Boek I · Hoofdstuk 13
De drie-eenheid
Inhoud van dit hoofdstuk · 29 secties
- 1God is oneindig en geestelijk
- 2God is één, maar bestaat uit drie personen
- 3Voor de uitleg van de Schrift zijn soms vreemde woorden nodig
- 4De woorden ‘drie-eenheid’, ‘personen’ en ‘een van wezen’ zijn nodig tegen dwaalleer
- 5Het gaat niet om de woorden, maar om wat ze willen zeggen
- 6Een definitie van de drie-eenheid
- 7Het Woord van God is de Zoon van God en is zelf God
- 8Het Woord van God is eeuwig
- 9Bewijzen uit de Schrift dat Christus God is
- 10Christus is de ‘Engel van de HEER’
- 11Bewijzen uit het Nieuwe Testament dat Christus God is
- 12Dat Christus God is, blijkt uit wat Hij doet
- 13Christus is God omdat Hij de macht heeft om ons te redden
- 14Dat de Geest God is, blijkt uit wat Hij doet
- 15Bewijzen uit de Schrift dat de Geest God is
- 16Er is slechts één God
- 17God bestaat uit drie onderscheiden personen
- 18Het onderscheid tussen de drie personen
- 19De onderlinge verhouding tussen de drie personen
- 20Samenvatting van de leer van de drie-eenheid
- 21Een waarschuwing tegen dwaalleer
- 22De dwaalleer van Servet
- 23De Zoon en de Geest zijn niet minder God dan de Vader
- 24De naam God heeft ook betrekking op de Zoon
- 25Het wezen van God is geen onderdeel van het onderscheid tussen de personen
- 26Alleen als middelaar is Christus ondergeschikt aan de Vader
- 27Irenaeus’ opvattingen over het God zijn van Christus
- 28Tertullianus’ opvattingen over de drie-eenheid
- 29De kerkvaders zijn het allemaal eens over de drie-eenheid
God is oneindig en geestelijk
De Schriften leren ons dat God een oneindig en geestelijk wezen is. Dat moet genoeg zijn om zowel de dwaasheden van de grote massa als de spitsvondigheden van de heidense filosofen te weerleggen. Een van die oude filosofen vond het van zichzelf heel verstandig dat hij zei dat God alles is wat we kunnen zien én alles wat we niet kunnen zien. Daarom stelde hij zich voor dat er iets goddelijks is uitgestort in elk stukje van de wereld.
God vertelt niet vaak over zijn wezen. Hij wil dat we nuchter blijven. Maar door de twee aanduidingen die ik genoemd heb, ontneemt Hij ons onze fantasie en onderdrukt Hij onze overmoed. Dat God oneindig is, moet ons ongetwijfeld afschrikken, zodat we niet proberen Hem te beperken tot wat wij ons kunnen voorstellen. En dat God geestelijk is, verbiedt ons om aards of vleselijk over Hem te denken. Dat is ook de reden dat God regelmatig verzekert dat Hij in de hemel woont. Omdat Hij oneindig is, is ook de aarde zelf vol van Hem. Maar omdat Hij ziet dat we traag zijn van begrip en met onze gedachten op de aarde blijven hangen, trekt Hij ons boven de wereld uit. Zo wil Hij onze sloomheid en laksheid van ons afschudden.
Daarmee wordt de dwaling van de manicheeërs ontzenuwd. Zij stellen dat er twee gelijkwaardige principes zijn – goed en kwaad. Daarmee maken ze de duivel vrijwel gelijk aan God. Zo wordt de eenheid van God vast en zeker verbroken en zijn oneindigheid beperkt. Ze hebben misbruik durven maken van sommige bewijzen uit de Schrift, omdat ze vreselijk onwetend waren. Hun dwaling was het resultaat van een afschuwelijke dwaasheid.
Ook de opvatting van de antropomorfieten is gemakkelijk te weerleggen. Zij stelden zich voor dat God een lichaam had, omdat de Schrift Hem vaak een mond, oren, ogen, handen en voeten toeschrijft. Maar je hoeft maar een klein beetje verstand te hebben om te begrijpen dat God zo, zeg maar, tegen ons brabbelt, zoals voedsters altijd doen tegen kleine kinderen. Een dergelijke manier van spreken drukt daarom niet precies uit wie God is. We leren Hem er alleen door kennen op een manier die aangepast is aan onze beperkingen. Want wij kunnen Hem alleen leren kennen als Hij vanuit zijn hoogheid een heel eind naar ons afdaalt.
God is één, maar bestaat uit drie personen
God duidt zichzelf ook nog met een ander kenmerk aan. Daardoor kunnen we Hem nog beter leren kennen. Want Hij verklaart dat Hij één is, maar dan wel zo dat Hij zich openbaart als drie personen die we van elkaar moeten onderscheiden. Als we dat niet begrijpen, dan fladdert er slechts een lege naam van God rond in ons brein, zonder enige betekenis. Dan kennen we de echte God niet.
Maar niemand moet zich inbeelden dat God drievoudig is, of denken dat het enkelvoudige wezen van God in drie personen uit elkaar valt. Daarom moeten we zoeken naar een korte en simpele definitie die ons tegen elke dwaling beschermt. Maar sommigen verwerpen het woord ‘persoon’. Ze hekelen het als een menselijke uitvinding. Daarom moeten we eerst nagaan of dat terecht is.
Als de apostel zegt dat in de Zoon van God de hypostasis – ‘zelfstandigheid’ – van de Vader is afgedrukt, Hebreeën 1:3 dan betekent dat natuurlijk dat hij daarmee de Vader een of andere zelfstandigheid toeschrijft en dat de Vader daarin dus verschilt van de Zoon. Sommige uitleggers nemen aan dat het woord hypostatis ‘wezen’ betekent. Alsof Christus het wezen van de Vader zichtbaar maakt, als was waarin een zegel gedrukt is. Maar dat zou niet alleen geforceerd zijn, het zou ook absurd zijn. Want Gods wezen is enkelvoudig en ondeelbaar. Christus heeft niet een deel van dat wezen in zich of iets dat ervan is afgeleid, maar heel dat wezen, ongeschonden en volmaakt. Daarom zou het onjuist, of beter gezegd, dwaas zijn om te zeggen dat Hij een afdruk is van dat wezen. De Vader onderscheidt zich weliswaar in zijn eigenheid van de Zoon. Maar toch heeft Hij zich in zijn geheel in de Zoon uitgedrukt. Daarom is het volkomen terecht dat gezegd wordt dat de Vader in de Zoon zijn zelfstandigheid zichtbaar gemaakt heeft. En daar past heel goed bij dat er meteen aan toegevoegd wordt dat van Christus de glorie van de Vader afstraalt.
Uit de woorden van de apostel moeten we dus vast en zeker concluderen dat de Vader een eigen zelfstandigheid heeft, die schittert in de Zoon. En daaruit kunnen we ook gemakkelijk afleiden dat de Zoon ook een eigen zelfstandigheid heeft, die Hem van de Vader onderscheidt. Met de Heilige Geest zit het net zo. Ik zal zo meteen bewijzen dat ook de Geest God is en als iemand anders beschouwd moet worden dan de Vader. Maar dit onderscheid gaat niet over het wezen. Want we mogen dat wezen niet meervoudig maken.
Als we het getuigenis van de apostel geloven, betekent dat dus dat er in God drie hypostases – ‘zelfstandigheden’ – zijn. In het Latijn werd dit weergegeven met het woord persona – ‘persoon’. Daarom is het weerzinwekkend als mensen zo koppig zijn dat ze over zo’n duidelijke zaak in discussie willen gaan. Wil je hypostasis vanuit het Grieks letterlijk vertalen in het Latijn, dan moet je het vertalen met subsistentia – ‘zelfstandigheid’. Velen gebruiken het Latijnse woord substantia in dezelfde betekenis. Maar daarvoor werd dus ook het woord persona gebruikt. En dat gebeurde niet alleen in het Latijn. Ook de Grieken leerden dat er drie prosopa – ‘personen’ – zijn. Dat deden ze vast om te laten zien dat ze het met de Latijnse woordkeus eens waren. Maar of zij die Grieks en zij die Latijn spraken nu in hun woordgebruik van elkaar verschilden of niet, inhoudelijk waren ze het volledig met elkaar eens.
Voor de uitleg van de Schrift zijn soms vreemde woorden nodig
Echter, ketters blaffen tegen het woord ‘persoon’. En sommige eigenwijze mensen gaan er tegen tekeer omdat we geen woord zouden mogen gebruiken dat door mensen verzonnen is. Maar ze kunnen ons niet afnemen dat er in de Schrift drie genoemd worden. Van die drie is ieder volledig God. Toch zijn er niet drie Goden. Wat onbeschaamd is het dan om woorden te verwerpen die niets anders uitdrukken dan wat de Schrift zelf verklaart en bevestigt!
Deze mensen zeggen dat het beter zou zijn om niet alleen onze ideeën te beperken tot de grenzen van de Schrift, maar ook ons woordgebruik. We zouden geen vreemde woorden mogen rondstrooien. Want die zouden later broedplaatsen kunnen worden van onenigheid en twist. Dan zouden we ons vermoeien door te strijden over woorden. Dan zouden we al discussiërend de waarheid kwijtraken. Dan zou de liefde verloren gaan in hatelijke ruzies.
Als ze een woord vreemd noemen als het niet letterlijk in de Schrift is terug te vinden, dan leggen ze ons een wet op waar we moeilijk aan kunnen voldoen. Dan wordt elke uitleg veroordeeld die niet is samengesteld uit woorden die bij elkaar geraapt zijn uit de Schrift. Maar ik aanvaard hun beperking van harte als ze met vreemde woorden woorden bedoelen die zijn bedacht en fanatiek verdedigd worden door bijgelovige mensen die te veel willen weten. Of woorden die meer geschikt zijn om twist te zaaien dan om op te bouwen. Of woorden die misplaatst gebruikt worden of zonder dat het nut heeft. Of woorden die zo grof zijn dat ze zeer doen aan de oren van vrome mensen. Of woorden die afvoeren van de eenvoud van Gods Woord. Want ik vind dat we over God even vroom moeten spreken als denken. Immers, alles wat we uit onszelf over Hem denken, is dwaas. En alles wat we uit onszelf over Hem spreken, is zonder betekenis. Daarom moeten we ons een beperking opleggen. We moeten in de Schrift een vaste norm zoeken voor ons denken en spreken en al onze gedachten en woorden daarnaar richten.
Maar wat is erop tegen om dingen uit de Schrift die voor ons ingewikkeld en lastig te begrijpen zijn, uit te leggen met behulp van woorden die duidelijker zijn? Met woorden die vroom en trouw de waarheid van de Schrift zelf dienen? Wat is daarop tegen als die woorden met mate gebruikt worden, uit bescheidenheid en alleen daar waar ze van pas komen?
Daar zijn genoeg voorbeelden van te vinden. Ik ga zo meteen bewijzen dat de kerk uit bittere noodzaak de woorden ‘drie-eenheid’ en ‘persoon’ gebruikt. Als je die woorden dan nog afkeurt omdat ze nieuw zijn, is het dan niet terecht als we oordelen dat je het licht van de waarheid niet waard bent? Want je keurt dan simpelweg af dat de waarheid helder en klaar wordt uitgelegd.
De woorden ‘drie-eenheid’, ‘personen’ en ‘een van wezen’ zijn nodig tegen dwaalleer
Zulke nieuwe woorden – als we die zo mogen noemen – komen vooral van pas als we de waarheid moeten verdedigen tegen lasteraars die uitvluchten zoeken om de waarheid te ontwijken. Tegenwoordig ervaren we dat meer dan genoeg. We hebben het er maar druk mee om de vijanden van de zuivere en gezonde leer te overwinnen. Het zijn kronkelende, glibberige slangen die zomaar ontsnappen als je ze niet hardhandig tegen de grond drukt en daarna stevig vastpakt.
Op die manier waren de kerkvaders gedwongen om hun mening zo duidelijk mogelijk uit te leggen. Ze moesten strijden tegen verschillende valse dogma’s en wilden de goddelozen geen gelegenheid geven om met slinkse uitvluchten te komen. Want die goddelozen verschuilden zich met hun dwalingen achter de woorden waar ze hun dwalingen mee inkleedden.
Arius erkende dat Christus God was en dat Hij Gods Zoon was. Hij kon niet ingaan tegen wat zo duidelijk geopenbaard was. Daarom deed hij alsof er niets aan de hand was en hij het tot op zekere hoogte eens was met de anderen. Maar ondertussen verkondigde hij steeds dat Christus geschapen is en net als de andere schepselen een begin heeft gehad. Om deze listige gladjanus uit zijn schuilhoek te verdrijven, zijn de kerkvaders een stap verder gegaan en zeiden ze dat Christus de eeuwige Zoon van de Vader is en dat Hij één van wezen is met de Vader.
Dat maakte de goddelozen woedend. De arianen haatten dat woord homo-ousios – ‘één van wezen’ – en gingen er vreselijk tegen te keer. Hadden ze van begin af aan oprecht en van harte beleden dat Christus God is, dan zouden ze niet ontkend hebben dat Hij één van wezen is met de Vader. Wie zou het die rechtzinnige mannen kwalijk willen nemen dat ze om één woordje de strijd aan gegaan zijn en de rust in de kerk verstoord hebben? Maar dat woordje maakte wel duidelijk wie christenen waren met een zuiver geloof en wie godslasterlijke arianen waren.
Daarna kwam Sabellius. Hij hechtte vrijwel geen enkele waarde aan de namen Vader, Zoon en Heilige Geest. Hij beweerde dat die namen niet bedoeld waren om een onderscheid aan te geven, maar dat het gewoon verschillende eigenschappen van God waren, zoals er zoveel zijn. Kwam het tot een debat, dan gaf hij toe dat hij geloofde dat de Vader God is, dat de Zoon God is en dat de Geest God is. Maar vervolgens kwam hij dan met de uitvlucht dat hij daarmee niets meer had gezegd dan wanneer hij God sterk, rechtvaardig en wijs genoemd had. En dan zong hij een ander liedje: de Vader was de Zoon en de Heilige Geest was de Vader, zonder rangorde en zonder onderscheid.
Omdat de vroomheid hun ter harte ging, wilden de rechtzinnige leraren de onbeschaamdheid van die man breken. Ze verklaarden luid en duidelijk dat we in de ene God echt drie eigenheden moeten erkennen. En omdat ze zich tegen zijn kronkelachtige sluwheid wilden wapenen met een duidelijke en eenvoudige waarheid, verzekerden ze dat er in de ene God, of – dat is hetzelfde – in Gods eenheid echt een drie-eenheid van personen bestaat.
