Boek III · Hoofdstuk 5
Aflaten en het vagevuur
Inhoud van dit hoofdstuk · 10 secties
- 1De misstanden van de aflaathandel
- 2Aflaten ontheiligen het offer van Christus
- 3De dood van een gewoon mens kan geen verzoening brengen
- 4Paulus leed niet om verzoening te doen voor zichzelf of de kerk
- 5Het ontstaan van de aflaten
- 6Het vagevuur is een levensgevaarlijk verzinsel
- 7Het vagevuur kan niet gebaseerd worden op de Schrift
- 8Schepselen ‘onder de aarde’ en Judas de Makkabeeër
- 9De vuurproef van de Heilige Geest
- 10De kerkvaders bieden geen steun voor het vagevuur
De misstanden van de aflaathandel
Deze leer van genoegdoening vormt ook de oorsprong van de aflaten. Want de sofisten kletsen dat aflaten aanvullen wat wij niet kunnen voldoen. En ze gaan zo ver in hun dwaasheid dat ze deze definitie geven van aflaten: in aflaten worden de verdiensten van Christus en de martelaren uitgedeeld. De paus wijst die verdiensten toe in zijn bullen.
Eigenlijk hebben deze mensen geen tegenargumenten nodig, maar nieskruid tegen hun waanzinnigheid. Daarom is het niet erg de moeite waard om zulke onbenullige dwalingen te weerleggen. Bovendien krijgen die al zoveel klappen te verduren dat ze vanzelf in verval raken en bijna instorten. Maar voor sommige leken is een korte weerlegging toch wel nuttig. Daarom zal ik die niet weglaten.
Dat de aflaten zo lang onaangetast in stand gebleven zijn en dat zo’n tomeloze en waanzinnige bandeloosheid zo lang ongestraft gebleven is, bewijst wel hoe diep de nacht van dwalingen is waarin de mensen eeuwenlang gedompeld zijn geweest.
Ze zagen dat de paus en zijn buldragers hen openlijk voor de gek hielden, zonder te huichelen. Ze zagen dat er met het behoud van hun zielen gemarchandeerd en geld verdiend werd. Ze zagen dat de prijs voor hun behoud getaxeerd werd op enkele muntjes. Ze zagen dat er niets gratis te krijgen was. Ze zagen dat ze onder het mom van offergaven werden afgezet en dat hun offergaven er op een schandelijke manier doorgejaagd werden bij hoeren, prostituees en drinkgelagen. Ze zagen dat degenen die het hoogst opgaven van aflaten ze ook het meest verachtten. Ze zagen dat het monster elke dag losbandiger werd en zich steeds verder te buiten ging en dat er geen eind aan gemaakt werd. Ze zagen dat er telkens nieuwe bullen voorzien werden van een zegel en dat er telkens opnieuw geld afgetroggeld werd.
Toch aanvaardden ze de aflaten met de grootst mogelijke eerbied. Ze aanbaden ze en kochten ze. En wie beter keken dan de rest, vonden toch dat aflaten een vroom bedrog vormden en dat het wel enig nut had om je erdoor te laten bedriegen.
Maar nu staat de wereld zich eindelijk toe om iets wijzer te zijn. En nu verkillen de aflaten en stap voor stap bevriezen ze. Uiteindelijk zullen ze volledig verdwijnen.
Aflaten ontheiligen het offer van Christus
Maar er zijn heel veel mensen die wel het vuil, het bedrog, de diefstal en de roof zien waarmee de aflaathandelaren tot nu toe een spelletje met ons gespeeld hebben en ons voor de gek hebben gehouden. Maar ze zien niet wat de eigenlijke bron is van deze goddeloosheid. Daarom moet ik laten zien hoe aflaten werken en ook wat aflaten eigenlijk zijn als alle vlekken eraf gewassen zijn.
Mijn tegenstanders noemen aflaten de voorraad van de kerk, de verdiensten van Christus en van de heilige apostelen en martelaren. Ze beweren dat de taak om dit magazijn te beheren volledig is overgedragen aan de bisschop van Rome – ik heb dat al genoemd – en dat hij het recht heeft om deze geweldige zegeningen uit te delen. Hij kan ze zelf uitdelen, maar hij kan ook anderen het recht geven om ze uit te delen. Zodoende geeft de paus soms een volledige aflaat en soms een aflaat voor een bepaald aantal jaren en geven kardinalen aflaten voor honderd en bisschoppen voor veertig dagen.
Maar om die aflaten te beschrijven zoals ze echt zijn, ze vormen een ontheiliging van Christus’ bloed. Ze zijn een bespotting door Satan. Ze voeren het christenvolk af van Gods genade en van het leven dat in Christus is. Ze keren het christenvolk af van de juiste weg naar het behoud. Want hoe kun je Christus’ bloed erger ontheiligen dan door te ontkennen dat het voldoende is om genoegdoening te geven en dat wat eraan ontbreekt uit een andere bron moet worden aangevuld? Alsof Christus’ bloed is opgedroogd en uitgeput!
Petrus zegt dat de wet en alle profeten van Christus getuigen dat we door Hem vergeving van zonden moeten krijgen. Handelingen 10:43 Maar aflaten geven vergeving van zonden door Petrus, Paulus en de martelaren.
