Boek IV · Hoofdstuk 3
Leraren en dienaren
Inhoud van dit hoofdstuk · 16 secties
- 1God gebruikt mensen om de kerk te regeren
- 2Het belang van een kerkregering door mensen
- 3Mensen spreken namens God
- 4Apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren
- 5Twee paren: apostelen en herders, profeten en leraren
- 6Herders moeten het evangelie verkondigen en de sacramenten bedienen
- 7Herders zijn gebonden aan hun eigen kerk
- 8Ouderlingen
- 9Diakenen
- 10Roeping en antwoord
- 11Uiterlijke en innerlijke roeping
- 12Wie moeten er uitgekozen worden als dienaren en hoe moet dat gebeuren?
- 13God zelf koos de apostelen uit
- 14God gebruikt mensen om dienaren uit te kiezen
- 15De rol van de gemeente
- 16Handoplegging
God gebruikt mensen om de kerk te regeren
Nu moeten we het gaan hebben over de orde waardoor de Heer zijn kerk bestuurd wil hebben. Weliswaar moet Hij alleen zelf in de kerk regeren en daarin de leiding en het hoogste gezag hebben. En die regering moet alleen door zijn Woord in praktijk gebracht en bediend worden. Maar Hij woont niet zichtbaar aanwezig onder ons om zelf in eigen persoon mondeling te verklaren wat Hij wil. Daarom heb ik gezegd dat Hij daarvoor de bediening van mensen gebruikt. Hij werkt via hen als een soort plaatsvervangers. Niet dat Hij zijn gezag en eer op hen overdraagt. Maar via hun mond voert Hij zijn eigen werk uit, net zoals ook een ambachtsman gereedschap gebruikt om zijn werk te maken.
Ik zie me gedwongen om te herhalen wat ik eerder al heb uitgelegd:1 God zou dit best zelf kunnen doen, zonder andere hulpmiddelen of instrumenten. Maar er zijn verschillende redenen waarom Hij het liever door middel van mensen wil doen.
Want in de eerste plaats laat Hij op die manier zien hoe goed Hij ons gezind is, als Hij enkele mensen uitkiest om afgezanten van Hem te zijn in de wereld, om zijn verborgen wil uit te leggen, kortom om Hem te vertegenwoordigen. En zo bewijst Hij met zijn daden dat Hij ons niet voor niets op vele plaatsen zijn tempels noemt. 1 Korinthiërs 3:16-17; 6:19; 2 Korinthiërs 6:16 Want vanuit de mond van mensen reageert Hij als vanuit een heiligdom op de mensen.
In de tweede plaats is dit een heel goede en nuttige training in nederigheid, als Hij ons eraan went om zijn Woord te gehoorzamen, ook al wordt het gepredikt door mensen die aan ons gelijk zijn en soms zelfs minder aanzienlijk dan wij. Als Hij zelf vanuit de hemel zou spreken, zou het niet vreemd zijn als zijn goddelijke uitspraken door alle oren en harten ogenblikkelijk geaccepteerd werden. Want wie zou niet huiveren voor de aanwezigheid van zijn macht? Wie zou zich niet bij de eerste aanblik van zo’n grote majesteit neerwerpen? Wie zou niet ontsteld raken door die onmetelijke glans? Maar als een of ander uit het stof opgerezen mensje spreekt namens God, dan geven we een geweldig bewijs van onze vroomheid als we ons graag laten onderwijzen door zijn dienaar, ook al staat die op geen enkele manier boven ons. Dus ook om die reden verbergt God de schat van zijn hemelse wijsheid in zwakke aarden vaten. 2 Korinthiërs 4:7 Zo kan Hij er een extra zeker bewijs van krijgen hoe veel ontzag wij voor die wijsheid hebben.
In de derde plaats zou niets zo geschikt zijn om de onderlinge liefde te voeden, als dat de mensen door deze band aan elkaar verbonden worden: één wordt aangesteld als herder om de anderen samen te onderwijzen. En degenen die bevel krijgen leerlingen te zijn, krijgen de leer die ze samen delen uit dezelfde mond. Want als ieder genoeg zou hebben aan zichzelf en geen hulp van anderen nodig had, zouden ze elkaar allemaal minachten. De mens is immers van nature geneigd tot hoogmoed. Daarom heeft de Heer zijn kerk samengebonden met de band waarvan Hij voorzag dat die het sterkst zou zijn om de eenheid te bewaren: Hij heeft de leer van het behoud en het eeuwige leven toevertrouwd aan mensen, om die leer via hun handen aan de anderen uit te delen.
Daar doelde Paulus op, toen hij aan de Efeziërs schreef: ‘Eén lichaam is het en één Geest, zoals jullie ook geroepen zijn in één hoop van jullie roeping. Eén Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven alles en door alles en in ons allen is. Maar aan ieder van ons is de genade gegeven, in overeenstemming met de maat waarin Christus die gave gekregen heeft. Daarom zegt Hij: “Toen Hij opvoer naar omhoog, nam Hij de gevangenis gevangen en gaf Hij gaven aan de mensen.” Hij die is neergedaald, is dezelfde die ook is opgevaren, om alle dingen te vervullen. En deze zelfde heeft sommigen gegeven als apostelen, sommigen als profeten, sommigen als evangelisten en sommigen als herders en leraren, om de heiligen klaar te maken voor het werk van hun bediening, om het lichaam van Christus op te bouwen. Totdat wij allemaal de eenheid van het geloof bereiken en de Zoon van God leren kennen, als volwassen mensen, in de mate van volledige volwassenheid. Dan zijn wij geen kinderen meer die heen en weer geslingerd worden door allerlei wind van leer. Nee, dan zoeken we de waarheid in liefde en groeien we helemaal op in Hem die het hoofd is: Christus, in wie heel het lichaam samengevoegd en samengeknoopt is door alle geleverde gewrichtsbanden en, als elk lichaamsdeel zijn werk doet, het lichaam groeit en zichzelf opbouwt in liefde.’ Efeziërs 4:4-16
14.1.5.
