Boek III · Hoofdstuk 4

Berouw, schuldbelijdenis en genoegdoening

Inhoud van dit hoofdstuk · 39 secties
  1. 1Berouw volgens de sofisten
  2. 2De sofisten kwellen het geweten
  3. 3Berouw is geen reden voor vergeving
  4. 4De biecht en de taak van de priesters om melaatsheid te onderzoeken
  5. 5De biecht en het losmaken van Lazarus na zijn opwekking
  6. 6De biecht en het elkaar je zonden belijden volgens Jacobus
  7. 7Het ontstaan van de biecht als plicht
  8. 8Van Chrysostomos hoef je je zonden niet te belijden aan iemand anders
  9. 9We moeten onze zonden belijden aan God
  10. 10Als je je zonden belijdt aan God, wil je dat ook doen aan de mensen
  11. 11Openbare schuldbelijdenis
  12. 12Persoonlijke schuldbelijdenis helpt om troost te vinden
  13. 13Persoonlijke schuldbelijdenis maakt verzoening mogelijk
  14. 14De sleutelmacht van de kerk
  15. 15De roomse leer over de sleutelmacht
  16. 16Het is onmogelijk om al je zonden op te noemen
  17. 17Als je al je zonden moet opnoemen, wordt je wanhopig
  18. 18De biecht is schadelijk
  19. 19De biecht heeft geen enkel nut
  20. 20De sleutelmacht kan niet zonder de Heilige Geest
  21. 21Zonder het Woord is de sleutelmacht waardeloos
  22. 22Gods Woord biedt zekerheid
  23. 23De voorstanders van de biecht verdraaien de Schrift
  24. 24Samenvatting
  25. 25Vergeving is gratis
  26. 26Gratis vergeving is niet eenmalig
  27. 27Wie zelf genoegdoening wil doen, doet Christus tekort en vindt nooit rust
  28. 28Alle zonden zijn dodelijk en genoegdoening is onmogelijk
  29. 29Vergeving impliceert kwijtschelding van de straf
  30. 30Omdat Christus voor ons betaald heeft, hoeven wij niets meer te betalen
  31. 31Twee soorten oordelen: wraak en tucht
  32. 32In het oordeel zie je Gods toorn, in een tuchtiging zie je zijn liefde
  33. 33Het oordeel is bedoeld als straf, een tuchtiging is bedoeld om te corrigeren
  34. 34Als je het verschil kent, hoef je de moed niet te verliezen
  35. 35Het voorbeeld van David is geen goed voorbeeld
  36. 36Goede daden brengen verzoening tussen mensen en zijn een teken van echt berouw
  37. 37De gelijkenis van de schuldeiser en de twee schuldenaars
  38. 38De kerkvaders over genoegdoening
  39. 39De leer van de kerkvaders wordt verdraaid en vervalst

Berouw volgens de sofisten

Nu ben ik eraan toe om te onderzoeken wat de scholastische sofisten geleerd hebben over berouw. Ik zal dat met zo min mogelijk woorden behandelen, want ik heb geen zin om alles te bespreken. Dan zou dit boek oneindig uitdijen en ik wil het graag beperken tot een kort overzicht van de leer. Maar zij hebben zoveel boeken gewijd aan dit onderwerp – dat toch niet bijzonder ingewikkeld is – dat je er niet gemakkelijk uit komt als je je een beetje in hun drek ondergedompeld hebt.

Uit de definitie die zij geven, blijkt meteen al dat ze nooit begrepen hebben wat berouw eigenlijk is. Want ze halen sommige uitspraken uit de boeken van de oude schrijvers die helemaal niet duidelijk maken wat berouw inhoudt. Volgens deze uitspraken is berouw: huilen over zonden die je in het verleden gedaan hebt en zonden waarover je moet huilen niet meer doen. En: rouw bedrijven over zonden die voorbij zijn en zonden waar je rouw over moet bedrijven niet opnieuw doen. En: een soort wrekend verdriet dat in een mens de zonden straft waar hij verdriet over heeft omdat hij die gedaan heeft. En: een diep en bitter verdriet over de zonden die je gedaan hebt, of waar je in toegestemd hebt.

Ik geef toe dat de kerkvaders dit goed gezegd hebben, al kan een mens die altijd overal wat op aan te merken heeft, dit gemakkelijk ontkennen. Maar de kerkvaders hebben dit niet gezegd met de bedoeling een definitie te geven van berouw. Ze wilden hun mensen alleen maar aansporen om niet opnieuw in dezelfde fouten te vallen waar ze uitgehaald waren. Als je van zulke uitspraken definities wilt maken, moet je daar evengoed ook andere uitspraken aan toevoegen. Bijvoorbeeld deze van Chrysostomos: ‘Berouw is een medicijn dat de zonde uitdooft, een geschenk uit de hemel, een bewonderenswaardige eigenschap, een genade die de macht van wetten overwint.’

Daar komt bij dat de leer die ze vervolgens geven heel wat slechter is dan hun definities. Want ze klampen zich met hand en tand vast aan uiterlijke trainingen. Uit hun kolossale boekbanden kun je alleen maar opmaken dat berouw een strenge discipline is, die voor een deel dient om het vlees te temmen en voor een deel om de zonden te bestraffen. Maar over de innerlijke vernieuwing van het hart, die gepaard gaat met een echte correctie van het leven, blijft het van hun kant vreemd stil. Ze zeggen wel veel over de gebrokenheid en verslagenheid van het hart. Ze martelen de ziel met vele scherpe punten en ze komen aanzetten met veel zware lasten en angsten. Maar als ze het hart door en door verwond lijken te hebben, genezen zij alle bitterheid met een simpele rituele besprenkeling.

Dit zo scherpzinnig gedefinieerde berouw delen ze in in een gebroken hart, mondelinge schuldbelijdenis en actief boete doen. Deze indeling voldoet net zo min aan de regels van de logica als de definitie die ze geven, hoewel ze net doen alsof ze hun hele leven niets anders gedaan hebben dan logisch argumenteren. Maar als je redeneert op basis van hun definitie – zo doe je dat als je logische conclusies wilt trekken – kun je zeggen dat je echt berouw hebt, ook al doe je geen mondelinge schuldbelijdenis. Als je maar huilt over zonden die je in het verleden gedaan hebt en zonden waarover je moet huilen niet meer doet, als je maar rouw bedrijft over zonden die voorbij zijn en zonden waar je rouw over moet bedrijven niet opnieuw doet, als je maar de zonden bestraft waar je verdriet over hebt omdat je die gedaan hebt. Maar hoe kunnen ze hun indeling dan overeind houden?

Misschien antwoorden ze dat deze indeling slaat op het berouw voor zover het een sacrament is – hun sacrament van de boete. Of dat die slaat op volledig berouw, terwijl hun definities niet het volledige berouw omvatten. Maar dat is nog steeds geen reden om mij te beschuldigen. Dan moeten ze zichzelf verwijten dat ze geen betere en duidelijkere definitie geven. Ik ben in een discussie in elk geval zo dom om altijd terug te redeneren naar de eigenlijke definitie. Want dat is de kern en de basis voor de hele redenering. Maar als leermeester heb je blijkbaar meer vrijheid.

Laten we nu de drie onderdelen om de beurt bekijken. Aan de dingen die zij zo trots aan de man brengen als mysteries, ga ik voorbij zonder er enige aandacht aan te schenken. Dat doe ik niet uit onkunde. Het zou immers heel gemakkelijk voor mij zijn om alles onderuit te halen waarvan zij denken dat ze het intelligent en grondig onderbouwd hebben. Maar ik vind het niet prettig om de lezers onnodig lastig te vallen met zulke onzin. Uit de vragen die ze stellen en behandelen en waarin ze zich jammerlijk verstrikken, kun je gemakkelijk opmaken dat ze kletsen over dingen die ze niet kennen.

Bijvoorbeeld de vraag of God blij is met berouw over één zonde terwijl je andere zonden koppig vol blijft houden. En of straffen die God je opgelegd heeft iets bijdragen om je schuld te voldoen. En of je meerdere keren opnieuw boete kunt doen voor doodzonden. En dan zijn zij zo schandelijk goddeloos om vast te stellen dat je alleen dagelijks boete kunt doen voor vergeeflijke zonden. Ook kwellen ze zichzelf in hun grove dwaling met de woorden van Hiëronymus dat berouw de tweede plank is na de schipbreuk, waarop een drenkeling naar de haven zwemt. Daarmee laten ze zien dat ze nooit wakker geworden zijn uit hun domme stompzinnigheid. Ze beseffen zelfs nog geen duizendste deel van hun zonden.

De sofisten kwellen het geweten

Ik hoop dat de lezers beseffen dat deze discussie niet over een kleinigheid gaat. We hebben het hier over een van de belangrijkste onderwerpen: de vergeving van zonden.

Volgens de sofisten zijn er drie dingen nodig voor berouw: een gebroken hart, mondelinge schuldbelijdenis en actief boete doen. Daarmee leren ze tegelijk dat deze dingen onmisbaar zijn om vergeving te krijgen voor je zonden. En als we van heel de godsdienst iets zouden moeten weten, dan moeten we toch vooral begrijpen hoe we vergeving voor onze zonden krijgen: op welke manier, volgens welke wet, op welke voorwaarde en hoe gemakkelijk of moeilijk we die vergeving krijgen.

Als je dit niet duidelijk en zeker weet, kun je in je geweten geen enkele rust, geen vrede met God, geen vertrouwen of zekerheid hebben. Je bent continu aan het sidderen en twijfelen. Je wordt gekweld en heen en weer geslingerd. Je huivert voor Gods ogen, je haat het en vlucht ervoor weg. Als de vergeving van zonden afhankelijk is van de voorwaarden die de sofisten eraan verbinden, dan zijn wij zo ellendig en wanhopig als het maar kan.

Een gebroken hart is volgens hen de eerste voorwaarde om vergeving te krijgen. Ze eisen dat je hart gebroken is zoals je verplicht bent, dat wil zeggen: oprecht en volmaakt. Maar ondertussen stellen ze niet vast wanneer je erop kunt vertrouwen dat je hart voldoende gebroken is. Ik geef toe dat we er ijverig en sterk op moeten aandringen dat ieder bitter moet huilen over zijn zonden en zo een diepe hekel moet krijgen aan de zonde. Want van zulk verdriet krijg je nooit spijt. Het leidt tot berouw en redding. 2 Korinthiërs 7:10 Maar als je een verdriet eist dat qua diepte correspondeert met de grootte van de schuld en als je dat afweegt tegen het vertrouwen op vergeving, dan wordt ons ellendige geweten op een vreemde manier gekweld en geschokt. Je ziet wel dat er een verplicht gebroken hart van je geëist wordt. Maar je voldoet nooit aan de norm van wat je verplicht bent.

Als ze zeggen dat we moeten doen zoveel we kunnen, draaien we in een kringetje rond en komen we steeds weer op hetzelfde punt terug. Want wanneer durft iemand zichzelf te beloven dat hij alles gedaan heeft wat hij kan om over zijn zonden te treuren? Je worstelt lange tijd in je geweten met jezelf en kwelt jezelf continu. Maar je vindt uiteindelijk geen haven waar je tot rust kunt komen. Dus haal je jezelf door de mangel van verdriet om in elk geval jezelf een beetje verlichting te geven. Je perst jezelf tranen uit om zo het breken van je hart compleet te maken.

Berouw is geen reden voor vergeving

Als mijn tegenstanders beweren dat ik hen vals beschuldig, dan moeten ze maar eens één mens laten zien die door de leer van zo’n gebroken hart niet tot wanhoop gebracht is en die niet Gods oordeel tegemoet gegaan is met gehuicheld verdriet in plaats van echt verdriet.

Ook ik heb ergens gezegd dat je nooit vergeving kunt krijgen voor je zonden zonder berouw. Alleen wie door het besef van hun zonden verslagen en gewond zijn, kunnen oprecht een beroep doen op Gods barmhartigheid. Maar ik heb daaraan toegevoegd dat je berouw niet de reden is voor de vergeving van je zonden. En ik heb een eind gemaakt aan dat martelen van de ziel dat je volledig moet doen wat je verplicht bent. Ik heb geleerd dat een zondaar niet moet letten op zijn eigen gebroken hart en niet op zijn tranen. Hij moet zijn beide ogen alleen gericht houden op de barmhartigheid van de Heer.

Alleen heb ik er wel op gewezen dat Christus degenen roept die vermoeid en belast zijn. Want Hij is gezonden om het evangelie te verkondigen aan armen, om mensen met een gebroken hart te genezen, om gevangenen vrij te verklaren, om gebondenen te verlossen en treurenden te troosten. Jesaja 61:1-3; Mattheüs 11:5; 11:28; Lucas 4:18 Maar dat was om de farizeeën uit te sluiten. Zij hadden genoeg aan hun eigen rechtvaardigheid. Hun armoede erkenden ze niet. Ook worden buitengesloten wie het evangelie minachten, zich niet druk maken om Gods woede en geen genezing zoeken voor hun kwaad. Want zulke mensen zijn niet vermoeid en belast, ze hebben geen gebroken hart en ze zijn niet gebonden en gevangen.

Het maakt een groot verschil of je leert dat je vergeving van je zonden verdient doordat je hart volledig en volmaakt gebroken is of dat je leert dat je honger en dorst moet hebben naar Gods barmhartigheid. Het eerste kan een zondaar nooit voor elkaar krijgen. Maar in het laatste geval laat je hem door het kennen van zijn ellende, door zijn brandende onrust, zijn vermoeidheid en gevangenschap zien waar hij verkoeling, rust en vrijheid moet zoeken. En ten slotte leer je hem zich te vernederen en zo God de eer te geven.

De biecht en de taak van de priesters om melaatsheid te onderzoeken

Over schuldbelijdenis – de biecht – is altijd veel discussie geweest tussen de canonieke wetgevers en de scholastische theologen. De scholastici beweren dat de biecht door een gebod van God is voorgeschreven. De canonici echter beweren dat de biecht alleen bevolen wordt door de kerkelijke canones – ‘regels’.

In deze discussie is echter gebleken hoe onbeschaamd de theologen zijn. Elke passage uit de Schrift die ze aanvoerden om hun standpunt te verdedigen, hebben ze vervalst en verdraaid. En toen ze zagen dat ze zelfs zo niet voor elkaar kregen wat ze wilden, kwamen de slimsten onder hen met deze uitvlucht: de oorsprong van de biecht ligt qua wezen in Gods wet. Maar haar vorm heeft de biecht pas gekregen in later ingestelde canones.

De domsten onder de letterknechten herleiden de oproep tot schuldbelijdenis tot Gods wet, omdat er staat: ‘Adam, waar ben je?’ En ook het antwoord daarop, omdat Adam antwoordde, alsof hij zich verontschuldigde: ‘De vrouw die U mij gegeven hebt …’ Genesis 3:9-12 Maar, zeggen ze, beide hebben een vorm gekregen die afkomstig is uit het burgerlijk recht.

Maar laten we eens kijken op grond waarvan zij deze biecht – met of zonder vorm – een bevel van God noemen. De Heer, zeggen zij, stuurde de melaatsen naar de priesters. Mattheüs 8:4; Marcus 1:44; Lucas 5:14; 17:14 Wat? Stuurde Hij hen om te biechten? Wie heeft ooit gehoord dat de Levitische priesters als taak hadden om de biecht af te nemen? Dus nemen ze hun toevlucht tot beeldspraak. De wet van Mozes bepaalde dat de priesters moesten uitmaken of iets melaatsheid was of niet. Leviticus 14:2-3 Zonde is een geestelijke melaatsheid, dus is het de taak van de priesters om daarover te beslissen.

Voor ik hierop reageer, vraag ik alleen even: als deze passage de priesters aanstelt als rechters over geestelijke melaatsheid, waarom halen zij het onderzoek naar de natuurlijke en geestelijke melaatsheid dan naar zich toe? Ze spelen een spelletje met de Schrift! Ze zeggen: ‘De wet draagt het onderzoek naar melaatsheid op aan de Levitische priesters – laten wij dat recht opeisen! Zonde is een geestelijke melaatsheid – laten wij ook onderzoek doen naar de zonde!’

Nu mijn antwoord: als het priesterschap overgedragen wordt, moet ook de wet overgedragen worden. Hebreeën 7:12 Alle priesterschappen zijn overgedragen op Christus. En in Hem zijn ze vervuld en beëindigd. Dus is ook alleen op Hem elk recht en elke eer van het priesterschap overgedragen. Als ze zo graag beeldspraak gebruiken, dan moeten ze kijken naar Christus, de enige priester. Zijn rechterstoel moeten ze tooien met het recht om over alles vrij recht te spreken. Daar zou ik geen enkel bezwaar tegen hebben.

