Boek IV · Hoofdstuk 8
Het leergezag
Inhoud van dit hoofdstuk · 15 secties
- 1Het leergezag van de kerk is beperkt
- 2Het gezag van de kerk is het gezag van het Woord
- 3Het gezag van de profeten
- 4Het gezag van de apostelen
- 5Verschillen in openbaring van Gods wijsheid
- 6De wet en de profeten
- 7Christus als het vleesgeworden Woord
- 8De leer van de apostelen was de leer van Christus en van de profeten
- 9De apostelen en hun opvolgers
- 10De roomse kerk claimt onbeperkt gezag
- 11De leiding van de Geest maakt gelovigen niet onfeilbaar
- 12De kerk als geheel is niet onfeilbaar
- 13De Geest is onlosmakelijk verbonden met het Woord
- 14Er valt niets toe te voegen aan de Schrift
- 15We moeten de kerk gehoorzamen omdat de kerk Gods Woord spreekt
Het leergezag van de kerk is beperkt
Nu komt het derde punt: de macht van de kerk. Die zien we voor een deel in elke opziener en voor een deel in de concilies, zowel in provinciale als in algemene concilies. Ik heb het alleen over de geestelijke macht die kenmerkend is voor de kerk. En deze macht ligt in de leer, in de rechtspraak of in het geven van wetten. Het gedeelte over de leer heeft twee onderdelen: het gezag om de artikelen van de geloofsleer vast te stellen en de uitleg daarvan.
Voordat we elke onderdeel apart gaan behandelen, wil ik de vrome lezers erop wijzen dat ze eraan moeten denken dat alles wat over de macht van de kerk geleerd wordt, gezien moet worden in het licht van het doel waarvoor die macht volgens het getuigenis van Paulus gegeven is: om op te bouwen en niet om af te breken. 2 Korinthiërs 10:8; 13:10 En degenen die die macht gebruiken, moeten niet denken dat zij meer zijn dan dienaren van Christus en tegelijk dienaren van het volk van Christus.
Bovendien is dit de enige manier om de kerk op te bouwen: de dienaren moeten zelf hun best doen om Christus’ gezag voor Hem te bewaren. Want dat gezag kan alleen ongeschonden blijven als we Hem laten houden wat Hij van de Vader gekregen heeft: dat Hij de enige leermeester van de kerk is. Want over niemand anders, maar alleen over Hem staat geschreven: ‘Luister naar Hem!’ Mattheüs 17:5
De macht van de kerk moet dus niet karig versierd worden. Maar toch moet zij binnen bepaalde grenzen blijven, om te voorkomen dat ze volgens menselijke willekeur hierheen of daarheen wordt opgerekt. Daarom is het heel nuttig om te kijken hoe de profeten en de apostelen die macht beschrijven. Want als we mensen simpelweg toestaan de macht te nemen die ze zelf geneigd zijn te nemen, dan is het voor iedereen duidelijk hoe snel men vervalt tot tirannie. En daar moet Christus’ kerk ver vandaan blijven!
Het gezag van de kerk is het gezag van het Woord
Daarom moeten we hier bedenken dat al het gezag en aanzien dat de Geest in de Schrift toekent aan de priesters, de profeten, de apostelen of de opvolgers van de apostelen eigenlijk niet gegeven wordt aan de mensen zelf. Nee, het wordt gegeven aan de bediening waar zij over aangesteld zijn. Of, om het nog duidelijker te zeggen: aan het Woord waarvan de bediening aan hen is toevertrouwd. Want al zouden we hen allemaal bij langs gaan, we zullen geen ander gezag vinden waarmee ze bekleed waren om te leren of te antwoorden dan in de naam en door het Woord van de Heer. Want als ze tot hun taak geroepen worden, wordt hun meteen ook bevolen dat ze niets zelf mogen bedenken. Nee, ze moeten spreken vanuit de mond van de Heer. En Hij laat hen pas in het openbaar optreden, zodat het volk naar hen kan luisteren, als Hij hun eerst geleerd heeft wat ze moeten zeggen, zodat ze niets anders zullen zeggen dan zijn Woord.
Naar Mozes zelf, de vorst van alle profeten, moest geluisterd worden vóór alle andere profeten. Maar hij wordt eerst voorzien van instructies, zodat hij echt geen andere boodschap kan brengen dan die van de Heer. Daarom wordt er, als het volk zijn leer aangenomen heeft, gezegd dat het in God en in zijn knecht Mozes geloofde. Exodus 14:31
Ook het gezag van de priesters werd bevestigd met heel zware straffen, om te voorkomen dat het geminacht zou worden. Deuteronomium 17:9-13 Maar de Heer laat meteen ook zien aan welke voorwaarde zij moeten voldoen, vóór je naar hen moet luisteren. Hij zegt dat Hij zijn verbond gesloten heeft met Levi, zodat hij de wet van de waarheid in zijn mond zou hebben. En even later voegt Hij er dit aan toe: ‘De lippen van een priester moeten kennis bewaren en men moet uit zijn mond de wet zoeken. Want hij is een boodschapper van de Heer van de legermachten.’ Maleachi 2:4-7 Dus als een priester wil dat er naar hem geluisterd wordt, moet hij laten zien dat hij een bode van God is. Dat wil zeggen: hij moet trouw de bevelen overbrengen die hij van zijn zender gekregen heeft. En als het gaat om het luisteren naar hen, wordt er uitdrukkelijk bij gezegd dat het volk moet antwoorden in overeenstemming met Gods wet. Deuteronomium 17:10-11
Het gezag van de profeten
Ezechiël beschrijft fraai welke macht profeten over het algemeen hadden: ‘“Mensenkind,” zegt de HEER, “Ik heb jou aangesteld als wachter over het huis van Israël. Dus als jij een woord uit mijn mond hoort, moet je het hun namens Mij bekendmaken.”’ Ezechiël 3:17 Als je bevel krijgt om te luisteren naar wat uit de mond van de Heer komt, wordt jou dan niet verboden om zelf iets te verzinnen? En de boodschap van de Heer overbrengen, wat is dat anders dan zo spreken dat je je er vrijmoedig op durft laten voorstaan dat je niet je eigen woord, maar het Woord van de Heer brengt?