Het belang van een kerkregering door mensen
Met deze woorden laat Paulus zien dat de bediening van mensen die God gebruikt bij het besturen van de kerk, de belangrijkste zenuw is waardoor de gelovigen in één lichaam met elkaar verbonden zijn. Verder wijst hij erop dat de kerk alleen ongeschonden bewaard kan blijven, als ze geholpen wordt door deze hulpmiddelen. Het heeft de Heer behaagd om daar haar behoud in te leggen.
Paulus zegt: ‘Christus is opgevaren omhoog om alle dingen te vervullen.’ En dit is de manier waarop alle dingen vervuld worden: door middel van de dienaren aan wie Hij deze taak heeft opgelegd en aan wie Hij de genade verleend heeft om deze taak uit te voeren, deelt Hij zijn gaven uit aan de kerk. Zo verdeelt Hij ze. En zo laat Hij als het ware zien dat Hij zelf aanwezig is. In deze instelling openbaart Hij de kracht van zijn Geest, zodat die niet zinloos of tevergeefs zou zijn. Zo worden de heiligen vernieuwd. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd. Zo groeien wij door alles op in Hem, het hoofd, en groeien we aan elkaar vast. Zo worden we allemaal gebracht tot de eenheid van Christus. Als de profetie onder ons floreert. Als we de apostelen ontvangen. Als we de leer die aan ons wordt uitgedeeld, niet afwijzen.
Dus ieder die deze orde, waar ik het over heb, en deze manier van regeren probeert te vernietigen of te bagatelliseren als minder nodig, is uit op het ruïneren of beter het omverhalen en vernietigen van de kerk. Immers, voor het koesteren en in stand houden van het tegenwoordige leven zijn het licht en de warmte van de zon of eten en drinken minder onmisbaar dan de taak van apostel en herder voor het bewaren van de kerk op aarde.
Mensen spreken namens God
Daarom heb ik er hierboven aan herinnerd dat God met alle mogelijke woorden van lof ons de waardigheid van die taak aangeprezen heeft. Wij moeten daar zoveel mogelijk respect voor hebben, als voor iets dat alle andere dingen te boven gaat. God schenkt mensen een bijzondere zegen als hij leraren voor hen laat opstaan. Dat verklaart Hij als Hij de profeet Jesaja beveelt uit te roepen dat de voeten van degenen die een boodschap van vrede brengen, lieflijk zijn en dat hun komst geluk brengt. Jesaja 52:7 En als Hij de apostelen het licht voor de wereld en het zout voor de aarde noemt. Mattheüs 5:13-14 En Hij kon deze taak niet schitterender versieren dan door te zeggen: ‘Wie jullie hoort, hoort Mij. Wie jullie afwijst, wijst Mij af.’ Lucas 10:16
Maar de meest opvallende passage is bij Paulus in de tweede brief aan de Korinthiërs. In hoofdstuk 3 en 4 behandelt hij deze kwestie uitdrukkelijk. Hij stelt dan dat er in de kerk niets zo geweldig of heerlijk is als de bediening van het evangelie. Want dat is het uitdelen van de Geest en van rechtvaardigheid en eeuwig leven. De bedoeling van dit soort uitspraken is dat wij het besturen en in standhouden van de kerk door dienaren niet mogen minachten. Het mag niet uiteindelijk verdwijnen. Want God heeft dit voor altijd zo vastgesteld.
Hoe nodig dat is, heeft Hij niet alleen met woorden, maar ook met voorbeelden duidelijk gemaakt. Toen Hij Cornelius wilde bestralen met een voller licht van zijn waarheid, stuurde Hij een engel om hem het bevel te geven Petrus te ontbieden. Handelingen 10:3-6 Toen Hij wilde dat Paulus Hem zou leren kennen en Hij hem in de kerk wilde inlijven, sprak Hij niet tegen Hem met zijn eigen stem, maar verwees Hij hem naar een mens. Van hem moest hij de leer van het behoud en de heiliging door de doop krijgen. Handelingen 9:6
Een engel is Gods uitlegger. Toch laat hij na te vertellen wat God wil. Hij beveelt een mens te ontbieden die dat moet vertellen. En Christus, de enige leermeester van de gelovigen, vertrouwt Paulus toe aan het onderwijs van een mens. Nog wel de Paulus van wie Hij besloten had dat Hij hem zou optrekken in de derde hemel en dat Hij hem een wonderlijke openbaring zou waard keuren van onuitsprekelijke dingen. 2 Korinthiërs 12:2-4 Als dat niet zonder reden gebeurt, wie zou dan nu deze bediening durven minachten of als overbodig durven passeren? God heeft met zulke bewijzen willen laten zien hoe nuttig die is!
Apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren
Degenen die de kerk regeren zoals Christus dat heeft ingesteld, noemt Paulus zo: als eerste apostelen, als tweede profeten, als derde evangelisten, als vierde herders en als laatste leraren. Efeziërs 4:11 Van hen hebben alleen de laatste twee in de kerk een gewone taak. De andere drie heeft de Heer aan het begin van zijn rijk laten opstaan en die laat Hij ook zo nu en dan nog opstaan als de tijden dat nodig maken.
Wat de taak van apostelen is, blijkt uit dit bevel: ‘Ga op weg en predik het evangelie aan alle schepselen.’ Marcus 16:15 Er worden hun geen vaste grenzen gesteld. Nee, heel de wereld wordt hun aangewezen om die tot gehoorzaamheid aan Christus te brengen. Ze moeten overal ter wereld, waar ze maar kunnen, het evangelie verbreiden en zo overal Christus’ koninkrijk stichten.
Als Paulus wil bewijzen dat hij een apostel is, vertelt hij dat hij niet één stad voor Christus gewonnen heeft, maar wijd en zijd het evangelie verbreid heeft. En ook dat hij niet gebouwd heeft op het fundament van iemand anders, maar dat hij kerken geplant heeft waar de naam van de Heer nog onbekend was. Romeinen 15:19-20
De apostelen zijn dus gezonden om de wereld van afval tot echte gehoorzaamheid aan God terug te brengen. En om overal door de prediking van het evangelie zijn koninkrijk te stichten. Of, als je dat liever hebt, om als eerste bouwmeesters van de kerk in heel de wereld haar fundamenten te leggen.
Met profeten bedoelt Paulus niet iedereen die Gods wil uitlegt, maar alleen degenen die uitblonken door een speciale openbaring. Zulke profeten zijn er nu niet. Of als ze er zijn, vallen ze niet zo duidelijk op.
Met evangelisten worden volgens mij degenen bedoeld die weliswaar qua waardigheid onder de apostelen, maar qua taak toch het dichtst bij hen stonden. Soms functioneerden ze zelfs als hun plaatsvervangers. Lucas, Timotheüs, Titus en anderen waren zulke evangelisten. En misschien ook de zeventig leerlingen die Christus op de tweede plaats gesteld heeft, na de apostelen. Lucas 10:1
Deze uitleg lijkt mij het meest in overeenstemming met Paulus’ bedoeling. En volgens deze uitleg waren deze drie taken niet in de kerk ingesteld om er continu te blijven, maar alleen voor de tijd waarin kerken gesticht moesten worden waar tot dan toe geen kerken geweest waren, of waar in elk geval kerken van Mozes naar Christus overgebracht moesten worden.
Overigens ontken ik niet dat God later soms ook apostelen, of in elk geval in hun plaats evangelisten heeft laten opstaan. Dat is ook in onze tijd gebeurd. Want zulke evangelisten waren nodig om de kerk terug te brengen van de dwalingen van de antichrist. Maar ondanks dat noem ik deze taak bijzonder. Want in kerken die zijn ingericht zoals het hoort, is er voor hen geen plaats.
Dan volgen de herders en leraren. Hen kan de kerk nooit missen. En volgens mij is dit het verschil tussen hen: leraren hebben niet de leiding over de tucht, de bediening van de sacramenten en de vermaningen en aansporingen. Ze hebben alleen de leiding over het uitleggen van de Schrift, om ervoor te zorgen dat onder de gelovigen de zuivere en gezonde leer bewaard blijft. Maar de taak van herders bevat wel al deze dingen.
Twee paren: apostelen en herders, profeten en leraren
Nu weten we dus welke tijdelijke bedieningen er in de regering van de kerk geweest zijn en welke bedieningen permanent ingesteld waren. Als we de evangelisten samen nemen met de apostelen, blijven er twee paren over, die in zekere zin met elkaar corresponderen. Zoals onze leraren op de oude profeten lijken, zo lijken de herders op de apostelen.
De taak van de profeten was beter vanwege de gave van de openbaring die de profeten gekregen hadden. Maar de taak van de leraren wordt vrijwel op dezelfde manier bediend en heeft volledig hetzelfde doel. Zo stonden de twaalf die de Heer had uitgekozen om de nieuwe prediking van het evangelie aan de wereld bekend te maken, in rang en waardigheid boven de rest. Lucas 6:13; Galaten 1:1
Gezien de oorsprong en de betekenis van het woord ‘apostel’ – ‘gezondene’ – kunnen natuurlijk best alle dienaren van de kerk apostelen genoemd worden. Want ze worden allemaal door de Heer gezonden als zijn boodschappers. Maar het was van groot belang dat men zeker wist dat degenen die een nieuwe en nog nooit eerder gehoorde boodschap brachten, gezonden waren. Daarom moesten de twaalf – waar Paulus later aan toegevoegd is – onderscheiden worden door een speciale benaming.
Weliswaar heeft Paulus die benaming zelf ergens gebruikt voor Andronicus en Junias. Van hen zegt hij dat ze belangrijke apostelen waren. Romeinen 16:7 Maar als hij het woord ‘apostel’ in eigenlijke zin gebruikt, past hij het alleen toe op die eerste rang. En dat is algemeen gebruikelijk in de Schrift.
Echter, herders hebben dezelfde taak als de apostelen, behalve dan dat zij ieder hun eigen specifieke kerk toegewezen hebben gekregen om die te regeren.
Laten we nu luisteren naar wat die taak precies inhoudt.
