenzen 1:9; 3:10; 1 Timotheüs 2:4; Titus 1:1; Filemon1:6; 2 Petrus 2:21 En Johannes noemt geloven ‘weten’, als hij verklaart dat de gelovigen weten dat ze kinderen van God zijn. 1 Johannes 3:2
Inderdaad, dat weten ze zeker. Maar ze zijn daar vooral zeker van omdat ze overtuigd zijn van Gods waarheid en niet omdat ze dat geleerd hebben uit een rationele argumentatie. Dat blijkt ook uit Paulus’ woorden dat wij, zolang we in dit lichaam wonen, nog niet bij de Heer wonen en dat we daarom moeten leven omdat we geloven en niet omdat we zien. 2 Korinthiërs 5:6-7 Zo maakt Paulus duidelijk dat wat we door geloof begrijpen, toch niet bij ons is en dat we het niet kunnen zien. En daaruit concludeer ik dat geloofskennis vooral zekerheid inhoudt in plaats van begrip.
Geloven is zeker weten
Ik voeg hier de woorden ‘vast’ en ‘zeker’ aan toe, om zo extra duidelijk aan te geven dat deze overtuiging blijvend is. Voor geloof is een twijfelachtige en veranderlijke mening niet genoeg en evenmin een onduidelijk en vaag idee. Voor geloof is een volledige en vaste zekerheid nodig, zoals je die hebt over dingen die duidelijk gebleken en bewezen zijn. Want ons ongeloof zit diep geworteld in ons hart en we zijn er sterk toe geneigd. Daarom kan niemand zich zonder hevige worstelingen ervan overtuigen dat God betrouwbaar is. Vooral als het erop aankomt, komt ieders verborgen zwakheid aan het licht omdat hij wankelt.
Niet voor niets bevestigt de Heilige Geest het gezag van Gods Woord door middel van bijzondere lofredes. Hij wil de ziekte die ik noemde genezen, zodat wij Gods beloften volledig zouden geloven. ‘De woorden van Jehova zijn zuivere woorden,’ zegt David, ‘zilver, gesmolten in een aarden smeltkroes, zevenmaal gelouterd.’ Psalm 12:7 En: ‘Het woord van Jehova is gelouterd. Hij is een schild voor ieder die op Hem vertrouwt.’ Psalm 18:31 En Salomo bevestigt hetzelfde in vrijwel dezelfde woorden: ‘Elk woord van God is gelouterd.’ Spreuken 30:5 Maar vrijwel heel Psalm 119 is aan dit onderwerp gewijd. Daarom zou het overbodig zijn nog meer aan te halen. In elk geval verwijt God ons indirect ons ongeloof, telkens als Hij ons zijn Woord aanprijst. Want dat doet Hij met geen ander doel dan om de verkeerde twijfels uit te roeien uit ons hart.
Er zijn ook heel veel mensen die Gods barmhartigheid opvatten op een manier die hun slechts een minimale troost oplevert. Want tegelijk worden ze gekweld door een vreselijke angst, omdat ze eraan twijfelen of God hún wel barmhartig zal zijn. Ze denken dat ze er volledig van overtuigd zijn dat God welwillend is. Maar ze sluiten Gods welwillendheid op binnen veel te nauwe grenzen. Immers, ze denken bij zichzelf dat Gods welwillendheid weliswaar groot en overvloedig is en is uitgestort over veel mensen en voor iedereen beschikbaar is. Maar, denken ze bij zichzelf, het is onzeker of die welwillendheid ook hen zal bereiken, of beter gezegd: of zij Gods welwillendheid zullen bereiken.
Dit is slechts een halve redenering, omdat ze halverwege stil blijven staan. Op die manier worden ze niet versterkt met een rustig vertrouwen, maar gaan ze zich zorgen maken door ongeruste twijfels. Maar de Schrift kent aan geloof altijd een volledige zekerheid toe. Dat is dus iets heel anders: de zekerheid dat Gods goedheid, als die ons duidelijk gepresenteerd wordt, boven elke twijfel verheven is. Kolossenzen 2:2; 1 Thessalonicenzen 1:5; Hebreeën 6:11; 10:22 En dat kan niet zonder dat wij werkelijk voelen en in onszelf ervaren hoe heerlijk dat is.
Daarom leidt de apostel Paulus van geloof vertrouwen af en van vertrouwen vrijmoedigheid. Want hij zegt dat we door Christus vrijmoedig en vol vertrouwen toegang hebben door geloof in Hem. Efeziërs 3:12 Ongetwijfeld maakt hij met die woorden duidelijk dat we geen oprecht geloof hebben als we God niet onbekommerd onder ogen durven komen. En die vrijmoedigheid kan alleen voortkomen uit een vast vertrouwen dat God ons goedgezind is en ons redt. En dit is zo waar, dat voor ‘vertrouwen’ vaak het woord ‘geloof’ gebruikt wordt.
Geloven is zeker weten dat je gered bent
Bij geloof draait het vooral hierom: we moeten niet denken dat de beloften van barmhartigheid die de Heer aanbiedt alleen waar zijn buiten ons en niet in ons. We moeten ze juist aanvaarden en ons eigen maken. Alleen dan ontstaat het vertrouwen dat dezelfde apostel ergens anders ‘vrede’ noemt. Romeinen 5:1 Of misschien legt iemand het liever zo uit dat vrede ontstaat uit dat vertrouwen. Dit vertrouwen is een zekerheid waardoor het geweten kalm en opgewekt Gods oordeel afwacht. Zonder die zekerheid zou het gekweld worden door een onrustige angst en haast verscheurd worden, tenzij je misschien God en jezelf vergeet en je geweten voor een ogenblik in slaap sust. Inderdaad voor een ogenblik: je kunt nooit lang genieten van die jammerlijke vergetelheid. De zeer pijnlijke herinnering aan Gods oordeel komt steeds weer terug.
Kortom, echt gelovig ben je alleen als je er vast van overtuigd bent dat God voor jou een genadige Vader is die jou goedgezind is. Als je jezelf alles belooft omdat God welwillend is. Als je vertrouwt op de beloften die God jou doet omdat Hij je goedgezind is en als je daarom zonder te twijfelen redding verwacht. De apostel maakt dat duidelijk met deze woorden: ‘Als we vertrouwen en de roem van de hoop tot het eind toe vasthouden.’ Hebreeën 3:14 Want hij bedoelt dat je alleen terecht op God hoopt als je je er vol vertrouwen op beroemt dat je een erfgenaam bent van het hemelse koninkrijk.
Je bent volgens mij dus alleen een gelovige als je erop vertrouwt dat je redding zeker is en als je de duivel en de dood onbekommerd tart. Dat leren we uit deze schitterende woorden van Paulus: ‘Ik ben er zeker van,’ zegt hij, ‘dat dood of leven, engelen, machten of krachten, heden of toekomst ons niet kunnen scheiden van de liefde van God, waarmee Hij ons omarmt in Christus Jezus.’ Romeinen 8:38-39 Dus vindt dezelfde apostel dat ons verstand niet goed verlicht wordt als we niet zien tot welke hoop op de eeuwige erfenis wij geroepen zijn. Efeziërs 1:18 En overal in zijn onderwijs wijst hij erop dat we Gods goedheid niet goed begrijpen als dat ons geen grote zekerheid oplevert.
Geloofszekerheid sluit twijfel niet uit
‘Maar,’ zal iemand zeggen, ‘gelovigen ervaren dat toch heel anders. Als ze nadenken over Gods genade voor hen, overkomt het hun niet alleen vaak dat ze gekweld worden door onzekerheid. Soms worden ze zelfs geschokt door verschrikkelijke angsten. Zo heftig zijn de beproevingen die hun hart in beroering brengen. En dat lijkt niet volledig te kloppen met die geloofszekerheid.’ Daarom moeten we dit probleem oplossen als we de hierboven genoemde leer overeind willen houden.
Als ik leer dat geloof zeker en onbekommerd moet zijn, stel ik me geen zekerheid voor die voor geen enkele twijfel vatbaar is en geen rust die door geen enkele zorg wordt aangetast. Nee, ik zeg juist dat gelovigen continu te kampen hebben met hun eigen gebrek aan vertrouwen. Het is dus absoluut niet zo dat ik beweer dat hun geweten een kalme rust kent, die door geen enkele beroering verstoord wordt. Maar aan de andere kant ontken ik dat ze teleurgesteld raken in het vaste vertrouwen dat ze zijn gaan stellen in Gods barmhartigheid. Dat vertrouwen laten ze niet los, op wat voor manier ze ook gekweld worden.
De Schrift geeft ons geen voorbeeld van geloof dat zo opvallend en de moeite van het vermelden waard is als dat van David. Vooral als we letten op heel zijn levensloop. Maar toch blijkt uit zijn talloze klachten dat hij niet altijd rust had. Het is voldoende om enkele van die klachten uit te kiezen. Als hij zichzelf zijn onrustige emoties verwijt, waar is hij dan anders boos om, dan om zijn eigen ongeloof? ‘Wat ben je neerslachtig, mijn ziel,’ zegt hij, ‘wat ben je onrustig in mij. Hoop op God!’ Psalm 42:6; 42:12; 43:5 Zijn verslagenheid was vast en zeker een openlijk gebrek aan vertrouwen, alsof hij dacht dat God hem verlaten had.
Ergens anders kun je een nog verdergaande bekentenis lezen: ‘Ik zei in mijn haast: ik ben weggevaagd van voor uw ogen.’ Psalm 31:23 Ergens anders gaat hij in zijn angstige en ellendige verwarring met zichzelf in discussie. Hij stelt zelfs Gods eigen aard ter discussie: ‘Is God vergeten om genadig te zijn? Zal Hij voor eeuwig verstoten?’ Nog erger is wat volgt: ‘En ik zei: ik moet omkomen. De rechterhand van de allerhoogste keert zich tegen mij.’ Psalm 77:8-11 Want in zijn wanhoop veroordeelt David zichzelf tot de ondergang. Hij erkent niet alleen dat hij gekweld wordt door twijfel, maar hij laat van zichzelf niets heel, alsof hij het onderspit gedolven heeft in de strijd. God heeft hem verlaten en Gods hand, die hem vroeger hielp, heeft zich tegen hem gekeerd om hem om te brengen. Daarom spoort hij zichzelf niet voor niets aan om terug te keren tot zijn rust. Psalm 116:7 Want hij had gemerkt dat hij omringd door woelende golven heen en weer geslingerd werd.
En toch is het wonderlijk: bij al die aanvallen blijft geloof het hart van de vromen ondersteunen. Het is echt net als met een palmboom: het buigt zich tegen alle moeilijkheden in en richt zich omhoog. Psalm 92:13 Zoals bij David. Het leek misschien alsof hij verslagen was. Maar toch bestrafte hij zichzelf en bleef hij zich oprichten tot God. En wie zich tegen zijn eigen zwakheid verzet en zich in zijn angst richt op het geloof, heeft voor een groot deel al overwonnen. Dat kun je opmaken uit de volgende uitspraak en andere zulke uitspraken: ‘Wacht op Jehova. Wees sterk en Hij zal je hart versterken. Ja, wacht op Jehova.’ Psalm 27:14 David beschuldigt zichzelf ervan dat hij bangelijk is. En door tweemaal hetzelfde te zeggen, erkent hij dat hij steeds maar weer te kampen heeft met onrust. Ondertussen heeft hij in deze gebreken niet alleen een hekel aan zichzelf. Hij doet ook zijn best om dat te corrigeren.
Echt, als we hem nauwkeurig vergelijken met Achaz, ontdekken we een groot verschil. Jesaja wordt gezonden met een remedie voor de angst van de goddeloze en huichelachtige koning. Hij spreekt hem aan met deze woorden: ‘Beheerst u zich en blijft u rustig. U hoeft niet bang te zijn …’ Maar wat doet Achaz? Eerst werd er over hem verteld dat zijn hart beefde, zoals de bomen in het woud bewogen worden door de wind. En hoewel hij de belofte gehoord heeft, blijft hij bang. Jesaja 7:2-12
Dit is dus de beloning en de straf die staat op ongeloof: dat je zo hevig siddert dat je je in een beproeving van God afkeert als je niet door geloof de deur voor jezelf opent. De gelovigen echter – als zij gebukt gaan en haast bezwijken onder de last van beproevingen, richten ze zich weer op. Dat gaat niet zonder pijn en moeite. Maar ze zijn zich bewust van hun eigen zwakheid en daarom bidden ze met de profeet: ‘Neem het woord van de waarheid niet volledig weg uit mijn mond.’ Psalm 119:43 Die woorden leren ons dat gelovigen soms verstommen, alsof hun geloof verslagen is. Maar ze bezwijken niet en slaan niet op de vlucht. Ze zetten hun strijd voort en sporen zich aan in hun laksheid door te bidden, om te voorkomen dat ze verlamd raken door gemakzucht.
