Boek I · Hoofdstuk 11
Beeldendienst
Inhoud van dit hoofdstuk · 16 secties
- 1God verbiedt in de wet om Hem af te beelden
- 2Elke afbeelding doet tekort aan Gods majesteit
- 3Zichtbare tekenen van God zijn geen afbeeldingen van Hem
- 4Het is onzinnig om goden te maken uit dood materiaal
- 5Beelden kunnen ons niets leren over God
- 6De kerkvaders keurden beelden af
- 7Aan iedereen moet het Woord gepredikt worden
- 8De mens wil God kunnen zien
- 9Beelden maken leidt altijd tot afgoderij
- 10Ook de roomse beeldendienst is afgoderij
- 11Dienen of vereren is hetzelfde
- 12Niet alle beeldende kunst is verkeerd
- 13In de kerk hebben beelden geen nut
- 14Het tweede concilie van Nicea gebruikte flauwe argumenten
- 15Het tweede concilie van Nicea verdraaide de Schrift
- 16Het tweede concilie van Nicea kraamde goddeloosheid uit
God verbiedt in de wet om Hem af te beelden
Om tegemoet te komen aan de onkunde en hardleersheid van de mensen, spreekt de Schrift steeds in gewone taal. Als de Schrift de echte God wil onderscheiden van valse goden, stelt zij Hem daarom tegenover de afgoden. Niet omdat de Schrift instemt met wat de filosofen zo mooi en elegant gezegd hebben, maar om extra duidelijk te maken hoe dwaas, ja hoe waanzinnig de wereld doet. Ieder houdt vast aan zijn eigen speculaties als hij God zoekt. De exclusieve definitie van God die je overal in de Schrift tegenkomt, doet daarom alles teniet wat mensen zich naar eigen idee als god fabriceren. Want God zelf alleen is genoeg als getuige over zichzelf.
Ondertussen is heel de wereld bevangen door een mensonwaardige dwaasheid: men wil God in een zichtbare vorm hebben. Daarom hebben mensen goden gevormd uit hout, steen, goud, zilver en andere vergankelijke materialen. Maar wij moeten vasthouden aan het principe dat Gods eer wordt aangetast door een goddeloze leugen, telkens als Hem een bepaalde zichtbare vorm wordt toegedicht.
In de wet eist God voor zichzelf alleen de eer op van het God zijn. Vervolgens wil Hij leren hoe Hij wel en niet gediend wil worden. En dan voegt Hij er meteen aan toe: ‘Maak geen gesneden beeld en geen enkele afbeelding.’ Exodus 20:4 Met die woorden perkt Hij onze teugelloosheid in, om te voorkomen dat we zouden proberen Hem op een of andere manier zichtbaar af te beelden.
In het kort noemt God dan alle vormen op waarin mensen van oudsher uit bijgeloof begonnen waren zijn waarheid in leugen te veranderen. Want we weten dat de Perzen de zon aanbaden. De heidenen stelden zich voor dat er net zoveel goden waren als ze sterren aan de hemel zagen. En er was haast geen enkel dier meer dat voor de Egyptenaren niet de zichtbare vorm van een god was. Maar de Grieken leken wijzer te zijn dan de anderen, want zij dienden God in de gedaante van een mens.
Toch vergelijkt God deze afbeeldingen niet met elkaar, alsof de een minder ongepast zou zijn dan de ander. Zonder uitzondering verwerpt Hij alle beelden, schilderijen en andere tekenen waarin bijgelovigen dachten dat Hij dicht bij hen was.
Elke afbeelding doet tekort aan Gods majesteit
Dat valt gemakkelijk op te maken uit de redenen die God aan het verbod toevoegt. In de eerste plaats zegt Hij via Mozes: ‘Bedenk dat Jehova met jullie gesproken heeft in het dal van Horeb. Jullie hebben zijn stem gehoord, maar jullie hebben zijn gedaante niet gezien. Pas dus op dat jullie niet verkeerd doen en een beeld maken …’ Deuteronomium 4:15-16 We zien dat God blijkbaar zijn stem plaatst tegenover alle zichtbare vormen. Want we moeten weten dat ieder die God in een zichtbare vorm wil hebben, van Hem afwijkt.
Van alle profeten hebben we genoeg aan Jesaja, want hij laat dit het meest uitgebreid zien. Van hem kunnen we leren dat Gods majesteit geschonden wordt als we iets over Hem verzinnen. Het is onterend en absurd om Hem die geen lichaam heeft, gelijk te stellen aan fysiek materiaal. Om Hem die onzichtbaar is, gelijk te stellen aan een zichtbaar beeld. Om Hem die Geest is, gelijk te stellen aan een zielloos voorwerp. Om Hem die oneindig groot is, gelijk te stellen aan een klein stukje hout, steen of goud. Jesaja 40:18-20; 41:7; 41:29; 45:9; 46:5-7
Paulus redeneert op dezelfde manier: ‘Omdat wij van Gods geslacht zijn, moeten we niet denken dat God gelijk is aan goud of zilver of steen, knap bedacht en gesneden door een mens.’ Handelingen 17:29 Daaruit blijkt duidelijk dat God absoluut niet blij is met alle beelden die worden opgericht en alle afbeeldingen die worden geschilderd om Hem uit te beelden. Zijn majesteit wordt er door onteerd.
En het is geen wonder dat de Heilige Geest deze uitspraken als donderslagen uit de hemel neerzendt. Hij zet zelfs ellendige en blinde afgodendienaars ertoe aan een dergelijke bekentenis vanaf de aarde uit te spreken! Bij Augustinus lezen we de bekende klacht van Seneca. Die zegt: ‘De heilige, onsterfelijke en onaantastbare goden stelt men voor in alledaags en onbeduidend materiaal. Men geeft ze het uiterlijk van mensen en dieren. Sommigen stellen hen voor als wezens van gemengd geslacht of geven hen een lichaam dat is samengesteld uit verschillende soorten. En wezens die je – als ze tot leven kwamen en je ze tegenkwam – voor monsters zou aanzien, die noemen ze goden.’ Er zijn mensen die beelden verdedigen onder het voorwendsel dat die alleen voor de Joden verboden waren, omdat zij geneigd waren tot bijgeloof. Maar uit wat Paulus zegt, blijkt ook dat dit een waardeloze drogreden is. Als redenen voor zijn eis voert God zijn eeuwig wezen en de onveranderlijke orde van de natuur aan. Alsof dat maar één volk aangaat! En Paulus sprak niet eens tegen Joden, maar tegen Atheners, toen hij de dwaling weerlegde dat je God zou kunnen afbeelden.