Hetzelfde lees je in andere woorden bij Jeremia. Hij zegt: ‘Laat een profeet die een droom heeft, de droom vertellen. En laat wie een woord heeft, dat woord betrouwbaar spreken.’ Natuurlijk stelt hij hier een wet voor alle profeten samen. En die houdt in dat God niemand toestaat meer te leren dan hem bevolen is. En even later noemt hij alles wat niet alleen van God afkomstig is, kaf. Jeremia 23:28
Van de profeten heeft dus niemand zijn mond geopend als de Heer hem de woorden niet in de mond gaf. Daarom komen we bij hen zo vaak uitdrukkingen tegen als: ‘Het woord van de Heer,’ ‘de last van de Heer,’ ‘zo spreekt de Heer,’ ‘de mond van de Heer heeft gesproken,’ ‘een visioen van de Heer,’ ‘de Heer van de legermachten heeft gesproken.’ En terecht! Want Jesaja riep uit dat zijn lippen onrein waren, Jesaja 6:5 Jeremia erkende dat hij niet kon spreken omdat hij een kind was. Jeremia 1:6 Wat kon er uit Jesaja’s onreine en Jeremia’s onnozele mond voortkomen dat niet onrein of dwaas was, als ze hun eigen woorden hadden gesproken? Maar hun lippen waren heilig en rein toen ze instrumenten werden van de Heilige Geest.
Als de profeten gebonden zijn aan de verplichting om niets anders te spreken dan wat ze gekregen hebben, dan worden ze getooid met een opmerkelijke macht en schitterende benamingen. Want de Heer verklaart dat Hij hen heeft aangesteld over volken en koninkrijken, om uit te rukken en uit te roeien, om te vernietigen en te verwoesten, om te bouwen en te planten. En dan voegt Hij er meteen de reden aan toe: omdat Hij zijn woorden in hun mond gelegd heeft. Jeremia 1:9-10
Het gezag van de apostelen
Als we nu naar de apostelen kijken – weliswaar worden die met veel schitterende eretitels aangeprezen: zij zijn het licht voor de wereld en het zout voor de aarde, Mattheüs 5:13 je moet naar hen luisteren alsof je naar Christus luistert, Lucas 10:16 alles wat zij op aarde binden of losmaken, zal in de hemel gebonden of losgemaakt zijn. Johannes 20:23 Maar hun naam maakt al duidelijk hoeveel hun in hun taak is toegestaan: als ze apostelen – ‘gezondenen’ – zijn, mogen ze niet zeggen wat ze maar willen. Nee, ze moeten trouw de opdrachten van hun zender overbrengen.
En de woorden van Christus, waarmee hij hun zending omschreef, zijn duidelijk genoeg. Hij droeg hun op om op weg te gaan en alle volken alles te leren wat Hij hun geboden had. Mattheüs 28:19-20 Sterker nog, ook Hij zelf heeft zich aan deze wet onderworpen en die op zichzelf toegepast, zodat niemand zich eraan mag onttrekken. Hij zegt: ‘Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft: de Vader.’ Johannes 7:16 Christus is altijd de enige en eeuwige adviseur geweest van de Vader en de Vader heeft Hem aangesteld als Heer en leermeester van alles. Toch geeft Hij, omdat Hij de taak van leraar uitvoert, zijn eigen voorbeeld als voorschrift voor alle dienaren. Als zij onderwijzen, moeten ze die regel volgen. De macht van de kerk is dus niet onbegrensd. Nee, die macht is onderworpen aan Gods Woord en wordt daardoor als het ware omheind.
Verschillen in openbaring van Gods wijsheid
Vanaf het begin gold in de kerk dus het principe dat Gods dienaren niets leren dat ze niet van Hem geleerd hebben. En ook nu moet dat principe nog gelden. Toch zijn Gods dienaren in overeenstemming met verschillen in de tijd op verschillende manieren onderwezen. De manier die God nu gebruikt, is heel anders dan de manieren in het verleden.
Om te beginnen, Christus zegt dat niemand de Vader gezien heeft, behalve de Zoon en degenen aan wie de Zoon Hem wil openbaren. Mattheüs 11:27 Als dat waar is, dan moeten degenen die God willen leren kennen, altijd door die eeuwige wijsheid geleid worden. Want hoe zouden ze Gods mysteries met hun verstand kunnen begrijpen of uitspreken zonder dat ze onderwezen zijn door degene die als enige de geheimen van de Vader kent? In het verleden hebben de heilige mannen God dus alleen maar gekend doordat zij Hem zagen in de spiegel van de Zoon. Als ik dit zeg, dan bedoel ik daarmee dat God zich nooit op een andere manier aan mensen geopenbaard heeft dan via de Zoon. Dat wil zeggen: via zijn enige wijsheid, licht en waarheid.
Adam, Noach, Abraham, Izak en Jacob hebben alles wat ze van de hemelse leer kenden, geput uit deze bron. Ook alle profeten hebben alle hemelse uitspraken die ze gedaan hebben, geput uit dezelfde bron.
Deze wijsheid heeft zich echter niet altijd op dezelfde manier geopenbaard. Bij de aartsvaders gebruikte zij geheime openbaringen. Maar om die openbaringen te bevestigen, heeft zij tegelijk ook zulke tekenen gebruikt dat er voor hen geen twijfel kon zijn dat het God was die sprak. De aartsvaders hebben wat ze gekregen hadden van hand tot hand doorgegeven aan hun nakomelingen. Want God had het hun toevertrouwd op voorwaarde dat ze het op die manier zouden voortplanten. En hun kinderen en kleinkinderen wisten dat wat zij hoorden, afkomstig was uit de hemel en niet van de aarde. Want God zei dat binnen in hen.