Johannes zegt: ‘Het bloed van Christus reinigt ons van zonde.’ 1 Johannes 1:7 Maar aflaten zeggen dat het bloed van de martelaren onze zonden afwast.
Paulus zegt: ‘Christus die geen zonde kende, is voor ons tot zonde gemaakt’ – dat wil zeggen: tot genoegdoening voor de zonde – ‘zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden worden.’ 2 Korinthiërs 5:21 Maar volgens aflaten ligt de genoegdoening voor de zonden in het bloed van de martelaren.
Paulus verkondigde en verklaarde tegenover de Korinthiërs dat alleen Christus voor hen gekruisigd en gestorven was. 1 Korinthiërs 1:13 Maar aflaten prediken dat Paulus en anderen voor ons gestorven zijn.
Ergens anders zegt Paulus dat Christus de kerk gekocht heeft met zijn eigen bloed. Handelingen 20:28 Maar aflaten maken van het bloed van de martelaren een andere prijs voor het kopen van de kerk.
De apostel zegt: ‘Met één offer heeft Christus degenen die geheiligd worden voor eeuwig volmaakt gemaakt.’ Hebreeën 10:14 Maar aflaten roepen daar tegenin dat de martelaren de heiliging voltooien, want anders zou die heiliging niet voldoende zijn.
Johannes zegt dat alle heiligen hun kleren hebben gewassen in het bloed van het lam. Openbaring 7:14 Maar aflaten leren dat je je kleren moet wassen in het bloed van de heiligen.
De dood van een gewoon mens kan geen verzoening brengen
Leo I, bisschop van Rome, schrijft aan de Palestijnen heel duidelijk tegen deze heiligschennis: ‘De dood van vele heiligen is weliswaar kostbaar geweest in Gods ogen. Psalm 116:15 Toch heeft niemands dood, ook al was hij onschuldig, verzoening gebracht voor de wereld. De rechtvaardigen hebben kronen gekregen, niet gegeven. En de moed van de gelovigen heeft voorbeelden opgeleverd van volharding, geen gaven van rechtvaardigheid. Immers, ieders dood heeft alleen betekenis voor hemzelf en niemand heeft door zijn levenseinde de schuld betaald van iemand anders. Want er is er slechts één geweest, de Heer Christus, in wie iedereen gekruisigd, gestorven, begraven en opgewekt is.’ En omdat deze uitspraak de moeite van het vermelden waard was, heeft hij die ook ergens anders herhaald.
Vast en zeker zouden we niets duidelijkers kunnen wensen om dit goddeloze dogma de doodsteek te geven. Toch zegt Augustinus hetzelfde niet minder juist: ‘Ook al sterven we als broeders voor onze broeders, toch wordt het bloed van geen enkele martelaar vergoten om zonden te vergeven. Dat heeft Christus voor ons gedaan. En Hij heeft dat niet gedaan met de bedoeling dat wij Hem daarin moeten imiteren, maar dat we Hem daarvoor zouden danken.’ En ergens anders: ‘Alleen de Zoon van God is een mensenzoon geworden om ons samen met Hem zonen van God te maken. En zo heeft ook alleen Hij, zonder dat Hij iets slechts verdiend had, voor ons de straf op zich genomen, zodat wij, zonder dat wij iets goeds verdiend hadden, door Hem onverdiende genade zouden krijgen.’
Werkelijk, heel de leer van mijn tegenstanders is samengesteld uit verschrikkelijke heiligschennis en godslastering, maar dit is toch wel een godslastering die boven de andere uitsteekt, zo monsterlijk is het. Ze moeten maar eens erkennen dat hun ideeën hierop neerkomen: martelaren hebben met hun dood bij God meer bereikt en verdiend dan ze zelf nodig hadden. Ze hebben zo’n grote voorraad verdiensten over gehad dat die ook aan anderen uitgedeeld kon worden. En om te voorkomen dat zo’n grote zegen ongebruikt zou blijven, wordt hun bloed vermengt met het bloed van Christus. Dat dubbele bloed vormt de voorraad van de kerk waaruit zonden vergeven en voldaan worden. En zo zou je moeten opvatten wat Paulus zegt: ‘Ik vul in mijn lichaam aan wat er ontbreekt aan het lijden van Christus, voor zijn lichaam, dat is de kerk.’ Kolossenzen 1:24
Wat is dit anders dan Christus wel zijn naam laten houden, maar verder van Hem een gewoon heiligje maken dat nauwelijks nog opvalt in de grote massa? Hij, Hij alleen hoort gepredikt te worden, Hij alleen hoort gepresenteerd te worden, Hij alleen hoort genoemd te worden, naar Hem alleen hoort opgekeken te worden als het gaat om het verkrijgen van vergeving van zonden, verzoening en heiliging.
Maar laten we eens luisteren naar hun vreemde gedachtegangen. Om te voorkomen dat het bloed van de martelaren vruchteloos vergoten is, moet het gebruikt worden voor het algemeen belang van de kerk. O ja? Was het dan helemaal voor niets dat ze met hun dood Gods glorie lieten schitteren? Dat ze met hun bloed zijn waarheid onderschreven? Dat ze met hun verachting van het tegenwoordige leven getuigden dat ze uit waren op een beter leven? Dat ze met hun standvastigheid het geloof van de kerk bevestigden en de koppigheid van de vijanden braken?
