Boek IV · Hoofdstuk 2

Echte kerk en valse kerk

Inhoud van dit hoofdstuk · 12 secties
  1. 1Zonder Woord en sacramenten stort de kerk in
  2. 2De roomse kerk is een valse kerk
  3. 3De roomse kerk beroept zich op valse kenmerken
  4. 4De roomse kerk is niet gefundeerd op Gods Woord
  5. 5Afscheiding van de roomse kerk is geen scheurmakerij of ketterij
  6. 6Afscheiding van de roomse kerk is nodig om naar Christus te gaan
  7. 7De roomse kerk vergeleken met het afvallige Israël
  8. 8De kerk in Juda en Israël
  9. 9Wij mogen niet meedoen met de roomse rituelen
  10. 10We mogen niet gehoorzamen aan de roomse kerk
  11. 11De roomse ruïne bevat nog sporen van de kerk
  12. 12De paus als antichrist

Zonder Woord en sacramenten stort de kerk in

Ik heb uitgelegd hoe zwaar de bediening van het Woord en de sacramenten voor ons moeten wegen en hoe ver we moeten gaan in onze eerbied daarvoor. Dan kunnen ze voor ons altijd een kenmerk zijn om de kerk te onderscheiden. Immers, waar die bediening zuiver en ongeschonden gevonden wordt, kunnen morele fouten of gebreken niet verhinderen dat die kerk de naam ‘kerk’ blijft dragen.

Verder heb ik uitgelegd dat kleine dwalingen die bediening niet zo schenden dat we die niet meer als legitiem kunnen beschouwen.

Vervolgens heb ik laten zien dat de dwalingen die we op deze manier moeten vergeven, dwalingen zijn die de kern van de leer van de godsdienst niet aantasten. De kernpunten van de godsdienst, waar alle gelovigen het samen over eens moeten zijn, komen door zulke dwalingen niet in het gedrang. En wat betreft de sacramenten gaat het om dwalingen die de wettige instelling door de auteur niet teniet doen of aan het wankelen brengen.

Maar toch, zodra de leugen is binnengedrongen in de vesting van de godsdienst, de onmisbare kern van de leer verbasterd is en het gebruik van de sacramenten onderuitgehaald – dan volgt vast en zeker de ondergang van de kerk. Net zoals het met het leven van een mens gedaan is als zijn hals doorboord is of zijn ingewanden dodelijk verwond zijn.

Dit blijkt duidelijk uit de woorden van Paulus. Hij leert dat de kerk gefundeerd is op de leer van de apostelen. En Christus zelf is daarvan de onderste hoeksteen. Efeziërs 2:20 Als het fundament van de kerk de leer van de profeten en apostelen is, de leer die de gelovigen beveelt hun behoud alleen op Christus te bouwen, hoe kan het gebouw dan nog blijven staan als je die leer weghaalt? De kerk stort dus onvermijdelijk in als die kern van de godsdienst wegvalt, die haar als enige overeind kan houden.

Bovendien, als de echte kerk de pijler en het fundament van de waarheid is, 1 Timotheüs 3:15 dan is er waar leugen en bedrog de overhand behaald hebben natuurlijk geen kerk.

De roomse kerk is een valse kerk

En zo staan de zaken ervoor onder het pausdom. Dus begrijp je wel wat voor kerk daar nog over is. In plaats van de bediening van het Woord regeert daar een bedorven en uit leugens samengesmeed bewind, dat het zuivere licht voor een deel dooft en voor een deel verstikt. In plaats van het avondmaal van de Heer is daar een heel schandelijke heiligschennis gekomen. Het dienen van God is daar door een enorme variatie aan ondraaglijk bijgeloof misvormd. De leer waar het christendom niet zonder kan bestaan, is daar volledig begraven en verjaagd. De openbare samenkomsten zijn scholen van afgoderij en goddeloosheid.

Daarom lopen we geen gevaar om van Christus’ kerk te worden afgescheurd, als we ons onttrekken aan het levensgevaar van deel hebben aan al die schanddaden. De gemeenschap van de kerk is niet ingesteld met de bepaling dat wij daardoor verstrikt zouden moeten raken in afgoderij, goddeloosheid, onwetendheid over God en andere vormen van kwaad. Nee, we moeten er juist door bewaard worden in vrees voor God en gehoorzaamheid aan de waarheid.

Ik weet dat de vleiers van de paus voor ons wel heel hoog opgeven van hun kerk, alsof er in de wereld geen andere kerk zou zijn. En alsof daarmee het pleit beslecht is, stellen ze vervolgens vast dat iedereen die zich durft onttrekken aan de kerk die zij voor ons afschilderen, een scheurmaker is en iedereen die ook maar een kik durft geven tegen haar leer, een ketter.

