Boek IV · Hoofdstuk 7
Het ontstaan van het pausdom
Inhoud van dit hoofdstuk · 30 secties
- 1Romes positie op de concilies van Nicea en Efeze
- 2Romes positie op het concilie van Chalcedon en het vijfde concilie van Constantinopel
- 3De bisschop van Rome werd door andere bisschoppen als collega behandeld
- 4Gregorius de Grote wilde geen ‘universele bisschop’ genoemd worden
- 5Het gezag van de paus
- 6Het ordenen van bisschoppen
- 7Vermaningen en censuur
- 8Het samenroepen van synodes
- 9Appelzaken
- 10Een voorbeeld van een appelzaak
- 11Bewijzen voor het gezag van de paus
- 12Het gezag van de paus in de tijd van Gregorius de Grote
- 13De klacht van Gregorius de Grote
- 14Rome als hoofdstad van het keizerrijk
- 15Constantinopel als nieuwe hoofdstad van het keizerrijk
- 16Constantinopels aanspraak op de eerste positie
- 17Rome krijgt het primaat
- 18De klacht van Bernardus van Clairveaux
- 19Het oppergezag van de paus
- 20Valse bewijzen
- 21Gregorius de Grote wilde geen oppergezag
- 22Sinds Gregorius en Bernardus is de toestand alleen maar verergerd
- 23De paus is helemaal geen bisschop
- 24De paus is de antichrist
- 25Waarom de paus de antichrist is
- 26Christus’ grootste vijand kan nooit zijn plaatsvervanger zijn
- 27Het ongeloof van de pausen
- 28De dwaalleer van Johannes XXII
- 29Leven en moraal van de pausen
- 30Kardinalen
Romes positie op de concilies van Nicea en Efeze
Wat betreft de ouderdom van de stoel van Rome: om die te bevestigen is er niets ouder dan een besluit van het concilie van Nicea (325). Dat concilie kende de eerste plaats onder de patriarchen toe aan de bisschop van Rome. Daarbij kreeg die het bevel om voor de kerken te zorgen die in de omgeving van Rome lagen. Met zo’n verdeling tussen hem en de andere patriarchen, waarbij ze elk een eigen gebied toegewezen kregen, stelde het concilie hem natuurlijk niet aan als hoofd over iedereen. Nee, het concilie maakte van hem alleen een van de voornaamsten.
Vitus en Vicentius waren aanwezig namens Julius I, die toen de kerk van Rome regeerde. Zij kregen de vierde plaats. Ik vraag je: als Julius erkend werd als hoofd van de kerk, zouden ze zijn afgezanten dan naar de vierde plaats verwezen hebben? En zou Athanasius dan voorzitter geweest zijn van een concilie, waar de orde van de hiërarchie het duidelijkst zichtbaar hoorde te schitteren?
Op het concilie van Efeze (431) heeft Celestinus I – toen de bisschop van Rome – een slinkse streek uitgehaald om de waardigheid van zijn stoel veilig te stellen. Hij zond wel zijn afgezanten naar dat concilie, maar hij droeg Cyrillus, de bisschop van Alexandrië, op om zijn plaatsvervanger te zijn. Terwijl Cyrillus sowieso al voorzitter geweest zou zijn! Waar was die opdracht anders voor bedoeld dan om op een of andere manier zijn naam te verbinden aan de eerste plaats? Want Celestinus’ afgezanten zaten op een lagere plaats, hun werd samen met de anderen om hun mening gevraagd en zij ondertekenden als ze aan de beurt waren. Maar ondertussen combineert de patriarch van Alexandrië zijn eigen naam met die van de naam van de bisschop van Rome.
Wat zal ik zeggen over het tweede concilie van Efeze (449)? Weliswaar waren daar afgezanten van Leo I aanwezig. Maar toch was de patriarch van Alexandrië, Dioscorus, voorzitter omdat hij daar op grond van zijn eigen positie recht op had. De roomsen zullen tegenwerpen dat dat geen rechtzinnig concilie was. Daar werd de heilige man Flavianus veroordeeld en Eutyches vrijgesproken en zijn goddeloosheid goedgekeurd. Maar toen de synode bijeenkwam en de bisschoppen de zitplaatsen onder elkaar verdeelden, zaten de afgevaardigden van de kerk van Rome vast en zeker tussen de anderen, net alsof ze op een heilig en wettig concilie zaten. Toch gingen ze niet in discussie over de eerste plaats. Nee, ze stonden die af aan iemand anders. Dat zouden ze vast niet gedaan hebben als ze gevonden hadden dat zij daar recht op hadden. Want de bisschoppen van Rome hebben zich er nooit voor geschaamd om onenigheid te veroorzaken omwille van hun eer en alleen om die reden de kerk te kwellen en in verwarring te brengen met veel gevaarlijk geruzie. Maar Leo besefte dat dit een veel te brutale eis zou zijn, als hij voor zijn gezanten de eerste plaats zou willen hebben. En daarom zag hij ervan af.
Romes positie op het concilie van Chalcedon en het vijfde concilie van Constantinopel
Daarna kwam het concilie van Chalcedon (451). Daar zaten de afgevaardigden van de kerk van Rome met toestemming van de keizer op de eerste plaats. Maar Leo I erkent zelf dat dit een buitengewoon privilege was. Want als hij keizer Marcianus en keizerin Pulcheria hierom vraagt, beweert hij niet dat hij er recht op heeft. Nee, hij gebruikt het voorwendsel dat de bisschoppen uit het Oosten, die op het concilie van Efeze de leiding hadden, toen alles in de war gebracht hadden en hun macht hadden misbruikt. Er was dus serieuze leiding nodig en het was niet waarschijnlijk dat degenen die de vorige keer zo lichtzinnig en oproerig geweest waren, daar geschikt voor waren. Daarom vraagt Leo of de leiding aan hem mag worden overgedragen, vanwege de gebreken en ongeschiktheid van anderen.
Wat gevraagd wordt als een buitengewoon voorrecht, buiten de orde om, is natuurlijk niet volgens de algemene regel. Het enige voorwendsel is dat er een nieuwe voorzitter nodig is, omdat de vorigen zich misdragen hebben. Daaruit blijkt dus dat het niet eerder gebeurd is en dat het niet altijd zo moet gebeuren. Het gebeurt alleen met het oog op het tegenwoordige gevaar. De bisschop van Rome heeft op het concilie van Chalcedon dus niet de eerste plaats omdat hij daar recht op heeft, maar omdat de synode een serieuze en geschikte leider mist, doordat degenen die de leiding hadden moeten hebben, zich met hun gebrek aan zelfbeheersing en hun bandeloosheid voor die positie gediskwalificeerd hebben.
En Leo’s opvolger heeft daadwerkelijk bewezen dat ik gelijk heb. Want toen hij zijn afgezanten naar het vijfde concilie van Constantinopel (553) stuurde, dat veel later gehouden is, ging hij niet in discussie over de eerste plaats. Nee, zonder bezwaar accepteerde hij dat Mennas, de patriarch van Constantinopel, voorzitter was. Zo zien we dat ook op het concilie van Carthago (418-419), waar Augustinus aanwezig was, niet de afgezanten van de stoel van Rome, maar Aurelius, de aartsbisschop van Carthago de leiding had. Zelfs al ging de discussie daar over het gezag van de bisschop van Rome.
Sterker nog, zelfs in Italië is een algemeen concilie gehouden (381) waar de bisschop van Rome niet bij aanwezig was. Toen was Ambrosius voorzitter, die veel invloed had bij de keizer. De bisschop van Rome wordt op dat concilie niet genoemd. Dankzij de waardigheid van Ambrosius, stond de stoel van Milaan toen dus meer in aanzien dan die van Rome.
De bisschop van Rome werd door andere bisschoppen als collega behandeld
Wat betreft de aanduiding ‘primaat’ en andere hoogmoedige aanduidingen waar de paus nu zo wonderlijk prat op gaat: het is niet moeilijk te beoordelen wanneer en hoe die binnengeslopen zijn.
Cyprianus noemt vaak Cornelius. Maar hij noemt hem niet anders dan ‘broeder’, ‘collega-bisschop’ of ‘collega’. En als hij schrijft aan Stefanus I, Cornelius’ opvolger, dan beschouwt hij hem niet alleen als gelijk aan zichzelf en de andere bisschoppen. Hij spreekt hem zelfs vrij streng aan. Het ene moment verwijt hij hem arrogantie en het andere moment onwetendheid.
We weten hoe na Cyprianus heel de kerk van Afrika over deze kwestie oordeelde. Want het concilie van Carthago verbood dat iemand ‘hogepriester’ of ‘eerste bisschop’ genoemd werd. Hij mocht hooguit ‘bisschop van de eerste stoel’ genoemd worden.
Als je nog oudere geschriften erop wilt nalezen, zul je merken dat de bisschop van Rome toen tevreden was met de algemene aanspreektitel ‘broeder’.
Vast en zeker waren al die hoogmoedige aanduidingen, waar de stoel van Rome later mee is gaan pronken, totaal onbekend zolang de kerk nog haar echte en zuivere vorm had. Wat een hogepriester en enig hoofd van de kerk op aarde was, wist men niet. Als de bisschop van Rome het gewaagd had zich zoiets aan te matigen, dan zou zijn dwaasheid snel bedwongen zijn door flinke mannen.
Hiëronymus was een presbyter van Rome. Daarom was hij best geneigd om de waardigheid van zijn kerk te prediken, voor zover de feiten en omstandigheden van die tijd dat toelieten. Maar toch zien we dat hij die waardigheid wel binnen de perken houdt. Hij zegt: ‘Als je naar gezag vraagt, de wereld is groter dan een stad. Waarom kom je aanzetten met wat in één stad gebruikelijk is? Waarom verdedig je een klein aantal? Dat leidt tot hoogmoed en verzet tegen de wetten van de kerk. Overal waar een bisschop is, of het nu is in Rome, in Gubbio, in Constantinopel of in Reggio, heeft hij hetzelfde aanzien en hetzelfde priesterschap. De macht van rijkdom of de nederigheid van armoede maakt een bisschop niet hoger of lager.’
Gregorius de Grote wilde geen ‘universele bisschop’ genoemd worden
Pas in de tijd van Gregorius de Grote ontstond er discussie over de titel ‘universele bisschop’. De aanleiding daarvoor vormde de eerzucht van Johannes, bisschop van Constantinopel. Hij wilde zichzelf universele bisschop maken, iets dat nog nooit iemand geprobeerd had. In die discussie voert Gregorius niet aan dat hem werd afgepakt waar hij recht op had. Nee, hij roept hier met kracht tegen uit dat deze titel onheilig is, godslasterlijk zelfs. Sterker nog: een voorbode van de antichrist.
Hij zegt: ‘Als degene die zich universele bisschop noemt, valt, stort heel de kerk in.’
En ergens anders: ‘Het is heel verdrietig om passief te tolereren als onze broeder en collega-bisschop zich de enige bisschop zou noemen en daarmee alle andere bisschoppen minacht. Maar wat laat deze hoogmoed anders zien dan dat de tijd van de antichrist al vlakbij is? Want blijkbaar imiteert hij degene die het gezelschap van de engelen te min vond en probeerde op te klimmen tot alleenheerschappij.’
Ergens anders schrijft hij aan Eulogius van Alexandrië en Anastasius van Antiochië: ‘Nooit heeft iemand van mijn voorgangers deze onheilige titel willen gebruiken en wel om deze reden: als één persoon “universele patriarch” genoemd wordt, wordt de anderen de naam “patriarch” ontzegd. Maar een christen zou er niet aan moeten denken zich iets te willen aanmatigen waarmee hij de eer van zijn broeders ook maar een klein stukje te kort zou doen. Toestemmen in deze misdadige titel betekent niets anders dan het geloof vernietigen.’