Geloof en twijfel, geest en vlees
Om dit te begrijpen, moeten we terugkeren naar de tegenstelling tussen vlees en geest, die ik ergens anders behandeld heb. Die tegenstelling komt in dit onderwerp duidelijk naar voren. Een vroom mens voelt in zijn hart dus een tegenstelling. Aan de ene kant stroomt er door zijn hart een lieflijkheid omdat hij Gods goedheid heeft leren kennen, maar aan de andere kant wordt zijn hart beklemd met bitterheid omdat hij beseft hoe ellendig hij eraan toe is. Aan de ene kant vertrouwt hij op de belofte van het evangelie, maar aan de andere kant siddert hij door de bewijzen van zijn onrechtvaardigheid. Aan de ene kant springt hij op van vreugde omdat hij het leven in handen heeft, maar aan de andere kant huivert hij voor de dood.
Die variatie ontstaat doordat geloof onvolmaakt is. Tijdens ons tegenwoordige leven gaat het nooit zo goed met ons dat we volledig genezen van de ziekte van ongeloof. We worden nooit helemaal vervuld met geloof en het neemt ons nooit compleet in beslag. Vandaar die botsingen: het ongeloof zit vastgekleefd aan de restanten van het vlees en komt in opstand tegen het geloof dat vanbinnen verwekt is.
Maar als in een gelovig hart de zekerheid vermengd is met twijfel, dan zit er voor ons toch niets anders op dan te concluderen dat geloof niet bestaat uit een zeker en duidelijk kennen van wat God met ons wil? Dan bestaat geloof toch alleen uit een duistere en verwarde kennis van die wil? Helemaal niet! Immers, ook als we door allerlei gedachten heen en weer geslingerd worden, betekent dat nog niet dat we meteen van het geloof losgerukt worden. En ook als we door het woeden van het ongeloof op en neer geslingerd worden, betekent dat nog niet dat we in de afgrond van het ongeloof wegzinken. En ook als we geschokt worden, betekent dat nog niet dat we van onze plek gestoten worden. Immers, het eind van deze strijd is altijd dat het geloof zich ontworstelt aan de problemen die het omringen en de gevaren die het lijken te bedreigen.
Gelovig weten is nog geen volledig weten
Het komt hierop neer: zodra er een druppeltje geloof, hoe klein ook, in ons hart gedruppeld is, beginnen we het vriendelijke, lieflijke en ons goedgezinde gelaat van God te zien. Weliswaar vanuit de verte, op afstand. Maar toch met een blik zo vast, dat we weten dat we het ons zeker niet inbeelden. We moeten daarin continu vooruitkomen. En hoe verder we komen, hoe dichter we bij Hem komen. We zien Hem van een steeds kortere afstand en daardoor met extra zekerheid. Daarbij raakt zijn aanblik ons steeds meer vertrouwd.
We zien dus dat een hart dat verlicht wordt door het kennen van God, in het begin nog bevangen is door veel onwetendheid. Die onwetendheid verdwijnt stap voor stap. Sommige dingen weten we nog niet. En wat we wel zien, zien we nog enigszins onduidelijk. Maar dat vormt voor ons geen belemmering om ervan te genieten dat we duidelijk weten wat God met ons wil. En die kennis staat in geloof voorop.
Iemand die in de gevangenis opgesloten zit, ziet de stralen van de zon alleen door een klein raampje van opzij. Het is net alsof hij de zon maar half ziet schijnen. Het vrije zicht op de zon is hem ontnomen. Maar toch hoeft hij niet te twijfelen aan de glans die hij met zijn ogen opvangt en hij kan die glans gebruiken. Zo is het ook met ons. Wij zitten gevangen in de boeien van het aardse lichaam en van alle kanten vallen donkere schaduwen op ons. Gods licht beschijnt ons dus maar een klein beetje om ons zijn barmhartigheid te laten zien. Maar toch worden we voldoende verlicht om een solide basis te hebben voor vertrouwen.
Onze onwetendheid zorgt voor twijfel en angst
De apostel Paulus leert deze beide kanten op verschillende plaatsen heel mooi. Hij zegt dat ons kennen en ons profeteren beperkt is en dat we door een spiegel naar een raadsel kijken. 1 Korinthiërs 13:9-12 Zo maakt hij duidelijk wat voor klein stukje we in het tegenwoordige leven slechts krijgen van die ware wijsheid van God. Deze woorden geven niet simpelweg aan dat geloof onvolmaakt is zolang we zuchten onder de last van het vlees en dat we ons dankzij onze onvolmaaktheid continu moeten trainen in het leren. Maar hij geeft wel aan dat wij met ons beperkte begrip niet kunnen begrijpen wat onmetelijk is. En Paulus verklaart dit over heel de kerk. Voor ieder van ons vormt onze eigen onwetendheid een hindernis en een belemmering. Daardoor komen we niet zo dicht bij God als we zouden willen.
Maar ergens anders laat dezelfde apostel zien hoe zeker en echt wij God kunnen proeven, zelfs al hebben we slechts een heel klein druppeltje geloof. Want Paulus verzekert dat wij door het evangelie Gods glorie met onbedekt gelaat en zonder enig omhulsel kunnen zien. Dat heeft zoveel effect dat wij in onze gedaante veranderd worden in overeenstemming met datzelfde beeld. 2 Korinthiërs 3:18
Tegelijk houden zulke omhulsels van onwetendheid onvermijdelijk wel veel twijfel en angst in. Vooral omdat ons hart een bepaalde natuurlijke neiging heeft tot ongeloof. Daarbij komt de eindeloze hoeveelheid van allerlei soorten beproevingen die ons telkens weer met grote kracht aanvliegen. Vooral het geweten zelf gaat gebukt onder de last van de zonde. Het ene moment klaagt en zucht het bij zichzelf, het volgende moment beschuldigt het zichzelf. Het ene moment moppert het stilzwijgend, het volgende moment gaat het openlijk te keer. Of we Gods woede nu zien in tegenspoed of dat we in ons geweten zelf bewijzen en redenen zien waarom God boos op ons is, het ongeloof ontleent er wapens en instrumenten aan om het geloof te verslaan. Steeds weer worden die gebruikt om ons te laten denken dat God tegen ons is en onze vijand is, zodat we niet hopen op zijn hulp en bang voor Hem zijn alsof Hij onze doodsvijand is.
Geloof is ons schild tegen twijfel
Om deze aanvallen te weerstaan wapent en versterkt geloof zich met het Woord van de Heer. En als ons geloof wordt aangevallen door zo’n soort aanvechting – dat God onze vijand is, omdat Hij boos is – dan antwoordt geloof dat Hij barmhartig is, zelfs wanneer Hij slaat. Want als Hij tuchtigt, komt dat eerder voort uit liefde dan uit woede. Als ons geloof getroffen wordt door de gedachte dat God alle onrechtvaardigheid wreekt, dan brengt geloof daartegen in dat er voor alle zonden vergeving klaarligt, telkens als een zondaar zich wendt tot Gods welwillendheid. Zo komt iemand met een vroom hart uiteindelijk toch alle moeilijkheden te boven, op wat voor vreemde manieren hij ook geschokt en gekweld wordt. Hij laat zich nooit het vertrouwen ontnemen op Gods barmhartigheid. Sterker nog, alle aanvechtingen die iemand met een vroom hart afmatten en uitputten leiden juist tot de zekerheid van dat vertrouwen.
Een bewijs hiervan is dat heiligen, als ze het meest in het nauw denken te zitten, toch hun klachten neerleggen voor God. En als het er het minst op lijkt dat hun gebeden verhoord worden, roepen ze God toch aan. Want wat zou het helpen om bij Hem te klagen, als ze geen troost van Hem verwachtten? Ze zouden er nooit toe komen Hem aan te roepen als ze niet geloofden dat Hij hulp voor hen had klaarliggen.
De leerlingen bijvoorbeeld die Christus berispt om hun kleingeloof, klaagden wel dat ze omkwamen. Maar toch riepen ze Hem om hulp. Mattheüs 8:25-26 En als Hij hen bestraft om hun kleingeloof, schrapt Hij hen niet uit het aantal van de zijnen. Hij rekent hen niet onder de ongelovigen. Hij spoort hen aan hun zonde van zich af te schudden. Daarom herhaal ik de verzekering die ik hierboven gegeven heb: de wortel van het geloof wordt nooit uitgeroeid uit een vroom hart. Het blijft juist vast verankerd zitten in het diepste deel van dat hart, hoe het ook geschokt wordt en heen en weer lijkt te buigen. Het licht van het geloof wordt nooit zover uitgedoofd of gedempt, of het blijft in elk geval smeulen als een vuur onder de as. Uit dit voorbeeld blijkt immers dat het Woord een onvergankelijk zaad is en daarom ook een onvergankelijke vrucht voortbrengt. Wat uit dit zaad uitspruit, verdort en vergaat nooit helemaal.
Immers, voor heiligen is de belangrijkste reden om te wanhopen dat ze – te oordelen op basis van wat hun overkomt – het gevoel hebben dat God hun ondergang bewerkt. En toch verzekert Job dat zijn hoop zover reikt dat zelfs als God hem zou doden, dat voor hem geen reden is om niet langer op God te blijven hopen. Job 13:15
Zo is het inderdaad. Ongeloof regeert niet in het hart van de vromen. Ongeloof bestrijdt hen van buitenaf. Het kan hen met zijn wapens niet dodelijk verwonden. Als het hen aanvalt, kan het hen hooguit op zo’n manier kwetsen dat de wond weer geneest. Want, zoals Paulus leert, het geloof is ons schild. Efeziërs 6:16 Als we dat schild ophouden tegen de wapens van het ongeloof, vangt het hun slagen op. Het weert ze volledig af, of in elk geval breekt het hun kracht, zodat ze niet kunnen doordringen tot de vitale delen. Als het geloof geschokt wordt, gaat het net als met een soldaat die door de zware inslag van een speer gedwongen wordt om zijn voet te verzetten en een stukje terug te wijken. Maar verder staat hij stabiel. En als het geloof zelf gewond raakt, is het net als met een schild dat door de inslag indeukt, maar niet doorboord wordt.
Want iemand met een vroom hart zal zich steeds zover los worstelen dat hij met David zegt: ‘Al zou ik wandelen tussen de schaduwen van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent bij mij.’ Psalm 23:4 Echt, wandelen in het donker van de dood is afschuwelijk. En het kan niet anders, of gelovigen sidderen daarvoor, hoeveel kracht ze ook hebben. Maar de sterkst aanwezige gedachte blijft dat God vlak bij hen is en dat Hij zorgt voor hun welzijn. Daarom maakt de angst meteen plaats voor een gevoel van veiligheid.
En zoals Augustinus zegt: de duivel kan nog zulke grote belegeringswerktuigen tegen ons in stelling brengen, maar als hij geen plaats inneemt in ons hart, waar ons geloof woont, dan is hij buitengesloten. Als je zo oordeelt op basis van de afloop, komen gelovigen niet alleen behouden uit elk gevecht tevoorschijn, zodat ze even later met hernieuwde kracht opnieuw klaar staan om het strijdperk te betreden. Ook wordt zo vervuld wat Johannes schrijft in zijn canonieke brief: ‘Dit is de overwinning die de wereld overwint: jullie geloof.’ 1 Johannes 5:4 Hij zegt immers niet dat het alleen maar zal standhouden in één gevecht of in enkele gevechten of tegen één aanval. Het zal de hele wereld overwinnen, al wordt het ook duizendmaal aangevallen!
Vrees is nuttig tegen overmoed
Er bestaat nog een andere vorm van vrees en beven. Filippenzen 2:12 Maar die vorm doet zo weinig afbreuk aan de zekerheid van het geloof dat het die zekerheid zelfs nog extra bevestigt. De voorbeelden die God tegenover goddelozen laat zien van zijn wraak, zijn waarschuwingen voor de gelovigen. Als ze dat bedenken, passen ze er zorgvuldig voor op dat ze zich Gods woede op de hals halen door dezelfde misdaden. En als ze bij zichzelf bedenken hoe ellendig ze er zelf aan toe zijn, leren ze volledig afhankelijk te zijn van God. Want ze zien dat ze zonder Hem nog vluchtiger en vergankelijker zijn dan wind.