Herders moeten het evangelie verkondigen en de sacramenten bedienen
Toen de Heer de apostelen zond, heeft Hij hun – ik heb dat net gezegd – het gebod gegeven dat ze het evangelie moesten prediken en de gelovigen moesten dopen, zodat hun zonden vergeven zouden worden. Mattheüs 28:19 En eerder had Hij al bevolen dat ze volgens zijn voorbeeld de heilige symbolen van zijn lichaam en bloed moesten uitdelen. Lucas 22:19 Hier zie je dus een heilige, onschendbare en eeuwige wet, opgelegd aan degenen die de apostelen in hun positie opvolgen. Zij krijgen het bevel het evangelie te prediken en de sacramenten te bedienen. Daaruit kunnen we opmaken dat wie die twee dingen verwaarlozen, onterecht de apostelrol als voorwendsel gebruiken.
En de herders dan? Paulus heeft het niet alleen over zichzelf, maar over alle herders, als hij zegt: ‘Ieder mens moet ons dus beschouwen als dienaren van Christus en uitdelers van Gods mysteries.’ 1 Korinthiërs 4:1 En ergens anders: ‘Een opziener moet vasthouden aan het betrouwbare woord dat overeenstemt met de leer. Dan is hij in staat om zowel door de gezonde leer te vermanen, als degenen die ertegen ingaan te weerleggen.’ Titus 1:9 Uit deze en andere van zulke passages, die we meerdere keren tegenkomen, kunnen we opmaken dat dit ook de twee belangrijkste onderdelen zijn van de taak van de herders: het evangelie verkondigen en de sacramenten bedienen.
Nu bestaat het onderwijzen niet alleen uit preken in het openbaar. Het omvat ook persoonlijke vermaningen. Paulus doet bijvoorbeeld een beroep op de Efeziërs als getuigen dat hij niets heeft verzwegen van wat nuttig was. Er was niets dat hij hun niet verkondigd en geleerd had, in het openbaar of in de huizen. Voor zowel Joden als Grieken had hij getuigd van de bekering en het geloof in Christus. En even later verklaart hij dat hij nooit ophield ieder onder tranen te vermanen. Handelingen 20:20-31
Maar ik ben nu niet van plan om alle gaven van een goede herder een voor een op te sommen. Ik wil alleen aanwijzen wat degenen die zich herders noemen, beloven dat ze zullen doen: ze moeten de kerk zo leiden dat het hun er niet om gaat dat ze een eervolle positie bekleden, zonder het werk te doen. Nee, ze moeten het volk door de leer van Christus onderwijzen in echte vroomheid en de heilige sacramenten en de juiste tucht in stand houden en in praktijk brengen. Want aan iedereen die in de kerk als wachter is aangesteld, verkondigt de Heer dat Hij, als er door hun nalatigheid iemand in onwetendheid omkomt, van hun handen diens bloed zal opeisen. Ezechiël 3:17-18 Ook op al die wachters is van toepassing wat Paulus van zichzelf zegt: ‘Wee mij als ik het evangelie niet verkondig. Want het uitdelen daarvan is aan mij toevertrouwd.’ 1 Korinthiërs 9:16-17
Kortom, wat de apostelen voor heel de wereld gedaan hebben, moet iedere herder doen voor zijn eigen kudde, waar hij voor bestemd is.
Herders zijn gebonden aan hun eigen kerk
Als ik elke herder zijn eigen kerk toeken, ontken ik ondertussen niet dat wie aan één kerk verbonden is, ook andere kerken kan helpen. Bijvoorbeeld als daar onrust ontstaat waardoor het nodig is dat hij daar aanwezig is, of als hem om advies gevraagd wordt over een onduidelijke kwestie. Maar om in de kerk de vrede te bewaren, is het nodig dat aan elke herder wordt voorgeschreven wat hem te doen staat. Zo voorkom je dat ze allemaal door elkaar schreeuwen en zonder daartoe geroepen te zijn overal heen lopen, of domweg op dezelfde plek samenstromen. Bovendien mogen ze, als ze zich drukker maken om hun eigen gemak dan om de opbouw van de kerk, de kerken niet zomaar in de steek laten als ze daar zin in hebben. Daarom moet deze verdeling zoveel mogelijk door iedereen gerespecteerd worden. Dan is iedereen tevreden met zijn eigen grenzen en dringt niemand het gebied van een ander binnen.
Dit is ook niet door mensen uitgevonden, maar door God zelf zo ingesteld. Want we lezen dat Paulus en Barnabas in alle kerken in Lystra, Antiochië en Ikonium ouderlingen uitgekozen hebben. Handelingen 14:22-23 En Paulus zelf beveelt Titus om in alle steden ouderlingen aan te stellen. Titus 1:5 En ergens anders noemt hij de opzieners van de Filippenzen Filippenzen 1:1 en weer ergens anders Archippus, de opziener van de Kolossenzen. Kolossenzen 4:17 Bovendien hebben we bij Lucas een beroemde preek van hem voor de ouderlingen van de kerk in Efeze. Handelingen 20:18
Dus ieder die het bestuur en de zorg van één kerk op zich genomen heeft, moet weten dat hij gebonden is aan deze norm van Gods roeping. Hij is niet, zoals juristen zeggen, als een horige gebonden aan een stuk land, als het ware als slaaf daaraan vastgeketend, zodat hij geen voet kan verzetten, zelfs al is het nodig voor het algemeen nut. Als het maar ordelijk gebeurd. Maar als je naar één plaats geroepen bent, moet je niet zelf aan verhuizing denken en niet proberen jezelf te bevrijden omdat je denkt dat je het dan gemakkelijker krijgt. Bovendien, als het nuttig is dat je naar een andere plaats gaat, moet je dat niet op eigen gezag doen, maar wachten tot het officieel geregeld is.