In de tweede plaats is hun beeldspraak niet van toepassing. Want ze rangschikken een zuiver burgerlijk gebod onder de rituele wet. Waarom stuurt Christus de melaatsen naar de priesters? Om te voorkomen dat de priesters Hem vals zouden beschuldigen omdat Hij de wet zou overtreden. Want die wet schreef voor dat iemand die genezen was van melaatsheid zich moest laten zien aan de priester en met een offer verzoening moest doen. Hij draagt de gereinigde melaatsen dus alleen maar op wat de wet voorschreef. Hij zegt: ‘Ga je aan de priester laten zien en offer de gave die Mozes in de wet heeft voorgeschreven, om voor hen over Mij te getuigen.’ Inderdaad zou dit wonder voor de priesters van Hem getuigen. Zij hadden eerst zelf verklaard dat deze mannen melaats waren. Nu moeten ze verklaren dat ze genezen zijn. Worden ze zo niet tegen wil en dank gedwongen om getuige te zijn van Christus’ wonderen? Christus geeft hun de gelegenheid om zijn wonder te onderzoeken. Ze kunnen het niet ontkennen. Ze draaien zich in allerlei bochten, maar dit werk levert hun het bewijs. Daarom staat er ergens anders in Mattheüs: ‘Dit evangelie zal in heel de wereld gepredikt worden als een getuigenis voor alle volken.’ Mattheüs 24:14 En: ‘Jullie zullen voorgeleid worden aan koningen en stadhouders om voor hen te getuigen.’ Mattheüs 10:18 Dat wil zeggen: zodat ze straks bij Gods oordeel extra overtuigd zijn van hun schuld.

Als mijn tegenstanders het liever eens zijn met Chrysostomos – ook hij leert dat Christus dit gedaan heeft om de Joden, zodat zij Hem niet als een overtreder van de wet konden beschouwen. Ik schaam me trouwens dat ik bij zo’n duidelijke kwestie een mens erbij sleep om mij bij te vallen. Want Christus zegt zelf dat Hij het recht van de priesters ongemoeid laat, zelfs al zijn het vijanden van het evangelie, die er altijd opuit waren om Hem tegen te spreken als Hij hun de mond niet snoerde. Als de priesters van de paus hun recht willen behouden, moeten ze dus maar openlijk de kant kiezen van hen die met geweld in bedwang gehouden moeten worden omdat ze anders Christus vervloeken. Want dit recht dat Christus bij de priesters laat, heeft niets te maken met Christus’ echte dienaren.

De biecht en het losmaken van Lazarus na zijn opwekking

Mijn tegenstanders halen hun tweede bewijs uit dezelfde bron: beeldspraak. Alsof beeldspraak zoveel waarde heeft om een leerstuk te onderbouwen. Maar van mij mag het die waarde hebben! Ik zal je eens laten zien dat ik beeldspraak overtuigender kan gebruiken dan zij.

Zij zeggen: de Heer heeft zijn leerlingen opdracht gegeven om Lazarus na zijn opwekking los te maken door zijn grafdoeken af te wikkelen. Johannes 11:44 Om te beginnen liegen ze dit. Want nergens staat dat de Heer dit tegen zijn leerlingen gezegd heeft. Het is veel waarschijnlijker dat Hij het gezegd heeft tegen de Joden die erbij stonden. Dan konden ze niet wantrouwig denken dat het bedrog was. Het zou overduidelijk zijn dat dit een wonder was en Christus’ kracht zou nog helderder aan het licht komen. Hij wekte doden op zonder ze ook maar aan te raken, alleen door zijn stem! Ik leg het dus zo uit: de Heer wilde elke misplaatste argwaan bij de Joden wegnemen. Daarom wilde Hij dat zij de steen wegrolden, de stank roken en de duidelijke kenmerken van de dood zagen. Hij wilde dat ze zagen dat Lazarus opstond alleen door de kracht van het woord en dat zij de eersten waren die hem levend aanraakten. En zo dacht Chrysostomos er ook over.

Maar stel dat ik toegeef dat de Heer dit tegen zijn leerlingen gezegd heeft. Wat winnen ze daarmee? Dat de Heer de apostelen macht gegeven heeft om los te maken? Het past veel beter en het is veel handiger om deze beeldspraak zo toe te passen: door dit teken heeft God willen leren dat zij de mensen zouden losmaken die Hij had opgewekt. Dat wil zeggen: ze moesten niet opnieuw de zonden in herinnering brengen die God zelf vergeten had. Ze moesten niet als zondaren veroordelen wie God zelf had vrijgesproken. Ze moesten hun niet langer dingen verwijten die God zelf vergeven had. Ze moesten niet streng en hard straffen als God zelf barmhartig was en graag wilde sparen. Er is echt niets dat ons meer moet aanzetten tot vergevingsgezindheid dan het voorbeeld van de rechter die dreigt dat Hij onverzoenlijk zal zijn tegenover degenen die te hard en inhumaan zijn.

Laat mijn tegenstanders nu maar te koop lopen met hun beeldspraak.

De biecht en het elkaar je zonden belijden volgens Jacobus

Nu komen mijn tegenstanders dichterbij voor een man-tegen-man-gevecht. Want ze denken dat ze de strijd aan gaan gewapend met duidelijke uitspraken. De mensen die bij Johannes de Doper kwamen om gedoopt te worden, beleden hun zonden. Mattheüs 3:6 En Jacobus wil dat we elkaar onze zonden belijden. Jacobus 5:16

Het is logisch dat de mensen die gedoopt wilden worden hun zonden beleden. Want ik heb eerder al gezegd dat Johannes een doop van bekering predikte en dat hij doopte met water zodat de mensen zich zouden bekeren. Dus wie had hij dan anders moeten dopen dan degenen die eerst beleden dat ze zondaren waren? De doop is een symbool van de vergeving van zonden. Wie zouden dat symbool anders kunnen krijgen dan zondaren en degenen die erkenden dat ze dat waren? Dus beleden ze hun zonden om gedoopt te kunnen worden.

Ook Jacobus heeft een goede reden om te bevelen dat we elkaar onze zonden moeten belijden. Maar als mijn tegenstanders zouden letten op wat meteen daarna volgt, zouden ze begrijpen dat ook deze passage hun maar weinig steun biedt. Hij zegt: ‘Belijd elkaar je zonden en bid voor elkaar.’ Het wederzijds je zonden belijden en het wederzijds voor elkaar bidden koppelt hij aan elkaar. Als je alleen bij de priesters moet biechten, moet je dus ook alleen voor hen bidden. Sterker nog, de woorden van Jacobus zouden betekenen dat alleen priesters kunnen biechten. Immers, hij zegt dat we elkaar onze zonden moeten belijden. Dat zegt hij dus alleen tegen personen die ook kunnen luisteren naar de schuldbelijdenis van anderen. ‘Elkaar,’ zegt hij, wederzijds, ieder op zijn beurt, eerst de een, dan de ander, of als ze dat liever willen: over en weer. Maar alleen personen die in staat zijn om de biecht aan te horen, kunnen over en weer bij elkaar biechten. En volgens mijn tegenstanders zijn alleen de priesters dit privilege waard. Dus moeten we ook alleen hen verplichten om te biechten.

Weg dus met dit soort geklets! We kunnen beter accepteren wat de apostel zelf bedoelt. Dat is eenvoudig en duidelijk: we moeten over en weer onze zwakheden aan elkaar toevertrouwen. Dan kunnen we over en weer advies, medelijden en troost van elkaar krijgen. Bovendien kunnen we, als we weten wat de zwakheden zijn van onze broeders, voor hen bidden tot de Heer.

Waarom halen mijn tegenstanders dan Jacobus aan tegen mij? Ik leg er immers altijd sterk de nadruk op dat je moet belijden dat God barmhartig is. Maar niemand kan belijden dat God barmhartig is, als hij niet eerst beleden heeft dat hij zelf ellendig is. Sterker nog, ik zeg dat je vervloekt bent als je niet voor God, voor zijn engelen, voor de kerk en ten slotte voor alle mensen beleden hebt dat je een zondaar bent. Want de Heer heeft alles opgesloten onder de zonde, Galaten 3:22;Romeinen 3:9 om iedereen de mond te snoeren en al het vlees voor God te vernederen. Want zo wordt alleen Hij gerechtvaardigd en geprezen. Romeinen 3:19-20

Het ontstaan van de biecht als plicht

Ik verbaas me erover hoe onbeschaamd de sofisten durven beweren dat God de biecht waarover zij het hebben, bevolen heeft. Ik geef toe dat het al een heel oude gewoonte is. Maar ik kan gemakkelijk bewijzen dat het vroeger geen verplichting was. In elk geval vertellen ook hun eigen geschiedenisboeken dat er voor de biecht vóór de tijd van Innocentius III geen specifieke wet of regel geweest is. Vast en zeker zouden ze liever een oudere wet genomen hebben als ze die hadden. Nu moeten ze tevreden zijn met een besluit van het concilie van Lateranen (1215). Zelfs kinderen moeten daarom lachen. Maar het is niet in hen opgekomen om op dit punt met een vervalsing te komen. Dus getuigen ze ook zelf dat er nog geen driehonderd jaar voorbijgegaan is sinds Innocentius III de val gezet heeft en van het biechten een verplichting gemaakt heeft.

En om te zwijgen van de tijd, alleen al de taalkundig onzorgvuldige bewoording maakt deze wet ongeloofwaardig. Want deze goede vaders bevelen dat ‘ieder van beide seksen’ eenmaal per jaar al zijn zonden moet belijden aan zijn eigen priester. Mensen met gevoel voor humor maken hiervan dat dit gebod alleen slaat op hermafrodieten, maar niet op mensen die of man of vrouw zijn. En hun leerlingen blijken later nog dommer te zijn. Want zij kunnen niet eens uitleggen wat er bedoeld wordt met de ‘eigen priester’.

Wat al die leuterende huurlingen van de paus ook kletsen, we weten dat Christus niet de auteur van deze wet is, die de mensen dwingt hun zonden op te sommen. Sterker nog, sinds Christus opstanding is er twaalfhonderd jaar voorbijgegaan vóór deze wet werd opgesteld. Dus is deze tirannie pas ingevoerd nadat de vroomheid en de ware leer waren uitgedoofd en de nep-herders zich al zonder onderscheid lieten gaan in alle mogelijke losbandigheid.

Bovendien leveren zowel de geschiedenisboeken als andere oude schrijvers overtuigende bewijzen waaruit blijkt dat dit een vorm van burgerlijke discipline geweest is en geen wet die Christus of de apostelen hebben ingesteld. Uit de vele bewijzen zal ik er één aanhalen om dit overtuigend aan te tonen. De kerkhistoricus Sozomenus vertelt dat in de kerken in het Westen de bisschoppen zich ijverig aan deze regel hielden, vooral in Rome. Daarmee geeft hij aan dat dit dus geen algemene regel was in alle kerken. Ook zegt hij dat er van de priesters één speciaal aangewezen was om deze taak uit te voeren. Daarmee weerlegt hij volledig de leugen van de pausgezinden dat de hele priesterstand zonder onderscheid de sleutels gekregen heeft om op deze manier te gebruiken. Want niet alle priesters samen hadden deze taak. Het was de specifieke opdracht van één priester die daar door de bisschop voor was uitgekozen. Dat is degene die de pausgezinden ook nu in elke bisschopskerk de poenitentiarius noemen. Hij onderzoekt de ergste misdaden van de degenen die gestraft worden om een voorbeeld te stellen.

Sozomenus voegt daaraan toe dat deze gewoonte ook bestaan heeft in Constantinopel. Maar daar werd een getrouwde vrouw betrapt die deed alsof ze biechtte, maar die de biecht misbruikte als dekmantel voor haar verhouding met een diaken. Die misdaad was voor Nectarius, de bisschop van die kerk, reden om de gewoonte van het biechten af te schaffen. En Nectarius staat bekend als een heilig en geleerd man. Zo, nu moeten die ezels hun oren spitsen! Als de individuele biecht een bevel van

God was, hoe zou Nectarius die dan hebben durven afschaffen en aan de kant schuiven? Willen ze Nectarius beschuldigen als ketter en scheurmaker? Alle kerkvaders geven hoog van hem op! Maar als ze hem veroordelen, moeten ze ook de kerk van Constantinopel veroordelen. Want daar is de gewoonte van het biechten niet slechts even in onbruik geweest. Nee, Sozomenus beweert dat die gewoonte tot in zijn tijd afgeschaft was! Sterker nog, ze moeten dan niet alleen de kerk van Constantinopel beschuldigen van afval, maar alle kerken in het Oosten. Want die negeren een wet die – als zij de waarheid spreken – onaantastbaar en aan alle christenen opgelegd is.

Van Chrysostomos hoef je je zonden niet te belijden aan iemand anders

Ook Chrysostomos getuigt op vele plekken heel duidelijk van deze afschaffing. En ook hij was zelf bisschop van de kerk van Constantinopel. Vreemd dus dat de sofisten daar ook maar iets tegenin durven brengen.

Chrysostomos zegt: ‘Spreek je zonden uit om ze te kunnen uitwissen. Als je te verlegen bent om tegen iemand uit te spreken wat voor zonden je gedaan hebt, spreek ze dan elke dag uit in jezelf. Ik zeg niet dat je ze moet opbiechten aan je mededienaar. Hij zou ze je kunnen verwijten. Spreek je zonden uit tegen God. Hij geneest ze. Belijd je zonden als je op bed ligt, zodat je geweten elke dag haar gebreken erkent.’

En: ‘Nu is het ook niet nodig om je zonden te belijden in aanwezigheid van getuigen. Het onderzoek naar je zonden gebeurt in je eigen gedachten. Dat oordeel vindt plaats zonder getuigen. Alleen God hoeft te zien dat je je zonden belijdt.’

En: ‘Ik breng je niet in een theater voor je mededienaren. Ik dwing je niet om je zonden te onthullen voor mensen. Open je geweten voor God, spreid het voor Hem uit. Laat je wonden zien aan de Heer, de beste arts, en vraag Hem om het geneesmiddel. Laat ze zien aan Hem. Hij verwijt je niets maar geneest je vol liefde.’

En: ‘Je moet je zonden echt niet uitspreken tegenover een mens, om te voorkomen dat hij ze je verwijt. Je moet namelijk niet biechten bij een mededienaar. Die zou het openbaar kunnen maken. Laat je wonden zien aan de Heer. Hij zorgt voor je, Hij is vriendelijk en arts.’

Later laat hij God zeggen: ‘Ik dwing je niet om midden in een theater te gaan staan en er veel getuigen bij te halen. Vertel je zonde alleen aan Mij, privé, zodat Ik je wond kan genezen.’

Als Chrysostomos dit soort dingen zegt, zeggen we dan dat hij zo brutaal is om de mensen in hun geweten te bevrijden van de boeien waarmee Gods wet hen gevangen houdt? Natuurlijk niet! Hij wil gewoon niet iets als onmisbaar eisen, terwijl hij weet dat Gods Woord het helemaal niet voorschrijft.

We moeten onze zonden belijden aan God

Maar om deze hele kwestie duidelijker en gemakkelijker te maken, ga ik nu eerst eerlijk vertellen wat voor schuldbelijdenis Gods Woord ons leert. Daarna zal ik de verzinsels van de sofisten ernaast zetten. Niet allemaal natuurlijk, want wie zou die immense zee droog kunnen leggen? Ik zal alleen de verzinsels nemen die de kern van hun individuele, geheime biecht samenvatten.

Ik vind het erg dat ik hier moet noemen hoe vaak de oude vertalers, zowel in het Grieks als in het Latijn, het woord ‘belijden’ gebruikt hebben waar in het Hebreeuws ‘prijzen’ staat. Dit is algemeen bekend bij de meest ongeletterde leken. Toch moet ik het noemen, om aan de kaak te stellen hoe brutaal ze zijn: wat geschreven staat over het loven van God, laten zij slaan op hun tirannieke gebod. Om te bewijzen dat de biecht in staat is om het hart op te vrolijken, komen zij aanzetten met dit psalmwoord: ‘met vreugdezang en belijdenis.’ Psalm 42:5 Maar als zo’n metamorfose enige waarde zou hebben, zou je overal alles uit kunnen halen wat je maar wilt.

Maar nu zij zo schaamteloos bezig zijn, mogen vrome lezers bedenken dat Gods rechtvaardige straf hen ertoe gebracht heeft. Hij heeft hun geest zo bedorven dat hun brutaliteit nog afschuwelijker is. Zolang wij bereid zijn ons te baseren op de eenvoudige leer van de Schrift, lopen wij geen risico dat iemand ons bedriegt met dit soort surrogaat.

Want de Schrift schrijft maar één manier van belijden voor. De Heer is het die de zonden vergeeft, vergeet en uitwist. Dus moeten we om vergeving te krijgen onze zonden belijden voor Hem. Hij is de arts. Dus moeten we onze wonden voorleggen aan Hem. Hij is gekrenkt en beledigd. Dus moeten we vrede zoeken bij Hem. Hij kent ons hart en weet wat wij denken. Dus moeten we snel ons hart uitstorten bij Hem. Kortom: Hij roept de zondaren. Dus moeten me niet aarzelen om naar Hem toe te gaan.

David zegt: ‘Ik heb U mijn zonde bekendgemaakt en mijn onrechtvaardigheid heb ik niet bedekt. Ik zei: ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEER. En U vergaf de onrechtvaardigheid van mijn hart.’ Psalm 32:5

En hier nog een schuldbelijdenis van David: ‘Wees mij genadig, God, in overeenstemming met uw grote barmhartigheid.’ Psalm 51:3

En deze van Daniël: ‘Wij hebben gezondigd, Heer, en verkeerd gedaan. We hebben goddeloos gehandeld, we zijn in opstand gekomen doordat we ons afkeerden van uw geboden.’ Daniël 9:5

Zo zijn er nog meer schuldbelijdenissen. Je komt ze overal in de Schrift tegen. Als je ze op een rij zet, kunt je er haast een boek mee vullen.

Johannes zegt: ‘Als wij onze zonden belijden, dan is de Heer trouw. Hij zal ons onze zonden vergeven.’ 1 Johannes 1:9 Aan wie moeten wij onze zonden belijden? Natuurlijk aan de Heer. Dat wil zeggen: we moeten met een verslagen en vernederd hart voor Hem neervallen. We moeten ons zelf oprecht voor Hem beschuldigen en veroordelen. We moeten vrijspraak zoeken in zijn goedheid en barmhartigheid.