Want de apostel Paulus boezemt de Korinthiërs weliswaar vrees in door hun de tuchtigingen te tekenen waarmee de Heer in het verleden het volk Israël gestraft had. Zo wil hij voorkomen dat zij zelf in net zulke rampen terecht zouden komen. Maar hiermee brengt hij niet hun vertrouwen aan het wankelen. Hij laat hen alleen de laksheid van hun vlees afschudden die het geloof altijd overwoekert in plaats van versterkt. De val van de Joden is voor hem aanleiding om ons te waarschuwen: wie denkt dat hij staat, moet oppassen dat hij niet valt. 1 Korinthiërs 10:5-12; Romeinen 11:20 Daarmee zegt hij niet dat we moeten twijfelen, alsof we er niet voldoende zeker van zijn of we zullen standhouden. Hij ontneemt ons alleen onze aanmatiging en ons roekeloos vertrouwen op eigen kracht. Want de heidenen, die na de verstoting van de Joden in hun plaats zijn aangenomen, moeten niet al te overmoedig worden.
Paulus spreekt hier trouwens niet alleen de gelovigen aan. Hij richt zijn woorden ook op de huichelaars die zich alleen beroemden op uiterlijke schijn. Want hij waarschuwt hier geen individuele personen. Hij heeft eerst een tegenstelling gemaakt tussen Joden en heidenen en laten zien dat de Joden in hun verwerping de terechte straf gekregen hebben voor hun ongeloof en ondankbaarheid. En vervolgens waarschuwt hij de heidenen dat ze zich niet trots moeten verheffen, want dan zouden ze de genade van de adoptie als kinderen verliezen die nog maar kort geleden op hen was overgedragen. En toen de Joden verworpen werden, waren er nog sommigen van hen over die helemaal niet afgevallen waren van het verbond van adoptie. Zo konden er dus ook uit de heidenen sommigen voortkomen die niet echt geloofden, maar zich alleen hadden opgeblazen met een dwaas, vleselijk vertrouwen. Zij misbruikten zo Gods goedheid tot hun eigen ondergang.
Maar zelfs al ga je ervan uit dat Paulus dit zegt tegen uitverkoren gelovigen, dan levert dat nog geen probleem op. Want soms overkomt heiligen uit het restant van hun vlees een roekeloosheid. Om te voorkomen dat ze uit een ongefundeerd zelfvertrouwen overmoedig worden, moet die roekeloosheid bedwongen worden. Als je dat doet, is dat iets heel anders dan wanneer je hun geweten door angst ontmoedigt, om te voorkomen dat ze met volledige zekerheid zouden vertrouwen op Gods barmhartigheid.
Vrees voorkomt dat we op onszelf vertrouwen
Bovendien, als Paulus leert dat wij met vrees en beven aan ons behoud moeten werken, Filippenzen 2:12 eist hij alleen maar van ons dat we eraan wennen op te kijken naar Gods kracht en ons zelf heel nederig te houden. Immers, niets prikkelt ons zo sterk om ons vertrouwen en gevoel van zekerheid op de Heer te richten als wantrouwen tegenover onszelf en de angst die het gevolg is van het besef hoe ellendig we eraan toe zijn.
Zo moeten we ook opvatten wat we lezen bij de profeet: ‘Door uw enorme goedheid zal ik uw tempel binnengaan. Ik zal aanbidden vol vrees.’ Psalm 5:8 Daar verbindt de profeet op een toepasselijke manier vrijmoedigheid op basis van Gods barmhartigheid met schuchtere vrees die ons moet bevangen, telkens als we Gods majesteit onder ogen komen. Want door de glans van die majesteit leren we inzien hoe groot onze onreinheid is.
Ook Salomo heeft gelijk als hij een mens die continu vreest, gelukkig noemt. Want als hij zich verhardt, stort hij zich in het ongeluk. Spreuken 28:14 Maar Salomo bedoelt een vrees die ons voorzichtig maakt. Geen vrees die ons laat bezwijken als die ons overvalt. Als de ziel in zichzelf in verwarring verkeert, herstelt ze zich weer in God. Als ze bij zichzelf terneergeslagen is, wordt ze in God weer opgericht. Als ze zichzelf wantrouwt, haalt ze opgelucht adem door op God te vertrouwen.
Daarom is er niets dat verhindert dat gelovigen tegelijk bang zijn en een troost hebben die volkomen zekerheid biedt. Want het ene moment richten ze hun ogen op hun eigen onbeduidendheid en het volgende moment wenden ze hun gedachten op Gods betrouwbaarheid.
Nu zal er vast iemand vragen: ‘Hoe kunnen vrees en geloof in dezelfde ziel huizen?’ Nou, net zoals aan de andere kant onverschilligheid en angst in dezelfde ziel kunnen huizen. Want goddelozen brengen zichzelf in een toestand van ongevoeligheid, om te voorkomen dat ze gekweld worden door vrees voor God. Maar toch beangstigt Gods oordeel hen, zodat ze niet krijgen wat ze zo graag willen. Dus verhindert niets dat God de zijnen traint in nederigheid, zodat ze dapper strijden en zichzelf in de hand houden door de teugel van zelfbeheersing.
Dat de apostel Paulus dit bedoelde, blijkt uit de context. Want als reden om te vrezen en te beven wijst hij op Gods welbehagen. Door dat welbehagen geeft Hij de zijnen dat ze het goede willen doen en dat ook ijverig proberen. Zo moet je ook de uitspraak opvatten van de profeet Hosea: ‘De kinderen van Israël zullen al vrezend terugkeren naar de Heer en naar zijn goedheid.’ Hosea 3:5 Want eerbied voor God komt niet alleen voort uit vroomheid. De aantrekkelijkheid en de lieflijkheid van de genade boezemt de mens, die in zichzelf verslagen is, meteen ook vrees en ontzag in, zodat hij zich afhankelijk weet van God en zich nederig onderwerpt aan zijn macht.
Geloof is zeker omdat Christus in ons woont
Toch bied ik geen ruimte aan de zeer schadelijke filosofie die sommige halve pausgezinden tegenwoordig in hun hoekjes in elkaar beginnen te timmeren. De grove twijfel die in de scholen onderwezen wordt, kunnen zij niet voor hun rekening nemen. Daarom nemen ze hun toevlucht tot een ander verzinsel: ze fabriceren een vertrouwen dat vermengd is met ongeloof. Telkens als we naar Christus kijken, zien we bij Hem alle reden om het goede te hopen. Dat geven zij toe. Maar nooit zijn wij die goede dingen waard, die ons in Christus worden aangeboden. Daarom willen zij beweren dat we twijfelen en aarzelen bij het zien van onze onwaardigheid.
Kortom, zij plaatsen het geweten tussen hoop en vrees. Bij toerbeurt richt het zich nu eens hierheen en dan weer daarheen. En ze leggen een verband tussen hoop en vrees op deze manier: als de een omhoog komt, wordt de ander neergedrukt. Maar wanneer de ander oprijst, stort de eerste weer in. Satan ziet dat de openlijke trucs waarmee hij vroeger de geloofszekerheid altijd vernielde, tegenwoordig niets meer uithalen. Daarom probeert hij het geloof nu aan het wankelen te brengen door het via omwegen te ondergraven.
Maar wat voor vertrouwen moet dat voorstellen, als het nu en dan plaats maakt voor wanhoop? ‘Als je naar Christus kijkt,’ zeggen zij, ‘is je behoud zeker. Maar als je weer naar jezelf kijkt, is je veroordeling zeker. Dan kan het niet anders, of twijfel en goede hoop regeren om de beurt in je hart.’ Alsof we ons Christus moeten voorstellen als iemand die ver van ons afstaat en niet als iemand die juist in ons woont. Want wij verwachten ons behoud van Hem, niet omdat we Hem in de verte kunnen zien, maar omdat Hij ons heeft ingelijfd in zijn lichaam. Hij laat ons niet alleen delen in al zijn zegeningen, maar ook in Hemzelf.
Daarom keer ik hun redenering op de volgende manier om. Als je naar jezelf kijkt, is je veroordeling zeker. Maar je hebt deel gekregen aan Christus en al zijn zegeningen. Alles wat van Hem is, is ook van jou. Je bent een ledemaat van Hem. Je bent één met Hem. Zijn rechtvaardigheid bedekt jouw zonden. Zijn redding haalt een streep door jouw veroordeling. Hij komt met zijn waardigheid tussenbeide, zodat jouw onwaardigheid God niet onder ogen hoeft te komen. Zo is het inderdaad: het is totaal ongepast om Christus los te maken van ons of ons van Hem. Met beide handen moeten we stevig vasthouden aan de gemeenschap waarmee Hij ons aan zich verbonden heeft.
De apostel Paulus leert ons dat. Hij zegt: ‘Het lichaam is weliswaar dood vanwege de zonden. Maar de Geest van Christus die in jullie woont, is leven vanwege de rechtvaardigheid.’ Romeinen 8:10 Volgens de dwaze opvattingen van deze mensen had hij moeten zeggen: ‘Christus heeft weliswaar leven in zich. Maar jullie zijn zondaren en daarom blijven jullie onderworpen aan dood en veroordeling.’ Maar hij zegt iets heel anders. Want hij leert dat de veroordeling die we zelf verdienen, door Christus’ redding verslonden is. En om dit te bevestigen, gebruikt hij hetzelfde argument als ik: Christus is niet buiten ons, maar woont in ons. Hij is niet alleen aan ons verbonden door een onverbrekelijke gemeenschapsband. Hij groeit ook elke dag meer en meer met ons samen tot één lichaam. Uiteindelijk wordt Hij volledig één met ons.
Toch ontken ik niet wat ik kort hiervóór gezegd heb: soms ervaren we enkele onderbrekingen in ons geloof. In zijn zwakheid buigt het onder felle tegenwind soms hierheen of daarheen. Dan wordt het licht van het geloof soms gesmoord in het donker van de beproevingen. Maar wat er ook gebeurt, het doet niets af van onze ijver om God te zoeken.
Bernardus van Clairvaux over zekerheid en vrees
Bernardus van Clairvaux redeneert op dezelfde manier. Hij behandelt dit onderwerp uitdrukkelijk in zijn vijfde preek over de inwijding van een kerkgebouw. Hij zegt:
‘Soms denk ik dankzij Gods goedheid na over mijn ziel. En dan komt het mij voor dat ik daarin als het ware twee tegengestelde kanten zie. Als ik naar mijn ziel kijk zoals die op zichzelf en uit zichzelf is, dan kan ik niets zeggen dat zo waar is als dit: van mijn ziel is niets meer over. Waarom zou ik alle ellende van mijn ziel punt voor punt opsommen? Ze is met zonden overladen, met duisternis overgoten. Ze zit verstrikt in genot, ze wordt geprikkeld door begeerte. Ze is onderworpen aan hartstocht, ze zit vol misleidingen. Ze is altijd geneigd tot het kwaad, ze is bereid tot elke zonde. Kortom, ze zit vol schande en verwarring! Zelfs haar rechtvaardige daden blijken in het licht van de waarheid slechts het bevuilde kleed van een menstruerende vrouw. Jesaja 64:6 Wat moeten we dan denken van haar onrechtvaardige daden? Het licht dat in ons is, is duisternis. Hoe groot moet dan de echte duisternis wel niet zijn! Mattheüs 6:23
Wat moeten we dan zeggen? De mens is net een zucht. Psalm 144:4 Er is van de mens niets meer over. Psalm 73:22 De mens is niets. Maar hoe kan hij helemaal niets zijn als God hem glorie geeft? Hoe kan hij niets zijn als God hem genegen is? We kunnen opgelucht ademhalen, broeders! Ook al zijn wij niets in ons hart, in Gods hart ligt misschien iets verborgen over ons. Vader van alle barmhartigheid, 2 Korinthiërs 1:3 Vader van de ellendigen, hoe kunt U uw hart neigen naar ons? Want uw hart is waar uw schat is. Mattheüs 6:21 En kunnen wij uw schat zijn als wij niets zijn? Alle volken zijn voor U alsof ze niets zijn. Jesaja 40:17 Ze moeten als niets beschouwd worden. Dat wil zeggen: voor U. Niet: in U. Niets zijn ze in het oordeel van uw waarheid. Maar ze zijn niet niets in de genegenheid van uw liefde. Immers, U roept de dingen die niets zijn, alsof ze wel iets zijn. Romeinen 4:17 Dus omdat U roept wat niets is, zijn ze niets. En toch zijn ze wel iets, omdat U ze roept. Want al zijn ze niets wat henzelf betreft, toch zijn ze wel iets bij U, volgens het woord van Paulus: “Niet op basis van rechtvaardige daden, maar op basis van Hem die roept.”’ Romeinen 9:11
Vervolgens zegt Bernardus dat beide kanten op een wonderlijke manier met elkaar verbonden zijn. En dingen die met elkaar verbonden zijn, heffen elkaar zeker niet wederzijds op. In zijn slotwoorden legt hij dat ook uit: ‘Vanuit beide perspectieven moeten we zorgvuldig naar onszelf kijken om te zien wat we zijn. Vanuit het ene perspectief zien we dat we echt niets zijn. En vanuit het andere perspectief zien we hoe glorierijk we zijn. Het lijkt dan, volgens mij, dat dat onze roem tempert. Maar misschien vergroot het onze roem juist wel. Onze roem heeft immers een steviger basis gekregen, zodat we niet roemen in onszelf, maar in de Heer. 2 Korinthiërs 10:17 Zeker, we mogen denken: als de Heer besloten heeft om ons te redden, dan worden we meteen verlost. En daarom mogen we opgelucht ademhalen. Maar we moeten opklimmen naar een hogere uitkijkpost en zoeken naar de positie van God. We moeten de tempel zoeken, het huis zoeken, de bruid zoeken. Ik ben het niet vergeten, maar ik zeg het met vrees en ontzag: wij zijn iets, zeg ik, maar in Gods hart. Wij zijn iets, maar doordat Hij ons het waard gekeurd heeft, niet omdat we het uit onszelf waard zijn.’