Zichtbare tekenen van God zijn geen afbeeldingen van Hem
Soms heeft God door middel van bepaalde tekenen laten zien dat Hij met zijn goddelijke majesteit aanwezig was. Dan werd er gezegd dat je oog in oog met Hem stond. Maar alle tekenen die Hij ooit heeft laten zien, waren precies geschikt voor wat Hij ermee wilde leren. Tegelijk herinnerden ze de mensen er duidelijk aan dat God in wezen niet te begrijpen is. De wolk, de rook en het vuur waren symbolen van Gods glorie. Maar als een teugel toomden ze de mensen in, om te voorkomen dat ze zouden proberen dieper tot Hem door te dringen. Deuteronomium 4:11
Daarom heeft zelfs Mozes met zijn gebeden niet voor elkaar kunnen krijgen dat Hij God mocht zien. Ook al had God zich aan hem toch op een veel intiemere manier geopenbaard dan aan anderen. Ja, hij kreeg zelfs als antwoord dat een mens niet in staat is zo’n heldere glans te verdragen. Exodus 33:11-20
De Heilige Geest is verschenen in de gedaante van een duif. Mattheüs 3:16 Maar die verdween meteen weer. Het symbool duurde maar een ogenblik. Iedereen ziet dus dat de gelovigen hierdoor worden aangespoord om te geloven dat de Geest onzichtbaar is. Ze moeten tevreden zijn met zijn kracht en genade en niet naar een uiterlijke verschijningsvorm zoeken.
Soms is God verschenen in de gedaante van een mens. Maar dat was een voorspel op de toekomstige openbaring van Christus. Daarom mochten de Joden dit absoluut niet als voorwendsel gebruiken om een beeld van een mens op te richten als symbool voor God.
Onder de wet liet God vanaf het verzoendeksel zien dat Hij met zijn macht aanwezig was. Ook dat was zo gemaakt dat het aangaf dat je God het beste kunt zien als je hart vol bewondering boven zichzelf uitgetild wordt. Want het verzoendeksel werd bedekt door de uitgespreide vleugels van de cherubs. Het ging schuil achter het voorhangsel. Het zat verstopt op een goed verborgen plek. Exodus 25:17-21 Dat maakt toch wel heel duidelijk dat je heel dwaas bezig bent als je afbeeldingen van God en van de heiligen probeert goed te praten door te wijzen op het voorbeeld van de cherubs. Want nu vraag ik je: wat betekenden die beeldjes van de cherubs? Toch alleen maar dat beelden niet geschikt zijn om Gods mysteries weer te geven? Want ze waren zo vormgegeven dat hun vleugels het verzoendeksel bedekten. Daarmee weerhielden ze de mensen er niet alleen van om met hun ogen God te zien, maar ook om Hem op een andere manier zintuiglijk waar te nemen. Zo wezen ze de mensen terecht in hun roekeloosheid.
Daar komt nog bij dat de profeten de serafs, die zij in een visioen te zien kregen, voor ons beschrijven met bedekt gelaat. Jesaja 6:2 Dat betekent dat Gods glorie zo helder glanst dat ook de engelen die niet rechtstreeks mogen zien. En de kleine vonken van die glans die in de engelen schitteren, worden voor onze ogen afgeschermd.
Trouwens, de cherubs over wie ik het nu heb, hoorden bij het oude onderwijs van de wet. Dat erkent iedereen die juist oordeelt. Daarom is het absurd om hen aan te halen als een voorbeeld voor onze tijd. Want die kindertijd – zeg maar – waarvoor dat basisonderwijs bestemd was, is voorbij. Galaten 4:3
We moeten ons er dan ook voor schamen dat heidense schrijvers de wet van God beter uitleggen dan de pausgezinden. Juvenalis verwijt de Joden spottend dat ze de ijle wolken en de goddelijke majesteit van de hemel aanbidden. Dat is natuurlijk onjuist en goddeloos. Maar hij zegt dat de Joden geen afbeelding van God hadden. En dat is meer in overeenstemming met de waarheid dan wat de pausgezinden kletsen. Want die beweren dat er wel een of andere zichtbare afbeelding van God is geweest.
Nu zijn de Joden keer op keer driftig bezig geweest om afgoden voor zichzelf te zoeken, zoals water met enorme kracht opborrelt uit een bron. Maar laten we daaruit vooral leren hoe sterk ons verstand geneigd is tot afgoderij. We zijn daar allemaal schuldig aan. Laten we dat dus niet afschuiven op de Joden, want dan laten we ons door de loze verleidingen van de zonde in een dodelijke slaap sussen.
Het is onzinnig om goden te maken uit dood materiaal
Hier wordt hetzelfde bedoeld: ‘De afgoden van de heidenen zijn van zilver en goud, door mensenhanden gemaakt.’ Psalm 115:4; 135:15 Uit het materiaal maakt de profeet op dat het geen echte goden zijn, als hun beeld gemaakt is van goud of zilver. Hij vindt het vanzelfsprekend dat alles wat we zelf over God bedenken dwaze fantasie is. Hij noemt goud en zilver in plaats van klei of steen, om te voorkomen dat we afgodsbeelden zouden eerbiedigen om de glans of de waarde ervan. Maar zijn algemene conclusie is dat het heel onwaarschijnlijk is dat uit dood materiaal goden gefabriceerd kunnen worden.
Ondertussen wijst hij niet minder dringend op iets anders: stervelingen verheffen zich wel erg waanzinnig en roekeloos. Het is elk moment weer de vraag of ze nog adem kunnen halen. Toch wagen ze het om Gods eer aan afgoden te geven. De mens moet toegeven dat hij een vergankelijk wezen is en toch wil hij dat het metaal waar Hij een god van gemaakt heeft als God beschouwd wordt. Want hoe zijn afgoden anders ontstaan, dan omdat mensen dat wilden?
De heidense dichter Horatius 1spot volkomen terecht:
Vroeger was ik de tronk van een vijgenboom, nutteloos brandhout. Maar toen de timmerman zich afvroeg of hij een bankje zou maken … had hij liever dat ik een God was.