Het gaat niet om de woorden, maar om wat ze willen zeggen
Deze woorden zijn dus niet zomaar uitgevonden. Daarom moeten we oppassen dat we ze niet uit hoogmoed of lichtzinnigheid afwijzen. Van mij zouden ze opgegeven mogen worden, als iedereen maar vast geloofde dat de Vader en de Zoon en de Geest samen één God zijn. En dat toch niet de Zoon de Vader is of de Geest de Zoon, maar dat ze zich door een bepaalde eigenheid van elkaar onderscheiden. Maar ik ben niet zo star en stug dat ik het zou aandurven om de strijd aan te gaan alleen om een paar woorden. Want ik merk dat de kerkvaders altijd met grote eerbied over deze dingen spreken, maar toch niet altijd met elkaar overeenstemmen en ook zelf niet altijd consequent zijn. Wat een verschil is er soms in de manier waarop de concilies zich uitdrukten! En Hilarius verdedigt dat nog ook! En wat een vrijheid veroorlooft Augustinus zich soms! En hoe groot is het verschil tussen de Grieks-sprekenden en de Latijn-sprekenden!
Van dit verschil moet één voorbeeld genoeg zijn. Als de Latijn-sprekenden het Griekse woord homo-ousios wilden vertalen, zeiden ze consubstantialis. Daarmee gaven ze aan dat de Vader en de Zoon één waren in hun substantia. Dan gebruikten ze het woord substantia dus als synoniem voor het woord essentia – ‘wezen’. Daarom zegt Hiëronymus in een brief aan Damasus dat het godslasterlijk is om te beweren dat er in God drie substantiae zijn. Toch kom je bij Hilarius meer dan honderdmaal tegen dat er in God drie substantiae zijn.
En wat brengt het woord hypostasis Hiëronymus in verwarring! Hij wantrouwt dat woord, want hij is bang dat het niet klopt als je zegt dat er drie hypostases zijn in God. Zelfs als iemand het woord op een vrome manier gebruikt, kan hij het toch niet laten om te zeggen dat het eigenlijk een verkeerde manier van spreken is. Maar het is de vraag of hij dit meende. Het zou kunnen zijn dat hij gewoon de bisschoppen uit het Oosten willens en wetens onterecht beschuldigde. Want aan hen had hij een enorme hekel. In elk geval is het niet helemaal eerlijk als hij beweert dat in de heidense filosofie ousia – ‘wezen’ – altijd hetzelfde betekent als hypostasis. Uit hoe die woorden gebruikt worden, blijkt duidelijk dat zijn bewering niet klopt.
Augustinus is gematigder en beleefder. Hij zegt wel dat dit gebruik van het woord hypostasis Latijn-sprekenden nieuw in de oren klinkt. Toch wil hij de Grieks-sprekenden hun gewoonte niet afnemen. Hij verdraagt het zelfs vriendelijk dat sommige Latijn-sprekenden de Griekse manier van zeggen volgen. En Socrates Scholasticus suggereert met wat hij over het woord hypostasis schrijft in boek 6 van de Historia tripartita dat het woord verkeerd gebruikt is door mensen die er geen verstand van hadden.
Hilarius neemt het de ketters ernstig kwalijk dat hij door hun onbeschaamdheid gedwongen wordt het risico te nemen menselijke uitspraken te doen over dingen die alleen gelovig aanvaard moeten worden. Hij verzwijgt niet dat dat volgens hem betekent dat je iets doet wat niet mag, iets zegt wat je niet kunt zeggen en je iets aanmatigt wat buiten je bereik ligt. Even later verontschuldigt hij zich nog uitgebreid dat hij nieuwe woorden durft te gebruiken. Hij noemt eerst de gewone namen Vader, Zoon en Geest. En dan voegt hij er meteen aan toe dat alles wat we verder nog proberen te zeggen niet door onze taal uitgedrukt kan worden. Onze zintuigen kunnen het niet waarnemen en ons verstand kan het niet begrijpen. Ergens anders prijst Hilarius de Gallische bisschoppen gelukkig omdat ze nooit een andere belijdenis gefabriceerd hadden en ook geen andere hadden aangenomen. Ze hadden alleen de Apostolische Geloofsbelijdenis, de oude en meest eenvoudige belijdenis die sinds de tijd van de apostelen in alle kerken aanvaard is.
Augustinus verontschuldigt zich op dezelfde manier omdat het nodig is om het woord hypostasis te gebruiken. Hij vindt de menselijke manier van spreken maar armoedig als het om zoiets belangrijks gaat. Je kunt met zo’n woord niet uitdrukken hoe het werkelijk zit. Maar je moet het toch gebruiken omdat je niet mag verzwijgen op welke manier de Vader, de Zoon en de Geest drie zijn.
Deze heilige mannen waren dus erg bescheiden. Dat moet voor ons een waarschuwing zijn. We moeten mensen die niet willen zweren op woorden die we zelf bedacht hebben niet te streng brandmerken. Tenminste, als ze het niet weigeren uit hoogmoed of brutaliteit of omdat ze listig hun verkeerde bedoelingen volgen. Maar zij moeten van hun kant ook bedenken hoe hard het nodig is dat wij zulke woorden gebruiken. Misschien raken ze dan geleidelijk gewend aan het idee dat onze manier van spreken heel nuttig is.
Bovendien, we moeten aan de ene kant tegen de arianen ingaan en aan de andere kant tegen de sabellianen. Beide partijen ontnemen we de kans om uitvluchten te vinden. Als mensen dan boos worden, moeten ze oppassen dat ze niet de indruk wekken dat ze zelf volgelingen zijn van Arius of van Sabellius.
Arius zegt dat Christus God is. Maar binnensmonds mompelt hij dat Christus geschapen is en een begin gehad heeft. Hij zegt dat Christus één is met de Vader. Maar stiekem fluistert hij zijn volgelingen in het oor dat Christus één met de Vader gewórden is, op dezelfde manier als de andere gelovigen. Alleen heeft Christus daarbij een bijzonder voorrecht. Maar als je Christus één van wezen noemt, dan ruk je die listige bedrieger zijn masker af. En toch voeg je niets toe aan de Schrift.
Sabellius zegt dat de namen Vader, Zoon en Geest niets zeggen over een onderscheid in God. Als jij zegt dat zij drie zijn, dan zal hij uitroepen dat je zegt dat er drie Goden zijn. Maar zeg je dat er in het ene wezen van God een drie-eenheid van personen is, dan zeg je in één woord hetzelfde als wat de Schrift zegt. En je hebt zijn loos gezwam tot zwijgen gebracht.
Misschien zijn er mensen die zo door bijgeloof gekweld worden, dat ze deze woorden niet durven accepteren. Maar als we horen over één God, dan betekent dat dat God één wezen heeft. En als we horen van drie in één wezen, dan worden de drie personen in deze drie-eenheid aangeduid. Dat kan niemand ontkennen, al doet hij nog zo zijn best. En als dat eerlijk erkend wordt, maken de woorden me niet uit. Maar ik heb al heel vaak ervaren dat mensen die zo koppig blijven ruziën over woorden, stiekem vasthouden aan een levensgevaarlijke leer. Daarom kunnen we hen beter provoceren dan dat we onduidelijk gaan spreken om het hun maar naar de zin de maken.
Een definitie van de drie-eenheid
Maar ik zal het nu verder niet over de woorden hebben. Ik ga nu beginnen aan de inhoud.
Met ‘persoon’ bedoel ik een zelfstandigheid in Gods wezen. Zo’n zelfstandigheid wordt van andere zelfstandigheden onderscheiden door een eigenheid die niet met de andere zelfstandigheden gedeeld kan worden. Met het woord
‘zelfstandigheid’ moet volgens mij iets anders bedoeld worden dan ‘wezen’. Want als het Woord alleen maar God was en ondertussen niets eigens had, dan zou het onterecht zijn dat Johannes zegt dat het Woord altijd bij God geweest is. Als hij daar direct aan toevoegt dat het Woord ook zelf God was, herinnert hij ons eraan dat God één wezen heeft. Johannes 1:1 Maar als het Woord bij God was, dan kon dat alleen omdat het Woord bij de Vader was. Daaruit volgt dus dat er een zelfstandigheid is. Die zelfstandigheid is weliswaar onverbrekelijk met het wezen verbonden en kan daar niet van gescheiden worden. Maar toch heeft die zelfstandigheid een specifiek kenmerk. En daardoor verschilt die zelfstandigheid dus met het wezen.
Verder zeg ik dat elk van de drie zelfstandigheden zich in relatie tot de andere zelfstandigheden onderscheidt door een eigenheid. Die relatie kan op de volgende manier duidelijk gemaakt worden: als er simpelweg verteld wordt over God, zonder specificering, dan slaat die naam zowel op de Zoon en de Geest als op de Vader. Maar zodra de Vader met de Zoon samen genoemd worden, worden ze van elkaar onderscheiden door hun eigen eigenheid.
In de derde plaats beweer ik dat alles wat eigen is aan één van de personen apart, niet gedeeld kan worden met de anderen. Alles wat aan de Vader wordt toegeschreven om Hem te onderscheiden, past dus niet bij de Zoon en kan niet op de Zoon worden overgedragen.
Ik heb geen bezwaar tegen de definitie van Tertullianus, als die definitie maar juist wordt opgevat. Deze definitie luidt: de drie-eenheid is een indeling of rangschikking in God, die niets verandert aan de eenheid van Gods wezen.
Het Woord van God is de Zoon van God en is zelf God
Maar voor ik verder ga, zal ik eerst moeten bewijzen dat de Zoon en de Heilige Geest God zijn. Daarna zullen we dan bekijken hoe ze van elkaar verschillen.
In de Schrift wordt ons het Woord van God aangeboden. Het zou absoluut absurd zijn om je dat Woord alleen maar voor te stellen als een vluchtige of tijdelijke stem die door God is uitgezonden in de lucht. Zo sprak God tot de aartsvaders en zo kregen de profeten hun profetieën. Maar met het Woord wordt vooral Gods eeuwige wijsheid aangeduid. Alles wat God tot de aartsvaders gezegd heeft en alle profetieën zijn uit die wijsheid voortgekomen. Want de oude profeten hebben, zo getuigt Petrus, evengoed gesproken door de Geest van Christus als de apostelen en allen die daarna de hemelse leer bediend hebben. 1 Petrus 1:10-11 Alleen was Christus nog niet geopenbaard. Daarom moeten we begrijpen dat het Woord al voor het begin van de tijd uit de Vader is voortgekomen.
De profeten waren instrumenten van de Geest. Als de Geest dus de Geest van het Woord was, dan kunnen we daaruit ongetwijfeld opmaken dat het Woord echt God was. Dat leert Mozes ook duidelijk genoeg als hij vertelt over de schepping van de wereld. Hij stelt dan het Woord als intermediair. Want hij vertelt uitdrukkelijk dat God bij het scheppen van alles wat Hij maakte steeds weer zei: dit of dat moet er zijn. Genesis 1 Waarom zou Mozes dat anders vertellen dan om Gods niet te bevatten glorie te laten uitkomen in zijn beeld?
Wijsneuzen en praatjesmakers zouden dit natuurlijk gemakkelijk kunnen pareren door te zeggen dat daar gewoon een bevel gegeven wordt. Maar de apostelen leggen het beter uit. Zij zeggen dat door middel van de Zoon de wereld geschapen is en dat de Zoon alle dingen draagt door de kracht van zijn woord. Hebreeën 1:2-3 We zien hier dus dat het woord wordt opgevat als een bevel of opdracht van de Zoon, die zelf het eeuwige en eigenlijke Woord van de Vader is.
Bescheiden mensen met gezond verstand begrijpen ook heel goed wat Salomo zegt over wijsheid. Salomo vertelt dat de wijsheid voor het begin van de tijd door God is voortgebracht en de leiding heeft gehad over het scheppen van de dingen en over alles wat God gemaakt heeft. Spreuken 8:22-31 Want het is dwaas en onzinnig om je voor te stellen dat Gods wil tijdelijk zou zijn. God heeft toen zijn onveranderlijke en eeuwige plan willen openbaren. En ook nog iets dat minder duidelijk is. Daarop slaat ook dit woord van Christus: ‘Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.’ Johannes 5:16 Hij verklaart daarmee dat Hij vanaf het eerste begin van de wereld ononderbroken samen met de Vader aan het werk geweest is. Daarmee zegt Hij uitdrukkelijk waar Mozes alleen op gezinspeeld had. Onze conclusie is dus dat toen God sprak, het Woord daarbij een eigen taak had. Beiden deden het werk samen.
Dit wordt verreweg het duidelijkst gezegd door Johannes. Johannes stelt dat het Woord vanaf het begin God was en bij God was en dat het samen met God de oorsprong is van alle dingen. Johannes 1:1-3 Hij kent aan het Woord een onveranderlijk en permanent wezen toe. Hij schrijft Hem iets toe dat alleen van Hem is en laat duidelijk zien dat God de wereld geschapen heeft door te spreken.
Alles wat door God geopenbaard is, wordt terecht aangeduid met de naam ‘Woord van God’. Maar het eigenlijke Woord moet op de hoogste rang gezet worden. Het is de bron waaruit alles wat God gezegd heeft, is voortgekomen. Het is niet onderhevig aan verandering. Voor eeuwig blijft het één en hetzelfde. Voor eeuwig blijft het bij God. Voor eeuwig blijft het God zelf.
Het Woord van God is eeuwig
Sommige honden gaan hiertegen tekeer. Zij durven het Woord niet openlijk te beroven van zijn God zijn. Daarom ontdoen ze Hem stiekem van zijn eeuwigheid. Want ze zeggen dat Hij pas voor het eerst het Woord werd, toen God bij de schepping zijn heilige mond opendeed. Maar dat is wel heel ondoordacht van hen. Want daarmee verzinnen ze dus dat Gods wezen op een bepaalde manier vernieuwd werd!
De namen van God hebben betrekking op iets dat Hij buiten zichzelf gedaan heeft. Die namen zijn Hem voor het eerst toegekend nadat Hij gedaan had waar die namen betrekking op hebben. Op die manier wordt Hij bijvoorbeeld de schepper van hemel en aarde genoemd. Maar als je vroom wilt zijn, kun je God geen enkele naam geven die zou aanduiden dat God binnen zichzelf iets nieuws overkomen is. Want dan zou er van buitenaf iets in Hem gekomen moeten zijn. En dat zou in strijd zijn met wat Jacobus zegt: elk volmaakt geschenk komt van boven.
Het is allemaal afkomstig van de Vader van de lichten. Bij Hem is geen verandering, zelfs geen zweem van een ommekeer. Jacobus 1:17 Je kunt dus onmogelijk accepteren dat iemand beweert dat het Woord een begin zou hebben als het altijd bij God geweest is en later de wereld gemaakt heeft.
Heel listig komt zo iemand dan met het argument dat Mozes, als hij vertelt dat God bij de schepping voor het eerst gesproken heeft, daarmee tegelijk aangeeft dat er voor die tijd in God geen Woord geweest is. Je kunt je geen grotere onzin voorstellen! Immers, als iets op een bepaald moment zichtbaar wordt, wil dat nog niet zeggen dat het er voor die tijd nooit geweest is.