Vrees voor God als Vader en als Heer
Verder getuigen alle heiligen in vele passages van de Schrift over de vrees voor de Heer. Soms wordt die vrees het begin van wijsheid genoemd en soms de wijsheid zelf. Psalm 111:10; Spreuken 1:7; 15:33; Job 28:28 Hoewel het om dezelfde vrees gaat, heeft die vrees toch een dubbele betekenis. Want God moet geëerd worden als Vader en als Heer. Wie Hem wil dienen zoals het hoort, doet dus zijn best om een gehoorzame zoon en een onderdanige slaaf te zijn. De gehoorzaamheid die we Hem betonen als Vader, noemt de Heer door de mond van de profeet Maleachi ‘eer’. De onderdanigheid die Hem bewezen wordt als Heer, noemt Hij ‘vrees’. ‘Een zoon,’ zegt Hij, ‘eert zijn vader en een slaaf eert zijn heer. Als Ik jullie Vader ben, waar is dan jullie eer voor Mij? Als Ik jullie Heer ben, waar is dan jullie vrees voor Mij?’ Maleachi 1:6 Maar ook al maakt de Heer onderscheid tussen die twee, toch zie je dat Hij ze aan elkaar verbindt. De vrees voor de Heer moet voor ons dus een eerbied zijn die bestaat uit eer en vrees. En het is niet zo vreemd als beide gevoelens voorkomen in dezelfde ziel. Want wie bij zichzelf bedenkt wat voor Vader God voor ons is, heeft reden genoeg om vooral bang te zijn dat hij God ergert, banger dan voor welke dood ook, zelfs al zou er geen hel zijn. Maar ons vlees heeft de losbandige neiging om onbeheerst te zondigen. Om die neiging op alle mogelijke manieren te beteugelen, moeten we tegelijk ook deze gedachte aangrijpen: de Heer onder wiens macht wij leven, vindt elke zonde afschuwelijk. Wie misdadig leeft, maakt Hem boos en kan zijn wraak niet ontlopen.
Goddelozen vrezen God als Heer, de gelovigen als Vader
Johannes zegt dat in liefde geen vrees is. Volmaakte liefde sluit vrees uit. 1 Johannes 4:18 Dat is hier niet mee in strijd. Want hij heeft het over ongelovige vrees. Dat is iets heel anders dan de vrees van gelovigen. Want goddelozen zijn niet bang voor God omdat ze het erg vinden om Hem te ergeren, als ze dat al ongestraft zouden kunnen doen. Nee, ze weten dat Hij de macht heeft om hen te straffen. Daarom grijpt de angst hen aan als ze horen van zijn woede. Ze zijn zo bang voor zijn woede omdat ze inschatten dat die op handen is. Ze verwachten dat die elk moment boven hun hoofd zal losbreken. Maar gelovigen zijn, zoals ik zei, banger om God te ergeren dan bang voor straf. Vrees voor straf brengt hen niet in verwarring. Want die straf hangt hen niet boven het hoofd. Hooguit worden ze voorzichtiger om te voorkomen dat ze zijn straf over zich af zouden roepen.
Als de apostel Paulus het tegen de gelovigen heeft, zegt hij dit: ‘Jullie moeten je niet laten misleiden. Want daarom komt Gods woede over de kinderen van de ongehoorzaamheid.’ Efeziërs 5:6; Kolossenzen 3:6 Hij dreigt niet dat Gods woede op hen zal neerdalen. Hij waarschuwt hen alleen dat ze moeten bedenken dat Gods woede klaarligt voor de goddelozen, vanwege de misdaden die hij opgesomd heeft. Zelf willen ze die woede immers niet ervaren.
Het gebeurt trouwens maar zelden dat verworpenen wakker worden door één enkel, simpel dreigement. Door hun eigen hardheid zijn ze al zo laks en afgestompt dat ze zich alleen maar méér verharden. Telkens als God met zijn woorden uit de hemel dondert, worden ze nog koppiger. Maar als zijn hand hen treft, worden ze gedwongen om te vrezen, of ze dat nu willen of niet. Dit noemen we normaal gesproken een slaafse vrees en die staat tegenover de vrije en vrijwillige vrees die gepast is voor kinderen. Sommigen maken een nog subtieler onderscheid en voegen nog een tussenvorm in. Want soms dwingt de slaafse, gedwongen vrees mensen om vanzelf God te gaan vrezen.
Geloof richt zich op Gods liefde voor ons
God wil het goede voor ons. Daar richt geloof zich op, zoals ik gezegd heb. En daarin krijgen we ons behoud en het eeuwige leven in bezit. Want als God ons goedgezind is, kan het ons aan niets ontbreken. Om zeker te zijn van ons behoud is het dus meer dan voldoende als Hij ons verzekert dat Hij ons liefheeft. ‘Hij hoeft zijn gelaat maar te laten zien,’ zegt de profeet, ‘en wij zijn verlost.’ Psalm 80:4
Daarom stelt de Schrift dit vast als de kern van ons behoud: God heeft een eind gemaakt aan alle vijandschap en ons in genade aangenomen. Efeziërs 2:14 Daarmee geeft de Schrift aan dat als God met ons verzoend is, er geen gevaar meer overblijft. Dan komt alles goed. Als we met geloof Gods liefde aanpakken, hebben we dus de beloften voor het tegenwoordige en voor het toekomstige leven. 1 Timotheüs 4:8 Alle goede dingen zijn dan volledig zeker. Maar die zekerheid is wel gebaseerd op het Woord. Wie gelooft, belooft zichzelf immers niet met volledige zekerheid een lang leven of een eervol leven of een leven vol rijkdommen. De Heer heeft ook niet gewild dat een van deze dingen voor ons vast zouden staan. Wie gelooft, is tevreden met deze zekerheid: ook al hebben we gebrek aan veel dingen die ons in dit leven kunnen helpen, God zal ons nooit ontbreken. Maar de belangrijkste zekerheid ligt hierin: we verwachten het toekomstige leven. Daar laat Gods Woord geen twijfel over bestaan.
Maar welke ellende en rampen ook de mensen te wachten staan die God in zijn liefde omhelsd heeft – dat kan toch niet verhinderen dat hun geluk volledig is omdat Hij het goede voor hen wil. Vandaar dat ik Gods genade genoemd heb toen ik wilde uitdrukken wat de kern is van het geluk. Dat is de bron waaruit allerlei zegeningen naar ons toe stromen. En op veel plaatsen in de Schrift kun je het zien: niet alleen als het gaat over het eeuwige behoud, maar bij al het goede dat we maar kunnen krijgen, worden we er telkens op gewezen dat de Heer ons liefheeft. Daarom zingt David dat het voelen van Gods goedheid voor iemand met een vroom hart heerlijker en begerenswaardiger is dan het leven zelf. Psalm 63:4
Kortom, al zouden we alles krijgen wat we maar begeren, als we geen zekerheid zouden hebben over de vraag of God van ons houdt of ons haat, zou er een vloek rusten op ons geluk. We zouden er ellendig aan toe zijn. Maar als God ons zijn vaderlijk gelaat toekeert, wordt zelfs elke ellende geluk. Want dan worden tegenslagen hulpmiddelen om ons te redden. Daarom juicht Paulus, als hij elke vorm van tegenspoed opsomt, dat die ons toch niet kunnen scheiden van Gods liefde. Romeinen 8:35-39 En in zijn gebeden begint hij altijd bij Gods genade, waar alle voorspoed uit voortkomt.
Ook David stelt tegenover alle verschrikkingen die ons in verwarring brengen alleen dat God hem goedgezind is. Hij zegt: ‘Al zou ik wandelen tussen de schaduwen van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent bij mij.’ Psalm 23:4 En wij voelen altijd hoe wankelmoedig we zijn, tenzij we tevreden zijn met Gods genade en daarin vrede zoeken en tenzij in ons hart stevig ingeprent staat wat gezegd wordt in Psalm 33: ‘Gelukkig is het volk dat Jehova als God heeft, het volk dat Hij heeft uitgekozen als zijn eigendom.’ Psalm 33:12
Geloof is gebaseerd op de belofte van genade
De belofte van genade vormt het fundament voor geloof. Ik zeg dat omdat geloof daar eigenlijk op steunt. Weliswaar weet geloof zeker dat God in alles betrouwbaar is, of Hij nu beveelt of verbiedt, of Hij nu belooft of dreigt. Weliswaar aanvaardt geloof gehoorzaam Gods bevelen, houdt het zich aan zijn verboden en houdt het rekening met zijn dreigementen. Maar toch begint en eindigt geloof in eigenlijke zin bij de belofte. Daar vindt het rust. Want geloof zoekt het leven in God.
Dat leven vind je niet in geboden of sancties, maar in de belofte van barmhartigheid. En alleen in de belofte van genade. Want een belofte waar een voorwaarde aan verbonden is, belooft alleen maar leven als we dat leven in onszelf kunnen vinden. Want die belofte verwijst ons naar onze eigen daden. Dus als we niet willen dat geloof siddert en wankelt, moeten we het stutten met de belofte van het behoud. Een belofte die de Heer ons uit eigen beweging royaal aanbiedt. Niet omdat we het waard zijn, maar juist omdat we zo ellendig zijn.
Daarom verklaart de apostel Paulus over het evangelie dat het het Woord van het geloof is. Romeinen 10:8 Dat zegt hij niet over de geboden of de beloften van de wet. Want niets kan geloof ondersteunen, behalve die royale boodschap waardoor God de wereld met zich verzoent. 2 Korinthiërs 5:18-20
Daarom zie je bij dezelfde apostel de woorden ‘geloof’ en ‘evangelie’ regelmatig samengaan. Hij leert dat hem is opgedragen het evangelie te bedienen zodat het gelovig gehoorzaamd wordt. Romeinen 1:5 Hij leert dat het evangelie een kracht van God is om iedereen te redden die gelooft. Hij leert dat in het evangelie Gods rechtvaardigheid geopenbaard wordt uit geloof tot geloof. Romeinen 1:16-17 En geen wonder! Want als in het evangelie de verzoening bediend wordt, hoeft geloof geen enkel ander bewijs te zoeken dat God ons goedgezind is. Want er bestaat geen ander bewijs dat voldoende overtuigend is.