De wet en de profeten
Maar toen het God goed leek dat de kerk duidelijker zichtbaar zou worden, wilde Hij dat zijn Woord officieel op schrift gesteld werd. Dan konden de priesters daaruit halen wat ze aan het volk moesten leren en kon elk onderwijs dat gegeven werd aan die norm getoetst worden. Dus als de priesters na de afkondiging van de wet het bevel krijgen te leren vanuit de mond van de Heer, Maleachi 2:7 dan wordt daarmee bedoeld dat ze niets mogen leren dat afwijkt van wat God in zijn wet had opgenomen of dat daar niet toe behoort. Nee, ze mochten er niets aan toevoegen of eruit weghalen. Deuteronomium 4:2; 12:32 (13:1)
Daarna kwamen de profeten. Via hen heeft God weliswaar nieuwe uitspraken afgekondigd die aan de wet moesten worden toegevoegd. Maar die waren toch niet echt nieuw. Ze vloeiden uit de wet voort en waren op de wet gericht. Want wat betreft de leer, waren zij slechts uitleggers van de wet. Ze hebben er niets aan toegevoegd, behalve voorzeggingen van de toekomst. Afgezien daarvan hebben ze niets anders naar voren gebracht dan een zuivere uitleg van de wet. Maar omdat de Heer wilde dat de leer duidelijker en uitgebreider zichtbaar zou zijn, ten behoeve van zwakke gewetens, heeft Hij geboden dat ook de profetieën opgeschreven en als onderdeel van zijn Woord beschouwd moesten worden.
Daarbij kwamen nog de geschiedenissen. Ook die zijn het werk van de profeten, maar samengesteld terwijl de Geest dicteerde. De psalmen reken ik bij de profetieën, want wat we aan de profetieën toekennen, geldt ook voor de psalmen.
Dit geheel, samengesteld uit de wet, de profetieën, de psalmen en de geschiedenissen, was voor het oude volk dus het Woord van de Heer. Aan de norm van dat woord moesten de priesters en leraren tot Christus’ komst hun onderwijs laten voldoen. Ze mochten er niet links of rechts van afwijken. Deuteronomium 5:32 Want heel hun taak was hierdoor begrensd: ze moesten het volk antwoorden vanuit Gods mond.
Dat kun je opmaken uit de opmerkelijke passage van Maleachi, waar hij gebiedt de wet in herinnering te houden en er aandacht aan te schenken, totdat het evangelie gepredikt wordt. Maleachi 4:4 (3:23) Zo houdt hij hen af van elke vreemde leer en hij staat hun zelfs niet toe een haarbreedte af te wijken van de weg die Mozes hun trouw gewezen had.
En dat is de reden waarom David met zulke heerlijke woorden verkondigt hoe geweldig de wet is en zoveel lofprijzingen op de wet opsomt: de Joden moesten niets verlangen buiten de wet. Want de wet bevatte de volledige volmaaktheid.
Christus als het vleesgeworden Woord
Maar uiteindelijk werd Gods wijsheid geopenbaard in het vlees. Toen heeft Hij volmondig alles aan ons uitgelegd wat met een menselijk verstand van de hemelse Vader begrepen kan worden. Dus sinds de zon van rechtvaardigheid, Christus, is opgekomen, hebben wij nu de volmaakte glans van Gods waarheid. Vroeger was het licht nog een beetje schemerig, maar nu straalt het zo helder als wanneer het middag is.
Want de apostel heeft echt niet iets gewoons willen prediken, toen hij schreef dat God in het verleden vele malen en op vele manieren tegen de aartsvaders gesproken heeft via de profeten, maar dat Hij in de laatste dagen is gaan spreken via zijn geliefde Zoon. Hebreeën 1:1-2 Want de apostel geeft aan, ja verklaart openlijk, dat God voortaan niet meer zoals vroeger nu eens via deze en dan weer via die zal spreken. Hij zal geen profetieën meer toevoegen aan de profetieën of openbaringen aan de openbaringen. Nee, in de Zoon heeft Hij het onderwijs in alle opzichten zo compleet gemaakt, dat we dit moeten beschouwen als het laatste en eeuwige getuigenis van zijn kant.
Zodoende wordt heel deze tijd van het Nieuwe Testament, vanaf Christus’ verschijning aan ons met de prediking van het evangelie tot aan de dag van het oordeel, aangeduid als ‘het laatste uur’, 1 Johannes 2:18 ‘de laatste tijden’, 1 Timotheüs 4:1; 1 Petrus 1:20 ‘de laatste dagen’. Handelingen 2:17; 2 Timotheüs 3:1; 2 Petrus 3:3 Want wij moeten de tevreden zijn met de volmaaktheid van Christus’ leer. We moeten leren daar geen nieuwe leer bij te verzinnen of toe te laten dat anderen die verzinnen. Daarom heeft de Vader niet voor niets door een speciaal voorrecht de Zoon als leraar voor ons aangesteld en geboden dat we naar Hem en niet naar iemand van de mensen moeten luisteren.
Met enkele woorden heeft Hij Hem aanbevolen als leermeester, toen Hij zei: ‘Luister naar Hem!’ Mattheüs 17:5 Maar die woorden hebben meer gewicht en kracht dan men meestal denkt. Want het is net alsof Hij ons weghaalt bij al het onderwijs van mensen en ons alleen voor Hem neerzet, ons beveelt alleen van Hem heel de leer van ons behoud te willen leren, ons alleen van Hem afhankelijk te maken, alleen op Hem te vertrouwen, kortom – zoals Hij letterlijk zegt – alleen naar zijn stem te luisteren.