Stel je voor: een aards mensje, dat elk ogenblik z’n laatste adem kan uitblazen, geeft met zijn kunst de eer van God aan een dood blok hout. Maar deze dichter was een epicureeër. Hij dreef er de spot mee omdat hij helemaal niets om godsdienst gaf. Daarom zullen we zijn woorden en die van anderen zoals hij laten voor wat ze zijn. Maar wat ons wel moet steken, ja doorboren, is het verwijt van de profeet Jesaja. Die zegt dat het wel heel waanzinnig is als je van hetzelfde hout een vuur stookt om brood te bakken, vlees te braden of te koken en een god maakt om voor te knielen om hem te aanbidden. Jesaja 44:12-17 Daarom beschuldigt hij op een andere plaats mensen die dit doen er niet alleen van dat ze zich niet aan de wet houden. Hij verwijt hun ook dat ze niets geleerd hebben van de fundamenten van de aarde. Jesaja 40:21 Want er is vast en zeker niets zo ongepast als God, die oneindig en onbegrijpelijk is, te willen beperken tot een omvang van anderhalve meter. Toch is deze monsterlijke manier van doen heel gebruikelijk. Daaruit blijkt dat mensen er van nature toe geneigd zijn.
Verder moeten we weten dat in de Schrift heel vaak van de afgoden wordt gezegd dat ze gemaakt zijn door mensenhanden en dat ze het gezag van God missen. Jesaja 2:8; 31:7; 37:19; Hosea 14:4; Micha 5:12 Daarom staat vast dat alle godsdiensten die mensen zelf bedenken, verwerpelijk zijn. De profeet laat deze waanzin nog beter uitkomen in Psalm 115. De mensen hebben het inzicht gekregen om te weten dat Gods kracht alles in beweging houdt. Toch vragen ze hulp van dingen die dood zijn en niets horen of zien. De menselijke aard is zo bedorven dat alle volken en ieder mens afzonderlijk tot zo’n grote waanzin wordt gedreven. Daarom slingert de Geest ten slotte deze vreselijke bliksem neer om hen te vervloeken: ‘Laat wie hen maken aan hen gelijk worden, allen die op hen vertrouwen.’ Psalm 115:8
We moeten echter wel bedenken dat elke gewone afbeelding evengoed verboden is als een gesneden beeld. Daarmee wordt de dwaze voorzichtigheid van de Griekse christenen afgewezen. Zij denken dat ze er mooi vanaf komen, omdat ze God niet afbeelden in beeldhouwwerk. Maar als het om schilderijen gaat, gaan ze zich nog verder te buiten dan enig ander volk. Maar de Heer verbiedt niet alleen de beeldhouwer om een beeld van Hem te maken. Hij verbiedt elke kunstenaar om Hem af te beelden. Want op die manier wordt Hij verkeerd voorgesteld en wordt zijn majesteit geschonden.
Beelden kunnen ons niets leren over God
Ik weet wel dat het een algemeen bekend gezegde is dat beelden ‘boeken voor de leken’ zijn. Gregorius de Grote heeft dat gezegd. Maar Gods Geest verkondigt iets heel anders. En als Gregorius op dit punt bij Hem in de leer was geweest, had hij deze uitspraak nooit gedaan.
Jeremia verkondigt dat je van hout alleen onzin kunt leren. Jeremia 10:8 Habakuk verklaart dat een gegoten beeld een leugenaar is. Habakuk 2:18 Daar moeten we dus de algemene regel uit afleiden dat alles wat mensen over God leren uit beelden nutteloos, ja zelfs gelogen is. Nu kun je daartegen inbrengen dat de profeten alleen mensen bestraffen die beelden misbruiken voor goddeloos bijgeloof. Dat geef ik toe. Maar ik voeg eraan toe dat het voor iedereen duidelijk is dat de profeten totaal veroordelen dat beelden zouden functioneren als leerboeken. Terwijl dat de vooronderstelling is van de pausgezinden. De profeten plaatsen de beelden tegenover de echte God. Zij zien tussen God en beelden een onoverbrugbare tegenstelling.
In de passages die ik daarnet aanhaalde, wordt volgens mij namelijk deze tegenstelling gemaakt: er is één echte God, die door de Joden gediend werd. Als je zichtbare vormen bedenkt die God moeten voorstellen, dan zijn die vormen verkeerd en leugenachtig. Wie uit die beelden kennis over God probeert te krijgen, wordt jammerlijk misleid.
Kortom, als het niet zo was dat de kennis over God die mensen uit beelden proberen te krijgen leugenachtig en vals is, dan zouden de profeten dit niet zo algemeen veroordelen. Ik houd in elk geval vol: als ik verklaar dat het nutteloos en leugenachtig is als mensen God proberen voor te stellen door beelden, dan herhaal ik daarmee gewoon woord voor woord wat de profeten verklaard hebben.
De kerkvaders keurden beelden af
Lees anders maar eens wat Lactantius en Eusebius hierover geschreven hebben. Zij aarzelen niet om aan te nemen dat je alleen maar beelden ziet van stervelingen. Ook Augustinus spreekt vrijmoedig uit dat het niet pas zonde is als je beelden aanbidt. Het is ook al zonde om ze voor God op te richten. Toch zegt hij daarmee niets anders dan wat vele jaren eerder besloten was op het concilie van Elvira (305). Artikel 36 van de besluiten van dat concilie luidt: ‘Besloten is dat er in kerken geen schilderijen mogen zijn. Niets wat we vereren of aanbidden mag op de muren geschilderd worden.’
Maar interessanter is dat dezelfde Augustinus ergens anders een citaat aanhaalt uit Varro – een citaat dat hij onderschrijft: degenen die als eerste godenbeelden hebben ingevoerd, hebben de vrees weggenomen en de dwaling vergroot. Als alleen Varro dit zei, zou het misschien weinig gezag hebben. Maar toch zouden we ons ervoor moeten schamen dat een heiden in het donker op de tast dit licht gevonden heeft. Dat hij tot het inzicht gekomen is dat fysieke afbeeldingen geen recht doen aan Gods majesteit, omdat de mensen daardoor God minder gaan vrezen en meer gaan dwalen.
De feiten tonen aan dat deze uitspraak even waar als verstandig was. Augustinus heeft hem dus van Varro overgenomen, maar hij gebruikt hem alsof het zijn eigen mening is. En hij wijst er in de eerste plaats op dat de dwalingen over God, waarin de mensen terechtgekomen zijn, niet zijn begonnen bij de beelden. De dwalingen zijn door de beelden alleen maar toegenomen, omdat de mensen daardoor extra aanleiding hadden om te dwalen. In de tweede plaats legt Augustinus uit dat de mensen daardoor God minder of zelfs helemaal niet meer vreesden. Want beelden zijn zo dwaas en hun vorm is zo ongeschikt en absurd, dat Gods majesteit daarin gemakkelijk kan worden geminacht. Ach, ervoeren wij maar niet hoe waar dat tweede punt is!