Dus als ik zeg dat geloof gebaseerd hoort te zijn op de belofte van genade, ontken ik niet dat de gelovigen Gods Woord in alle opzichten moeten omhelzen en aanvaarden. Ik bestem alleen de belofte van barmhartigheid tot het eigenlijke mikpunt van geloof. Net zoals de gelovigen God wel moeten erkennen als rechter en als wreker van misdaden. maar toch vooral letten op zijn welwillendheid. Want Hij wordt hun beschreven als een God die gezien moet worden als welwillend en barmhartig. Hij wordt niet snel boos, Hij is geweldig goed en aangenaam voor iedereen en Hij stort zijn barmhartigheid uit over alles wat Hij gemaakt heeft. Psalm 86:5; 103:8; 145:8-9
Het kenmerk dat waar geloof onderscheidt van vals geloof
Maar ik laat me niet ophouden door het geblaf van Albertus Pighius en dergelijke honden. Zij gaan te keer tegen deze beperking, alsof ik het geloof in stukken scheur en maar één stuk overhoudt. Zoals ik zei: ik erken dat de waarheid van God het algemene object – zo noemen zij dat – is van geloof, of God nu dreigt of hoop op genade wekt. Daarom schrijft de apostel het toe aan Noachs geloof dat hij de ondergang van de wereld vreesde toen daar nog niets van te zien was. Hebreeën 11:7 Als vrees voor een dreigende straf voortkomt uit geloof, dan moeten de dreigementen niet buiten de definitie van geloof gelaten worden. Dat is inderdaad waar.
Maar het is onterecht dat deze lasteraars mij daarmee lastigvallen. Ze doen net alsof ik ontken dat geloof zich richt op alle delen van Gods Woord. Maar ik wil slechts twee dingen laten zien. In de eerste plaats dat geloof pas stevig overeind staat als het de belofte van genade bereikt heeft. En in de tweede plaats dat geloof ons alleen met Christus verzoent doordat het ons één maakt met Christus. Beide dingen zijn belangrijk. We zoeken een geloof dat Gods kinderen onderscheidt van de verworpenen en de gelovigen van ongelovigen. Als iemand gelooft dat Gods bevelen rechtvaardig zijn en dat zijn dreigementen uitkomen, moet zo iemand dan een gelovige genoemd worden? Absoluut niet! Dus staat geloof pas stevig als het gebaseerd wordt op Gods barmhartigheid.
En waarom behandel ik geloof eigenlijk? Toch omdat we dan weten langs welke weg we gered kunnen worden? En hoe kan geloof ons redden? Toch alleen doordat het ons ent in het lichaam van Christus? Er is dus niets absurds aan als ik in de definitie van geloof de nadruk leg op het belangrijkste effect en als ik om de groep gelovigen af te bakenen het kenmerk gebruik dat de gelovigen onderscheidt van ongelovigen.
Kortom, er is in deze leer niets waar deze boosaardige mensen kritiek op kunnen hebben. Of ze moeten Paulus laten delen in dezelfde kritiek. Want hij noemt het evangelie specifiek het Woord van het geloof. Romeinen 10:8
Geloof kan niet zonder het Woord
Hieruit concludeer ik opnieuw, wat ik eerder al heb uitgelegd: geloof heeft het Woord nodig, net zoals een vrucht de levende wortel van de boom nodig heeft. Want David getuigt dat je alleen op God kunt hopen als je zijn naam kent. Psalm 9:11 Maar die kennis komt niet op uit ieders verbeelding. God getuigt zelf van zijn goedheid. Dezelfde profeet bevestigt dat ergens anders: ‘Laat uw redding mij overkomen volgens uw uitspraak.’ En: ‘Ik heb gehoopt op uw woord. Red mij.’ Psalm 119:40-42 We moeten hier letten op het verband tussen geloof en het Woord en vervolgens op de redding als het resultaat daarvan.
Toch sluit ik ondertussen Gods macht niet uit. Want geloof blijft alleen overeind als het daarnaar kijkt. Anders zal het God nooit de eer geven die Hem toekomt. Het lijkt alsof Paulus iets onbelangrijks en gewoons vertelt over Abraham: hij geloofde dat God, die Hem gezegend nageslacht beloofd had, machtig was. Romeinen 4:21 En ergens anders, over zichzelf: ‘Ik weet wie ik geloofd heb en ik ben er zeker van dat Hij de macht heeft om de waarborg die opgeborgen ligt, te bewaren tot die dag.’ 2 Timotheüs 1:12
Maar ieder moet maar eens bij zichzelf nagaan hoe vaak hem de twijfel besluipt aan Gods macht. Dan zul je snel genoeg erkennen dat je flink gegroeid bent in geloof als je Gods macht de eer geeft die zij verdient. We moeten allemaal erkennen dat God alles kan wat Hij wil. Maar zelfs de kleinste beproeving jaagt ons angst aan en laat ons vreselijk schrikken. Daaruit blijkt dat we Gods macht tekortdoen. We hechten meer waarde aan de dreigementen van Satan tegen Gods beloften. Zelfs al heeft God beloofd ons de kracht te geven om hem te weerstaan.
Dat is de reden waarom Jesaja zo heerlijk spreekt over Gods oneindige macht als hij het volk wil inprenten dat hun redding zeker is. Hij begint zijn verhaal door te spreken over de hoop op vergeving en verzoening. En dan lijkt het vaak wel alsof hij uitweidt in een andere richting en lange en overbodige omwegen maakt. Hij vertelt hoe wonderlijk God de machinerie van hemel en aarde met heel de natuurlijke orde bestuurt. Jesaja 40-45 Maar toch is dat allemaal nuttig voor het onderwerp dat hij bespreekt. Want als Gods macht, waardoor Hij tot alles in staat is, ons niet voor ogen staat, kunnen onze oren het Woord maar moeilijk ontvangen of op waarde schatten.
Daar komt bij dat hier Gods effectieve macht beschreven wordt. Want we hebben ergens anders gezien dat Gods macht altijd heel nuttig is voor vroomheid. Vrome mensen letten vooral op die daden van God waardoor Hij heeft laten zien dat Hij een Vader is. Vandaar dat in de Schrift zo vaak de verlossing genoemd wordt. Daar konden de Israëlieten van leren dat God voor eens en voor altijd hun redding bewerkt had en hen voor eeuwig zou bewaren.
Ook David herinnert ons er door zijn voorbeeld aan dat de zegeningen die God ieder individueel bewezen heeft, moeten helpen om in de toekomst ons geloof te versterken. Ja, als het lijkt alsof God ons heeft verlaten, moeten we verder kijken. Het goede dat Hij vroeger voor ons gedaan heeft, moet ons opbeuren. Daarom wordt er in een andere psalm gezegd: ‘Ik denk aan de dagen van vroeger, ik overdenk al uw daden …’ Psalm 143:5 En: ‘Ik zal denken aan de daden van de Heer en aan zijn wonderen vanaf het begin.’ Psalm 77:12
Maar alles wat we ons voorstellen over Gods macht en over zijn daden heeft niets te betekenen zonder zijn Woord. Daarom heb ik terecht gesteld dat er geen geloof is zolang God ons niet verlicht met het getuigenis van zijn genade.
Maar je zou hier de vraag kunnen stellen wat we dan moeten denken van Sara en Rebekka. Zij lijken beiden, geprikkeld door geloofsijver, de grenzen van het Woord te hebben overschreden.
Sara brandde van verlangen naar het beloofde kind en liet haar slavin seksuele gemeenschap hebben met haar man. Genesis 16:2 Het valt niet te ontkennen dat zij op veel manieren gezondigd heeft, maar ik heb het nu alleen over deze zonde: ze liet zich meeslepen door haar ijver en overschreed de grens van
Gods Woord. Toch is het zeker dat haar verlangen voortkwam uit geloof.
Aan Rebekka was door een uitspraak van God meegedeeld dat haar zoon Jacob uitgekozen was. Door een verkeerde list zorgt zij ervoor dat hij gezegend wordt. Ze bedriegt haar man, de getuige en uitdeler van Gods genade. Ze dwingt haar zoon om te liegen. Met allerlei list en bedrog schendt ze Gods waarheid. Kortom, ze speelt een spelletje met Gods belofte en maakt die waardeloos, voor zover zij dat kon. Genesis 27 Toch was ook deze daad, hoe zondig en afkeurenswaardig ook, niet volledig zonder geloof. Want ze moest heel wat bezwaren overwinnen voor ze zo sterk verlangde naar iets wat geen enkele hoop gaf op aards voordeel en alleen maar grote problemen en gevaren opleverde. Ook de heilige aartsvader Izak kunnen we geloof niet helemaal ontzeggen, ook al blijft hij een voorkeur houden voor zijn oudste zoon Ezau, hoewel hij er door dezelfde uitspraak van God van op de hoogte was dat de eer was overgedragen op zijn jongste zoon.
Deze voorbeelden leren ons overduidelijk dat geloof vaak vermengd is met dwalingen. Maar dan wel zo dat geloof steeds de overhand houdt, als het tenminste echt geloof is. Deze ene dwaling van Rebekka maakte de zegen niet krachteloos. En zo maakte die dwaling ook geen eind aan het geloof dat normaal in haar hart regeerde. Dat geloof was de bron en de reden voor wat ze deed. Maar toch liet Rebekka hiermee zien hoe gemakkelijk de menselijke geest uitglijdt, zodra hij ook maar een klein stukje toegeeft. Zo’n dwaling en zwakheid verduistert het geloof wel, maar dooft het niet uit. Ondertussen herinnert dit ons eraan hoe angstvallig we aan Gods lippen moeten hangen. Bovendien bevestigt het wat ik geleerd heb: geloof verdwijnt als het niet gebaseerd is op Gods Woord. Ook Sara, Izak en Rebekka zouden verloren gegaan zijn in hun afdwalingen als God hen niet met een onzichtbare teugel in bedwang gehouden had, in gehoorzaamheid aan het Woord.
Geloof kan niet zonder Christus
Niet voor niets omvat Christus volgens mij ook alle beloften. Want ook volgens de apostel Paulus omvat het kennen van Christus heel het evangelie. Romeinen 1:17 En ergens anders leert hij dat alle beloften van God in Christus ja en amen zijn. 2 Korinthiërs 1:20 De reden daarvoor ligt voor de hand. Want als God iets belooft, bewijst Hij daarmee dat Hij je goedgezind is. Er is dus geen enkele belofte die geen bewijs is van zijn liefde.
En het doet er niet toe dat de goddelozen een nog zwaarder oordeel over zich halen doordat ze continu overladen worden met grote en royale zegeningen van God. Want zij bedenken niet dat die zegeningen hun uit Gods hand overkomen. Ze erkennen dat niet. En als ze het soms toch erkennen, denken ze er helemaal niet bij na hoe goed Hij is. Dus over Gods barmhartigheid kan dat hun niets méér leren dan het redeloze vee. Ook het vee let er van nature niet op dat het dezelfde vruchten plukt van Gods vrijgevigheid.
Ook verhindert niets dat de goddelozen zich een extra grote straf op de hals halen doordat ze de beloften die voor hen bestemd zijn steeds weer negeren. Het effect van die beloften blijkt weliswaar pas als we ze ook geloven. Maar toch kan ons ongeloof of onze ondankbaarheid hun kracht of eigenheid nooit uitdoven.
Kortom, wanneer de Heer door zijn beloften de mens uitnodigt, niet alleen om de vruchten van zijn vrijgevigheid te plukken, maar ook om daarover na te denken, laat Hij hem tegelijk zijn liefde zien. Onvermijdelijk komen we dus weer hierop uit: elke belofte is een bewijs van Gods liefde voor ons.
