Boek I · Hoofdstuk 14
De schepping
Inhoud van dit hoofdstuk · 22 secties
- 1De grenzen van tijd en ruimte moeten we niet overschrijden
- 2De zes scheppingsdagen laten zien hoe goed God voor ons zorgt
- 3Ook engelen zijn door God geschapen
- 4We hoeven over engelen niet meer te weten dan de Schrift vertelt
- 5Engelen zijn Gods boden en tonen Gods glorie
- 6Engelen beschermen ons
- 7Speciale beschermengelen hebben we niet nodig
- 8Over het aantal en de rangorde van de engelen is weinig zeker
- 9Engelen zijn echte, zelfstandig bestaande geesten
- 10Engelen mogen niet aanbeden worden
- 11God gebruikt engelen omdat wij dan gemakkelijker zijn hulp ervaren
- 12Engelen mogen ons niet van God afleiden
- 13We worden voortdurend belaagd door demonen
- 14Er zijn ontelbaar veel demonen en de satan is hun hoofd
- 15De strijd tegen de duivel is onontkoombaar
- 16De duivel en de demonen zijn goed geschapen en daarna bedorven
- 17Satan kan alleen maar doen wat God hem toestaat
- 18Satan kan de gelovigen nooit overwinnen
- 19Ook demonen zijn echt bestaande geesten
- 20De grootsheid van de schepping
- 21Uit de schepping blijkt wie God is
- 22Uit de schepping blijkt dat God voor ons zorgt
De grenzen van tijd en ruimte moeten we niet overschrijden
Terecht verwijt Jesaja mensen die valse goden dienen dat ze dom zijn. Uit de fundamenten van de aarde en de omtrek van de hemel hebben ze niet geleerd wie de echte God is. Jesaja 40:21-22 Toch is het nodig dat de echte God voor de gelovigen duidelijker getekend wordt. Wij zijn traag van begrip en ons verstand is afgestompt. Daarom moet voorkomen worden dat gelovigen afglijden tot de verzinsels van de heidenen.
De filosofen vonden het het meest acceptabel om God te omschrijven als de ziel van de wereld. Maar dat is onzin. Daarom is het de moeite waard om God vertrouwelijker te leren kennen. Want dan hoeven we niet steeds te twijfelen of in onzekerheid te verkeren. Daarom heeft God gewild dat er een geschiedverhaal zou bestaan over de schepping. Als de kerk haar geloof daarop zou bouwen, zou zij geen andere God zoeken dan de God die door Mozes gepresenteerd is als de bouwmeester en schepper van de wereld.
In dat scheppingsverhaal is in de eerste plaats de tijd opgetekend. Op die manier kunnen de gelovigen dankzij de ononderbroken rij van jaren terugrekenen tot de eerste oorsprong van het menselijk geslacht en van alle dingen. Het is heel nuttig om dat te weten, want zo kunnen we ingaan tegen de wonderlijke verhalen die vroeger in Egypte en andere landen in omloop waren. Maar als we weten hoe de wereld ontstaan is, valt er ook een helderder licht op Gods eeuwigheid en worden we ertoe gebracht die nog meer te bewonderen.
En we moeten ons niet laten beïnvloeden door godslasterlijk gespot. Is het niet vreemd dat God niet eerder op het idee gekomen is om hemel en aarde te scheppen? Waarom heeft Hij zo’n onmetelijk lange tijdsperiode passief voorbij laten gaan? Waarom kwam Hij niet vele duizenden jaren eerder in actie? Immers, de wereld bestaat nog geen zesduizend jaar, terwijl zij al op haar eind loopt. Maar waarom God het zo lang heeft uitgesteld, mogen wij niet onderzoeken. Het heeft ook geen zin om dat te doen. Want als een mens met zijn verstand zo diep probeert door te dringen, zal hij onderweg honderdmaal vastlopen.
Trouwens, het baat ons ook niets om te weten wat God zelf expres voor ons verborgen heeft willen houden, om ons geloof op de proef te stellen. Toen een brutale snotaap aan een vrome grijsaard vroeg wat God gedaan had voordat Hij de wereld schiep, antwoordde die man heel gevat dat God toen de hel geschapen had voor nieuwsgierige mensen. Laat dit een ernstige en strenge vermaning zijn om onze overmoed in toom te houden. Velen laten zich er zo door prikkelen dat ze aangezet worden tot verkeerde en schadelijke speculaties.
Ten slotte, we moeten bedenken dat de onzichtbare God ons het verhaal van Mozes voorhoudt als een spiegel. Zijn wijsheid, kracht en rechtvaardigheid zijn onbegrijpelijk. Maar in die spiegel zien we een levensechte afbeelding van Hem gereflecteerd. Met ogen die verzwakt zijn door ouderdom of die door een ander gebrek zijn aangetast, kun je niets nauwkeurig zien, tenzij je je behelpt met een bril. Zo gaan wij, zwak als we zijn, ook direct de mist in als we God zoeken zonder dat de Schrift ons daarbij leidt.
Maar mensen die aan hun onbeschaamdheid toegeven en zich nu tevergeefs laten waarschuwen, zullen te laat beseffen dat ze veel beter de geheime raadsbesluiten van God hadden kunnen eerbiedigen, in plaats van godslasterlijke dingen uitkramen. Want ze gaan een vreselijke ondergang tegemoet. Terecht klaagt Augustinus dat God onrecht aangedaan wordt als we voor de dingen een oorzaak zoeken die Gods wil te boven gaat.
Dezelfde Augustinus waarschuwt heel verstandig dat vragen stellen over de oneindige uitgestrektheid van tijd of van ruimte allebei even verkeerd is. Hoe ver de hemelkoepel ook reikt, toch heeft die ongetwijfeld een bepaalde afmeting. Als iemand God erop zou willen aanspreken dat de lege ruimte nog honderd keer zo groot is als de hemel, zouden alle vrome mensen dat dan niet afschuwelijk brutaal vinden? Maar mensen die er kritiek op hebben dat God zolang gerust heeft en de wereld niet naar hun goeddunken ontelbaar veel eeuwen eerder geschapen heeft, bezondigen zich aan dezelfde waanzin. Om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, doen ze hun best om de grenzen van onze wereld te overschrijden. Alsof binnen de enorme kring van hemel en aarde niet genoeg weergaloos moois te vinden is om onze aandacht in beslag te nemen! Alsof God ons in zesduizend jaar niet genoeg lessen gegeven heeft om ons verstand voortdurend bezig te houden met die te overdenken! Laten we dus vrijwillig binnen de grenzen blijven die God ons heeft willen stellen.
Laten we paal en perk stellen aan ons verstand, zodat we niet aan het dwalen raken omdat we ons verstand de vrije teugel laten.
De zes scheppingsdagen laten zien hoe goed God voor ons zorgt
Om die reden vertelt Mozes ook dat God zijn werk niet in een ogenblik heeft uitgevoerd, maar dat Hij er zes dagen over gedaan heeft. Genesis 2:1-2 Door dit gegeven worden we ervan weerhouden om zelf van alles te verzinnen. We worden erdoor naar de enige God gebracht. Hij heeft zijn werk verspreid over zes dagen, zodat wij het niet te veel moeite zouden vinden om heel ons leven bezig te blijven zijn werk te bestuderen. Naar welke kant we onze ogen ook richten, we zijn steeds gedwongen Gods werk te bekijken. Toch merken we dat onze aandacht vluchtig is en dat de vrome gedachten die in ons opkomen even snel weer voorbijgaan.