Ik trek zelf een heel andere conclusie. Op hetzelfde ogenblik dat God zei: ‘Er moet licht zijn,’ Genesis 1:3 kwam de kracht van het Woord tevoorschijn. Op dat moment werd zichtbaar dat het Woord zelf er lang van tevoren geweest is. Maar als iemand wil nazoeken hoe lang, dan zal hij geen begin vinden. Want Christus zelf geeft immers geen begrensde tijdsperiode aan als Hij zegt: ‘Vader, geef uw Zoon de glorie die Ik bij U had voordat de wereld er was.’ Johannes 17:5 En dat is Johannes niet ontgaan. Want voordat Johannes de schepping van de wereld noemt, zegt hij dat het Woord vanaf het begin bij God was. Johannes 1:1-3 Opnieuw stellen we dus vast dat het Woord voor het begin van de tijd door God is voortgebracht en dat het altijd bij God geweest is. Dat bewijst duidelijk dat het Woord eeuwig is en echt God is.
Bewijzen uit de Schrift dat Christus God is
Ik ga het nu nog niet hebben over de persoon van de middelaar. Dat stel ik uit tot ik de verlossing ga behandelen. Toch mag er geen verschil van mening over bestaan en moet voor iedereen vaststaan dat Christus dat Woord is, bekleed met vlees. Daarom is het heel goed om nu vast enkele bewijzen aan te halen die bevestigen dat Christus God is.
In Psalm 45 wordt tegen Christus gezegd: ‘Uw troon, o God, bestaat voor eeuwig en altijd.’ Psalm 45:7 De Joden proberen hier aan te ontkomen met het argument dat de naam Elohim – ‘de Machtige’ – ook gebruikt wordt voor engelen en voor hoge machthebbers. Maar nergens in de Schrift wordt een eeuwige troon opgericht voor een schepsel. Maar Christus wordt hier niet alleen God genoemd, maar ook een eeuwig heerser. Bovendien wordt in de Schrift niemand god genoemd zonder dat er een beperking aan toegevoegd wordt. Zo wordt bijvoorbeeld gezegd dat Mozes ‘voor de farao’ als een god zal zijn. Exodus 7:1
Anderen lezen in dit vers een tweede naamval: ‘Uw troon van God,’ oftewel: ‘Uw goddelijke troon.’ Ik geef toe dat iets buitengewoons en geweldigs vaak goddelijk genoemd wordt. Maar uit de context blijkt duidelijk dat die uitleg hier onbevredigend en gekunsteld is. Het is gewoon niet logisch.
Maar als de Joden zo koppig blijven om niet toe te geven, dan spreekt Jesaja over dezelfde Christus duidelijk als over God en als over iemand die bekleed is met de hoogste macht. Hij zegt dingen over Hem die alleen God toekomen. Hij zegt: ‘Men geeft Hem de naam sterke God, eeuwige Vader …’ Jesaja 9:5-6 Ook hier gaan de Joden tegen te keer. Ze veranderen de betekenis zo: ‘Dit is de naam die Hem gegeven wordt door de Sterke God, de eeuwige Vader …’ Alleen de naam ‘Vredevorst’ laten ze over voor de Zoon. Maar waarom zouden hier zoveel namen voor God de Vader opgesomd worden? De bedoeling van de profeet is hier toch om opvallende aanduidingen te geven voor Christus, om ons geloof in Hem te versterken? Daarom valt er niet aan te twijfelen dat Hij hier sterke God genoemd wordt om dezelfde reden waarom Hij kort daarvóór Immanuel – ‘God is bij ons’ – genoemd wordt.
Er is echter geen passage te vinden die duidelijker is dan de passage bij Jeremia, waar staat dat de spruit van David deze naam zal krijgen: ‘Jehova onze rechtvaardigheid.’ Jeremia 23:6 De Joden leren zelf dat alle namen van God alleen maar bijnamen zijn. Alleen deze naam – Jehova – mag volgens hen niet worden uitgesproken. Want dit is zijn eigenlijke naam, die uitdrukt wie Hij in wezen is. Daaruit maken we op dat de Zoon de enige en eeuwige God is. Dezelfde God die ergens anders zegt dat Hij zijn eer niet aan iemand anders zal geven. Jesaja 42:8
De Joden proberen zich hier te verschuilen achter Mozes en Ezechiël. Mozes gaf een door hem gebouwd altaar die naam. Ezechiël noemt de nieuwe stad Jeruzalem zo. Maar wie begrijpt niet dat Mozes dat altaar bouwde om eraan te herinneren dat God hem verheven had? En dat Jeruzalem Gods naam krijgt om te laten zien dat God zelf daar aanwezig is? Want de profeet zegt:
‘Vanaf die dag zal de naam van die stad zijn: Jehova is daar.’ Ezechiël 48:35 En Mozes schrijft: ‘En hij bouwde een altaar en noemde die: Jehova is mijn verheffing.’ Exodus 17:15
Nu rest ons nog een groter discussiepunt, naar aanleiding van een andere passage bij Jeremia. Daar wordt deze zelfde naam op Jeruzalem toegepast met de woorden: ‘Zo zal de stad genoemd worden: Jehova onze rechtvaardigheid.’ Jeremia 33:16 Maar dit is absoluut geen bewijs tegen de waarheid die ik verdedig. Het steunt die waarheid juist. Jeremia heeft eerst verklaard dat Christus Jehova zelf is uit wie de rechtvaardigheid voortkomt. En nu verklaart hij dat Gods kerk zich daar zo sterk van bewust zal zijn, dat ze zich ook zelf op die naam zal kunnen beroemen. Jeremia noemt dus eerst de bron en de oorzaak van de rechtvaardigheid en vervolgens voegt hij daaraan toe wat het effect is van die rechtvaardigheid.
Christus is de ‘Engel van de HEER’
Misschien dat de Joden hier nog niet genoeg aan hebben. Maar ik zie niet met wat voor spitsvondigheden ze kunnen ontkomen aan het feit dat Jehova zo vaak gepresenteerd wordt in de persoon van een engel. Er wordt verteld dat aan de heilige aartsvaders een engel verscheen. Deze engel eist voor zichzelf de naam van de eeuwige God op. Richteren 6; 7; 13 Als iemand het zo uitlegt dat dit gezegd wordt uit eerbied voor de persoon in wiens opdracht die engel optreedt, dan wordt het probleem echt niet opgelost. Immers, een dienaar zou niet toestaan dat hem een offer gebracht werd. Dan zou hij God van zijn eer beroven. Toch weigert de engel om brood te eten en beveelt hij dat er een offer gebracht wordt aan Jehova. Vervolgens bewijst hij dat hij zelf die Jehova is. Daarom komen Manoach en zijn vrouw door dit teken tot de conclusie dat ze niet zomaar een engel gezien hebben, maar God zelf. Vandaar dat Manoach zegt: ‘Wij zullen sterven, want we hebben God gezien!’ En de vrouw antwoordt: ‘Als Jehova ons had willen doden, dan had Hij het offer uit onze hand niet aangenomen.’ Daarmee erkent ze ongetwijfeld dat degene die eerst een engel genoemd wordt, God zelf is. Daar komt nog bij dat de engel zelf met zijn antwoord alle twijfel wegneemt: ‘Waarom vraag je naar mijn naam? Die is immers wonderlijk?’
Daarom was het zo afschuwelijk goddeloos van Michaël Servet dat hij beweerde dat God nooit zichtbaar aan Abraham en de andere aartsvaders verschenen is. Volgens hem hebben ze in plaats van God een engel aanbeden. De rechtzinnige leraren van de kerk hebben het echter goed en verstandig uitgelegd. Volgens hen is deze belangrijkste engel het Woord van God. Toen al begon dat Woord de taak van middelaar uit te voeren. Hij was nog niet bekleed met vlees, maar Hij daalde toch al neer als tussenpersoon, om vertrouwelijk met de gelovigen om te gaan. Hij kwam dichtbij om het gesprek aan te gaan. Daarom kreeg Hij de benaming ‘engel’. Ondertussen bleef Hij wie Hij was: God met onuitsprekelijke glorie.
Dat bedoelt ook Hosea. Hij noemt het gevecht van Jacob met een engel en zegt dan: ‘Jehova, de God van de legermachten. Jehova is zijn gedenkwaardige naam.’ Hosea 12:5-6 Opnieuw brengt Servet hiertegen in dat het een gewone engel was die door God gedragen werd. Maar de profeet bevestigt toch gewoon wat Mozes gezegd heeft: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?’ En de heilige aartsvader belijdt zelf heel duidelijk dat het geen geschapen engel was, maar één waarin God zelf woonde. Want Jacob zegt: ‘Ik heb oog in oog gestaan met God.’ Genesis 32:29-30 (32:30-31)
Vandaar ook dat Paulus zegt dat Christus de gids is geweest van het volk in de woestijn. 1 Korinthiërs 10:4 De tijd van zijn vernedering was toen nog niet gekomen. Toch liet dat eeuwige Woord al iets zien van de taak waarvoor het bestemd was.
Als we nu onbevooroordeeld Zacharia 2 bestuderen, dan zien we dat de engel die de andere engel erop uitzendt, pal daarop de God van de legermachten genoemd wordt. Hem wordt de hoogste macht toegeschreven.
Ik laat nu talloze bewijzen liggen. De Joden zijn daar niet van onder de indruk, maar voor ons geloof vormen ze een stevig fundament. Bij Jesaja wordt bijvoorbeeld gezegd: ‘Kijk, dit is onze God, dit is Jehova. Hem zullen we verwachten en Hij zal ons redden.’ Jesaja 25:9 Als je ogen hebt, dan zie je duidelijk dat hier op God gewezen wordt, die opnieuw opstaat om zijn volk te verlossen. Dat er met nadruk twee keer een aanwijzend voornaamwoord gebruikt wordt – ‘dit… dit…’ – kan niets anders betekenen dan dat dit op Christus slaat.
Een nog duidelijker en betrouwbaarder bewijs wordt gevormd door een passage bij Maleachi. Daar wordt beloofd dat de langverwachte heerser naar zijn tempel zal komen. Maleachi 3:1 Die tempel was toch echt alleen aan de enige, hoogste God gewijd. Toch eist de profeet deze tempel op voor Christus. Daaruit volgt dat Christus dezelfde is als de God die de Joden altijd aanbeden hebben.
Bewijzen uit het Nieuwe Testament dat Christus God is
Het Nieuwe Testament wemelt werkelijk van de bewijzen. Daarom moet ik mijn best doen om me te beperken en er slechts enkele uitkiezen, in plaats van ze allemaal op te noemen. De apostelen hebben over Christus gesproken toen Hij al in het vlees als middelaar gekomen was. Toch zal alles wat ik ga aanvoeren heel geschikt zijn om te bewijzen dat Hij eeuwig God is.
Om te beginnen is het opmerkelijk dat de apostelen leren dat de voorzeggingen over God óf in Christus vervuld zijn, óf in Hem vervuld zullen worden. Jesaja voorzegt dat de Heer van de legermachten voor Juda en voor Israël een steen des aanstoots zal zijn. Paulus verzekert dat dat in Christus vervuld is. Jesaja 8:14; Romeinen 9:33 Daarmee verklaart hij dus dat die Heer van de legermachten Christus is. En ergens anders zegt Paulus: ‘We zullen allemaal voor de rechterstoel van Christus komen te staan. Want er staat geschreven: “Voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal aan Mij zweren.”’ Romeinen 14:11; Jesaja 45:23 Bij Jesaja zegt God dit over zichzelf. Christus vervult het in zichzelf. Daaruit volgt dat Christus zelf de God is wiens eer niet aan een ander gegeven mag worden.
In zijn brief aan de Efeziërs haalt Paulus iets aan uit de Psalmen: ‘Toen Hij opvoer naar omhoog, nam Hij de gevangenis gevangen.’ Efeziërs 4:8; Psalm 68:19 Het is duidelijk dat dit in de psalm alleen op God slaat. God toonde zijn macht door een bijzondere overwinning op buitenlandse volken. Maar volgens Paulus was dat een beeld van de hemelvaart. Daarmee geeft hij aan dat dit in Christus volledig vervuld is.
Johannes getuigt dat aan Jesaja in een visioen de glorie van de Zoon geopenbaard is. Maar de profeet zelf schrijft dat hij de majesteit van God gezien heeft. Johannes 12:41; Jesaja 6:1 In de brief aan de Hebreeën betrekt de apostel dingen op de Zoon die heel duidelijk lofprijzingen aan God zijn: ‘U, Heer, hebt in het begin de hemel en de aarde gefundeerd …’ Hebreeën 1:10; Psalm 102:26 En ook: ‘Alle engelen moeten Hem aanbidden.’ Hebreeën 1:6; Psalm 97:7 Toch misbruikt hij die woorden niet door ze op Christus toe te passen. Immers, alles wat in die psalmen bezongen wordt, heeft alleen Christus vervuld. Hij is het die opgestaan is en zich over Sion ontfermd heeft. Psalm 102:14 Hij is het die het gezag heeft opgeëist over alle volken en kustlanden. Psalm 97:1
Waarom zou Johannes hebben moeten aarzelen om de majesteit van God aan Christus toe te kennen? Johannes 1:14 Hij had immers eerder al gezegd dat het Woord altijd God geweest is. Johannes 1:1 Waarom zou Paulus hebben moeten schromen om Christus op Gods rechterstoel te plaatsen? 2 Korinthiërs 5:10 Hij had immers eerder al openlijk de lof van zijn God zijn verkondigd, toen hij zei dat Christus God is en tot in eeuwigheid geprezen moet worden. Romeinen 9:5 En om te laten zien dat Paulus op dat punt consequent is: hij schrijft ergens anders dat Christus God is, geopenbaard in het vlees. 1 Timotheüs 3:16 Als Christus dus God is die in eeuwigheid geprezen moet worden, dan is Hij het dus ook die recht heeft op alle eer en glorie, zoals dezelfde apostel op een andere plaats verzekert. 1 Timotheüs 1:17 En hij doet daar niet geheimzinnig over. Hij roept openlijk uit dat Christus het geen diefstal gevonden heeft dat Hij aan God gelijk was, maar dat Hij zichzelf leeg gemaakt heeft. Filippenzen 2:6-7
En om te voorkomen dat goddelozen hiertegen tekeer zouden gaan en zouden beweren dat Christus op een of andere manier tot God gemaakt is, gaat Johannes nog een stap verder en zegt: ‘Dit is de echte God en het eeuwige leven.’ 1 Johannes 5:20 Maar voor ons moet het genoeg zijn dat Christus God genoemd wordt. Vooral als dat gebeurt door die ene getuige die ons ook duidelijk verzekert dat er niet meerdere goden zijn, maar één. Die getuige is Paulus. Hij zegt: ‘Hoewel er veel zogenaamde goden zijn, in de hemel of op de aarde, hebben we toch maar één God, uit wie alle dingen voortkomen.’ 1 Korinthiërs 8:5-6 En uit dezelfde mond horen we dat God in het vlees geopenbaard is en dat God met zijn eigen bloed zijn kerk gekocht heeft. Handelingen 20:28 Waarom fantaseren zij dan een tweede God? De apostel erkent absoluut geen tweede God! En er is geen twijfel over mogelijk dat alle vromen er ook zo over dachten. Want als Thomas Christus openlijk zijn Heer en zijn God noemt, Johannes 20:28 dan belijdt hij daarmee dat Christus de enige God is, die hij altijd al aanbeden had.