Maar het staat buiten kijf dat God niemand liefheeft buiten Christus om. Hij is de geliefde Zoon. In Hem woont en op Hem rust de liefde van de Vader. Mattheüs 3:17; 17:5 Van Hem uit stort die liefde zich vervolgens uit over ons. Want Paulus leert dat wij de genade gekregen hebben ‘in de geliefde’. Efeziërs 1:6 Door zijn tussenkomst moet Gods liefde naar ons toegebracht worden. Daarom noemt de apostel Hem ergens anders onze vrede Efeziërs 2:14 en nog weer ergens anders stelt hij Hem voor als de band die God in zijn vaderliefde met ons verbindt. Romeinen 8:3-17 Dat betekent dus dat we onze ogen op Hem moeten richten, telkens als ons een belofte wordt aangeboden. Terecht leert Paulus dat in Hem alle beloften van God bevestigd en vervuld worden. Romeinen 15:8
Enkele voorbeelden gaan hiertegen in. Het is immers onwaarschijnlijk dat Naäman, de Syriër, les gekregen heeft over de middelaar toen hij aan de profeet Elisa vroeg hoe hij God op de juiste manier kon dienen. Toch wordt hij geprezen om zijn vroomheid. 2 Koningen 5:17-19 Cornelius, een heiden en een Romein, kon amper weten wat alle Joden wisten en zelfs hun kennis was nog duister. Toch deden zijn liefdegaven en gebeden God plezier. Handelingen 10:31 En de offers van Naäman werden door de profeet in zijn reactie goedgekeurd. Zij konden dat allebei alleen bereiken door te geloven. Hetzelfde geldt voor de eunuch naar wie Filippus gebracht werd. Als deze eunuch niet een beetje geloof gekregen had, zou hij zich de moeite en de kosten van een lange en zware reis om te aanbidden bespaard hebben. Toch zien we hoe hij zijn onwetendheid verraadt wat betreft de middelaar, als Filippus hem ondervraagt. Handelingen 8:27-35
Ik geef toe dat hun geloof in een bepaald opzicht impliciet was. Niet alleen wat betreft de persoon van Christus, maar ook wat betreft zijn betekenis en de taak die de Vader Hem had opgedragen. Ondertussen staat wel vast dat zij de basisbeginselen kenden. Zodoende hadden ze een bepaald voorproefje, al was het klein, van Christus. Dat hoeft niet absurd te lijken. De eunuch zou zich nooit uit zo’n ver land naar Jeruzalem gehaast hebben naar een God die hij niet kende. En toen Cornelius eenmaal de Joodse godsdienst aangenomen had, heeft hij daar niet zoveel tijd aan besteed zonder te wennen aan de basisbeginselen van de ware leer. Wat Naäman betreft, het zou wel heel absurd zijn als Elisa hem wel les gegeven had in kleine details, maar over de kern gezwegen had. Hun kennis over Christus was dus nog duister, maar het is onwaarschijnlijk dat ze die kennis helemaal niet hadden. Want ze brachten de offers van de wet in praktijk. Het einddoel van die offers was Christus en alleen daardoor al onderscheidden die zich van de valse offers van de heidenen.
Geloof is een gave van God
En deze open en uiterlijke uiteenzetting van Gods Woord zou ruimschoots voldoende moeten zijn om geloof te wekken. Maar onze blindheid en koppigheid voorkomt dat. Ons verstand is geneigd tot betekenisloze onzin. Daarom kan het zich nooit vastklampen aan Gods waarheid. Ons verstand is afgestompt. Daarom is het altijd blind voor zijn licht. Het Woord kan dus niets uitrichten zonder verlichting door de Heilige Geest. Daaruit blijkt ook dat geloof veel verder reikt dan menselijk inzicht. Bovendien is het niet genoeg als alleen het verstand door Gods Geest verlicht is. Ook het hart moet door zijn kracht versterkt en ondersteund worden. En op dit punt zitten de scholastici er volledig naast. Als zij het over geloof hebben, hebben ze het enkel en alleen over een instemmen op basis van kennis. Het vertrouwen en de zekerheid van het hart slaan ze over.
Maar op beide manieren is geloof dus een bijzondere gave van God. Hij reinigt het verstand van de mens zodat het zijn waarheid kan proeven én Hij bevestigt het hart in die waarheid. De Geest geeft immers niet alleen het begin van het geloof. Hij laat het ook stap voor stap groeien, totdat Hij ons door het geloof in het hemelse koninkrijk brengt. ‘Bewaar het goede pand dat je is toevertrouwd,’ zegt Paulus, ‘door de Heilige Geest die in ons woont.’ 2 Timotheüs 1:14 En we kunnen gemakkelijk uitleggen hoe Paulus dan kan leren dat je de Geest krijgt door naar het geloof te luisteren. Galaten 3:2 Als er maar één gave van de Geest was, zou hij de Geest onterecht een gevolg van geloof genoemd hebben. Want de Geest bewerkt en veroorzaakt geloof. Maar Paulus somt op met welke gaven God zijn kerk tooit en hoe Hij zijn kerk door middel van geloofsgroei tot volmaaktheid brengt. Daarom is het niet zo vreemd dat hij aan geloof de dingen toeschrijft die ons geschikt maken om die gaven te ontvangen.
Sommigen vinden het heel paradoxaal dat niemand in Christus kan geloven, behalve degenen aan wie het gegeven is. Maar dat komt voor een deel omdat ze niet beseffen hoe verborgen en verheven de hemelse wijsheid is of hoe stompzinnig de mensen zijn in het begrijpen van Gods mysteries. En voor een ander deel komt het omdat ze geen oog hebben voor die vaste en solide standvastigheid van het hart. En dat is nu juist de belangrijkste eigenschap van geloof.
Geloof kan niet zonder de Heilige Geest
Deze dwaling is gemakkelijk te weerleggen. Paulus verkondigt dat niemand kan getuigen wat een mens wil, behalve de eigen geest van de mens. 1 Korinthiërs 2:11 Maar hoe zou een mens er dan zeker van kunnen zijn wat God wil? En als Gods waarheid bij de mens al wankel staat in de dingen die we met onze ogen kunnen zien, hoe zou die waarheid dan stevig en stabiel kunnen staan als de Heer dingen belooft die onzichtbaar zijn voor ons oog en onbegrijpelijk voor ons verstand? Hier schiet het menselijk inzicht zo vreselijk tekort, dat dit de eerste stap is om in de school van de Heer vooruit te komen: afstand doen van dat inzicht. Want dat inzicht is net een gordijn dat ons verhindert om Gods mysteries te begrijpen. Die mysteries worden alleen geopenbaard aan kleine kinderen. Mattheüs 11:25; Lucas 10:21 Want vlees en bloed openbaren die mysteries niet Mattheüs 16:17 en de natuurlijke mens begrijpt de dingen van de Geest niet. De leer van God is juist dwaasheid voor hem, want die leer is alleen geestelijk te onderscheiden. 1 Korinthiërs 2:14
We hebben dus de hulp nodig van de Heilige Geest. Of liever, zijn kracht is als enige tot iets in staat. Geen enkel mens heeft de gedachten van de Heer gekend of heeft Hem raad gegeven. Romeinen 11:34 Maar de Geest onderzoekt alles, zelfs de diepten van God. 1 Korinthiërs 2:10 En dankzij Hem kennen wij Christus’ gedachten. 1 Korinthiërs 2:16 ‘Niemand kan bij Mij komen,’ zegt Christus, ‘als de Vader, die Mij gezonden heeft, hem niet trekt. Maar ieder die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt bij Mij. Niemand heeft de Vader gezien, behalve Hij die door God gezonden is.’ Johannes 6:44-46
We kunnen dus helemaal niet naar Christus toegaan als we niet door Gods Geest getrokken worden. En als we getrokken worden, worden we dus met ons verstand en ons hart uitgetild boven ons eigen inzicht. Want een ziel die door Hem verlicht wordt, krijgt als het ware een nieuwe intelligentie. Daarmee kan zij de hemelse mysteries zien die haar eerst met hun glans verblindden. En pas als het verstand van een mens zo beschenen wordt door het licht van de Heilige Geest, proeft het echt wat het koninkrijk van God inhoudt. Tot dat moment is het verstand veel te dom en te dwaas om dat te proeven.
Als Christus de mysteries van zijn rijk heel duidelijk uitlegt aan de twee Emmaüsgangers, bereikt Hij daar niets mee, totdat Hij hun verstand opent, zodat ze de Schrift begrijpen. Lucas 24:27; 24:45 De apostelen hadden les gehad uit Christus’ goddelijke mond. Toch moest de Geest van de waarheid naar hen gezonden worden, om dezelfde leer die ze met hun oren gehoord hadden, in hun verstand te druppelen. Johannes 16:13 Gods Woord is weliswaar net een zon die iedereen beschijnt aan wie dat Woord gepredikt wordt. Maar bij blinden levert dat helemaal niets op. En wij zijn in dit opzicht allemaal van nature blind. Daarom kan dat Woord niet in ons hart doordringen. Dat kan pas als de innerlijke leermeester, de Geest, de toegang tot ons hart opent door het te verlichten.
God geeft geloof aan wie Hij wil
Op een andere plek heb ik het bederf van onze natuur moeten behandelen. Daar heb ik uitgebreid laten zien hoe ongeschikt de mensen zijn om te geloven. Daarom zal ik de lezers niet lastigvallen door dat nog eens te herhalen. Het moet genoeg zijn dat Paulus het geloof zelf de Geest van het geloof noemt, 2 Korinthiërs 4:13 het geloof dat we van de Geest krijgen en dat we van nature niet hebben. En daarom bidt hij of God in de Thessalonicenzen al zijn welbehagen en het werk van het geloof met kracht wil voltooien. 2 Thessalonicenzen 1:11 Daar noemt hij geloof dus ‘Gods werk’ en als kenmerkende omschrijving gebruikt hij terecht de aanduiding ‘Gods welbehagen’. Daarmee ontkent hij dat een mens op eigen initiatief gaat geloven. En daarmee is hij nog niet tevreden. Want hij noemt het ook nog eens een bewijs van Gods kracht.
In een brief aan de Korinthiërs zegt Paulus dat geloof niet afhangt van menselijke wijsheid, maar gebaseerd is op de kracht van de Geest. 1 Korinthiërs 2:4 Weliswaar heeft hij het daar over uiterlijke wondertekenen. Maar de verworpenen zijn te blind om die te zien. Dus bedoelt hij hiermee ook het innerlijke zegel of waarmerk dat hij ergens anders noemt. Efeziërs 1:13; 4:30
En om bij zo’n geweldig geschenk nog duidelijker te laten zien hoe vrijgevig Hij is, keurt God niet iedereen dit geschenk waard, zonder onderscheid. Hij deelt het uit aan wie Hij wil als een speciaal voorrecht. Daar heb ik eerder bewijzen voor geciteerd.
Augustinus is een betrouwbare uitlegger van die bewijzen. Hij roept uit: ‘Om te leren dat geloof ook zelf een gave is en geen verdienste, zegt de Verlosser: “Niemand kan bij Mij komen, als mijn Vader hem niet trekt en als mijn Vader het hem niet gegeven heeft.” Johannes 6:44; 6:65 Het is vreemd dat twee luisteren – de een veracht het, de ander komt omhoog. Wie het veracht, moet dat zichzelf aanrekenen. Wie omhoog komt, mag dat niet aan zichzelf toeschrijven.’ En ergens anders: ‘Waarom krijgt de een het wel en de ander niet? Ik schaam me er niet voor om te zeggen: dat is de diepte van het kruis. Alles wat we kunnen, komt voort uit ik weet niet welke diepte van Gods oordelen. Wat ik kan, zie ik. Hoe het komt dat ik het kan, zie ik niet. Het enige wat ik zie, is dat het van God komt. Maar waarom de een wel en de ander niet? Dat is me te veel. Het is een afgrond, de diepte van het kruis. Ik kan het vol verwondering uitroepen, maar ik kan het niet met argumenten aantonen.’
In de kern komt het hierop neer: als Christus ons door de kracht van zijn Geest verlicht zodat we gaan geloven, ent Hij ons tegelijk in zijn lichaam, zodat we deel krijgen aan alle goede dingen.
Geloof is vooral een zaak van het hart
Vervolgens moet dat wat je met je verstand in je opgenomen hebt, overgegoten worden in je hart zelf. Je hebt het immers niet met geloof aangenomen als het zich boven in je brein bevindt. Je hebt het pas met geloof aangenomen als het diep in je hart wortel geschoten heeft. Pas dan is je geloof een onoverwinnelijk bolwerk dat alle belegeringswerktuigen van de aanvechtingen kan weerstaan en afslaan. Maar als het waar is dat je verstand pas echt inzicht heeft als het verlicht wordt door de Geest, dan blijkt het effect van die verlichting nog duidelijker als ook je hart op die manier versterkt wordt. Want het gebrek aan vertrouwen van het hart is groter dan de blindheid van het verstand. En het is moeilijker het hart zekerheid te bieden dan het verstand vol kennis te stoppen.
Daarom fungeert de Geest als zegel of waarmerk. De Geest bezegelt in ons hart juist die beloften waarvan hij eerst ons verstand heeft ingeprent dat ze zeker zijn. Hij is de waarborg dat die beloften bevestigt en officieel vaststelt. ‘Nadat jullie tot geloof gekomen zijn,’ zegt de apostel Paulus, ‘zijn jullie verzegeld met de Heilige Geest van de belofte. Die is de waarborg van onze erfenis.’ Efeziërs 1:13 Zie je dat hij leert dat de Heilige Geest net als bij een zegel een stempel in het hart drukt? En dat hij de Geest de Geest van de belofte noemt omdat Hij zo het evangelie bij ons ratificeert?