Maar dat is precies het probleem: mijn tegenstanders erkennen geen enkele vrucht als Christus de enige verzoener is, als Hij als enige gestorven is voor onze zonden, als Hij als enige geofferd is voor onze verlossing. Zij zeggen: Petrus en Paulus zouden de overwinningskrans ook wel gekregen hebben als ze op hun bed waren overleden. Maar ze hebben een bloedige strijd gevoerd. Daarom zou het niet te rijmen vallen met Gods rechtvaardigheid als die strijd zonder vrucht en nut zou blijven. Alsof God niet zou weten hoe Hij zijn glorie moest vergroten in zijn dienaren, in overeenstemming met de gaven die Hij hun gegeven had! En hun zege levert genoeg op voor het algemeen belang van de kerk als zij daardoor ontbrandt in ijver om te strijden.
Paulus leed niet om verzoening te doen voor zichzelf of de kerk
Met wat voor boze opzet verdraaien mijn tegenstanders de passage van Paulus waar hij zegt dat hij in zijn lichaam aanvult wat er aan het lijden van Christus ontbrak! Kolossenzen 1:24 Want dat ontbreken of aanvullen laat hij niet slaan op het werk van de verlossing, voldoening en verzoening. Hij doelt daarmee op de verdrukkingen waardoor alle ledematen van Christus – de gelovigen dus – getraind moeten worden zolang zij nog in dit vlees leven. Hij bedoelt dus dat van het lijden van Christus dit nog resteert: eerst leed Hij in zichzelf, maar nu lijdt Hij nog elke dag in zijn ledematen. Christus keurt ons dus deze eer waard: onze verdrukking beschouwt Hij als zijn verdrukking.
Paulus voegt eraan toe: ‘Voor de kerk.’ Daarmee bedoelt hij niet voor de verlossing en voldoening van de kerk, maar voor de opbouw en het nut van de kerk. Zo zegt hij ook ergens anders dat hij alles verdraagt omwille van de uitverkorenen, zodat zij het behoud mogen krijgen dat te vinden is in Christus Jezus. 2 Timotheüs 2:10 En aan de Korinthiërs schreef hij dat hij alle verdrukkingen die hij onderging, verdroeg voor hun troost en behoud. 2 Korinthiërs 1:6
En Paulus legt deze woorden meteen daarna uit, door eraan toe te voegen dat hij een dienaar van de kerk geworden is, niet om hen te verlossen, maar om hen te dienen door het evangelie van Christus te prediken dat aan hem was toevertrouwd. 1 Kolossenzen 1:25
Als mijn tegenstanders nog een andere uitlegger willen, dan moeten ze maar eens luisteren naar Augustinus. Hij zegt: ‘Het lijden van Christus is in Christus alleen, als in het hoofd. En in
Christus en de kerk, als in heel het lichaam. Daarom zegt Paulus, als één van de ledematen: ik vul in mijn lichaam aan wat er ontbreekt aan het lijden van Christus. Als jij, die dit hoort, een van Christus’ ledematen bent, dan ontbrak aan Christus’ lijden alles wat jij te lijden hebt van degenen die geen ledematen van Christus zijn.’ En ergens anders legt Augustinus uit waar het lijden van de apostelen voor dient dat zij voor de kerk verdragen hebben: ‘Christus is voor mij een deur naar jullie. Jullie zijn schapen van Christus, gekocht met zijn bloed. Daarom moeten jullie je prijs erkennen. Ik betaal die prijs niet, maar predik die.’ En daaraan voegt hij toe: ‘Zoals Christus zijn leven gegeven heeft, zo moeten wij ook ons leven geven voor de broeders, om vrede te stichten en om het geloof te versterken.’ Tot zover Augustinus.
Het is absoluut niet zo dat Paulus gedacht zou hebben dat er iets ontbrak aan het lijden van Christus als het gaat om de volledigheid van de rechtvaardigheid, het behoud en het leven of dat hij daar iets aan zou willen toevoegen. Want hij predikt zo duidelijk en heerlijk dat Christus de overvloed van genade zo royaal heeft uitgestort dat de zonde daardoor ver wordt overtroffen. Romeinen 5:15 Alle heiligen zijn alleen daardoor gered, niet door wat ze verdiend hebben met hun leven of hun dood. Petrus verklaart dat uitdrukkelijk. Handelingen 15:11 Dus wie de waardigheid van welke heilige ook baseert op iets anders dan Gods barmhartigheid, beledigt God en zijn Christus.
Maar waarom zou ik hier nog langer bij blijven stilstaan? Dit onderwerp is niet onduidelijk meer, want dit soort monsterachtige ideeën zijn weerlegd zodra je ze uitlegt.