Ieder die goed onderwijs wil krijgen, moet dus uit iets anders leren wat hij over God moet weten en niet uit beelden.
Aan iedereen moet het Woord gepredikt worden
Daarom moeten de pausgezinden, als ze nog een beetje schaamtegevoel hebben, voortaan niet meer hun toevlucht nemen tot de bewering dat beelden ‘boeken voor de leken’ zijn. Want dat wordt door verschillende bewijzen uit de Schrift duidelijk weerlegd. Maar zelfs al zou ik hun hierin gelijk geven, dan nog zou hen dat weinig helpen om hun afgoden te beschermen.
Het is bekend wat voor monsterlijke dingen ze mensen opdringen in plaats van God. Want wat zijn hun schilderijen en heiligenbeelden anders dan voorbeelden van hun verdorven wellust en onzedelijkheid? Als iemand zich zo zou uitdossen, zou hij een pak slaag verdienen. Werkelijk, in bordelen zien hoeren er nog kuiser en zediger uit dan wat zij in kerken voor afbeeldingen van maagden willen laten doorgaan! En martelaren laten ze net zo onbetamelijk gekleed gaan. Ze mogen hun afgoden dus op z’n minst wel wat kuisheid meegeven. Dan kunnen ze iets ingetogener hun leugen vertellen dat zij boeken zijn over een of andere heiligheid.
Maar ook dan zullen we antwoorden dat de gelovigen op de heilige plaatsen niet op deze manier onderwezen moeten worden. Want God wil dat daar een heel ander onderwijs gegeven wordt dan deze rommel. Hij heeft bevolen dat daar zijn Woord gepredikt en de heilige sacramenten bediend moeten worden. Daarin moet aan iedereen dezelfde leer geleerd worden. Maar als je je ogen laat ronddwalen om naar beelden te kijken, dan verraad je daarmee dat je te weinig je best doet om naar die leer te luisteren.
Wie noemen de pausgezinden dan leken die zo weinig onderwijs gehad hebben dat ze alleen door beelden onderwezen kunnen worden? Nu net degenen die de Heer erkent als zijn leerlingen! Juist hen keurt Hij de openbaring van zijn hemelse wijsheid waard. Juist aan hen moeten de reddende mysteries van zijn koninkrijk onderwezen worden.
Ik geef toe dat – zoals de zaken er nu voorstaan – er velen zijn die niet zonder ‘boeken voor de leken’ kunnen. Maar dan vraag ik: hoe komt het dat ze zo dom zijn? Toch alleen maar doordat hun de enige leer onthouden wordt, waarmee ze gevormd kunnen worden? De kerkleiders hebben immers de onderwijstaak alleen maar aan beelden overgelaten omdat ze zelf stom waren. Paulus getuigt dat Christus door de ware prediking van het evangelie geschilderd en als het ware voor de ogen van de hoorders gekruisigd wordt. Galaten 3:1 Wat heeft het dan voor nut dat er overal in de kerken zoveel kruisen opgericht zijn? Houten kruisen, stenen kruisen, zilveren kruisen en gouden kruisen. Als de mensen alleen maar goed en trouw werd ingeprent dat Christus gestorven is om aan het kruis onze vloek te dragen, Galaten 3:13 om voor onze zonden te boeten door zijn lichaam te offeren, Hebreeën 10:10 om ze met zijn bloed af te wassen Openbaring 1:5 en ons ten slotte met God de Vader te verzoenen! Romeinen 5:10 Daaruit alleen al hadden ze meer kunnen leren dan uit duizend houten of stenen kruisen. Wat betreft gouden en zilveren kruisen: waarschijnlijk hechten mensen daar uit hebzucht hun hart en ogen nog sterker aan dan aan welk woord van God ook.
De mens wil God kunnen zien
Dan het ontstaan van afgodsbeelden. Bijna iedereen stemt in met wat daarover geschreven staat in het boek Wijsheid: ze zijn uitgevonden door mensen die de doden eerden door hen op een bijgelovige manier te blijven herdenken. Wijsheid 14:15-16 En inderdaad, ik geef toe dat deze slechte gewoonte heel oud is. En ik ontken niet dat dit een fakkel geweest is waardoor mensen in een nog driftiger beeldendienst ontbrand zijn. Maar ik ben het er toch niet mee eens dat dit de eerste bron van het kwaad geweest is.
Heidense schrijvers vertellen regelmatig over de hang naar het wijden van beelden van de doden. Maar uit wat Mozes zegt, blijkt duidelijk dat daarvóór ook al afgodsbeelden in gebruik waren. Hij vertelt dat Rachel de afgodsbeelden van haar vader gestolen had. Genesis 31:19 En dan spreekt hij daarover alsof het om een wijd verbreid kwaad ging. Daaruit kunnen we opmaken dat het verstand van de mens bij wijze van spreken een werkplaats is waar voortdurend afgoden gemaakt worden.
Na de zondvloed was de wereld op een bepaalde manier opnieuw geboren. Toch gaan er niet veel jaren voorbij of de mensen maken zich goden naar eigen goeddunken. En het is aannemelijk dat nog tijdens het leven van de heilige aartsvader Noach zijn kleinzonen zich overgaven aan beeldendienst. Tot zijn grote verdriet zag hij hoe de aarde met afgoden besmet werd. De aarde, die God kort daarvoor nog met zo’n vreselijk oordeel gereinigd had van het bederf. Want Jozua getuigt dat Terah en Nahor al valse goden dienden voordat Abraham geboren werd. Jozua 24:2 En als het nageslacht van Sem zo snel is afgedwaald, wat kunnen we dan verwachten van de afstammelingen van Cham? In hun vader waren zij al lang daarvóór vervloekt.
Jazeker, zo is het. De mens zit vol trots en brutaliteit. Daarom durft hij zich God voor te stellen naar zijn eigen bevattingsvermogen. Maar hij gaat gebukt onder domheid, ja hij is bedolven onder een enorme onwetendheid. Daarom bedenkt hij alleen maar onzin. Hij stelt een loze hersenschim in de plaats van God. Bij deze misdaden komt dan nog een extra zonde: de mens probeert de God die hij bedacht heeft uit te drukken in iets wat hij zelf maakt. Dus de geest verwekt het afgodsbeeld en de hand baart het.