Dat Christus God is, blijkt uit wat Hij doet
Als we nu op grond van wat Christus volgens de Schrift allemaal gedaan heeft beoordelen of Hij God was, dan zal nog duidelijker zichtbaar worden dat Hij dat inderdaad was. Zelf zei Hij dat Hij vanaf het begin tot nu toe samenwerkte met de Vader. Bij andere dingen die Hij zei, waren de Joden heel dom. Maar toen Hij dít zei, voelden ze wel aan dat Hij goddelijke macht voor zich opeiste. Johannes vertelt dat ze daarom nog meer probeerden om Hem te doden. Niet alleen omdat Hij de sabbat schond. Ook omdat Hij zei dat God zijn eigen Vader was. Daarmee stelde Hij zichzelf gelijk aan God. Johannes 5:17-18 Hoe dom zijn wij dan wel niet, als we niet aanvoelen dat hiermee volledig bevestigd wordt dat Hij God is?
En het is toch echt alleen de schepper die door zijn voorzienigheid en kracht de wereld kan besturen. Alleen Hij hoeft met zijn kracht maar een wenk te geven om alle dingen te regelen. Maar de apostel schrijft dat toe aan Christus. Hebreeën 1:3
En niet alleen het besturen van de wereld doet Hij samen met de Vader. Ze vervullen ook samen alle andere taken waar schepselen niet in kunnen delen. Via de profeet Jesaja roept de Heer uit: ‘Ik, Ik ben het die jullie overtredingen wegdoet omwille van mijzelf.’ Jesaja 43:25 Op grond van deze uitspraak vonden de Joden dat God onrecht gedaan werd omdat Christus zonden vergaf. Maar Christus heeft niet alleen met woorden verzekerd dat deze macht Hem toekwam. Hij heeft dat ook met een wonder bewezen. We zien dus dat Hij niet alleen het recht heeft om zonden te vergeven. Hij heeft ook de macht om dat te doen. Een macht waarvan de Heer zegt dat Hij die op niemand anders zal overdragen. Echt? Is God niet de enige die de geheime gedachten in het hart kan doorzoeken, omdat alleen Hij daarin kan doordringen? Maar ook die macht had Christus. En daaruit blijkt dat Hij God is. Mattheüs 9:1-8
Christus is God omdat Hij de macht heeft om ons te redden
Hoe helder en klaar blijkt dat niet uit de wonderen die Christus gedaan heeft! Ik geef toe dat ook de profeten en de apostelen zulke wonderen gedaan hebben. Maar er is een groot verschil. De profeten en de apostelen deelden uit wat God hen gegeven had. Maar Christus toonde zijn eigen kracht. Soms maakte Hij weliswaar gebruik van een gebed, om zo de eer aan de Vader te geven. Johannes 11:41 Maar meestal krijgen we zijn eigen kracht te zien.
En hoe zou Hij ook niet zelf de bewerker van die wonderen kunnen zijn? Hij vertrouwt immers op eigen gezag het uitdelen van wonderen aan anderen toe. Want de evangelisten vertellen dat Hij de apostelen de macht gegeven heeft om doden op te wekken, melaatsen te genezen, demonen uit te werpen, enzovoort. Mattheüs 10:8; Marcus 3:15; 6:7 Zij echter lieten in de uitvoering van hun bediening duidelijk genoeg blijken dat hun kracht alleen van Christus afkomstig was. ‘In de naam van Jezus Christus,’ zegt Petrus, ‘sta op en loop.’ Handelingen 3:6 Geen wonder dus dat Christus de Joden confronteerde met zijn wonderen, om zo hun ongeloof te overwinnen. Want omdat Hij die wonderen in eigen kracht deed, vormden ze een overweldigend bewijs dat Hij God is. Johannes 5:36; 10:37;
14:11
Bovendien, buiten God is er geen redding, geen rechtvaardigheid, geen leven. Maar Christus heeft al die dingen in zich. Dat bewijst onomstotelijk dat Hij God is. En nu moet niemand mij tegenspreken door te beweren dat God het leven en de redding in Hem heeft uitgegoten. Want er wordt nergens gezegd dat Hij de redding gekregen heeft. Wel wordt er gezegd dat Hij zelf de redding is. En als niemand goed is, behalve God, Mattheüs 19:17 hoe zou dan iemand die alleen maar mens is niet alleen goed en rechtvaardig, maar zelfs de goedheid en rechtvaardigheid zelf kunnen zijn? En getuigt de evangelist Johannes niet dat vanaf het eerste begin van de schepping in Hem het leven was? En dat dat leven, dat toen al bestond, het licht was voor de mensen? Johannes 1:4
En daarom durven wij, op basis van zulke bewijzen, ons geloof en onze hoop bouwen op Hem. Terwijl we weten dat het een goddeloze godslastering is als je je vertrouwen stelt op schepselen. Laten we daarom niet zomaar op Hem bouwen, maar alleen omdat Hij zelf gezegd heeft dat we dat moeten doen. ‘Jullie geloven in God,’ zegt Christus, ‘geloof ook in Mij.’ Johannes 14:1 En zo legt Paulus twee passages bij Jesaja uit: ‘Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd uitkomen.’ Romeinen 10:11; Jesaja 28:16 En: ‘Uit de wortel van Isaï zal iemand opstaan om over de volken te regeren. Op Hem zullen de heidenen hopen.’ Romeinen 15:12; Jesaja 11:10 En waarom zouden we nog meer bewijzen uit de Schrift zoeken? We komen immers zo vaak deze uitspraak tegen: ‘Wie in Mij gelooft, heeft eeuwig leven.’ Johannes 6:47
Trouwens, zelfs het aanroepen van God, dat het gevolg is van geloof, moet op Hem gericht zijn. En als er iets is waar alleen Gods majesteit recht op heeft, dan is het dit wel. Want de profeet Joël zegt: ‘Ieder die de naam van Jehova aanroept, zal gered worden.’ Joël 2:32 (3:5); Handelingen 2:21 En een ander zegt: ‘De naam van Jehova is een sterke toren. Als de rechtvaardige daarheen vlucht, zal hij gered worden.’ Spreuken 18:10 Maar je wordt ook gered als je de naam van Christus aanroept. Dat betekent dus dat Hij Jehova is. Van zo’n aanroeping hebben we ook een voorbeeld in Stefanus. Hij zegt: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest.’ Handelingen 7:59 En een ander voorbeeld hebben we in heel de kerk. Want Ananias getuigt in hetzelfde boek: ‘Heer, U weet hoeveel kwaad deze man alle heiligen aangedaan heeft, die uw naam aanroepen.’ Handelingen 9:13-14
En om ervoor te zorgen dat de mensen nog beter zouden begrijpen dat in het lichaam van Christus het hele wezen van God woont, verklaart de apostel Paulus dat hij onder de Korinthiërs geen enkele andere leer gebracht heeft dan wat hij wist van Christus. Alleen dat heeft hij gepredikt. 1 Korinthiërs 2:2 Hoe geweldig is het wel niet, vraag ik je, dat aan ons alleen de naam van de Zoon verkondigd wordt? Dat God ons beveelt dat we ons er alleen op beroemen dat we de Zoon kennen? Jeremia 9:24(9:23) Wie durft te beweren dat Hij alleen maar een schepsel is, als het kennen van Hem onze enige roem is?
Daar komt nog bij dat Paulus, als hij aan het begin van zijn brieven zijn lezers begroet, steeds de Zoon om dezelfde zegeningen bidt als de Vader. Daaruit leren we dat we die geschenken niet alleen maar krijgen van de hemelse Vader, door tussenkomst van de Zoon. De Zoon is zelf de gever, omdat Hij de macht deelt met de Vader. Dat we dat in de praktijk ervaren, geeft ons ongetwijfeld meer zekerheid dan elke denkbare nutteloze speculatie. Want een vroom mens ziet hierin God in zijn directe nabijheid. Hij kan God haast aanraken. Want hij voelt dat hij levend gemaakt, verlicht, gered, gerechtvaardigd en geheiligd wordt.
Dat de Geest God is, blijkt uit wat Hij doet
Dat de Geest God is, moeten we bewijzen uit dezelfde bronnen. Weliswaar geeft Mozes in het scheppingsverhaal een duidelijk bewijs, als hij zegt dat de Geest van God zweefde over de diepten, of over de vormloze materie. Genesis 1:2 Dat toont niet alleen aan dat de schoonheid van de wereld, die we nu zien, bewaard blijft door de kracht van de Geest. Het toont ook aan dat de Geest al voordat de materie zijn schoonheid kreeg, bezig was om voor die ongevormde massa te zorgen. Ook valt er niets in te brengen tegen wat gezegd wordt bij Jesaja: ‘En nu, Jehova heeft mij gezonden en zijn Geest.’ Jesaja 48:16 Als er profeten worden uitgezonden, deelt de Heilige Geest dus in het hoogste gezag. Daaruit blijkt zijn goddelijke majesteit.
Maar zoals ik zei: het beste bewijs krijgen we doordat we zelf met de werking van de Geest vertrouwd zijn. De Schrift schrijft Hem dingen toe die totaal niet passen bij andere schepselen. En die dingen leren we ook kennen omdat we die als vrome mensen zelf met zekerheid ervaren. Want de Geest is overal aanwezig. Hij voedt alle dingen, Hij laat ze groeien en Hij geeft ze het leven, in de hemel en op de aarde. Hij kan alleen al niet onder de schepselen gerekend worden omdat Hij niet begrensd is. Hij stort in alle dingen zijn kracht uit. Wezen, leven en beweging blaast Hij in. En dat is toch duidelijk echt het werk van God.
En dan de nieuwe geboorte naar het onvergankelijke leven. Die nieuwe geboorte is nog grootser en nog veel geweldiger dan elke andere levensgroei die er bestaat. Wat moeten we dan wel niet denken van Hem uit wiens kracht die nieuwe geboorte voortkomt? De Schrift leert ons op vele plaatsen dat de Geest die nieuwe geboorte bewerkt door zijn eigen kracht. Niet door een kracht die Hij aan iemand anders ontleend heeft. En Hij bewerkt niet alleen de nieuwe geboorte. Hij bewerkt ook de toekomstige onsterfelijkheid.
Ten slotte worden aan de Geest, net als aan de Zoon, alle taken opgedragen die het meest eigen zijn aan God. Immers, Hij doorzoekt zelfs de diepten van God, 1 Korinthiërs 2:10 die geen adviseur heeft onder de schepselen. Romeinen 11:34 Hij deelt wijsheid uit en stelt mensen in staat om te spreken. Terwijl de Heer tegen Mozes zegt dat alleen Hijzelf dat kan. Exodus 4:11 Zo krijgen wij door de Geest deel aan God, zodat wij zijn kracht voelen, die ons in zekere zin levend maakt. Hij is het die ons rechtvaardig maakt. Van Hem komen kracht, heiliging, waarheid, genade en alle denkbare goeds. Want er is maar één Geest en uit Hem komen allerlei gaven voort.
Want het is vooral opmerkelijk dat Paulus zegt dat er weliswaar veel verschillende gaven zijn, die op allerlei manieren worden uitgedeeld, maar dat het toch dezelfde Geest is. Hij stelt de Geest niet alleen voor als begin en oorsprong van die gaven, maar ook als de bewerker ervan. Paulus zou dat nooit zo gezegd hebben als hij niet had geweten dat de Heilige Geest God is. Even later zegt hij het nog duidelijker met de woorden: ‘Alle dingen worden uitgedeeld door één en dezelfde Geest, zoals Hij wil.’ 1 Korinthiërs 12:4-11 Als de Geest geen zelfstandigheid was in God, zou Paulus Hem zeker geen oordeel en wil toekennen. Heel duidelijk beschrijft Paulus de Geest dus als iemand met goddelijke macht. Daarmee toont hij aan dat de Geest een persoon is in God.
Bewijzen uit de Schrift dat de Geest God is
Maar ook als de Schrift over de Geest spreekt, laat zij niet na om Hem God te noemen. Paulus concludeert dat wij een tempel van God zijn, omdat zijn Geest in ons woont. 1 Korinthiërs 3:16-17; 6:19; 2 Korinthiërs 6:16 Dat kunnen we niet zomaar negeren. God belooft vaak dat Hij ons zal uitkiezen tot zijn tempel. En de enige manier waarop die belofte vervuld wordt, is doordat zijn Geest in ons woont. Augustinus zegt het echt heel treffend: ‘Als God ons zou bevelen om een tempel van hout en steen te bouwen voor de Geest, dan zou dat een duidelijk bewijs zijn dat Hij God is. Want die eer komt alleen God toe. Is het dan niet een nog veel duidelijker bewijs dat we geen tempel voor Hem moeten bouwen, maar dat we zelf een tempel moeten zijn?’ En de apostel schrijft de ene keer dat we een tempel van God zijn en dan weer dat we een tempel van de Heilige Geest zijn. En dan bedoelt hij steeds hetzelfde.
Petrus bestrafte Ananias omdat Hij tegen de Heilige Geest gelogen had. Hij zei toen dat Ananias niet tegen mensen gelogen had, maar tegen God. Handelingen 5:3-4 En als Jesaja de HEER van de legermachten citeert, dan is het volgens Paulus de Heilige Geest die spreekt. Jesaja 6:9; Handelingen 28:25-26 Ja, de profeten zeggen steeds dat hun woorden afkomstig zijn van de HEER van de legermachten, maar Christus en de apostelen schrijven die woorden toe aan de Heilige Geest. Dat betekent dus dat Hij echt Jehova zelf is, de oorspronkelijke auteur van de profetieën.
En als God klaagt dat de koppigheid van het volk Hem boos maakt, dan zegt Jesaja niet dat God bedroefd is, maar de Heilige Geest. Jesaja 63:10
Ten slotte, als je de Geest lastert, dan wordt dat je niet vergeven, niet in dit leven en niet in het toekomstige leven. Terwijl je wel vergeving krijgt als je de Zoon lastert. Mattheüs 12:31-32; Marcus 3:29; Lucas 12:10 Dit bewijst duidelijk de goddelijke majesteit van de Geest. Als je die krenkt, dan is dat een onvergeeflijke zonde.
Ik sla bewust veel bewijzen over die de kerkvaders wel gebruikt hebben. Zij vonden het een goed idee om deze woorden van David aan te halen: ‘Door het woord van de HEER is de hemel gemaakt en door de geest van zijn mond heel het hemelleger.’ Psalm 33:6 Volgens hen was dat een bewijs dat de wereld evengoed het werk is van de Heilige Geest als van de Zoon. Maar het is in de Psalmen normaal dat hetzelfde nog een keer gezegd wordt. En bij Jesaja betekent de ‘geest van zijn mond’ hetzelfde als ‘woord’. Jesaja 11:4 Daarom is dit een zwak argument. Ik heb me dus beperkt, want ik wilde alleen bewijzen aanvoeren waar mensen met een vroom hart veilig op kunnen steunen.