Het menselijk verstand wil ook hiertegen ingaan, alsof het niet bij Gods macht zou passen dat God zijn werk stap voor stap zou doen. Maar we moeten ons verstand gehoorzaam onderwerpen aan het geloof en de rust leren vieren waar de heiliging van de zevende dag ons toe uitnodigt. God heeft alles geordend. Daarin moeten we zijn vaderliefde zien voor het menselijk geslacht. Hij heeft Adam pas geschapen nadat Hij de wereld royaal voorzien had van een overvloed aan allerlei goede dingen. Want als God Adam op een nog onvruchtbare en lege aarde geplaatst had, als Hij het leven gegeven had vóór het licht er was, dan zou het net lijken alsof God niet goed voor hem zorgde. Maar God had de loop van de zon en de sterren zo bepaald als in het belang was van de mensen. Hij had de aarde, het water en de lucht gevuld met levende wezens. Hij had een overvloed aan allerlei soorten vruchten gemaakt. Er was dus genoeg te eten, want God had als een zorgzame en hardwerkende vader voor de mensen gezorgd. Zo liet Hij zien hoe buitengewoon goed Hij voor ons is.
Als je bij jezelf nog dieper nadenkt over de dingen die ik hier kort aanstip, dan zul je tot de overtuiging komen dat Mozes een betrouwbare getuige en heraut geweest is van de enige God als schepper. Ik laat nu rusten dat Mozes het niet alleen heeft over Gods wezen op zichzelf. Ik heb immers al uitgelegd dat hij ons ook Gods eeuwige Wijsheid en Geest presenteert, om te voorkomen dat we ons een andere God fantaseren dan degene die wil dat wij Hem erkennen in het beeld dat Mozes van hem schetst.
Ook engelen zijn door God geschapen
Maar voor ik dieper inga op de menselijke natuur, moet ik eerst iets invoegen over de engelen. Omdat Mozes zich aanpast aan het beperkte verstand van de grote massa, vertelt hij in het scheppingsverhaal alleen dat God gemaakt heeft wat wij met onze ogen kunnen zien. Maar later laat hij engelen optreden als dienaren van God. Daaruit kunnen we gemakkelijk opmaken dat ze geschapen zijn door de God aan wie zij zich gehoorzaam wijden in hun dienst.
Omdat Mozes voor het gewone volk spreekt, heeft hij dus niet vanaf het eerste begin de engelen genoemd onder Gods schepselen. Toch verbiedt niets ons om duidelijk uit te leggen wat de Schrift op veel andere plaatsen leert. Want als we God willen leren kennen uit wat Hij gemaakt heeft, mogen we zo’n schitterend en mooi voorbeeld niet overslaan. Bovendien is dit stuk van de leer hard nodig om veel dwalingen te weerleggen. Velen waren zo gegrepen door de bijzondere positie van de engelen dat ze vonden dat het engelen geen recht deed als ze aan het gezag van de enige God onderworpen waren en in rang onder Hem gesteld werden. Vandaar dat ze als goden beschouwd werden.
Ook stond Mani op met zijn sekte. Hij bedacht twee basisprincipes: God en de duivel. Aan God schreef hij de oorsprong toe van alle goede dingen. De duivel beschouwde hij als de bewerker van alles wat naar zijn natuurlijke aanleg slecht is. Als we in deze dwaasheid verstrikt zaten, zou God in de schepping van de wereld niet de eer krijgen die Hem toekomt. Want niets is zo eigen aan God als dat Hij eeuwig is en zijn wezen heeft uit zichzelf. Maar als je dat ook aan de duivel toekent, verhef je hem dan niet in zekere zin tot god? Bovendien, wat blijft er over van Gods almacht als we de duivel zoveel macht toekennen dat hij kan doen wat hij wil, tegen Gods wil in en ondanks dat God zich ertegen verzet?
De manicheeërs bouwen hun leer maar op één fundament: ze vinden het ongepast dat aan de goede God wordt toegeschreven dat Hij iets slechts geschapen heeft. Maar dat raakt het rechtzinnige geloof helemaal niet. Want dat geloof leert niet dat er ergens in de wereld iets is dat naar zijn natuurlijke aanleg slecht is. Want de slechtheid van de mens en van de duivel ligt niet in hun natuurlijke aanleg. Ook de zonden die uit die slechtheid voortkomen, zijn niet het gevolg van hun natuurlijke aanleg. Het probleem is dat de natuurlijke aanleg bedorven is. Want in het begin bestond er niets waarin God niet liet zien hoe wijs en rechtvaardig Hij is.
Om tegen deze verkeerde verzinsels in te gaan, moeten we ons hart dus hoger richten dan tot waar onze ogen kunnen doordringen. Waarschijnlijk is dat de reden dat als in de geloofsbelijdenis van het concilie van Nicea God de schepper van alle dingen wordt genoemd, de onzichtbare dingen uitdrukkelijk genoemd worden. Toch zal ik mijn best doen om maat te houden, zoals de norm van de vroomheid voorschrijft. Ik wil niet dat de lezers van de eenvoud van het geloof worden afgeleid en aan het dwalen raken door speculaties die verder gaan dan nodig is. De Geest onderwijst ons vast en zeker altijd op een manier die goed voor ons is. Maar als het gaat om dingen die weinig waarde hebben om ons op te bouwen, zwijgt de Geest, of Hij stipt die dingen alleen terloops aan. Daarom moeten wij ook liever niet willen weten wat ons niet past om te weten.
We hoeven over engelen niet meer te weten dan de Schrift vertelt
Engelen zijn Gods dienaren. Ze zijn aangesteld om zijn bevelen uit te voeren. Psalm 103:20-21 Daarom mag er geen verschil van mening over bestaan dat ze ook door Hem geschapen zijn. Als je een discussie begint over het moment of de volgorde waarin ze geschapen zijn, laat je dan niet vooral zien hoe koppig je bent in plaats van ijverig? Mozes vertelt dat de aarde en de hemel voltooid waren met heel hun leger. Genesis 2:1 Wat heeft het voor zin om vol spanning uit te zoeken op de hoeveelste dag, naast de sterren en de planeten, ook de meer verborgen hemelse legermachten aan hun bestaan begonnen?
Kortom, laten we bedenken dat hier bescheidenheid en zelfbeheersing gevraagd worden, zoals trouwens in heel de leer van de godsdienst. Over dingen die onduidelijk zijn, moeten we niets anders zeggen of denken of zelfs maar willen weten dan wat ons in Gods Woord verteld wordt. Bovendien, als we de Schrift lezen, moeten we ons steeds verdiepen in wat ons kan opbouwen. Daar moeten we naar zoeken en dat moeten we overdenken. We moeten niet toegeven aan onze nieuwsgierigheid en ons niet bezighouden met nutteloze zaken. De Heer heeft ons niet willen onderwijzen over kwesties die niet van belang zijn. Hij heeft ons willen leren hoe we echt vroom kunnen zijn, hoe we zijn naam moeten vrezen, hoe we vast op Hem kunnen vertrouwen en hoe we Hem kunnen dienen met een heilig leven. Laten we er dus mee tevreden zijn die dingen te leren kennen.