Ouderlingen
Degenen die de kerken regeren, heb ik tot nog toe zonder onderscheid ‘opzieners’, ‘ouderlingen’, ‘herders’ en ‘dienaren’ genoemd. Dat heb ik gedaan volgens de gewoonte van de Schrift. Die gebruikt deze benamingen door elkaar. Want de Schrift kent de benaming ‘opziener’ toe aan ieder die het Woord bedient.
Bijvoorbeeld, als Paulus Titus bevolen heeft in alle steden ouderlingen aan te stellen, voegt hij daar onmiddellijk aan toe: ‘Want op een opziener mag niets aan te merken zijn …’ Titus 1:5-7 Ergens anders groet hij meerdere opzieners in één kerk. Filippenzen 1:1 En in Handelingen 20 wordt verteld dat hij de ‘ouderlingen’ van Efeze bij elkaar riep, Handelingen 20:17 maar in zijn toespraak noemt hij die zelf ‘opzieners’.
Nu moeten we erop letten dat ik tot nu toe alleen nog maar de taken genoemd heb die te maken hebben met de bediening van het Woord. In Efeziërs 4, het hoofdstuk dat ik heb geciteerd, noemt Paulus ook geen andere taken. Efeziërs 4:11 Maar in de brief aan de Romeinen en in de eerste brief aan de Korinthiërs noemt hij wel andere taken. Bijvoorbeeld: wonderen doen, genezen, uitleggen, regeren en zorgen voor de armen. Romeinen 12:7-8; 1 Korinthiërs 12:28 Van die taken laat ik de taken weg die tijdelijk geweest zijn. Maar er zijn er twee die permanent zijn: regeren en zorgen voor de armen.
Degenen die regeerden, waren volgens mij ouderen die uit het volk gekozen werden om samen met de opzieners toezicht te houden op de levenswandel en de tucht uit te oefenen. Wat Paulus zegt, kun je immers niet anders uitleggen: ‘Wie leiding geeft, moet dat ijverig doen.’ Romeinen 12:8 Vanaf het begin heeft dus elke kerk haar kerkenraad gehad, gekozen uit vrome, serieuze en heilige mannen. Bij hen berustte de rechtspraak om gebreken te corrigeren. Maar daar zal ik het later over hebben.
Nu was deze orde niet alleen voor die tijd. Dat blijkt uit onze eigen ervaring. Ook de regeertaak is dus voor alle tijden nodig.
Diakenen
Het zorgen voor de armen was opgedragen aan de diakenen. Echter, in de brief aan de Romeinen worden twee soorten diakenen genoemd. Paulus zegt daar: ‘Wie uitdeelt, moet dat ondubbelhartig doen. Wie barmhartigheid bewijst, moet dat opgewekt doen.’ Romeinen 12:8 Het is zeker dat hij het over publieke functies in de kerk heeft. Dus moeten er twee verschillende rangen geweest zijn. Als ik me niet vergis, bedoelt hij met de eerste zin de diakenen die de liefdegaven voor de armen beheerden en met de andere zin de degenen die zich gewijd hadden aan het verzorgen van armen en zieken. Dat deden bijvoorbeeld de weduwen die Paulus noemt in de brief aan Timotheüs. 1 Timotheüs 5:9-10 Vrouwen konden immers geen enkele andere publieke taak uitoefenen. Ze konden alleen zichzelf wijden aan het dienen van de armen.
Als we dit aannemen – en dat moet wel – zijn er dus twee soorten diakenen. De ene soort dient de kerk in het besturen van de zaken van de armen en de andere soort in het verzorgen van de armen zelf.
Nu heeft het woord diakonia – ‘bediening’ – weliswaar een ruimere betekenis. Maar toch gebruikt de Schrift het woord ‘diakenen’ speciaal voor degenen die door de kerk zijn aangesteld over het uitdelen van de liefdegaven en het zorgen voor de armen. Zij zijn als het ware aangesteld over de armenkas.
Lucas beschrijft in Handelingen hun oorsprong, instelling en taak. Handelingen 6:3 Er ontstond gemopper dankzij de Grieks-sprekenden, omdat hun weduwen bij de bediening van de armen verwaarloosd werden. Toen voerden de apostelen als excuus aan dat zij niet in staat waren beide taken uit te voeren. Ze konden niet zowel preken als de tafels bedienen. Daarom vroegen ze aan de gemeente of ze zeven mannen wilden uitkiezen aan wie ze dat werk konden opdragen.
Hier zie je dus wat voor diakenen de apostolische kerk had en wat voor diakenen wij volgens hun voorbeeld moeten hebben.
Roeping en antwoord
Nu moet in de heilige vergadering alles ordelijk en fatsoenlijk toegaan. 1 Korinthiërs 14:40 Toch is er niets waarbij dat zo zorgvuldig moet gebeuren als bij het instellen van de regering. Want bij niets anders is het zo gevaarlijk als er iets onordelijk toegaat. Er mogen geen onruststokers en oproerkraaiers brutaal binnendringen om onderwijs te geven of te regeren. Dat zou zeker gebeuren als we het niet voorkomen. Daarom moeten we er vooral voor zorgen dat in de kerk niemand een publieke functie op zich neemt zonder dat hij daartoe geroepen is.