En inderdaad, wat valt er nog van een mens te verwachten of te verlangen, nu het Woord van het leven zelf zich vertrouwelijk en als bij ons aanwezig aan ons geopenbaard heeft? Ja, de monden van alle mensen zijn gesloten, nu eenmaal degene gesproken heeft in wie de hemelse Vader alle schatten van kennis en wijsheid verborgen heeft willen laten. Kolossenzen 2:3 Bovendien heeft Hij gesproken zoals gepast was voor Gods wijsheid – die in alle opzichten volmaakt is Johannes 19:23 – en voor de messias – van wie men de openbaring van alle dingen verwachtte. Johannes 4:25 Dat wil zeggen: nu Hij gesproken heeft, heeft Hij voor anderen niets meer over gelaten om te spreken.
De leer van de apostelen was de leer van Christus en van de profeten
Een basisprincipe moet dus zijn: we mogen niets anders als Gods Woord beschouwen en in de kerk ruimte bieden, dan wat eerst de wet en de profeten en daarna de apostolische geschriften bevatten. En er hoort in de kerk op geen andere manier onderwezen te worden dan in overeenstemming met het voorschrift en de norm van dat Woord.
Hier kunnen we ook uit opmaken dat de apostelen geen ander woord toegestaan was dan wat vroeger de profeten hadden, dat wil zeggen: ze legden de oude Schrift uit en lieten zien dat in Christus volbracht is wat daarin voorzegd wordt. En dat deden ze alleen omdat de Heer, dat wil zeggen de Geest van Christus, hun voorging en hun in zekere zin de woorden dicteerde. Want Christus heeft hun taak als afgezant beperkt met deze voorwaarde, toen Hij hun beval op weg te gaan en te leren – niet wat zij zelf zouden kunnen bedenken – maar wat Hij hun geboden had. Mattheüs 28:19-20 En Hij kon het nooit zo duidelijk zeggen als Hij ergens anders doet: ‘Maar jullie mogen je geen rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één leermeester: Christus.’ Bovendien herhaalt Hij dat nog een keer in dezelfde passage, om het hun extra diep in hun hart te prenten. Mattheüs 23:8-10
En omdat ze door hun onkunde niet konden begrijpen wat ze uit de mond van hun leermeester hadden gehoord en geleerd, wordt hun de Geest van de waarheid beloofd. Die zou hen leiden, zodat ze alle dingen echt zouden begrijpen. Johannes 16:13 Want op die beperking moeten we goed letten: Christus draagt de Heilige Geest de taak op om de apostelen alles in te geven wat Hij hun van tevoren met zijn mond geleerd heeft. Johannes 14:26
De apostelen en hun opvolgers
Daarom laat Petrus voor zichzelf en anderen niets anders over dan dat ze de leer uitdelen die God gegeven heeft. Hij had van zijn leermeester heel goed geleerd hoeveel hem was toegestaan. Hij zegt: ‘Wie spreekt, moet alleen Gods woorden spreken.’ 1 Petrus 4:11 Dat wil zeggen: ze mogen niet twijfelen of weifelen, zoals je doet als je je bewust bent van iets kwaads. Nee, ze moeten spreken met het diepe vertrouwen dat gepast is voor een dienaar van God die diens bevelen en instructies meegekregen heeft.
Wat is dat anders dan ver vandaan blijven bij alle menselijke bedenksels, uit wiens hoofd ze ook zijn voortgekomen, zodat in de vergadering van de gelovigen het zuivere Woord van God onderwezen en geleerd wordt? Wat is dat anders dan de leer of liever de verzinsels weghalen van alle mensen, welke rang ze ook hebben, zodat alleen Gods besluiten blijven gelden?
Dit zijn de geestelijke wapens die dankzij God sterk genoeg zijn om vestingen omver te halen. Daarmee breken Gods trouwe soldaten de redeneringen en elke wal af die tegen het kennen van God wordt opgericht en nemen ze elke gedachte gevangen in gehoorzaamheid aan Christus. 2 Korinthiërs 10:4-5
Daar heb je de hoogste macht waar de herders van de kerk, hoe ze ook genoemd worden, mee uitgerust horen te zijn! Dat wil zeggen dat ze dankzij Gods Woord alles vrijmoedig durven en alle kracht, glorie, wijsheid en aanzien van de wereld dwingen om opzij te gaan voor de majesteit van het Woord en daaraan te gehoorzamen. Dat ze gesteund door de kracht van het Woord over iedereen gebieden, van de hoogste tot de laagste. Dat ze Christus’ huis bouwen en dat van Satan omverhalen. Dat ze de schapen weiden en de wolven vernietigen. Dat ze ontvankelijke mensen onderwijzen en aansporen en koppige en ongehoorzame mensen bestraffen, berispen en onderwerpen. Dat ze vastbinden en losmaken. En ten slotte dat ze zo nodig bliksemen en donderen. Maar al die dingen door middel van Gods Woord.
Maar er is wel een verschil tussen de apostelen en hun opvolgers. Ik heb dat al gezegd: de apostelen waren betrouwbare en gezaghebbende secretarissen van de Heilige Geest. Daarom moeten we hun geschriften beschouwen als uitspraken van God. Hun opvolgers hebben echter geen andere taak dan onderwijzen wat in de Heilige Schrift geopenbaard en vastgelegd is. We stellen dus vast dat het trouwe dienaren niet langer is toegestaan om nieuwe dogma’s te fabriceren. Nee, ze moeten simpelweg blijven bij de leer waaraan God iedereen zonder uitzondering onderworpen heeft.
Als ik dit zeg, wil ik niet alleen aanwijzen wat ieder mens afzonderlijk is toegestaan. Ik wil ook aanwijzen wat heel de kerk is toegestaan.
