Boek I · Hoofdstuk 12

Ware godsdienst en afgoderij

Inhoud van dit hoofdstuk · 3 secties
  1. 1De enige God moet gediend worden zoals Hij dat zelf wil
  2. 2Dienen houdt meer in dan eren
  3. 3Alleen God mag gediend en geëerd worden

De enige God moet gediend worden zoals Hij dat zelf wil

In het begin heb ik gezegd dat we God niet kunnen leren kennen door op een kille manier over Hem te speculeren. Want we kunnen God niet kennen zonder Hem ook te dienen. En ik heb terloops aangestipt hoe Hij gediend hoort te worden. Later zal ik dat uitgebreider uit moeten leggen. Nu herhaal ik slechts kort dat de Schrift ons vaak verzekert dat er maar één God is. En dan komt de Schrift niet alleen maar op voor Gods naam. De Schrift beveelt daarmee ook dat we niet op iets anders moeten toepassen wat hoort bij God. En daaruit blijkt dan ook hoeveel de zuivere godsdienst verschilt van bijgeloof.

Het woord eusebia – vroomheid – betekent in het Grieks vast en zeker zoiets als ‘goede dienst’. Want zelfs de blinden hebben, tastend in het donker, beseft dat je je aan een vaste regel moet houden, om te voorkomen dat je God verkeerd dient.

Cicero leidt het woord religie af van relegere – ‘herlezen’ of ‘heroverwegen’. Dat klopt en dat is heel verstandig van hem. Maar de reden die hij ervoor aanwijst, is gekunsteld en vergezocht. Hij zegt namelijk dat de mensen die God op de goede manier wilden dienen, steeds opnieuw overwogen wat de waarheid was en hun best bleven doen die te ontdekken. Ik denk eerder dat met dit woord het tegenovergestelde bedoeld wordt van tomeloze willekeur. Want de meeste mensen in deze wereld nemen zomaar alles aan wat ze tegenkomen. Ze vliegen dan hierop af, dan daarop af. Maar wie vroom is, wil stevig op hetzelfde standpunt blijven staan. Daarom blijft hij lezen om binnen de grenzen van de vroomheid te blijven.

Zo vermoed ik ook dat het bijgeloof of de superstitie – letterlijk ‘boven de norm’ – zo genoemd is omdat bijgelovige mensen niet tevreden zijn met de voorgeschreven maat en orde en zich daarom overladen met een hoop overbodige onzin.

Maar ik laat de woorden voor wat ze zijn. Alle tijden komen hierin overeen dat mensen altijd vonden dat de godsdienst door valse dwalingen geschonden en bedorven werd. Daaruit maken we op dat het niet uitmaakt wat we onszelf uit een onbezonnen ijver ook toestaan. Elk excuus dat bijgelovigen voor zoiets aanvoeren, is waardeloos. Iedereen erkent dat met de mond. Ondertussen blijkt dat ze er helemaal niets van snappen. Want, zoals ik hiervóór al heb uitgelegd, ze klampen zich niet vast aan de enige God en evenmin laten ze blijken dat ze er plezier in hebben om Hem te dienen.

En toch eist God zijn recht op. Daarom roept Hij dat Hij jaloers is en streng zal straffen als Hij verward wordt met een god die verzonnen is. Exodus 20:5 Vervolgens geeft Hij nauwkeurig aan hoe Hij wel op de juiste manier gediend wil worden. Want Hij wil dat het menselijk geslacht Hem gehoorzaam is. Die twee dingen combineert Hij in de wet. In de eerste plaats bindt Hij de gelovigen aan zichzelf. Hij wil hun enige wetgever zijn.

Vervolgens schrijft Hij hun een norm voor. Volgens die norm wil Hij gediend worden.

De wet heeft meerdere functies en bedoelingen. Daar zal ik het over hebben als ik zover ben. Nu noem ik alleen dat de wet fungeert als een teugel die moet voorkomen dat de mensen zouden afwijken naar valse godsdiensten. We moeten echter vasthouden waar ik mee begonnen ben: God wordt van zijn eer beroofd en zijn dienst wordt geschonden als we niet alleen op Hem toepassen wat hoort bij het God zijn.