Het ontstaan van de aflaten
Verder, om zulke afschuwelijke dingen maar te laten liggen, de Heer wilde dat de genade van Jezus Christus uitgedeeld werd door het Woord van het evangelie. Wie heeft de paus dan geleerd om die genade op te sluiten in verzegeld perkament? Werkelijk, óf Gods evangelie is een leugen, óf aflaten zijn leugens. Want Paulus verklaart dat Christus ons door het evangelie wordt aangeboden met heel de overvloed aan hemelse zegeningen, met alles wat Hij verdiend heeft, met heel zijn rechtvaardigheid, wijsheid en genade, zonder enige uitzondering. Want hij zegt dat het Woord van de verzoening is toevertrouwd aan de dienaren om hen te laten fungeren als afgezanten, alsof Christus via hen deze oproep deed: ‘Wij smeken jullie, laat je met God verzoenen! Hem die geen zonde kende, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden worden.’ 2 Korinthiërs 5:18-21 En de gelovigen kennen de waarde van de gemeenschap met Christus, waarvan dezelfde apostel verklaart dat die ons in het evangelie wordt aangeboden om ervan te genieten. 1 Korinthiërs 1:9
Aflaten echter halen uit de voorraadkamer van de paus een afgepaste hoeveelheid tevoorschijn, koppelen het aan een stuk verzegeld perkament en aan een specifieke plek en scheuren het los van Gods Woord. En als je vraagt wat de oorsprong daarvan is: dit misbruik lijkt voortgekomen uit een oude gewoonte. Soms kregen mensen die berouw hadden genoegdoeningen opgelegd die te streng waren om te dragen. Degenen die het gevoel hadden dat de hun opgelegde boete te zwaar was, vroegen dan aan de kerk om verlichting. Dan kregen ze ontheffing en die ontheffing werd een aflaat genoemd. Maar later werden de genoegdoeningen overgebracht op God. Men zei dat het betalingen waren waarmee mensen het oordeel van God afkochten. Toen heeft men ook de aflaten daarop laten slaan. Het zouden verzoeningsmiddelen zijn om ons te bevrijden van de straffen die we verdiend hebben. En ze hebben zo onbeschaamd al die godslasteringen verzonnen die ik genoemd heb, dat ze geen enkel zogenaamd excuus kunnen aanvoeren.
Het vagevuur is een levensgevaarlijk verzinsel
Nu moeten de sofisten ons ook maar niet meer lastigvallen met hun vagevuur. Want dat is met dezelfde bijl al doormidden gebroken, omgehakt en volledig van zijn fundamenten afgegooid. Want ik ben het niet eens met sommigen die vinden dat we dit onderwerp maar moeten negeren en het vagevuur maar niet moeten noemen, omdat het – zeggen zij – alleen maar tot fel debat leidt, zonder dat je er veel aan hebt. Zelf zou ik ook aanraden zulke onbenulligheden maar te laten passeren, als ze er zelf niet zoveel waarde aan zouden hechten. Maar het vagevuur is samengesteld uit zoveel godslasteringen en er komen elke dag nieuwe bij om het te ondersteunen. Dat geeft enorm veel aanstoot en dus kunnen we dit echt niet door de vingers zien.
We hadden misschien op een of andere manier een tijdje kunnen negeren dat het buiten Gods Woord om bedacht was uit nieuwsgierige en brutale overmoed, dat men in het vagevuur geloofde op basis van een soort openbaringen die de duivel met zijn kunsten bedacht had en dat op een domme manier passages uit de Schrift verdraaid werden om het vagevuur te bevestigen. Weliswaar accepteert de Heer niet dat mensen zo brutaal inbreken in de verborgen schuilhoeken van zijn oordelen. Hij heeft streng verboden om zijn stem te negeren en bij doden te gaan zoeken naar de waarheid. Deuteronomium 18:11 En Hij staat niet toe dat zijn Woord zo oneerbiedig bezoedeld wordt. Maar ik geef toe dat we dit allemaal een tijdje hadden kunnen verdragen als niet zo belangrijk.
Maar als men de verzoening van de zonden ergens anders gaat zoeken dan in het bloed van Christus, als men de voldoening verplaatst naar iets anders, dan is zwijgen heel gevaarlijk! We moeten dus niet alleen maar onze stem gebruiken, maar uit volle borst een keel opzetten om het uit te schreeuwen: het vagevuur is een levensgevaarlijk verzinsel van Satan! Het maakt het kruis van Christus zonder betekenis! Het vormt een onaanvaardbare belediging van Gods barmhartigheid! Het brengt ons geloof aan het wankelen en gooit het omver!
Want wat is het vagevuur voor hen anders dan een genoegdoening die na de dood door de zielen van de overledenen betaald wordt voor hun zonden? Als het idee van genoegdoening omvergehaald is, is dus meteen ook het vagevuur vernietigd. Ik heb zojuist uitgelegd dat het bloed van Christus de enige voldoening, verzoening en reiniging is voor de zonden van de gelovigen. Als dat overduidelijk is, wat is het vagevuur dan nog anders dan enkel een huiveringwekkende godslastering tegen Christus? Ik laat de heiligschennis waarmee het vagevuur elke dag verdedigd wordt maar liggen, net als de aanstoot die het geeft in de godsdienst en de ontelbaar veel andere dingen die we tevoorschijn hebben zien komen uit deze goddeloze bron.
Het vagevuur kan niet gebaseerd worden op de Schrift
Maar het is nodig om mijn tegenstanders de Schriftpassages uit handen te rukken die zij in hun bedrog verkeerd gebruiken.
De Heer verklaart dat de zonde tegen de Heilige Geest niet in deze tijd en niet in de tijd die komt vergeven zal worden. Mattheüs 12:32; Marcus 3:28-29; Lucas 12:10 Volgens hen geeft de Heer daarmee ook aan dat ervoor sommige zonden wel vergeving is in de tijd die komt. Maar wie ziet niet dat de Heer het hier heeft over de schuld van de zonde? En als dat zo is, wat betekent dat dan voor hun vagevuur? Want ze ontkennen niet dat in het tegenwoordige leven de schuld vergeven is van de zonden waarvoor volgens hen daar de straf betaald wordt.