Wat betreft ieder afzonderlijk: Paulus was inderdaad door de Heer aangesteld als apostel voor de Korinthiërs. Toch zegt hij dat hij geen gezag heeft over hun geloof. 2 Korinthiërs 1:24
Wie zou zich nu een gezag durven aanmatigen waarvan Paulus verklaart dat hij er geen recht op heeft? Stel dat hij deze onderwijsvrijheid had erkent dat een herder het recht had te eisen dat men alles wat hij leert vast moest geloven. Dan had hij nooit aan dezelfde Korinthiërs de instructie gegeven dat als twee of drie profeten spreken, de anderen het moeten beoordelen. En evenmin dat als aan een ander die erbij zit iets geopenbaard wordt, de eerste moet zwijgen. 1 Korinthiërs 14:29-30 Hij heeft zo dus niemand gespaard, maar ieders gezag onderworpen aan het oordeel van Gods Woord.
Maar, zal iemand zeggen, met heel de kerk is het anders. Mijn antwoord is dat Paulus in een andere passage ook op deze twijfel ingaat. Hij zegt dat geloof voortkomt uit luisteren en luisteren uit Gods Woord. Romeinen 10:17 Als geloof alleen afhankelijk is van Gods Woord, als het alleen daarop gericht en gebaseerd is, welke ruimte blijft er dan nog over voor het woord van heel de wereld? Want geloof moet rusten op zo’n sterk fundament dat het onoverwinnelijk en onwankelbaar stand houdt tegen Satan en alle listen van de hel en tegen heel de wereld. Dat fundament zullen we alleen maar vinden in Gods Woord.
Bovendien moeten we hier letten op een algemene regel: God ontneemt de mensen het vermogen om met een nieuw dogma te komen om in het geestelijk onderwijs als enige onze leermeester te zijn. Alleen Hij is immers betrouwbaar. Hij kan niet liegen of bedriegen. Deze regel slaat zowel op heel de kerk als op iedere gelovige afzonderlijk.
De roomse kerk claimt onbeperkt gezag
Maar laten we deze macht van de kerk, waar we het over gehad hebben, nu eens vergelijken met de macht waarmee al meerdere eeuwen lang de geestelijke tirannen die zich onterecht bisschoppen en prelaten van de godsdienst noemen, zich aan Gods volk hebben opgedrongen. Dan blijkt dat er tussen die beide vormen van macht niet meer overeenkomsten zijn dan tussen Christus en Belial. 2 Korinthiërs 6:15 Ik ben niet van plan om hier uit te leggen hoe en op wat voor onwaardige manier zij hun tirannie hebben uitgeoefend. Ik ga alleen hun leer noemen, die ze eerst schriftelijk en tegenwoordig zelfs te vuur en te zwaard beschermen.
Zij beschouwen het als een vaststaand feit dat de kerk pas echt zichtbaar is in een algemeen concilie. Nadat ze dit principe hebben aangenomen en meteen boven twijfel hebben verheven, beweren ze daarom dat zulke concilies direct door de Heilige Geest geregeerd worden en daarom niet kunnen dwalen. En zij zelf leiden de concilies en stellen ze in. Daarom claimen ze eigenlijk voor zichzelf alles waarvan ze beweren dat het voor de concilies geldt.
Ze willen dus dat ons geloof staat en valt met hun goeddunken. Alles wat zij vaststellen als waar of onwaar, moet voor ons hart vast en zeker zijn. Dus als zij iets goedkeuren, moeten ook wij het zonder aarzeling goedkeuren. En als zij iets veroordelen, moeten ook wij het veroordelen.
Ondertussen fabriceren ze dogma’s volgens eigen willekeur, waarbij ze Gods Woord minachten, en eisen vervolgens dat wij die op deze manier geloven. Ze zeggen immers dat je geen christen bent als je niet al hun dogma’s voor vast aanneemt, zowel dogma’s over wat wel waar is als dogma’s over wat niet waar is. Misschien niet met een expliciet geloof, maar dan in elk geval wel met een impliciet geloof. Want het is aan de kerk om nieuwe geloofsartikelen vast te stellen.
De leiding van de Geest maakt gelovigen niet onfeilbaar
Laten we eerst luisteren met welke bewijzen de roomsen bevestigen dat de kerk dit gezag gekregen heeft. Daarna gaan we kijken hoeveel ze opschieten met wat zij over de kerk beweren.
Ze zeggen: de kerk heeft schitterende beloften dat haar bruidegom Christus haar nooit zal verlaten, maar dat zijn Geest haar in alle waarheid zal leiden. Johannes 16:13 Maar veel van de beloften die zij aanvoeren, zijn net zo goed aan elke gelovige afzonderlijk gegeven als aan heel de kerk. Weliswaar had de Heer het tegen de twaalf apostelen, toen Hij zei: ‘Ik ben bij jullie tot het eind van de wereld,’ Mattheüs 28:20 en: ‘Ik zal tot de Vader bidden en Hij zal jullie een andere trooster geven: de Geest van de waarheid.’ Johannes 14:16-17 Toch beloofde Hij dat niet slechts aan de groep van twaalf. Nee, ook aan ieder van hen afzonderlijk. Ja, zelfs aan de andere leerlingen, degenen die Hij al had aangenomen of die later bij Hem zouden komen. Zulke beloften zijn vol geweldige troost. Echter, de roomsen leggen ze uit alsof ze aan geen enkele christen persoonlijk zijn gegeven, maar alleen aan heel de kerk samen. Maar wat doen ze dan anders dan alle christenen het vertrouwen afpakken dat die beloften horen op te leveren voor hun bemoediging?
Nu ontken ik niet dat heel de gemeenschap van gelovigen voorzien is van een grote variatie aan gaven en daarom een veel grotere en rijkere schat aan hemelse wijsheid bezit dan iedere gelovige op zichzelf. Ook bedoel ik niet dat dit zo in het algemeen tegen de gelovigen gezegd is alsof ze de Geest van het verstand en de leer allemaal op dezelfde manier bezitten. Nee, ik zeg dit omdat we Christus’ tegenstanders niet mogen toestaan dat ze om een slechte zaak te verdedigen de Schrift tot een verkeerde betekenis verdraaien.