Hij zegt: ‘Dat we geloofseenheid moeten bewaren is één ding. Iets anders is dat we hoogmoed moeten onderdrukken. Maar ik zeg vrijmoedig dat ieder die zich algemeen priester noemt of verlangt dat hij zo genoemd wordt, in zijn hoogmoed een voorloper is van de antichrist! Want door zijn hoogmoed plaatst hij zichzelf boven anderen.’
En, opnieuw aan Anastasius van Alexandrië: ‘Ik heb gezegd dat hij geen vrede met ons kan hebben, tenzij hij de hoogmoed van die bijgelovige en arrogante naam corrigeert. Die titel is bedacht door de eerste afvallige! En om te zwijgen over het onrecht dat uw eer wordt aangedaan als één bisschop “universele bisschop” genoemd wordt: heel de kerk stort in als de universele bisschop valt.’
Echter, Gregorius schrijft ook dat deze eer op het concilie van Chalcedon is aangeboden aan Leo I. Maar dat lijkt totaal onwaarschijnlijk. Want je leest daarover niets in de acta van dat concilie. En Leo zelf zou dit echt niet verzwegen hebben. Want hij bestrijdt in vele brieven het besluit dat daar genomen is ten gunste van de stoel van Constantinopel. Als het waar was, had het zijn sterkste argument geweest kunnen zijn dat hij de eer die hem was aangeboden had afgewezen. Bovendien had hij ook verder meer dan genoeg eerzucht om niet vrijwillig iets weg te laten dat hem tot eer strekte.
Gregorius heeft zich dus vergist toen hij dacht dat die titel door het concilie van Chalcedon is aangeboden aan de stoel van Rome. Om er maar over te zwijgen hoe belachelijk het is dat hij verklaart dat die titel afkomstig is van een heilige synode, terwijl hij die titel tegelijk misdadig, onheilig, afkeurenswaardig, hoogmoedig en heiligschennend noemt, ja zelfs bedacht door de duivel en bekendgemaakt door de heraut van de antichrist.
Toch voegt hij eraan toe dat zijn voorganger die titel heeft geweigerd, om te voorkomen dat alle priesters samen beroofd werden van de eer waar ze recht op hadden, doordat één iets speciaals kreeg. Ergens anders zegt hij: ‘Niemand heeft ooit met zo’n titel aangeduid willen worden, niemand heeft zich deze brutale naam toegeëigend, om te voorkomen dat hij de indruk zou wekken al zijn broeders de eer van de bisschopsrang te weigeren door zichzelf als bisschop de eer toe te eigenen van een unieke positie.’
Het gezag van de paus
Ik kom nu toe aan het gezag dat de paus van Rome beweert te hebben over alle kerken, zonder tegenspraak. Ik weet hoe veel discussie daar in het verleden over geweest is. Want er is geen tijd geweest waarin de stoel van Rome niet geprobeerd heeft gezag te krijgen over de andere kerken. En het is niet misplaatst om nu te onderzoeken op welke manier hij toen stap voor stap wat macht gekregen heeft.
Ik heb het nog niet over de grenzeloze heerschappij die hij zich nog niet zolang geleden heeft toegeëigend. Dat stellen we nog even uit tot we daaraan toe zijn. Maar het is de moeite waard om nu in enkele woorden te laten zien hoe en op welke manier hij zich in het verleden verheven heeft, om zich enig gezag over de andere kerken aan te matigen.
Onder de keizers Constantius en Constans, de zonen van Constantijn de Grote, waren de kerken in het Oosten verdeeld en in verwarring door de discussies over de leer van Arius. Athanasius was daar de belangrijkste verdediger van het rechtzinnige geloof. Maar hij werd uit zijn positie verdreven. Die tegenslag dwong hem om naar Rome te komen om met behulp van het gezag van de stoel van Rome zowel de woede van zijn vijanden enigszins te bedwingen als de vromen te versterken in hun benauwdheid. Hij werd eervol ontvangen door Julius I, die toen bisschop van Rome was, en kreeg voor elkaar dat de kerken in het Westen de verdediging van zijn zaak op zich namen.
De vromen hadden dus heel hard uiterlijke bescherming nodig en zagen dat zulke bescherming uitstekend te vinden was in de kerk van Rome. Daarom verleenden ze die kerk graag zoveel gezag als ze konden. Maar ze hadden daar geen andere bedoeling mee dan dat men veel respect moest hebben voor de eenheid met die kerk en dat men het als een schande moest beschouwen om uit die kerk verbannen te worden.
Later hebben ook slechte en goddeloze mensen het gezag van de kerk van Rome sterk doen toenemen. Want ze vluchtten daarheen als naar een vrijplaats, om te ontkomen aan wettige vonnissen. Dus als een presbyter door zijn bisschop of een bisschop door de synode van zijn provincie veroordeeld was, beriep hij zich meteen op Rome. En de bisschoppen van Rome accepteerden dit soort appelzaken gretiger dan gepast was. Het leek wel alsof ze een soort speciale macht hadden om zo her en der als bemiddelaars op te treden bij conflicten.
Bijvoorbeeld, toen Eutyches veroordeeld was door Flavianus, de bisschop van Constantinopel, heeft hij zich bij Leo I beklaagd dat hem onrecht aangedaan was. Die nam de verdediging van deze slechte zaak even onbezonnen als snel op zich, zonder aarzeling. Hij haalde fel uit naar Flavianus, alsof die Eutyches, zonder kennis te nemen van waar het om ging, onschuldig veroordeeld had. Dankzij deze eerzucht van Leo kon de goddeloosheid van Eutyches zich een tijdlang handhaven.
Het staat vast dat dit in Afrika meerdere keren gebeurd is. Zodra de een of andere deugniet in een ordelijk proces het onderspit gedolven had, snelde hij naar Rome en legde daar vele valse verklaringen af tegen zijn eigen kerk. En de stoel van Rome was altijd bereid om als bemiddelaar op te treden. Dit soort brutaliteit dwong de Afrikaanse bisschoppen ertoe te bepalen dat niemand aan de overkant van de zee in beroep mocht gaan. Anders zou zo iemand in de ban gedaan worden.
Het ordenen van bisschoppen
Hoe dan ook, laten we eens kijken wat voor recht of macht de stoel van Rome toen had. Nu bestaat de kerkelijke macht uit de volgende vier punten: het ordenen van bisschoppen, het uitschrijven van concilies, het luisteren naar appelzaken oftewel de rechtspraak en het nemen van strafmaatregelen oftewel censuur.
Alle oude synodes bevelen dat bisschoppen geordend moeten worden door de bisschop van de hoofdstad van hun provincie. Nergens bevelen zij dat dat door de bisschop van Rome gedaan moet worden, behalve waar hij zelf patriarch is. Echter, langzamerhand ontstond de gewoonte dat de bisschoppen uit Italië allemaal naar Rome gingen om daar geordend te worden.
Alleen de bisschoppen van de provinciehoofdsteden lieten zich niet in deze slavernij voeren. Als er een bisschop van een provinciehoofdstad geordend moest worden, stuurde de bisschop van Rome er een van zijn presbyters heen. Maar alleen om erbij aanwezig te zijn, niet om de ordening te leiden.
Een voorbeeld daarvan lezen we bij Gregorius de Grote, als hij het heeft over de wijding van Constantius als bisschop van Milaan, na de dood van Laurentius.
Volgens mij is deze instelling trouwens niet heel oud geweest. In het begin zond men uit respect en welwillendheid over en weer afgezanten om getuigen te zijn van de ordening. Zo getuigde men van de onderlinge gemeenschap. Maar wat eerst vrijwillig was, ging men later zien als iets onmisbaars.
Hoe dan ook, het staat vast dat de bisschop van Rome de macht om te ordenen vroeger alleen had in het gebied waar hij patriarch was, dat wil zeggen: in de kerken die onder Rome vielen. Zo staat het in een uitspraak van het concilie van Nicea.
Verbonden met de ordening was het sturen van een synodale brief. Daarin stond de bisschop van Rome in geen enkel opzicht hoger dan de andere bisschoppen. De patriarchen hadden de gewoonte om direct na hun wijding in een openbaar geschrift hun geloof te bevestigen. Daarmee verklaarden ze publiek dat ze de besluiten van de heilige en rechtzinnige concilies onderschreven. Op die manier, door verantwoording af te leggen van hun geloof, keurden ze over en weer elkaars ordening goed. Als de bisschop van Rome zo’n geloofsbelijdenis wel kreeg van anderen, maar zelf niet zo’n geloofsbelijdenis gaf, zou hij daarmee erkend zijn als hun meerdere. Maar hij moest even goed zelf zo’n geloofsbelijdenis verstrekken als van anderen eisen. Dat vormt dus een bewijs van broederschap, niet van gezag.
Een voorbeeld daarvan hebben we in de brief van Gregorius aan Anastasius van Antiochië, aan Cyriacus van Constantinopel en ergens anders aan alle patriarchen tegelijk.
Vermaningen en censuur
Dan nu de vermaningen of censuur. De bisschoppen van Rome gebruikten die vroeger tegen anderen, maar op hun beurt ondergingen ze die ook. Ireneüs berispte Victor I ernstig, omdat hij vanwege een onbelangrijke kwestie de kerk zomaar in verwarring bracht met een gevaarlijke onenigheid. Victor gehoorzaamde zonder tegen te spreken. Deze vrijheid was toen gebruikelijk voor heilige bisschoppen: tegenover de bisschop van Rome gebruikten ze hun recht als broeders onder elkaar. Ze berispten en vermaanden hem als hij soms zondigde. Op zijn beurt wees hij anderen op hun plicht als dat nodig was en berispte hen als ze een fout maakten.
Want als Cyprianus Stefanus I aanspoort om de bisschoppen van Gallië te vermanen, dan doet hij dat niet omdat Stefanus meer macht zou hebben. Nee, omdat alle priesters onder elkaar het recht hebben om elkaar te vermanen. Ik vraag je: als Stefanus toen gezag had gehad over Gallië, zou Cyprianus dan niet gezegd hebben: ‘Houd ze in bedwang, want jij hebt macht over hen’? Maar nee, hij zegt iets heel anders. Hij zegt: ‘De broederlijke gemeenschap die ons onderling verbindt, eist dat we elkaar vermanen.’ En we zien ook met wat voor scherpe woorden deze anders toch zo vriendelijke man uitvaart tegen Stefanus zelf, als hij vindt dat die te hoogmoedig wordt.
Dus ook op dit punt blijkt nog niet dat de bisschop van Rome enig gezag had over degenen die niet tot zijn eigen gebied behoorden.
Het samenroepen van synodes
Wat betreft het samenroepen van synodes: elke bisschop van een provinciehoofdstad had de taak om op bepaalde momenten een provinciale synode bijeen te roepen. De bisschop van Rome had op dat punt geen enkel gezag. Echter, alleen de keizer kon een algemeen concilie uitschrijven. Want als een van de bisschoppen dat geprobeerd had, zouden degenen die niet tot zijn provincie behoorden, daar niet op gereageerd hebben. Er zou meteen beroering ontstaan zijn. Dus daarom dagvaardde de keizer hen, allemaal op hetzelfde niveau.
Socrates Scholasticus vertelt weliswaar dat Julius I zich beklaagde over de bisschoppen uit het Oosten omdat ze hem niet hadden uitgenodigd voor het concilie van Antiochië (341), ook al was het volgens de canones verboden om iets te besluiten zonder medeweten van de bisschop van Rome. Maar wie snapt niet dat we dat zo moeten opvatten dat dat gaat over besluiten waar heel de kerk aan gebonden is? Verder is het niet zo vreemd als er, gezien de ouderdom en het aanzien van de stad Rome en ook gezien de waardigheid van de stoel van Rome, bepaald werd dat er geen algemeen besluit genomen mocht worden over de godsdienst zonder dat de bisschop van Rome aanwezig was. Tenzij hij weigerde om aanwezig te zijn.