Maar om te voorkomen dat ze mij nog tegenspreken, zal ik hun een nog duidelijkere weerlegging geven. De Heer wilde elke hoop op vergeving voor zo’n schandelijke slechtheid afsnijden. Daarom vond Hij het niet genoeg om te zeggen dat die nooit vergeven zou worden. Hij wilde het sterker zeggen en daarom maakte Hij onderscheid tussen het oordeel dat ieder in dit leven voelt in zijn geweten en het laatste oordeel dat bij de opstanding publiek uitgesproken zal worden. Het is alsof Hij zei: ‘Pas op voor boosaardige koppigheid, want dat betekent een zekere ondergang! Want wie het aangeboden licht van de Geest met opzet probeert uit te doven, zal geen vergeving krijgen in dit leven, dat zondaren krijgen om zich te bekeren, en ook niet op de laatste dag, als Gods engelen de lammeren scheiden van de bokken en het koninkrijk van de hemel gezuiverd wordt van alles dat aanstoot geeft.’ Mattheüs 25:32-33
Verder voeren ze een gelijkenis uit Mattheüs aan: ‘Wees eensgezind met je tegenstander, om te voorkomen dat hij je misschien overlevert aan de rechter en de rechter aan de gerechtsdienaar en de gerechtsdienaar aan de gevangenis. Want daar kom je niet uit voordat je de laatste penning betaald hebt.’ Mattheüs 5:25 Als de rechter hier God voorstelt, de tegenstander de duivel, de gerechtsdienaar een engel en de gevangenis het vagevuur – dan geef ik me graag gewonnen. Maar stel dat het voor iedereen vaststaat dat Christus in deze passage wilde laten zien hoeveel risico je neemt als je het hoogste recht liever blijft uitproberen in plaats van dat je eerlijk en goed handelt en dat Christus zo de zijnen extra dringend wilde aansporen om eerlijk en eensgezind te leven. Waar, vraag ik je, vind je hier dan nog het vagevuur?
Schepselen ‘onder de aarde’ en Judas de Makkabeeër
Mijn tegenstanders gebruiken als bewijs ook de woorden van Paulus, als hij zegt dat degenen in de hemel, op de aarde en onder de aarde zich buigen voor Christus. Filippenzen 2:10 Want zij gaan er bij voorbaat vanuit dat met degenen onder de aarde niet degenen bedoeld kunnen zijn die voor eeuwig veroordeeld zijn. Dus blijft dan over dat het de zielen zijn die gekweld worden in het vagevuur. Dat zou geen slechte argumentatie zijn van hen als de apostel met het buigen van de knie ware en vrome aanbidding bedoelde. Maar hij leert simpelweg dat Christus gezag krijgt over alle schepselen. Ze moeten zich allemaal aan Hem onderwerpen. Wat verhindert dan dat we degenen onder de aarde opvatten als de duivels die vast en zeker voor de rechterstoel van de Heer geplaatst worden en Hem met angst en beven als hun rechter moeten erkennen?
Zo legt Paulus zelf ergens anders dezelfde profetie uit. Hij zegt: ‘Iedereen zal voor de rechterstoel van Christus komen te staan. Want er staat geschreven: “Ik leef. Voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal aan Mij zweren.”’ Romeinen 14:10; Jesaja 45:23
Maar, zeggen mijn tegenstanders, zo mag je toch niet uitleggen wat er in Openbaring staat: ‘Elk schepsel in de hemel, op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles in de zee hoorde ik zeggen: “Aan Hem die op de troon zit en aan het Lam de dank, de eer, de glorie en de kracht in alle eeuwigheid!”’ Openbaring 5:13 Dat geef ik graag toe. Maar wat voor schepselen denken zij dat hier opgesomd worden? Want het is absoluut zeker dat hier de redeloze en niet-ademende schepselen bedoeld worden. Hier wordt alleen maar verklaard dat alle onderdelen van de wereld, van de hoogste hemelpiek tot het middelpunt van de aarde toe op hun eigen manier de glorie van de schepper verkondigen. Psalm 19:2 Wat mijn tegenstanders opdiepen uit het verhaal over de Makkabeeën vind ik geen antwoord waard. Want ik wil niet de indruk wekken dat ik dat boek tot de canon van de heilige boeken reken. Maar, zullen ze zeggen, Augustinus accepteerde het wel als canoniek. Maar hoe vast was hij daar van overtuigd? Hij zegt: ‘Het geschrift over de Makkabeeën hebben de Joden niet net zoals de wet, de profeten en de psalmen. Dáárvan heeft de Heer verklaard dat ze van Hem getuigen, door te zeggen: “Alles wat over Mij geschreven staat in de wet, de psalmen en de profeten moest vervuld worden.” Lucas 24:44 Maar het geschrift over de Makkabeeën heeft de kerk aanvaard omdat het nuttig kan zijn, als het maar gelezen en aangehoord wordt met zelfbeheersing …’ En Hiëronymus aarzelt niet om te leren dat het gezag van dit boek geen enkele waarde heeft om leerstukken te bevestigen. En uit dat oude boekje op naam van Cyprianus – De uitleg van de artikelen van het geloof heet het – blijkt duidelijk dat het in de oude kerk geen gezag had.