Om als echte dienaar van de kerk beschouwd te worden, moet hij dus in de eerste plaats wettig geroepen zijn. En in de tweede plaats moet hij aan zijn roeping beantwoorden. Dat wil zeggen: hij moet de taak die hem is opgelegd, op zich nemen en uitvoeren.
Bij Paulus kun je dit vaak zien. Als hij zijn apostelschap wil bewijzen, voert hij samen met zijn trouw in het vervullen van die taak, bijna altijd zijn roeping aan. In de kerk moet men alleen naar hem luisteren, omdat hij door een bevel van de Heer is aangesteld en trouw uitvoert wat hem is opgedragen. Als zo’n groot dienaar van Christus zich dat gezag niet durft aan te matigen, wat brutaal is het dan als van de stervelingen iemand die eer voor zich opeist, terwijl hij een van die voorwaarden, of beide, mist!
Maar ik heb al eerder het een en ander gezegd over hoe nodig het is dat je je taak uitvoert. Daarom gaan we het nu alleen over de roeping hebben.
Uiterlijke en innerlijke roeping
Bij de behandeling daarvan gaat het om vier dingen: we moeten weten wat voor dienaren er uitgekozen moeten worden, hoe zij moeten worden uitgekozen en door wie. En we moeten weten op welke manier en met welk ritueel ze moeten worden aangesteld.
Ik heb het over de uiterlijke en officiële roeping. Het gaat daarbij om de openbare orde van de kerk. Ik sla de verborgen roeping over, waar elke dienaar zich voor God van bewust is en waarbij hij de kerk niet als getuige heeft. Die roeping is een goed getuigenis in ons hart dat wij de aangeboden taak niet aannemen uit eerzucht en evenmin uit hebzucht of welke andere slechte begeerte ook, maar alleen omdat we God oprecht vrezen en graag de kerk willen opbouwen. Dit getuigenis is – ik heb dat al gezegd – voor ons allemaal onmisbaar, als we ervoor willen zorgen dat onze dienst God plezier doet. Maar ondanks dat ben je voor het oog van de kerk geroepen zoals het hoort, ook al neem je je taak op je met een slecht geweten. Zolang je slechtheid maar niet openlijk bekend is.
Ook over personen zonder officiële taak wordt vaak gezegd dat ze geroepen zijn voor een taak, als men ziet dat zij geschikt en bekwaam zijn om een taak te vervullen. Want deskundigheid samen met vroomheid en de andere gaven van een goede herder, vormen een bepaalde voorbereiding op die taak. Immers, degenen die de Heer voor zo’n belangrijke taak bestemd heeft, voorziet Hij eerst van de wapens die nodig zijn om die taak te vervullen. Dan komen ze niet leeg en onvoorbereid. Toen Paulus in zijn brief aan de Korinthiërs de taken wilde behandelen, somde hij daarom eerst de gaven op die je gekregen moet hebben als je een taak wilt vervullen. 1 Korinthiërs 12:7-11
Maar dit is het eerste van de vier punten die ik genoemd heb. Laten we daar dus nu mee verder gaan.
Wie moeten er uitgekozen worden als dienaren en hoe moet dat gebeuren?
Er zijn twee passages waar Paulus uitgebreid leert wat voor opzieners we moeten kiezen. Titus 1:7-9; 1 Timotheüs 3:1-13 In de kern komt het hierop neer: er mogen alleen opzieners gekozen worden die gezond zijn qua leer en heilig qua levenswandel. Ze mogen niet bekend staan om een gebrek dat hun gezag zou ondermijnen en hun bediening te schande zou maken. Voor diakenen en ouderlingen geldt hetzelfde. We moeten er altijd op letten dat ze niet ongeschikt of onbekwaam zijn om de last te dragen die hun wordt opgelegd. Oftewel, dat ze voorzien zijn van de vermogens die nodig zijn om hun taak te vervullen.
Daarom heeft Christus, toen Hij op het punt stond de apostelen uit te zenden, hen voorzien van de wapens en de instrumenten waar ze niet zonder konden. En Paulus tekent eerst hoe een goede en echte opziener eruitziet. Vervolgens waarschuwt hij Timotheüs dat hij zich niet moet besmetten door iemand te kiezen die niet aan dat beeld voldoet. 1 Timotheüs 5:22
Het tweede punt is hoe ze gekozen moeten worden. Daarmee bedoel ik niet de manier van uitkiezen, maar de religieuze vrees waarmee het uitkiezen moet gebeuren. Vandaar dat de gelovigen vastten en baden als ze ouderlingen gingen kiezen. Lucas vertelt dat. Handelingen 14:23 Want ze begrepen dat ze iets heel serieus gingen doen. Daarom durfden ze niets beginnen zonder de grootst mogelijke eerbied en zorgvuldigheid. Maar ze baden vooral of God hun de Geest van advies en onderscheiding wilde geven.
God zelf koos de apostelen uit
Het derde punt van mijn onderverdeling was de vraag door wie de dienaren gekozen moeten worden. Hiervoor kunnen we geen vaste regel afleiden uit de aanstelling van de apostelen. Want daarbij ging er het een en ander anders dan bij de gewone roeping van de overige dienaren. Het apostelschap was een buitengewone bediening. Daarom moesten degenen die die bediening zouden vervullen, geroepen en aangesteld worden door de stem van de Heer zelf. Zo zou hun taak onderscheiden worden met een extra opvallend teken. Zij hebben hun taak dus niet op zich genomen omdat mensen hen hadden uitgekozen. Nee, alleen op het bevel van God en Christus!