Beeldendienst is dus ontstaan omdat de mensen alleen maar kunnen geloven dat God bij hen is als Hij laat zien dat hij lichamelijk aanwezig is. Dat blijkt duidelijk uit het voorbeeld van de Israëlieten. ‘We weten niet,’ zeiden ze, ‘wat er met die Mozes gebeurd is. Maak goden voor ons die voor ons uitgaan.’ Exodus 32:1 Ze wisten best dat er een God was. Ze hadden zijn kracht in vele wonderen ervaren. Maar ze durfden er niet op vertrouwen dat Hij bij hen was, als ze niet met eigen ogen een fysiek symbool van zijn uiterlijk zagen, als bewijs dat God hun gids was onderweg.
Elke dag leren we uit ervaring dat het vlees geen rust vindt tot het iets verzonnen heeft dat op hem lijkt. In dat verzinsel vindt het dan een lege troost, alsof het een beeld van God was. Om aan deze blinde begeerte toe te geven, hebben mensen sinds de schepping van de wereld vrijwel alle eeuwen door symbolen opgericht, waarvan ze geloofden dat God daarin voor hun ogen lichamelijk aanwezig was.
Beelden maken leidt altijd tot afgoderij
Zo’n verzinsel leidt meteen tot aanbidding. Want omdat mensen dachten dat ze in beelden God zagen, hebben ze Hem daarin ook vereerd. Uiteindelijk raakten ze met hart en ogen zo aan beelden gehecht, dat ze nog dwazer werden en beelden vol verbazing gingen bewonderen. Alsof er iets goddelijks in de die beelden zat!
Nu staat vast dat mensen pas beelden gaan dienen als ze al een of ander dwaas idee hebben. Niet dat ze echt denken dat die beelden goden zijn. Maar ze beelden zich in dat er een of andere goddelijke kracht in huist. Daarom heeft bijgeloof je betoverd zodra je je vol eerbied neerwerpt voor een beeld, of dat beeld nu God of een schepsel voorstelt. Dat is de reden dat de Heer niet alleen verboden heeft om beelden op te richten die gemaakt zijn om Hem te verbeelden. Hij heeft ook verboden inscripties en stenen te heiligen, omdat dat zou uitnodigen om die te aanbidden. Exodus 20:25 Om dezelfde reden is aan het tweede gebod van de wet nog een extra gedeelte toegevoegd over het aanbidden. Exodus 20:5 Want zodra je God in een zichtbare vorm afgebeeld hebt, verbind je daar ook zijn kracht aan. Zo dom zijn mensen dat ze God opsluiten in een beeld dat ze van Hem gemaakt hebben. Dus kan het niet anders of ze aanbidden Hem ook in dat beeld. En dan maakt het niet uit of ze alleen het beeld eren of dat ze in dat beeld God eren. Als je aan een beeld goddelijke eer bewijst, dan is dat altijd beeldendienst, onder welk voorwendsel je het ook doet. En omdat God niet vereerd wil worden als een afgod, is alles wat je aan beelden schenkt van Hem geroofd.
Degenen die de vervloekte beeldendienst willen verdedigen, moeten dit maar eens goed tot zich laten doordringen. Vele eeuwen geleden is de ware godsdienst weggezonken in beeldendienst en daardoor kapot gemaakt. Nu proberen ze armzalige voorwendsels te vinden om dat goed te praten. Ze beweren dat de beelden niet gezien worden als goden.
Maar ook de Joden waren niet zo onnadenkend dat ze zich niet herinnerden dat ze door Gods hand uit Egypte waren geleid. Toch maakten ze het gouden kalf. En toen Aäron zei dat dat de goden waren die hen uit het land Egypte bevrijd hadden, stemden ze daar zonder aarzeling mee in. Exodus 32:4-8 Daaruit blijkt duidelijk dat ze de God die hen bevrijd had, wilden houden. Als ze Hem dan maar wel voor zich uit konden zien gaan in het kalf.
Ook moeten we maar niet geloven dat de heidenen zo dom geweest zijn dat ze niet gegrepen dat God iets anders is dan hout of steen. Want als ze wilden, namen ze andere beelden, maar toch hielden ze steeds dezelfde goden in gedachten. Bovendien hadden ze veel beelden voor dezelfde god en toch stelden ze zich niet verschillende goden voor, zoveel goden als ze beelden hadden. En ze wijdden elke dag nieuwe beelden, maar ze dachten niet dat ze nieuwe goden maakten.
Lees maar eens welke excuses beeldendienaars volgens Augustinus in zijn tijd als voorwendsel gebruikten. Als eenvoudige mensen beschuldigd werden, antwoordden ze dat ze niet dat zichtbare ding vereerden, maar God die daar onzichtbaar in woonde. Maar mensen die – zoals Augustinus zegt – een zuiverder godsdienst hadden, zeiden dat ze geen beeld vereerden en ook geen demon, maar dat ze in een beeld een teken zagen van wat ze moesten vereren.
Hoe zit het dus? Alle beeldendienaars, zowel Joden als heidenen, hebben altijd dezelfde motivatie gehad, zoals ik heb uitgelegd. Ze waren er niet tevreden mee om God alleen geestelijk te kennen. Ze dachten dat ze uit beelden God zekerder en persoonlijker konden leren kennen. En toen die namaak van God hun eenmaal beviel, was het hek van de dam. Ze lieten zich door steeds weer nieuwe goocheltrucs bedriegen. Uiteindelijk meenden ze dat God zijn kracht uitte in beelden. Maar ondanks dat waren de Joden ervan overtuigd dat ze in dergelijke beelden de eeuwige God dienden, de enige en echte Heer van hemel en aarde. En ook de heidenen wisten zeker dat ze hun – weliswaar valse – goden dienden, die volgens hen in de hemel woonden.
Ook de roomse beeldendienst is afgoderij
De mensen die ontkennen dat het vroeger zo ging en dat het ook nu nog zo gaat, liegen onbeschaamd. Waarom knielen ze dan neer voor beelden? Waarom keren ze zich dan tot beelden als ze gaan bidden, alsof dat Gods oren zijn? Wat Augustinus zegt, klopt: niemand kan tijdens het bidden op die manier naar een beeld kijken zonder dat hij gaat denken dat hij door het beeld verhoord wordt of dat het beeld hem geeft waar hij op hoopt.
Waarom maken ze zo’n groot onderscheid tussen beelden van dezelfde God? Het ene beeld negeren ze, of ze vereren het maar heel eenvoudig. Maar aan een ander beeld brengen ze alle mogelijke eerbewijzen. Waarom matten ze zichzelf af door bedevaarten te maken om bepaalde beelden te bezoeken? Ze hebben net zulke beelden in hun eigen huis!