Hier moeten we extra goed opletten. Bijgeloof gaat listig en bedrieglijk te werk. Immers, als bijgelovige mensen vervallen tot vreemde goden, lijken ze de hoogste God niet te verlaten. Ook lijken ze Hem niet te verlagen tot de rang van de andere goden. Ze kennen Hem de hoogste plaats toe. Maar ondertussen omringen ze Hem met een menigte van mindere goden. En onder die goden verdelen ze de functies die God toebehoren. Zo wordt ongemerkt en op een listige manier Gods eer in stukken gesneden. Hij krijgt niet langer alle eer.

Zo hebben de mensen vroeger, zowel onder de Joden als onder de heidenen, een enorme massa goden geplaatst onder het gezag van de vader en gebieder van de goden. Die goden bekleedden samen met de hoogste God, ieder naar zijn rang, het gezag over hemel en aarde.

Zo zijn een aantal eeuwen geleden de heiligen die dit leven verlaten hadden, verhoogd tot een partnerschap met God. In zijn plaats werden ze gediend, aangeroepen en geprezen. We denken dat zo’n gruwel Gods majesteit niet eens verduistert. Maar Gods majesteit wordt erdoor naar beneden gehaald en tenietgedaan. We houden niets anders over dan een vaag idee over zijn oppermacht. Ondertussen worden we bedrogen door al die uiterlijke pracht, die ons van God aftrekt naar allerlei andere goden.

Dienen houdt meer in dan eren

Daarom hebben mensen ook het zogenaamde onderscheid uitgevonden tussen latria en dulia. Op die manier willen ze ongestraft Gods eer aan engelen en doden geven. Want het is duidelijk dat er geen enkel verschil is tussen hoe de pausgezinden de heiligen dienen en hoe ze God dienen. Want zonder onderscheid aanbidden ze God én de heiligen. Behalve dan dat ze – als je hen in het nauw brengt – het excuus hebben dat ze waar God recht op heeft ook alleen voor Hem bewaren. Want hun latriais alleen voor Hem.

Maar het gaat om de inhoud en niet om het woord. Wie wil hun toestaan zo onbekommerd te spotten als het gaat om een van de belangrijkste dingen? Maar we moeten dit maar laten lopen. Ze bereiken met hun onderscheid niets. De enige God bewijzen ze eer. Anderen dienen ze. Latreia betekent in het Grieks hetzelfde als cultus in het Latijn: ‘eerbewijs’. Maar douleia is eigenlijk hetzelfde als servitus: ‘dienstbaarheid’ of ‘slavernij’. Toch wordt in de Schriften dit onderscheid soms niet gemaakt. Trouwens, zelfs al zouden we toegeven dat dit onderscheid wel steeds gemaakt wordt, dan moeten we toch nog onderzoeken wat er met deze twee woorden precies bedoeld wordt.

Douleia is dus ‘dienstbaarheid’, latreia ‘eerbewijs’. Nu twijfelt niemand eraan dat dienen meer inhoudt dan eren. Want het is vaak moeilijk om iemand te dienen, zelfs als je er geen bezwaar tegen hebt om hem te eren. En daarom is het oneerlijk verdeeld als je de heiligen geeft wat het meest betekent en voor God overlaat wat het minst betekent.

Toch hebben verschillende kerkvaders dit onderscheid gebruikt. Maar wat als we allemaal inzien dat dit onderscheid niet alleen niet klopt, maar ook nog eens totaal waardeloos is?

Alleen God mag gediend en geëerd worden

Maar ik laat deze spitsvondigheden rusten. Laten we eens naar de inhoud kijken. Paulus herinnert de Galaten eraan hoe ze eraan toe waren voordat ze verlicht waren door het kennen van God. Hij zegt dan dat ze vroeger dulia bewezen aan hen die van nature geen goden waren. Galaten 4:8 Hij noemt de latria niet. Valt hun bijgeloof daarom te verontschuldigen? Paulus zelf noemt dat verkeerde bijgeloof dan wel dulia, maar toch veroordeelt hij het net zo sterk als wanneer hij het latria genoemd zou hebben.