Dat is de reden waarom de apostelen, als ze iemand anders willen aanstellen in plaats van Judas, niet met zekerheid één persoon durven noemen. Nee, ze zetten er twee in het midden, om de Heer door middel van het lot duidelijk te laten maken wie van hen beiden Hij als opvolger wil. Handelingen 1:23-26
In die betekenis moeten we het ook opvatten als Paulus zegt dat hij niet door mensen of via mensen als apostel is gekozen, maar door Christus en door God de Vader. Galaten 1:1 Het eerste, dat hij niet door mensen was uitgekozen, deelde hij met alle vrome dienaren van het Woord. Immers, niemand kan deze bediening uitvoeren zoals het hoort, als hij niet door God geroepen is. Maar het tweede, dat hij niet via mensen was uitgekozen, was iets speciaals dat alleen voor hem gold. Dus als hij zich daarop laat voorstaan, dan laat hij zich er niet alleen op voorstaan dat hij heeft wat een echte en wettige herder hoort te hebben. Nee, hij wijst ook op de kenmerken van zijn apostelschap.
Want er waren onder de Galaten mensen die zijn gezag probeerden te ondermijnen. Zij maakten van hem gewoon een van de leerlingen, uitgekozen door de belangrijkste apostelen. Hij wist dat er zulke hinderlagen gelegd werden tegen de waardigheid van zijn prediking. Om die ongeschonden te handhaven, vond hij het nodig om te laten zien dat hij in geen enkel opzicht lager stond dan de andere apostelen. Daarom bewijst hij dat hij niet door het oordeel van mensen, als een gewone opziener, uitgekozen is, maar door de mond en door een duidelijke uitspraak van de Heer zelf.
God gebruikt mensen om dienaren uit te kiezen
Maar geen verstandig mens zal ontkennen dat het ook volledig overeenstemt met de orde van een wettige roeping dat de opzieners worden aangewezen door mensen. Want er zijn in de Schrift heel veel bewijzen daarvoor te vinden. Dat is ook niet in strijd met de uitspraak van Paulus dat hij niet door mensen of via mensen gezonden is. Ik heb dat al gezegd. Want hij heeft het dan niet over de gewone manier van uitkiezen van dienaren, maar claimt voor zichzelf wat specifiek voor de apostelen gold.
Trouwens, toen de Heer Paulus met een speciaal voorrecht voor zichzelf aanwees, deed Hij dat zo dat Hij ondertussen toch ook de orde van de kerkelijke roeping gebruikte. Want Lucas vertelt:
‘Toen de apostelen vastten en baden, zei de Heilige Geest: “Zet voor Mij Barnabas en Saulus apart voor het werk waarvoor Ik hen geroepen heb.”’ Handelingen 13:2 Waarom anders moesten ze hen apart zetten en de handen opleggen, dan omdat ze zich moesten houden aan de kerkelijke orde voor het uitkiezen van dienaren via mensen? God heeft zo’n orde dus met geen duidelijker bewijs kunnen goedkeuren, dan doordat Hij toch wil dat Paulus door de kerk wordt uitgekozen, ook al had Hij eerder al gezegd dat Hij Paulus had bestemd als apostel voor de heidenen.
Datzelfde kun je ook zien bij de verkiezing van Matthias. De aposteltaak was zo belangrijk, dat ze niet op eigen gezag één persoon voor die rang durfden uitkiezen. Daarom zetten ze er twee in hun midden. Op een van hen zou dan het lot vallen en zo zou de verkiezing een duidelijk bewijs uit de hemel krijgen en toch de orde van de kerk niet volledig gepasseerd worden.
De rol van de gemeente
De vraag is nu of een dienaar gekozen moet worden door heel de kerk, of door zijn collega’s en de ouderlingen die de tucht moeten uitoefenen, of dat hij kan worden aangesteld op gezag van één man.
Degenen die dit recht toekennen aan één man, halen aan wat Paulus tegen Titus zegt: ‘Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten: je moet in elke stad ouderlingen aanstellen.’ Titus 1:5 En ook tegen Timotheüs: ‘Leg niemand overhaast de handen op.’ 1 Timotheüs 5:22 Maar zij vergissen zich als ze denken dat Timotheüs in Efeze of Titus op Kreta zoveel regeermacht uitoefenden dat ze alles maar naar eigen goeddunken regelden. Ze hadden alleen de leiding, om het volk met goed en gezond advies voor te gaan. Niet om met uitsluiting van anderen te doen wat ze maar wilden.
En om te voorkomen dat het lijkt alsof ik maar iets verzin, zal ik dit duidelijk maken aan de hand van een vergelijkbaar voorbeeld. Want Lucas vertelt dat Paulus en Barnabas in de kerken ouderlingen aanstelden. Maar hij wijst er ondertussen ook op hoe dat gebeurde. Hij zegt dat dat ging door te stemmen. Hij zegt: ‘Door het opsteken van handen kozen zij in elke gemeente ouderlingen uit.’ Handelingen 14:23 Deze twee apostelen stelden ze dus aan. Maar zoals de gewoonte was bij verkiezingen bij de Grieken, gaf de hele gemeente door handopsteking aan wie ze wilden hebben. Immers, ook Romeinse geschiedschrijvers drukken zich vaak zo uit: de consul die de verkiezingsvergadering leidde, stelde nieuwe magistraten aan. Ze zeggen dat alleen maar zo omdat hij de stemmen in ontvangst nam en het volk bij de verkiezing leidde.