Maar op grond van welke argumenten bewijzen zij dat zij de echte kerk hebben? Uit de oude geschiedenisboeken voeren ze aan wat er in het verleden in Italië, Frankrijk en Spanje gebeurd is. En ze zeggen dat hun oorsprong ligt bij die heilige mannen, die door de gezonde leer de kerken gesticht en opgebouwd hebben en die de leer zelf en de stichting van de kerk met hun bloed bevestigd hebben. En dat de kerk die zo door geestelijke gaven en door het bloed van de martelaren onder hen geheiligd was, bewaard is door de ononderbroken opeenvolging van bisschoppen. Zo is voorkomen dat die kerk verloren gegaan is. Zij herinneren eraan hoe veel waarde Ireneüs, Tertullianus, Origenes, Augustinus en anderen aan deze opeenvolging hechtten.

Maar als je deze redenering even met mij wilt nalopen, kan ik je zonder enige moeite laten begrijpen hoe onbeduidend en volslagen belachelijk die is. Ook henzelf zou ik zeker aansporen om hier eens goed naar te kijken, als ik er vertrouwen in zou hebben iets te kunnen bereiken door hen te onderwijzen. Maar zij hebben geen oog voor de waarheid. Zij willen alleen op alle mogelijke manieren hun eigen zaak verdedigen. Daarom zal ik slechts een paar dingen zeggen waarmee goede mensen, die uit zijn op de waarheid, zich uit hun strikken kunnen bevrijden.

Om te beginnen vraag ik hun waarom ze Afrika, Egypte en heel Azië niet noemen. Nou, omdat in al die regio’s die heilige opeenvolging van bisschoppen is opgehouden, waardoor zij – zo pochen zij – de kerken behouden hebben. Zij bouwen hun redenering dus op deze basis: zij hebben de echte kerk omdat zij sinds haar ontstaan niet zonder bisschoppen gezeten heeft. Want in een ononderbroken rij is de een de ander opgevolgd.

Maar als ik hun nu eens op Griekenland wijs? Ik vraag hun dus opnieuw waarom zij zeggen dat bij de Grieken de kerk verloren is gegaan. Bij de Grieken is die opeenvolging van bisschoppen, die volgens hen de kerk beschermt en bewaart, nooit onderbroken. Toch beschouwen ze de Grieken als scheurmakers. Met welk recht? Omdat die het voorrecht echte kerk te zijn, zijn kwijtgeraakt door zich los te maken van de apostolische stoel. Wat? Verdien je het niet eerder om dat voorrecht te verliezen als je Christus zelf verraadt? Dat betekent dus dat die opeenvolging een loos excuus is als de opvolgers de waarheid, die ze uit handen van hun voorgangers ontvangen hebben, niet ongeschonden en onbedorven bewaren en daar niet aan blijven vasthouden.

De roomse kerk beroept zich op valse kenmerken

Daarom gebruiken de roomsen tegenwoordig geen ander voorwendsel dan de Joden vroeger gebruikten als de profeten hen beschuldigden van blindheid, goddeloosheid en afgoderij. Zij pochten immers op de tempel, de rituelen en het priesterschap. Zij dachten dat die overtuigende bewijzen vormden om de kerk aan af te meten. En zo houden ook de roomsen ons in plaats van de kerk enkele uiterlijke maskers voor. Die hebben vaak weinig met de kerk te maken en de kerk kan heel goed bestaan zonder die dingen.

Daarom kan ik hun beweringen met hetzelfde argument weerleggen waarmee Jeremia dat dwaze vertrouwen van de Joden bestreed: ze moesten niet pochen op leugens, door te zeggen: ‘De tempel van de HEER, de tempel van de HEER, de tempel van de HEER is dit!’ Jeremia 7:14 Want de Heer erkent nooit iets als van Hem als er niet geluisterd wordt naar zijn Woord en men zich daar niet zorgvuldig aan houdt. Dus ook al zetelde Gods glorie tussen de cherubs en ook al had Hij hun beloofd dat dat altijd zo zou zijn, Ezechiël 10:4 toch verhuist Hij naar een andere plek en laat Hij geen enkele heiligheid achterblijven, als de priesters de dienst aan Hem bederven met verkeerd bijgeloof.

De tempel leek geheiligd als Gods eeuwige woonplaats. Maar als die door God verlaten en onheilig kan worden, dan is er geen reden waarom de roomsen ons zouden kunnen wijsmaken dat God zo aan personen of plaatsen gebonden is en gehecht aan uiterlijke rituelen, dat Hij wel moet blijven bij degenen die slechts in naam en in schijn de kerk hebben.