Maar wat heeft dat te maken met gezag over heel de kerk? Ik ontken niet dat de bisschop van Rome een van de belangrijkste bisschoppen was. Maar ik wil niet accepteren wat de roomsen nu beweren: dat hij over alle bisschoppen gezag had.
Appelzaken
Nu rest nog de vierde vorm van macht. Die ligt in de appelzaken. Het staat vast dat degene op wiens rechterstoel men zich beroept, de hoogste macht heeft. Velen beriepen zich op de bisschop van Rome. Ook zelf probeerde hij in rechtszaken het onderzoek naar zich toe te trekken. Maar steeds als hij zijn grenzen overschreed, werd hij uitgelachen. Ik zal niets zeggen over het Oosten of over Griekenland. Maar het staat vast dat de bisschoppen van Gallië zich sterk verzet hebben toen ze dachten dat de bisschop van Rome het gezag over hen naar zich toe trok.
In Afrika is lang over deze kwestie gestreden. Op het concilie van Mileve (417), waar Augustinus aanwezig was, werden degenen die zich beriepen op iemand aan de overkant van de zee, in de ban gedaan. De bisschop van Rome probeerde toen voor elkaar te krijgen dat dit besluit ongedaan gemaakt werd. Hij stuurde afgezanten die moest bewijzen dat hij dit privilege gekregen had van het concilie van Nicea (325). Die afgezanten brachten de acta van het concilie van Nicea mee. Die hadden ze uit het archief van hun kerk gehaald. De Afrikaanse bisschoppen verzetten zich en zeiden dat je de bisschop in Rome niet kon geloven, omdat hij zelf belanghebbende was in deze zaak. Daarom zouden ze boden sturen naar Constantinopel en andere Griekse steden, waar zich minder verdachte exemplaren van deze acta bevonden. Ze ontdekten dat wat de afgezanten uit Rome beweerd hadden, daar helemaal niet in stond. Zodoende bleef het besluit dat het laatste woord aan de bisschop van Rome ontzegde, van kracht. In deze schandelijke zaak bleek hoe onbeschaamd de bisschop van Rome zelf was. Want tot zijn schande werd hij erop betrapt dat hij blijkbaar met opzet het concilie van Nicea verwisseld had met het concilie van Serdica (343).
Maar nog erger en nog onbeschaamder was de normloosheid van degenen die aan de acta van het concilie een verzonnen brief hebben toegevoegd, waarin een of andere bisschop van Carthago de arrogantie van zijn voorganger veroordeelt, omdat die het gewaagd had zich te onttrekken aan de gehoorzaamheid aan de apostolische stoel, en waarin hij zichzelf en zijn kerk onderwerpt en nederig om vergeving vraagt. Dat zijn de fraaie monumenten uit de oudheid, waar de majesteit van de stoel van Rome op gebaseerd is! Onder het mom van ouderdom liegen ze zo kinderachtig dat zelfs blinden het kunnen tasten!
Deze brief zegt: ‘Aurelius was overmoedig door duivelse brutaliteit en koppigheid. Daarom verzette hij zich tegen Christus en de heilige Petrus. En daarom moet hij vervloekt en veroordeeld worden.’ Maar Augustinus dan? En al die kerkvaders dan die op het concilie van Mileve aanwezig waren?
Maar waarom is het nodig dit dwaze geschrift met veel woorden te weerleggen? Zelfs roomsen kunnen het niet inkijken zonder zich enorm te schamen, als ze nog een beetje eergevoel over hebben.
Ook Gratianus noemt het besluit dat degenen die aan de overkant van de zee in beroep gaan, in de ban gedaan worden. Maar dan voegt hij er, uit kwade opzet of uit onwetendheid – dat weet ik niet – deze uitzondering aan toe: behalve in het geval dat ze zich op de stoel van Rome beroepen. Wat moeten we toch met zulke beesten? Hebben ze nu zo weinig gezond verstand dat ze nu net dat van de regel uitzonderen, waarvan iedereen kan zien dat die regel daarom ingesteld is? Immers, als het concilie het in beroep gaan aan de overkant van de zee verbiedt, verbiedt het juist dat men in beroep gaat in Rome! Maar deze geweldige uitlegger maakt op deze algemene regel een uitzondering voor Rome.
Een voorbeeld van een appelzaak
Echter, om deze kwestie voor eens en voor altijd op te lossen, kan één verhaal duidelijk maken wat in het verleden de aard was van de rechtspraak van de bisschop van Rome. Cecilianus, de bisschop van Carthago, werd aangeklaagd door Donatus van Casae Nigra. Hij werd zonder vorm van proces schuldig verklaard. Want hij wist dat de bisschoppen tegen hem samenspanden. Daarom wilde hij niet voor hen verschijnen. Vervolgens kwam de zaak voor keizer Constantijn. Die wilde deze zaak laten beslechten door middel van een kerkelijk oordeel. Daarom droeg hij Miltiades, de bisschop van Rome op om een oordeel te vellen, terwijl hij hem daarbij ook nog enkele bisschoppen uit Italië, Gallië en Spanje toewees als collega’s.
Als het bij de gewone rechtspraak van de stoel van Rome hoorde om kerkelijke appelzaken te behandelen, waarom laat de bisschop dan toe dat hem volgens het goeddunken van de keizer nog anderen worden toegewezen? Sterker nog, waarom neemt hij het oordeel op zich op grond van het bevel van de keizer in plaats van op basis van zijn eigen taak?
Maar laten we luisteren naar wat er daarna gebeurde. Cecilianus wint in Rome. Donatus van Casae Nigra lijdt met zijn valse beschuldiging de nederlaag. Maar hij gaat in beroep. Constantijn draagt het oordeel in hoger beroep op aan de bisschop van Arles. Die houdt een rechtszitting om naar eigen inzicht een vonnis te vellen, na de bisschop van Rome, om diens vonnis te herroepen als hij dat gepast vond of in elk geval om zijn superieur te beoordelen! Als de stoel van Rome de hoogste macht heeft, zonder dat daarna nog beroep mogelijk is, waarom laat Miltiades dan toe dat hij zo sterk beledigd wordt dat de bisschop van Arles boven hem gesteld wordt? En wat voor keizer doet zoiets? Nou, Constantijn de Grote, van wie de bisschoppen van Rome hoog opgegeven, omdat hij niet alleen al zijn ijver, maar ook bijna heel de macht van zijn rijk gebruikt heeft om het aanzien van hun positie te vergroten!
We zien dus dat de bisschop van Rome in die tijd in alle opzichten ver verwijderd was van het oppergezag. Hij beweert nu dat Christus hem dat gezag over alle kerken gegeven heeft, maar hij liegt dat hij dat in alle eeuwen met instemming van de hele wereld in bezit gehad heeft.
Bewijzen voor het gezag van de paus
Ik weet hoeveel brieven, hoeveel rescripten en edicten er zijn waarin bisschoppen van Rome aan hun stoel van alles toekennen en voor die stoel op van alles aanspraak maken. Maar ieder met ook maar een beetje verstand en opleiding weet ook dat de meeste van die geschriften zo flauw zijn dat je bij het proeven meteen gemakkelijk kunt merken uit welke werkplaats ze komen. Want neem nu die fraaie uitleg die bij Gratianus aan Anacletus I wordt toegeschreven: dat Kephas‘hoofd’ betekent.
Welk verstandig en nuchter mens zou denken dat die uitleg inderdaad van Anacletus is? Om hun stoel te verdedigen misbruiken de roomsen tegenwoordig tegen ons veel van dit soort onzin, dat Gratianus zonder onderscheid te maken bij elkaar gescharreld heeft. Vroeger in de duisternis bedrogen ze leken met zulke zotteklap. Maar nu we in zo’n groot licht leven, willen ze ons die nog steeds aansmeren! Maar ik wil niet veel moeite doen om die dingen te weerleggen. Ze zijn zo flauw dat ze zichzelf al duidelijk genoeg weerleggen.
Ik geef toe dat er ook echte brieven van oude bisschoppen van Rome bestaan, waarin ze met mooie, lovende woorden hoog opgeven van het aanzien van hun stoel. Bijvoorbeeld sommige brieven van Leo I. Want die man was net zo eerzuchtig en heerszuchtig als geleerd en welsprekend. Maar de vraag is of de kerken zijn getuigenis toen ook geloofden. En dan blijkt dat velen zich aan zijn eerzucht ergerden en zich ook tegen zijn heerszucht verzetten.
Ergens draagt Leo de bisschop van Thessalonica op om zijn plaatsvervanger te zijn in Griekenland en omliggende gebieden. Ergens anders draagt hij de bisschop van Arles of een ander hetzelfde op in Gallië. Op dezelfde manier stelt hij Hormisdas, de bisschop van Sevilla aan als zijn plaatsvervanger in Spanje. Maar overal stelt hij daarbij de bepaling dat voor de bisschoppen van de provinciehoofdsteden de oude privileges ongeschonden en onverminderd van kracht blijven.
Toch verklaart Leo zelf dat één van die privileges inhoudt dat de bisschop van de provinciehoofdstad als eerste geraadpleegd moet worden als er twijfels rijzen in een of andere kwestie. Deze plaatsvervanging gebeurde dus onder de voorwaarde dat geen enkele bisschop belemmerd mocht worden in zijn gewone rechtspraak, of een bisschop van een provinciehoofdstad in appelzaken of een provinciaal concilie in het besturen van de kerk. Wat betekende dat dus anders dan dat Leo zich van elke rechtspraak onthield, maar zichzelf alleen aanstelde als bemiddelaar, om voor zover binnen de wet en de aard van de kerkelijke gemeenschap paste, een eind te maken aan onenigheid?
Het gezag van de paus in de tijd van Gregorius de Grote
In de tijd van Gregorius de Grote was deze oude manier al veranderd. Want toen was het keizerrijk ontwricht en uit elkaar gevallen. Gallië en Spanje waren door herhaaldelijke nederlagen geteisterd, Illyricum was verwoest, Italië geplunderd en Afrika door continue rampen vrijwel geruïneerd. Om ervoor te zorgen dat bij zo’n grote ontwrichting van het burgerlijke bestuur in elk geval het geloof nog ongeschonden bewaard zou blijven, hebben alle bisschoppen uit alle regio’s zich toen hechter verbonden met de bisschop van Rome. Daardoor is niet alleen het aanzien, maar ook de macht van die stoel enorm toegenomen.
Het maakt mij trouwens weinig uit door welke oorzaken dit gebeurd is. In elk geval is het zeker dat die macht toen groter was dan in eerdere eeuwen. Toch was er ook toen absoluut nog geen ongebreidelde heerschappij, waarbij één man naar willekeur over de anderen kon heersen. Nee, de stoel van Rome werd zo gerespecteerd dat slechte en koppige mannen die door hun collega’s er niet toe gebracht konden worden dat ze hun plicht deden, wel door het gezag van de stoel van Rome beteugeld en in bedwang gehouden konden worden.
Immers, Gregorius verklaart meer dan eens uitdrukkelijk dat hij de rechten van anderen even trouw respecteert als hij van anderen eist dat ze met zijn rechten doen. Hij zegt: ‘Ik ontneem niemand uit eerzucht waar hij recht op heeft. Nee, ik wil graag mijn broeders in alles eren.’ En er staat in zijn geschriften geen uitspraak waarin hij hoger en trotser opgeeft van de omvang van zijn primaat dan deze: ‘Ik ken geen bisschop die zich niet aan de apostolische stoel onderwerpt als hij schuldig blijkt.’ Maar hij voegt er meteen aan toe: ‘Als er geen schuld is die anders eist, zijn alle bisschoppen volgens de aard van nederigheid aan elkaar gelijk.’ Hij kent zichzelf het recht toe om degenen die gezondigd hebben, te straffen. Als ze allemaal hun plicht doen, beschouwt hij zichzelf als gelijk aan de anderen. En weliswaar kent hij zichzelf dat recht toe en ieder die dat wilde stemde daarmee in. Maar anderen die dat geen goed idee vonden, waren vrij om er ongestraft tegen in te gaan. En het is bekend dat verschillende bisschoppen dat ook gedaan hebben.