We kunnen natuurlijk niet geloven dat Paulus Timotheüs en Titus meer toestond dan zichzelf. We zien dus dat het zijn gewoonte was om zelf opzieners aan te stellen door het volk te laten stemmen. Zo moeten we de hierboven genoemde passages dus opvatten. Dan doen ze niets af aan het gewone recht en de vrijheid van de kerk.
Cyprianus heeft dus gelijk als hij zegt dat het van Gods gezag is afgeleid als een priester in aanwezigheid van het volk onder ieders ogen gekozen wordt en als publiek beoordeeld en bewezen wordt dat hij het waard is en ervoor geschikt is. We zien immers dat op bevel van de Heer de levitische priesters vóór hun inwijding voor de ogen van het volk gebracht werden. Leviticus 8:4-6; Numeri 20:26-27 En Matthias wordt alleen aan het gezelschap van de apostelen toegevoegd en de zeven diakenen worden alleen aangesteld onder toezicht en met goedkeuring van de gemeente. Handelingen 1:15-26; 6:2-7 Cyprianus zegt: deze voorbeelden laten zien dat een priester alleen mag worden aangesteld als het volk erin gekend wordt. Het hoort erbij te zijn. Alleen dan is de aanstelling rechtmatig en wettig, omdat iedereen er getuige van geweest is en het onderzocht heeft.
We zien dus dat volgens Gods Woord een dienaar wettig geroepen wordt als met instemming en goedkeuring van het volk diegenen gekozen worden van wie duidelijk is dat ze geschikt zijn. En dat de andere herders de verkiezing moeten leiden, om te voorkomen dat de gemeente zondigt door lichtzinnigheid, partijdigheid of opstandigheid.
Handoplegging
Nu moeten we het alleen nog hebben over de manier van aanstellen. Dat was het laatste punt dat ik noemde. Het staat vast dat de apostelen, als ze iemand voor een bediening aanstelden, geen ander ritueel gebruikten dan het opleggen van de handen. Volgens mij is deze manier van doen afkomstig van de Hebreeën. Wat zij wilden zegenen of heiligen, brachten ze door het opleggen van de handen als het ware God onder ogen. Bijvoorbeeld, toen Jacob Efraïm en Manasse wilde zegenen, legde hij zijn handen op hun hoofd. Genesis 48:14 En onze Heer volgde dat voorbeeld toen Hij voor de kinderen bad. Mattheüs 19:15 Volgens mij had het dezelfde betekenis dat de Joden volgens het voorschrift van de de wet hun offerdieren de handen oplegden.
Daarom gaven de apostelen door het opleggen van de handen aan dat ze degene die ze wijdden aan de bediening, aan God aanboden. Al was dit voor hen óók gebruikelijk bij degenen aan wie ze de zichtbare gaven van de Geest schonken. Handelingen 19:6 Hoe dan ook, dit was het normale ritueel, telkens als ze iemand riepen voor een kerkelijke bediening. Zo wijdden ze steeds de herders en leraren en ook de diakenen.
Weliswaar bestaat er geen enkel uitdrukkelijk bevel over het opleggen van de handen. Maar we zien dat dat bij de apostelen altijd gebruikelijk was. Dat zij zich daar zo zorgvuldig aan hielden, moeten wij daarom toch als een gebod beschouwen.
En natuurlijk is het ook goed dat het volk door zo’n teken gewezen wordt op de waardigheid van de bediening. En ook dat degene die wordt aangesteld, er daardoor aan wordt herinnerd dat hij nu niet meer zijn eigen meester is, maar dat hij in slavernij is toegewezen aan God en de kerk.
Bovendien zal dit geen loos teken zijn als het wordt teruggebracht tot zijn oorspronkelijke betekenis. Gods Geest heeft niets voor niets ingesteld in de kerk. Als dat zo is, zullen we ervaren dat dit ritueel niet zinloos is, omdat het bij Hem vandaan komt. Als het maar niet veranderd wordt in bijgelovig misbruik.
Ten slotte moeten we ook weten dat niet heel de gemeente haar dienaren de handen oplegde. Alleen de herders deden dat. Weliswaar is het onzeker of dat steeds door meer dan één gebeurde of niet. Wel is het zeker dat meerderen het gedaan hebben bij de diakenen, Handelingen 6:6 bij Paulus en Barnabas en bij sommige anderen. Handelingen 13:3 Maar ergens anders vertelt Paulus dat hij, zonder anderen erbij, Timotheüs de handen opgelegd heeft. Hij zegt: ‘Ik herinner je eraan dat je Gods Geest moet aanwakkeren die in je is doordat ik je mijn handen opgelegd heb.’ 2 Timotheüs 1:6 In de andere brief aan Timotheüs heeft Paulus het over ‘de handoplegging van het ouderlingschap’. 1 Timotheüs 4:14 Maar dat vat ik niet zo op dat Paulus bedoelt dat de raad van ouderlingen Timotheüs de handen had opgelegd. Volgens mij bedoelt hij gewoon Timotheüs’ aanstelling als ouderling. Dan zegt hij dus eigenlijk: ‘Zorg ervoor dat de genade die je gekregen hebt toen ik je tot ouderling aanstelde door je de handen op te leggen, niet tevergeefs is.’
Voetnoten
- 459
Augustinus, De doctrina christiana I, 32.
- 460
Cyprianus van Carthago, Epistulae, 67,4.
Voetnoot 459
Augustinus, De doctrina christiana I, 32.
Voetnoot 460
Cyprianus van Carthago, Epistulae, 67,4.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.