Er is slechts één God
Door de komst van Christus heeft God zich duidelijker geopenbaard. Daardoor hebben wij Hem ook vertrouwelijker leren kennen in drie personen. Daar zijn veel bewijzen voor, maar dit ene moet genoeg zijn. Want Paulus legt een verband tussen deze drie: God, geloof en doop. Efeziërs 4:5 En in zijn argumentatie gaat hij dan van het één naar het ander. Omdat er één geloof is, is er één God. En omdat er één doop is, is er één geloof. Dus als we door de doop ingewijd worden in het geloof in één God, dan kan het niet anders of we moeten de God in wiens naam wij gedoopt worden, beschouwen als de echte God.
Christus heeft gezegd: ‘Doop hen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.’ Mattheüs 28:19 Met die plechtige formule heeft Hij toen ongetwijfeld duidelijk willen maken dat inmiddels het volmaakte licht van het geloof geopenbaard was. Het betekent immers hetzelfde als gedoopt worden in de naam van de ene God. Die God heeft zich overduidelijk geopenbaard in de Vader, de Zoon en de Geest. En daaruit blijkt dat in Gods wezen drie personen bestaan. Wie die personen kent, kent de ene God.
Wie gelooft, moet zich niet dan hier, dan daar op richten. Hij moet niet gaan dwalen, maar hij moet zijn blik gericht houden op de ene God. Tot Hem moet hij zich wenden, aan Hem moet hij zich vastklampen. Ongetwijfeld kun je hier gemakkelijk uit concluderen dat als er meerdere soorten van geloof zijn, dat er dan ook meer Goden moeten zijn. En de doop is een sacrament van het geloof. Dat er maar één doop is, bevestigt daarom voor ons dat er ook maar één God is. En dus mag je ook alleen in de naam van die ene God gedoopt worden. Want we omhelzen het geloof in Hem in wiens naam we gedoopt worden. Als Christus beveelt dat we moeten dopen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest – dan bedoelt Hij dus niets anders dan dat we met één geloof moeten geloven in de Vader en de Zoon en de Geest. Maar daarmee laat Hij toch duidelijk zien dat de Vader, de Zoon en de Geest één God zijn?
Zo blijft dus overeind staan dat er één God is en dat er niet meerdere Goden zijn. Dus concludeer ik dat het Woord en de Geest niet anders zijn dan het wezen van God zelf. Wat de arianen zeiden, is dus echt grote onzin. Ze erkenden dat de Zoon God is, maar ze ontnamen Hem Gods wezen. En de macedonianen waren door net zo’n waanzin bevangen. Zij wilden de Geest beperken tot de genadegaven die in de mensen zijn uitgestort. Inderdaad komen wijsheid, kennis, verstand, kracht en vrees voor God uit de Geest voort. Daarom is Hij de ene Geest van wijsheid, van verstand, van kracht en van vroomheid. Jesaja 11:2 Maar Hij wordt niet gedeeld, zoals zijn gaven worden verdeeld. Hoe verschillend die gaven ook uitgedeeld worden, Hijzelf blijft één en dezelfde, zegt de apostel Paulus. 1 Korinthiërs 12:11
God bestaat uit drie onderscheiden personen
Opnieuw, de Schrift maakt wel onderscheid tussen de Vader en het Woord en tussen het Woord en de Geest. Maar als we dat onderscheid gaan onderzoeken, moeten we dat doen met ontzag en bescheidenheid. Want het is een groot mysterie. Ik vind zelf deze uitspraak van Gregorius van Nazianze erg mooi: ‘Ik kan niet aan de ene God denken, of meteen schittert om mij heen de glans van de drie personen. Ik kan geen onderscheid maken tussen de drie personen, of direct brengt dat mij weer bij de ene God.’ Daarom moeten wij ook niet proberen om ons de drie-eenheid van personen zo voor te stellen dat die personen in onze gedachten van elkaar losgemaakt worden. We moeten meteen weer tot de eenheid teruggebracht worden.
De woorden Vader, Zoon en Geest duiden vast en zeker op een echt onderscheid. Niemand moet denken dat het alleen maar aanduidingen zijn die God beschrijven volgens de verschillende manieren waarop Hij werkt. Maar ze duiden dus alleen een onderscheid aan. Geen verdeling.
Dat de Zoon een eigenheid heeft die Hem onderscheidt van de Vader, dat bewijzen de passages die ik al heb aangehaald. Want het Woord zou niet bij God geweest zijn als het niet een ander was dan de Vader. En het Woord zou ook niet zijn glorie gehad hebben bij de Vader als er geen onderscheid tussen hen was. Op dezelfde manier maakt de Zoon onderscheid tussen de Vader en Hemzelf als Hij zegt dat er een ander is die over Hem getuigt. Johannes 5:32; 8:18
En dit komt overeen met wat ergens anders gezegd wordt: de Vader heeft alles geschapen door het Woord. Dat had Hij niet kunnen doen als Hij niet in zekere zin van het Woord onderscheiden was. Bovendien is niet de Vader naar de aarde neergedaald, maar Hij die van de Vader is uitgegaan. Niet de Vader is gestorven en opgestaan, maar Hij die door Hem gezonden is. En dat onderscheid is niet pas begonnen toen het Woord een lichaam heeft aangenomen. Het is duidelijk dat de eniggeboren Zoon ook daarvóór al in de schoot van de Vader was. Johannes 1:18 Want wie zou durven beweren dat de Zoon pas in de schoot van de Vader binnengegaan is, toen Hij uit de hemel neerdaalde om de menselijke natuur aan te nemen? Hij was dus daarvóór al in de schoot van de Vader en had zijn glorie bij de Vader.
Christus laat het onderscheid tussen de Heilige Geest en de Vader zien als Hij zegt dat de Heilige Geest van de Vader uitgaat. En telkens als Hij de Heilige Geest een ‘ander’ noemt, laat Hij daarmee het onderscheid tussen de Heilige Geest en Hemzelf zien. Bijvoorbeeld toen Hij aankondigde dat Hij een andere trooster zou zenden. Johannes 14:16; 15:26
Het onderscheid tussen de drie personen
Ik weet werkelijk niet of het wel zin heeft om aan de hand van voorbeelden uit het dagelijks leven duidelijk te maken hoever dit onderscheid gaat. De kerkvaders deden dat soms wel, maar tegelijk geven ze toe dat alle voorbeelden die ze aanvoeren erg mank gaan. Zodoende ben ik bang om te overmoedig te zijn. Ik wil niet iets naar voren brengen dat misschien ongepast is. Dat zou kwaadwilligen aanleiding kunnen geven om te lasteren of onwetenden op een verkeerd spoor kunnen brengen. Maar ik mag het onderscheid niet verzwijgen. Want het staat in de Schrift opgetekend.
Het onderscheid is dit: aan de Vader wordt het begin toegeschreven van alles wat God doet. Hij is de bron waar alles uit opwelt. De Zoon heeft bij wat God doet de wijsheid, het plannen maken en het beheer. Maar de Geest de kracht en de uitvoering van wat God doet.
Verder dit: de eeuwigheid van de Vader is ook de eeuwigheid van de Zoon en de Geest. Want God heeft nooit kunnen bestaan zonder zijn wijsheid en zijn kracht. In die eeuwigheid mogen we niet zoeken naar vroeger of later. Maar toch is het niet zinloos of overbodig om te kijken naar een rangschikking. Want we zien dat de Vader eerst genoemd wordt, dat vervolgens de Zoon uit Hem voortkomt en dat daarna uit beiden de Geest voortkomt. Want ook wij zijn in onze gedachten allemaal geneigd om eerst aan God te denken, dan aan de wijsheid die uit Hem voortkomt en dan ten slotte aan de kracht waarmee Hij zijn besluiten uitvoert. Dat is de reden dat gezegd wordt dat de Zoon alleen uit de Vader voortkomt en de Geest uit de Vader en de Zoon tegelijk.
Dit vind je op veel plaatsen in de Schrift, maar nergens zo duidelijk als in Romeinen 8. Daar wordt dezelfde Geest het ene moment de Geest van Christus genoemd en even later de Geest van Hem die Christus uit de doden heeft opgewekt. Romeinen 8:9-11 Er wordt geen onderscheid gemaakt en dat is terecht. Want ook Petrus getuigt dat de profeten geprofeteerd hebben door de Geest van Christus. 1 Petrus 1:10-11 Terwijl de Schrift op heel veel plaatsen leert dat het door de Geest van God de Vader geweest is.
De onderlinge verhouding tussen de drie personen
Bovendien vormt dit onderscheid geen belemmering voor de absolute eenheid van God. Je kunt dit onderscheid zelfs gebruiken als bewijs dat de Zoon samen met de Vader één God is. Want samen met de Vader heeft de Zoon één Geest. En je kunt dit onderscheid ook gebruiken om te bewijzen dat de Geest niet iemand anders is dan de Vader en de Zoon. Want Hij is de Geest van de Vader en de Zoon. Je ziet dus in alle drie de personen de hele goddelijke natuur, maar dan in elk met zijn eigen eigenheid. De Vader is volledig aanwezig in de Zoon en de Zoon volledig in de Vader. Dat verzekert de Zoon zelf: ‘Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij.’ Johannes 14:10
Ook de kerkvaders staan niet toe dat de een van de ander gescheiden wordt door onderscheid te maken in hun wezen. ‘Deze namen geven wel een onderscheid aan,’ zegt Augustinus, ‘maar daarmee wordt de onderlinge verhouding aangeduid. Niet het wezen zelf, want daarin zijn Zij één.’ In deze zin moeten de uitspraken van de kerkvaders onderling met elkaar in overeenstemming gebracht worden. Soms lijken die uitspraken elkaar namelijk een beetje tegen te spreken. Want het ene moment leren ze dat de Vader de oorsprong is van de Zoon en het volgende moment verzekeren ze dat de Zoon zijn God zijn uit zichzelf heeft en dus samen met de Vader dezelfde oorsprong heeft.
Augustinus legt ergens anders goed en duidelijk uit wat de oorzaak voor dat verschil is. Hij zegt: ‘Christus wordt in relatie tot zichzelf God genoemd. In relatie tot de Vader wordt Hij Zoon genoemd. Ook de Vader wordt in relatie tot zichzelf God genoemd en in relatie tot de Zoon wordt Hij Vader genoemd. Wat in relatie tot de Zoon Vader genoemd wordt, is niet de Zoon. Wat Zoon genoemd wordt in relatie tot de Vader, is niet de Vader. Wat in relatie tot zichzelf Vader genoemd wordt en wat in relatie tot zichzelf Zoon genoemd wordt, is dezelfde God. Dus als we het alleen maar over de Zoon hebben en niet over de Vader, dan hebben we het over wie Hij is in relatie tot zichzelf. En dan noemen we Hem de enige oorsprong. Maar als we de relatie noemen waarin Hij tot de Vader staat, dan is het terecht als we zeggen dat de Vader de oorsprong is van de Zoon.’
Heel boek 5 van zijn Over de drie-eenheid besteedt Augustinus aan het uitleggen van dit probleem. Maar het is het veiligst om de verhouding die Augustinus leert gewoon te accepteren. We moeten niet proberen met spitsvondige redeneringen door te dringen in dit verheven mysterie. Al die zinloze speculaties brengen ons alleen maar aan het dwalen.
Samenvatting van de leer van de drie-eenheid
Als je graag bescheiden bent en genoegen neemt met wat past binnen de grenzen van het geloof, aanvaard dan wat goed is om te weten. In het kort: als we belijden dat we geloven in één God, dan bedoelen we met de naam ‘God’ het enige en enkelvoudige wezen. Dat wezen omvat drie personen of zelfstandigheden. Telkens als de naam ‘God’ genoemd wordt zonder specificering, worden ook de Zoon en de Geest bedoeld en niet alleen de Vader. Maar als niet alleen de Vader, maar ook de Zoon genoemd wordt, dan komt de verhouding tussen hen ter sprake. En dan maken we dus onderscheid tussen de personen.
De eigenheid van de personen brengt een rangschikking mee. In de Vader is het begin en de oorsprong. Telkens als de Vader genoemd wordt samen met de Zoon of de Geest, wordt de naam ‘God’ daarom specifiek aan de Vader toegekend. Op die manier blijft de eenheid van het wezen behouden, terwijl er ook rekening wordt gehouden met de rangschikking, zonder er afbreuk aan te doen dat de Zoon en de Geest ook God zijn.
Hiervóór hebben we gezien dat de apostelen verzekeren dat de Zoon van God dezelfde is als degene van wie Mozes en de profeten getuigd hebben dat Hij Jehova is. Daarom moeten we altijd uitkomen bij de eenheid van het wezen. Het is voor ons dus een afschuwelijke heiligschennis als de Zoon een andere God genoemd wordt dan de Vader. Want de enkelvoudige naam ‘God’ sluit elke relatie uit. God kan niet in relatie tot zichzelf de één of de ander genoemd worden.
Dat de naam Jehova zonder specificering ook op Christus slaat, blijkt ook uit de woorden van Paulus: ‘Hierover heb ik de Heer driemaal gebeden.’ Want als hij Christus’ antwoord noemt – ‘Mijn genade is voor jou genoeg’ – voegt hij er even later aan toe: ‘Zodat de kracht van Christus in mij komt wonen.’ 2 Korinthiërs 12:8-9 Vast en zeker staat de naam ‘Heer’ hier voor Jehova. Het zou flauw en kinderachtig zijn om de naam ‘Heer’ hier te beperken tot de persoon van de middelaar. Want Paulus geeft geen specificering. Hij stelt de Zoon niet naast de Vader. En we weten dat de apostelen overal de naam Kurios – ‘Heer’ – gebruiken voor Jehova. Want dat was gebruikelijk in het Grieks.
We hoeven niet lang te zoeken om daar een voorbeeld van te vinden. Toen Paulus tot de Heer bad, deed hij dat vanuit het hetzelfde idee als Petrus toen hij deze passage uit Joël aanhaalde: ‘Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal gered worden.’ Handelingen 2:21; Joël 2:32 (3:5) Hier wordt die naam aan de Zoon toegeschreven. Maar dat heeft een andere reden. Dat zal blijken als we daaraan toe zijn. Nu is het genoeg als we zien dat Paulus zonder specificering tot God bad en dan meteen de naam van Christus daaraan toevoegde.
Op dezelfde manier noemt Christus zelf ook de hele God Geest. Johannes 4:24 Want er is geen enkele belemmering om het hele wezen van God, dat Vader, Zoon en Geest omvat, geestelijk te noemen. Want we horen daar niet alleen dat God een Geest genoemd wordt. We horen dat de Heilige Geest, voor zover Hij een persoon is in het hele wezen, de Geest van God genoemd wordt en dat Hij uit God voortkomt.
Een waarschuwing tegen dwaalleer
Nu heeft Satan, om ons geloof met wortel en al uit te roeien, hierover altijd felle discussies laten ontstaan. Aan de ene kant gingen die discussies over de vraag of de Zoon en de Geest wel God zijn. En aan de andere kant over het onderscheid tussen de personen. Hij heeft niet alleen in alle voorgaande eeuwen goddeloze mensen ertoe aangezet om de rechtzinnige leraren hiermee te kwellen. Ook nu nog probeert hij de oude vonken weer tot een nieuw vuur aan te wakkeren. Daarom is het de moeite waard om hier tegen de perverse waanzin van sommigen in het geweer te komen.