Daar komt bij dat hij het in die passage heeft over de bisschop van Byzantium. Toen die door een provinciale synode veroordeeld werd, verwierp hij dat besluit volledig. Zijn collega’s hadden de keizer meegedeeld hoe koppig deze man was. De keizer wilde dat Gregorius over deze kwestie zou beslissen. We zien dus dat hij niets doet dat de gewone rechtspraak schendt. En wat hij doet om anderen te helpen, doet hij alleen op bevel van de keizer.
De klacht van Gregorius de Grote
Dit was toen dus alle macht van de bisschop van Rome: hij nam het op tegen koppige en ongezeglijke hoofden, als er een buitengewone remedie nodig was. En dat deed hij alleen om de andere bisschoppen te helpen, niet om hen voor de voeten te lopen. Gregorius de Grote matigt zichzelf dus niet meer gezag aan over de anderen dan hij ergens anders hun allemaal toestaat over hemzelf, als hij erkent dat hij bereid is zich door allen te laten berispen en corrigeren.
Ergens anders beveelt hij bijvoorbeeld wel de bisschop van Aquileia om naar Rome te komen en zich te verantwoorden voor een verschil van mening dat er tussen hem en anderen was ontstaan over het geloof. Maar hij geeft dat bevel niet op basis van zijn eigen macht. Nee, hij doet dat omdat de keizer hem dat heeft opgedragen. En hij kondigt niet aan dat hij alleen de rechter zal zijn. Nee, hij belooft dat hij een synode bijeen zal roepen die de hele kwestie zal beoordelen.
In die tijd gold weliswaar nog de beperking dat de macht van de stoel van Rome bepaalde grenzen had die zij niet mocht overschrijden. De bisschop van Rome stond niet meer boven de anderen dan onder hen. Toch blijkt dat Gregorius helemaal niet zo blij was met deze toestand. Want hij klaagt steeds weer dat hij onder het mom van zijn functie als bisschop weer teruggevoerd is naar de wereld en dieper verwikkeld raakt in aardse zorgen dan toen hij nog leek was. In zijn eervolle positie drukten de aardse zorgen en beslommeringen zwaar op hem.
Ergens anders zegt hij: ‘Ik ga gebukt onder zulke zware bezigheden dat mijn geest zich helemaal niet meer kan oprichten tot hogere dingen. De golven van vele kwesties slingeren mij heen en weer en na de rust van mijn vroegere kalme leven, word ik nu geteisterd door de stormen van een tumultueus leven. Ik kan dus met recht zeggen: ik ben terechtgekomen in de diepte van de zee en het noodweer laat mij verdrinken.’
Als je dit leest, wat denk je dan dat hij gezegd zou hebben als hij in deze tijd had geleefd? Hij voerde zijn herderstaak nog steeds uit, al was het misschien niet meer volledig. Hij onthield zich van burgerlijke gezag en hij erkende dat hij samen met de andere bisschoppen ondergeschikt was aan de keizer. Hij bemoeide zich niet met de zorg voor andere kerken, tenzij hij er uit noodzaak toe gedwongen werd. Toch had hij het gevoel dat hij in een doolhof zat, omdat hij niet simpelweg al zijn tijd kon besteden aan zijn bisschopstaak.
Rome als hoofdstad van het keizerrijk
Zoals ik al gezegd heb, streed in die tijd de bisschop van Constantinopel met de bisschop van Rome om het primaat. Want nadat de residentie van het keizerrijk in Constantinopel was gevestigd, leek de majesteit van het rijk te eisen dat nu ook de kerk van Constantinopel qua eer de tweede plaats zou krijgen, na de kerk van Rome. En natuurlijk was in het begin de belangrijkste reden waarom Rome het primaat kreeg, dat Rome toen de hoofdstad van het rijk was.
Bij Gratianus vinden we een geschrift op naam van paus Lucius I, waarin hij zegt dat de bisschoppelijke provinciehoofdsteden en de steden van de patriarchen alleen zijn aangewezen op basis van de burgerlijke regering zoals die toen was. En er is nog zo’n geschrift op naam van paus Clemens I, waarin hij zegt dat de patriarchen zijn aangesteld in de steden waarin vroeger de heidense opperpriesters zetelden. Dit is weliswaar niet zeker, maar het zijn wel aannames op basis van de feiten. Want het staat vast dat men zo min mogelijk wilde veranderen. Daarom werden de provincies ingedeeld op basis van de toenmalige omstandigheden. De patriarchen en de aartsbisschoppen werden gevestigd in de steden die qua eer en macht boven andere steden uitstaken.
Daarom is op het concilie van Turijn (401) besloten dat in elke provincie de hoofdstad voor de burgerlijke regering ook de residentie zou zijn van de belangrijkste bisschop. En dat als het burgerlijke bestuur verplaatst zou worden naar een andere stad, ook de stoel van de aartsbisschop naar die stad verplaatst zou worden.
Maar toen Innocentius I, de bisschop van Rome, zag dat het oude aanzien van zijn stad begon te tanen nadat de residentie van het rijk verplaatst was naar Constantinopel, heeft hij uit vrees voor zijn positie een tegenovergestelde wet afgekondigd. Daarin zegt hij dat het niet nodig is dat de hoofdsteden van de kerk verplaatst worden als de hoofdsteden van het keizerrijk worden verplaatst. Maar in het recht moet het gezag van een synode zwaarder wegen dan de uitspraak van één man. Bovendien moet Innocentius voor ons verdacht zijn, want hij spreekt uit eigenbelang.
Hoe dan ook, zijn maatregel laat wel zien dat het de hoofdsteden van de kerk in het begin waren ingericht volgens de uiterlijke orde van het rijk.
Constantinopel als nieuwe hoofdstad van het keizerrijk
In overeenstemming met deze oude instelling is op het concilie van Constantinopel (381) bepaald dat de bisschop van die stad qua eervolle privileges op de tweede plaats kwam, na Rome. Want Constantinopel was het nieuwe Rome. Maar toen lange tijd later in Chalcedon (451) hetzelfde werd besloten, protesteerde Leo I daar fel tegen. Niet alleen waagde hij het om volledig te negeren wat zeshonderd of meer bisschoppen hadden besloten. Hij heeft hen ook nog eens met ernstige verwijten berispt omdat zij andere stoelen de eer afpakten die ze aan de kerk van Constantinopel hadden durven toekennen.
Ik vraag je: wat heeft die man ertoe bewogen om de wereld in opschudding te brengen voor zo’n onbeduidende kwestie? Wat anders dan enkel eerzucht? Hij zegt dat wat het concilie van Nicea ooit bepaald heeft, onschendbaar moet blijven. Alsof het christelijk geloof gevaar zou lopen als de ene kerk boven de andere gesteld werd, of alsof de patriarchaten daar zijn ingesteld met een ander doel dan de uiterlijke regering van de kerken. En we weten dat de uiterlijke regering van de kerk verandert als de tijden veranderen. Dat is zelfs nodig!
Wat Leo beweert heeft dus geen enkele waarde: dat de stoel van Constantinopel niet de eer mag krijgen die het concilie van Nicea aan de stoel van Alexandrië had gegeven. Want gezond verstand leert ons dat dit een besluit was dat afhankelijk van de omstandigheden van de tijd weer kon worden opgeheven. Bovendien verzette niemand van de bisschoppen uit het Oosten zich ertegen, ook al hadden zij er het meeste belang bij. In elk geval was Proterius daar aanwezig, die in Alexandrië was aangesteld als patriarch in plaats van Dioscorus. Ook andere patriarchen die minder in aanzien kwamen te staan, waren aanwezig.
Maar terwijl zij allemaal zwijgen, sterker nog, terwijl zij ermee instemmen, verzet alleen de bisschop van Rome zich. Het ligt voor de hand wat hem daartoe beweegt: hij zag natuurlijk aankomen wat niet lang daarna ook gebeurde: de luister van het oude Rome raakte verduisterd en Constantinopel was niet tevreden met de tweede plaats. Het ging Rome het primaat betwisten.
Toch heeft Leo met zijn verzet het besluit van het concilie niet kunnen voorkomen. En zijn opvolgers zagen dat ze machteloos verslagen waren en zagen ervan af om in deze kwestie koppig vol te houden. Want zij hebben geaccepteerd dat de bisschop van Constantinopel werd beschouwd als de tweede patriarch.
Constantinopels aanspraak op de eerste positie
Maar korte tijd daarna ging Johannes, die in de tijd van Gregorius de Grote de kerk van Constantinopel regeerde, zo ver dat hij zich ‘universele patriarch’ noemde. Om niet tekort te schieten in het heel terecht verdedigen van zijn positie, heeft Gregorius zich hier standvastig tegen verzet. En natuurlijk was het van Johannes een onacceptabele hoogmoed en dwaasheid dat hij de grenzen van zijn bisdom wilde laten samenvallen met de grenzen van het keizerrijk.
Toch maakt Gregorius voor zichzelf geen aanspraak op dat wat hij de ander weigert. Nee, hij veroordeelt die titel, wie hem ook zou gebruiken, als misdadig, goddeloos en afkeurenswaardig. Sterker nog, ergens is hij zelfs boos op Eulogius, de bisschop van Alexandrië, die hem met een dergelijke titel eerde. Hij zegt: ‘In de aanhef van uw brief aan mij hebt u een hoogmoedige aanspreekvorm laten opschrijven. Ook al had ik het u verboden, u hebt mij “algemene paus” genoemd. Ik smeek uwe heiligheid dat niet meer te doen. Want als je een ander meer geeft dan nodig is, wordt dat van jullie allemaal afgenomen. Ik vind dit niet eervol, omdat ik zie dat het ten koste gaat van de eer van mijn broeders. Want mijn eer is de eer van heel de kerk en dat de macht van mijn broeders niet wordt aangetast. Maar als uwe heiligheid mij “algemene paus” noemt, dan zegt u daarmee dat u niet bent wat ik volgens u wel ben: algemeen.’
Gregorius’ zaak was goed en eervol. Maar Johannes had de steun van keizer Mauritius en kon niet van zijn voornemen afgebracht worden. Ook zijn opvolger Cyriacus heeft zich daar nooit toe laten overhalen.
Rome krijgt het primaat
Na de moord op Mauritius volgde Phocas hem op. Die was de Romeinen gunstiger gezind. Ik weet niet waarom. Waarschijnlijk omdat hij in Rome zonder tegenstand gekroond werd. Hij stond uiteindelijk Bonifatius III toe wat Gregorius absoluut niet wilde: Rome werd het hoofd van alle kerken. Op die manier is de strijd beslecht.
Toch zou de stoel van Rome niet zoveel voordeel gehad hebben van dit geschenk van de keizer als er niet later nog andere dingen bij gekomen waren. Want korte tijd daarna zijn Griekenland en heel Azië afgesneden van de gemeenschap met de stoel van Rome. Frankrijk respecteerde hem alleen maar voor zover het zin had hem te gehoorzamen. Het werd pas in slavernij gebracht toen Pepijn de Korte het koningschap in handen kreeg. Zacharias, de bisschop van Rome, had hem geholpen in zijn ontrouw en roof. Daardoor kon hij de wettige koning verjagen en het koningschap, dat voor het grijpen lag, als buit voor zichzelf roven. Zacharias kreeg toen als beloning dat de stoel van Rome het gezag zou krijgen over de kerken van Frankrijk. Zoals rovers altijd samen de buit verdelen, zo hebben die geweldige mannen samen deze overeenkomst gesloten: nu de wettige koning beroofd was, zou de wereldlijke en burgerlijke regering naar Pepijn gaan en Zacharias zou het hoofd worden van alle bisschoppen en de geestelijke macht krijgen.