Ook tegen de Korinthiërs zegt Paulus: ‘Hij die ons gezalfd heeft, is God. Die heeft ons ook verzegeld en de waarborg van de Geest in ons hart gegeven.’ 2 Korinthiërs 1:21-22 En ergens anders heeft hij het over het vertrouwen en de vrijmoedigheid van de hoop. En dan baseert hij dat op de waarborg van de Geest. 2
Korinthiërs 5:5
Geloof blijft altijd overeind
Ik ben echter niet vergeten wat ik hiervóór gezegd heb. Door onze ervaring worden we daar steeds weer aan herinnerd: geloof wordt opgejaagd door allerlei twijfels, zorgen en angsten. Het hart van de vromen is maar zelden kalm. In elk geval genieten ze niet altijd van een toestand van rust. Maar wat voor belegeringswerktuigen hen ook belagen, ze komen steeds weer boven uit de maalstroom van beproevingen, of houden op hun plaats stand.
Alleen door deze zekerheid wordt geloof gekoesterd en beschermd. Want in Psalm 46 wordt gezegd: ‘De HEER is onze toevlucht, een hulp in benauwdheid. Daarom zijn wij niet bang, al beeft de aarde en al werden de bergen verplaatst naar het midden van de zee.’ Psalm 46:2-3 Deze heerlijke rust wordt ook in een andere psalm geroemd: ‘Ik ging liggen, ik sliep en ik werd wakker. Want de HEER beschermde mij.’ Psalm 3:6 Niet dat David continu blij en opgewekt was. Maar in de mate waarin hij geloofde, proefde hij Gods genade. En daarom beroemt hij zich erop dat hij onverschrokken alles veracht wat de vrede in zijn hart zou kunnen verstoren.
Daarom beveelt de Schrift om rustig te zijn, als zij wil aansporen om te geloven. Bij Jesaja lezen we: ‘Hoop en stilte vormen jullie vesting.’ Jesaja 30:15 In Psalm 37: ‘Zwijg voor Jehova en verwacht Hem.’ Psalm 37:7 Dat klopt met wat de apostel tegen de Hebreeën zegt: ‘Jullie hebben geduld nodig…’ Hebreeën 10:36
Geloofszekerheid is niet vinden in je eigen daden
Op basis hiervan kun je wel inschatten hoe schadelijk het dogma van de scholastici is dat we er op geen enkele manier zeker van kunnen zijn dat God ons genadig is. Volgens hen kunnen we er alleen naar raden op basis van onze daden. Maar als we op basis van onze daden moeten beoordelen of God ons wel of niet goedgezind is, dan erken ik dat we er zelfs niet naar kunnen raden. Geloof moet echter antwoord geven op de eenvoudige belofte van genade. Daarom is er geen ruimte voor twijfel. Want, vraag ik je, met wat voor vertrouwen worden wij gewapend als we deze redenering volgen: God is ons alleen genadig op voorwaarde dat wij dat verdienen met een zuiver leven?
Maar ik heb ergens anders speciaal plaats gereserveerd om deze kwestie te behandelen. Dus ga ik er nu niet verder op in. Vooral omdat meer dan voldoende duidelijk is dat niets zo in strijd is met geloof als giswerk of zoiets. Want dat lijkt wel erg op twijfel.
En het is volkomen onterecht dat de scholastici hiervoor een Schriftbewijs uit Prediker verdraaien. Ze hebben de mond vol van deze woorden: ‘Niemand weet of hij haat of liefde verdient.’ Prediker 9:1 Ik ga er nu maar aan voorbij dat deze passage in de gebruikelijke Latijnse vertaling verkeerd vertaald is. Zelfs kinderen kan het niet ontgaan wat Salomo met deze woorden bedoelt: als iemand op grond van de tegenwoordige stand van zaken wil inschatten welke mensen God achtervolgt met haat en welke Hij omhelst met liefde, dan is dat vergeefse moeite. Dan kwelt hij zichzelf zonder dat het iets oplevert. Want alle dingen overkomen zowel de rechtvaardige als de goddeloze, zowel wie offert als wie niet offert. Prediker 9:2 Dat betekent dus dat God niet continu zijn liefde bewijst als Hij iemand in voorspoed alles laat lukken. En dat Hij ook niet altijd zijn haat laat zien als Hij iemand slaat.
En Salomo zegt dit om de mens te berispen om zijn onzinnige gedachten. Want in deze zaken die het hardst nodig zijn om te weten, is de mens bevangen door kortzichtigheid. Om dezelfde reden had hij eerder geschreven dat je geen onderscheid kunt ontdekken tussen de ziel van mensen en de ziel van beesten. Want het lijkt alsof ze op dezelfde manier omkomen. Prediker 3:19 Als iemand daaruit zou concluderen dat mijn opvatting over de onsterfelijkheid van de ziel alleen gebaseerd is op giswerk, zou hij dan niet terecht als een dwaas beschouwd worden? Maar zijn degenen die concluderen dat er geen zekerheid bestaat over Gods genade omdat we die niet kunnen afleiden uit wat we fysiek waarnemen dan wel goed bij hun hoofd?
Geloofszekerheid is geen aanmatiging
Maar de scholastici beweren dat het brutaal en verwaand is als je jezelf toeschrijft dat je zonder twijfel weet wat God wil. Ik zou hun dat wel toegeven, als wij onszelf zouden aanmatigen dat we de onbegrijpelijke plannen van God onderwerpen aan ons beperkte verstand. Maar ik zeg alleen met Paulus dat wij niet de geest van deze wereld gekregen hebben, maar de Geest die van God komt. Door zijn onderwijs weten we wat God ons geschonken heeft. 1 Korinthiërs 2:12 Wat kunnen zij daar dan nog tegenin blaffen, zonder Gods Geest te lasteren en aan te vallen? Het is een afschuwelijke heiligschennis om de openbaring die bij Hem vandaan komt te beschuldigen van leugen of van onzekerheid of dubbelzinnigheid. Als dat zo is, wat doe ik dan verkeerd als ik de zekerheid van die openbaring verdedig?
Maar zij roepen dat ook dat enorm brutaal is, dat wij ons zo durven te beroemen op de Geest van Christus. Daarmee geven ze een geweldige demonstratie van hun domheid. Ze willen worden beschouwd als de leermeesters van de wereld. Maar wie kan geloven dat ze zo dom zijn? Ze struikelen over de eerste beginselen van de godsdienst! Ik zou het in elk geval niet kunnen geloven als de geschriften die van hen zijn uitgegeven het niet bewezen!
Paulus noemt je pas een kind van God als je door zijn Geest geleid wordt. Romeinen 8:14 Maar zij willen dat je een kind van God bent als je geleid wordt door je eigen geest en Gods Geest mist!
Paulus leert dat wij God Vader noemen omdat de Geest ons dat woord ingeeft. Hij alleen kan voor onze geest getuigen dat wij Gods kinderen zijn. Romeinen 8:16 Zij willen ons er niet van weerhouden om God aan te roepen. Maar toch maken ze dat los van de Geest. Maar je kunt God alleen maar aanroepen zoals het hoort dankzij de leiding van de Geest!
Paulus zegt dat je Christus niet dient als je niet door de Geest van Christus geleid wordt. Romeinen 8:9 Maar zij verzinnen een christendom dat de Geest van Christus niet nodig heeft!
Paulus geeft geen hoop op een gelukkige opstanding als we de Geest niet in ons voelen wonen. Romeinen 8:11 Maar zij verzinnen een hoop die dat gevoel mist.
Maar misschien is hun antwoord dat zij niet ontkennen dat je die Geest moet hebben gekregen, maar dat het een teken is van bescheidenheid en nederigheid als je daar niet zeker van bent. Maar wat bedoelt Paulus dan als hij de Korinthiërs beveelt dat ze zichzelf moeten testen of ze wel geloven en zich moeten onderzoeken of ze Christus wel hebben? Want ieder die er niet zeker van is dat Christus in hem woont, is verworpen! 2 Korinthiërs 13:5
‘Dankzij de Geest die Hij ons gegeven heeft,’ zegt Johannes, ‘weten we dat Hij in ons blijft.’ 1 Johannes 3:24 Maar wat doen we anders dan de beloften van Christus in twijfel trekken als we beschouwd willen worden als mensen die Hem dienen, zonder zijn Geest? Want Hij heeft beloofd dat Hij die over ons allemaal zou uitstorten! Wat doen we anders dan de Heilige Geest onrecht doen als we geloof losmaken van Hem? Dat is juist specifiek zijn werk!
Dit zijn de basisbeginselen van vroomheid. Dan ben je wel jammerlijk blind als je christenen beschuldigt van aanmatiging omdat ze zich erop durven beroemen dat de Heilige Geest bij hen is. Zonder die roem bestaat het christendom niet eens! Echter, zij laten met hun voorbeeld zien hoe waar Christus’ woorden waren toen Hij zei dat de wereld zijn Geest niet kent en dat je zijn Geest alleen kent als Hij bij je blijft. Johannes 14:17
Ook dat we volhouden in geloof is zeker
De scholastici willen de stevigheid van het geloof niet slechts van één kant ondermijnen. Daarom vallen ze die ook aan vanuit een andere hoek. Ze zeggen: ‘Je kunt een inschatting maken over Gods genade op basis van je tegenwoordige rechtvaardigheid. Maar of je zult volhouden, blijft tot het eind toe onbeslist.’ Wat rest ons dan een geweldig vertrouwen dat we gered zijn! Voor het moment kunnen we op grond van onze levenswandel raden dat God ons genadig is. Maar we weten niet hoe dat morgen zal zijn!
De apostel Paulus zegt iets heel anders: ‘Ik ben er zeker van dat engelen of heden of toekomst ons niet kunnen scheiden van de liefde waarmee de Heer ons omarmt in Christus.’ Romeinen 8:38-39 Zij proberen dit te omzeilen door een onzinnige oplossing. Ze kletsen dat de apostel dit wist op grond van een speciale openbaring. Maar ze worden zo in een hoek gedreven, dat ze onmogelijk kunnen ontkomen. Paulus heeft het hier immers over de zegeningen die het geloof alle gelovigen in het algemeen oplevert. Hij heeft het niet over speciale zegeningen die alleen hij ervaart.
Maar dezelfde apostel maakt ons ergens anders aan het schrikken door onze zwakheid en wankelmoedigheid te noemen. Hij zegt: ‘Wie staat, moet oppassen dat hij niet valt.’ 1 Korinthiërs 10:12 Dat is wel waar. Maar hij maakt ons hier niet zo aan het schrikken dat we de moed verliezen. We leren hiervan om nederig te worden onder de machtige hand van God. Zo legt Petrus het uit. 1 Petrus 5:6
Bovendien is het heel verkeerd om de zekerheid van het geloof te beperken tot een punt in de tijd! Het kenmerk van geloof is juist dat het over dit leven heenreikt naar de toekomstige onsterfelijkheid! Dankzij Gods genade en verlicht door zijn Geest genieten de gelovigen door geloof van de aanblik van het hemelse leven. Dat ze zich daarop beroemen is dus absoluut geen aanmatiging! Wie zich ervoor schaamt om dit te belijden, bewijst daarmee eerder hoe ondankbaar hij is, dan dat hij laat blijken hoe bescheiden of nederig hij is. Want met opzet onderdrukt hij Gods goedheid.
De definitie uit Hebreeën 11
Het blijkt dus dat de aard van het geloof het best en het duidelijkst uitgelegd kan worden op basis van de belofte. Dat is het eigenlijke fundament waar het op rust. Als dat fundament wordt weggehaald, stort het geloof meteen in. Of beter, het verdwijnt. Daarom heb ik daar mijn definitie van afgeleid. Maar dat betekent absoluut niet dat mijn definitie afwijkt van de definitie – of beter, de omschrijving – van de apostel, die hij direct laat volgen op zijn uitleg: geloof is de basis voor de dingen die je hoopt en het bewijs voor de dingen die je niet ziet. Hebreeën 11:1
Want hij gebruikt het woord hypostasis – ‘fundering’. Daarmee bedoelt hij een soort stut waar een vroom hart op leunt en rust. Het is alsof hij wilde zeggen dat het geloof zelf inhoudt dat we de dingen die God ons beloofd heeft zeker en veilig in bezit hebben. Je kunt hypostasis ook opvatten als ‘vertrouwen’. Dat vind ik best. Maar de andere betekenis is meer algemeen geaccepteerd en daar houd ik me aan.