Waarom strijden ze tegenwoordig zo voor de beelden? Ze doen net alsof het om hun huis en haard gaat en zijn zelfs bereid tot moorddadige slachtpartijen. Het lijkt wel of ze het nog gemakkelijker konden verdragen als ze beroofd werden van de enige God dan van hun beelden!
En nu som ik nog niet eens de grove dwalingen op van de grote massa. Die zijn bijna niet te tellen. Vrijwel iedereen wordt erdoor in beslag genomen. Maar ik noem alleen maar wat ze zelf verklaren als ze zich volledig willen vrijpleiten van de beschuldiging dat ze beelden dienen. ‘We noemen beelden niet onze goden,’ zeggen ze. Dat deden de Joden of de heidenen vroeger ook niet. Toch bleven de profeten hun steeds maar weer verwijten dat ze ontucht pleegden met hout en steen. Terwijl ze niets anders deden dan de mensen die nu als christenen beschouwd willen worden. Ze vereerden God belichaamd in hout en steen.
Dienen of vereren is hetzelfde
Nu weet ik heel goed dat de pausgezinden zich er proberen uit te praten door een spitsvondig onderscheid te maken. Ik mag dat niet verzwijgen en ik zal er later uitgebreid op ingaan. Ze beweren namelijk dat hun dienst aan beelden alleen idolodulia – ‘beeldendienst’ – is en geen idololatria – ‘beeldenverering’. Dat zeggen ze namelijk als ze uitleggen dat je met wat zij dulia noemen, beelden en schilderijen kunt dienen zonder dat je God daarmee onrecht doet. Dus denken ze dat ze onschuldig zijn als ze beelden alleen maar dienen en niet vereren. Alsof vereren niet veel gemakkelijker is dan dienen!
Ze proberen zich dus te verschuilen achter een Grieks woord. Maar toch spreken ze zichzelf daarmee op een kinderlijke manier tegen. Want het woord latreuein betekent in het Grieks hetzelfde als dienen. Door dat woord te gebruiken, is het net alsof ze zeggen dat ze beelden wel dienen, maar zonder ze te dienen. En dan moeten ze míj niet voor de voeten werpen dat ik hen op een woord probeer te vangen! Ze proberen de ogen van eenvoudigen te verduisteren, maar ze verraden alleen maar hun eigen onwetendheid. Hoe welbespraakt ze ook zijn, het zal hun nooit lukken om mij te bewijzen dat hetzelfde ding eigenlijk twee verschillende dingen zijn.
Als ze niet gelijkgesteld willen worden aan de beeldendienaars van vroeger, vind ik dat ze eerst maar eens moeten aantonen dat er een inhoudelijk verschil is. Als je overspel gepleegd hebt of als je iemand gedood hebt, ontkom je er ook niet aan dat je in staat van beschuldiging gesteld wordt door je misdaad een andere naam te geven. Daarom zou het absurd zijn als deze mensen werden vrijgesproken omdat ze zo creatief geweest zijn om een andere naam te verzinnen. Dan moeten ze ook inhoudelijk verschillen van de beeldendienaars van vroeger. Want die moeten ze ook zelf veroordelen.
Maar ze kunnen hun zaak absoluut niet scheiden van die van de beeldendienaars van vroeger. Het probleem is juist dat ze met hen een wedstrijd aangegaan zijn wie het meeste kwaad kon doen. Want ze stellen zich God voor in symbolen die ze met hun verstand uitdenken en met hun handen maken.
Niet alle beeldende kunst is verkeerd
Toch neemt dit bijgeloof mij niet zo in beslag dat ik zou vinden dat we helemaal geen beelden mogen toelaten. De beeldhouwkunst en de schilderkunst zijn gaven van God. Maar daarom wil ik wel dat die beiden zuiver en op de juiste manier gebruikt worden. God heeft ze ons gegeven om Hem ermee te eren en voor ons welzijn. Ik wil daarom niet dat ze besmet worden door misbruik. Ik wil niet dat ze gebruikt worden om ons te bederven.
God in een zichtbare vorm afbeelden is volgens mij niet toegestaan. Hij heeft het zelf verboden. En het kan niet zonder zijn eer te ontheiligen. De beeldendienaars moeten niet denken dat ik met deze mening alleen sta. Als ze thuis zijn in de geschriften van gezonde schrijvers, zullen ze merken dat die het altijd allemaal afgekeurd hebben.
Als het zelfs niet toegestaan is God lichamelijk af te beelden, dan mag je zo’n afbeelding, of in die afbeelding God zelf, al helemaal niet dienen. Om te schilderen of te beeldhouwen blijven dus alleen die dingen over die je met de ogen kunt zien. Gods majesteit gaat de dingen die je met de ogen kunt waarnemen ver te boven. Die mag je dus niet met ongepaste vormen onteren.
Tot de dingen die wel afgebeeld mogen worden, horen aan de ene kant verhalen en gebeurtenissen. En aan de andere kant beelden en vormen van lichamen, zonder verwijzing naar bepaalde gebeurtenissen. De eerste categorie kan nuttig zijn bij het onderwijzen en vermanen. Ik zie niet in wat je aan de tweede categorie kunt hebben, behalve dan dat je ervan kunt genieten.
Toch staat vast dat bijna alle afbeeldingen die tot nu toe in kerkgebouwen tentoongesteld zijn tot die tweede categorie behoord hebben. Daaruit kun je opmaken dat ze daar niet zijn opgericht omdat daar goed over is nagedacht, maar uit een dwaze, onnadenkende begeerte. Ik zwijg er maar over hoe verkeerd en ongepast de meeste van die afbeeldingen gemaakt zijn en hoe bandeloos de schilders en beeldhouwers hun lusten daarin hebben botgevierd. Daarover heb ik het kort hiervóór al gehad. Nu zeg ik alleen dat ze geen enkel nut hebben voor het onderwijs, zelfs al zou er niets mis mee zijn.
In de kerk hebben beelden geen nut
Maar we laten dat onderscheid nu maar los. Laten we nu eerst even bekijken of het sowieso wel nut heeft om in christelijke kerken afbeeldingen te hebben. Of het nu afbeeldingen zijn van gebeurtenissen of van menselijke lichamen.
Als we enige waarde hechten aan het gezag van de vroege kerk, dan moeten we om te beginnen bedenken dat de kerken ongeveer vijfhonderd jaar lang allemaal zonder beelden geweest zijn. En in die jaren bloeide de godsdienst meer dan nu en ook de gezonde leer floreerde. Beelden zijn dus pas in gebruik genomen om kerken te versieren toen de bediening niet meer zo zuiver was als eerst. Ik zal nu niet bespreken of degenen die de eerste aanzet hiertoe gegeven hebben daar ook een reden voor hadden. Als je de tijden met elkaar vergelijkt, zie je wel dat ze ver afgeweken waren. Ze waren veel minder zuiver dan degenen die geen beelden hadden.