En dit is waar Paulus tegen strijdt in zijn brief aan de Romeinen, in hoofdstuk 9 tot en met 12. Want het bracht zwakke gewetens hevig in verwarring dat de Joden Gods volk leken te zijn, maar toch de leer van het evangelie niet alleen afwezen, maar zelfs vervolgden. Dus nadat Paulus die leer heeft uitgelegd, ruimt hij vervolgens deze hindernis op en ontkent dat die Joden, vijanden van de waarheid, de kerk zijn. Ook al misten ze niets dat verder nog verlangd kon worden voor de uiterlijke vorm van de kerk. Hij ontkent dat zij de kerk vormen, omdat ze Christus niet omhelsden.

In de brief aan de Galaten zegt hij het nog iets duidelijker. Daar maakt hij een tegenstelling tussen Ismaël en Izak en zegt dat in de kerk velen een plaats hebben voor wie de erfenis niet geldt, omdat ze geen eerstgeborenen zijn uit een vrije moeder. Galaten 4:22 En op basis daarvan maakt hij ook een tegenstelling tussen twee Jeruzalems. Want op de berg Sinaï is de wet gegeven, maar uit Jeruzalem is het evangelie voortgekomen. En zo zijn er velen die geboren en opgevoed zijn als slaaf, maar zich er zonder aarzelen op beroemen dat ze Gods kinderen en de kerk zijn. Sterker nog, zij kijken trots neer op Gods echte kinderen, ook al zijn ze zelf bastaarden.

Maar we horen dat eenmaal vanuit de hemel is gezegd: ‘Jaag de slavin en haar zoon weg!’ Genesis 21:10 Daarom kunnen we aan de andere kant op basis van dit onveranderlijke besluit hun dwaas gepoch ook minachten. Immers, gaan zij prat op een uiterlijke besnijdenis? Ook Ismaël was besneden. Wijzen zij op hun ouderdom? Hij was de eerstgeborene, maar toch zien we dat hij verworpen wordt. Zoek je naar de reden? Paulus wijst die aan: als kinderen worden alleen zij beschouwd, die geboren zijn uit het zuivere en wettige zaad van de leer. Romeinen 9:6-9

Daarom ontkent God dat Hij gebonden zou zijn aan de goddeloze priesters omdat Hij een verbond gesloten had met hun voorvader Levi, zodat die voor Hem een gezant of uitlegger zou zijn. Sterker nog, Hij keert zich tegen hun valse gepoch, waarmee zij steeds weer in opstand komen tegen de profeten: dat je bijzonder veel waarde moest hechten aan de waardigheid van het priesterschap. God geeft dat graag toe en berispt hun juist op grond van het feit dat Hij bereid is zich aan zijn verbond te houden. Maar zij houden zich er van hun kant niet aan! Daarom verdienen ze het om afgewezen te worden. Maleachi 2:4-9

Kijk eens wat voor waarde de opeenvolging heeft als die niet gepaard gaat met imiteren en op dezelfde manier doorgaan: zodra bewezen is dat de opvolgers zijn afgeweken van hun oorsprong, zijn ze alle eer kwijt! Kajafas was de opvolger van vele vrome priesters. Ja, van Aäron af tot hem toe is er een ononderbroken rij priesters geweest. Was die misdadige vergadering daarom de naam ‘kerk’ waard? Zelfs bij wereldlijke regeringen zou zoiets onverdraaglijk zijn! Stel je voor dat we de tirannie van Caligula, Nero, Heliogabalus en dergelijken de juiste toestand van het gemenebest van de stad Rome zouden noemen, omdat zij goede leiders als Brutus, Scipio en Camillus opgevolgd hebben, die door het volk waren aangesteld! Maar vooral in het bestuur van de kerk is niets zo absurd als dat we de opeenvolging alleen leggen in personen en de leer aan de kant schuiven.

En het was zeker niet de bedoeling van de heilige leraren die de roomsen ten onrechte tegen mij aanvoeren, om op basis van een erfelijk recht te bewijzen dat overal waar de ene bisschop de anderen heeft opgevolgd, kerken zijn. Nee, het stond buiten kijf dat er vanaf het begin tot hun tijd toe niets in de leer veranderd was. Om alle nieuwe dwalingen omver te werpen was het dus voldoende om als uitgangspunt te nemen dat die dwalingen in strijd waren met de leer die vanaf de apostelen standvastig en eensgezind bewaard was. Er is dus geen reden waarom de roomsen de schijn zouden blijven ophouden met de naam ‘kerk’. Ook wij hebben eerbied voor die naam, zoals het hoort. Maar als het aankomt op een nadere definitie, dan kunnen zij, zeg maar, alleen maar door de modder strompelen. Sterker nog, ze blijven er zelfs in steken. Want ze stellen een schandelijke hoer in de plaats van Christus’ heilige bruid!