Als we op de juiste manier wijs willen zijn, moeten we dus laten rusten wat nietsnutten vertellen over de natuur, rangorde en aantallen van de engelen. Dat heeft allemaal geen zin. Ik weet dat velen nog gretiger naar die dingen grijpen en daar meer plezier aan beleven dan aan de dingen die ons dagelijks van pas komen. Maar als we er geen spijt van hebben dat we leerlingen van Christus zijn, dan moeten we het ook niet erg vinden om de methode te volgen die Hij ons zelf heeft voorgeschreven. Dan kunnen we met zijn onderwijs tevreden zijn en zullen we ons niet alleen maar onthouden van de nutteloze speculaties waar Hij ons voor waarschuwt. We zullen er zelfs een afkeer van hebben.
Niemand zal ontkennen dat die Dionysius – wie hij dan ook geweest mag zijn – in zijn Over de hemelse hiërarchie veel dingen heel uitvoerig en intelligent besproken heeft. Maar als je ze aan een nader onderzoek onderwerpt, zul je merken dat het voor het grootste deel alleen maar geklets is. Het is echter niet de taak van een theoloog om de oren te strelen met geklets. Hij moet ware, zekere en nuttige dingen leren om het geweten van de mensen te versterken. Als je dat boek leest, zou je haast denken dat je een man die uit de hemel is gevallen hoort vertellen, niet wat hij gehoord of gelezen heeft, maar wat hij met eigen ogen gezien heeft. Paulus is ooit omhooggetrokken tot boven de derde hemel. En toch heeft hij niets over dergelijke dingen gezegd. Sterker nog, hij heeft zelfs verklaard dat het een mens niet toegestaan is om te spreken over de mysteries die hij gezien heeft. 2 Korinthiërs 12:1-4 Laten we die waardeloze wijsheid dus op de juiste waarde schatten en uit de eenvoudige leer van de Schrift opmaken wat God gewild heeft dat we over zijn engelen zouden weten.
Engelen zijn Gods boden en tonen Gods glorie
Overal in de Schrift lees je dat engelen hemelse geesten zijn en dat God hun dienst en gehoorzaamheid gebruikt om al zijn besluiten uit te voeren. Daarom worden ze ook ‘engelen’ – ‘boden’ – genoemd. Want God gebruikt hen als tussenpersonen om zich aan de mensen te openbaren. Ook de andere benamingen waarmee ze worden aangeduid, zijn om dezelfde reden gekozen. Ze worden ‘leger’ genoemd, Lucas 2:13 omdat ze als lijfwachten hun vorst omringen. Ze laten de glorie van zijn majesteit schitteren en maken die op een opvallende manier zichtbaar. En als soldaten zijn ze steeds gespitst op het veldteken van hun veldheer. Ze staan steeds startklaar om zijn bevelen op te volgen. Hij hoeft maar een wenk te geven of ze gaan aan de slag, of liever, ze zijn al aan de slag.
Meerdere profeten schetsen een dergelijk beeld van Gods troon, om duidelijk te maken hoe groot zijn glorie is. Maar vooral
Daniël doet dat. Hij zegt dat er duizend maal duizenden en tienduizend maal tienduizenden bij God stonden toen Hij de rechterstoel beklommen had. Daniël 7:10
Maar omdat de Heer door engelen op een wonderlijke manier zijn macht en kracht laat zien, worden ze ‘krachten’ genoemd. En omdat Hij via hen zijn gezag over de wereld uitoefent en zo alles regelt, worden ze de ene keer ‘vorsten’ genoemd, een andere keer ‘machten’ en dan weer ‘heersers’. Ten slotte worden ze ook ‘tronen’ genoemd, omdat op hen in zekere zin Gods glorie zetelt. Kolossenzen 1:16; Efeziërs 1:21 Al durf ik over deze laatste benaming niets met zekerheid te zeggen. Want er bestaat ook een andere uitleg, die net zo goed of zelfs nog beter past.
Maar afgezien van deze benaming, de eerder genoemde benamingen gebruikt de Heilige Geest vaak om aan te geven hoe verheven de dienst van engelen is. Het zou immers ongepast zijn om de instrumenten te passeren waardoor God in het bijzonder de aanwezigheid van zijn wezen laat zien, zonder ze te eren. Om die reden worden ze zelfs meer dan eens ‘goden’ genoemd. Psalm 138:1 Want door hun dienst maken ze God op een bepaalde manier zichtbaar, als in een spiegel.
De Schrift vertelt dat er een engel van God verscheen aan Abraham, Jacob, Mozes en anderen. Genesis 18; 32:24-30 (32:25-31); Jozua
5:13-15; Richteren 6:12-23; 13 De oude schrijvers leggen dat zo uit dat Christus die engel was en ik ben het daarmee eens. Toch wordt die benaming ook vaak gebruikt als het over alle engelen gaat. En dat moeten we niet vreemd vinden. Ook vorsten en hun plaatsvervangers worden geëerd omdat ze in het uitoefenen van hun taak de plaats innemen van God, de hoogste koning en rechter. Psalm 82 Dan is er nog veel meer reden om die eer te geven aan engelen, want in hen schittert de glans van Gods glorie nog veel uitbundiger.
Engelen beschermen ons
De Schrift wil ons echter troosten en ons geloof versterken. Daarom wil de Schrift ons vooral leren wat daarbij helpt: engelen delen Gods zegeningen aan ons uit. Zij regelen dat. En daarom vertelt de Schrift dat engelen waken over ons welzijn. Ze beschermen ons. Ze leiden onze gangen. En ze zorgen ervoor dat ons geen kwaad overkomt.
De uitspraken daarover zijn algemeen. Ze slaan in de eerste plaats op Christus, het hoofd van de kerk, en vervolgens op alle gelovigen. ‘Hij heeft zijn engelen over jou bevel gegeven dat ze je beschermen op al je wegen. Ze zullen je op handen dragen, om te voorkomen dat je je voet stoot aan een steen.’ Psalm 91:11-12 En: ‘De engel van de HEER legert zich rond degenen die Hem vrezen en redt hen.’ Psalm 34:8 In die woorden laat God zien dat Hij zijn engelen opdracht geeft om degenen te beschermen die Hij wil behouden. Vandaar dat een engel van de Heer Hagar troost als ze op de vlucht is en haar beveelt om zich met haar meesteres te verzoenen. Genesis 16:9 Abraham belooft zijn slaaf dat op zijn reis een engel zijn gids zal zijn. Genesis 24:7 Als Jacob Efraïm en Manasse zegent, bidt hij dat een engel van de Heer, die hem bevrijd had van al het kwaad, hun voorspoed zou geven. Genesis 48:16 Zo was er ook een engel aangesteld om het legerkamp van het volk Israël te beschermen. Exodus 14:19; 23:20 En telkens als God Israël wilde verlossen uit de hand van hun vijanden, bracht Hij verlossing door de dienst van engelen. Richteren 2:1; 6:11; 13:10
Ten slotte – om niet meer te noemen – hebben engelen zo ook Christus bediend. Mattheüs 4:11 Ze hebben Hem steeds bijgestaan als Hij het moeilijk had. Lucas 22:43 Ze hebben aan de vrouwen de boodschap overgebracht dat Hij was opgestaan Mattheüs 28:5; Lucas 24:4-6 en aan zijn leerlingen dat Hij zal terugkomen. Handelingen 1:10
Om deze taak om ons te beschermen te vervullen, strijden engelen tegen de duivel en tegen al onze vijanden. Ze voeren Gods wraak uit tegen hen die ons bedreigen. Zo lezen we dat een engel van God in het legerkamp van de koning van Assyrië in één nacht 185.000 mannen doodde om Jeruzalem te ontzetten van een belegering. 2 Koningen 19:35; Jesaja 37:36
Speciale beschermengelen hebben we niet nodig
Maar of iedere gelovige een eigen engel bij zich gekregen heeft, zou ik niet met zekerheid durven beweren. Als Daniël spreekt over een engel voor de Perzen en een engel voor de Grieken, Daniël 10:13; 10:20; 12:1 dan geeft hij daarmee ongetwijfeld aan dat bepaalde engelen aangesteld worden als een soort landvoogd over koninkrijken en provincies. En als Christus zegt dat de engelen van de kinderen altijd het gelaat van zijn Vader zien, Mattheüs 18:10 dan geeft ook Hij daarmee aan dat er bepaalde engelen zijn aan wie hun welzijn is toevertrouwd. Maar ik weet niet of we daaruit moeten concluderen dat iedereen door een eigen engel begeleid wordt.