Als je je zonden belijdt aan God, wil je dat ook doen aan de mensen

Wie deze vorm van schuldbelijdenis van harte en voor God aanvaard heeft, is ongetwijfeld ook bereid om mondeling zijn schuld te belijden, telkens als hij voor mensen Gods barmhartigheid moet verkondigen. Hij fluistert dan niet slechts één keer het geheim van zijn hart één mens in het oor. Hij verkondigt meerdere keren publiek oprecht zijn eigen schande en Gods glorie en eer. De hele wereld mag het dan horen.

Op die manier beleed David zijn zonde zowel voor God als voor de mensen. Want zijn geweten stak hem toen hij door Nathan beschuldigd werd. ‘Ik heb tegen de Heer gezondigd,’ zei hij. 2 Samuël 12:13 Dat wil zeggen: ik heb er geen excuus voor, ik probeer niet te voorkomen dat alle mensen mij beschouwen als zondaar en dat wat ik verborgen wilde houden voor de Heer, nu zelfs bekend wordt aan de mensen.

Op de verborgen schuldbelijdenis aan God volgt dus een vrijwillige schuldbelijdenis aan de mensen, steeds als dat nodig is om God te eren of onszelf te vernederen. Daarom bepaalde de Heer in het verleden voor het volk Israël dat de priester de woorden moest vóórzeggen en dat het volk dan publiek in de tempel zijn zonden moest belijden. Leviticus 16:21 Want Hij voorzag dat ze dit hulpmiddel nodig hadden. Zo konden ze zichzelf nog beter leren kennen. En het is gepast dat wij de glorie van de goedheid en barmhartigheid van onze God onder elkaar en voor de hele wereld laten schitteren door te belijden hoe ellendig we zijn.

Openbare schuldbelijdenis

Deze vorm van schuldbelijdenis hoort in de kerk met een vaste regelmaat plaats te vinden. Bovendien hoort deze vorm van schuldbelijdenis buiten die regelmaat op een speciale manier gebruikt te worden, als het volk soms samen verstrikt raakt in een zonde. Een voorbeeld van die tweede categorie vormt de officiële schuldbelijdenis die heel het volk aflegt onder leiding van Ezra en Nehemia. Nehemia 9 Want de lange ballingschap, de verwoesting van de stad Jeruzalem en de tempel en het uiteenvallen van de godsdienst was voor hen allemaal samen de straf geweest voor hun verraad. Daarom konden ze de zegen van de bevrijding pas erkennen zoals het hoorde, als ze eerst verklaarden dat ze schuldig waren.

En het maakt niet uit of er in een gemeente soms enkele mensen onschuldig zijn. Want ze zijn ledematen van een zwak en ziek lichaam. Daarom moeten ze niet pochen over hun gezondheid. Sterker nog, het is onmogelijk dat ze niet een beetje besmet zijn en daarom niet ook zelf een deel van de schuld dragen.

Telkens als we getroffen worden door pest, oorlog, onvruchtbaarheid of enig ander onheil, is het onze plicht om te vluchten in rouwen, vasten en andere tekenen van onze schuld. En dan mogen we de schuldbelijdenis zelf niet nalaten. Daar is het andere allemaal van afhankelijk.

De regelmatige schuldbelijdenis heeft de Heer zelf aanbevolen. Maar ook los daarvan zal niemand met gezond verstand die durven afkeuren als hij erover nagedacht heeft hoe nuttig die is. Want in alle heilige samenkomsten komen we God en de engelen onder ogen. Hoe moeten we dan anders beginnen dan met erkennen dat we dat niet waard zijn?

‘Maar,’ zul je zeggen, ‘dat doen we in elk gebed. Want telkens als we bidden, belijden we onze zonden.’ Dat geef ik toe. Maar bedenk eens hoe zorgeloos of lui of onverschillig we zijn. Dan moet je het wel met mij eens zijn dat het een gezonde regel zou zijn als het christenvolk de gewoonte zou hebben om officieel schuld te belijden en zo getraind werd om zich te vernederen. Het ritueel dat de Heer voorschreef aan de Israëlieten, hoorde weliswaar bij de discipline van de wet. Maar toch is het op zichzelf ook voor ons van belang. En inderdaad zien we dat zuivere kerken veel hebben aan deze gewoonte: op elke dag van de Heer spreekt de voorganger namens zichzelf en namens het volk een formule uit om schuld te belijden. Daarin verklaart hij iedereen schuldig aan zonde en bidt hij de Heer om vergeving. Kortom, met deze sleutel wordt er een deur geopend om te bidden, zowel voor iedereen persoonlijk, als voor iedereen tegelijk in het openbaar.

Persoonlijke schuldbelijdenis helpt om troost te vinden

Daarnaast keurt de Schrift twee vormen van persoonlijke schuldbelijdenis goed. De eerste vindt plaats in ons eigen belang. Daarop slaat wat Jacobus zegt, dat we elkaar onze zonden moeten belijden. Jacobus 5:16 Want hij is van mening dat we elkaar met raad en wederzijdse troost kunnen helpen als we elkaar onze zwakheden onthullen. De tweede vorm moeten we doen voor onze naaste, om hem met ons te verzoenen als we hem ergens mee gekwetst hebben.

Bij de eerste vorm van schuldbelijdenis wijst Jacobus niemand aan bij wie wij ons hart kunnen uitstorten. We mogen van hem vrij kiezen wie we van alle mensen in de kerk het meest geschikt vinden om onze zonden aan te belijden. Maar de herders horen toch het meest geschikt te zijn, dus kunnen we hen het beste uitkiezen. Ik noem hen geschikter dan anderen omdat de Heer ons hen aanwijst door hen te roepen om te dienen. Uit hun mond moeten we leren hoe we onze zonden kunnen onderwerpen en corrigeren. En ook moeten we uit hun mond troost krijgen door te leren vertrouwen op vergeving. Mattheüs 16:19; 18:18; Johannes 20:23 Want ook de taak om elkaar te vermanen en te berispen is opgedragen aan alle christenen. Toch is die taak vooral opgelegd aan de dienaren. Zo moeten we ook allemaal elkaar wederzijds troosten en in elkaar het vertrouwen op Gods barmhartigheid versterken. En toch zien we dat vooral de dienaren aangesteld zijn om ons geweten de zekerheid te bieden dat onze zonden vergeven zijn. Zij moeten daarvoor garant staan. Daarom wordt er over hen gezegd dat ze de zonden vergeven en de zielen losmaken. Als je hoort dat dat aan hen wordt toegeschreven, bedenk dan dat dat is voor jouw bestwil.

Elke gelovige moet dus bedenken dat dit zijn plicht is: als het besef van zijn zonden hem zo bang maakt en kwelt dat hij zich alleen kan redden door hulp te vragen, dan moet hij dat middel niet negeren. De Heer zelf biedt hem de mogelijkheid om zijn hart te luchten in een persoonlijke schuldbelijdenis aan zijn herder. Diens taak is het om zowel in het openbaar als privé Gods volk te troosten met de leer van het evangelie.

Maar we moeten ons altijd aan deze beperking houden: als God geen vast voorschrift geeft, mogen we het geweten geen vast juk opleggen. Dat betekent dus dat zo’n schuldbelijdenis vrijwillig moet zijn. We mogen die niet van iedereen eisen, maar alleen aanbevelen aan degenen van wie wij denken dat ze die nodig hebben. En zelfs degenen die zo’n schuldbelijdenis nodig hebben, mogen er niet door een voorschrift toe gedwongen worden om al hun zonden op te sommen. Ze mogen er ook niet door een list toe overgehaald worden. Ze hoeven hun zonden alleen te belijden voor zover ze zelf vinden dat het hen helpt om volledig getroost te worden. Trouwe herders moeten de kerken deze vrijheid niet alleen gunnen. Ze moeten die vrijheid ook beschermen en krachtig handhaven, om te voorkomen dat hun dienst tirannie en het volk bijgelovig wordt.

Persoonlijke schuldbelijdenis maakt verzoening mogelijk

Over de tweede vorm van schuldbelijdenis spreekt Christus bij Mattheüs: ‘Als je je gave offert op het altaar en je daar herinnert dat je broeder iets tegen je heeft, laat je gave dan daar achter en ga je eerst verzoenen met je broeder. Daarna mag je je gave gaan offeren.’ Mattheüs 5:23-24 Want zo moeten we de liefde herstellen die door onze schuld kapot gegaan is: we moeten onze schuld erkennen en om vergeving vragen.

Onder deze vorm valt de schuldbelijdenis van hen die met hun zonde heel de kerk geërgerd hebben. Want Christus vindt het al heel belangrijk als er één mens geërgerd wordt. Hij houdt iedereen af van de heilige rituelen die op welke manier dan ook tegen zijn broeder gezondigd heeft. Eerst moet het weer goed gemaakt zijn en moeten ze zich weer met elkaar verzoend hebben. Als iemand de kerk gekwetst heeft door een of ander slecht voorbeeld te geven, is er dan dus nog veel meer reden voor hem om zijn schuld te erkennen en zich zo weer met de kerk te verzoenen. Zo werd die man uit Korinthe weer in de gemeenschap opgenomen toen hij zich vrijwillig had onderworpen aan een berisping. 2 Korinthiërs 2:6

Deze vorm van schuldbelijdenis bestond ook in de vroege kerk. Cyprianus vertelt daarvan. Hij zegt: ‘Ze tonen voor een bepaalde tijd berouw. Daarna doen ze schuldbelijdenis en worden ze weer tot de gemeenschap toegelaten doordat de bisschop en de geestelijken hun de handen opleggen.’ Een andere manier of vorm van schuldbelijdenis kent de Schrift echt niet. En wij hebben niet het recht om het geweten vast te binden met nieuwe boeien. Christus verbiedt heel streng om het geweten zo in slavernij te brengen.

Ondertussen heb ik er niets op tegen als schapen hun herder opzoeken, telkens als ze willen deelnemen aan het Heilig Avondmaal. Sterker nog, ik zou graag willen dat dit overal gebeurde. Want als je geweten bezwaard is, kun je daar veel aan hebben. En als je vermaand moet worden, geef je zo gelegenheid om vermaand te worden. Als er maar absoluut geen sprake is van tirannie of bijgeloof!

De sleutelmacht van de kerk

De sleutelmacht is aanwezig in deze drie vormen van schuldbelijdenis: als heel de kerk in het openbaar haar zonden belijdt en om vergeving bidt, als een individueel persoon door een of ander openlijk misdrijf iedereen geërgerd heeft en bewijst dat hij daar berouw over heeft en als iemand met een onrustig geweten een dienaar nodig heeft en hem zijn zwakheid onthult.

Maar als er ergernis moet worden weggenomen, gaat het om iets anders dan in de beide andere gevallen. Ook dan wordt er gezorgd voor vrede in het geweten. Maar het belangrijkste doel is dan dat de haat wordt weggenomen en dat de harten in vrede met elkaar verbonden worden.

Toch moeten we ook dan de vrucht die ik genoemd heb absoluut niet negeren, zodat we extra graag bereid zijn om onze zonden te belijden. Want als heel de kerk als het ware voor Gods rechterstoel staat en erkent dat ze schuldig is en alleen haar toevlucht zoekt in Gods barmhartigheid – dan is het geen vanzelfsprekende of kleine troost dat er een vertegenwoordiger van Christus aanwezig is. Hij heeft het bevel gekregen voor verzoening en van hem horen we dat er voor de kerk vergeving wordt afgekondigd. Als deze vertegenwoordiging met gepaste orde en eerbied wordt uitgevoerd, zoals het hoort, dan bewijst dat hoe nuttig de sleutels zijn.

Dat geldt ook als iemand die zich een beetje van de kerk vervreemd had, vergeving krijgt en weer in de broedergemeenschap wordt opgenomen. Wat een zegen is het dan als hij begrijpt dat hij vergeving krijgt via hen tegen wie Christus gezegd heeft: ‘Van wie jullie op aarde de zonden vergeven, van hen zijn ze vergeven in de hemel.’ Mattheüs 18:18; Johannes 20:23

En het is niet minder effectief en nuttig als iemand persoonlijk vergeving krijgt, iemand die een speciaal middel nodig heeft om zijn zwakheid te verlichten. Want het gebeurt regelmatig dat zo iemand de algemene beloften hoort die bestemd zijn voor de hele gemeente van de gelovigen, maar toch blijft twijfelen. Zijn hart blijft onrustig alsof hij nog geen vergeving gekregen had. Als zo iemand een geheime wond van zijn ziel onthult aan zijn herder, hoort hij dat speciaal aan hem deze woorden gericht worden: ‘Houd moed, je zonden zijn je vergeven.’ Mattheüs 9:2 Dat zal hem moed en rust geven en hem bevrijden van de angst die eerst nog in hem brandde.

Echter, als het over de sleutels gaat, moeten we er altijd voor oppassen dat we niet gaan fantaseren over een of andere macht die los staat van de prediking van het evangelie. Ergens anders zal ik dit onderwerp opnieuw en dan uitgebreider moeten behandelen, als het gaat over de regering van de kerk. Daar zullen we zien dat het recht dat Christus aan zijn kerk gegeven heeft om te binden en los te maken samengaat met het Woord. Dat geldt vooral voor de bediening van de sleutels. De kracht daarvan ligt volledig hierin: de genade van het evangelie die de Heer bepaald heeft, wordt in het openbaar en privé ingeprent in het hart van de gelovigen. En dat kan alleen maar door middel van de prediking.

De roomse leer over de sleutelmacht

Maar wat zeggen de roomse theologen? Zij bepalen dat alle personen van beide geslachten, zodra ze een leeftijd bereikt hebben waarop ze voldoende inzicht hebben, minimaal eenmaal per jaar al hun zonden moeten opbiechten aan hun eigen priester. En dat zonde niet vergeven wordt zolang je niet vast van plan bent om te gaan biechten. En dat je geen toegang hebt tot het paradijs als je dat plan niet uitvoert, ook al ben je daarvoor wel in de gelegenheid. En dat de priester daarvoor de sleutelmacht heeft om een zondaar los te maken of te binden, want anders zou Christus voor niets gezegd hebben: ‘Wat jullie ontbinden …’

Over deze macht voeren ze echter een fel debat met elkaar. Sommigen zeggen dat er eigenlijk maar één sleutel bestaat, namelijk de macht om te binden en los te maken. En dat je wel kennis nodig hebt om die sleutel goed te kunnen gebruiken, maar dat die kennis alleen iets extra’s geeft. Die kennis hoort volgens hen niet bij de macht zelf. Anderen zagen dat dit tot een tomeloze vrijheid zou leiden. Daarom telden ze twee sleutels: oordeel en macht. Weer anderen vonden dat zo’n beperking de slechtheid van de priesters in toom hield. Daarom smeedden ze andere sleutels: het gezag om te oordelen – dat gezag gebruikten ze om uitspraak te doen – en de macht om hun uitspraak uit te voeren. Verder beweerden ze dat de kennis daarbij komt om raad te geven.

Binden en losmaken durven ze niet simpelweg interpreteren als zonden vergeven en uitwissen. Want ze horen dat de Heer bij de profeet Jesaja uitroept: ‘Ik ben het en niemand anders dan ik. Ik ben het die jullie overtredingen uitwist.’ Jesaja 43:11; 43:25

Maar ze zeggen wel dat de priester het recht heeft om uit te spreken wie gebonden is of losgemaakt en te verklaren wiens zonden wel of niet vergeven zijn. En ze zeggen dat hij dat verklaart door middel van de biecht, als hij de zonden vergeeft of niet, of door middel van zijn uitspraak, als hij iemand uitsluit van of opneemt in de gemeenschap die deel heeft aan de sacramenten.

Ten slotte, ze begrijpen dat ze hiermee nog niet uit deze strik kunnen ontsnappen. Want er kan nog altijd tegen hen ingebracht worden dat hun priesters vaak mensen binden of losmaken die dat niet waard zijn en die daarom nog niet gebonden of losgemaakt zijn in de hemel. Daarop antwoorden ze – dat is hun laatste uitvlucht – dat je een beperking moet zien in de overdracht van de sleutels: Christus heeft beloofd dat Hij voor zijn rechterstoel elk vonnis van de priester zal goedkeuren dat deze rechtvaardig heeft uitgesproken, in overeenstemming met wat de gebondene of losgemaakte verdient. Verder zeggen ze dat Christus deze sleutels gegeven heeft aan alle priesters. De bisschoppen dragen die sleutels aan hen over op het moment dat ze bevorderd worden tot die positie. Maar alleen degenen die kerkelijke taken vervullen mogen de sleutels ook vrijuit gebruiken. Priesters die uit hun functie gezet of geschorst zijn, houden de sleutels wel, maar dan zijn ze verroest en vastgebonden.

En degenen die dit beweren, kun je nog bescheiden en nuchter noemen in vergelijking met anderen, die op een nieuw aambeeld nieuwe sleutels gesmeed hebben. Zij beweren dat met die sleutels de schatkamer van de kerk wordt afgesloten. Maar dat zal ik later op de juiste plek behandelen.