En om te voorkomen dat die vervanging ons misleidt, moet naast andere waarschuwingen ook deze waarschuwing van Augustinus ons te hulp komen. Als hij het over de kerk heeft, zegt hij: ‘Soms is zij verduisterd en als het ware gehuld in een dichte nevel van een massa aan ergernissen. En soms lijkt ze door de kalmte van de tijd rustig en vrij te zijn en soms wordt ze overspoeld door golven van verdrukkingen en beproevingen en in verwarring gebracht.’ Hij geeft voorbeelden van hoe meer dan eens de sterkste pijlers van de kerk óf voor hun geloof moedig in ballingschap verbleven, óf voor heel de wereld verborgen bleven.

De roomse kerk is niet gefundeerd op Gods Woord

Tegenwoordig kwellen de roomsen ons op deze manier. Zij maken de leken bang met de naam ‘kerk’, ook al zijn ze zelf Christus’ doodsvijanden. Ze gebruiken de tempel, het priesterschap en de rest van dat soort maskers als voorwendsel. Maar toch moeten we ons er door die loze schittering die de ogen van eenvoudigen treft, absoluut niet toe laten overhalen om aan te nemen dat waar Gods Woord niet aanwezig is, een kerk is.

Want dit is het blijvende kenmerk waarmee onze Heer de zijnen getekend heeft: ‘Wie uit de waarheid is,’ zegt Hij, ‘luistert naar mijn stem.’ Johannes 18:37 En: ‘Ik ben de goede herder en Ik ken mijn schapen en de mijnen kennen Mij.’ Johannes 10:14 ‘Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken hen en zij volgen Mij.’ Johannes 10:27 En kort daarvoor had Hij gezegd: ‘De schapen volgen hun herder, want ze kennen zijn stem. Een vreemdeling volgen ze niet, want ze kennen de stem van de vreemdeling niet.’ Johannes 10:4-5 Wat is het dan bewust dom als we zoeken naar de kerk. Christus heeft de kerk immers voorzien van een ondubbelzinnig kenmerk. Overal waar je dat kenmerk ziet, laat het onmiskenbaar zien dat daar een kerk is. Maar waar dat kenmerk niet is, blijft niets over dat een juiste aanduiding van de kerk zou kunnen geven. Want Paulus leert niet dat de kerk gefundeerd is op het oordeel van mensen of op priesterschappen, maar op de leer van de apostelen en de profeten. Efeziërs 2:20

Sterker nog, Jeruzalem moet juist van Babel en Christus’ kerk van de samenzwering van Satan onderscheiden worden door dit onderscheid, waarmee Christus hen van elkaar onderscheiden heeft, toen Hij zei: ‘Wie uit God is, luistert naar Gods woorden. Dus jullie luisteren niet, omdat jullie niet uit God zijn.’ Johannes 8:47 Kortom, waar de kerk is, is het rijk van Christus. En Hij regeert alleen door zijn Woord. Kan het dan voor iemand twijfelachtig zijn dat het een leugen is als het wordt voorgesteld alsof Christus’ rijk kan bestaan zonder zijn scepter, oftewel zijn heilig Woord?

Afscheiding van de roomse kerk is geen scheurmakerij of ketterij

Dan nu hun beschuldiging van scheurmakerij en ketterij omdat wij een leer prediken die anders is dan die van hen, niet gehoorzamen aan hun wetten en apart vergaderen voor gebed, de doop, de bediening van het avondmaal en andere heilige handelingen. Dat is weliswaar een heel zware beschuldiging. Maar toch is daar geen lange of inspannende verdediging voor nodig.

Ketters en scheurmakers worden degenen genoemd die tweedracht zaaien en zo de gemeenschap van de kerk verbreken. Nu wordt deze gemeenschap bijeengehouden met twee banden: eensgezindheid in de gezonde leer en broederlijke liefde. Daarom maakt Augustinus tussen ketters en scheurmakers dit onderscheid: ketters bederven de zuiverheid van het geloof met valse dogma’s, maar scheurmakers verscheuren de band van het geloof soms zelfs als ze toch hetzelfde geloven.

Maar we moeten ook opmerken dat deze gemeenschap in liefde afhankelijk is van eenheid in geloof. En wel zo dat de laatste het begin, het einde, kortom, de enige norm voor de eerste moet zijn. Daarom moeten we bedenken: telkens als ons kerkelijke eenheid wordt aangeprezen, gaat het erom dat we met ons verstand overeenstemmen met Christus en dat we in onze wil met elkaar in Christus verbonden zijn door een onderlinge welwillendheid.