Maar we moeten wel hier zeker van zijn: ieder van ons valt niet slechts onder de zorg één enkele engel. Alle engelen waken eendrachtig over ons welzijn. Want van alle engelen samen wordt gezegd dat ze zich meer verheugen over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die altijd rechtvaardig geweest zijn. Lucas 15:7 Ook wordt van veel engelen gezegd dat ze de ziel van Lazarus in Abrahams schoot droegen. Lucas 16:22 En niet voor niets laat Elisa aan zijn knecht de wagens van vuur zien die speciaal voor hem bedoeld waren. 2 Koningen 6:17
Er is één passage in Handelingen die iets duidelijker lijkt te bevestigen dat ieder een eigen engel heeft. Petrus, net bevrijd uit de gevangenis, klopte aan aan de deur van het huis waar de broeders vergaderd waren. Zij konden zich niet voorstellen dat hij het was en daarom zeiden ze dat het zijn engel was. Handelingen 12:15 Het lijkt erop dat ze op dat idee gekomen zijn als gevolg van de algemene opvatting dat iedere gelovige zijn eigen engel gekregen heeft als gids. Trouwens, ook hier kun je als antwoord geven dat er geen enkele reden is waarom we niet zouden mogen aannemen dat er een of andere engel geweest is, aan wie de Heer toen had opgedragen voor Petrus te zorgen. Maar die hoeft daarom nog niet zijn vaste beschermengel te zijn geweest. Zo is het een wijdverbreid idee dat ieder twee engelen heeft gekregen, een goede en een kwade genius, die onderling heel verschillend zijn.
Maar het is niet de moeite waard om dit zo precies uit te zoeken, want het is niet echt belangrijk om dit te weten. Als je er niet genoeg aan hebt dat alle hemelse legermachten de wacht houden over jouw welzijn, dan zie ik niet in wat je kunt hebben aan het besef dat je één engel speciaal voor jou alleen hebt. Als je de zorg die God voor elk van ons koestert, beperkt tot één engel, doe je jezelf en alle leden van de kerk ernstig tekort. Alsof ons voor niets beloofd is dat die legermachten ons te hulp komen. Ze omringen ons van alle kanten en versterken ons, zodat we met nog meer moed kunnen strijden.
Over het aantal en de rangorde van de engelen is weinig zeker
Degenen die het wagen om iets definitiefs te zeggen over het aantal en de rangorde van de engelen, mogen zich wel eens afvragen op basis waarvan ze dat doen. Ik geef toe dat Michaël bij Daniël de ‘grote vorst’ genoemd wordt Daniël 12:1 en bij Judas ‘aartsengel’. Judas 1:9 En Paulus leert dat de mensen door een aartsengel met de bazuin zullen worden opgeroepen tot het oordeel. 1 Thessalonicenzen 4:16 Maar wie kan op grond van deze gegevens vaststellen welke rangen en standen er onder de engelen bestaan? Wie kan elke engel afzonderlijk onderscheiden met zijn kenmerken en hem zijn plaats en status toewijzen?
Er komen in de Schrift twee namen voor, Michaël en Gabriël Daniël 8:16; Lucas 1:19 – en nog een derde, als je Rafaël uit het verhaal van Tobith wilt meetellen. Tobith 12:15 Maar het is goed mogelijk dat de engelen die namen gekregen hebben om ons beperkte bevattingsvermogen. Dat blijkt uit de betekenis van die namen, al laat ik deze kwestie liever in het midden.
Wat betreft het aantal: uit de mond van Christus horen we over vele legioenen. Mattheüs 26:53 Daniël heeft het over vele tienduizendtallen. Daniël 7:10 De knecht van Elisa zag volle wagens. 2 Koningen 6:17 En dat er over de engelen gezegd wordt dat ze zich legeren rond hen die God vrezen, duidt ook op een enorm aantal. Psalm 34:8 Het is zeker dat geesten geen zichtbare vorm hebben. Toch tekent de Schrift engelen voor ons niet voor niets als cherubs en serafs, met vleugels, zodat wij met ons geringe verstand er niet aan zouden twijfelen dat ze door hun ongelofelijke snelheid steeds bij ons zijn. Alsof er een bliksemstraal uit de hemel vloog, zo snel worden ze naar ons toe gezonden.
Wat we ons verder nog zouden kunnen afvragen over hun aantal en rangorde – dat hoort bij het soort mysteries dat pas op de laatste dag volledig zal worden geopenbaard. Laten we daarom oppassen dat we niet te nieuwsgierig blijven zoeken en er niet te overmoedig over spreken.
Engelen zijn echte, zelfstandig bestaande geesten
Sommige mensen durven er niet op te vertrouwen dat engelen dienende geesten zijn. Hebreeën 1:14 Maar we mogen er zeker van zijn dat God hen gebruikt om de zijnen te beschermen. Door engelen deelt Hij zijn zegeningen uit onder de mensen. Bovendien gebruikt Hij hen bij alles wat Hij verder doet.
De sadduceeën dachten vroeger wel dat met engelen niets anders bedoeld werd dan gemoedsbewegingen die God de mensen inblaast, of voorbeelden van zijn kracht die Hij laat zien. Handelingen 23:8 Maar er zijn zoveel bewijzen uit de Schrift die tegen deze dwaasheid ingaan, dat je werkelijk versteld moet staan dat van dat stel zo’n grote domheid werd geduld. Ik zal maar niet de passages noemen die ik hierboven aangehaald heb, over duizendtallen en legioenen van engelen, over vreugde bij engelen, over dat zij de gelovigen op handen dragen, dat ze hun zielen naar de rust brengen, dat ze het gelaat van de Vader zien, enzovoort. Er zijn andere plaatsen waaruit heel duidelijk blijkt dat engelen inderdaad geesten zijn met een zelfstandige natuur.