Weliswaar was die macht in het begin nog zwak. Dat is meestal het geval bij veranderingen. Maar daarna is die macht versterkt dankzij het gezag van Karel de Grote, om vrijwel dezelfde reden. Want ook hij had iets te danken aan de paus van Rome: dankzij diens ijverige bemoeienissen was hij keizer geworden.
We mogen aannemen dat de kerken vroeger overal al erg misvormd waren. Toch is het zeker dat de oude vorm van de kerk in Frankrijk en Duitsland toen pas volledig is uitgewist. In de archieven van het hof in Parijs bestaan nog steeds korte historische aantekeningen uit die tijd. Als het daarin gaat over kerkelijke zaken, noemen ze de verdragen van zowel Pepijn als Karel met de paus van Rome. Daaruit kunnen we opmaken dat toen de oude toestand veranderd is.
De klacht van Bernardus van Clairveaux
Sinds die tijd zijn de dingen overal elke dag slechter geworden. En zodoende is ook de tirannie van de stoel van Rome steeds weer bevestigd en gegroeid. Dat kwam voor een deel door de onwetendheid van de bisschoppen en voor een deel door hun laksheid. Want toen één alles naar zich toetrok en steeds verder ging in het zich ongebreideld verheffen dwars tegen recht en billijkheid in, hebben de bisschoppen zich niet zo ijverig tegen zijn willekeur verzet als ze hadden moeten doen. En ook al hadden ze dat best willen doen, dan nog hadden ze niet de opleiding en ervaring die daarvoor nodig was. Ze waren dus helemaal niet geschikt voor zo’n grote onderneming.
En zo zien we op welke manier en hoe monsterlijk in Rome de heilige dingen ontheiligd waren en hoe heel de kerkelijke orde daar verstoord was in de tijd van Bernardus van Clairvaux. Hij klaagt dat uit heel de wereld eerzuchtige en hebzuchtige mannen, mannen die zich schuldig maken aan simonie, heiligschennis, ontucht, incest en al zulke afschuwelijke dingen samenstromen in Rome, om op apostolisch gezag kerkelijke erebaantjes te krijgen of te houden en dat bedrog, misleiding en geweld de boventoon voeren. Hij zegt dat de manier van oordelen die toen gebruikelijk was, afkeurenswaardig en ongepast was niet alleen voor de kerk, maar zelfs voor de rechtbank. Hij roept uit dat de kerk vol eerzuchtige mensen zat en dat er niemand was die meer afkeer had van het bedrijven van schanddaden dan struikrovers in hun hol hebben als ze de buit verdelen die ze van reizigers geroofd hebben.
Hij zegt: ‘Weinigen zijn gespitst op de mond van de wetgever, maar allemaal zijn ze gespitst op zijn handen. En terecht! Want die handen verrichten alle zaken van de paus. Wat betekent dat, paus, dat degenen die tegen u zeggen: “Mooi! Mooi!” gekocht zijn uit de buit die geroofd is van de kerken? Het leven van de armen wordt gezaaid op de straat van de rijken. Het zilver schittert in de modder. Van alle kanten komt men aansnellen. Het zilver wordt niet door de armste opgeraapt, maar door de sterkste of door degene die toevallig het hardst voorop loopt. Maar die manier van doen, of liever doden, komt niet van u. Ach, hield het toch bij u op! In het midden van dit alles schrijdt u voort als herder, getooid met veel kostbare sieraden. Durf ik het zeggen? Dit is meer een wei vol duivels dan vol schapen. Gedroeg Petrus zich soms zo? Spotte Paulus zo? Uw hof is er meer aan gewend goede mensen te ontvangen dan mensen goed te maken. Want daar worden geen slechte mensen beter, maar goede mensen slechter.’
Verder kan geen vrome zonder afkeer lezen over het misbruik bij appelzaken. Aan het eind heeft Bernardus het over de grenzeloze begeerte die de stoel van Rome laat blijken door alle rechtspraak naar zich toe te trekken. En dan besluit hij: ‘Ik spreek het gemopper en de algemene klacht van de kerken uit. Zij roepen uit dat ze verminkt worden en worden beroofd van hun ledematen. Óf er is er niet één meer, óf er zijn nog maar heel weinigen die die slagen niet heel pijnlijk voelen of er bang voor zijn. Welke slagen, vraagt u? De abten worden weggehaald bij hun bisschoppen, de bisschoppen bij hun aartsbisschoppen, enzovoort. Wonderlijk als zoiets verontschuldigd kan worden! Door zo te doen bewijst u dat u alle macht hebt, maar geen rechtvaardigheid. U doet dit omdat u het kunt, maar of u het ook mag doen, is de vraag. U bent aangesteld om ieders eer en rang te bewaren, niet om hem die te benijden.’
Uit vele voorbeelden heb ik alleen deze voorbeelden willen aanhalen om de lezers te laten zien hoe erg de kerk toen in verval was, voor een deel ook om hen te laten inzien welk verdriet en welke ellende de vromen door die ramp gekregen hebben.
Het oppergezag van de paus
Maar zelfs al zouden we tegenwoordig de paus van Rome het hoge en uitgebreide gezag toestaan dat die stoel in die tussenperiode – de tijd van Leo I en Gregorius de Grote – gehad heeft, wat heeft dat te maken met het pausdom van nu? Ik heb het nog niet over het wereldlijke gezag of over de burgerlijke macht. Daar zal ik het over hebben als dat aan de beurt is. Nee, welke overeenkomst is er tussen het geestelijke bestuur waar zij prat op gaan en de toestand uit die tijd?
Immers, de paus definiëren zij als het opperhoofd van de kerk op aarde en de universele bisschop van heel de wereld. En als de pausen het zelf over hun gezag hebben, zeggen ze heel hoogmoedig dat zij de macht hebben om te bevelen, dat anderen moeten gehoorzamen, dat al hun besluiten beschouwd moeten worden alsof ze door de goddelijke stem van Petrus bevestigd zijn. Ze zeggen dat de provinciale synodes kracht missen, omdat de paus er niet aanwezig is. En dat zij geestelijken kunnen ordenen uit iedere kerk en geestelijken die ergens anders geordend zijn naar hun stoel kunnen roepen.
In het verzamelwerk van Gratianus vind je talloos veel van dit soort uitspraken. Ik ga die niet allemaal opsommen, om de lezers niet lastig te vallen. In de kern komt het erop neer dat de paus van Rome alleen het laatste woord heeft over alle kerkelijke zaken. Of het nu gaat om het beoordelen en vaststellen van dogma’s, het geven van wetten, het regelen van de tucht of de rechtspraak. Ook zou het te lang duren en overbodig zijn om de privileges op te sommen die de pausen zichzelf toekennen in wat zij ‘reservaties’ noemen.
Maar het meest onverdraaglijk is wel dat zij op aarde geen gezag meer overlaten dat hun willekeur kan bedwingen en in toom houden, voor het geval ze zo’n onbeperkte macht misbruiken. Ze zeggen: ‘Niemand mag het oordeel van deze stoel herzien, omdat de kerk van Rome het primaat heeft.’ En: ‘De rechter mag niet beoordeeld worden, niet door de keizer, niet door koningen, niet door heel de geestelijkheid en niet door het volk.’
Wat een arrogantie, dat één mens zichzelf aanstelt als rechter over iedereen, maar zich zelf aan niemands gezag wil onderwerpen! Maar wat dan als hij Gods volk tiranniseert? Als hij Christus’ rijk verstrooit en verwoest? Als hij heel de kerk in verwarring brengt en de herderstaak verandert in struikroverij?
Ja, zelfs al was hij de grootste schurk, dan nog ontkent hij dat hij aan iemand anders verantwoording moet afleggen. Want dit zijn de woorden van de paus: ‘God heeft gewild dat de zaken van mensen door mensen beslecht worden. Maar de priester van deze stoel heeft Hij onder zijn eigen oordeel geplaatst, zonder onderzoek door anderen.’ En: ‘Wij beoordelen de daden van de onderdanen. Maar alleen God beoordeelt onze daden.’
Valse bewijzen
En om zulke wetten meer gewicht te geven, zijn de pausen zo vals geweest om ze te koppelen aan de namen van oude bisschoppen, alsof de dingen vanaf het begin zo ingesteld waren. Maar het is absoluut zeker dat alles wat de paus van Rome zichzelf méér toekent dan wat de oude concilies hem gegeven hebben, zoals ik heb verteld, nieuw is en pas onlangs gefabriceerd.
Ze zijn zelfs zo onbeschaamd dat ze een rescript hebben durven uitgeven op naam van Anastasius, de patriarch van Constantinopel. Daarin zou hij verklaren dat in de oude canones bepaald was dat zelfs in de verst gelegen provincies niets behandeld mocht worden als het niet eerst aan de stoel van Rome gemeld was. Het is meteen duidelijk dat dit complete onzin is. Maar dan nog, wie zou kunnen geloven dat zo’n lofprijzing van de stoel van Rome afkomstig zou zijn van een tegenstander en van iemand die jaloers was op de eer en het aanzien van die stoel? Maar blijkbaar moesten de antichristen zo dwaas en verblind raken, zodat alle mensen met gezond verstand duidelijk kunnen zien hoe slecht zij zijn, als ze hun ogen maar open willen doen!
Maar de decretalen die Gregorius IX verzameld heeft en ook de clementinen en extravaganten van Martinus vertellen nog duidelijker en hebben de mond vol van hun vreselijke wreedheid en van een tirannie die lijkt op die van barbaarse koningen. En toch zijn dat de goddelijke uitspraken op basis waarvan de roomsen willen dat we hun pausdom beoordelen. Die vormen de oorsprong voor die schitterend basisprincipes die tegenwoordig overal in het pausdom de kracht hebben van goddelijke uitspraken: dat de paus niet kan dwalen, dat de paus boven de concilies staat, dat de paus de universele bisschop is van alle kerken en op aarde het opperhoofd van de kerk. Ik zwijg nog over nog veel absurdere dwaasheden die de dwaze canonici in hun scholen uitkramen. Maar de roomse theologen stemmen daar niet alleen mee in, ze juichen ze zelfs toe, om hun afgod te vleien.
Gregorius de Grote wilde geen oppergezag
Ik zal hen niet zo hard behandelen als ik zou mogen doen. Iemand anders zou nu, tegenover zo’n grote brutaliteit de uitspraak van Cyprianus plaatsen, die hij deed tegenover de bisschoppen van de vergadering die hij voorzat: ‘Niemand van ons noemt zich de bisschop van de bisschoppen of dwingt zijn collega’s om hem te gehoorzamen door hen als een tiran angst in te boezemen.’ Zo iemand zou tegenwerpen wat een tijd later in Carthago besloten werd: niemand mag hoofd van de priesters of eerste bisschop genoemd worden. Zo iemand zou uit de geschiedenis veel verhalen, uit de synodes veel besluiten en uit de boeken van de oude schrijvers veel uitspraken aanhalen die de paus van Rome in bedwang houden. Maar ik ga dat allemaal niet doen, want ik wil niet de indruk wekken dat ik hen te ver in het nauw drijf.