Als Paulus ons oproept tot die eenheid, neemt hij daarom als basis dat er één God is, één geloof, één doop. Efeziërs 4:5 Sterker nog, overal waar hij ons leert hetzelfde te denken en hetzelfde te willen, voegt hij er meteen aan toe: ‘in Christus,’ Filippenzen 2:1-5 of: ‘in overeenstemming met Christus.’

Romeinen 15:5 Daarmee geeft hij aan dat die vergadering die buiten het Woord van de Heer om gaat, een vergadering van goddelozen is en geen eensgezinde gemeenschap van gelovigen.

Afscheiding van de roomse kerk is nodig om naar Christus te gaan

Ook Cyprianus volgt Paulus hierin. Hij leidt de bron van de eensgezindheid van de kerk af van de unieke bisschopstaak van Christus. Daarna zegt hij: ‘Er is één kerk die zich door een vruchtbare groei breed uitspreidt in vele kerken. Net zoals er veel zonnestralen zijn, maar één licht en veel boomtakken, maar één stam, gefundeerd op een stevige wortel. En als uit één bron meerdere beken stromen, dan lijkt dat misschien een groot aantal, maar toch blijft er dan eenheid qua oorsprong. Haal je een zonnestraal weg, dan wordt de eenheid niet verbroken. Breek je een tak van de boom af, dan kan de afgebroken tak niet meer uitlopen. Snijd je een beek af van de bron, dan droogt ze op. Zo strekt ook de kerk zich, overgoten met het licht van de Heer, uit over de hele wereld. Maar toch is het één licht dat zich overal verspreidt.’

Het kon niet mooier gezegd worden om uitdrukking te geven aan die ondeelbare band die alle ledematen van Christus met elkaar hebben. We zien dat Cyprianus ons steeds weer terugroept naar het hoofd zelf. Daarom zegt hij dat ketterijen en scheuringen ontstaan doordat men niet terugkeert naar de oorsprong van de waarheid. Men zoekt het hoofd niet en bewaart de leer van de hemelse leermeester niet.

Laat de roomsen nu hun gang maar gaan en uitroepen dat wij ketters zijn omdat we ons van hun kerk hebben afgescheiden. Voor deze vervreemding hebben we geen andere reden gehad dan alleen deze: zij kunnen de zuivere belijdenis van de waarheid niet verdragen.

En ik zwijg erover dat ze ons met vervloekingen en verwensingen hebben weggejaagd. Alleen dat spreekt ons al meer dan voldoende vrij. Of ze moeten ook de apostelen vanwege scheurmakerij willen veroordelen. Want wij delen dit met hen. Christus, zeg ik, heeft zijn apostelen voorzegd dat ze omwille van zijn naam de synagogen uit gegooid zouden worden. Johannes 16:2 En de synagogen waar Hij het over heeft, werden toen als de wettige kerken beschouwd.

Het staat dus vast dat wij zijn weggejaagd en wij zijn bereid om aan te tonen dat dit gebeurd is om de naam van Christus. Dus hoort men deze zaak natuurlijk eerst te onderzoeken, voor men over ons een beslissing neemt naar de ene kant of naar de andere kant. Maar als ze dat zouden willen, wil ik op dit punt best aan hen toegeven. Want voor mij is het meer dan voldoende dat we ons van hen hebben moeten afscheiden om naar Christus toe te gaan.

De roomse kerk vergeleken met het afvallige Israël

Maar hoe we alle kerken moeten beschouwen die onderworpen zijn aan de tirannie van die roomse afgod, zal nog duidelijker blijken als we die kerken vergelijken met de oude Israëlitische kerk, zoals de profeten die tekenden.

De echte kerk bestond bij de Judeeërs en Israëlieten toen zolang ze bleven bij de wetten van het verbond: zolang ze, doordat God het hun gaf, vasthielden aan de dingen waaruit de kerk bestaat. Ze hadden in de wet de leer van de waarheid en de bediening daarvan was de taak van de priesters en de profeten. Door het teken van de besnijdenis werden ze in het verbond ingelijfd. Door de andere sacramenten werden ze getraind, zodat hun geloof versterkt werd. Ongetwijfeld waren op hun gemeenschap de eretitels van toepassing waarmee de Heer de kerk eerde.