Tot nu toe was het vooral mijn bedoeling om ontvankelijke mensen aan de hand te leiden. Het was niet mijn bedoeling om slaags te raken met koppige ruziemakers. Daarom heb ik de waarheid op een vreedzame manier uiteengezet. Maar nu moet die waarheid verdedigd worden tegen alle laster van goddelozen. Toch zal ik ook nu vooral mijn best doen om de mensen die graag hun oren openen voor Gods Woord iets te geven waarop ze veilig kunnen staan.
Als er ergens in de diepe mysteries van de Schrift bescheiden en met grote zelfbeheersing geredeneerd moet worden, dan hier wel! We moeten heel voorzichtig zijn zodat onze gedachten of onze tong niet verder gaan dan tot waar Gods Woord reikt. Want hoe zou de mens het oneindige wezen van God kunnen afmeten aan de maat van zijn eigen verstand? Hij kan niet eens met zekerheid bepalen waar het lichaam van de zon uit bestaat, terwijl hij die toch elke dag met eigen ogen ziet. Sterker nog, hoe zou hij uit zichzelf kunnen doordringen tot Gods wezen om dat te doorgronden, terwijl hij zijn eigen wezen niet eens begrijpt?
Laten we het dus maar liever aan God overlaten om zichzelf te kennen. Want aan Hem alleen, zegt Hilarius, hebben we genoeg als getuige voor zichzelf. We kunnen Hem niet kennen als Hij zich niet zelf laat kennen. We moeten het dus aan Hem overlaten. En dat doen we als we ons geen andere voorstelling van Hem maken dan zoals Hij zich aan ons openbaart. We moeten Hem dus nergens anders zoeken dan in zijn Woord.
Er bestaan over het onderwerp van de drie-eenheid vijf preken van Chrysostomos tegen de anomoianen. Maar hij heeft de brutaliteit van de drogredenaars daarmee niet kunnen intomen. Die praatjesmakers bleven hun eigen gang gaan. Ook bij dit onderwerp gedroegen ze zich zoals ze altijd doen. Die brutaliteit heeft helemaal verkeerd uitgepakt. Dat moet voor ons een waarschuwing zijn. Als we ons met dit onderwerp bezighouden, moeten we ons ontvankelijk opstellen en niet spitsvondig willen zijn. We moeten ons niet in het hoofd halen dat we Hem ergens anders kunnen vinden dan in het Woord. We moeten over Hem geen dingen bedenken die zijn Woord ons niet voorhoudt en ook geen dingen zeggen die we niet in datzelfde Woord gevonden hebben.
Het onderscheid dat er in de ene God bestaat tussen Vader, Zoon en Geest is moeilijk te begrijpen. Als dat voor het verstand van sommigen te veel problemen geeft, dan moeten zij bedenken dat mensen in gedachten een doolhof binnengaan zodra ze toegeven aan hun nieuwsgierigheid. Daarom moeten ze zich geduldig overgeven aan wat God vanuit de hemel gezegd heeft. Daar moeten ze zich door laten leiden, ook al begrijpen ze de diepte van dit mysterie niet.
De dwaalleer van Servet
Ik zou een opsomming kunnen geven van de dwalingen waarmee in het verleden de zuiverheid van het geloof is aangevallen. Maar dat zou te lang duren en onnodig saai worden. En de meeste ketters die met hun waanzin de volle glorie van God probeerden te verduisteren, vonden het voldoende om ongeschoolde mensen aan het wankelen en in verwarring te brengen. Uit weinig mensen zijn dan ook direct veel sekten opgeborreld. Sommige van die sekten scheurden Gods wezen uit elkaar. Andere wisten het onderscheid uit dat er tussen de personen bestaat. Maar ik heb hiervóór uit de Schrift voldoende aangetoond dat het wezen van de ene God, dat betrekking heeft op de Vader, de Zoon en de Geest, enkelvoudig en ondeelbaar is. Ook heb ik aangetoond dat de Vader door een bepaalde eigenheid onderscheiden is van de Zoon en de Zoon van de Geest. Als we daaraan vasthouden, dan is de deur niet alleen gesloten voor Arius en Sabellius, maar ook voor anderen die in het verleden dwalingen uitgedacht hebben.
Maar in onze tijd zijn er enkele krankzinnigen opgestaan. Servet bijvoorbeeld en anderen zoals hij. Zij hebben met hun goocheltrucs alles in een nieuw jasje gestoken. Daarom is het de moeite waard met enkele woorden op hun bedrog in te gaan.
Servet had een grote hekel aan de term drie-eenheid. Ja, hij had daar een afschuw van. Daarom zei hij dat alle trinitariërs, zoals hij ze noemde, atheïsten waren. Ik sla nu maar over welke smakeloze namen hij bedacht om hen te lasteren. Maar de kern van zijn speculaties was dat je je God voorstelt in drie delen, als je zegt dat zijn wezen bestaat uit drie personen. En dat die drie delen alleen bestaan in je verbeelding, omdat ze in strijd zijn met Gods eenheid.
Ondertussen beweerde hij wel dat de personen uiterlijke vormen waren. Ze bestonden niet echt in Gods wezen, maar vormden voor ons een afbeelding van God, soms in deze vorm, dan in die vorm. In het begin was er in God geen enkele vorm van onderscheid. Want vroeger was het Woord hetzelfde als de Geest. Maar sinds Christus verschenen is als God uit God, is ook de Geest uit Hem voortgekomen als een andere God.
Soms kleurt hij zijn praatjes met beeldspraak. Zo zegt hij bijvoorbeeld dat het eeuwige Woord van God de Geest van Christus is geweest bij God. En dat zou een reflectie zijn van een idee. Ook zegt hij dat de Geest een schaduw van God geweest is. Maar later ontkent hij dat Christus en de Geest God zijn. Hij beweert namelijk dat zowel in de Zoon als in de Geest een stukje van God is, bij wijze van uitdeling. Zo is dezelfde Geest met zijn wezen ook een stukje van God in ons en zelfs in hout en steen.
Wat hij leutert over de persoon van de middelaar, zullen we zien als we daaraan toekomen. Maar zijn monsterlijke verzinsel dat de middelaar alleen maar een zichtbare vorm is van Gods glorie, kan ik kort weerleggen. Want Johannes maakt een groot onderscheid tussen het Woord en de vorm. Hij zegt dat het Woord al God was toen de wereld nog niet geschapen was. Johannes 1:1 Maar als het Woord ook toen al en in alle eeuwigheid God was, bij de Vader was en bij de Vader door zijn eigen glorie gekenmerkt werd, Johannes 17:5 dan kon Hij geen uiterlijke vorm zijn van Gods glans. En dan kan het niet anders, of Hij was toen een persoon die binnen God bestond.
De Geest wordt alleen genoemd in het verhaal over de schepping van de wereld. Maar de Geest wordt daar niet voorgesteld als een schaduw, maar als het wezen van Gods kracht. Want Mozes vertelt dat de vormloze massa door Hem gedragen werd. Genesis 1:2 Toen bleek dus dat Hij een eeuwige Geest was. Hij is altijd in God geweest, want Hij zorgde voor de vormloze materie van de hemel en de aarde, voordat daar schoonheid en regelmaat in kwam. En dus kon Hij toen echt nog geen afbeelding of zichtbare vorm van God zijn, zoals Servet fantaseert.
Maar ergens anders wordt hij gedwongen openlijk te laten zien hoe goddeloos hij is. Hij zegt dat God in zijn eeuwige plan bepaalde dat Hij een zichtbare Zoon zou hebben. In die Zoon zou God zichzelf hebben laten zien. Als dit waar zou zijn, zou Christus alleen nog maar God zijn voor zover Hij door het eeuwige besluit van God als Zoon is aangesteld. Daar komt nog bij dat hij de personen vervangt door vervormde schimmen. Daarbij aarzelt hij niet om te beweren dat er van buitenaf nieuwe dingen in God gekomen zijn.
Maar het ergst van alles is wel dat hij zowel de Zoon van God als de Geest zonder onderscheid vermengt met alle schepselen. Want hij beweert openlijk dat Gods wezen gedeeld is en verdeeld wordt. En de delen zouden allemaal God zijn. Het komt erop neer dat hij beweert dat de geesten van de gelovigen net als God eeuwig zijn en van hetzelfde wezen zijn als God. En ergens anders kent hij Gods wezen niet alleen toe aan de ziel van de mens, maar ook aan andere geschapen dingen.
De Zoon en de Geest zijn niet minder God dan de Vader
Uit dit moeras is een ander monster voortgekomen, dat er maar weinig van verschilt. Sommige nietsnutten wilden voorkomen dat ze hetzelfde verwijt zouden krijgen als Servet met zijn goddeloosheid en dat dezelfde schande hen zou treffen. Daarom gaven ze toe dat er drie personen zijn. Maar ze voegden daar deze redenering aan toe: eigenlijk is de Vader de enige echte God. Hij heeft de Zoon en de Geest gemaakt en zo zijn God zijn in Hen overgegoten. En ze deinzen er niet voor terug om zoiets afschuwelijks te beweren als dit: het enige kenmerk dat de Vader onderscheid van de Zoon en de Geest is dat Hij degene is die Hen Gods wezen gegeven heeft.
Ze kleden dit heel mooi in met het argument dat Christus overal Gods Zoon genoemd wordt. Daaruit concluderen ze dat eigenlijk alleen de Vader God is. Inderdaad wordt de naam ‘God’ soms inderdaad bij uitstek aan de Vader toegeschreven – hoewel ook de Zoon in die naam deelt – omdat de Vader de bron en het begin van het God zijn is. Maar ze zien niet dat dat gebeurt met de bedoeling de absolute eenheid van Gods wezen aan te duiden.
Hun verweer hiertegen is dat als Christus echt de Zoon van God is, het absurd is om Hem te beschouwen als de Zoon van een persoon. Mijn reactie is dan dat het allebei waar is. Hij is de Zoon van God omdat Hij – ik heb het nu nog niet over de persoon van de middelaar – het Woord is dat voor het begin van de tijd door de Vader is voortgebracht. 1 Korinthiërs 2:7 Als we dit uitleggen, moeten we toch redeneren vanuit de persoon. We moeten niet simpelweg de naam ‘God’ gebruiken, maar in plaats daarvan spreken van de Vader. Want als we vinden dat God alleen de Vader is, is het duidelijk dat we de Zoon beroven van die rang.
Daarom mogen we, als we het hebben over Gods wezen, dus geen tegenstelling laten bestaan tussen de Zoon en de Vader, alsof eigenlijk alleen de Vader recht heeft op de naam ‘God’. Want de God die aan Jesaja verscheen, was echt de enige echte God. En toch verzekert Johannes dat die God Christus was. Jesaja 6:1; Johannes 12:41 Het was ook de enige God die door de mond van Jesaja getuigde dat Hij voor de Joden een steen des aanstoots zou zijn. En Paulus verklaart dat dat Christus was. Jesaja 8:14; Romeinen 9:33 Als God via Jesaja roept: ‘Zo waar ik leef, voor Mij zal elke knie zich buigen,’ dan is het de enige God die dit roept. En toch past dezelfde Paulus dit toe op Christus. Jesaja 45:23; Romeinen 14:11
Daar komt nog bij dat de apostel deze Schriftbewijzen aanhaalt: ‘U, Heer, hebt de aarde gefundeerd,’ Hebreeën 1:10; Psalm 102:26 en: ‘Al Gods engelen moeten Hem aanbidden.’ Hebreeën 1:6; Psalm 97:7 Deze Schriftbewijzen kunnen alleen maar slaan op de enige God. Maar de apostel beweert dat het lofprijzingen zijn waar Christus zelf recht op heeft. En het heeft geen enkele zin om te beweren dat de eer waar God recht op heeft alleen maar op Christus wordt overgebracht omdat in
Hem Gods glorie straalt. Want als ergens de naam Jehova staat, dan betekent dat altijd dat Hij uit zichzelf God is. En als Christus Jehova is, dan kan niet ontkent worden dat Hij dezelfde God is die ergens anders via Jesaja uitroept: ‘Ik, Ik ben en buiten Mij is er geen God.’ Jesaja 44:6
Ook is het goed om deze woorden van Jeremia te overwegen: ‘De goden die niet de hemel en de aarde gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde die onder de hemel is.’ Jeremia 10:11 Maar in tegenstelling tot deze goden vergaat de Zoon van God niet. Op grond hiervan moeten we dus toegeven dat Hij degene is van wie bij Jesaja meerdere keren bewezen wordt dat Hij God is omdat Hij de wereld geschapen heeft. En als Hij als schepper alles gemaakt heeft, hoe kan Hij dan niet uit zichzelf zijn, maar zijn wezen gekregen hebben van iemand anders? Want als je zegt dat de Zoon zijn wezen gekregen heeft van de Vader, dan ontken je dat de Zoon uit zichzelf is. Maar de Heilige Geest gaat daartegen in en noemt Hem Jehova.
Bovendien, als we zouden toegeven dat alleen de Vader heel Gods wezen heeft, dan betekent dat óf dat het wezen verdeeld kan worden, óf dat je het aan de Zoon ontneemt. En als je zo de Zoon berooft van Gods wezen, dan is Hij alleen nog in naam God. Als je die praatjesmakers moet geloven, hoort Gods wezen alleen bij de Vader. Eigenlijk is Hij alleen God, maar Hij geeft zijn wezen aan de Zoon. Op die manier is het God zijn van de Zoon iets dat als het ware gedestilleerd is uit Gods wezen, oftewel een deel dat is afgeleid van het geheel.
Op grond van dit uitgangspunt moeten ze vervolgens ook toegeven dat de Geest alleen de Geest van de Vader is. Want als Hij afgeleid is van het eerste wezen, dat alleen aan de Vader toebehoort, dan mag je Hem niet als de Geest van de Zoon beschouwen. Maar dat wordt weerlegd door het getuigenis van Paulus. Want Paulus kent de Geest toe aan Christus en de Vader samen. Romeinen 8:9
Daar komt bij, als je de persoon van de Vader uit de drie-eenheid schrapt, waarin verschilt Hij dan nog van de Zoon en de Geest? Het enige verschil is dan dat alleen de Vader God is. Maar ze geven toe dat Christus ook God is en toch beweren ze dat Hij van de Vader verschilt. Dan moet er aan beide kanten een kenmerk zijn dat onderscheid maakt. Anders is de Vader dezelfde als de Zoon. Zij zien dat onderscheid in het wezen, maar het is duidelijk dat ze daarmee het echt God zijn van Christus tenietdoen. Want Hij kan niet God zijn zonder Gods wezen te hebben en dan bedoel ik heel Gods wezen. Ongetwijfeld kan de Vader niet van de Zoon verschillen als Hij niet iets eigens in zich heeft waar de Zoon geen deel aan heeft. Wat kunnen ze bedenken om Hem te kunnen onderscheiden? Als het onderscheid in het wezen ligt, dan moeten ze eens antwoord geven op de vraag of Hij de Zoon geen deel gegeven heeft aan dat wezen. Maar dat kon onmogelijk alleen maar gedeeltelijk. Want je mag geen halfgod maken. Bovendien scheuren ze Gods wezen zo op een afschuwelijke manier uit elkaar.