Maar waarom voer ik deze zinloze strijd? Alsof de schrijver niet zelf duidelijk genoeg laat zien hoeveel waarde we aan hem moeten hechten! Want aan het eind vraagt hij vergeving voor het geval hij iets minder goed gezegd heeft. 2 Makkabeeën 15:38 Wie erkent dat zijn geschriften vergeving nodig hebben, geeft daarmee natuurlijk duidelijk aan dat ze geen goddelijke uitspraken van de Heilige Geest zijn.
Bovendien, toen Judas de Makkabeeër een offer zond naar Jeruzalem voor de doden, werd zijn vroomheid alleen maar geprezen omdat hij vast vertrouwde op de laatste opstanding. 2 Makkabeeën 12:43 Want de schrijver van dit verhaal vat wat Judas deed niet op als een losprijs voor hun verlossing. Hij deed het om hen te laten delen in het eeuwige leven, samen met de andere gelovigen die voor hun vaderland en godsdienst gestorven waren. Deze daad was niet vrij van bijgeloof en verkeerde ijver. Maar degenen die in onze tijd nog steeds waarde willen hechten aan een offer uit de wet, zijn nog veel dwazer. Want we weten dat er door de komst van Christus een eind gekomen is aan wat toen gebruikelijk was.
De vuurproef van de Heilige Geest
Maar met Paulus brengen mijn tegenstanders een onoverwinnelijke slagorde in stelling, die niet gemakkelijk te verslaan is. Hij zegt: ‘Als iemand op dit fundament goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro bouwt, dan zal de dag van de Heer aan het licht brengen hoe degelijk ieders werk is. Want het zal blijken in het vuur. Het vuur zal testen hoe degelijk ieders werk is. Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Zelf zal hij gered worden, maar als door vuur.’ 1 Korinthiërs 3:12-13 Wat, zeggen zij, kan dat voor vuur zijn? Dat moet wel het vagevuur zijn, dat de vlekken van de zonde afwist, zodat we schoon het koninkrijk van God kunnen binnengaan!
Toch waren verschillende oude schrijvers van mening dat het een ander vuur was: de verdrukking of het kruis waarmee de Heer de zijnen uittest, om te voorkomen dat ze in het vuil van het vlees zouden berusten. En dat is veel waarschijnlijker dan een verzonnen vagevuur. Toch ben ik het ook niet met hen eens. Want het lijkt mij dat ik een veel zekerder en duidelijker inzicht heb gekregen in deze passage.
Maar voordat ik dat inzicht presenteer, zou ik graag willen dat ze mij eens antwoord geven op de vraag of ze denken dat de apostelen en alle heiligen door dit vagevuur heen hebben moeten gaan. Ik weet dat ze zullen zeggen van niet. Want het zou veel te dwaas klinken als zij gereinigd hadden moeten worden. Ze fantaseren immers dat de apostelen en de heiligen zoveel verdiend hebben dat alle leden van de kerk delen in het overschot. Maar de apostel zegt van wel. Want hij zegt niet dat het werk van sommigen getest zal worden, maar het werk van iedereen, dus inclusief de apostelen. En dit is geen argument van mij, maar van Augustinus. Zo weerlegt hij de uitleg die zij er tegenwoordig aan geven. En wat nog absurder is: de apostel zegt niet dat ze door het vuur heen zullen gaan om alles wat ze maar gedaan hebben. Ze gaan alleen door het vuur heen als ze heel trouw de kerk gebouwd hebben. Dan zullen ze hun loon krijgen, als hun werk door het vuur is getest.
Om te beginnen zien we dat de apostel figuurlijk sprak. Want hij noemt de leer die mensen zelf bedacht hebben hout, hooi en stro. De uitleg van deze beeldspraak ligt voor de hand: hout verbrand volledig, zodra het met vuur in aanraking komt. Zo kan zo’n leer niet in stand blijven als die wordt getest.
Verder weet iedereen dat een dergelijke test het werk is van Gods Geest. Om de draad van deze beeldspraak te blijven volgen, heeft de apostel de test van de Heilige Geest dus vuur genoemd. De echtheid van goud en zilver blijkt steeds zekerder, hoe dichter je ze bij het vuur houdt. Zo wordt ook het gezag van Gods waarheid steeds sterker, hoe nauwkeuriger die onderzocht wordt door een geestelijke test. Hooi, hout en stro verbranden en verteren meteen, zodra ze in het vuur geworpen worden. Zo kunnen ook de verzinsels van mensen, die niet gesteund worden door het Woord van de Heer, de test van de Heilige Geest niet doorstaan. Ze storten meteen in en vergaan.
Kortom, verzonnen leer wordt vergeleken met hout, hooi en stro, omdat die net als hout, hooi en stro door het vuur verbrand en vernietigd worden. Maar verzonnen leer wordt alleen maar vernield of vernietigd door de Geest van de Heer. Dat betekent dus dat de Geest dat vuur is waardoor zulke leer getest zal worden.
Die test noemt Paulus ‘de dag van de Heer’, volgens de gewoonte van de Schrift. Want telkens als de Heer op een of andere manier laat zien dat Hij aanwezig is, wordt er gesproken over ‘de dag van de Heer’. Dan straalt zijn gelaat het helderst, als zijn waarheid haar licht verspreidt. Nu is volledig bewezen dat Paulus met vuur niets anders bedoelt dan de test van de Heilige Geest.