Wat betekent dat? Zouden de heilige kerkvaders toegestaan hebben dat de kerk het zo lang zonder beelden moest stellen, als ze die nuttig en opbouwend hadden gevonden? Natuurlijk niet. Ze zagen ongetwijfeld dat beelden weinig of geen nut hadden, maar wel een groot gevaar vormden. Daarom hebben ze beelden juist weloverwogen en goed beredeneerd afgewezen. Ze hebben niet uit onwetendheid of laksheid verzuimd om beelden te gebruiken.
Ook Augustinus verklaart dit in duidelijke bewoordingen. Hij zegt: ‘Beelden worden op een eervolle en verheven plek neergezet, om de aandacht te trekken van de mensen die bidden en offeren. Ze hebben geen zinnen en geen ziel. Maar ze zien er zo levensecht uit, dat ze bij ontvankelijke mensen de indruk wekken dat ze leven en ademen …’ En ergens anders zegt hij: ‘Want omdat ze er zo levensecht uitzien, denken mensen gemakkelijk dat dat lichaam, dat er net zo uitziet als hun eigen lichaam, ook een ziel heeft …’ En even later zegt hij: ‘Omdat beelden een mond, ogen, oren en voeten hebben, zijn beelden wel in staat om ellendige mensen ván het rechte pad te brengen. Maar omdat ze niet praten, niet zien, niet horen en niet lopen, kunnen ze hen niet óp het rechte pad brengen.’
Dit is vast de reden waarom Johannes wilde dat we niet alleen zouden oppassen voor afgodendienst, maar ook voor de afgoden zelf. 1 Johannes 5:21 Een afschuwelijke waanzin heeft de wereld bevangen tot nu toe. De vroomheid is daardoor bijna volledig ondergegaan. We hebben maar al te goed ervaren dat zodra er in kerken beelden geplaatst worden, als het ware het vaandel van de beeldendienst wordt opgestoken. Want in hun dwaasheid kunnen mensen er niet van weerhouden worden om die beelden meteen bijgelovig te gaan vereren.
Maar ook al zou er niet zo’n groot gevaar dreigen – als je bedenkt waar kerken voor bestemd zijn, dan vind ik toch dat het op een of andere manier hun heiligheid onwaardig is, als ze andere beelden krijgen dan de levende symbolen die God in zijn Woord geheiligd heeft. Ik bedoel de doop en het avondmaal van de Heer en de andere rituelen. Die moeten onze ogen zo in beslag nemen en ons zo aangrijpen dat we niet langer op zoek gaan naar andere beelden die door mensen bedacht en gemaakt zijn.
Zie je nu hoe weergaloos nuttig beelden zijn? Daar kan niets tegenop, als je de pausgezinden wilt geloven!
Het tweede concilie van Nicea gebruikte flauwe argumenten
Ik vind dat ik hier nu genoeg over gezegd heb. Maar het concilie van Nicea houdt mij nog even op. Ik bedoel niet dat beroemde concilie dat Constantijn de Grote bijeengeroepen heeft, maar het concilie dat achthonderd jaar geleden (787) gehouden is op bevel en onder toezicht van keizerin Irene. Want dat concilie heeft besloten dat kerken niet alleen beelden moesten hebben, maar ook dat die beelden aanbeden moesten worden. Dus het gezag van dat concilie zou een groot vooroordeel kunnen opleveren tegen wat ik zeg.
Maar om de waarheid te zeggen: daar laat ik me niet heel erg door leiden. Ik hoop vooral dat de lezers zullen ontdekken hoever de waanzin ging van de mensen, in hun hartstochtelijke liefde voor beelden. Een voor christenen ongepaste liefde.
Maar laten we dit nu maar snel afhandelen. Degenen die tegenwoordig het gebruik van beelden verdedigen, beroepen zich op dat concilie. Nu bestaat er een geschrift op naam van Karel de Grote waarin bezwaren tegen dat concilie worden ingebracht. Naar taal en stijl te oordelen, mogen we aannemen dat het in die tijd geschreven is. In dat boek wordt verteld hoe de bisschoppen die dat concilie hebben bijgewoond, hun mening gegeven hebben en welke argumenten ze gebruikten in de discussie.
Johannes, de afgevaardigde van de Oosterse kerken, zei het zo: ‘God schiep de mens naar zijn beeld.’ Genesis 1:27 Daaruit concludeerde hij dat we dus beelden moeten hebben. Dezelfde afgevaardigde vond ook dat beelden ons worden aanbevolen door deze uitspraak: ‘Laat mij je gezicht zien, want het is zo mooi.’ Hooglied 2:14
Een ander haalde, om te bewijzen dat er beelden op de altaren geplaatst moeten worden, deze tekst aan: ‘Niemand steekt een lamp aan en zet die onder de korenmaat.’ Mattheüs 5:15 Weer een ander voerde, om aan te tonen dat het nuttig voor ons is om naar beelden te kijken, dit vers uit Psalm 4 aan: ‘HEER, het licht van uw gelaat is voor ons getekend.’ Psalm 4:7 Nog een ander kwam met de volgende vergelijking: de aartsvaders gebruikten net als de heidenen offers. Daarom moeten de christenen beelden hebben van de heiligen, zoals de heidenen hun afgoden hebben. En voor dat doel verdraaiden ze ook de woorden: ‘HEER, hoe lief heb ik de versiering van uw huis.’ Psalm 26:8
Maar wel heel creatief was deze uitleg: ‘Wat we gehoord hebben, dat hebben we ook gezien.’ 1 Johannes 1:1 We kennen God dus niet alleen doordat we het Woord horen. We kennen Hem ook doordat we de beelden zien. Net zo intelligent was ook de argumentatie van Theodorus. Die zegt: ‘God is ontzagwekkend in zijn heiligen.’ Psalm 68:36 En ergens anders staat: ‘De heiligen die op de aarde zijn.’ Psalm 16:3 Dus dat moet wel slaan op de beelden.
Kortom, dit is allemaal zo flauw, dat het me tegenstaat om het te vermelden.