Maar laat die geweldige beschermers van de stoel van Rome mij eens antwoord geven op de vraag hoe ze hun gezicht in de plooi kunnen houden als ze de titel ‘universele bisschop’ durven verdedigen. Ze zien toch dat Gregorius de Grote zo vaak de banvloek heeft uitgesproken over die titel! Als we waarde moeten hechten aan het getuigenis van Gregorius, dan verklaren zij dus dat hun paus de antichrist is, als ze van hem toch een universele bisschop maken.
Ook de benaming ‘hoofd’ werd niet gebruikt. Want Gregorius zegt ergens anders: ‘Petrus was een belangrijke ledemaat van het lichaam. Johannes, Andreas en Jacobus waren hoofd van verschillende volken. Toch zijn ze allemaal ledematen van de kerk onder één hoofd. Ja, de heiligen vóór de wet, de heiligen onder de wet, de heiligen onder de genade – ze zijn allemaal ledematen die samen het lichaam van de Heer compleet maken. En niemand heeft ooit “universele bisschop” genoemd willen worden.’
En dat de paus zich de macht aanmatigt om te bevelen, klopt echt niet met wat Gregorius ergens anders zegt. Eulogius, de bisschop van Alexandrië, had gezegd dat Gregorius hem iets had bevolen. Toen antwoordde Gregorius: ‘Laat ik dat woord “bevelen” niet horen! Want ik weet wie ik ben en wie jullie zijn. Qua positie zijn jullie mijn broeders, moreel gezien mijn vaders. Ik heb dus niets bevolen. Nee, ik heb alleen maar een aanwijzing gegeven die mij nuttig leek.’
Dat de paus zijn gezag zo eindeloos uitstrekt, is dus een groot en grof onrecht. Niet alleen tegenover de overige bisschoppen. Ook tegenover de kerken. Want hij verwoest en ruïneert ze om met het puin zijn stoel te bouwen.
En dat hij zich onttrekt aan elke beoordeling en als een tiran wil regeren, zodat alleen zijn eigen willekeur hem tot wet is, dat is natuurlijk totaal onacceptabel! Zo onwaardig is het en zo ver staat het af van hoe het in de kerk moet toegaan. Want het is volledig in strijd, niet alleen met het besef van wat vroom is, maar zelfs met het besef van wat algemeen menselijk is.
Sinds Gregorius en Bernardus is de toestand alleen maar verergerd
Maar ik wil niet gedwongen worden om elk punt apart bij langs te gaan en te onderzoeken. Daarom heb ik nog een vraag voor degenen die tegenwoordig als de beste en trouwste beschermers van de stoel van Rome beschouwd willen worden. Schamen zij zich er niet voor om de tegenwoordige toestand van het pausdom te verdedigen? Het is toch wel zeker dat het pausdom nu nog honderdmaal meer bedorven is dan in de tijd van Gregorius en Bernardus, ook al vonden die heilige mannen het toen al heel erg.
Gregorius klaagt op vele plaatsen dat hij te veel werd opgeslokt door vreemde bezigheden. Onder het mom van de bisschopstaak was hij teruggevoerd naar de wereld. Hij was daar nog meer de slaaf van aardse zorgen dan ooit toen hij, voor zover hij zich kon herinneren, nog leek was. Hij ging zo diep gebukt onder wereldse beslommeringen dat hij zijn gedachten helemaal niet meer omhoog kon richten naar hemelse dingen. De golven van vele kwesties slingerden hem heen en weer en hij werd geteisterd door de stormen van een tumultueus leven. Hij kon dus met recht zeggen: ‘Ik ben terecht gekomen in de diepte van de zee.’
Het is waar dat hij tussen al die aardse bezigheden door met preken het volk kon onderwijzen, persoonlijk degenen kon vermanen en corrigeren die dat nodig hadden, de kerk kon besturen, zijn collega’s kon adviseren en hen op hun plicht kon wijzen. Toch klaagt hij over zijn ellende, omdat hij in de diepte van de zee is weggezonken.
Als de bediening in die tijd een zee was, wat moeten we dan zeggen over het pausdom van tegenwoordig? Nu zijn er geen preken meer, er is geen zorg meer voor de tucht, geen ijver voor de kerken, geen geestelijke bediening, kortom, er is niets anders meer dan alleen de wereld. Toch wordt deze doolhof geprezen alsof we niets kunnen vinden dat zo goed geordend en ingericht is!
En wat klaagt en zucht Bernardus niet als hij de gebreken van zijn tijd ziet! Wat zou hij dan wel niet doen als hij onze eeuw zou zien van ijzer en van wat nog slechter is dan ijzer! Daniël 2:33 Niet alleen beschouwt men nu als iets heiligs en goddelijks, wat alle heiligen eenstemmig altijd hebben afgekeurd. Men misbruikt ook hun getuigenissen om het pausdom te verdedigen, terwijl vaststaat dat zij zoiets helemaal niet kenden. Wat is dat voor verdorvenheid?
Nu geef ik toe dat de dingen in de tijd van Bernardus al zo bedorven waren dat er niet zoveel verschil was met onze tijd. Maar als je probeert die middenperiode van Leo I en Gregorius de Grote als voorwendsel te gebruiken, dan mis je toch elk schaamtegevoel. Want dan doe je hetzelfde als iemand die de oude toestand van het Romeinse Rijk aanprees om de dictatuur van de Romeinse keizers te bevestigen, oftewel de lof van de vrijheid misbruikte om daarmee de tirannie te tooien.
De paus is helemaal geen bisschop
Ten slotte, ook al zouden we de roomsen dit allemaal toegeven, dan begint er toch meteen weer een heel nieuwe discussie. Want ik ontken dat in Rome een kerk is waarin voor dit soort geschenken plaats is. Want ik ontken dat er in Rome een bisschop is die de privileges van zo’n aanzien heeft.
Stel dus dat al die dingen die we hen al uit handen gerukt hebben toch waar zouden zijn. Stel dat Petrus door een uitspraak van Christus is aangesteld als hoofd van heel de kerk. Stel dat hij de eer die hij gekregen had, heeft toevertrouwd aan de stoel van Rome. Stel dat dit bevestigd is door het gezag van de oude kerk en doordat het lange tijd gebruikelijk was. Stel dat altijd iedereen eensgezind het hoogste gezag heeft opgedragen aan de paus van Rome. Stel dat hij rechter was over alle zaken en alle mensen en dat hij aan niemands oordeel onderworpen was. Stel dat ze zelfs op nog meer punten gelijk hebben. Toch hoef ik dan maar één antwoord te geven: alle die dingen doen er niet toe als er in Rome geen kerk en geen bisschop is!
Dit moeten ze me toch toegeven: wat zelf geen kerk is, kan niet de moeder van de kerken zijn. En wie zelf geen bisschop is, kan niet het hoofd van de bisschoppen zijn. Dus willen ze in Rome een apostolische stoel hebben? Dan moeten ze mij maar eens een wettig apostelschap aanwijzen! Willen ze de hoogste bisschop hebben? Dan moeten ze mij maar eens een bisschop aanwijzen!
Maar dan? Waar kunnen ze ons iets laten zien dat op een kerk lijkt? Ze noemen zich wel de kerk en hebben de naam ‘kerk’ steeds op de lippen. Maar een kerk is natuurlijk te herkennen aan bepaalde kenmerken en met de aanduiding ‘bisschop’ wordt een bepaalde taak bedoeld. Ik heb het hier niet over het volk, maar over de regering zelf die in de kerk continu haar licht moet geven. Waar is in Rome de bediening die volgens Christus’ instelling onmisbaar is?
Laten we ons weer in herinnering brengen wat ik eerder gezegd heb over de taak van de presbyters en de bisschop. Als we de taak van de kardinalen volgens die norm onderzoeken, dan moeten we erkennen dat ze allesbehalve presbyters zijn. En ik zou wel eens willen weten waarin de paus eigenlijk nog op een bisschop lijkt.
Het eerste en belangrijkste van de bisschopstaak is dat hij het volk onderwijst door Gods Woord. Het tweede, dat daar meteen op volgt, is dat hij de sacramenten bedient. Het derde dat hij vermaant en aanspoort, en ook dat hij degenen die zondigen, corrigeert en het volk onder een heilige tucht houdt. Welke van deze dingen doet hij? Of bij welke van deze dingen doet hij net alsof hij ze doet? Ze moeten dus maar zeggen hoe zij hem als bisschop willen beschouwen. Zelfs met zijn pink, al zou hij maar doen alsof, raakt hij nog geen stukje van zijn taak aan!
De paus is de antichrist
Het is met een bisschop niet net als met een koning. Want ook al voert een koning zijn eigenlijke taak niet uit, toch houdt hij zijn eer en zijn titel. Maar bij het beoordelen van een bisschop moeten we letten op het bevel van Christus. Dat bevel moet in de kerk altijd gelden. De roomsen moeten deze knoop dus maar eens voor mij ontwarren. Ik zeg dat hun paus niet het hoofd van de bisschoppen is, omdat hij geen bisschop is. Als ze op het eerste punt hun gelijk willen halen, moeten ze dus eerst bewijzen dat het tweede punt onjuist is. Maar wat moeten ze dan zeggen? De paus heeft immers niet alleen geen enkel kenmerk van een bisschop. Hij heeft juist allemaal kenmerken van het tegendeel!
Maar waar moet ik beginnen, God? Bij de leer of bij de moraal? Wat zal ik zeggen en waar zal ik over zwijgen? Waar moet ik stoppen?
Ik zeg dit: de wereld is tegenwoordig vol verkeerde en goddeloze leer, vol van allerlei bijgeloof, verblind door vele dwalingen, weggezonken in diepe afgoderij. En in die dingen vind je nergens iets dat niet van de pausen afkomstig is of in elk geval door hen is toegestaan. Daarom gaan de pausen zo woedend tekeer tegen het opnieuw opkomen van de leer van het evangelie. Ze doen hun uiterste best om die leer te onderdrukken en sporen alle koningen en vorsten aan tot wreedheid. De enige reden is dat ze zien dat heel hun rijk instort en omvalt zodra het evangelie van Christus de overhand krijgt.
Leo X was wreed, Clemens VII bloeddorstig, Paulus III woest. Maar het was niet hun aard die hen ertoe aanzette om de waarheid te bestrijden. Nee, dit was de enige manier om hun macht te beschermen. Zij kunnen niet overeind blijven als Christus niet verslagen wordt. Daarom vechten ze in deze zaak net alsof ze vechten voor hun huis en haard en voor hun eigen leven.
Wat dan? Waar we alleen maar huiveringwekkende afval zien, daar kan voor ons toch nooit een apostolische stoel zijn? Wie met zijn woedende pogingen het evangelie vervolgt en zo openlijk laat blijken dat hij de antichrist is, kan toch nooit Christus’ plaatsvervanger zijn? Wie te vuur en te zwaard tekeergaat om af te breken wat Petrus gebouwd heeft, kan toch nooit de opvolger van Petrus zijn? Wie de kerk van Christus, haar enige hoofd, losscheurt en bij Hem weghoudt en haar in zichzelf verdeelt en uiteenscheurt, kan toch nooit het hoofd van de kerk zijn?
Al zou Rome in het verleden de moeder van alle kerken geweest zijn, nu is het de zetel van de antichrist. En sinds het dat geworden is, kan het onmogelijk nog zijn wat het was.
Waarom de paus de antichrist is
Sommigen vinden het brutale laster als ik de paus van Rome de antichrist noem. Maar als je dat vindt, begrijp je niet dat je Paulus beschuldigt van arrogantie. Want als ik dit zeg, spreek ik hem na, sterker nog, dan spreek ik met zijn mond. En niemand moet mij tegenwerpen dat, zoals zij zeggen, de woorden van Paulus op iets anders slaan en dat ik ze verdraai en onterecht op de paus van Rome laat slaan. Daarom zal ik in het kort aantonen dat ze alleen maar op het pausdom kunnen slaan.