Aan de andere kant wil de apostel duidelijk maken dat de beloofde dingen tot de laatste dag toe ons verstand te boven gaan. We kunnen ze niet met onze ogen zien en niet met onze handen aanraken. Pas op de laatste dag worden de boeken geopend. Daniël 7:10; Openbaring 20:12 Tot dat moment hebben we die dingen alleen in bezit als we het inzicht van ons verstand volledig loslaten. We moeten met onze intelligentie hoger reiken dan alles wat er in de wereld bestaat. Kortom, we moeten boven onszelf uitstijgen. Daarom heeft de apostel eraan toegevoegd dat dit veilig bezitten dingen betreft waarop we hopen en die we dus niet zien.
Want zoals Paulus schrijft: als je iets duidelijk ziet, is het geen hoop meer. Wat we zien, daar hopen we niet op. Romeinen 8:24 Maar de apostel noemt geloof een ‘bewijs’ of – zoals Augustinus het vaak vertaalt – een ‘overtuiging’ van dingen die niet aanwezig zijn. In het Grieks heet het namelijk elenchos. Dan is het net alsof hij wil zeggen dat geloof dingen zichtbaar maakt die niet zichtbaar zijn. We zien dan wat we niet kunnen zien. Wat duister is, wordt helder. Wat afwezig is, is dan aanwezig. Wat verborgen is, wordt onthuld. Want de dingen die onze redding betreffen, horen bij Gods mysteries. En die zijn op zichzelf en – zeg maar – van nature niet te onderscheiden. Alleen in zijn Woord kunnen wij die zien. We moeten zo overtuigd zijn van de betrouwbaarheid van dat Woord, dat we alles wat dat Woord zegt, beschouwen alsof het al volledig uitgevoerd is.
Maar hoe zou het hart zich zo kunnen verheffen dat het Gods goedheid proeft zonder dat het tegelijk op zijn beurt ontbrandt in liefde voor God? Want je kunt niet werkelijk de heerlijke dingen kennen die God heeft klaarliggen voor wie Hem vrezen zonder dat dat een heftige emotie wekt. En als deze emotie eenmaal bij je gewekt is, word je er volledig door getrokken en meegesleept. Daarom is het niet zo vreemd dat deze emotie nooit binnenkomt in een verkeerd en verdraaid hart. Want deze emotie brengt ons in de hemel zelf. Zo krijgen we toegang tot de meest verborgen schatten van God en tot de heiligste heiligdommen van zijn koninkrijk. Die mogen niet ontheiligd worden doordat een onrein hart daar binnenkomt.
De scholastici leren dat liefde vooraf gaat aan geloof en hoop.
Maar dat is klinkklare onzin. Want liefde komt juist uit geloof voort.
Wat Bernardus van Clairvaux zegt, is veel beter: ‘Ik geloof dat het getuigenis van het geweten – Paulus noemt dat de roem van de vromen 2 Korinthiërs 1:12 – uit drie dingen bestaat. Allereerst moet je geloven dat je alleen vergeving kunt krijgen voor je zonden omdat God toegeeflijk is. In de tweede plaats dat je geen enkele goede daad kunt verrichten, behalve als Hij dat geeft. In de derde plaats dat je met je goede daden het eeuwige leven niet kunt verdienen. Het moet je gratis geschonken worden.’ Even verderop zegt Bernardus dat deze dingen nog niet voldoende zijn. Ze vormen slechts een begin van geloof. Want als we geloven dat alleen God de zonden kan vergeven, moeten we tegelijk ook weten dat ónze zonden ons vergeven zijn. Het getuigenis van de Heilige Geest moet ons ervan overtuigen dat de redding voor ons klaarligt. God vergeeft de zonden, Hij geeft ons zelf onze verdiensten en Hij beloont die ook. Daarom kunnen we niet bij dat begin blijven staan.
Maar deze en andere dingen moeten behandeld worden als ze aan de beurt zijn. Voor nu moet het genoeg zijn om te weten wat geloof zelf inhoudt.
Geloof en hoop zijn onafscheidelijk
Welnu, overal waar dit geloof leeft, gaat het onvermijdelijk samen met de hoop op eeuwig behoud. Die twee zijn onafscheidelijk. Of beter, het kan niet anders of een levend geloof verwekt en baart die hoop uit zichzelf. Want als de hoop ontbreekt, bewijst ons dat dat wij geen geloof hebben, met hoeveel mooie woorden we er ook over spreken. Want we hebben gehoord dat geloof een vaste overtuiging inhoudt dat God betrouwbaar is. Hij kan niet liegen of bedriegen. Wat Hij zegt kan niet zonder betekenis zijn. Wie deze zekerheid gekregen hebben, verwachten dus vast en zeker tegelijk ook dat God zijn beloften zal nakomen. Ze zijn ervan overtuigd dat het niet anders kan of die beloften zijn betrouwbaar. Kortom, hoop is dus niets anders dan het verwachten van die dingen waarvan geloof gelooft dat God die echt beloofd heeft.
Geloof gelooft dus dat God betrouwbaar is. Hoop verwacht dat Hij als de tijd daarvoor gekomen is, zal laten zien dat Hij betrouwbaar is. Geloof gelooft dat Hij een Vader voor ons is. Hoop verwacht dat Hij zich tegenover ons altijd als een Vader zal gedragen. Geloof gelooft dat wij het eeuwige leven gekregen hebben. Hoop verwacht dat dat eens geopenbaard zal worden. Geloof is het fundament waarop hoop rust. Hoop voedt geloof en ondersteunt het. Want niemand kan iets van God verwachten als hij niet eerst Gods beloften gelooft. En op dezelfde manier moet andersom ons geloof in zijn zwakheid ondersteund en versterkt worden door geduldig te hopen en te verwachten, om te voorkomen dat ons geloof van uitputting zou bezwijken.
Terecht plaats Paulus ons behoud daarom in hoop. Romeinen 8:24 Want als hoop stil de Heer verwacht, houdt zij het geloof in bedwang. Het voorkomt dat geloof al te ongeduldig wordt. Hoop versterkt geloof, zodat het stevig overeind blijft op de basis van de beloften en niet gaat twijfelen aan hun betrouwbaarheid. Hoop verkwikt geloof zodat het niet uitgeput raakt. Hoop maakt dat geloof volhoudt tot de eindstreep en niet halverwege of zelfs direct bij de start bezwijkt. Kortom, hoop vernieuwt en herstelt geloof continu. Daardoor richt geloof zich steeds weer op om met nog meer kracht vol te houden.
En hoeveel redenen er zijn waarom geloof de hulp en de versterking nodig heeft van hoop, blijkt wel als we bedenken hoeveel soorten beproevingen je moet doorstaan en incasseren als je Gods Woord omhelsd hebt. Het begint er al mee dat de Heer de vervulling van zijn beloften uitstelt en ons hart vaak langer in onzekerheid houdt dan wij zouden willen. In dat geval is het de taak van hoop om te doen wat de profeet Habakuk beveelt: ‘Ook al blijft de vervulling van de beloften uit, laten we die toch verwachten.’ Habakuk 2:3 Soms laat de Heer ons niet alleen verslappen, maar laat Hij ook openlijk blijken dat Hij boos op ons is. Dan moet hoop ons nog veel sterker te hulp komen, zodat we – volgens het woord van een andere profeet – de HEER kunnen verwachten die zijn gelaat voor Jacob heeft verborgen. Jesaja 8:17 Ook staan er spotters op, zegt Petrus, die vragen: ‘Waar blijft de vervulling van de belofte dat Hij komt? Want onze voorvaders zijn gestorven, maar alles blijft zoals het vanaf het begin van de schepping geweest is.’ 2 Petrus 3:3-4 Sterker nog, ook ons vlees en de wereld fluisteren ons hetzelfde in. Daarom moet geloof geholpen worden door geduld en er continu aan herinnerd worden dat je moet letten op de eeuwigheid. Duizend jaar moet je beschouwen als één dag. Psalm 90:4; 2 Petrus 3:8
Geloof en hoop zijn gericht op hetzelfde doel
Omdat geloof en hoop zo nauw met elkaar verbonden zijn en zo dicht bij elkaar liggen, gebruikt de Schrift deze woorden door elkaar. Want Petrus leert dat wij door Gods kracht bewaakt worden door geloof totdat het behoud geopenbaard wordt. 1 Petrus 1:5 Dan schrijft hij aan geloof iets toe wat beter past bij hoop. Maar dat doet hij niet zomaar. Want ik heb al uitgelegd dat hoop niets anders is dan het voedsel en de harde kern van geloof.
Soms worden geloof en hoop met elkaar verbonden. Dat gebeurt bijvoorbeeld in dezelfde brief: ‘Zodat uw geloof en hoop gericht zijn op God.’ 1 Petrus 1:21 En Paulus leidt in zijn brief aan de
Filippenzen het verwachten af van de hoop. We moeten geduldig blijven hopen en onze eigen verlangens opschorten tot Gods juiste tijd geopenbaard is. Filippenzen 1:20 En dat kun je allemaal nog beter begrijpen op basis van hoofdstuk 10 van de brief aan de Hebreeën. Die heb ik al aangehaald. Ergens anders spreekt Paulus op een manier die eigenlijk niet klopt. Maar dan bedoelt hij toch hetzelfde met deze woorden: ‘Door de Geest verwachten wij op basis van het geloof de hoop op rechtvaardigheid.’ Galaten 5:5 Want eerst aanvaarden we het getuigenis van het evangelie over Gods liefde die we niet verdiend hebben. En vervolgens wachten we tot God openlijk laat zien wat nu verborgen ligt onder de hoop.
Nu is wel duidelijk hoe dom het is dat Petrus Lombardus onder hoop een dubbel fundament legt: Gods genade en wat wij verdienen met onze daden. Hoop kan op geen enkel ander doel gericht zijn dan op het geloof. En ik heb al duidelijk uitgelegd dat geloof zelf maar op één doel gericht is: Gods barmhartigheid. Daar moet het, zeg maar, met beide ogen naar kijken.
Maar het is de moeite waard om eens te luisteren welk sterk argument hij aanvoert. Als je ergens op durft hopen zonder dat je dat verdiend hebt, zo zegt hij, moet dat geen hoop, maar verwaandheid genoemd worden. Beste lezer, wie zou zulke beesten niet terecht vervloeken, die beweren dat het brutaal en verwaand is als je erop vertrouwt dat God betrouwbaar is? De Heer wil dat we alles verwachten van zijn goedheid. Maar zij zeggen dat het verwaand is om daar onbekommerd op te vertrouwen. Wat een leermeester! De leerlingen die hij in de dwaze scholen vol waanzinnigen gevonden heeft, is hij zeker waard!
We zien echter dat Gods Woord de zondaren beveelt om te gaan hopen op redding. We moeten dus maar graag zo brutaal zijn als het gaat om zijn betrouwbaarheid. We moeten alleen vertrouwen op zijn barmhartigheid, het vertrouwen op onze daden loslaten en durven hopen op de goede afloop. Hij die gezegd heeft: ‘Het zal gebeuren zoals je gelooft,’ Mattheüs 9:29 zal ons niet bedriegen.
Voetnoten
- 295
Augustinus, De civitate Dei XI, 2.
- 296
Bernardus van Clairvaux, Sermones in dedicatione templi, 5.
- 297
Albertus Pighius van Kampen († 1542), rooms theoloog.
- 298
Augustinus, De verbis apostolorum, 2.
- 299
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 79,1; 95,2; Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 31,50.
- 300
Petrus Lombardus, Sententiae III, 23,9; 25,5.
- 301
Bernardus van Clairvaux, Sermode annuntiatione beatae virginis Mariae,1.
Voetnoot 295
Augustinus, De civitate Dei XI, 2.
Voetnoot 296
Bernardus van Clairvaux, Sermones in dedicatione templi, 5.
Voetnoot 297
Albertus Pighius van Kampen († 1542), rooms theoloog.
Voetnoot 298
Augustinus, De verbis apostolorum, 2.
Voetnoot 299
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 79,1; 95,2; Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 31,50.
Voetnoot 300
Petrus Lombardus, Sententiae III, 23,9; 25,5.
Voetnoot 301
Bernardus van Clairvaux, Sermode annuntiatione beatae virginis Mariae,1.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.