Maar later, toen ze de wet van de Heer in de steek lieten en wegzonken in afgoderij en bijgeloof, verloren ze dat voorrecht voor een deel. Want wie zou de titel ‘kerk’ durven ontnemen aan degenen aan wie God de prediking van zijn Woord en het onderhouden van de mysteries toevertrouwd heeft? Aan de andere kant, wie zou zonder enig voorbehoud een vergadering ‘kerk’ durven noemen waar Gods Woord openlijk en ongestraft met voeten getreden wordt en waar zijn bediening, de hoofdzenuw, ja de ziel van de kerk, wordt geruïneerd?

De kerk in Juda en Israël

‘Wat dan?’ zal iemand vragen. ‘Was er bij de Joden dan helemaal geen stukje meer over van de kerk, sinds ze tot afgoderij vervallen waren?’ Het antwoord is gemakkelijk.

In de eerste plaats zeg ik dat er in de afval bepaalde stadia geweest zijn. We kunnen immers niet zeggen dat Juda en Israël even diep gevallen zijn toen ze beiden voor het eerst van de zuivere dienst van God afweken.

Toen Jerobeam de kalveren maakte, ging hij openlijk in tegen Gods verbod. En hij wijdde een plaats in voor aanbidding die niet was toegestaan. Daarmee bedierf hij de godsdienst volledig. Maar de Judeeërs besmeurden zich eerst met een goddeloze en bijgelovige moraal, voordat ze de uiterlijke vorm van de godsdienst op een verkeerde manier veranderden. Weliswaar namen ze onder Rehabeam al veel verkeerde rituelen aan. Maar in Jeruzalem bleven de leer van de wet, het priesterschap en de rituelen zoals God ze had ingesteld. Voor de vromen was de toestand van de kerk daar dus nog dragelijk.

Bij de Israëlieten werden de dingen er tot de regering van Achab bepaald niet beter op. Ze zijn zelfs nog dieper gevallen. De koningen die daarna kwamen, tot aan de ondergang van het koninkrijk, waren voor een deel net zo erg als Achab. En voor een ander deel wilden ze iets beter zijn dan Achab. Daarom volgden ze het voorbeeld van Jerobeam. Maar allemaal waren ze goddeloos en dienden ze afgoden. In Juda waren nu en dan verschillende veranderingen. Sommige koningen bedierven de dienst aan God met valse en verzonnen vormen van bijgeloof. Andere koningen herstelden de geruïneerde godsdienst weer. Totdat zelfs de priesters Gods tempel met onheilige en afschuwelijke rituelen bezoedelden.

Wij mogen niet meedoen met de roomse rituelen

Nou, laat de roomsen hun gebreken nu maar zoveel mogelijk bagatelliseren en laat hen, als ze dat kunnen, maar eens ontkennen dat de toestand van de godsdienst bij hen net zo bedorven en geschonden is als in het koninkrijk Israël onder Jerobeam. Nee, hun afgoderij is nog veel erger en hun leer geen spatje zuiverder, als ze juist daarin niet nog onzuiverder zijn! God en ieder die een middelmatig verstand gekregen heeft, zal mijn getuige zijn dat ik hierin absoluut niet overdrijf. Het blijkt ook vanzelf.

Nu eisen zij twee dingen van ons, als ze ons willen dwingen tot eenheid met hun kerk. In de eerste plaats dat we deelnemen aan al hun gebeden, heilige handelingen en rituelen. En in de tweede plaats dat wij aan hun kerk alle eer, macht en gezag toekennen die Christus aan zijn kerk gegeven heeft.

Wat betreft het eerste: ik geef toe dat alle profeten die in Jeruzalem geweest zijn toen de zaken daar heel erg bedorven waren, niet apart gingen offeren en geen afzonderlijke vergaderingen hielden om te bidden. Want ze hadden een bevel van God om samen te komen in de tempel van Salomo. En ze wisten dat de Levitische priesters door de Heer waren aangesteld om voor te gaan bij de heilige dingen. Ze waren nog niet afgezet, ook al waren ze die eer niet waard. Ze hadden nog steeds recht op hun positie. Maar het belangrijkste was dat de profeten niet gedwongen werden om mee te doen met het bijgeloof. Nee, ze accepteerden niets dat niet door God was ingesteld.

Maar waar is de overeenkomst met de pausgezinden? We kunnen immers nauwelijks een samenkomst met hen hebben zonder dat we ons daarin besmetten met openlijke afgoderij. Vast en zeker ligt de belangrijkste band van hun gemeenschap in de mis. En die keuren wij af als de grootste heiligschennis! Ergens anders zullen we zien of we dat terecht doen of uit overmoed. Nu is het voldoende om te laten zien dat wij er wat dat betreft anders voor staan dan de profeten. Ook al waren zij aanwezig bij de godsdienstoefening van de goddelozen, toch werden ze niet gedwongen andere rituelen te zien of te verrichten dan de rituelen die God had ingesteld.