Maar hoe worden degenen die schade lijden in hun werk dan gered door dat vuur? Dat is niet moeilijk te begrijpen als we bedenken over wat voor mensen de apostel het heeft. Hij noemt hen immers bouwmeesters van de kerk. Ze bewaren het echte fundament, maar daarop bouwen ze met materiaal dat er niet bij past. Dat wil zeggen: ze wijken niet af van de belangrijkste en meest nodige punten van het geloof. Maar wat betreft de minder belangrijkere en minder gevaarlijke punten grijpen ze mis. Want ze vermengen Gods Woord met hun eigen verzinsels. Zulke mensen moeten schade lijden in hun werk, doordat hun verzinsels vernietigd worden. Maar zijzelf worden gered. Maar wel als door vuur. Dat wil zeggen: niet omdat God hun onwetendheid en mis grijpen kan goedkeuren, maar omdat ze door de genade en de kracht van de Heilige Geest daarvan gezuiverd worden. Daarom moeten al degenen die de gouden zuiverheid van Gods Woord besmeurd hebben met de modder van dat vagevuur schade lijden aan hun werk.
De kerkvaders bieden geen steun voor het vagevuur
Maar, zeggen mijn tegenstanders, het is al een heel oude opvatting van de kerk. Paulus ontzenuwt dit bezwaar. Als hij verklaart dat ieder die bij het bouwen van de kerk iets neerzet dat minder goed past bij het fundament schade moet lijden aan zijn werk, dan laat hij dat oordeel ook slaan op zijn eigen tijd. Dus als mijn tegenstanders mij voor de voeten werpen dat het al dertienhonderd jaar de gewoonte is om te bidden voor de doden, dan vraag ik hun op mijn beurt: op grond van welk woord van God, welke openbaring of welk voorbeeld is dat gebeurd? Immers, op dit punt ontbreken er niet alleen bewijzen uit de Schrift. Ook is er geen enkel voorbeeld van heiligen bij wie je zoiets kunt lezen. Je vindt er wel veel en soms lange verhalen over de rouw en het bewijzen van eer op een begrafenis. Maar je leest niets dat ook maar een beetje wijst op bidden. Maar als dit zoiets belangrijks is, dan had dat toch zeker genoemd moeten worden!
Trouwens, ook de oude schrijvers die wel voor de doden baden, zagen zelf in dat ze op dit punt geen gebod van God en geen legitiem voorbeeld hadden. Waarom waagden ze het dan om het te doen? Volgens mij is hun daarin iets menselijks overkomen. En daarom moeten wij hen volgens mij niet imiteren in wat ze gedaan hebben. Want gelovigen moeten nergens aan beginnen als ze in hun geweten geen zekerheid hebben, zoals Paulus leert. Romeinen 14:23 En dat geldt vooral bij het bidden. Toch is het aannemelijk dat ze ertoe aangezet zijn door een bepaalde reden: ze zochten troost om hun verdriet te verlichten en het leek hun onmenselijk om voor God niet te getuigen van hun liefde voor de doden. Iedereen ervaart dat de mens van nature geneigd is tot zo’n gevoel.
Ook was er een algemene gewoonte die als een fakkel het hart van velen in brand stak. We weten dat er bij alle volken en in alle tijden rituelen uitgevoerd werden voor de doden en er elk jaar met offers verzoening gedaan werd voor hun zielen. Met deze goocheltrucs misleidde Satan dwaze mensen. Maar als aanleiding om hen te bedriegen nam hij toch een juist uitgangspunt: de dood is niet het einde, maar een overgang van dit leven naar een ander leven. En er is geen twijfel aan dat de heidenen ook vanwege dit bijgeloof schuldig staan voor Gods rechterstoel. Want ze verklaarden wel dat ze geloven in een toekomstig leven, maar lieten na daarvoor te zorgen.
Maar de christenen wilden niet slechter zijn dan deze onheilige mensen. Daarom schaamden ze zich ervoor dat ze de doden geen enkele dienst bewezen. Dan was het net alsof die er helemaal niet meer waren. Vandaar die onbezonnen ijver. Want als ze laks zouden zijn in hun zorg voor de rituelen, maaltijden en offers voor de doden, dachten ze dat hun veel te verwijten viel. En wat uit deze verkeerde imitatie is ontstaan, is op den duur zo uitgedijd met nieuwe toevoegingen, dat in het pausdom het helpen van de doden die gekweld worden nu het belangrijkste kenmerk is van heiligheid. Maar de Schrift verschaft ons een andere, veel betere en zekerdere troost als ze verklaart dat de doden die sterven in de Heer volmaakt gelukkig zijn. En ze voegt de reden eraan toe: vanaf dat moment rusten ze van hun werk. Openbaring 14:13 Wij moeten dus niet zo sterk toegeven aan onze liefde dat we een verkeerde manier van bidden invoeren in de kerk.