Stefanus en Paulus zeggen dat de wet gegeven is door de hand van engelen. Handelingen 7:53; Galaten 3:19 En Christus zegt dat de uitverkorenen na de opstanding gelijk zullen zijn aan de engelen. Mattheüs 22:30 Hij zegt dat de dag van het oordeel zelfs niet aan de engelen bekend is. Mattheüs 24:36 Hij zegt dat Hij dan zal komen met de heilige engelen. Mattheüs 25:31; Lucas 9:26 Je kunt die woorden nog zo verdraaien, je zult engelen toch moeten opvatten als zelfstandige geesten. En als Paulus voor Christus en zijn uitverkoren engelen Timotheüs bezweert om zijn bevelen op te volgen, 1 Timotheüs 5:21 dan bedoelt hij geen onzelfstandige hoedanigheden of inblazingen, maar echte geesten.
In de brief aan de Hebreeën staat dat Christus verheven is boven de engelen, Hebreeën 1:4 dat de wereld niet onderworpen is aan de engelen Hebreeën 2:5 en dat Christus niet de natuur van de engelen heeft aangenomen, maar die van de mensen. Hebreeën 2:16 Maar dat slaat allemaal nergens op, tenzij we aannemen dat het in die tegenstellingen gaat om volmaakt gelukkige geesten. En de schrijver van deze brief maakt dat zelf duidelijk, want hij plaatst in Gods koninkrijk de zielen van de gelovigen en de heilige engelen bij elkaar. Hebreeën 12:22
Bovendien blijkt het ook uit wat ik eerder aangehaald heb: dat de engelen van de kinderen steeds Gods gelaat zien, dat wij door de hulp van engelen beschermd worden, dat de engelen zich verheugen over onze redding, dat ze zich verwonderen over alle manieren waarop Gods genade werkt in de kerk en dat ze onderworpen zijn aan Christus als hun hoofd. En ook blijkt het nog uit het feit dat er aan de heilige aartsvaders zo vaak engelen verschenen in de gedaante van mensen, dat ze spraken en dat ze gastvrij ontvangen werden. Christus wordt ook zelf een engel genoemd, Maleachi 3:1 omdat Hij in zijn hoedanigheid als middelaar het hoofd van de engelen is.
In het kort heb ik dit willen aanvoeren om eenvoudigen te wapenen tegen de dwaze en absurde ideeën die Satan zoveel eeuwen geleden verwekt heeft en die van tijd tot tijd de kop weer opsteken.
Engelen mogen niet aanbeden worden
Nu moet ik alleen nog ingaan tegen het bijgeloof dat meestal om de hoek komt kijken als we zeggen dat engelen dienaren zijn die ons alle goede dingen verschaffen. Want mensen denken met hun verstand dan meteen dat aan engelen dus ook de hoogste eer bewezen hoort te worden. Zodoende wordt aan engelen gegeven waar alleen God en Christus recht op hebben. We zien daarom dat in sommige voorbije eeuwen de eer van Christus op allerlei manieren verduisterd werd, terwijl engelen buiten Gods Woord om met buitensporig veel eerbewijzen werden overladen.
En van de dwalingen die wij vandaag de dag bestrijden, is er haast niet een ouder dan deze.
Immers, blijkbaar had ook Paulus zwaar te kampen met sommigen die engelen zo hoog verhieven dat ze Christus in rang bijna onder de engelen stelden. Daarom dringt hij er in de brief aan de Kolossenzen niet alleen ernstig op aan dat Christus boven de engelen gesteld moet worden. Hij verzekert ook met klem dat Christus voor hen alle goede dingen bewerkt. Kolossenzen 1:16-20 Paulus wil niet dat we Christus aan de kant schuiven en ons tot engelen wenden. Want ook engelen hebben niet genoeg aan zichzelf. Ze putten uit dezelfde bron als wij.
Natuurlijk wordt in engelen de glans van Gods majesteit weerspiegeld. Daarom ligt het heel erg voor de hand dat we ontzet voor hen neervallen om hen te aanbidden en dat we hun ook alle andere dingen toekennen waar alleen God recht op heeft. Zelfs Johannes erkent in het boek Openbaring dat hem dit overkomen is. Maar hij voegt er tegelijk ook aan toe dat hij als antwoord te horen kreeg: ‘Pas op, doe dat niet! Ik ben net als jij een dienaar. Aanbid God.’ Openbaring 19:10; 22:8-9
God gebruikt engelen omdat wij dan gemakkelijker zijn hulp ervaren
We kunnen dit gevaar echter gemakkelijk ontwijken, als we ons afvragen: waarom laat God meestal liever door engelen zijn macht zien? Waarom zorgt Hij liever door hen voor het welzijn van de gelovigen? En waarom deelt Hij zijn zegenende gaven liever uit via hen? Waarom doet Hij het niet zelf, zonder van hun dienst gebruik te maken?
God doet dit zeker niet uit noodzaak, alsof Hij engelen niet zou kunnen missen. Want zo vaak Hij dat wil, passeert Hij hen. Dan is zelfs zijn wil alleen genoeg om het werk uit te voeren. Het is dus absoluut niet zo dat engelen God moeten helpen om het werk voor Hem minder moeilijk te maken.
God doet dit dus om ons te troosten in onze zwakheid. Hij wil dat wij niets tekort komen dat ons zou kunnen helpen om ons op te beuren of hoopvol te stemmen, of om ons kracht te geven of onze zorgen te verlichten. Eigenlijk zouden we er genoeg aan moeten hebben dat de Heer ons verzekert dat Hij ons beschermt. Maar we zien dat zoveel gevaren ons bedreigen, dat zoveel verschillende vijanden ons omringen. Daarom zouden we zomaar door angst bevangen kunnen worden of onder wanhoop kunnen bezwijken, als de Heer ons niet liet merken – op een manier die past bij de beperktheid van ons begrip – dat Hij met zijn genade bij ons is.
Daarom belooft God ons niet alleen dat Hij voor ons zal zorgen. Hij belooft ons ook dat Hij ontelbaar veel lijfwachten heeft aan wie Hij de zorg voor ons welzijn heeft opgedragen. Welk gevaar ons ook bedreigt, er is geen schijn van kans dat ons enig kwaad zal overkomen, zolang zij ons omringen met hun hulp en bescherming. Ik geef toe dat we er verkeerd aan doen dat we, na die eenvoudige belofte van de enige God dat Hij ons zal beschermen, toch nog om ons heen kijken waar onze hulp vandaan zal komen. Psalm 121:1 Maar de Heer wil in zijn enorme welwillendheid en toegeeflijkheid aan onze fout tegemoet komen. Daarom is er voor ons geen reden om deze grote gunst van Hem te negeren.
We zien er een voorbeeld van in de knecht van Elisa. Hij zag dat de berg omsingeld was door het leger van de Syriërs en dat er geen mogelijkheid meer was om te vluchten. Hij was overmand door angst, alsof het met hem en zijn meester gedaan was. Toen bad Elisa tot God of die zijn ogen wilde openen. Meteen zag hij dat de berg vol paarden en wagens van vuur was, oftewel vol engelen, die de profeet moesten bewaken. 2 Koningen 6:15-17 Dat visioen gaf hem kracht. Hij putte weer moed en kon onverschrokken de vijand afwachten, ook al was hij doodsbang geweest toen hij die vijand ontdekte.
Engelen mogen ons niet van God afleiden
Laten we daarom alles wat over het dienen van engelen gezegd wordt, gebruiken om ons gebrek aan vertrouwen te overwinnen en onze hoop nog sterker te vestigen op God. De Heer heeft ons deze beschermers geschonken. Wij hoeven niet te schrikken van het grote aantal van onze vijanden. Zij kunnen niets beginnen tegen Gods hulp. Wij mogen onze toevlucht nemen in de uitspraak van Elisa dat er meer vóór ons dan tegen ons zijn.