Het is onmogelijk om al je zonden op te noemen

Ik zal nu op elk van deze punten met een paar woorden reageren. Op dit moment zwijg ik er maar over of ze eigenlijk wel het recht hebben om de zielen van de gelovigen door hun wetten vast te binden. Daar zullen we naar kijken als we daaraan toe zijn. Maar dat ze een wet opleggen die je verplicht om al je zonden op te noemen, dat ze zeggen dat je zonde alleen vergeven wordt op voorwaarde dat je vast van plan bent om te biechten, dat ze kletsen dat je geen toegang krijgt tot het paradijs als je geen gebruik maakt van je gelegenheid om te biechten – dat is absoluut onacceptabel!

Moeten we al onze zonden opnoemen? Maar David had volgens mij goed nagedacht over hoe je je zonden moet belijden. Toch riep hij uit: ‘Wie kan zijn afdwalingen beseffen? Reinig mij, Heer, van mijn verborgen afdwalingen!’ Psalm 19:13 En ergens anders: ‘Mijn zonden groeien mij boven het hoofd en als een zware last zijn ze te zwaar geworden voor mijn krachten.’ Psalm 38:5 Natuurlijk begreep hij hoe diep de afgrond van onze zonden was, hoeveel gedaanten onze misdaden aannemen, hoeveel koppen deze slang had en wat voor lange staart hij achter zich aansleepte. Hij waagde zich er dus niet aan om een lijst op te stellen, maar uit de diepte van zijn ellende riep hij tot de Heer: ‘Ik ben bedolven, begraven en verstikt. De poorten van de hel omringen mij. Psalm 18:6 Ik ben in een diepe put gezonken. Laat uw hand mij er uittrekken, want ik verga en sterf.’ Psalm 69:2-3; 69:15-16

Wie denkt er nu nog over om zijn zonden op te sommen? Je ziet toch dat zelfs David die van hem niet kan tellen?

Als je al je zonden moet opnoemen, wordt je wanhopig

Zielen van mensen die geraakt werden door een besef van God zijn heel wreed verscheurd door deze marteling. Eerst riepen ze zichzelf op om te gaan tellen. Ze hakten de zonden in stukken: in stammen, takken, twijgen en bladeren. Zo hadden de priesters het voorgeschreven. Vervolgens maakten ze een inschatting van de aard, de omvang en de omstandigheden. En ze kwamen daarmee ook nog wel een stukje vooruit. Maar toen ze nog verder gekomen waren, zagen ze alleen nog maar hemel en zee. Er was geen haven, geen rustplaats meer te bekennen. Hoe meer zonden ze gehad hadden, hoe groter de hoop leek. Ja, ze rezen voor hen op als hoge rotsformaties en ze zagen geen enkele kans om er, al was het maar via een lange omweg, aan te ontkomen. Dus bleven ze steken tussen hamer en aambeeld en uiteindelijk zat er niets anders op dan wanhoop.

Toen hebben die wrede beulen enkele geneesmiddelen gebruikt om de door hen geslagen wonden te helen: ieder moest doen wat hij kon. Maar dat bracht nieuwe zorgen. Ja, de arme zielen werden gevild door nieuwe martelingen: ‘Ik heb er niet genoeg tijd aan besteed, ik heb niet genoeg mijn best gedaan, ik heb veel dingen achteloos voorbij laten gaan en het valt niet te verontschuldigen dat ik zoveel vergeten heb omdat ik zo onvoorzichtig was.’

Er werden nog weer andere medicijnen aangevoerd om zulk verdriet te verzachten: ‘Toon berouw over je achteloosheid. Als je in je berouw maar niet laks bent, dan zal het je vergeven worden.’

Maar van dit alles gaan de wonden niet helen. Het levert geen verlichting op van het kwaad. Het is juist vergif, bedekt met een laagje honing, om te voorkomen dat je het weer uitspuugt, omdat het zo beter smaakt. Nu dringt het diep door voordat je er iets van merkt. Nog steeds ga je gebukt onder dat afschuwelijke woord dat in je oren klinkt: ‘Belijd al je zonden!’ Deze siddering kan alleen bedwongen worden met echte troost.

De lezers moeten er maar eens over nadenken of het mogelijk is om alle daden van een heel jaar na te rekenen en na te gaan wat ze op elke specifieke dag voor zonden gedaan hebben. Want ieder weet uit ervaring dat je herinnering al tekortschiet als je ’s avonds je zonden moet onderzoeken van één dag. Zo’n menigte van allerlei zonden kom je dan tegen! Ik heb het immers niet over botte, afgestompte huichelaars die denken dat ze al klaar zijn als ze drie of vier van de ergste zonden opgemerkt hebben. Ik heb het over mensen die God oprecht dienen. Als zij onderzoek gedaan hebben, zien ze dat ze onder zonden bedolven zijn. En dan voegen ze er nog aan toe wat Johannes zegt: ‘Als ons hart ons al veroordeelt, God is nog groter dan ons hart!’ 1 Johannes 3:20 En dus schrikken ze als ze de rechter zien, die zoveel meer weet dan wij kunnen beseffen.

De biecht is schadelijk

Nu heeft inderdaad een flink deel van de wereld dankzij deze verdunning van dit dodelijke vergif rust gevonden. Maar dat komt niet doordat ze geloofden dat God genoegdoening had gekregen of omdat ze zelf tevreden waren. Het is alsof ze midden op zee het anker uitgeworpen hebben om even een pauze in te lassen van hun zeereis, of alsof ze als een vermoeide en uitgeputte reiziger even langs de weg gaan liggen. Maar zulke rust is niet voldoende voor hen. Ik neem niet de moeite om te bewijzen dat ik gelijk heb. Want ieder kan daar zelf getuige van zijn.

Ik zal zeggen waar deze wet op neerkwam. In de eerste plaats is het simpelweg onmogelijk om je aan deze wet te houden. Dus kan deze wet alleen maar doden, veroordelen, in verwarring brengen en wanhopig maken. In de tweede plaats leidt deze wet de zondaren af van het echte besef van hun zonden. Deze wet maakt huichelaars van hen, die God en zichzelf niet kennen. Want ze worden volledig in beslag genomen door het tellen van hun zonden. Maar ondertussen vergeten ze de onzichtbare poel van zonden, hun verborgen overtredingen en innerlijke smerigheid. Om te beseffen hoe ellendig ze eraan toe zijn, moeten ze juist die kennen. Maar een nog betrouwbaardere norm voor een schuldbelijdenis zou zijn om te erkennen en toe te geven dat de afgrond van ons kwaad zo diep is dat het ons besef te boven gaat. We zien dat de schuldbelijdenis van de tollenaar voldeed aan deze norm: ‘Heer, wees mij, zondaar, genadig.’ Lucas 18:13 Alsof hij zei: ‘Hoe groot ik ook ben, ik ben volledig zondaar. Ik kan niet voldoende uitdrukking geven aan de omvang van mijn zonden, niet met mijn geest en niet met mijn tong. Laat de diepte van uw barmhartigheid de diepte van deze afgrond van zonde verslinden.’

‘Wat?’ zul je zeggen. ‘Moeten we onze zonden dan niet apart belijden? Is God dan alleen maar blij met een schuldbelijdenis die bestaat uit deze simpele woorden: “Ik ben een zondaar”?’

Nee, we moeten juist ons best doen om, voor zover we dat kunnen, ons hele hart voor de Heer uit te storten. We moeten niet alleen met een enkel woord erkennen dat we zondaren zijn, maar echt en van harte toegeven dat we dat zijn. We moeten met heel ons denken beseffen hoe groot en gevarieerd de smet van de zonde is. We moeten niet alleen beseffen dat we onrein zijn, maar ook wat die onreinheid inhoudt, hoe groot die is en op hoeveel verschillende manieren die zichtbaar is. We moeten niet alleen beseffen dat we schuldenaars zijn, maar ook hoe groot onze schuldenlast is en hoeveel verschillende schulden ons gevangen houden. We moeten niet alleen beseffen dat we gewond zijn, maar ook door hoeveel slagen we verwond zijn en hoe dodelijk die zijn.

Maar als een zondaar zich met deze opsomming volledig voor God heeft uitgestort, dan moet hij ernstig en oprecht bedenken dat er nog meer over is. De schuilhoeken van zijn zonden zijn zo diep dat hij ze niet volledig kan doorzoeken. Dus moet hij met David uitroepen: ‘Wie kan zijn afdwalingen beseffen? Reinig mij, Heer, van mijn verborgen afdwalingen!’ Psalm 19:13

Verder moeten we de roomsen absoluut niet toegeven dat ze gelijk hebben als ze beweren dat zonden alleen vergeven worden als je vast van plan bent om te gaan biechten en dat de poort van het paradijs voor jou gesloten blijft als je een gelegenheid om te biechten voorbij laat gaan. Want er is nu geen andere vergeving van zonden dan er altijd geweest is. Van veel mensen lees je dat ze van Christus vergeving van hun zonden kregen. Maar van niemand van hen lees je dat ze individueel in het geheim gebiecht hebben bij een priester. Ze konden ook helemaal niet biechten! Want er waren geen biechtpriesters en de biecht zelf bestond ook niet. En nog vele eeuwen daarna hoorde men niets over deze biecht. Al die tijd werden de zonden vergeven zonder deze voorwaarde. Maar we moeten hier niet langer over discussiëren, alsof dit een onzekere kwestie is. Gods Woord, dat eeuwig blijft, is duidelijk genoeg: ‘Telkens als een zondaar zucht, zal ik niet denken aan zijn zonden.’ Ezechiël 18:21-22 Wie hier iets aan durft toevoegen, bindt niet de zonden, maar de barmhartigheid van de Heer.

De roomsen beweren dat ze geen oordeel kunnen vellen als ze niet op de hoogte zijn van wat er precies aan de hand is. Maar de oplossing daarvoor ligt voor de hand: zij matigen zich dit oordeel zomaar aan, omdat ze zichzelf tot rechters aangesteld hebben. Wonderlijk dat ze zo onbekommerd uitgangspunten fabriceren voor zichzelf, die niemand met gezond verstand kan accepteren. Ze pochen dat hun de taak is opgedragen om te binden en los te maken, alsof het een soort rechtspraak was, toegekend aan een rechtbank.

Bovendien hebben de apostelen dit recht niet gekend. Dat blijkt overduidelijk uit heel hun leer. En het komt een priester niet toe om zeker te weten of een zondaar losgemaakt wordt. Dat komt alleen degene toe van wie vergeving gevraagd wordt. Want degene die luistert naar de biecht, kan nooit zeker weten of de opsomming juist en volledig is. En dus zou de vergeving beperkt zijn tot wat degene die geoordeeld moet worden, zelf zegt.

Daar komt bij dat heel het losmaken gebaseerd is op geloof en berouw. En die beide dingen gaan de kennis van een mens te boven, als hij over een ander een oordeel moet uitspreken. Dat betekent dus dat de zekerheid van het binden en losmaken niet valt onder het oordeel van een aardse rechter. Een dienaar van het Woord kan, als hij zijn taak vervult zoals het hoort, alleen voorwaardelijk vrijspreken. ‘Wie jullie de zonden vergeven …’ Johannes 20:23 wordt dus alleen gezegd omwille van de zondaren zelf. Zij hoeven er niet aan te twijfelen of de vergeving die hun door de stem van een dienaar van het Woord volgens Gods bevel beloofd wordt ook in de hemel zal gelden.

De biecht heeft geen enkel nut

Geen wonder dus dat ik de individuele, geheime biecht veroordeel en hoop dat die verdwijnt. Die biecht is heel gevaarlijk en in veel opzichten schadelijk voor de kerk. Als het op zichzelf een onverschillige kwestie was, wie zou dan niet van mening zijn dat de biecht meteen moet worden afgeschaft? Want de biecht heeft geen nut. Je hebt er niets aan, maar het heeft wel aanleiding gegeven tot zoveel goddeloosheid, heiligschennis en dwalingen. De roomsen sommen wel enkele volgens hen grote voordelen op van de biecht, maar die zijn óf verzonnen, óf waardeloos.

Van één ding vooral geven ze hoog op: dat voor degene die biecht de schaamte een ernstige straf is. Daardoor word je als zondaar in het vervolg voorzichtiger en voorkom je Gods wraak, omdat je jezelf straft. Alsof we een mens niet genoeg met schaamte vernederen als we hem naar de hemelse rechtbank roepen. Ik bedoel: voor een gerechtelijk onderzoek door God. We zijn werkelijk enorm opgeschoten als we uit schaamte voor één mens ophouden met zondigen, maar ons er niet voor schamen dat God getuige is van ons kwade geweten!

Trouwens, ook hier klopt helemaal niets van. Want je ziet overal dat niets zo’n sterke brutaliteit of overmoed om te zondigen tot gevolg heeft als dit: dat de mensen denken dat ze na het biechten bij een priester hun mond kunnen afwissen en zeggen: ‘Ik heb niets gedaan.’ Niet alleen maakt dat hen extra brutaal om het hele jaar door te zondigen. Ook maken ze zicht de rest van het jaar niet druk om de biecht. Ze zuchten nooit naar God, ze komen nooit tot inkeer. Ze stapelen zonde op zonde, totdat ze – zo denken ze – alle zonden in één keer uitspuwen. En als ze die uitgespuwd hebben, denken ze dat ze van hun last verlost zijn. Ze denken dat ze het oordeel van God hebben afgenomen en aan een priester hebben gegeven en dat ze God ertoe gebracht hebben hun zonden te vergeten, als ze die verteld hebben aan een priester.

Bovendien, wie kijkt er vol vreugde naar uit als de dag van de biecht eraan komt? Wie gaat enthousiast biechten? Wie komt niet tegen zijn zin en tegenspartelend, alsof hij met een touw om zijn hals naar de gevangenis gesleept wordt? Misschien vormen alleen de priesters een uitzondering. Zij vertellen elkaar wederzijds over hun misdaden. Zo vermaken ze elkaar alsof het grappige verhalen zijn. Ik zal niet veel papier verknoeien door op te noemen van welke afschuwelijke monsterachtigheden de individuele, geheime biecht krioelt. Ik zeg alleen: was het onbezonnen van die heilige man om vanwege één gerucht van ontucht de biecht te verbannen uit de kerk, of beter uit de herinnering van de zijnen? Zo niet, dan weten we wat ons te doen staat. Want tegenwoordig zijn er talloze gevallen van ontucht, echtbreuk, incest en prostitutie.

De sleutelmacht kan niet zonder de Heilige Geest

De voorstanders van de biecht wijzen hierbij op de sleutelmacht. Daarop laten ze hun rijk, zoals men zegt, rusten van kop tot staart. We moeten maar eens kijken hoeveel waarde we daaraan moeten hechten.

‘Zijn de sleutels dan zonder reden gegeven?’ vragen zij. Is er zonder reden gezegd: ‘Wat jullie losmaken op aarde, zal ook in de hemel losgemaakt zijn’? Mattheüs 16:19; 18:18 Maak ik het woord van Christus zonder betekenis? Mijn antwoord is dat er een zwaarwegende reden was waarom de sleutels gegeven zijn. Ik heb dat kort hiervóór uitgelegd en ik zal het opnieuw nog duidelijker leren als ik de ban ga behandelen. Maar stel nu dat ik in één klap al dit soort vragen van hen op losse schroeven zet door te zeggen dat de priesters niet de plaatsvervangers en ook niet de opvolgers van de apostelen zijn. Wat dan? Maar ook dat moet ik ergens anders behandelen.

Nu zeg ik: datgene waar ze zich het sterkst achter willen verschansen, levert juist een stormram op die al hun verdedigingswerken omverwerpt. Want Christus heeft de apostelen pas de macht gegeven om te binden en los te maken toen Hij hun de Heilige Geest gegeven had. Volgens mij komt de sleutelmacht dus niemand toe die niet eerst de Heilige Geest gekregen heeft. Niemand kan de sleutels gebruiken als de Heilige Geest niet voorop gaat en leert en zegt wat hij moet doen. Zij kletsen wel dat ze de Heilige Geest hebben. Maar met hun daden bewijzen ze dat het niet zo is. Of ze moesten zich verbeelden dat de Heilige Geest niets voorstelt en er niet toe doet. Ja, dat verbeelden ze zich inderdaad. Maar we zullen hen maar niet geloven.

Met dit belegeringswerktuig worden ze dus volledig omvergeworpen: van welke deur ze ook mogen pochen dat ze daar de sleutel van hebben – je moet hun altijd vragen of ze de Heilige Geest hebben. Want die beslist over de sleutels en regelt het gebruik daarvan. Als zij antwoorden dat ze de Geest hebben, moet je hun vervolgens vragen of de Heilige Geest fouten kan maken. Dat zullen ze niet expliciet durven zeggen, al erkennen ze dat indirect wel met hun leer. Dus moeten we concluderen dat geen enkele priester de sleutelmacht heeft. Want zonder onderscheid te maken, maken ze los wat de Heer gebonden wil hebben en binden ze wat Hij bevolen heeft los te maken.

Zonder het Woord is de sleutelmacht waardeloos

Als mijn tegenstanders zien dat uit ervaring onweerlegbaar blijkt dat ze mensen die het wel en niet waard zijn zonder onderscheid losmaken of binden, matigen ze zich de macht aan zonder kennis. Weliswaar durven ze niet ontkennen dat kennis nodig is om de macht goed te gebruiken. Maar toch schrijven ze dat de macht ook gegeven is aan hen die er verkeerd gebruik van maken. Maar dit is die macht: ‘Alles wat jullie binden of losmaken op aarde, zal in de hemel gebonden of losgemaakt zijn.’ Dus: óf Christus’ belofte is een leugen, óf ieder die bindt en losmaakt doet dat op de juiste manier.