Het tweede concilie van Nicea verdraaide de Schrift
Als ze het hebben over het aanbidden, komen ze met de aanbidding van de farao, Genesis 47:10 de staf van Jozef Hebreeën 11:21 en het gedenkteken dat Jacob opgericht heeft. Genesis 28:18 Wat betreft dat laatste verdraaien ze niet alleen de betekenis van de Schrift. Ze nemen ook hun toevlucht tot iets dat er helemaal niet staat.
Verder vinden ze dit heel sterke en geschikte bewijzen: ‘Buig je neer voor de voetbank van zijn voeten,’ Psalm 99:5 en: ‘Buig je neer voor zijn heilige berg,’ Psalm 99:9 en: ‘Alle rijken onder het volk zullen uw gelaat aanbidden.’ Psalm 45:13
Als iemand de voorstanders van beelden zou willen bespotten door hen een komische rol te laten spelen, zou hij dan grotere dwaasheden kunnen bedenken? En om de laatste twijfel weg te nemen, verzekert Theodosius, de bisschop van Mira, dat beelden aanbeden moeten worden op grond van de dromen van zijn aartsdiaken. Hij doet dat zo serieus, alsof het om een hemelse openbaring ging.
Laat de voorstanders van beelden nu maar proberen om ons in het nauw te drijven met het besluit van dit concilie. Alsof die eerwaarde vaders zichzelf niet volstrekt ongeloofwaardig gemaakt hebben door zo kinderachtig met de Schrift om te gaan, of door de Schrift zo goddeloos en schandelijk te verminken!
Het tweede concilie van Nicea kraamde goddeloosheid uit
Ik kom nu toe aan de monsterlijke goddeloosheid. Je staat er toch versteld van dat ze dat allemaal hebben durven uitkramen. Maar dat daar niet heftig tegen geprotesteerd is, daar sta je toch dubbel versteld van! Het is maar goed dat deze schandelijke dwaasheid nu aan de kaak gesteld wordt, om de beeldendienst te ontdoen van de valse schijn van ouderdom, die de pausgezinden eraan geven.
Theodosius, de bisschop van Amorium, vervloekt iedereen die niet wil dat beelden aanbeden worden. Een ander schrijft alle rampen die Griekenland en het Oosten getroffen hebben toe aan het niet aanbidden van beelden. Welke straffen verdienen dan de profeten, apostelen en martelaren? In hun tijd waren er geen beelden.
Vervolgens zeggen ze dat als je met wierook en reukwerk naar het beeld van de keizer gaat, dat je die eer dan nog veel meer verschuldigd bent aan beelden van de heiligen. Maar Constantius, de bisschop van Constantia, verklaart openlijk dat hij de beelden eerbiedig omhelst. Hij verzekert dat hij hen op dezelfde manier zal eren en aanbidden als waar de levendmakende drie-eenheid recht op heeft. Iedereen die weigert hetzelfde te doen, vervloekt hij en doet hij met de aanhangers van Mani en Marcion in de ban. En we moeten niet denken dat dit de persoonlijke opvatting is van één man. De anderen vallen hem hierin bij. Johannes, een afgevaardigde van de Oosterse kerken, raakt zelfs nog meer verhit en waarschuwt dat je nog beter alle bordelen kunt toelaten in de stad dan dat je de beeldendienst de toegang ontzegt.
Ten slotte wordt met ieders instemming vastgesteld dat de Samaritanen erger waren dan alle ketters, maar dat de tegenstanders van beelden nog erger zijn dan de Samaritanen. En omdat een komedie niet zonder uitnodiging kan aan het publiek om te applaudisseren, wordt er tot besluit nog dit gezegd: ‘Laat ieder die een beeld van Christus heeft opspringen van vreugde en offers brengen aan dat beeld.’
Waar is nu het onderscheid tussen latria en dulia, vereren en dienen, waarmee ze de mensen steeds bedriegen? Want dit concilie maakt geen onderscheid en geeft beelden evenveel eer als de levende God.
Voetnoten
- 74
Maximus van Tyrus, Philosophoumena, 2.
- 75
Lucius Annaeus Seneca († 65), Romeinse auteur en stoïcijns filosoof.
- 76
Augustinus, De civitate Dei VI, 10.
- 77
Decimus Junius Juvenalis (ca. 100), Romeinse satiredichter.
- 78
Juvenalis, Satires V, 14,97.
- 79
Quintus Horatius Flaccus (65-8 v. Chr.), Romeinse dichter.
- 80
Horatius, Satires I, 8,1-3.
- 81
Paus Gregorius I de Grote († 640).
- 82
Eusebius († 339), bisschop van Caesarea.
- 83
Varro (1e eeuw v. Chr.), Romeinse auteur.
- 84
Augustinus, De civitate Dei IV, 9,31.
- 85
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 113, 2,4-6.
- 86
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 113, 2,4-6.
- 87
Augustinus, Epistulae, 102,18.
- 88
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 113, 2,5.
- 89
Constantijn I de Grote (272-337), keizer van Rome.
- 90
Irene (752-803), keizerin van het Byzantijnse rijk.
- 91
Karel de Grote (747/748-814), koning van de Franken en keizer van het Heilige Roomse Rijk.
- 92
Marcion (85-160).
Voetnoot 74
Maximus van Tyrus, Philosophoumena, 2.
Voetnoot 75
Lucius Annaeus Seneca († 65), Romeinse auteur en stoïcijns filosoof.
Voetnoot 76
Augustinus, De civitate Dei VI, 10.
Voetnoot 77
Decimus Junius Juvenalis (ca. 100), Romeinse satiredichter.
Voetnoot 78
Juvenalis, Satires V, 14,97.
Voetnoot 79
Quintus Horatius Flaccus (65-8 v. Chr.), Romeinse dichter.
Voetnoot 80
Horatius, Satires I, 8,1-3.
Voetnoot 81
Paus Gregorius I de Grote († 640).
Voetnoot 82
Eusebius († 339), bisschop van Caesarea.
Voetnoot 83
Varro (1e eeuw v. Chr.), Romeinse auteur.
Voetnoot 84
Augustinus, De civitate Dei IV, 9,31.
Voetnoot 85
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 113, 2,4-6.
Voetnoot 86
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 113, 2,4-6.
Voetnoot 87
Augustinus, Epistulae, 102,18.
Voetnoot 88
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 113, 2,5.
Voetnoot 89
Constantijn I de Grote (272-337), keizer van Rome.
Voetnoot 90
Irene (752-803), keizerin van het Byzantijnse rijk.
Voetnoot 91
Karel de Grote (747/748-814), koning van de Franken en keizer van het Heilige Roomse Rijk.
Voetnoot 92
Marcion (85-160).
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.