En als we een voorbeeld willen nemen dat in alle opzichten parallel is, laten we dan het koninkrijk Israël nemen. De bepaling van Jerobeam liet de besnijdenis blijven, de offers werden gebracht, de wet werd als heilig beschouwd, de God werd aangeroepen die ze van hun voorvaders gekregen hadden. Maar God keurde alles wat daar gedaan werd af. Hij veroordeelde het vanwege de verzonnen en verboden rituelen. Noem mij eens één profeet of een vroom man die éénmaal in Bethel gebeden of geofferd heeft. Want ze wisten dat ze dat niet konden doen zonder zich met iets van die heiligschennis te besmetten.

Kortom, anderen moeten dus niet zoveel waarde hechten aan de gemeenschap van de kerk dat ze die acuut zouden moeten volgen als zij zou ontaarden in onheilige en besmeurde rituelen.

We mogen niet gehoorzamen aan de roomse kerk

Maar wat betreft hun tweede eis bestrijd ik hen nog krachtiger. Want we moeten het oordeel van de kerk eerbiedigen, haar gezag erkennen, haar vermaningen gehoorzamen, door haar berispingen in beweging gebracht worden, haar gemeenschap in alles nauwkeurig in stand houden. En als we zo naar de kerk kijken, dan kunnen we niet toegeven dat de roomsen de kerk zijn, zonder dat wij ons aan die kerk moeten onderwerpen en die moeten gehoorzamen.

Ik geef hun echter graag toe wat de profeten toegaven aan de Judeeërs en Israëlieten van hun tijd, toen de dingen er daar net zo of beter voor stonden. Maar we zien dat de profeten steeds weer uitroepen dat hun samenkomsten onheilig zijn Jesaja 1:14 en dat je daar evenmin mee mag instemmen als dat je God mag verloochenen. En als dat kerken waren, dan betekent dat natuurlijk dat in Israël Elia, Micha en dergelijke mannen buiten Gods kerk stonden. Net als in Juda Jesaja, Jeremia, Hosea en anderen die door de profeten, de priesters en het volk van hun tijd meer gehaat en verafschuwd werden dan onbesnedenen. Als dat kerken waren, dan is de kerk dus geen pijler van de waarheid, 1 Timotheüs 3:15 maar een steunpilaar voor de leugen. Geen tabernakel van de levende God, maar een woonplaats voor afgoden. Voor de profeten was het dus nodig om afstand te nemen van de eensgezindheid met die vergaderingen. Die waren niets anders dan een goddeloze samenzwering tegen God!

Zo is het ook nu. Stel dat iemand de tegenwoordige vergaderingen van de pausgezinden, die besmet zijn met afgoderij, bijgeloof en een goddeloze leer, zou erkennen als kerken, waar een christen volledig één mee moet blijven, zodat hij zelfs met hun leer moet instemmen. Dan zou hij erg dwalen!

Immers, als dat kerken zijn, dan hebben zij de sleutelmacht. Maar de sleutels zijn onlosmakelijk verbonden met het Woord. En dat is bij hen onderuitgehaald.

Bovendien, als dat kerken zijn, geldt voor hen Christus’ belofte: ‘Wat jullie zullen binden …’ Mattheüs 16:19; 18:18; Johannes 20:23 Maar zij verstoten uit hun gemeenschap iedereen die oprecht belijdt dat hij een dienaar van Christus is.

Dus óf Christus’ belofte is loos, óf zij zijn in elk geval in dit opzicht geen kerk.

Ten slotte, in plaats van de bediening van het Woord, hebben zij scholen van goddeloosheid en een smerige verzameling van allerlei dwalingen. Volgens die redenering zijn dat dus geen kerken, of er blijft geen kenmerk meer over waarmee we de wettige vergaderingen van de gelovigen kunnen onderscheiden van de bijeenkomsten van moslims.

De roomse ruïne bevat nog sporen van de kerk

Maar zoals in het verleden onder de Joden nog enkele speciale voorrechten van de kerk overbleven, zo ontzeg ik ook nu de pausgezinden niet de sporen die de Heer van hun ruïne heeft willen laten overblijven. Met de Joden had God eenmaal zijn verbond gesloten. Dit verbond hield niet stand doordat zij het bewaarden, maar doordat het steunde op zijn eigen kracht en daarmee streed tegen hun goddeloosheid. Het verbond van de Heer bleef dus onder hen wonen dankzij de betrouwbaarheid en standvastigheid van Gods goedheid. Hun ontrouw kon zijn trouw niet uitwissen. Hun onreine handen konden de besnijdenis niet zo ontheiligen of het was ondertussen toch een echt teken en sacrament van dat verbond. Daarom noemde de Heer de kinderen die hun geboren werden, zijn kinderen. Ezechiël 16:20 Zonder zijn speciale zegen zouden zij geen relatie met Hem gehad hebben.