Maar ik laat dit rusten. Ik belijd simpelweg wat de waarheid is: de Heer staat de zijnen continu bij en regeert hen met zijn Geest. 1 Korinthiërs 2:12 Deze Geest is geen Geest van dwaling, onwetendheid, leugen of duisternis. Nee, een Geest van zekere openbaring, wijsheid, waarheid en licht. Van Hem leren de gelovigen zonder bedrog wat ze gekregen hebben: wat voor de heiligen de hoop is van hun roeping en wat de rijkdom van de glorie van Gods erfenis. Efeziërs 1:18
Maar gelovigen – zelfs zij die betere gaven gekregen hebben, beter dan anderen – krijgen in dit vlees de eerste opbrengst en slechts een voorproefje van die Geest. Romeinen 8:23 Daarom zit er voor hen niets anders op dan zorgvuldig binnen de perken van Gods Woord blijven, bewust van hun zwakheid. Want als ze door hun eigen voorkeuren te ver weg dwalen, zouden ze meteen van de rechte weg raken, voor zover ze de Geest nog missen. Immers, alleen door zijn onderwijs worden waarheid en leugen van elkaar onderscheiden. Want met Paulus erkennen ze allemaal dat ze de eindstreep nog niet bereikt hebben. Filippenzen 3:12 Daarom doen ze meer hun best om elke dag vooruit te komen, dan dat ze pochen op volmaaktheid.
De kerk als geheel is niet onfeilbaar
Maar de roomsen zullen hiertegen inbrengen dat alles wat ieder van de heiligen voor een deel krijgt, volledig en in zijn geheel het eigendom is van de kerk. Dit lijkt wel een beetje waar. Toch ontken ik dat het waar is.
Weliswaar heeft God de gaven van zijn Geest in een bepaalde maat uitgedeeld aan iedere ledemaat, zodat het lichaam als geheel niets tekort komt van wat het nodig heeft, als de gaven voor het algemeen nut gegeven worden. Efeziërs 4:7 Maar de rijkdommen van de kerk zijn toch altijd zo beperkt, dat er nog veel ontbreekt aan de hoge volmaaktheid waar mijn tegenstanders prat op gaan. Niet dat de kerk in enig opzicht tekort komt en niet genoeg heeft. Want de Heer weet wat de kerk nodig heeft. Maar Hij wil de kerk nederig en vroom bescheiden houden. Daarom geeft Hij haar niet meer dan waarvan Hij weet dat het goed voor haar is.
Ik weet wat mijn tegenstanders hier altijd nog meer tegen inbrengen: dat de kerk gereinigd is door het waterbad door het Woord van het leven, om zonder vlek of rimpel te zijn. Efeziërs 5:26-27 En dat ze daarom ergens anders een pilaar en fundament voor de waarheid genoemd wordt. 1 Timotheüs 3:15
Maar de eerste passage leert eerder wat Christus elke dag in de kerk doet, dan wat Hij al voltooid heeft. Want als Hij iedereen elke dag heiligt, reinigt, polijst, van vlekken reinigt, dan staat het natuurlijk vast dat iedereen dus nog met enkele vlekken en rimpels bezaaid is en dat er nog iets aan hun heiliging ontbreekt. Wat is het dus onzinnig en ongelooflijk om de kerk al te beschouwen als heilig en volledig en in alle opzichten onbevlekt, als al haar ledematen bevlekt en in enig opzicht onrein zijn!
Het is dus wel waar dat de kerk door Christus geheiligd is. Maar we zien hier van die heiliging alleen nog maar het begin. Het einde en de volledige vervulling komt pas als de heilige der heiligen, Hebreeën 9-10 Christus, haar daadwerkelijk en volledig met zijn heiligheid vol zal maken.
Het is ook waar dat de vlekken en rimpels van de kerk uitgetrokken zijn. Maar dan zo dat ze nog elke dag uitgetrokken worden, totdat Christus met zijn komst alles wat er nog over is volledig zal wegnemen.
Immers, als we dit niet accepteren, kunnen we niet anders dan met de pelagianen beweren dat de gelovigen in dit leven al volmaakt rechtvaardig zijn. En met de katharen en donatisten dat we in de kerk geen zwakheid mogen tolereren. En al deze mensen worden door mijn tegenstanders als ketters beschouwd.
De tweede passage heeft – we hebben dat ergens anders al gezien – een heel andere betekenis dan mijn tegenstanders beweren. Paulus heeft eerst
Timotheüs instructies gegeven en opgeleid voor de echte opzienerstaak. Vervolgens zegt hij dan dat hij dat gedaan heeft om hem te laten weten hoe hij zich in de kerk moest gedragen. En om ervoor te zorgen dat Timotheüs daar extra zorgvuldig en ijverig zijn best voor zou doen, voegt Paulus eraan toe dat de kerk zelf de pilaar en het fundament voor de waarheid is. En wat betekenen die woorden anders dan dat in de kerk Gods waarheid bewaard wordt, door de dienst van de prediking?
Hetzelfde leert Paulus ergens anders: Christus heeft apostelen, herders en leraren gegeven. Dan worden we niet meer door allerlei wind van leer heen en weer geslingerd of door mensen bedrogen. Nee, dan komen we, verlicht door de ware kennis van Gods Zoon, tot geloofseenheid. Efeziërs 4:11-14
Dat de waarheid in de wereld niet uitgedoofd wordt, maar behouden blijft, komt dus doordat de kerk haar trouw bewaakt. Door haar inspanningen en bediening wordt ze in stand gehouden. Maar deze bewaking ligt in de profetische en apostolische bediening. Dat betekent dus dat ze volledig afhankelijk is van het trouw en zuiver bewaren van Gods Woord.
De Geest is onlosmakelijk verbonden met het Woord
En om de lezers extra goed te laten begrijpen waar het in deze kwestie vooral om gaat, zal ik kort uitleggen wat mijn tegenstanders beweren en op welk punt ik me tegen hen verzet.