Paulus schrijft dat de antichrist in Gods tempel zal zitten. 2 Thessalonicenzen 2:4 En ergens anders beschrijft de Geest het beeld van de antichrist in de persoon van Antiochus IV Epifanes. Daarmee laat Hij zien dat het koninkrijk van de antichrist zal bestaan uit grootspraak en godslasteringen. Daniël 7:25; Openbaring 13:4 Daar maak ik uit op dat zijn tirannie meer gericht is tegen de zielen dan tegen de lichamen, omdat die in opstand komt tegen het geestelijke rijk van Christus.
Bovendien maak ik eruit op dat het een tirannie is die de naam van Christus en de aanduiding ‘kerk’ niet wegneemt, maar Christus juist misbruikt als voorwendsel en zich verschuilt achter het masker van de aanduiding ‘kerk’. Weliswaar horen alle ketterijen en sekten die er vanaf het begin geweest zijn, tot het rijk van de antichrist. Maar Paulus voorzegt dat er afval zal komen. 2 Thessalonicenzen 2:3 Met die aanduiding geeft hij aan dat die afschuwelijke stoel zal worden opgericht als de kerk in beslag genomen is door een algemene afval, ook al houden vele leden van de kerk hier en daar nog vast aan de echte geloofseenheid.
Hij voegt daar nog aan toe dat de antichrist al in zijn tijd begonnen was met het uitvoeren van het verborgen werk van onrechtvaardigheid en dat hij dat later openlijk zou doen. 2 Thessalonicenzen 2:7 Daaruit concludeer ik dat deze ellende niet veroorzaakt wordt door één mens en ook niet met één mens zou eindigen.
Verder duidt Paulus de antichrist aan met dit kenmerk: hij zal God beroven van zijn eer om die aan zichzelf toe te kennen. 2 Thessalonicenzen 2:4 En dat is de belangrijkste aanwijzing die we moeten volgen bij het zoeken van de antichrist. Vooral als zo’n hoogmoed ertoe leidt dat de kerk openlijk verstrooid raakt. Nu staat vast dat de paus van Rome zichzelf onbeschaamd heeft toegeëigend waar God en vooral Christus recht op hebben. Daarom hoeven we er niet aan te twijfelen dat hij de aanvoerder en vaandeldrager is van het goddeloze en weerzinwekkende rijk van de antichrist.
Christus’ grootste vijand kan nooit zijn plaatsvervanger zijn
Laat de roomsen nu hun gang maar gaan. Laat ze het verleden maar tegen ons in stelling brengen. Alles is zo veranderd. Zou de eer van de stoel kunnen blijven bestaan als er helemaal geen stoel meer is?
Eusebius vertelt dat God de kerk van Jeruzalem naar Pella verplaatste, om ruimte te maken voor zijn wraak. Als we horen dat dat één keer gebeurd is, kan het vaker gebeuren. Daarom is het toch echt wel heel erg belachelijk en dom om de eer van het primaat zo aan een plaats te binden dat je degene die in werkelijkheid de ergste vijand van Christus is, de grootste tegenstander van het evangelie, de voornaamste verwoester en verstrooier van de kerk, de wreedste slachter en beul van alle heiligen, toch blijft beschouwen als de plaatsvervanger van Christus, de opvolger van Petrus en het opperhoofd van de kerk, alleen omdat hij op de stoel zit die in het verleden de eerste van allemaal was.
Ik zwijg er nog over hoe groot het verschil is tussen de kanselarij van de paus en een goed ingerichte kerkelijke orde. Toch kan alleen dat ene punt de laatste twijfel over deze kwestie wegnemen. Want niemand met gezond verstand zal de bisschopstaak opsluiten in verzegelde bullen en nog veel minder in die werkplaats van leugen en bedrog, waarin men blijkbaar het geestelijke bestuur van de paus ziet liggen. En ik beschuldig hier geen gebreken van personen. Nee, ik laat zien dat het pausdom zelf lijnrecht in strijd is met de inrichting van de kerk.
Het ongeloof van de pausen
Als we wel naar de personen kijken, dan is genoegzaam bekend wat voor plaatsvervangers van Christus we zullen vinden: Julius II, Leo X, Clemens VII en Paulus III zullen werkelijk pilaren zijn van het christelijk geloof en de belangrijkste uitleggers van de godsdienst – zij die van Christus niets anders wisten dan wat ze geleerd hadden in de school van Lucianus.
Maar waarom noem ik drie of vier pausen? Alsof er nog enige twijfel over bestaat wat voor godsdienst de pausen met heel het college van kardinalen sinds lange tijd beleden hebben en tegenwoordig belijden! Want het eerste artikel van die geheime theologie die onder hen regeert, is dat er geen God is. Het tweede dat alles wat over Christus geschreven staat en geleerd wordt, leugens en bedrog zijn. Het derde dat de leer over het toekomstige leven en de laatste opstanding enkel fabeltjes zijn.
Ik erken dat ze dat niet allemaal beseffen en dat er maar weinig dat zeggen. Maar toch is dit al lange tijd geleden de gebruikelijke godsdienst geworden van de pausen. En dit is algemeen bekend aan ieder die Rome kent. Toch blijven de roomse theologen pochen dat de paus, dankzij een privilege van Christus, niet kan dwalen. Want, zeggen ze, Christus heeft tegen Petrus gezegd: ‘Ik heb voor jou gebeden, of er geen eind mag komen aan jouw geloof.’ Lucas 22:32 Nu vraag ik je: wat bereiken ze met zulk schaamteloos gespot anders dan dat de hele wereld begrijpt dat ze zo door en door goddeloos geworden zijn, dat ze geen vrees voor God of ontzag voor mensen meer hebben?
De dwaalleer van Johannes XXII
Maar we moeten maar net doen alsof de goddeloosheid van de pausen die ik genoemd heb, geheim is. Want ze hebben die niet openlijk bekend gemaakt in hun preken of in hun geschriften. Ze hebben die alleen laten blijken aan tafel en in de slaapkamer, of in elk geval binnenskamers.
Maar als ze willen dat het privilege dat zij beweren te hebben, geldig is, moeten ze uit de rij pausen Johannes XXII schrappen. Want die beweerde openlijk dat de zielen sterfelijk zijn en tot de dag van de opstanding samen met het lichaam vergaan. En om je te laten zien dat de stoel van Rome toen volledig, inclusief zijn belangrijkste steunpilaren omgevallen is: van de kardinalen verzette niemand zich tegen deze grote dwaasheid. Alleen de school van Parijs zette de koning van Frankrijk ertoe aan Johannes XXII te dwingen deze leer te herroepen. De koning verbood zijn onderdanen om met hem om te gaan als hij zich niet direct bekeerde. En dat liet hij op de gebruikelijke manier door een heraut bekend maken. Onder deze dwang zwoer de paus zijn dwaling af.
Dankzij dit voorbeeld hoef ik met mijn tegenstanders niet meer in discussie te gaan over hun bewering dat de stoel van Rome en zijn pausen wat betreft het geloof niet kunnen uitglijden, omdat Christus tegen Petrus gezegd heeft: ‘Ik heb voor jou gebeden, of er geen eind mag komen aan jouw geloof.’ Lucas 22:32 Johannes XXII is natuurlijk wél op een schandelijke manier uit het juiste geloof gevallen en vormt voor zijn opvolgers dus een overtuigend bewijs dat niet ieder die Petrus in zijn bisschopstaak opvolgt, zelf een Petrus is.
Nu is dit op zichzelf ook zo kinderachtig dat we er niet op hoeven te reageren. Want als de roomsen op Petrus’ opvolgers alles willen toepassen wat tegen Petrus gezegd is, betekent dat dat ze allemaal duivels zijn. Want de Heer heeft ook tegen Petrus gezegd: ‘Volg Mij, Satan, want je vormt voor Mij een struikelblok!’ Mattheüs 16:23 Dit laatste citaat kunnen wij immers net zo gemakkelijk tegen hen gebruiken, als zij het eerste tegen ons.
Leven en moraal van de pausen
Maar ik heb geen zin om met hen een wedstrijd te doen wie de meest dwaze dingen kan zeggen. Daarom ga ik maar terug naar waar ik afgedwaald ben. De roomsen binden Christus, de Heilige Geest en de kerk zo vast aan één plaats, dat ze ieder die daar de leiding heeft – al was het de duivel zelf – toch beschouwen als plaatsvervanger van Christus en als hoofd van de kerk, omdat daar in het verleden de stoel van Petrus was. Dat noem ik niet alleen goddeloos en een belediging van Christus. Ik vind het ook heel absurd en in strijd met elk gezond verstand!
Al lange tijd missen de pausen van Rome elke vorm van godsdienst of ze zijn zelfs de grootste vijanden van de godsdienst. De stoel die zij bezetten maakt van hen dus evenmin plaatsvervangers van Christus als een afgod als God beschouwd moet worden als hij in Gods tempel staat.
Bovendien, als we hun leven onderzoeken, moeten de pausen voor zichzelf maar antwoord geven op de vraag op basis van welk kenmerk ze eigenlijk als bisschop beschouwd kunnen worden.
In de eerste plaats is het een bisschop volledig onwaardig dat er in Rome zo geleefd wordt en zij dat niet alleen door de vingers zien en erover zwijgen, maar het met hun stilzwijgen zelfs als het ware goedkeuren. Want het is hun taak om de bandeloosheid van het volk door strenge tucht in bedwang te houden.
Maar ik zal niet zo streng voor hen zijn dat ik hun de misdaden van anderen aanreken. Echter, zelf geven ze zich met hun hofhouding, met vrijwel het hele college van kardinalen, met hun hele kudde geestelijken in prostitutie over aan elke vorm van slechtheid, onzedelijkheid en smerigheid, aan alle soorten schanddaden en misdaden. Het is zelfs zo erg dat ze meer op monsters lijken dan op mensen. En daarmee verraden ze natuurlijk dat ze allesbehalve bisschoppen zijn!
Maar ze hoeven niet bang te zijn dat ik nog meer van hun schande ontdek. Want het doet mij groot verdriet om me met zulke stinkende modder bezig te houden. En we moeten kuise oren sparen. Bovendien denk ik dat ik overduidelijk heb aangetoond wat ik wilde aantonen: zelfs al zou Rome in het verleden het hoofd van de kerken geweest zijn, toch verdient het het nu zelfs niet om als een van de minst belangrijke kerken beschouwd te worden.
Kardinalen
Wat betreft de kardinalen, zoals zij die noemen: ik weet niet hoe het komt dat die zo plotseling zo hoog in aanzien zijn gekomen. In de tijd van Gregorius de Grote hadden alleen bisschoppen recht op deze titel. Want als hij kardinalen noemt, schrijft hij die nooit exclusief toe aan de kerk van Rome, maar ook aan andere kerken. Kortom, een kardinaalpriester is niets anders dan een bisschop. Bij schrijvers uit de tijd daarvóór vind ik deze aanduiding niet.
Wel zie ik dat de kardinalen van Rome vroeger minder waren dan de bisschoppen, terwijl ze nu ver boven hen staan. Bekend is deze uitspraak van Augustinus: ‘Als je kijkt naar de eretitels die nu in de kerk in gebruik zijn, staat de bisschopstaak hoger dan de presbytertaak. Toch is Augustinus in veel dingen de mindere van Hiëronymus.’ Hier maakt
Augustinus dus geen onderscheid tussen de presbyters van Rome en die van andere kerken. Nee, hij stelt ze beiden op hetzelfde niveau onder de bisschoppen. En daar hield men zich heel zorgvuldig aan. Op het concilie van Carthago (418) waren twee afgezanten van de stoel van Rome aanwezig. De een was bisschop, de ander presbyter. Deze presbyter werd naar de laatste plaats verwezen.