Zo blijft overeind dat de Vader en de Zoon samen helemaal en volledig Gods wezen hebben. Als dit waar is, zal er inderdaad wat betreft het wezen geen enkel onderscheid zijn tussen de een en de ander. Als ze hiertegen inbrengen dat de Vader het wezen geeft en ondanks dat toch de enige God blijft en dat alleen Hij het wezen heeft – dan is Christus een afbeelding van God. Dan is Hij alleen in schijn of in naam God, maar dan is Hij het niet echt.
Want niets is zo eigen aan God als wel het wezen, het zijn. Dat blijkt wel uit deze woorden: ‘Hij die is, heeft mij naar jullie gezonden.’ Exodus 3:14
De naam God heeft ook betrekking op de Zoon
Het is dus onjuist dat mijn tegenstanders aannemen dat, overal waar in de Schrift God genoemd wordt zonder specificering, alleen de Vader bedoeld wordt. Dat kan ik bewijzen met vele passages. En juist de passages die zij aanhalen om zich te verdedigen, juist die passages verraden hoe vreselijk onnadenkend ze zijn. Want daar wordt de naam van de Zoon erbij genoemd. En daaruit blijkt dat daar de naam ‘God’ gebruikt wordt in relatie tot de Zoon en dus daarom beperkt wordt tot de persoon van de Vader. Door één woord wordt hun bezwaar dus ontzenuwd.
Als de Vader niet alleen de echte God zou zijn, zeggen ze namelijk, zou Hij zelf zijn eigen Vader zijn. Maar het is helemaal niet absurd dat de Vader in het bijzonder God genoemd wordt, vanwege zijn positie in de rangschikking. Hij heeft niet alleen zijn wijsheid voortgebracht. Hij is ook de God van de middelaar, zoals ik op de juiste plaats zal uitleggen. Want nadat Christus lichamelijk geopenbaard is, wordt Hij Gods Zoon genoemd. Niet alleen maar als het eeuwige Woord dat voor het begin van de tijd door de Vader is voortgebracht. Ook omdat Hij de persoon en de dienst van de middelaar op zich genomen heeft, om ons met God te verenigen.
Mijn tegenstanders zijn zo brutaal om de Zoon uit te sluiten van Gods eer. Daarom zou ik wel eens willen weten: als Hij zegt dat niemand goed is, behalve God, ontzegt Hij zichzelf dan dat Hij goed is? Mattheüs 19:17 Ik bedoel dan niet zijn menselijke natuur. Ze moeten dus niet aanvoeren dat al het goede dat er in zijn menselijke natuur was het gevolg was van een genadegave. Ik vraag of het eeuwige Woord van God goed is of niet. Als ze zeggen van niet, dan is daarmee voldoende bewezen hoe goddeloos ze zijn. Als ze het toegeven, dan doen ze zichzelf de das om.
Dat het er hier op het eerste gezicht op lijkt dat Christus niet goed genoemd wil worden, versterkt mij in mijn mening. Alleen God mag op deze manier geprezen worden. Maar Christus werd op een algemeen gebruikelijke manier begroet als goed. Dat wijst Hij af als een valse eer. Hij wijst erop dat Hij goed is omdat Hij God is.
Paulus verzekert dat alleen God onvergankelijk, wijs en betrouwbaar is. 1 Timotheüs 1:17; Romeinen 16:27; 3:4 Daarom vraag ik ook of Christus door die woorden soms gerekend wordt onder de stervelingen, dwazen en leugenaars. Zou Hij soms niet onsterfelijk zijn? Hij was vanaf het begin het leven, om de engelen onsterfelijkheid te geven! Zou Hij niet wijs zijn? Hij is de eeuwige wijsheid van God! Zou Hij niet betrouwbaar zijn? Hij is de waarheid zelf!
Ik vraag bovendien of ze soms vinden dat je Christus niet moet aanbidden. Hij eist immers voor zichzelf het recht op dat voor Hem elke knie zich moet buigen. Filippenzen 2:10 En daaruit volgt dat Hij de God is die in de wet verboden heeft iemand anders te aanbidden dan Hem. Bij Jesaja wordt gezegd: ‘Ik ben en buiten Mij is er niemand.’ Jesaja 44:6 Zij willen dat opvatten alsof het daar alleen over de Vader gaat. Maar ik gebruik dit als bewijs tegen hen. Want we zien dat de apostel dit op Christus toepast. Op die manier kent hij alles wat God toebehoort aan Christus toe.
Misplaatst is ook hun bewering dat Christus in het vlees verhoogd is, zoals Hij ook in het vlees vernederd was, en dat Hem wat betreft zijn vlees alle macht gegeven is in hemel en op aarde. Het is waar dat de majesteit van koning en rechter de hele persoon van de middelaar bestrijkt. Toch zou Hij nooit zo hoog verheven hebben kunnen worden als Hij niet God was, die in het vlees geopenbaard was. Anders zou God met zichzelf in tegenspraak zijn. Maar die tegenspraak ruimt Paulus uit de weg. Paulus leert namelijk dat Christus aan God gelijk was, voordat Hij zich leeg maakte door het uiterlijk aan te nemen van een slaaf. Filippenzen 2:6-7 Hoe zou Hij aan God gelijk hebben kunnen zijn, als Hij niet zelf de God was die Jah en Jehova heet, die rijdt op de cherubs, Psalm 18:11; 80:2; 99:2 die koning is over heel de aarde en koning over alle eeuwen? Psalm 47:8
Hoe ze zich ook verzetten, ze kunnen Christus niet ontnemen wat Jesaja ergens anders zegt: ‘Dit, dit is onze God. Hem hebben wij verwacht.’ Jesaja 25:9 Met deze woorden beschrijft Jesaja de komst van God als verlosser. Hij zou niet alleen zijn volk terugbrengen uit de Babylonische ballingschap. Hij zou ook zijn kerk in alle opzichten volledig herstellen.
Ook een andere bewering helpt hen niet verder. Ze zeggen dat Christus God geweest is in zijn Vader. Ik erken dat gezien zijn plaats in de rangschikking het begin van het God zijn in de Vader ligt. Maar toch vind ik het een afschuwelijk verzinsel dat het wezen alleen de Vader toebehoort, alsof Hij de Zoon gemaakt heeft. Want dan zou het wezen meervoudig zijn. Of ze noemen Christus alleen in naam God, of een denkbeeldige God. Als ze toegeven dat de Zoon God is, maar dan pas na de Vader, dan zou in Hem een wezen ontstaan en gevormd zijn dat niet ontstaan en gevormd is in de Vader.
Ik weet dat veel wijsneuzen het belachelijk vinden dat wij het onderscheid tussen de personen afleiden uit de woorden van Mozes, als hij God als volgt citeert: ‘Laten we mensen maken naar ons beeld.’ Genesis 1:26 Maar vrome lezers zien wel dat het onzinnig en dwaas zou zijn als Mozes hier als het ware een gesprek zou aanhalen als in de ene God niet meerdere personen zouden zijn. Het staat immers vast dat degenen die de Vader hier toespreekt geen schepselen zijn. Maar alles is geschapen behalve God. En dan bedoel ik de ene God zelf. Dus als ze niet willen toegeven dat de Vader, de Zoon en de Geest samen de macht om te scheppen en het recht om te gebieden hebben, dan is de conclusie dus dat God dit niet tegen zichzelf gezegd heeft, maar tegen andere bouwmeesters buiten Hem.
Ten slotte is er nog één passage die hun beide bezwaren – dat eigenlijk alleen de Vader echt God is en dat de naam ‘God’ niet op de Zoon slaat – allebei tegelijk gemakkelijk uit de weg ruimt. Want Christus zelf zegt dat God Geest is. Dat kan onmogelijk alleen tot de Vader beperkt worden, alsof het Woord zelf niet geestelijk is. Als de naam Geest evengoed op de Zoon slaat als op de Vader, dan maak ik daaruit op dat de naam ‘God’, zonder specificering, ook de Zoon omvat. Maar hier laat Christus meteen op volgen dat de Vader alleen maar blij is met mensen die Hem dienen door Hem in Geest en waarheid te aanbidden. Johannes 4:23-24 Dat leidt tot de tweede conclusie: omdat Christus de taak van leraar op zich genomen heeft onder zijn Vader als hoofd, schrijft Hij de naam ‘God’ aan de Vader toe. Maar dat doet Hij niet om zijn eigen God zijn teniet te doen. Hij doet dat om ons stap voor stap tot het besef te brengen dat Hij ook God is.
Het wezen van God is geen onderdeel van het onderscheid tussen de personen
Maar mijn tegenstanders gaan de mist in omdat ze fantaseren over individuen die elk een deel van het wezen zouden hebben. Maar uit de Schrift leren we dat er wat betreft het wezen maar één God is. Het wezen van zowel de Zoon als de Geest is dus niet door een ander voortgebracht. Maar de Vader is wel de eerste in de rangschikking. Hij heeft zijn wijsheid uit zichzelf voortgebracht. Daarom wordt Hij terecht beschouwd als het begin en de bron waar de hele God uit opwelt, zoals ik hiervóór gezegd heb.
God, zonder specificering, is dus niet door een ander voortgebracht. Ook de Vader is wat betreft zijn persoon niet door een ander voortgebracht. Het is van hen dan ook een dwaas idee dat ze uit mijn opvatting concluderen dat ik een viervoudigheid zou leren. Ze dichten mij toe dat er volgens mij uit één wezen drie personen voortkomen die van dat wezen zijn afgeleid. Maar dat is een vals en lasterlijk verzinsel van hun eigen brein. Uit wat ik geschreven heb, is duidelijk dat ik de personen niet losmaak van het wezen. Ik maak wel onderscheid tussen de personen, maar ze blijven in het wezen. Wanneer ik de personen van het wezen zou scheiden, zou hun redenering misschien plausibel zijn. Maar dan zou het een drievoudigheid van Goden zijn en niet van personen die de ene God in zich heeft.
Dat is meteen ook de oplossing voor hun vraag of Gods wezen ook meetelt om de drie-eenheid te vormen. Alsof er volgens mij drie Goden uit de drie-eenheid voortkomen. Zo niet, dan beweren zij dat de drie-eenheid dus zonder God is. Maar ook dat is het resultaat van hun domheid. God is geen onderdeel of lid van het onderscheid tussen de personen. Toch bestaan de personen niet zonder of buiten God. Want de Vader kon de Vader niet zijn als Hij niet God was. Ook de Zoon is alleen maar de Zoon omdat Hij God is. Ik zeg dus dat God alleen maar uit zichzelf bestaat. En daarom belijden we dat ook de Zoon, voor zover Hij God is en we Hem niet als persoon zien, uit zichzelf bestaat. Maar voor zover Hij de Zoon is, zeggen we dat Hij uit de Vader voortkomt. Daarom heeft zijn wezen dus geen begin. Maar het begin van zijn persoon is God zelf.
Alle rechtzinnige schrijvers die in het verleden over de drie-eenheid gesproken hebben, hebben die term alleen maar op de personen laten slaan. Het zou niet alleen een absurde dwaling zijn om het wezen in het onderscheid op te nemen. Het zou vreselijk goddeloos zijn. Zij willen deze drie meetellen: het wezen, de Zoon en de Geest, alsof het wezen in plaats van de Vader zou behoren tot de drie-eenheid. Maar het is duidelijk dat ze dan de Zoon en de Geest van hun wezen ontdoen. Anders zouden de delen onderling vermengd worden en dan is het onderscheid weg. Dat zou bij elk onderscheid fout zijn.
Ten slotte, als de namen ‘Vader’ en ‘God’ synoniemen waren, dan zou de Vader de Zoon God máken. Dan zou de Zoon alleen nog maar een schaduw zijn. En dan zou de drie-eenheid alleen maar een verbinding zijn tussen de ene God en twee schepsels.
Alleen als middelaar is Christus ondergeschikt aan de Vader
Eén van de bezwaren van mijn tegenstanders is dat Christus onterecht Gods Zoon genoemd wordt als Hij zelf echt God is. Ik heb daarop al als reactie gegeven dat de naam ‘God’ hier niet zonder specificering gebruikt wordt. Hier is sprake van een relatie tussen de ene persoon en de andere. Daarom wordt de naam ‘God’ hier beperkt tot de Vader, voor zover Hij het begin is van het God zijn. En dus niet omdat de Vader Gods wezen geeft, zoals deze fanatici uitkramen. De Vader is alleen het begin volgens de rangschikking.
In die zin moeten we deze woorden van Christus tegen de Vader opvatten: ‘Het eeuwige leven is dat ze U kennen, de enige echte God, en Jezus Christus die U gezonden hebt.’ Johannes 17:3 Want Christus spreekt hier als de middelaar. In die hoedanigheid neemt Hij de plaats in tussen God en mensen. Maar dat doet toch geen afbreuk aan zijn majesteit. Hij heeft zichzelf wel leeg gemaakt. Maar toch heeft Hij de glorie die Hij bij de Vader had, niet verloren. Die glorie is alleen maar verborgen voor de wereld.
In de brief aan de Hebreeën erkent de apostel dat Christus korte tijd lager geplaatst is dan de engelen. Hebreeën 2:9 Toch aarzelt hij niet om tegelijk ook te verzekeren dat Christus de eeuwige God is die de aarde gefundeerd heeft. Hebreeën 1:10
We moeten dus weten dat Christus, telkens als Hij in de hoedanigheid van middelaar de Vader aanspreekt, met de naam ‘God’ dezelfde God bedoelt als de God die Hij zelf is. Dus toen Hij tegen de apostelen zei: ‘Het is goed voor jullie dat ik naar de Vader ga. Want mijn Vader is meer dan ik,’ Johannes 16:7;
14:28 toen gaf Hij daarmee niet aan dat Hij zelf slechts een tweederangs God was. Wat het eeuwige wezen betreft, is Christus niet minder dan de Vader. Hij wilde alleen duidelijk maken dat Hij, nadat Hij de hemelse glorie verkregen had, de gelovigen zou verzamelen om hen in die glorie te laten delen. Hij plaatst de Vader alleen maar boven zich omdat Gods glorie in de hemel op een heel andere manier zichtbaar straalt dan in Christus zelf toen Hij bekleed was met vlees. Op dezelfde manier zegt Paulus ergens anders dat Christus het koninkrijk zal overdragen aan God en de Vader, opdat God alles zal zijn in allen. 1 Korinthiërs 15:24-28
Niets is zo absurd als ontkennen dat Christus’ God zijn eeuwig is. Er komt geen eind aan dat Hij Gods Zoon is. Hij zal altijd dezelfde blijven die Hij vanaf het begin geweest is. Daaruit volgt dat met de naam Vader ook het enige wezen van God bedoeld wordt dat Vader en Zoon beiden hebben. En Christus is naar ons neergedaald om ons op te heffen tot de Vader en, echt waar, tegelijk ook tot zichzelf. Want Hij is één met de Vader.