Zij zeggen dat de kerk niet kan dwalen. Dat slaat vooral hierop en dat leggen zij zo uit: als de kerk door Gods Geest bestuurd wordt, kan ze veilig haar weg gaan zonder het Woord. Waarheen ze ook gaat, ze kan niets anders van mening zijn of zeggen dan wat waar is. Als ze iets bepaalt buiten of naast Gods Woord, dan kan dat dus niet anders dan als een zekere uitspraak van God beschouwd worden.
Ik geef hun het eerste toe: de kerk kan niet dwalen in zaken die onmisbaar zijn voor het behoud. Maar dan ben ik van mening dat dit zo is omdat de kerk al haar eigen wijsheid afwijst en zich door de Heilige Geest laat onderwijzen door middel van Gods Woord. Dit is dus het verschil: zij stellen het gezag van de kerk buiten Gods Woord. Maar ik wil dat dat gezag aan Gods Woord gebonden is. En ik sta niet toe dat het daarvan wordt losgemaakt.
En het is toch logisch als de bruid en leerlingen van Christus onderworpen worden aan hun bruidegom en leermeester, zodat we continu ijverig gespitst zijn op zijn mond? Want zo gaat het in een goed geregeld huis: de vrouw is gehoorzaam aan het gezag van haar man. Zo zijn de regels in een goed geordende school: er wordt alleen geluisterd naar het onderwijs van de meester. De kerk moet daarom niet wijs zijn uit zichzelf en niet zelf iets bedenken. Nee, ze moet de grenzen van haar wijsheid leggen waar Christus ophoudt met spreken.
Op die manier zal de kerk ook niet vertrouwen op wat ze met haar eigen verstand uitdenkt. En in de dingen waarin ze zich baseert op Gods Woord, zal ze niet wankelen door gebrek aan vertrouwen of twijfel. Nee, ze zal daar heel zeker en standvastig op vertrouwen. En vol vertrouwen op de uitgebreide beloften die ze heeft gekregen, zal ze dus ook voldoende reden hebben om haar geloof daarop te baseren. Dan hoeft ze er niet aan te twijfelen dat de Heilige Geest, de beste gids naar de juiste weg, haar altijd zal bijstaan. Maar ze zal tegelijk ook bedenken wat God wil dat we aan zijn Geest hebben. Christus zegt: ‘De Geest die Ik jullie van de Vader zal zenden, zal jullie leiden in alle waarheid.’ Johannes 16:7-13 Hoe dan? ‘Want Hij zal jullie alles in herinnering brengen wat Ik jullie gezegd heb.’ Johannes 14:26 Christus verkondigt dus dat we van de Geest niet meer moeten verwachten dan dat Hij ons verstand verlicht, zodat we de waarheid van zijn leer gaan begrijpen.
Daarom zegt Chrysostomos heel verstandig: ‘Velen laten zich voorstaan op de Heilige Geest. Maar als je je eigen dingen zegt, laat je je ten onrechte op Hem voorstaan. Christus getuigde dat Hij niet uit zichzelf sprak, omdat Hij sprak vanuit de wet en de profeten. Johannes 12:49-50; 14:10 Zo moeten ook wij niets geloven dat ons buiten het evangelie om in de naam van de Geest wordt opgedrongen. Want net zoals Christus de vervulling is van de wet en de profeten, Romeinen 10:4 zo is de Geest de vervulling van het evangelie.’ Tot zover Chrysostomos.
Op basis hiervan kunnen we nu gemakkelijk concluderen wat mijn tegenstanders verkeerd doen. Zij laten zich alleen maar op de Heilige Geest voorstaan met het doel in zijn naam vreemde dogma’s aan te prijzen buiten Gods Woord om. Terwijl de Geest zelf onlosmakelijk met Gods Woord verbonden wil zijn en Christus dat ook van Hem verklaart als Hij Hem aan zijn kerk belooft. Echt, zo is het.
Eens heeft de Heer zijn kerk voorgeschreven dat ze nuchter moet zijn. 1 Petrus 1:13; 4:7; 5:8 Hij wil dat we ons daar altijd aan houden. En Hij heeft verboden dat de kerk iets aan zijn Woord zou toevoegen of afdoen. Deuteronomium 4:2; Openbaring 22:18-19 Dat is een onaantastbaar besluit van God en de Heilige Geest. Maar mijn tegenstanders proberen dat af te schaffen als ze verzinnen dat de kerk door de Geest geregeerd wordt zonder het Woord.
Er valt niets toe te voegen aan de Schrift
Mijn tegenstanders brengen hier weer tegen in dat de kerk sommige dingen aan de geschriften van de apostelen heeft moeten toevoegen of dat de apostelen zelf later mondeling aanvullingen hebben moeten geven op wat ze minder duidelijk geleerd hadden. En wel omdat Christus tegen hen gezegd heeft: ‘Ik heb jullie nog vele dingen te zeggen, maar die kunnen jullie nu nog niet verdragen.’ Johannes 16:12 En mijn tegenstanders zeggen dat dit dogma’s zijn die buiten de Schrift om zijn aangenomen, alleen door de gewoonte.
Maar wat is dat voor brutaliteit? De leerlingen waren nog onwetend en – ik geef toe – weinig ontvankelijk toen ze de Heer dit hoorden zeggen. Maar toen ze hun leer op schrift stelden, waren ze toen nog zo traag van begrip dat ze het later nodig vonden om mondeling aan te vullen wat ze in hun geschriften uit onwetendheid hadden weggelaten? Bovendien, als de Geest van de waarheid hen al in alle waarheid geleid had, toen ze hun geschriften lieten uitgaan, wat heeft hen dan verhinderd om daarin een bezegelde of gewaarmerkte weergave achter te laten van de volmaakte kennis van de leer van het evangelie?
Maar vooruit, laten we hun toegeven wat zij zo graag willen. Maar dan moeten zij aanwijzen welke dingen er dan buiten de Schrift om geopenbaard moeten worden. Als ze dat durven, zal ik hen aanpakken met deze woorden van Augustinus: ‘Als de Heer zwijgt, wie van ons zal dan zeggen: het zit zus of zo? Of stel dat iemand het zou durven zeggen. Hoe kan hij het dan bewijzen?’