Ze kunnen ook niet als uitvlucht beweren dat Christus’ woorden alleen gelden als degene die gebonden of losgemaakt wordt dat ook verdient. Ik erken ook dat alleen zij gebonden of losgemaakt kunnen worden die verdienen gebonden of losgemaakt te worden. Maar de verkondigers van het evangelie en de kerk hebben het Woord. Daaraan kunnen ze toetsen of iemand het waard is om gebonden of losgemaakt te worden. Met dit Woord kunnen de verkondigers van het evangelie aan iedereen vergeving van zonden beloven in Christus door geloof. En met dit Woord kunnen ze de veroordeling afkondigen tegen iedereen en over iedereen die Christus niet aanneemt. Met dit Woord verklaart de kerk dat ontuchtplegers, overspeligen, dieven, moordenaars, hebzuchtigen en zondaren geen deel hebben aan Gods koninkrijk. 1 Korinthiërs 6:9-10 De kerk bindt zulke mensen met stevige boeien. Door hetzelfde Woord maakt de kerk degenen los die ze troost, als ze tot bekering komen.

Maar wat is dat voor macht als je niet weet wat je moet binden of losmaken? Je kunt toch alleen maar binden of losmaken als je dat wel weet? Waarom zeggen ze dan dat zij losmaken door het gezag dat hun gegeven is? Want hun losmaken is onzeker! Wat hebben we aan deze ingebeelde macht als die tevergeefs is? Dat punt heb ik alvast gemaakt: het is tevergeefs, of het is zo onzeker dat je het als tevergeefs moet beschouwen. Want ze geven toe dat een flink deel van de priesters de sleutels niet gebruikt zoals het hoort en dat de macht geen effect heeft als die niet legitiem gebruikt wordt.

Wie kan mij dan laten geloven dat degene die mij losmaakt de sleutels wel goed gebruikt? Als hij ze verkeerd gebruikt, wat blijft er voor hem dan over dan dit waardeloze gebruik: ‘Ik weet niet wat er in jou gebonden of losgemaakt moet worden, want ik kan de sleutels niet goed gebruiken. Maar als je het verdient, maak ik je los.’ Ik zal niet zeggen dat een leek dat ook zou kunnen doen, want dat kunnen ze niet aanhoren. Maar een moslim of een duivel zouden het kunnen. Want wat zij zeggen, is hetzelfde als zeggen: ‘Ik heb het Woord van God niet. Dat is de vaste norm om los te maken. Maar ik heb het gezag gekregen om je los te maken als je verdiensten daarmee in overeenstemming zijn.’

We zien dus wat hun bedoeling was toen ze verklaarden dat er twee sleutels zijn – het gezag om onderscheid te maken en de macht om het vonnis uit te voeren – en dat de kennis daarbij komt om raad te geven, zodat de sleutels goed gebruikt kunnen worden: ze wilden regeren vol wellust en losbandigheid, zonder God en zijn Woord.

Gods Woord biedt zekerheid

Misschien brengt iemand hiertegen in dat de bediening van wettige dienaren van Christus niet minder onzeker is. Want als zij losmaken, is dat afhankelijk van geloof en dat is altijd twijfelachtig. Bovendien hebben zondaren dan geen troost, of alleen een troost die niets voorstelt, als de dienaar zelf niet in staat is hun geloof te beoordelen en niet zeker weet of ze wel echt losgemaakt zijn.

Maar de oplossing ligt voor de hand. Want de roomsen zeggen dat een priester alleen zonden vergeeft die hij zelf te weten gekomen is. Dus is volgens hen de vergeving afhankelijk van het oordeel van de priester. Als die niet met zijn verstand onderscheidt wie vergeving waard is, is de hele handeling nutteloos en tevergeefs. Kortom, de macht waar zij het over hebben bestaat uit een rechtspraak die gepaard gaat met onderzoek. Daar wordt de vergeving en het losmaken mee verbonden.

Op dit punt vind je nergens zekerheid. Sterker nog, dit is een diepe afgrond. Want als de biecht niet compleet is, is ook de hoop op vergeving gehavend. Bovendien kan het niet anders of ook de priester blijft in onzekerheid. Want hij weet niet of de zondaar zijn zonden oprecht opnoemt. En ten slotte is het grootste deel van de priesters niet meer geschikt voor deze taak dan een schoenmaker voor het bewerken van het land. Zo onwetend en onkundig zijn de priesters. En degenen die wel geschikt zijn, moeten dus zelf wel beseffen hoe verdacht ze zijn.

Dit is dus de oorzaak dat het pauselijke losmaken zo onzeker en twijfelachtig is: ze willen dat de persoon van de priester het fundament vormt. En dat niet alleen, maar ook zijn kennis van de zonden, zodat hij alleen oordeelt over gemelde, onderzochte en gecontroleerde dingen.

Verder, stel dat je die geweldige leraren vraagt of een zondaar met God verzoend wordt als sommige zonden vergeven zijn. Ik zie niet wat ze dan anders kunnen antwoorden dan dat ze gedwongen worden toe te geven dat je niets hebt aan wat een priester ook uitspreekt over het vergeven van zonden die hij heeft horen opnoemen, zolang voor andere zonden de schuld nog open staat.

En wat een gevaarlijke angst houdt het geweten gevangen van degene die biecht! Dat blijkt hieruit: hij moet volgens hen volledig vertrouwen op het oordeel van de priester, want uit Gods Woord krijgt hij geen zekerheid.

De leer die ik leer is vrij van al dit soort absurde ideeën! Want het losmaken gebeurt op deze voorwaarde: dat de zondaar erop vertrouwt dat God hem genadig is, als hij maar oprecht verzoening zoekt in het offer van Christus en rust op de genade die hem wordt aangeboden. Dus wie als heraut verkondigt wat hem gezegd wordt op basis van Gods Woord, kan niet missen. En een zondaar kan een zekere en duidelijke losmaking krijgen als die simpele voorwaarde erbij gesteld wordt over het omhelzen van de genade van Christus: ‘Het zal gebeuren zoals je gelooft.’ Mattheüs 9:29 Dat is een algemene regel van de meester zelf. Maar in het pausdom wordt die regel goddeloos genegeerd.

De voorstanders van de biecht verdraaien de Schrift

Ik heb beloofd om ergens anders te bespreken hoe dom de voorstanders van de biecht door elkaar halen wat de Schrift leert over de sleutelmacht. Dat kan ik beter doen als ik de regering van de kerk ga behandelen. Toch is het goed als de lezers niet vergeten dat de voorstanders van de biecht volledig verdraaien wat Christus aan de ene kant gezegd heeft over de prediking van het evangelie en aan de andere kant over de ban. Ze verdraaien dat om het op de geheime, individuele biecht te kunnen toepassen. Ze beweren dat de apostelen het recht om los te maken gekregen hebben, zodat de priesters dat recht konden uitoefenen door de zonden te vergeven die aan hen zijn opgebiecht. Maar het is duidelijk dat ze uitgaan van een verkeerd en waardeloos principe. Want het losmaken dat het geloof dient, is niets anders dan een getuigen van de genade, op basis van de gratis belofte van het evangelie. En de andere vorm van losmaken, in verband met de kerkelijke tucht, heeft niets te maken met geheime zonden. Die vorm slaat juist op openbare gevallen, om de publieke ergernis van de kerk weg te nemen.

Bovendien is het walgelijk en schandelijk dat ze zo hun best doen om her en der Schriftbewijzen bij elkaar te rapen om zo te bewijzen dat het niet genoeg is om alleen aan God of aan leken je zonden te belijden, zonder dat er een priester op de hoogte gebracht wordt. Want als de kerkvaders de zondaren al een keer aanraden om hun hart te luchten bij hun herder, kun je dat niet zo opvatten dat ze bedoelen dat je je zonden moet opsommen. Want dat was in hun tijd ongebruikelijk.

Vervolgens lijkt het erop dat Lombardus en dergelijke lieden zo slinks waren dat ze zich expres onderwerpen aan vervalste boeken. Met de uiterlijke schijn van die boeken willen ze eenvoudige mensen bedriegen. Ze erkennen wel terecht dat het losmaken altijd meekomt met berouw en dat er daarom geen sprake meer is van een binding als iemand getroffen wordt door berouw, zelfs al heeft hij nog niet gebiecht. En dus erkennen ze dat een priester eigenlijk niet de zonden vergeeft, maar alleen uitspreekt en verklaart dat ze vergeven zijn.

Maar met het woord ‘verklaren’ introduceren ze een grove dwaling. Want ze stellen een ritueel in de plaats van de leer. Daar voegen ze dan aan toe dat wie al voor God vergeving gekregen heeft, dan in de ogen van de kerk losgemaakt wordt. Maar dan laten ze onterecht op ieder persoonlijk slaan wat – ik heb dat al gezegd – bestemd is voor de algemene tucht, als er een ergernis moet worden weggenomen van een ergere, openbare zonde.

En even later gooien ze deze zelfbeheersing weg en bederven ze die door er nog een andere manier van vergeving aan toe te voegen: een vergeving die gepaard gaat met straf en genoegdoening. Hun offers kennen ze dan het recht toe om te halveren wat God ons altijd in zijn geheel beloofd heeft. Want God eist alleen berouw en geloof. Dus is zo’n halvering en beperking een vreselijke heiligschennis. Want dat is hetzelfde alsof de priester met een vetorecht God tegenhoudt en niet accepteert dat God enkel uit welwillendheid iemand in genade aanneemt, als die zich niet eerst voor een priester ter aarde geworpen heeft en door een priester gestraft is.

Samenvatting

In de kern komt het hierop neer: als de roomsen God de bedenker willen maken van een verzonnen biecht, dan blijkt overduidelijk hoe ijdel ze zijn. Net zoals ik in de enkele Schriftpassages die zij aanhalen, heb laten zien dat ze bedriegers zijn.

Het is klip en klaar dat deze wet is opgelegd door mensen. Dus zeg ik dat het een tirannieke wet is. Als je zo’n wet uitvaardigt, doe je God tekort. Want Hij bindt het geweten aan het Woord en wil dat het geweten vrij is van overheersing door mensen.

Verder schrijven zij voor het krijgen van vergeving iets voor als onmisbaar, waarvan God gewild heeft dat het vrij zou zijn. Dus zeg ik dat dat een onacceptabele heiligschennis is. Want er is niets waar God zo duidelijk alleen recht op heeft als het vergeven van zonden. Daarin ligt ons behoud.

Bovendien heb ik aangetoond dat deze tirannie pas ingevoerd is toen de wereld onderdrukt werd door een schandelijke onwetendheid.

Ook heb ik laten zien dat het een gevaarlijke wet is, die ongelukkige zielen – als ze God vrezen – in wanhoop stort, of hen – als ze zich nergens druk om maken – streelt met loze verleidingen en hen zo nog verder afstompt.

Ten slotte heb ik uitgelegd dat alles wat ze doen om het effect te verzachten, alleen maar dient om de zuivere leer te verhullen, te verduisteren en te bederven en om hun goddeloosheid te camoufleren met mooie kleuren.

Vergeving is gratis

Als derde onderdeel van berouw noemen de sofisten genoegdoening. Wat ze daarover leuteren kan ik met één woord weerleggen. Ze zeggen dat het als je berouw hebt niet voldoende is om je eerdere zonden niet meer te doen en je leven te beteren. Je moet God ook genoegdoening geven voor de zonden die je gedaan hebt. Ook zeggen ze dat er veel hulpmiddelen zijn waarmee we onze zonden kunnen afkopen: tranen, vasten, offers, gaven voor de armen en daden van liefde. Daarmee moet je de Heer gunstig stemmen, betalen wat je Gods rechtvaardigheid schuldig bent, je zonden goedmaken en vergeving verdienen. Want, zeggen ze, God heeft in zijn barmhartigheid de schuld wel royaal vergeven. Maar toch blijft Hij straffen om ons een rechtvaardige discipline bij te brengen. En deze straf moeten we afkopen door genoegdoening te geven.

Toch komt dit in de kern allemaal hierop neer: we krijgen wel vergeving voor onze zonden omdat God welwillend is, maar door middel van wat wij zelf met onze goede daden verdienen. Zo wordt de schuld van onze zonden voldaan en wordt de genoegdoening betaald die wij aan Gods rechtvaardigheid verschuldigd zijn. Tegenover zulke leugens plaats ik gratis vergeving van zonden. De Schrift leert dat zo duidelijk als wat. Jesaja 52:3; Romeinen 3:24-25; 5:8; Kolossenzen 2:13-14; Titus 3:5

In de eerste plaats, wat is vergeving anders dan een geschenk enkel uit vrijgevigheid? We zeggen immers niet dat een schuldeiser een schuld kwijtscheldt als hij met een bewijs van betaling verklaart dat het geld aan hem is uitgekeerd? We zeggen dat als hij zonder betaling, uit eigen beweging, uit vrijgevigheid de schuld doorstreept.

In de tweede plaats, waarom staat er ‘gratis’ bij? Waarom anders dan om elk idee van genoegdoening weg te nemen? Wat brutaal is het dus dat de sofisten nog steeds hun genoegdoeningen overeind zetten, als die door zo’n sterke bliksemstraal omvergegooid worden! Wat dan? De Heer roept via Jesaja uit: ‘Ik, Ik ben het die jullie overtredingen wegdoet omwille van Mijzelf en Ik zal niet meer aan jullie zonden denken.’ Jesaja 43:25 Verkondigt Hij daarmee niet duidelijk dat alleen zijn goedheid de oorsprong en de basis vormt voor vergeving?

In de derde plaats, heel de Schrift getuigt van Christus, dat we alleen vergeving krijgen door zijn naam. Handelingen 10:43 Sluit dat niet alle andere namen uit? Hoe kunnen zij dan leren dat we vergeving krijgen op basis van genoegdoening? En ze moeten maar niet ontkennen dat ze zoveel waarde hechten aan genoegdoeningen, ook al zouden het maar hulpmiddelen zijn. Want als de Schrift zegt: ‘Door de naam van Christus,’ dan bedoelt de Schrift daarmee dat wij niets bijdragen. Wij hebben zelf niets dat we daarvoor kunnen gebruiken. We zijn volledig afhankelijk van wat Christus verdiend heeft. Paulus zegt dat God de wereld met zichzelf verzoend heeft in Christus en omwille van zichzelf hun de zonden niet aangerekend heeft. En daar voegt hij meteen aan toe op welke manier en waarom: ‘Hij die geen zonde kende, is voor ons tot zonde gemaakt.’ 2 Korinthiërs 5:19-21

Gratis vergeving is niet eenmalig

Maar de sofisten zijn zo pervers om te beweren dat de vergeving van zonden en de verzoening slechts één keer plaats vinden als wij door Christus in de doop worden aangenomen in Gods genade. Na de doop moeten we volgens hen weer opstaan door genoegdoening te doen. Ze zeggen dat het bloed van Christus ons niets oplevert, behalve voor zover het wordt uitgedeeld via de sleutels van de kerk.

Ik heb het hier niet over iets twijfelachtigs. Want ze hebben in heel duidelijke geschriften hun onzuiverheid bekend gemaakt. Niet één of twee van hen, maar alle scholastici samen. Want hun leermeester beleed wel dat Christus aan het hout de straf voor de zonden betaald heeft, zoals Petrus dat leert. 1 Petrus 2:24 Maar vervolgens corrigeert hij die uitspraak door er meteen deze beperking aan toe te voegen: in de doop worden alle tijdelijke straffen voor de zonden vergeven, maar na de doop worden ze verzacht door de zegen van het boete doen. Op die manier werken het kruis van Christus en ons boete doen dus samen.

Maar Johannes zegt iets heel anders: ‘Als iemand gezondigd heeft, we hebben een advocaat bij de Vader, Jezus Christus, en Hij is een verzoening voor onze zonden.’ 1 Johannes 2:1-2 ‘Ik schrijf jullie, kinderen, omdat de zonden jullie vergeven worden omwille van zijn naam.’ 1 Johannes 2:12 Echt, hij heeft het tegen de gelovigen. Hij presenteert hun Christus als een verzoening voor de zonden. Daarmee laat hij zien dat de gekwetste God niet door een andere vorm van voldoening gunstig gestemd of verzoend kan worden. Hij zegt niet: ‘God is één keer door Christus met jullie verzoend, nu moet je andere middelen zoeken.’ Hij presenteert Christus als eeuwige advocaat. Hij brengt ons door zijn tussenkomst steeds opnieuw terug in Gods genade. Zo worden onze zonden voor eeuwig verzoend.

Want voor eeuwig is waar wat de andere Johannes zei: ‘Kijk, het lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.’ Johannes 1:29 Híj neemt ze weg, zeg ik. Niemand anders. Dat wil zeggen: omdat alleen Hij het lam van God is, is ook alleen Hij het offer, is alleen Hij de verzoening en is alleen Hij de genoegdoening voor onze zonden. Want zoals we al gezien hebben, zijn het recht en de macht om te vergeven eigen aan de Vader, als Hij van de Zoon wordt onderscheiden. Daarom wordt Christus hier geplaatst in een andere rang. Hij heeft de straf op zich genomen die wij verdiend hadden. Zo heeft Hij onze schuld voor Gods oordeel uitgewist. En dat betekent dus dat wij alleen kunnen delen in de verzoening die Christus tot stand gebracht heeft, als we Hem de eer daarvoor geven. Maar de scholastici beroven Hem van die eer, doordat ze God proberen te verzoenen door zelf Hem compensatie te geven.