Wat is het dan verkeerd als we ons door engelen van God laten afleiden! Ze zijn juist bestemd om ons te bewijzen dat Hij met zijn hulp dichter bij ons is dan we denken! Maar ze leiden ons van God af als ze ons niet aan de hand nemen en rechtstreeks naar Hem leiden. Hem alleen moeten we zien als onze helper. Hem alleen moeten we aanroepen en loven. Engelen leiden ons van God af als we hen niet beschouwen als zijn handen. Ze beginnen nergens aan als Hij ze niet bestuurt. Ze leiden ons af als ze ons niet houden bij de ene middelaar Christus. Van Hem alleen moeten we afhankelijk zijn, op Hem alleen moeten we steunen, in Hem alleen moeten we onze toevlucht zoeken en bij Hem alleen moeten we tot rust komen.
In ons hart moet gegrift staan wat beschreven wordt in het visioen van Jacob. Engelen dalen af naar de aarde en de mensen klimmen omhoog naar de hemel, langs een ladder waarop de Heer van de legermachten zit. Genesis 28:12-13 Dat geeft aan dat het alleen maar mogelijk is dat engelen ook ons dienen, omdat Christus tussenbeide gekomen is. Dat verzekert Hij zelf: ‘Van nu af zullen jullie zien dat de hemel open is en dat engelen neerdalen op de mensenzoon.’ Johannes 1:52
Daarom roept de knecht van Abraham niet de engel aan, aan wiens bescherming hij was toevertrouwd. Hij vraagt niet of de engel hem nabij wil zijn. Maar omdat hij erop vertrouwt dat hem die bescherming is toegezegd, stort hij zijn gebeden uit voor de Heer. Hem vraagt hij of Hij zijn barmhartigheid wil bewijzen tegenover Abraham. Genesis 24:7-12
Want dat God engelen aanstelt om zijn macht en goedheid te bedienen, doet Hij niet met de bedoeling om zijn eer met hen te delen. En dat Hij ons belooft ons te helpen door de dienst van engelen, doet Hij dus ook niet met de bedoeling dat wij ons vertrouwen zouden verdelen over Hem en de engelen. De filosofie van Plato moeten we dus loslaten. Plato leert dat we via engelen toegang tot God moeten vragen en dat we hen moeten dienen om God vriendelijker te stemmen tegenover ons. Van begin af aan hebben bijgelovige en nieuwsgierige mensen geprobeerd deze filosofie ook in onze godsdienst in te voeren. En tot op de dag van vandaag gaan ze daarmee door.
We worden voortdurend belaagd door demonen
Wat de Schrift ons leert over de demonen, is bijna altijd bedoeld om ervoor te zorgen dat we goed blijven opletten. We moeten oppassen voor hun listige plannen. Daarom moeten we ons voorzien van wapens die sterk genoeg zijn om zulke machtige vijanden te verjagen. Satan wordt de god en de vorst van deze wereld genoemd. 2 Korinthiërs 4:4; Johannes 12:31 Over hem wordt gezegd dat hij sterk bewapend is, Lucas 11:21; Mattheüs 12:29 dat hij een geest is die de macht heeft over de lucht Efeziërs 2:2 en dat hij een brullende leeuw is. 1 Petrus 5:8 Die omschrijvingen dienen er alleen maar toe om ons voorzichtiger en waakzamer te maken en om ons met meer bereidwilligheid de strijd op ons te laten nemen.
Soms wordt dat ook uitdrukkelijk zo gezegd. Want Petrus zegt dat de duivel rond gaat als een brullende leeuw, die op zoek is naar wie hij zou kunnen verslinden. En dan spoort Petrus ons meteen daarna aan om de duivel door geloof krachtig weerstand te bieden.
En Paulus waarschuwt dat onze strijd niet gaat tegen vlees en bloed, maar tegen de vorsten in de lucht, de machten van de duisternis en de slechte geesten. En dan beveelt hij meteen daarna om de wapens op te nemen die voor zo’n zware en gevaarlijke strijd geschikt zijn. Efeziërs 6:12-13
We zijn dus gewaarschuwd. We worden continu belaagd door een vijand. Een vijand die vastberaden en vermetel is. Hij is sterk, listig, onvermoeibaar, ijverig en snel. Hij is rijk voorzien van wapens en weet alles van strategie en tactiek. Laten we daarom ons uiterste best doen dat we ons niet door nalatigheid of lafheid laten overmeesteren. Laten we met opgeheven hoofd en een opgewekt hart standhouden om hem weerstand te bieden. En laten we onszelf aansporen om vol te houden, want deze militaire dienst eindigt pas met onze dood. Maar laten we ons vooral bewust zijn van onze zwakheid en onervarenheid en laten we daarom God om hulp vragen. Laten we niets ondernemen zonder vertrouwen op Hem. Want Hij is de enige die raad en kracht en moed en wapens geeft.
Er zijn ontelbaar veel demonen en de satan is hun hoofd
Om ons hiertoe extra op te wekken en aan te sporen, laat de Schrift ons weten dat er niet één of twee of weinig vijanden zijn. Nee, grote troepen zijn er die met ons oorlog voeren. Want van Maria Magdalena wordt gezegd dat ze bevrijd was van zeven demonen die haar in bezit hadden gehad. Marcus 16:9 En Christus verklaart dat als je weer ruimte vrij laat voor een demon die eerst is uitgeworpen, het heel normaal is dat hij zeven geesten meeneemt die erger zijn dan hij. Samen met hen komt hij in het lege huis terug. Mattheüs 12:43-45 Er wordt zelfs verteld dat een heel legioen één man in bezit gehad heeft. Lucas 8:30
Hieruit leren we dus dat we te kampen hebben met een oneindig aantal vijanden. We moeten hun aantal dus niet onderschatten en ons in de strijd niet laten verslappen. We moeten niet denken dat we soms even pauze krijgen en niet toegeven aan ons verlangen om niets te doen.
Maar vaak wordt er gesproken over één Satan of duivel, in het enkelvoud. Daarmee wordt het hoogste gezag aangeduid van het kwaad, dat zich verzet tegen het rijk van de rechtvaardigheid. Want de kerk en de gemeenschap van de heiligen heeft Christus als hoofd. Zo wordt ook de bende van de goddelozen en de goddeloosheid zelf voor ons getekend met haar vorst, die daar het hoogste gezag draagt. Daarom is er gezegd: ‘Ga weg van mij, jullie vervloekten, in het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen.’ Mattheüs 25:41
De strijd tegen de duivel is onontkoombaar
De duivel wordt steeds de tegenstander genoemd van God en van ons. Ook dit moet ons prikkelen om voortdurend het gevecht met hem aan te gaan. Want als Gods eer ons ter harte gaat – en dat hoort zo te zijn – dan moeten we al onze kracht aanwenden tegen hem die die eer probeert uit te doven. Als we graag het rijk van Christus willen verdedigen – en dat horen we te willen – dan kan het niet anders, of we zijn verwikkeld in een onverzoenlijke oorlog met hem die samenspant om dat rijk te vernietigen. En opnieuw, als we ons ook maar een beetje druk maken om ons eigen behoud, dan mogen we geen vrede of wapenstilstand sluiten met hem die voortdurend op de loer ligt om onze ondergang te bewerken.