Als je de naam ‘God’ beperkt tot de Vader, dan ontneem je die naam dus aan de Zoon. Dat mag niet en het klopt ook niet. Want ook om die reden verzekert Johannes dat de Zoon echt God is. Johannes 1:1 Niemand moet denken dat de Zoon een tweederangs God is, onder de Vader. En ik vraag me verwonderd af wat die makers van nieuwe Goden eigenlijk willen. Ze geven toe dat Christus echt God is. Maar meteen daarna sluiten ze Hem uit van het God zijn van de Vader. Alsof iemand echt God kan zijn zonder de enige God te zijn! Alsof een God die zijn God zijn van een ander gekregen heeft, geen nieuw verzinsel is!
Irenaeus’ opvattingen over het God zijn van Christus
Mijn tegenstanders verzamelen veel passages uit Ireneüs. In die passages beweert hij dat de Vader van Christus de enige en eeuwige God van Israël is. Maar dat ze deze passages aanhalen, laat zien dat ze óf schandelijk onwetend, óf heel erg brutaal zijn. Want ze hadden erop moeten letten dat die heilige man in zijn strijd te maken had met dwazen die ontkenden dat de Vader van Christus dezelfde God was die vroeger door Mozes en de profeten gesproken had. Volgens hen was de laatste een ik weet niet wat voor schim die was voortgekomen uit de val van de wereld. Daarom is Ireneüs maar met een ding bezig: duidelijk maken dat er in de Schrift niet over een andere God wordt gesproken dan de Vader van Christus en dat het verkeerd is om een andere God te bedenken. Daarom is het helemaal geen wonder dat hij zo vaak concludeert dat de God van Israël niemand anders is dan de God die door Christus en de apostelen werd verkondigd.
Zo spreek ik ook nu de waarheid – ook al bestrijd ik een heel andere dwaling – als ik zeg dat de God die vroeger aan de aartsvaders is verschenen, niemand anders is dan Christus. En als iemand hiertegen inbrengt dat het de Vader is, dan heb ik mijn antwoord klaar: als ik ervoor opkom dat de Zoon God is, sluit ik daarmee de Vader zeker niet uit.
Als de lezers erop letten dat Ireneüs het zo bedoelde, dan zal deze discussie vanzelf ophouden. Op grond van hoofdstuk 6 van boek 3 kan heel het meningsverschil gemakkelijk beslecht worden. Daar stelt de vrome man zich op dit ene standpunt: degene die in de Schrift in absolute zin en zonder specificering God genoemd wordt, is de enige echte God en Christus wordt in absolute zin God genoemd. We moeten bedenken dat dat het punt was waar het debat om draaide. Dat blijkt uit het geheel van zijn argumentatie, vooral in hoofdstuk 46 van boek 2. Daar zegt Ireneüs dat niet iemand anders Vader genoemd wordt – niet op een raadselachtige manier en niet bij wijze van vergelijking – dan degene die echt God is.
Bovendien stelt Ireneüs ergens anders dat de Zoon en de Vader samen God genoemd zijn door de profeten en de apostelen.
Daarna beschrijft hij hoe Christus heer, koning, God en rechter is van alle dingen en hoe Hij die macht gekregen heeft van degene die de God is van alle dingen. Want God sloeg er acht op dat Christus zich onderwierp en zich vernederde, zelfs tot dood aan het kruis toe. Even later verzekert Ireneüs dat de Zoon de schepper is van hemel en aarde, dat Hij de wet gegeven heeft door de hand van Mozes en dat Hij aan de aartsvaders verschenen is.
Als er nu nog iemand kletst dat voor Ireneüs alleen de Vader de God van Israël is, dan breng ik daartegen in dat dezelfde schrijver openlijk verklaart dat Christus precies dezelfde is. Daarom laat hij ook deze profetie van Habakuk op Christus slaan: ‘God zal komen uit het zuiden.’ Habakuk 3:3 Wat je in hoofdstuk 9 van boek 4 leest, komt op hetzelfde neer: ‘Christus is dus zelf, samen met de Vader, de God van de levenden.’ En in hoofdstuk 12 van hetzelfde boek verklaart hij dat Abraham in God geloofde omdat de schepper van hemel en aarde en de enige God Christus is.
Tertullianus’ opvattingen over de drie-eenheid
Mijn tegenstanders nemen ook Tertullianus als hun advocaat. Dat is net zo onterecht. In zijn manier van spreken is Tertullianus soms wat scherp en stekelig. Toch brengt hij ondubbelzinnig de kern van de leer die ik voorsta: er is maar één God. Toch is er zijn Woord door een verdeling of rangschikking. God is één door de eenheid van zijn wezen. Toch wordt er in die eenheid door het mysterie van de verdeling een drie-eenheid onderscheiden. Er zijn er dus drie. Niet qua toestand, maar qua orde. Niet qua wezen, maar qua vorm. Niet qua macht, maar qua volgorde.
Tertullianus zegt wel dat volgens hem de Zoon de tweede is na de Vader. Maar hij beschouwt de Zoon niet als een ander dan de Vader, al is er wel onderscheid. Hij zegt ergens dat de Zoon zichtbaar is. Maar nadat hij die kwestie van beide kanten bekeken heeft, concludeert hij dat de Zoon onzichtbaar is voor zover Hij het Woord is.
En ten slotte, Tertullianus verzekert wel dat de Vader bepaald wordt door zijn eigen persoon. Maar hij laat duidelijk blijken dat het verzinsel dat ik hier weerleg hem vreemd is. Weliswaar erkent hij geen andere God dan de Vader. Maar in de passage die daar direct op volgt, legt hij zijn woorden uit. Dan toont hij aan dat het niet zijn bedoeling is de Zoon uit te sluiten. Want hij zegt niet dat de Zoon een andere God is dan de Vader. Daarom wordt door het onderscheid tussen de personen Gods alleenheerschappij niet geschonden.
Wat Tertullianus met zijn woorden bedoelt, kun je trouwens gemakkelijk afleiden uit waar hij blijkbaar op uit is. Want in
Tegen Praxeas verdedigt hij dat God weliswaar onderscheiden wordt in drie personen, maar dat daardoor niet meerdere Goden ontstaan. Ook wordt daardoor de eenheid niet uiteengescheurd. Volgens het verzinsel van Praxeas kon Christus niet God zijn, of Hij moest tegelijk ook de Vader zijn. Daarom maakt Tertullianus er veel werk van om het onderscheid uit te leggen. Hij noemt het Woord en de Geest delen van het geheel. Dat lijkt misschien een onhandige uitspraak, maar het is acceptabel als het niet op het wezen slaat, maar alleen de verdeling en rangschikking aangeeft. Die verdeling en rangschikking past alleen bij de personen. Dat getuigt Tertullianus zelf. In deze context past ook dit citaat: ‘Hoeveel personen denk je dat er zijn, o zo verdorven Praxeas? Zijn het er volgens jou niet evenveel als dat er namen zijn?’ En even later: ‘Opdat ze geloven in de Vader en de Zoon, elk met zijn eigen naam en persoon.’
Volgens mij heb ik hiermee wel voldoende aangetoond hoe onbeschaamd het is dat deze mensen het gezag van Tertullianus proberen te gebruiken om eenvoudige mensen een rad voor ogen te draaien.
De kerkvaders zijn het allemaal eens over de drie-eenheid
En ieder die ijverig de geschriften van de kerkvaders met elkaar vergelijkt, zal bij Ireneüs echt niets anders vinden dan wat van anderen na hem is overgeleverd. Justinus is een van de oudsten. Maar hij is het in alles met mij eens. Mijn tegenstanders mogen daartegen inbrengen dat zowel door hem als door anderen de Vader van Christus de enige God genoemd wordt. Hilarius leert dat ook. Hij zegt het zelfs nog scherper. Hij zegt dat de eeuwigheid in de Vader is. Wil hij daarmee de Zoon Gods wezen ontnemen? Nee. Hij doet alleen zijn uiterste best om het geloof te verdedigen waar ik mij ook door laat leiden. En toch schamen mijn tegenstanders zich er niet voor om aan de hand van uit hun verband gerukte citaten aannemelijk te maken dat Hilarius hun dwaling steunt.
Ze spannen ook Ignatius voor hun karretje. Maar als ze willen dat we daar enige waarde aan hechten, dan moeten ze eerst bewijzen dat de apostelen geboden hebben om te vasten in de veertigdagentijd en meer van dat soort verdorvenheden. Niets is zo weerzinwekkend als de onzin die onder de naam van Ignatius is gepubliceerd. Dat zij zo onbeschaamd zijn om onder een dergelijk mom hun bedrog te willen plegen, maakt het dus nog onverdraaglijker.
Verder blijkt duidelijk dat de kerkvaders het allemaal met elkaar eens zijn omdat Arius zich op het concilie van Nicea (325) niet durfde verschuilen achter het gezag van een erkende schrijver. En van de Grieks- of Latijn-sprekende leden van het concilie hoefde niemand zich te verantwoorden omdat hij het niet eens zou zijn met de opvattingen uit het verleden.
Het is niet nodig om te vermelden hoe ijverig Augustinus, aan wie die blaaskaken een flinke hekel hebben, de geschriften van alle kerkvaders onderzocht heeft. En hij heeft ze allemaal vol eerbied aanvaard. En als hij het ook maar op een heel klein puntje met hen oneens is, vindt hij het nodig om aan te tonen waarom. Ook wat betreft het onderwerp van de drie-eenheid zwijgt hij niet als hij bij anderen iets discutabels of onduidelijks gelezen heeft. Maar bij de leer die deze mensen bestrijden, gaat hij ervan uit dat iedereen weet dat die leer vanaf het eerste begin zonder discussie aanvaard is. Toch weet hij heel goed wat anderen vóór hem geleerd hebben. Dat blijkt alleen al hieruit, dat hij in het eerste boek Over de christelijke leer zegt dat in de Vader de eenheid is. Wat kletsen ze nu dat hij zich daar versproken heeft? Ergens anders zuivert hij zich van die laster. Want dan noemt hij de Vader het begin van het hele God zijn, omdat de Vader uit niemand anders voortkomt. Ook komt hij dan tot het wijze oordeel dat de naam ‘God’ in het bijzonder aan de Vader wordt toegeschreven, omdat de absolute eenheid van God alleen maar begrepen kan worden als het begin in de Vader ligt.
Satan heeft tot nu toe zijn best gedaan om het geloof in de zuivere leer te bederven of in vergetelheid te brengen. Maar ik hoop dat de vrome lezer zal toegeven dat ik hiermee alle laster uit de weg geruimd heb. Ten slotte vertrouw ik erop dat ik de kern van deze leer volledig en betrouwbaar heb uitgelegd. Maar dan moeten de lezers wel paal en perk stellen aan hun nieuwsgierigheid. Ze moeten zich geen gekunstelde of ingewikkelde redeneringen op de hals halen omdat ze meer willen weten dan hen past. Want ik zie het absoluut niet als mijn taak om mensen tevreden te stellen die zich graag laten leiden door een tomeloze begeerte tot speculatie. Ik heb zeker niet stiekem iets overgeslagen omdat ik dacht dat het met mijn opvatting strijdt. Maar omdat mijn doel de opbouw van de kerk is, vond ik het verstandiger om niet te veel te behandelen. Want dat zou weinig zin hebben en het zou het de lezer alleen maar lastig maken. Want wat heeft het voor zin om een discussie te houden over de vraag of de Vader voortdurend de Zoon en de Geest voortbrengt? Het is duidelijk dat er van eeuwigheid drie personen in God geweest zijn. Dus dan is het dwaas om te verzinnen dat het voortbrengen nog steeds voortduurt.
Voetnoten
- 94
Arius (ca. 300).
- 95
Sabellius (begin 3e eeuw).
- 96
Hiëronymus van Stridon, Epistulae XV, 3-4.
- 97
Augustinus, De trinitate V, 8-10.
- 98
Socrates Scholasticus (ca. 400), kerkhistoricus.
- 99
Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeVI, 21.
- 100
Hilarius van Poitiers, De trinitate II, 2.
- 101
Hilarius van Poitiers,De conciliis, 27,63.
- 102
Augustinus, De trinitate VII, 4,7-9.
- 103
Tertullianus, Adversus Praxeam, 2 en 9.
- 104
Michaël Servet (1511-1553) werd in Genève als ketter op de brandstapel gezet.
- 105
Augustinus, Ad Maximinum, brief 66.
- 106
Gregorius van Nazianze (329-389), bisschop in Constantinopel.
- 107
Gregorius van Nazianze, De sacro baptismate, 40.
- 108
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 39;Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 109 en Psalm 68, 5.
- 109
Augustinus, De trinitate.
- 110
Hilarius van Poitiers, De trinitate I, 18.
- 111
Chrysostomos, Homiliae de incomprehensibili Dei naturae contra Anomoeos.
- 112
Ireneüs (†ca. 202), bisschop van Lyon.
- 113
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 6,1.
- 114
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses II, 27,2.
- 115
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 9,1.
- 116
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 12,13.
- 117
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 15,3.
- 118
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 20,4.
- 119
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses IV, 5,2.
- 120
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses IV, 5,5.
- 121
Tertullianus, Adversus Praxeam.
- 122
Ignatius (†ca. 115), bisschop van Antiochië.
- 123
Augustinus, De doctrina christiana.
Voetnoot 94
Arius (ca. 300).
Voetnoot 95
Sabellius (begin 3e eeuw).
Voetnoot 96
Hiëronymus van Stridon, Epistulae XV, 3-4.
Voetnoot 97
Augustinus, De trinitate V, 8-10.
Voetnoot 98
Socrates Scholasticus (ca. 400), kerkhistoricus.
Voetnoot 99
Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeVI, 21.
Voetnoot 100
Hilarius van Poitiers, De trinitate II, 2.
Voetnoot 101
Hilarius van Poitiers,De conciliis, 27,63.
Voetnoot 102
Augustinus, De trinitate VII, 4,7-9.
Voetnoot 103
Tertullianus, Adversus Praxeam, 2 en 9.
Voetnoot 104
Michaël Servet (1511-1553) werd in Genève als ketter op de brandstapel gezet.
Voetnoot 105
Augustinus, Ad Maximinum, brief 66.
Voetnoot 106
Gregorius van Nazianze (329-389), bisschop in Constantinopel.
Voetnoot 107
Gregorius van Nazianze, De sacro baptismate, 40.
Voetnoot 108
Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 39;Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 109 en Psalm 68, 5.
Voetnoot 109
Augustinus, De trinitate.
Voetnoot 110
Hilarius van Poitiers, De trinitate I, 18.
Voetnoot 111
Chrysostomos, Homiliae de incomprehensibili Dei naturae contra Anomoeos.
Voetnoot 112
Ireneüs (†ca. 202), bisschop van Lyon.
Voetnoot 113
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 6,1.
Voetnoot 114
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses II, 27,2.
Voetnoot 115
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 9,1.
Voetnoot 116
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 12,13.
Voetnoot 117
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 15,3.
Voetnoot 118
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses III, 20,4.
Voetnoot 119
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses IV, 5,2.
Voetnoot 120
Ireneüs van Lyon, Adversus haereses IV, 5,5.
Voetnoot 121
Tertullianus, Adversus Praxeam.
Voetnoot 122
Ignatius (†ca. 115), bisschop van Antiochië.
Voetnoot 123
Augustinus, De doctrina christiana.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.