Wie zelf genoegdoening wil doen, doet Christus tekort en vindt nooit rust

Hier moeten we met twee dingen rekening houden: Christus’ eer moet ongeschonden blijven. Er mag niets vanaf. En het geweten moet gerust zijn over de vergeving van zonden en vrede hebben met God.

Jesaja zegt dat de Vader de zonden van ons allemaal op de Zoon gelegd heeft, zodat wij door zijn wonden genezen zouden worden. Jesaja 53:4-6 En Petrus herhaalt dit met andere woorden als hij zegt dat Christus in zijn lichaam onze zonden gedragen heeft aan het hout. 1 Petrus 2:24 Paulus schrijft dat de zonde veroordeeld is in zijn vlees, toen Hij voor ons zonde werd. Romeinen 8:3 Dat wil zeggen dat de kracht en de vloek van de zonde in zijn vlees gedood zijn toen Hij gegeven werd als offer. Op dat offer werd heel het gewicht geladen van onze zonden, compleet met de vloek en haat, met Gods vreselijke oordeel en de veroordeling tot de dood.

Hier hoor je niets van die loze praatjes dat na de eerste zuivering niemand van ons iets merkt van het effect van Christus lijden, behalve voor zover we genoegdoening geven door boete te doen. Steeds als we gevallen zijn, worden we juist weer geroepen naar de enige voldoening door Christus.

Stel je nu eens de gevaarlijke dwaasheden voor van de sofisten: de genade van God is alleen actief in de eerste vergeving. Als we later toch weer in zonde vallen, werken onze goede daden mee om opnieuw vergeving te krijgen. Als dit het geval is, wat blijft er dan ongeschonden aan wat hierboven aan Christus werd toegekend? Wat maakt het een gigantisch verschil of onze zonden op Christus gelegd zijn om in Hem verzoend te worden, of dat ze door onze goede daden verzoend worden! Of Christus de verzoening is voor onze zonden, of dat God door onze goede daden verzoend moet worden!

Als het gaat om het tot rust brengen van het geweten, wat voor rust zal dat dan zijn, als het geweten hoort dat de zonden vergeven worden via genoegdoening? Wanneer kan het geweten er eindelijk zeker van zijn dat er genoeg genoegdoening gedaan is? In je geweten zul je er dus altijd aan blijven twijfelen of je er wel op kunt vertrouwen dat God je genadig is. Je zult altijd bang zijn, altijd sidderen. Want wie vertrouwt op kleine stukjes genoegdoening, schat Gods oordeel veel te klein in. Je beseft dan veel te weinig hoe zwaar de last van de zonde is. Ik zal dat ergens anders uitleggen.

Maar zelfs al zou ik toegeven dat je enkele zonden kunt verzoenen door een juiste genoegdoening, wat dan nog? Je wordt overstelpt door zoveel zonden dat zelfs honderd levens nog niet genoeg zouden zijn om daarvoor genoegdoening te geven, zelfs al zou je die levens daar volledig aan wijden.

Bovendien, alle Schriftpassages waar verzekerd wordt dat de zonden vergeven worden, zijn niet gericht op hen die voor het eerst onderwijs krijgen. Ze zijn gericht aan opnieuw geboren kinderen van God en aan hen die al een lange tijd in de schoot van de kerk gevoed zijn. Paulus verwoordt zijn boodschap zo heerlijk: ‘Ik smeek jullie in de naam van Christus, laat je met God verzoenen!’ 2 Korinthiërs 5:20 Dat zegt hij niet tegen mensen die nog niet gedoopt zijn, maar tegen hen die allang opnieuw geboren zijn. En toch zegt hij elke eigen genoegdoening vaarwel en verwijst hij hen naar het kruis van Christus. En aan de Kolossenzen schrijft hij dat Christus door het bloed van het kruis alles op hemel en aarde verzoend heeft. Kolossenzen 1:20 Dat beperkt hij ook niet tot het moment waarop we in de kerk worden opgenomen. Hij laat dit heel onze levensloop omvatten. Dat blijkt gemakkelijk uit de context. Want hij zegt dat de gelovigen verlossing hebben door het bloed van Christus, dat wil zeggen: vergeving van zonden. Kolossenzen 1:14 Maar het is niet nodig om nog meer Schriftpassages te verzamelen, want dit komt vaak voor.

Alle zonden zijn dodelijk en genoegdoening is onmogelijk

Op dit punt vluchten mijn tegenstanders in een dwaas onderscheid: sommige zonden zouden vergeeflijk zijn en andere dodelijk. En voor dodelijke zonden zou een zware genoegdoening vereist zijn, terwijl vergeeflijke zonden met gemakkelijkere middelen gezuiverd zouden worden: door het gebed van de Heer, door besprenkeling met wijwater en door de absolutie van de mis. Zo spelen ze een spelletje met God. Maar ook al hebben ze steeds hun mond vol van vergeeflijke en dodelijke zonden, toch hebben ze die nog niet van elkaar kunnen onderscheiden. Behalve dan dat ze goddeloosheid en een onrein hart vergeeflijke zonden noemen, terwijl dat in Gods ogen juist de meest afgrijselijke zonden zijn.

Maar ik verklaar juist – de Schrift als norm voor recht en onrecht leert dat – dat de dood het loon is voor de zonde Romeinen 6:23 en dat wie zondigt, zal sterven. Ezechiël 18:20 En verder dat de zonden van gelovigen vergeeflijk zijn, niet omdat zij niet de dood verdienen, maar omdat er door Gods barmhartigheid geen veroordeling meer is voor wie in Christus Jezus zijn. Romeinen 8:1 Want hun worden zonden niet meer aangerekend, omdat ze door vergeving uitgewist worden. Psalm 32:1

Ik weet hoe onterecht mijn tegenstanders deze leer van mij belasteren. Ze zeggen dat dit de absurde leer van de stoïcijnen is, dat alle zonden gelijk zijn. Maar ik kan hen moeiteloos weerleggen met hun eigen woorden. Want ik vraag hun: geven ze niet toe dat van de zonden die zij dodelijk noemen, de een minder erg is dan de ander? Dat betekent dus dat zonden die dodelijk zijn niet meteen ook allemaal gelijk zijn.

De Schrift verklaart dat het loon voor zonde de dood is, Romeinen 6:23 dat gehoorzaamheid aan de wet de weg naar het leven is Leviticus 18:5; Ezechiël 18:9; 20:11-13; Galaten 3:12; Romeinen 10:5; Lucas 10:28 en dat een overtreding de dood betekent. Ezechiël 18:20 Dat vonnis kunnen ze dus niet ontlopen. Hoe kunnen ze dan ooit klaarkomen met het geven van genoegdoening met zo’n grote hoop zonden? Als er één dag nodig is om voor één zonde genoegdoening te doen, wikkelen ze zich al weer in meer zonden als ze er alleen nog maar over aan het nadenken zijn. Immers, zelfs de meest rechtvaardige kan geen dag voorbij laten gaan zonder meer dan eens in zonde te vallen. Terwijl zij zich klaarmaken om voor die zonden genoegdoening te geven, stapelen ze al weer heel veel, of beter ontelbaar veel nieuwe zonden op. Alleen dat al maakt dus een eind aan het vertrouwen om daar genoegdoening voor te kunnen doen. Waarom proberen ze het dan nog? Hoe durven ze nog te denken aan het geven van genoegdoening?

Vergeving impliceert kwijtschelding van de straf

Ze proberen zich wel te redden uit dit probleem, maar – zoals men zegt – ze zitten vast in het moeras. Ze verzinnen een onderscheid tussen straf en schuld. Ze geven toe dat God uit barmhartigheid de schuld vergeeft, maar ook nadat de schuld vergeven is, resteert er volgens hen nog steeds een straf. Want Gods rechtvaardigheid zou eisen dat die betaald wordt. Dus zijn de genoegdoeningen eigenlijk bedoeld om de straf te betalen.

Maar, goede God, wat is dat voor lichtzinnige kunstgreep? Nu belijden ze dat schuld gratis vergeven wordt. Maar tegelijk leren ze dat je die vergeving moet verdienen met gebeden en tranen en allerlei andere soorten voorbereidingen. Maar dit onderscheid gaat nog steeds lijnrecht in tegen wat de Schrift ons leert over de vergeving van zonden. Ik vind dat ik dat al overtuigend genoeg bewezen heb. Maar toch zal ik nog meer bewijzen aanvoeren. Ik wil die glibberige slangen zo stevig vastsnoeren dat ze zelfs het puntje van hun staart niet meer kunnen bewegen.

Dit is het nieuwe verbond dat God in zijn Christus met ons gesloten heeft: Hij zal niet meer denken aan onze zonden. Jeremia 31:31-34 Van een andere profeet leren wat Hij hiermee bedoelt. Daar zegt de Heer: ‘Als een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardigheid, zal ik niet aan zijn rechtvaardige daden denken. Als een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, zal ik aan al zijn zonden niet denken.’ Ezechiël 18:24-28 En als God zegt dat Hij niet zal denken aan de rechtvaardige daden, dan betekent dat in elk geval dat Hij er geen rekening mee zal houden en ze niet zal belonen. En dat Hij niet aan de zonden denkt, betekent dus ook dat Hij er geen straf voor eist.

Ditzelfde wordt ergens anders zo genoemd: God werpt de zonden achter zijn rug, Jesaja 38:17 Hij wist ze uit als een wolk, Jesaja 44:22 Hij gooit ze in de diepten van de zee, Micha 7:19 Hij rekent ze niet aan, maar bedekt ze. Psalm 32:1-2 Door zulke formuleringen heeft de Heilige Geest ons zijn opvatting duidelijk uitgelegd. Als onze oren er maar ontvankelijk voor zijn! Vast en zeker rekent God de zonden wel aan als Hij ze bestraft. Hij denkt er wel aan als Hij ze wreekt. Hij houdt ze niet bedekt als Hij je erom voor zijn rechtbank daagt. Hij heeft ze niet achter zijn rug geworpen als Hij er onderzoek naar doet. Hij heeft ze niet uitgewist als een wolk als Hij ernaar kijkt. Hij heeft ze niet in de diepten van de zee geworpen als Hij ze weer oprakelt.

Zo legt Augustinus het uit, in duidelijke bewoordingen: ‘Als God de zonden bedekt heeft, wil Hij ze niet meer zien. Als Hij ze niet meer wil zien, wil Hij er geen aandacht meer aan geven. Als Hij er geen aandacht meer aan wil geven, wil Hij ze niet meer bestraffen. Hij wil ze niet weten, Hij wil ze liever vergeven. Dus waarom heeft Hij gezegd dat de zonden bedekt zijn? Omdat ze dan niet meer gezien worden. Want als God ze zou zien, wat zou dat anders betekenen dan dat Hij ze zou bestraffen?’

En laten we ook uit een andere passage van de profeet Jesaja horen op welke voorwaarden de Heer de zonden vergeeft. Hij zegt: ‘Al waren jullie zonden zo rood als scharlaken, ze zullen zo wit worden als sneeuw. Al waren ze zo rood als purper, ze zullen zo wit worden als wol.’ Jesaja 1:18 En bij Jeremia lezen we dit: ‘Op die dag zal Jacobs onrechtvaardigheid gezocht worden, maar niet worden gevonden. De zonde van Juda zal gezocht worden, maar die zal er niet zijn. Want ik zal het restant dat ik zal bewaren, genadig zijn.’ Jeremia 50:20

Wil je in het kort weten wat die woorden betekenen? Denk er dan eens over na wat de betekenis is van het tegenovergestelde van die uitspraken: dat de Heer de zonden bij elkaar bindt in een zak en ze bewaart, Job 14:17; Hosea 13:12 dat Hij ze met een ijzeren stift graveert op een diamant. Jeremia 17:1 Want als deze uitspraken betekenen dat er straf betaald moet worden – daar is geen twijfel aan – dan verzekert Hij door tegengestelde uitspraken ongetwijfeld dat Hij elke vergelding en wraak loslaat. Maar op dit punt moet ik de lezers dringend verzoeken niet af te gaan op mijn commentaar. Als ze het Woord van God maar wat ruimte gunnen.

Omdat Christus voor ons betaald heeft, hoeven wij niets meer te betalen

Ik vraag je: wat zou Christus voor ons gedaan hebben als er nog steeds straf geëist werd voor de zonden? We zeggen toch dat Hij al onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft aan het hout? 1 Petrus 2:24 Daarmee zeggen we toch niets anders dan dat Hij de straf en de wraak die wij schuldig waren door onze zonden, volledig gedragen heeft?

Jesaja heeft dit nog duidelijker uitgelegd. Hij zegt dat de straf – of de correctie – die ons vrede geeft, op Hem was. Jesaja 53:5 En wat is de straf die ons vrede geeft anders, dan de straf die wij verdiend hadden met onze zonden en die wij hadden moeten betalen om met God verzoend te kunnen worden als Christus onze plaats niet had ingenomen? Zie je, het is duidelijk dat Christus de straf voor de zonden gedragen heeft om de zijnen daarvan te verlossen!

En telkens als Paulus de verlossing noemt die Christus tot stand gebracht heeft, noemt hij die steeds een apolutrosis– een ‘loskoping’. Romeinen 3:24; 1 Korinthiërs 1:30; Efeziërs 1:7; Kolossenzen 1:14 Daarmee bedoelt hij niet simpelweg een verlossing zoals we die meestal opvatten. Hij bedoelt de prijs en de betaling voor de verlossing, wat we in het Frans rançon –‘losprijs’ – noemen. Daarom schrijft hij ook dat Christus zichzelf aan ons gegeven heeft als een antilutron – een ‘losprijs’. 1 Timotheüs 2:6 ‘Waarmee kan de Heer anders verzoend worden,’ zegt Augustinus, ‘dan met een offer? En welk offer is er anders dan het offer dat voor ons geofferd is in de dood van Christus?’

En we krijgen vooral de beschikking over een sterke stormram door wat in de wet van Mozes voorgeschreven wordt over het uitwissen van de schuld van de zonden. Immers, de Heer heeft daar niet bepaald dat je de schuld zus of zo kunt voldoen. Nee, Hij eist een volledige compensatie in de vorm van offers. Toch beschrijft Hij daar wel heel nauwkeurig het exacte systeem van alle rituelen voor de verzoening. Exodus 30:10; Leviticus 4-7; Numeri 15 En waarom beveelt Hij om de gepleegde misdaden te herstellen zonder ook maar één goede daad?

Waarom eist Hij alleen offers voor verzoening? Dat is toch alleen omdat Hij zo duidelijk wil maken dat er maar één vorm van voldoening is die aan zijn oordeel kan voldoen? Immers, de offers die de Israëlieten toen brachten, werden niet beschouwd als goede daden van mensen. Ze werden beoordeeld naar de werkelijkheid die ze afbeeldden: het enige offer van Christus.

En wat voor betaling de Heer van ons krijgt, heeft Hosea in een paar woorden heel mooi aangegeven. Hij zegt: ‘U zult alle zonden wegnemen, God.’ Kijk, dat is de vergeving van zonden. ‘Dan zullen wij betalen met de kalveren van onze lippen.’ Hosea 14:3 Kijk, dat is onze genoegdoening.

Ik weet wel dat mijn tegenstanders een nog scherpzinniger uitvlucht proberen te vinden door een onderscheid te maken tussen de eeuwige straf en tijdelijke straffen. Maar ze leren dat alle straffen die God zowel lichaam als ziel laat ondergaan tijdelijke straffen zijn. De eeuwige dood is de enige uitzondering. Dus helpt deze beperking hen weinig verder. Want de passages die ik hierboven aangehaald heb, stellen juist vooral dat God, als Hij ons in genade aanneemt, onze schuld vergeeft en alle straf die wij verdiend hadden, kwijtscheldt.

En telkens als David of de andere profeten vragen om vergeving voor hun zonden, smeken ze tegelijk of hun straf kwijtgescholden mag worden. Het besef van Gods oordeel zet hen daartoe aan. En ook als ze namens de Heer barmhartigheid beloven, verkondigen ze altijd uitdrukkelijk dat de straffen zijn kwijtgescholden. Bij Ezechiël verklaart de Heer dat Hij een eind zal maken aan de Babylonische ballingschap. Niet omwille van de Joden, maar omwille van Hemzelf. Ezechiël 36:22; 36:32 Dat laat duidelijk genoeg zien dat dat allebei gratis is.

Kortom, als wij door Christus verlost worden van onze schuld, moet dat ook een eind maken aan de straffen die uit die schuld voortvloeien.

Twee soorten oordelen: wraak en tucht

Maar ook mijn tegenstanders wapenen zich met bewijzen uit de Schrift. Dus moeten we maar eens kijken wat voor bewijzen dat zijn, die zij aanvoeren.

David, zeggen zij, wordt door de profeet Nathan berispt wegens overspel en moord. Hij krijgt vergeving voor zijn zonde, maar toch wordt hij later gestraft met de dood van zijn zoon die hem uit het overspel geboren was. 2 Samuël 12:13-14 Zulke straffen moesten dus ook na vergeving van schuld nog worden opgelegd. En ons wordt geleerd om zulke straffen af te kopen door genoegdoening te geven. Want Daniël spoort Nebukadnezar aan om zijn zonden af te kopen door liefdegaven aan de armen te geven. Daniël 4:27 (4:24) En Salomo schrijft dat de zonden vergeven worden omwille van rechtvaardigheid en trouw. Spreuken 16:6 En ergens anders dat liefde veel overtredingen toedekt. Spreuken 10:12 En Petrus bevestigt deze uitspraak nog eens. 1 Petrus 4:8 Bovendien zegt de Heer bij Lucas over de zondige vrouw dat haar veel zonden vergeven zijn omdat ze veel heeft liefgehad. Lucas 7:47

Wat beoordelen zij Gods daden verkeerd en achterstevoren! Ze hadden absoluut niet over het hoofd mogen zien dat er twee soorten oordelen van God zijn. Als ze dat hadden ingezien, zouden ze in deze terechtwijzing van David een heel ander soort straf gezien hebben. Geen straf die je zou moeten beschouwen als bedoeld om te wreken.