Zo heeft Hij ook aan Frankrijk, Italië, Duitsland, Spanje en Engeland zijn verbond toevertrouwd. En om zijn verbond onaangetast te laten toen die landen onderdrukt werden door de antichrist, heeft Hij in de eerste plaats zijn doop daar bewaard, als bewijs van zijn verbond. Hij heeft dat verbond met zijn mond geheiligd en ondanks de goddeloosheid van de mensen, blijft het van kracht.

In de tweede plaats heeft Hij door zijn voorzienigheid ook andere overblijfselen laten bestaan, om te voorkomen dat de kerk volledig verloren zou gaan. Als gebouwen verwoest worden, blijven er vaak fundamenten en ruïnes over. Zo heeft Hij ook niet gewild dat zijn kerk óf tot het fundament toe omver werd gehaald, óf met de grond gelijk werd gemaakt. Om de ondankbaarheid van de mensen die zijn Woord verachtten te straffen, heeft Hij hen wel vreselijke verwoestende klappen laten ondergaan. Maar Hij wilde dat er ook na de vernieling nog een half ingestort gebouw overbleef.

De paus als antichrist

Ik wil de pausgezinden dus niet simpelweg de benaming ‘kerk’ toestaan. Toch ontken ik daarom niet dat er bij hen kerken zijn. Maar ik ga alleen de discussie aan over de echte en wettige ordening van de kerk. Die vind je niet alleen in de gemeenschap van de sacramenten – de tekenen van de belijdenis – maar vooral ook in de gemeenschap van de leer.

Daniël en Paulus hebben voorzegd dat de antichrist in Gods tempel zou zitten. Daniël 9:27; 2 Thessalonicenzen 2:4 Volgens mij is de paus van Rome de leider en aanvoerder van dat slechte en afschuwelijke rijk, in elk geval in de kerk in het Westen. Dat zijn zetel in Gods tempel geplaatst wordt, geeft aan dat zijn rijk de naam van Christus niet teniet kan doen en evenmin de naam van de kerk. Dat laat dus zien dat wij zeker niet ontkennen dat er ook onder zijn tirannie kerken blijven. Maar dan kerken die hij met zijn heiligschennende goddeloosheid ontheiligd, door een onmenselijke overheersing onderdrukt en door slechte en levensgevaarlijke dogma’s, als door gifdranken, bedorven en haast gedood heeft. Kerken waarin Christus half begraven en verborgen, het evangelie verduisterd, de vroomheid verdreven en de dienst aan God haast vernietigd is. In één woord, kerken waarin alles zo in verwarring is dat je daar eerder het gezicht ziet van Babel dan van Gods heilige stad.

Kortom, ik noem dat kerken voor zover de Heer de restanten van zijn volk, hoe jammerlijk verstrooid en uiteengejaagd ook, daar op een wonderlijke manier bewaart. En voor zover daar nog enkele kenmerken van de kerk blijven bestaan: vooral de kenmerken waar de duivel met zijn listen en de mensen in hun boosaardigheid de kracht niet van kunnen vernietigen. Maar de kenmerken waar we bij deze uitleg het meest op moeten letten, zijn daar wel vernield. Daarom zeg ik dat van het pausdom elke vergadering en ook het geheel van het lichaam de wettige vorm van kerk mist.

Voetnoten

  1. 454

    Heliogabalus of Elagabalus (203/204-222), keizer van Rome.

  2. 455

    Marcus Junius Brutus (85-42 v. Chr.), Romeinse senator en stoïcijn en een van de samenzweerders tegen Julius Caesar.

  3. 456

    Augustinus, Epistulae,93.

  4. 457

    Augustinus, Quaestinones in evangelium secundum Matthaeum, 11,1-2.

  5. 458

    Cyprianus van Carthago, De ecclesiae catholicae unitate,5.

Voetnoot 454

Heliogabalus of Elagabalus (203/204-222), keizer van Rome.

Voetnoot 455

Marcus Junius Brutus (85-42 v. Chr.), Romeinse senator en stoïcijn en een van de samenzweerders tegen Julius Caesar.

Voetnoot 456

Augustinus, Epistulae,93.

Voetnoot 457

Augustinus, Quaestinones in evangelium secundum Matthaeum, 11,1-2.

Voetnoot 458

Cyprianus van Carthago, De ecclesiae catholicae unitate,5.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.