Ieder die maar een middelmatig verstand heeft, ziet vast en zeker gemakkelijk in dat alles wat bij de oude schrijvers over dit onderwerp te lezen staat, een concessie is aan de algemene gewoonte en de domheid van de grote massa. Ik geef toe: ook zij zelf zijn meegesleurd in de dwaling. Want een onbedachtzame goedgelovigheid berooft de mensen meestal van hun beoordelingsvermogen. Ondertussen blijkt, als we hun geschriften lezen, hoe weifelend zij het bidden voor de doden aanbevelen. Augustinus vertelt in zijn Belijdenissen dat zijn moeder Monica dringend vroeg om aan haar te denken bij het uitvoeren van de mysteries bij het altaar. Dat was blijkbaar de wens van een oude vrouw en haar zoon onderzocht die niet volgens de norm van de Schrift. Hij wilde alleen maar dat zijn natuurlijk gevoel door anderen werd goedgekeurd. Maar zijn boek Over de zorg voor de doden bevat heel veel aarzelingen. Het is zo kil dat het de gloed van dwaze ijver zou moeten uitdoven van iemand die heel graag voor de doden wil bidden. En bij wie al twijfels had, zal hij rust geven, zoveel slagen houdt hij om de arm. De enige basis voor dit gebruik is dat het bidden voor de doden nu eenmaal de gewoonte is. Daarom mag je die plicht niet verzaken.
Ik geef dus toe dat de oude schrijvers van de kerk het een vrome daad vonden om de doden te helpen. Toch moeten we altijd vasthouden aan de norm die niet bedriegen kan: het is niet toegestaan om in onze gebeden iets van onszelf in te voegen. We moeten onze wensen onderwerpen aan Gods Woord. Want Hij heeft het recht om voor te schrijven wat Hij wil dat wij Hem vragen. Nu bieden heel de wet en het evangelie geen enkele vrijheid om te bidden voor doden. Daarom is het een ontheiliging van het aanroepen van God als je meer probeert dan Hij ons beveelt.
Echter, mijn tegenstanders moeten niet pochen dat de oude kerk in hun dwaling hun bondgenoot is. Volgens mij is er een groot verschil. In de oude kerk hielden ze hun doden in herinnering, om niet de indruk te wekken dat ze helemaal niet meer om hen gaven. Maar tegelijk erkenden ze dat ze twijfelden over hun toestand. Over het vagevuur wisten ze niets zeker. Sterker nog, dat vonden ze iets twijfelachtigs. Mijn tegenstanders echter eisen dat hun fantasie over het vagevuur zonder tegenspraak beschouwd wordt als een geloofsdogma. In de oude kerk bevalen ze bij de gemeenschap in het heilig avondmaal hun doden slechts zelden bij God aan en alleen om hun plicht te doen. Mijn tegenstanders zijn continu bezig voor de doden te zorgen. En met hun onbeschaamde prediking krijgen ze voor elkaar dat dat als de belangrijkste plicht van liefde gezien wordt.
Sterker nog, het zou voor mij niet moeilijk zijn om enkele getuigenissen van de oude schrijvers tevoorschijn te halen die heel dat bidden voor de doden, zoals dat toen de gewoonte was, onderuithalen. Bijvoorbeeld dit getuigenis van Augustinus. Hij leert dat iedereen de opstanding van het vlees en de eeuwige glorie wachten. Maar de rust die na de dood volgt, krijgt ieder die dat waard is zodra hij sterft. Dus verklaart hij dat alle vromen, evengoed als de profeten, apostelen en martelaren, direct na de dood genieten van de rust van het volmaakte geluk.
Als ze er zo aan toe zijn, vraag ik je, wat hebben ze dan nog aan onze gebeden?
Ik sla het nog grovere bijgeloof over, waarmee mijn tegenstanders de harten van de eenvoudigen betoverd hebben. Maar het is heel veel en het meeste is zo monsterlijk dat ze dat op geen enkele manier kunnen inkleden met een schijn van eerlijkheid. Ik zwijg ook maar over die zeer schandelijke handel die ze in hun hebzucht drijven, dankzij de grote dwaasheid van de wereld. Want er zou geen eind aan komen en ook zonder dat ik dat allemaal noem, hebben vrome lezers genoeg om hun geweten stabiel overeind te houden.
Voetnoten
- 333
Paus Leo I de Grote (†461).
- 334
Leo I, Epistulae, 81.
- 335
Leo I, Epistulae, 95.
- 336
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 84,2.
- 337
Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium IV, 4,6.
- 338
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 61, 4.
- 339
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 47,2.
- 340
Augustinus, Contra GaudentiumDonatistarum episcopum I, 31,38.
- 341
Chrysostomos, Augustinus en anderen.
- 342
Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 7,68.
- 343
Augustinus, De cura pro mortuis gerenda.
- 344
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 49,10; Augustinus, De civitate Dei IV, 13,16.
Voetnoot 333
Paus Leo I de Grote (†461).
Voetnoot 334
Leo I, Epistulae, 81.
Voetnoot 335
Leo I, Epistulae, 95.
Voetnoot 336
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 84,2.
Voetnoot 337
Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium IV, 4,6.
Voetnoot 338
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 61, 4.
Voetnoot 339
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 47,2.
Voetnoot 340
Augustinus, Contra GaudentiumDonatistarum episcopum I, 31,38.
Voetnoot 341
Chrysostomos, Augustinus en anderen.
Voetnoot 342
Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 7,68.
Voetnoot 343
Augustinus, De cura pro mortuis gerenda.
Voetnoot 344
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 49,10; Augustinus, De civitate Dei IV, 13,16.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.