Het is trouwens voor ons allemaal heel belangrijk om te begrijpen waar Gods tuchtmaatregelen voor bedoeld zijn. Als Hij onze zonden bestraft, is dat iets heel anders dan de straffen waarmee Hij de goddelozen en verworpenen achtervolgt in zijn verontwaardiging, om hen ten voorbeeld te stellen. Ik denk dus dat het goed is om dit nu beknopt te behandelen.

Voor dit onderwijs noemen we het ene oordeel het ‘oordeel van de wraak’ en het andere het ‘oordeel van de tucht’.

We moeten het nu zo zien: door het oordeel van de wraak straft God zijn vijanden. Hij brengt tegen hen zijn woede in praktijk, Hij brengt hen in verwarring, Hij jaagt hen uit elkaar en Hij vernietigt hen. Dat is dus Gods wraak in eigenlijke zin. De straf gaat dan gepaard met verontwaardiging.

Het oordeel van de tucht is minder hevig. God wordt dan niet woedend en Hij straft niet zo dat Hij vernietigt of dodelijk bliksemt. Daarom is dat geen straf of wraak in eigenlijke zin, maar een terechtwijzing of waarschuwing.

Het een is het oordeel van een rechter, het ander het oordeel van een vader. Want als een rechter een misdadiger straft, bestraft hij een specifieke misdaad. Hij eist dat er boete gedaan wordt voor die ene slechte daad. Maar als een vader zijn zoon een beetje streng tuchtigt, is het niet zijn bedoeling om te wreken of te straffen. Hij wil hem alleen een les leren, zodat hij in het vervolg voorzichtiger is.

Chrysostomos gebruikt ergens een iets andere vergelijking. Maar die komt toch op hetzelfde neer. Hij zegt: een zoon wordt geslagen en een slaaf wordt geslagen. Maar de een wordt gestraft als onvrije, omdat hij gezondigd heeft. De ander echter wordt getuchtigd als vrije en als een zoon die tucht nodig heeft. De zoon wordt getuchtigd in een poging hem te corrigeren. Maar de ander wordt gewoon voor straf afgeranseld.

In het oordeel zie je Gods toorn, in een tuchtiging zie je zijn liefde

Om een beknopt overzicht te geven van dit onderwerp, moet ik twee verschillen noemen. Als eerste dit verschil: altijd als God straft om te wreken zie je zijn vloek en woede, die Hij weghoudt van de gelovigen. Tucht is echter een zegen en een bewijs van liefde, zoals de Schrift leert. Job 5:17; Spreuken 3:11-12; Hebreeën 12:5-6

Dit verschil blijkt duidelijk uit heel Gods Woord. Want alle kwellingen die goddelozen in dit leven te verduren hebben, worden ons getekend als een soort voorportaal van de hel. Daar kunnen ze van een afstand alvast hun eeuwige veroordeling zien.

En het is absoluut niet zo dat ze daardoor gecorrigeerd worden of er iets van leren. Door zulke voorproefjes worden ze juist voorbereid op de vreselijke hel die hun uiteindelijk te wachten staat.

Maar als de Heer tuchtigt, dan tuchtigt Hij zijn dienaren. Maar Hij levert hen niet over aan de dood. Psalm 118:18 Als ze met de roede geslagen worden, erkennen ze daarom dat dit goed voor hen is. Ze leren er echt van. Psalm 119:71 En overal lezen we dat de heiligen zulke straffen altijd rustig ondergingen, terwijl ze altijd smeekten of geselingen van de eerstgenoemde soort hun bespaard mochten blijven. ‘Tuchtig mij, HEER,’ zegt Jeremia, ‘maar in uw oordeel, niet in uw toorn, anders zou U mij vernietigen. Stort uw woede uit over de heidenen die U niet kennen en over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen.’ Jeremia 10:24 En David zegt: ‘HEER, straf mij niet in uw woede en tuchtig mij niet in uw toorn.’ Psalm 6:2; 38:2

En hiermee is niet in strijd dat er meerdere keren gezegd wordt dat de Heer boos is op zijn heiligen, als Hij hun zonden bestraft. Bijvoorbeeld bij Jesaja: ‘Ik zal belijdenis doen aan U, HEER, want U was boos op mij. Maar uw woede heeft zich afgewend en U hebt mij getroost.’ Jesaja 12:1 En bij Habakuk: ‘Als U boos bent, denkt U aan uw barmhartigheid.’ Habakuk 3:2 En bij Micha: ‘Ik zal Gods woede ondergaan, want ik heb tegen Hem gezondigd.’ Micha 7:9 Micha wijst er hier op dat wie rechtvaardig gestraft wordt, niets wint door ertegen in te gaan. En dat voor gelovigen het verdriet juist verlicht wordt als ze nadenken over Gods bedoeling.

Hetzelfde geldt voor de uitspraak dat God zijn erfenis ontheiligt, Jesaja 47:6 terwijl we weten dat Hij die voor eeuwig nooit ontheiligen zal. Maar dit slaat niet op wat God bedoelt of wil als Hij straft. Het slaat op het hevige verdriet dat gevoeld wordt door degenen die iets ondergaan van zijn strengheid.

Toch treft God zijn gelovigen niet slechts met een beetje pijn. Soms verwondt Hij hen zo erg dat ze denken dat de ondergang van de hel voor hen vlakbij is. Zo laat Hij hun zien dat ze zijn woede verdiend hebben. Maar Hij zorgt ervoor dat ze een hekel krijgen aan hun zonden en extra hun best gaan doen om zich met God te verzoenen en zich uit bezorgdheid haasten om vergeving te vragen. Maar ondertussen bewijst Hij juist daarin duidelijk dat Hij hun goedgezind is en niet boos op hen is.

Want God heeft in onze echte Salomo een verbond met ons gesloten. 2 Samuël 7:12-13 Dat verbond staat stevig overeind. God kan niet liegen en Hij heeft bevestigd dat Hij nooit ontrouw kan worden aan dat verbond. ‘Als zijn kinderen mijn wet loslaten,’ zegt God, ‘en niet leven volgens mijn oordelen, als ze mijn bepalingen ontheiligen en zich niet aan mijn geboden houden, dan zal ik hun onrechtvaardigheid vergelden met de roede en hun zonden met plagen. Maar ik zal mijn barmhartigheid niet van hem wegnemen.’

Psalm 89:31-34 En om ons extra zekerheid te geven dat Hij barmhartig blijft, zegt God dat Hij Salomo’s nageslacht zal straffen met een menselijke roede en met slagen van mensenkinderen. 2 Samuël 7:14 Deze woorden wijzen op een beperking en mildheid. Maar toch blijkt uit deze woorden ook dat wie voelt dat Gods hand tegen hem is, onvermijdelijk hevig schrikt en doodsbang wordt.

Hoe sterk God rekening houdt met deze mildheid als Hij Israël tuchtigt, laat Hij zien bij de profeet Jesaja: ‘Ik heb je met vuur gelouterd,’ zegt Hij, ‘maar niet als zilver, want dan zou je volledig verteerd zijn.’ Jesaja 48:10 Hij leert hier dat de tuchtigingen voor Hem fungeren als zuivering. Maar toch voegt Hij eraan toe dat Hij die beperkt zodat zijn volk niet te veel verzwakt. Dat is ook heel erg nodig. Want hoe meer iemand God vreest en hoe meer hij zich traint om vroom te zijn, hoe kwetsbaarder hij is voor Gods woede. Verworpenen zuchten en knarsetanden wel onder de slagen, maar ze worden er hard van omdat ze zorgeloos zijn en niet nadenken over de reden waarom ze geslagen worden. Ze keren hun zonden en Gods oordeel juist de rug toe. Of ze mopperen en verzetten zich en gaan zo tegen hun rechter tekeer. Dan maakt die razende woede hen dwaas en dom. Maar gelovigen worden door Gods roede gewaarschuwd en meteen vernederen ze zich en gaan ze nadenken over hun zonden. Verslagen door angst en schrik vluchten ze smekend in het gebed. Als God het verdriet waarmee deze ongelukkige mensen zichzelf kwellen, niet zou verzachten, zouden ze honderdmaal bezwijken, zelfs onder beperkte tekenen van zijn woede.

Het oordeel is bedoeld als straf, een tuchtiging is bedoeld om te corrigeren

Dan nu het tweede verschil. Als de verworpenen geslagen worden door Gods gesels, beginnen ze in zekere zin al de straf te betalen waar Hij hen toe veroordeelt. Ze luisteren niet naar deze bewijzen van Gods woede en dat zal niet ongestraft blijven. Toch worden ze niet gestraft om hen op andere, betere gedachten te brengen. Ze worden alleen gestraft om hen tot hun ongeluk te laten ervaren dat God een wrekende rechter is.

Maar de kinderen worden geslagen met roeden. Niet om God een boete te betalen voor hun misdaden, maar om daardoor een stap te zetten in de richting van bekering. Zodoende begrijpen we dat die straffen meer gericht zijn op de toekomst dan op het verleden.

Ik zeg dit liever met woorden van Chrysostomos dan in mijn eigen woorden. Hij zegt: ‘God legt ons geen straf op om de zonden te bestraffen, maar om ons te corrigeren voor de toekomst.’ Dat zegt ook Augustinus: ‘Wat jij lijdt en waarom jij jammert, dat is medicijn voor je, geen straf. Het is een tuchtiging, geen veroordeling. Weiger de roede niet als je niet wilt dat jou de erfenis geweigerd wordt …’ ‘Weet broeders: die hele ellende van het menselijk geslacht is een pijn die genezing brengt. Het is geen straffend oordeel …’ Deze uitspraken wilde ik aanhalen om te voorkomen dat iemand zou denken dat de uitdrukking die ik gebruikt heb nieuw of ongebruikelijk is.

En hierop slaan de verontwaardigde klachten waarmee God vaak klaagt dat het volk ondankbaar is, omdat het koppig alle straffen genegeerd heeft. Bij Jesaja: ‘Waarom zou ik jullie nog slaan? Van top tot teen is er niets meer gezond.’ Jesaja 1:5-6 Maar de profeten staan vol met zulke uitspraken. Dus moet het maar genoeg zijn als ik kort laat zien dat God zijn kerk alleen maar straft met de bedoeling dat zij zich in haar verslagenheid bekeert.

Dus toen God Saul afzette als koning, was dat een wrekende straf. 1 Samuël 15:23 Maar toen Hij David zijn zoontje afnam, was dat een corrigerende tuchtiging. 2 Samuël 12:18

Zo moeten we ook opvatten wat Paulus zegt: ‘Als de Heer ons oordeelt, worden we getuchtigd, om te voorkomen dat we samen met deze wereld veroordeeld worden.’ 1 Korinthiërs 11:32 Dat betekent: als wij, Gods kinderen, geslagen worden door de hand van de hemelse Vader, is dat geen straf om ons kapot te maken. Het is alleen maar een tuchtiging om ons een les te leren.

En op dat punt staat Augustinus volledig aan mijn kant. Want hij leert dat we op verschillende manieren moeten kijken naar straffen waarmee God alle mensen zonder onderscheid tuchtigt. Want voor de heiligen, na de vergeving van hun zonden, vormen ze een wedstrijd en training. Maar voor de verworpenen, van wie de zonden niet vergeven zijn, zijn het straffen voor hun onrechtvaardigheid. Augustinus noemt dan de straffen die David en andere vromen opgelegd gekregen hebben. Hij zegt dan dat die straffen bedoeld waren om hen te trainen en te testen door middel van een vernederende ervaring. Jesaja zegt dat de onrechtvaardigheid van het Joodse volk vergeven was, omdat het door de hand van de Heer een complete tuchtiging had gekregen. Jesaja 40:2 Maar dat bewijst nog niet dat de vergeving van zonden afhankelijk is van de betaling van de straf. Het is net alsof Jesaja zegt: ‘Er is nu genoeg straf geëist, zo zwaar en zo veel. Jullie zijn al verteerd door een lange tijd van rouw en verdriet. Daarom is het nu tijd dat jullie de boodschap krijgen van de volledige barmhartigheid en dat jullie blij en vrolijk worden en ervaren dat Ik een Vader ben.’ Want God neemt daar de rol aan van een vader, die zelfs verdriet heeft van zijn rechtvaardige strengheid, omdat hij gedwongen was om zijn zoon nog al hevig te straffen.

Als je het verschil kent, hoef je de moed niet te verliezen

Als een gelovige vreselijk in het nauw zit, is het nodig dat hij met deze gedachten gewapend is. ‘Nu is het moment dat het oordeel begint over het huis van de Heer, waarin zijn naam is aangeroepen.’ 1 Petrus 4:17; Jeremia 25:29 Wat zouden Gods kinderen doen als ze geloofden dat ze in zijn strengheid Gods wraak voelen? Want als je geslagen wordt door Gods hand en dan denkt dat God straft als rechter, dan kun je alleen maar denken dat God boos op je is en tegen je is. Dan kun je Gods gesel alleen maar verafschuwen als een vloek en een veroordeling. Kortom, als je het gevoel hebt dat God je nog steeds wil straffen, kun je er nooit van overtuigd worden dat God van je houdt. Je hebt pas iets aan Gods gesel als je bedenkt dat God boos is op je zonden, maar jouzelf genadig en goedgezind is.

Want anders ga je onvermijdelijk ervaren waar de profeet over klaagt: ‘Uw woede is over mij heengegaan, God. Uw verschrikkingen hebben mij in het nauw gebracht.’ Psalm 88:17 En ook wat Mozes schrijft: ‘Want wij zijn vergaan door uw woede en uw verontwaardiging heeft ons angst aangejaagd. U hebt onze onrechtvaardigheid voor uw ogen geplaatst, onze geheime zonden hebt U in het licht van uw gelaat gelegd. Want al onze dagen zijn voorbijgegaan in uw woede, onze jaren zijn vergaan als een woord dat door een mond geuit is.’ Psalm 90:7-9

David echter zingt over de vaderlijke tuchtigingen, om te leren dat gelovigen daar eerder door geholpen worden dan dat ze erdoor in het nauw worden gebracht: ‘Gelukkig is de man die door U getuchtigd wordt, Heer, en die U onderwijst in uw wet.

Zo geeft U hem rust van zijn slechte dagen, terwijl er een kuil gegraven wordt voor de zondaar.’ Psalm 94:12-13 Ongetwijfeld is het een zware beproeving als God de ongelovigen spaart en niet op hun misdaden let, terwijl Hij streng is tegenover de zijnen. Daarom noemt David als reden voor troost ook het onderwijs in de wet. Want daardoor leren ze dat er gezorgd wordt voor hun behoud: zij worden teruggeroepen op het rechte pad terwijl de goddelozen zich halsoverkop in hun dwaling storten. Dat eindigt in een valkuil.

En het doet er niet toe of een straf eeuwig is of tijdelijk. Want oorlogen, hongersnood, pest en ziekten zijn allemaal evengoed vloeken van God als het oordeel van de eeuwige dood zelf. Want ze zijn bedoeld als instrumenten van Gods woede en wraak over de verworpenen.

Het voorbeeld van David is geen goed voorbeeld

Nu begrijpt iedereen wel, denk ik, wat de bedoeling is van Gods straf voor David: die straf bewijst dat de Heer moord en overspel heel erg vindt. Daarom laat Hij aan zijn geliefde en trouwe knecht David zien hoe ontstemd Hij is. Dan leert David zelf dat hij het niet moet wagen nog een keer zo’n misdaad te plegen. Deze straf is niet bedoeld om God een vergoeding te betalen.

Zo moeten we ook de andere tuchtiging zien, als de Heer het volk teistert met een vreselijke pest, omdat David zo ongehoorzaam was om het volk te laten tellen. 2 Samuël 24:15 Want de schuld van zijn zonde heeft Hij David gratis kwijtgescholden. Toch tuchtigde Hij hem heel zwaar met zijn gesel, om een algemeen voorbeeld te geven voor alle tijden dat zo’n misdaad niet ongestraft blijft en om David te vernederen.

En dit doel moeten we ook in het oog houden bij de algemene vervloeking van het menselijk geslacht. Genesis 3:16-19 Wij hebben genade gekregen. Toch ervaren we alle ellende die als straf voor de zonde aangekondigd is aan onze voorvader. Zulke trainingen herinneren ons eraan hoe erg God het vindt als zijn wet overtreden wordt. Dat is bedoeld om ons, verslagen en vernederd door ons ellendige lot, met nog meer vuur het echte geluk te laten nastreven. Maar je zou heel dom zijn als je zou denken dat de rampen in het tegenwoordige leven ons worden opgelegd als straf voor onze zonden.