Zo wordt de duivel beschreven in Genesis 3. Daar brengt hij de mens af van de gehoorzaamheid waar God recht op had. Tegelijk berooft hij daarmee dus God van zijn eer en stort hij de mens in de ondergang. Zo wordt hij ook beschreven in de evangeliën. Daar wordt hij een vijand genoemd en er wordt verteld dat hij onkruid zaait om het zaad van het eeuwige leven te verstikken. Mattheüs 13:24-28 Kortom, in alles wat hij doet, ervaren we dat hij vanaf het begin een moordenaar en een leugenaar is, zoals Christus van hem getuigt. Johannes 8:44 Want hij strijdt met leugens tegen Gods waarheid. Hij verduistert het licht. Hij brengt de mensen in verwarring met dwalingen. Hij zet ze aan tot haat en prikkelt ze tot vechten en ruziemaken. Allemaal met de bedoeling om Gods rijk omver te werpen en de mensen met hem in de eeuwige ondergang te laten wegzinken.
Hieruit blijkt dat hij van nature slecht, kwaadaardig en sluw is. Want in een geest die erop uit is om de eer van God en het behoud van de mensen aan te vallen, moet wel de grootst mogelijke slechtheid huizen. Johannes zinspeelt daar ook op in zijn brief. Hij schrijft dat de duivel al zondigt vanaf het begin. 1 Johannes 3:8 Hij bedoelt daar immers mee dat hij de bewerker, leider en ontwerper is van alle slechtheid en zonde.
De duivel en de demonen zijn goed geschapen en daarna bedorven
Toch is ook de duivel door God geschapen. Maar we moeten bedenken dat de slechtheid die we aan zijn aard toeschrijven, niet voortkomt uit hoe hij geschapen is. Die slechtheid is ontstaan doordat zijn oorspronkelijke aard bedorven is. Want alles aan hem dat te veroordelen valt, heeft hij zichzelf op de hals gehaald door zijn verraad en val. De Schrift wijst ons hierop om te voorkomen dat we zouden geloven dat God hem zo heeft voortgebracht. Want we mogen niet aan God iets toeschrijven dat absoluut niet bij Hem past. Daarom zegt Christus dat Satan, als hij liegt, uit zichzelf spreekt. En Hij noemt er de reden bij: hij is niet overeind gebleven in de waarheid. Johannes 8:44 Als Christus zegt dat Satan niet overeind gebleven is in de waarheid, geeft Hij daarmee ongetwijfeld aan dat hij ooit wel overeind stond in de waarheid. En als Hij hem de vader van de leugen noemt, ontneemt Hij hem de mogelijkheid om God de schuld te geven van wat hij zelf over zich afgeroepen heeft.
Dit wordt maar kort en niet erg duidelijk gezegd. Maar het is ruim voldoende om Gods majesteit van alle laster te bevrijden. En wat hebben we eraan om meer over de demonen te weten, of om een andere bedoeling te hebben met wat we weten? Sommigen mopperen omdat de Schrift niet op meerdere plaatsen, in de juiste volgorde, duidelijk uitlegt hoe de demonen gevallen zijn. Ze willen weten wat de oorzaak was, op welke manier en wanneer het gebeurd is en wat het precies inhield. Maar dat gaat ons niet aan. Daarom is het beter dat het, al wordt het niet helemaal verzwegen, alleen maar even aangestipt wordt. Want het zou de Heilige Geest onwaardig geweest zijn om met nutteloze verhalen onze nieuwsgierigheid te bevredigen. En we zien dat de Heer met opzet niets in zijn goddelijke uitspraken verteld heeft wat ons niet zou opbouwen. Dus moeten wij ook niet blijven treuzelen bij dingen die overbodig zijn.
Laten we ermee tevreden zijn dat we in het kort dit weten over de aard van de demonen: toen ze pas geschapen waren, waren ze engelen van God. Maar ze zijn ontaard en hebben zo zichzelf bedorven en zijn instrumenten geworden voor het bederf van anderen. Dit is nuttig om te weten en daarom wordt dit duidelijk geleerd bij Petrus en Judas. Zij zeggen dat engelen die gezondigd hadden, hun oorspronkelijke aard niet bewaard hadden en hun eigen woonplaats hadden verlaten. En God heeft hen niet gespaard. 2 Petrus 2:4; Judas 1:6 En Paulus noemt uitverkoren engelen. Ongetwijfeld impliceert hij daarmee dat tegenover hen verworpen engelen staan. 1 Timotheüs 5:21
Satan kan alleen maar doen wat God hem toestaat
Maar wat betreft de ruzie en de strijd die Satan volgens mij voert met God: we moeten dat zo opvatten dat tegelijk overeind blijft dat hij niets kan doen zonder dat God het wil en het toestaat. Want in het verhaal over Job lezen we dat Satan voor God gaat staan om bevelen te ontvangen. Hij durft niet tot actie overgaan zonder dat hij daar toestemming voor gekregen heeft. Job 1:6-12; 2:1-6
Zo gaat het ook als Achab bedrogen moet worden. Satan neemt het dan op zich om een leugengeest te worden in de mond van alle profeten. De Heer zendt hem en hij doet het. 1 Koningen 22:20-23 Ook de geest die Saul kwelde, wordt een slechte geest van de Heer genoemd, omdat door hem als door een gesel de zonden van de goddeloze koning bestraft werden. 1 Samuël 16:14; 18:10 En ergens anders staat dat God de plagen over de Egyptenaren bracht door middel van slechte engelen. Psalm 78:49
Met deze specifieke voorbeelden stemt overeen dat Paulus in het algemeen verklaart dat het Gods werk is dat de ongelovigen verblind worden. Terwijl hij het net daarvoor nog het werk van Satan had genoemd. 2 Thessalonicenzen 2:9-12 Dus staat vast dat Satan onder Gods macht valt. Hij wordt bestuurd door de wil van God en is daarom gedwongen Hem te gehoorzamen.
Toch zeg ik dat Satan zich verzet tegen God en dat wat hij doet in strijd is met wat God doet. Maar ik beweer tegelijk ook dat dit verzet en deze strijd afhankelijk zijn van wat God toelaat. Ik heb het dan niet over de wil van de duivel en ook niet over wat hij probeert. Ik heb het alleen over wat hij voor elkaar krijgt. Want de duivel is slecht van aard en daarom is hij absoluut niet geneigd om Gods wil te gehoorzamen. Hij wordt gedreven door koppigheid en opstandigheid. Uit zichzelf is hij slecht en daarom is het zijn verlangen en zijn vooropgezet plan om zich tegen God te verzetten. Die slechtheid prikkelt hem om juist dat te proberen waarvan hij denkt dat het het meest tegen God ingaat. Maar God houdt hem door de teugel van zijn macht aangelijnd en ingesnoerd. En daarom kan hij alleen maar voor elkaar krijgen wat God hem toestaat. Op die manier gehoorzaamt hij zijn schepper, of hij dat nu wil of niet. Want hij wordt gedwongen God te dienen, telkens als God hem daartoe aanzet.