Maar laat ik geen dingen bespreken die al te lang geleden zijn. In de tijd van Gregorius werd er een concilie in Rome gehouden. Daar zaten de presbyters op de laatste plaats en ondertekenden zij als laatsten. Voor de diakenen was bij de ondertekening helemaal geen plaats.
En de presbyters hadden in die tijd geen andere taak dan de bisschop bijstaan en ondersteunen bij het uitdelen van de leer en de sacramenten. Nu is hun lot zo veranderd dat ze familie zijn van koningen en keizers. En er is geen twijfel aan dat ze samen met hun hoofd stap voor stap in aanzien gestegen zijn, totdat ze dit toppunt van aanzien bereikt hebben.
Maar ook dit heb ik slechts terloops willen aanstippen om de lezers beter te laten begrijpen dat er een heel groot verschil is tussen de stoel van Rome zoals hij nu is en de oude stoel die door de stoel van tegenwoordig als voorwendsel gebruikt wordt om zich te beschermen en te verdedigen.
Maar wat kardinalen vroeger ook waren, nu hebben ze niets wat op een echte en legitieme taak in de kerk lijkt. Ze hebben dus alleen maar uiterlijke schijn en een loos masker. Sterker nog, alles wat ze hebben, is juist in strijd met de echte presbytertaak. Daarom is hun onvermijdelijk overkomen wat Gregorius zo vaak schrijft. Hij zegt: ‘Ik zeg het huilend en verkondig het zuchtend: omdat de priesterorde innerlijk gevallen is, zal ze ook uiterlijk niet meer overeind kunnen blijven.’
Sterker nog, in hen moest wel in vervulling gaan wat Maleachi over zulke mensen zegt: ‘Jullie zijn van de weg afgeweken, jullie hebben velen laten struikelen in de wet. Dus hebben jullie het verbond met Levi geschonden, zegt de HEER. Daarom heb ik ook jullie verachtelijk en onbeduidend gemaakt voor heel het volk.’ Maleachi 2:8-9
Nu laat ik het aan alle vromen over om zelf maar te bedenken hoe het met de hoogste top van de roomse hiërarchie zit. De pausgezinden aarzelen niet zelfs Gods Woord, dat voor hemel en aarde, voor mensen en engelen ontzagwekkend en heilig zou moeten zijn, daar met een goddeloze schaamteloosheid aan te onderwerpen!
Voetnoten
- 511
Paus Julius I († 352).
- 512
Paus Celestinus I († 432).
- 513
Cyrillus († 444), patriarch van Alexandrië.
- 514
Dioscorus († 454), patriarch van Alexandrië.
- 515
Flavianus († 449), patriarch van Constantinopel.
- 516
Marcianus (392-457), keizer van het Oost-Romeinse rijk.
- 517
Aelia Pulcheria (399-453), vrouw van keizer Marcianus.
- 518
Mennas († 552), patriarch van Constantinopel.
- 519
Aurelius (ca. 400), bisschop van Carthago.
- 520
Paus Cornelius († 253).
- 521
Paus Stefanus († 257).
- 522
Cyprianus van Carthago, Epistulae,68, 45, 47, 48, 70 en 75.
- 523
Concilie van Carthago, canon 47.
- 524
Hiëronymus van Stridon, Epistulae,146.
- 525
Johannes IV Nesteutes († 595), patriarch van Constantinopel.
- 526
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 76.
- 527
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 78.
- 528
Eulogius († 608), patriarch van Alexandrië.
- 529
Anastasius († 599), patriarch van Antiochië.
- 530
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 80.
- 531
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 83; VII, 194.
- 532
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 188.
- 533
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 76.
- 534
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 69.
- 535
Constantius II (317-366), keizer van Rome.
- 536
Constans I († 350), keizer van Rome.
- 537
Gregorius de Grote, Epistulae II, 68 en 170.
- 538
Cyriacus († 606), patriarch van Constantinopel.
- 539
Gregorius de Grote, Epistulae I, 24 en 25 en VI, 169.
- 540
Paus Victor I († 199).
- 541
Cyprianus van Carthago, Epistulae, 118.
- 542
Cyprianus van Carthago, Epistulae, 124.
- 543
Gratianus, Decretum II, 2,6,35.
- 544
Cecilianus (ca. 300), bisschop van Carthago.
- 545
Donatus de Grote van Casae Nigra (ca. 300), bisschop van Carthago.
- 546
Paus Miltiades († 314).
- 547
Augustinus, Epistulae, 43; Augustinus, Breviculus collationis cumDonatistis III, 12,24.
- 548
Gratianus, Decretum I, 22,2.
- 549
Leo I, Epistulae, 85 en 83.
- 550
Leo I, Epistulae, 89.
- 551
Gregorius de Grote, Epistulae II, 68.
- 552
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 64.
- 553
Gregorius de Grote, Epistulae I, 5.
- 554
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 25.
- 555
Paus Lucius († 254).
- 556
Gratianus, Decretum I, 80,1-2.
- 557
Historiae ecclesiasticae tripartitae epitome IX, 13; Gratianus,DecretumI, 22,3.
- 558
Proterius († 457), patriarch van Alexandrië.
- 559
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 30.
- 560
Mauritius (539-602), keizer van het Byzantijnse rijk.
- 561
Phocas (547-610), keizer van het Byzantijnse rijk.
- 562
Paus Bonifatius III (540-607).
- 563
Pepijn de Korte (714-768), koning van de Franken.
- 564
Paus Zacharias (679-752).
- 565
Bernardus van Clairvaux, De consideratione ad EugeniumI, 4,5 en 10,13.
- 566
Bernardus van Clairvaux, De consideratione ad EugeniumIV, 2,4-5 en 4,77.
- 567
Bernardus van Clairvaux, De consideratione ad EugeniumIII, 2,6-12 en 4,14.
- 568
Gratianus, DecretumI, 12,2 en 22,2; II, 24,1.
- 569
Gratianus, DecretumV, 122.
- 570
Anastasius († 754), patriarch van Constantinopel.
- 571
Gratianus, DecretumII, 9,3.
- 572
Paus Gregorius IX († 1241).
- 573
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 92.
- 574
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 28.
- 575
Paus Leo X (1475-1521).
- 576
Paus Clemens VII (1478-1534).
- 577
Paus Paulus III (1468-1549).
- 578
Eusebius van Caesarea, Historiaecclesiastica III, 5,3.
- 579
Paus Julius II (1443-1513).
- 580
Paus Johannes XXII († 1334).
- 581
Gregorius de Grote, Epistulae I, 15, 77 en 79; II, 6 en 25.
- 582
Augustinus, Epistulae,82.
- 583
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 52 en 55; V, 7.
Voetnoot 511
Paus Julius I († 352).
Voetnoot 512
Paus Celestinus I († 432).
Voetnoot 513
Cyrillus († 444), patriarch van Alexandrië.
Voetnoot 514
Dioscorus († 454), patriarch van Alexandrië.
Voetnoot 515
Flavianus († 449), patriarch van Constantinopel.
Voetnoot 516
Marcianus (392-457), keizer van het Oost-Romeinse rijk.
Voetnoot 517
Aelia Pulcheria (399-453), vrouw van keizer Marcianus.
Voetnoot 518
Mennas († 552), patriarch van Constantinopel.
Voetnoot 519
Aurelius (ca. 400), bisschop van Carthago.
Voetnoot 520
Paus Cornelius († 253).
Voetnoot 521
Paus Stefanus († 257).
Voetnoot 522
Cyprianus van Carthago, Epistulae,68, 45, 47, 48, 70 en 75.
Voetnoot 523
Concilie van Carthago, canon 47.
Voetnoot 524
Hiëronymus van Stridon, Epistulae,146.
Voetnoot 525
Johannes IV Nesteutes († 595), patriarch van Constantinopel.
Voetnoot 526
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 76.
Voetnoot 527
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 78.
Voetnoot 528
Eulogius († 608), patriarch van Alexandrië.
Voetnoot 529
Anastasius († 599), patriarch van Antiochië.
Voetnoot 530
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 80.
Voetnoot 531
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 83; VII, 194.
Voetnoot 532
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 188.
Voetnoot 533
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 76.
Voetnoot 534
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 69.
Voetnoot 535
Constantius II (317-366), keizer van Rome.
Voetnoot 536
Constans I († 350), keizer van Rome.
Voetnoot 537
Gregorius de Grote, Epistulae II, 68 en 170.
Voetnoot 538
Cyriacus († 606), patriarch van Constantinopel.
Voetnoot 539
Gregorius de Grote, Epistulae I, 24 en 25 en VI, 169.
Voetnoot 540
Paus Victor I († 199).
Voetnoot 541
Cyprianus van Carthago, Epistulae, 118.
Voetnoot 542
Cyprianus van Carthago, Epistulae, 124.
Voetnoot 543
Gratianus, Decretum II, 2,6,35.
Voetnoot 544
Cecilianus (ca. 300), bisschop van Carthago.
Voetnoot 545
Donatus de Grote van Casae Nigra (ca. 300), bisschop van Carthago.
Voetnoot 546
Paus Miltiades († 314).
Voetnoot 547
Augustinus, Epistulae, 43; Augustinus, Breviculus collationis cumDonatistis III, 12,24.
Voetnoot 548
Gratianus, Decretum I, 22,2.
Voetnoot 549
Leo I, Epistulae, 85 en 83.
Voetnoot 550
Leo I, Epistulae, 89.
Voetnoot 551
Gregorius de Grote, Epistulae II, 68.
Voetnoot 552
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 64.
Voetnoot 553
Gregorius de Grote, Epistulae I, 5.
Voetnoot 554
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 25.
Voetnoot 555
Paus Lucius († 254).
Voetnoot 556
Gratianus, Decretum I, 80,1-2.
Voetnoot 557
Historiae ecclesiasticae tripartitae epitome IX, 13; Gratianus,DecretumI, 22,3.
Voetnoot 558
Proterius († 457), patriarch van Alexandrië.
Voetnoot 559
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 30.
Voetnoot 560
Mauritius (539-602), keizer van het Byzantijnse rijk.
Voetnoot 561
Phocas (547-610), keizer van het Byzantijnse rijk.
Voetnoot 562
Paus Bonifatius III (540-607).
Voetnoot 563
Pepijn de Korte (714-768), koning van de Franken.
Voetnoot 564
Paus Zacharias (679-752).
Voetnoot 565
Bernardus van Clairvaux, De consideratione ad EugeniumI, 4,5 en 10,13.
Voetnoot 566
Bernardus van Clairvaux, De consideratione ad EugeniumIV, 2,4-5 en 4,77.
Voetnoot 567
Bernardus van Clairvaux, De consideratione ad EugeniumIII, 2,6-12 en 4,14.
Voetnoot 568
Gratianus, DecretumI, 12,2 en 22,2; II, 24,1.
Voetnoot 569
Gratianus, DecretumV, 122.
Voetnoot 570
Anastasius († 754), patriarch van Constantinopel.
Voetnoot 571
Gratianus, DecretumII, 9,3.
Voetnoot 572
Paus Gregorius IX († 1241).
Voetnoot 573
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 92.
Voetnoot 574
Gregorius de Grote, Epistulae VII, 28.
Voetnoot 575
Paus Leo X (1475-1521).
Voetnoot 576
Paus Clemens VII (1478-1534).
Voetnoot 577
Paus Paulus III (1468-1549).
Voetnoot 578
Eusebius van Caesarea, Historiaecclesiastica III, 5,3.
Voetnoot 579
Paus Julius II (1443-1513).
Voetnoot 580
Paus Johannes XXII († 1334).
Voetnoot 581
Gregorius de Grote, Epistulae I, 15, 77 en 79; II, 6 en 25.
Voetnoot 582
Augustinus, Epistulae,82.
Voetnoot 583
Gregorius de Grote, Epistulae IV, 52 en 55; V, 7.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.