Maar waarom ga ik in discussie over een overbodige kwestie? Zij maken de geschriften van de apostelen gebrekkig en onvolledig. Maar zelfs een kind weet immers dat je daarin de vrucht vindt van de openbaring die de Heer hun toen beloofde!
We moeten de kerk gehoorzamen omdat de kerk Gods Woord spreekt
‘Wat?’ zeggen mijn tegenstanders. ‘Heeft Christus niet alles wat de kerk leert en besluit boven elke discussie verheven, als Hij beveelt dat we ieder die daartegen in wil gaan, als een heiden of tollenaar moeten beschouwen?’ Mattheüs 18:17
Om te beginnen heeft Christus het daar niet over de leer. Nee, Hij kent de kerk het gezag toe om te straffen en zo gebreken te corrigeren. Wie vermaand of gestraft wordt, mag zich niet verzetten tegen het oordeel van de kerk. Maar dit laat ik rusten. Het is wonderlijk hoe weinig schaamte deze nietsnutten hebben, dat ze niet aarzelen om hierover zo tekeer te gaan. Want wat kunnen ze eigenlijk anders uit deze passage opmaken dan dat we nooit de eensgezindheid van de kerk mogen minachten? En die kan alleen bereikt worden in de waarheid van Gods Woord.
Je moet naar de kerk luisteren, zeggen zij. Wie ontkent dat? De kerk doet geen uitspraken, behalve op basis van Gods Woord. Als ze meer eisen dan dat, moeten we weten dat ze niets opschieten met deze woorden van Christus.
En niemand moet de indruk krijgen dat ik zo graag discussies voer, omdat ik er zo sterk op sta dat het de kerk niet is toegestaan om nieuwe dogma’s te maken, dat wil zeggen: meer te leren en als goddelijke uitspraak te presenteren dan wat de Heer in zijn Woord geopenbaard heeft. Want verstandige mensen zien hoe gevaarlijk het is als mensen eenmaal zoveel gezag gekregen hebben. Zij zien ook hoeveel gelegenheid goddelozen krijgen om ons te bespotten en te beledigen, als wij zeggen dat christenen opvattingen van mensen als goddelijke uitspraken moeten beschouwen.
Bovendien, Christus spreekt volgens de toestand in zijn tijd. Daarom noemt Hij het sanhedrin de kerk, om zijn leerlingen te leren om later respect te hebben voor de heilige vergaderingen van de kerk. Maar dat zou betekenen dat elke stad en elk dorp zelf de vrijheid zou hebben om dogma’s te fabriceren.
4.8.16 –Voorbeelden
Met de voorbeelden die mijn tegenstanders gebruiken, schieten ze niets op.
Ze zeggen dat de kinderdoop niet is voortgekomen uit een duidelijk bevel van de Schrift, maar uit een besluit van de kerk. Maar het zou wel een heel ellendig toevluchtsoord zijn als we voor het verdedigen van de kinderdoop enkel onze toevlucht zouden kunnen nemen tot het gezag van de kerk. Nee, ergens anders zal duidelijk genoeg blijken dat het daarmee heel anders zit.
Mijn tegenstanders werpen ook tegen dat nergens in de Schrift staat wat op het concilie van Nicea is uitgesproken: dat de Zoon een van wezen is met de Vader. Maar daarmee doen ze de kerkvaders groot onrecht. Alsof zij Arius zomaar veroordeeld hebben, omdat hij geen trouw wilde zweren aan hun opvatting, ook al beleed hij heel de leer die de geschriften van de profeten en de apostelen bevatten! Ik geef toe dat de uitdrukking ‘een van wezen’ niet in de Schrift voorkomt. Maar wel wordt er in de Schrift heel vaak uitgesproken dat er één God is en ook wordt Christus heel vaak de echte en eeuwige God genoemd, één met de Vader. Dus als de kerkvaders van Nicea verklaren dat Christus een van wezen is met de Vader, wat doen zij dan anders dan simpelweg uitleggen wat de Schrift eigenlijk bedoelt?
En Theodoretus van Cyrrhus vertelt dat Constantijn de Grote in hun vergadering vooraf deze uitspraak deed: ‘Bij het bespreken van goddelijke zaken hebben wij de voorgeschreven leer van de Heilige Geest. De boeken van de evangeliën en de apostelen, samen met de uitspraken van de profeten, laten ons Gods bedoeling volledig zien. Daarom moeten we een eind maken aan de onenigheid en de vraagstukken beantwoorden op basis van de woorden van de Geest.’ Er ging toen niemand tegen deze heilige vermaningen in. Niemand bracht ertegen in dat de kerk zelf iets kon toevoegen, dat de Geest niet alles aan de apostelen geopenbaard had of in elk geval niet aan hun opvolgers had overgeleverd of zoiets.
Als mijn tegenstanders gelijk hebben met hun beweringen, dan was het in de eerste plaats verkeerd dat Constantijn de kerk haar macht ontnam. En in de tweede plaats was het dan een teken van ontrouw dat de bisschoppen zwegen en dat er van hen niemand opstond om de macht van de kerk te verdedigen. Maar Theodoretus vertelt dat ze graag accepteerden wat de keizer zei. Daarom staat wel vast dat dit nieuwe dogma toen nog volledig onbekend was.
Voetnoten
- 584
Pseudo-Chrysostomos, Sermonade sancto et adorandoSpiritu.
- 585
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 96,2.
- 586
Theodoretus van Cyrrhus, Historia ecclesiasticaIV, 7.
Voetnoot 584
Pseudo-Chrysostomos, Sermonade sancto et adorandoSpiritu.
Voetnoot 585
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 96,2.
Voetnoot 586
Theodoretus van Cyrrhus, Historia ecclesiasticaIV, 7.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.