En Christus weerde de aanval van Satan af door als schild te gebruiken dat er geschreven staat: ‘De Heer uw God moet je aanbidden.’ Toen ging het niet om iets dat latria genoemd kon worden. Want Satan eiste slechts dat Christus voor hem zou knielen.

En Johannes wordt door de engel terechtgewezen omdat hij voor hem op de knieën gevallen was. Openbaring 19:10; 22:8-9 We moeten dat niet opvatten alsof Johannes niet goed bij zijn hoofd was en de eer waar alleen God recht op heeft, aan de engel wilde geven. Maar hier was dit eerbewijs zo sterk verbonden met de godsdienst, dat het iets goddelijks in zich had. Daarom kon Johannes niet voor de engel op de knieën vallen zonder God in zijn eer tekort te doen. We lezen wel vaak dat mensen vereerd werden. Maar dat was, zeg maar, een maatschappelijk eerbetoon. Als het om de godsdienst gaat, staan de zaken heel anders. Zodra godsdienst en eerbetoon samen gaan, is het gevolg dat Gods eer ontheiligt wordt.

Dat zie je ook bij Cornelius. Hij had immers niet zo weinig vroomheid geleerd dat hij niet alleen aan God de hoogste eer toekende. Als hij dus voor Petrus neerknielt, Handelingen 10:25 doet hij dat ongetwijfeld niet met de bedoeling om Petrus te aanbidden in plaats van God. Toch verbiedt Petrus het hem ernstig. En waarom? Omdat mensen nooit zo precies onderscheid maken tussen het vereren van God en het vereren van schepselen. Ze halen het gemakkelijk door elkaar en dan geven ze aan een schepsel waar God alleen recht op heeft. Willen we echt maar één God hebben, dan moeten we bedenken dat we nog niet het kleinste stukje van Gods eer mogen afdoen. We moeten Hem alles geven waar Hij recht op heeft.

Zacharia predikt over het herstel van de kerk. Hij zegt dan nadrukkelijk dat er niet alleen maar één God zal zijn. Hij zegt ook dat alleen Hij zo zal heten. Zacharia 14:9 Blijkbaar met de bedoeling dat Hij in niets zal lijken op de afgoden.

Hoe God eist dat Hij geëerd wordt, zullen we zien als ik daaraan toekom. Want in de wet heeft God de mensen willen voorschrijven wat de juiste manier is. Hij heeft hen willen binden aan een vaste norm, zodat niet iedereen de vrijheid zou nemen voor zichzelf een manier te verzinnen om God te eren. Maar het heeft geen zin om het mijn lezers lastig te maken door allerlei onderwerpen door elkaar te halen. Daarom ga ik het daar nu nog nog niet over hebben. Het moet genoeg zijn om te weten dat geen enkele uiting van vroomheid die niet gericht is op de enige God, vrij is van heiligschennis.

Eerst hebben mensen uit bijgeloof goddelijke eer bewezen aan de zon en andere hemellichamen, of aan afgoden. Daarna gingen ze uit eerzucht schepselen bekleden met de eer die ze van God geroofd hadden. Ze waagden het om alles wat heilig was te ontheiligen. Weliswaar bleef het principe overeind dat je de hoogste God moest eren. Maar toch werd het een gewoonte om offers te brengen aan van alles en nog wat: aan geesten en lagere goden, of aan gestorven helden. Mensen glijden zo gemakkelijk af tot deze zonde, dat ze een grote menigte laten delen in de eer die God heel beslist alleen voor zichzelf opeist.

Voetnoten

  1. 93

    Cicero, De natura deorum II, 28,72.

Voetnoot 93

Cicero, De natura deorum II, 28,72.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.