Het lijkt mij toe dat Chrysostomos dit bedoelde, toen hij schreef: ‘Als God straf oplegt om degenen die in zonden volharden tot berouw te brengen, is het niet meer nodig om te straffen als ze eenmaal berouw getoond hebben.’ God weet precies wat goed is voor iedereen, gezien zijn aard. Daarom behandelt Hij de een strenger en een ander vriendelijker en toegeeflijker. En als Hij wil leren dat Hij geen extreme straffen eist, verwijt Hij het verharde en koppige volk dus dat het ondanks de slagen die het krijgt, toch niet ophoudt met zondigen. Jeremia 5:3

Dat bedoelt God ook als Hij klaagt dat Efraïm net een koek is die aan de ene kant aangebrand is en aan de andere kant nog niet eens gaar. Hosea 7:8 De slagen zijn niet doorgedrongen tot het hart. De zonden zijn er niet uitgebakken en dus is het volk zelf nog niet klaar voor vergeving. Wie zoiets zegt, laat ongetwijfeld zien dat Hij snel bereid is tot verzoening, zodra iemand tot inkeer gekomen is. Maar doordat wij zo koppig zijn, wordt Hij ertoe gedwongen om ons zo streng te tuchtigen om onze zonden. Als wij ons uit eigen beweging zouden corrigeren, zouden we dat voorkomen. Maar wij zijn allemaal zo verhard en dom, dat we nu eenmaal tuchtiging nodig hebben. Daarom vindt onze zeer wijze Vader het nodig om iedereen heel zijn leven te trainen met een gesel die ons allemaal samen raakt, zonder uitzondering.

En het is vreemd dat mijn tegenstanders alleen maar naar het voorbeeld van David kijken en dat zoveel andere voorbeelden hen onberoerd laten. Daarin hadden ze kunnen zien dat de zonden gratis vergeven worden! We lezen dat de tollenaar gerechtvaardigd de tempel verliet. Er volgt geen enkele straf. Lucas 18:14 Petrus kreeg vergeving voor zijn zonde. Lucas 22:61 Ambrosius zegt: ‘We lezen over zijn tranen. We lezen niet over genoegdoening.’ En tegen de verlamde wordt gezegd: ‘Sta op, je zonden zijn je vergeven.’ Mattheüs 9:2 Er wordt geen straf opgelegd. Alle keren dat er in de Schrift sprake is van vergeving van zonden, wordt dat beschreven als gratis. Mijn tegenstanders hadden beter uit deze vele voorbeelden een norm kunnen afleiden en niet uit dat ene voorbeeld waar ik weet niet wat voor bijzonders mee is.

Goede daden brengen verzoening tussen mensen en zijn een teken van echt berouw

Toen Daniël Nebukadnezar het advies gaf en aanspoorde om zijn zonden af te kopen met rechtvaardigheid en zijn onrechtvaardigheid met barmhartigheid tegenover de armen, Daniel 4:27 (4:24) toen wilde hij daarmee niet aangeven dat je je met rechtvaardigheid en barmhartigheid met God kunt verzoenen en zo je straf kunt afkopen. Want er is geen sprake van dat er ooit een andere losprijs geweest zou zijn dan het bloed van Christus. Dat hij het over afkopen had, sloeg meer op de mensen dan op God. Het was alsof hij zei: ‘U hebt, koning, onrechtvaardig geregeerd, met geweld. U heb onaanzienlijken onderdrukt, de armen beroofd en uw volk hardvochtig en onrechtvaardig behandeld. Maak wat u onrechtvaardig afgeperst hebt, uw geweld en uw onderdrukking nu goed door barmhartigheid en rechtvaardigheid.’

Dat bedoelt Salomo ook als hij zegt dat liefde veel zonden bedekt. Niet bij God, maar tussen mensen onderling. Want het volledige vers luidt zo: ‘Haat leidt tot ruzie, maar liefde bedekt alle zonden.’ Spreuken 10:12 Zoals zijn gewoonte is, maakt hij in dat vers een tegenstelling tussen slechte dingen die voortkomen uit haat en de vruchten van liefde. Dit bedoelt hij: als je elkaar haat, bijt, uitscheldt en verwijten maakt, verscheur je elkaar en ga je altijd uit van het slechtste. Maar als je elkaar liefhebt, zie je bij elkaar veel door de vingers en vergeef je elkaar veel. Niet dat je elkaars gebreken prijst. Maar je verdraagt en geneest die door elkaar te vermanen. Dat doe je liever dan ze erger te maken door elkaar aan te vallen.

Er is geen twijfel aan dat Petrus hetzelfde bedoelt als hij deze passage citeert. 1 Petrus 4:8 Of we moeten hem ervan willen beschuldigen dat hij de Schrift misvormt en op een sluwe manier verdraait.

En als Salomo leert dat de zonde verzoent wordt door barmhartigheid en vrijgevigheid, Spreuken 16:6 bedoelt hij daarmee niet dat zo de zonde goedgemaakt wordt in de ogen van de Heer. Alsof God met zo’n genoegdoening tevreden zou zijn en de straf zou kwijtschelden die Hij anders zou eisen. Nee, Salomo maakt duidelijk, zoals de gewoonte is in de Schrift, dat als je je zonden en slechte daden uit het verleden vaarwel zegt en je vroom en oprecht tot Hem bekeert, je zult ervaren dat Hij je genadig is. Het is alsof hij zegt: ‘Gods woede wordt gestild en er komt een eind aan zijn oordeel, als wij een eind maken aan onze zonden.’ Hij beschrijft daarmee dus niet de reden voor vergeving, maar alleen de manier waarop echte bekering plaatsvindt.

Ook de profeten verkondigen vaak dat huichelaars tevergeefs bij God aankomen met hun verzonnen rituelen in plaats van berouw. Want God is blij met oprechtheid en met de plichten van liefde. Ook de schrijver van de brief aan de Hebreeën geeft hoog op van elkaar goeddoen uit medemenselijkheid en dan wijst hij erop dat je met zulke offers God plezier doet. Hebreeën 13:16 En Christus bespot de farizeeën omdat ze wel ijverig hun schotels schoonmaken maar geen aandacht hebben voor het vuil in hun hart. Hij beveelt hun dan om liefdegaven aan de armen te geven om ervoor te zorgen dat alles rein is. Lucas 11:39-41; Mattheüs 23:25 Maar dan spoort Hij hun vast en zeker niet aan om genoegdoening te geven. Hij leert hun alleen met wat voor reinheid je God plezier doet. Maar deze uitspraak heb ik ergens anders behandeld.

De gelijkenis van de schuldeiser en de twee schuldenaars

Wat betreft de passage uit Lucas: niemand die de gelijkenis die de Heer daar presenteert gelezen heeft met een gezond oordeel, kan daar argumenten uit halen om mij te bestrijden. Lucas 7:36-50

De farizeeër dacht bij zichzelf dat de Heer de vrouw niet kende die Hij zo gemakkelijk toegang tot Hem gaf. Want de farizeeër dacht dat de Heer haar niet bij zich zou hebben toegelaten als Hij had geweten dat ze een zondares was. Dus concludeerde hij dat de Heer geen profeet was, omdat Hij zo gemakkelijk bedrogen kon worden.

De Heer wil laten zien dat zij geen zondares was. Want haar zonden waren al vergeven. Daarom presenteert de Heer een gelijkenis. Een schuldeiser had twee schuldenaars. De een had een schuld van vijftig en de ander van vijfhonderd. Van beiden werd de schuld kwijtgescholden. Wie van hen beiden was het meest dankbaar? De farizeeër antwoordt: natuurlijk degene die het meest gekregen heeft. De Heer zegt dan: dan weet je dus dat de zonden van deze vrouw vergeven zijn. Want zij heeft veel liefgehad.

Je ziet dat de Heer met deze woorden van haar liefde niet de reden maakt waarom haar zonden vergeven zijn. Hij maakt van haar liefde het bewijs dat haar zonden vergeven zijn. Want deze woorden zijn gebaseerd op de overeenkomst tussen haar en de schuldenaar aan wie de schuld van vijfhonderd was kwijtgescholden. Over hem zei de Heer niet dat die schuld hem was kwijtgescholden omdat hij veel liefgehad had, maar dat hij veel liefhad omdat die schuld hem was kwijtgescholden.

Deze overeenkomst moeten we zo toepassen: ‘Jij denkt dat deze vrouw een zondares is. Maar dat is ze niet en dat had je moeten weten. Want haar zonden zijn haar vergeven. Je had ervan overtuigd moeten zijn dat haar zonden vergeven zijn op basis van haar liefde, waarmee ze haar dank laat blijken voor die zegen.’ Het is een bewijs achteraf, op basis van de kernmerken die het gevolg zijn van de oorzaak.

En de Heer verklaart duidelijk op welke manier deze vrouw vergeving gekregen heeft voor haar zonden. Hij zegt: ‘Je geloof heeft je gered!’ We krijgen dus vergeving door geloof. Door liefde zeggen we daar dank voor en getuigen we van de goedheid van de Heer.

De kerkvaders over genoegdoening

Wat we bij de oude schrijvers in vele passages lezen over genoegdoening, doet mij weinig. Ik zie wel dat sommigen van hen – ik moet eigenlijk zeggen: bijna al degenen van wie de boeken bewaard gebleven zijn – bij dit onderwerp óf zijn uitgegleden, óf zich te sterk of te ingewikkeld uitgedrukt hebben. Maar ik zal niet toegeven dat zij zelf zo dom of onwetend waren dat ze met wat ze geschreven hebben, bedoeld hebben wat die genoegdoeningslieden er in lezen.

Chrysostomos schrijft ergens dit: ‘Als er om barmhartigheid gevraagd wordt, stopt de ondervraging. Als er om barmhartigheid verzocht wordt, woedt het oordeel niet meer. Als er om barmhartigheid gesmeekt wordt, is er geen ruimte meer voor straf. Als er barmhartigheid is, is er geen onderzoek meer. Als er barmhartigheid is, hoef je geen verantwoording meer af te leggen.’ Hoe je deze woorden ook verdraait, je kunt ze nooit in overeenstemming brengen met de dogma’s van de scholastici.

En in het boek Over de dogma’s van de kerk, dat op naam van Augustinus staat, lees je dit: ‘De genoegdoening van het berouw houdt in dat je de oorzaken van de zonde uitroeit en geen ruimte meer geeft aan zondige ingevingen.’ Daaruit blijkt dat ook in die tijd overal de draak gestoken werd met een leer van genoegdoening die stelde dat genoegdoening een betaling is voor de zonden die je gedaan hebt. Want de schrijver beperkt genoegdoening tot oppassen dat je in het vervolg niet weer zondigt.

Ik wil niet aanhalen wat dezelfde Chrysostomos leert: God eist van ons alleen maar dat we onze zonden onder tranen voor Hem belijden. Want dergelijke uitspraken kom je steeds in zijn geschriften en in die van anderen tegen.

Weliswaar noemt Augustinus barmhartige daden ergens middelen om vergeving van zonden te ‘verdienen’. Maar niemand kan over dat woordje struikelen, want dat voorkomt hij met een andere passage. Hij zegt: ‘Het vlees van Christus is het echte en enige offer voor de zonden. Niet alleen voor de zonden die allemaal tegelijk tenietgedaan worden in de doop, maar ook voor de zonden die later nog uit onze zwakheid voortkomen. Om die zonden roept heel de kerk elke dag uit: “Vergeef ons onze zonden!” En ze worden vergeven door dat enige offer.’

De leer van de kerkvaders wordt verdraaid en vervalst

De kerkvaders noemden genoegdoening ook vooral een openlijke verklaring en geen betaling aan God. Als degenen die met de ban gestraft waren, weer in de gemeenschap opgenomen wilden worden, bevestigden ze met zo’n verklaring dat ze berouw hadden. Zulke berouwvolle mensen kregen bepaalde opdrachten om te vasten en andere dingen te doen, om zo te bewijzen dat ze echt en oprecht berouw hadden van hun eerdere leven, of liever, om de herinnering aan het verleden uit te wissen. En dus werd er over hen ook niet gezegd dat ze genoegdoening gaven aan God, maar aan de kerk. Met exact deze woorden zegt Augustinus dat ook in zijn Handboek aan Laurentius.

Deze oude gewoonte vormt de oorsprong voor de biecht en de genoegdoeningen die tegenwoordig in gebruik zijn. Echt addergebroed, waardoor er zelfs geen schaduw meer over is van de oorspronkelijke, betere vorm. Ik weet dat de oude schrijvers zich vaak wat ingewikkeld uitdrukken. En ik ontken niet dat ze misschien zijn uitgegleden. Maar als de scholastici er met hun ongewassen handen aankomen, wordt wat met een paar vlekken bezoedeld was, volledig besmeurd.

En als we dan moeten discussiëren op basis van het gezag van de kerkvaders, welke oude schrijvers, goede God, dringen ze ons dan op? Een flink deel van de citaten waar Petrus Lombardus, hun leider, zijn lappendekens uit samengesteld heeft, is afkomstig uit het dwaze gezwets van sommige monniken, op naam van Ambrosius, Hiëronymus, Augustinus en Chrysostomos. Over dit onderwerp bijvoorbeeld haalt hij bijna alles uit het boek van Augustinus Overberouw. Maar dat boek is door een of andere bloemlezer op een dwaze manier bijeengeraapt uit zowel goede als slechte schrijvers, zonder onderscheid. Het draagt wel de naam van Augustinus, maar niemand, hoe weinig geleerd ook, zou dit boek de naam van Augustinus waard keuren.

De lezers moeten me maar vergeven dat ik hun dwaasheden niet zo scherpzinnig onderzoek. Ik wilde de lezers er niet mee lastigvallen. Voor mij zou het zeker niet moeilijk en juist prijzenswaard zijn om tot hun grote schande die dingen aan de kaak te stellen waar zij vroeger zo hoog van opgaven als mysteries. Maar ik zie ervan af.

Voetnoten

  1. 309

    Petrus Lombardus, Sententiae IV, 14,1; Augustinus, De vera et falsa poenitentia,8,22.

  2. 310

    Chrysostomos, Homiliae de muliere Cananaea,9.

  3. 311

    Pseudo-Chrysostomos, Contra Iudaeos, gentiles et haereticos.

  4. 312

    Paus Innocentius III (1161-1216).

  5. 313

    Salminius Hermias Sozomenus (5e eeuw), Byzantijnse kerkhistoricus.

  6. 314

    Nectarius († 397), bisschop van Constantinopel.

  7. 315

    Sozomenus, Historia ecclesiastica VII, 16.

  8. 316

    Chrysostomos, Homiliae in Psalmo 50, 2; Chrysostomos, De poenitentiae et confessione; Chrysostomos, Homiliae de incomprehensibili Dei naturae contra Anomoeos; Chrysostomos,Homiliae de Lazaro, 4.

  9. 317

    Petrus Lombardus, Sententiae IV, 17,2 en 18,1.

  10. 318

    Petrus Lombardus, Sententiae IV, 16,4.

  11. 319

    Petrus Lombardus, Sententiae III, 14,4.

  12. 320

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 31, 2,9.

  13. 321

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 129, 3.

  14. 322

    Chrysostomos, De poenitentiae et confessione.

  15. 323

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 102, 20.

  16. 324

    Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 33-34.

  17. 325

    Chrysostomos, De providentia Dei ad StagiriumIII, 14.

  18. 326

    Ambrosius van Milaan, De poenitentia Petri, 46.

  19. 327

    Chrysostomos, Homiliae in Psalmo 50, 2,2.

  20. 328

    Pseudo-Augustinus, De dogmatibus ecclesisasticis, 24.

  21. 329

    Chrysostomos,In Genesis, 10,2.

  22. 330

    Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 48.

  23. 331

    Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 17,65.

  24. 332

    Augustinus, De vera et falsa poenitentia.

Voetnoot 309

Petrus Lombardus, Sententiae IV, 14,1; Augustinus, De vera et falsa poenitentia,8,22.

Voetnoot 310

Chrysostomos, Homiliae de muliere Cananaea,9.

Voetnoot 311

Pseudo-Chrysostomos, Contra Iudaeos, gentiles et haereticos.

Voetnoot 312

Paus Innocentius III (1161-1216).

Voetnoot 313

Salminius Hermias Sozomenus (5e eeuw), Byzantijnse kerkhistoricus.

Voetnoot 314

Nectarius († 397), bisschop van Constantinopel.

Voetnoot 315

Sozomenus, Historia ecclesiastica VII, 16.

Voetnoot 316

Chrysostomos, Homiliae in Psalmo 50, 2; Chrysostomos, De poenitentiae et confessione; Chrysostomos, Homiliae de incomprehensibili Dei naturae contra Anomoeos; Chrysostomos,Homiliae de Lazaro, 4.

Voetnoot 317

Petrus Lombardus, Sententiae IV, 17,2 en 18,1.

Voetnoot 318

Petrus Lombardus, Sententiae IV, 16,4.

Voetnoot 319

Petrus Lombardus, Sententiae III, 14,4.

Voetnoot 320

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 31, 2,9.

Voetnoot 321

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 129, 3.

Voetnoot 322

Chrysostomos, De poenitentiae et confessione.

Voetnoot 323

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 102, 20.

Voetnoot 324

Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum II, 33-34.

Voetnoot 325

Chrysostomos, De providentia Dei ad StagiriumIII, 14.

Voetnoot 326

Ambrosius van Milaan, De poenitentia Petri, 46.

Voetnoot 327

Chrysostomos, Homiliae in Psalmo 50, 2,2.

Voetnoot 328

Pseudo-Augustinus, De dogmatibus ecclesisasticis, 24.

Voetnoot 329

Chrysostomos,In Genesis, 10,2.

Voetnoot 330

Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 48.

Voetnoot 331

Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 17,65.

Voetnoot 332

Augustinus, De vera et falsa poenitentia.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.