Satan kan de gelovigen nooit overwinnen
God buigt de onreine geesten dus hierheen en daarheen, net wat Hij wil. Daarbij regelt Hij het zo dat ze de gelovigen trainen in de strijd. Ze overvallen hen vanuit een hinderlaag. Ze verstoren hun rust met hun aanvallen. Ze brengen hen in het nauw door strijd. Vaak weten ze hen af te matten, in verwarring te brengen of bang te maken. En soms lukt het hun om de gelovigen te verwonden. Maar nooit kunnen ze hen overwinnen of onder de voet lopen. De goddelozen echter onderwerpen ze. Hen sleuren ze mee. Ze heersen over hun ziel en lichaam en misbruiken hen als slaven voor allerlei schanddaden.
Maar wat betreft de gelovigen: omdat zulke vijanden hen verontrusten, wordt hen met de volgende woorden moed ingesproken: ‘Geef de duivel geen kans.’ Efeziërs 4:27 ‘Jullie tegenstander, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw. Hij zoekt wie hij zou kunnen verslinden. Biedt hem weerstand, vast in het geloof.’ 1 Petrus 5:8-9 Enzovoort. Paulus geeft toe dat dit soort strijd hem ook niet bespaard is gebleven. Hij schrijft dat hij een engel van Satan gekregen heeft, als een middel om zijn hoogmoed te bedwingen. Die engel moest hem vernederen. 2 Korinthiërs 12:7
Dat ze op deze manier getraind worden, is dus iets dat al Gods kinderen gemeen hebben. Maar ook de belofte dat de kop van Satan vermorzeld zal worden, Genesis 3:15 slaat op Christus en al zijn ledematen gemeenschappelijk. Daarom stel ik dat gelovigen nooit door Satan overwonnen of onder de voet gelopen kunnen worden. Ze worden wel vaak door hem bang gemaakt. Maar ze raken nooit zo ontmoedigd of ze komen er wel weer bovenop. Ze vallen neer onder zware slagen, maar komen daarna toch weer overeind. Ze raken gewond, maar niet dodelijk. Kortom, hun leven lang ploeteren ze voort, maar uiteindelijk behalen ze de overwinning.
Maar ik bedoel niet dat gelovigen bij elk afzonderlijk gevecht de overwinning behalen. Want we weten dat David een tijdje aan Satan werd overgelaten, als een rechtvaardige straf van God. Op aanstichting van Satan moest David het volk gaan tellen. 2 Samuël 24:1 En niet voor niets laat Paulus hoop op vergeving, zelfs als je gevangen gezeten hebt in de strikken van de duivel. 2 Timotheüs 2:25-26
Daarom maakt dezelfde Paulus ergens anders duidelijk dat de hierboven geciteerde belofte in dit leven begint. Nu moeten we strijden. Maar de belofte wordt pas na dit leven vervuld. Hij zegt namelijk: ‘En de God van de vrede zal Satan binnenkort onder jullie voeten verpletteren.’ Romeinen 16:20 In ons hoofd, Christus, is deze overwinning altijd al volledig geweest. Want over Hem had de vorst van deze wereld geen macht. Johannes 14:30 Maar in ons – zijn ledematen – is die overwinning nog maar gedeeltelijk te zien. Echter, ook in ons zal die overwinning volmaakt worden. Zolang we nog in ons vlees zijn, zijn we nog onderworpen aan zwakheid. Maar als we ons vlees hebben uitgetrokken, zullen we vol zijn met de kracht van de Heilige Geest.
Op die manier wordt Satan met zijn macht vernietigd waar het koninkrijk van Christus wordt opgericht. De Heer zegt dit zelf: ‘Ik zag Satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.’ Lucas 10:18 Want met dit antwoord bevestigt Hij wat de apostelen hebben gezegd over de kracht van hun prediking. Zo zegt Hij ook: ‘Als een vorst zijn hof beschermt, is alles wat hij heeft veilig.
Maar als hij overvallen wordt door iemand die sterker is dan hij, dan wordt hij verdreven …’ Lucas 11:21-22
En met dit doel is Christus gestorven. Daarmee heeft Hij Satan overwonnen, want Satan had de macht over de dood. Hebreeën 2:14 Maar Christus heeft over al zijn troepen gezegevierd. Nu kunnen ze de kerk geen schade meer toebrengen. Als dat nog wel kon, zou Satan de kerk elk ogenblik honderdmaal kapot maken. Wij zijn zo zwak en zijn woede is zo sterk. Hoe zouden wij ook maar even tegen zijn vele onophoudelijke aanvallen kunnen standhouden, als we niet vertrouwen op de overwinning van onze aanvoerder?
God staat Satan dus niet toe om te regeren over de zielen van de gelovigen. Hij laat aan Satan alleen het bestuur over goddelozen en ongelovigen over. Hij keurt hen het niet waard om tot zijn kudde gerekend te worden. Want er wordt ook over Satan gezegd dat hij deze wereld in bezit heeft, zonder dat daar iets tegen gedaan wordt, totdat hij door Christus verdreven wordt. Johannes 12:31 En dat hij iedereen verblindt die het evangelie niet gelooft. 2 Korinthiërs 4:4 En ook dat hij in de ongehoorzame kinderen zijn werk kan uitvoeren. Efeziërs 2:2 Dat is terecht, want de goddelozen zijn allemaal het voorwerp van Gods woede. Romeinen 9:22 Aan wie zouden ze dan beter onderworpen kunnen worden dan aan hem die Gods wraak bedient? Ten slotte wordt er over hen gezegd dat de duivel hun vader is. Johannes 8:44 Want gelovigen herken je als kinderen van God omdat ze zijn beeld dragen. Zo vertonen goddelozen het beeld van Satan – zo ontaard zijn ze – en daarom worden ze als zijn kinderen beschouwd. 1 Johannes 3:8
Ook demonen zijn echt bestaande geesten
Hierboven heb ik het filosofisch geklets weerlegd waarin beweerd wordt dat heilige engelen slechts inblazingen of gemoedsbewegingen zijn die God in de mensen opwekt. Daarom moet ik hier nu ook het geklets weerleggen dat demonen slechts verkeerde begeerten of hartstochten zijn die ons vlees in ons opwekt. Ik kan dat heel beknopt doen, want er bestaan hiertegen veel bewijzen in de Schrift die duidelijk genoeg zijn.
In de eerste plaats worden demonen onreine geesten en gevallen engelen genoemd, Mattheüs 12:43 die ontaard zijn van hun hun oorspronkelijke toestand. Judas:6 Deze benamingen drukken duidelijk genoeg uit dat demonen geen gemoedsbewegingen of begeerten zijn. Ze zijn eerder wat je noemt karakters of geesten voorzien van een bewustzijn en verstand.
Bovendien zetten zowel Christus als Johannes Gods kinderen tegenover de kinderen van de duivel. Johannes 8:44; 1 Johannes 3:10 Zou dat geen dwaze tegenstelling zijn als de term ‘duivel’ alleen maar duidde op verkeerde inblazingen? Trouwens, Johannes zegt er iets bij dat het nog duidelijker maakt: de duivel zondigt vanaf het begin. 1 Johannes 3:8
En Judas vertelt dat de aartsengel Michaël met de duivel streed. Judas:9 Ongetwijfeld plaatst hij dan een slechte en afvallige engel tegenover een goede engel. Dat stemt overeen met wat je leest in het verhaal over Job. Daar verschijnt Satan met de heilige engelen voor God. Job 1:6; 2:1
Maar het duidelijkst van allemaal zijn de passages waar verteld wordt over de straf die de demonen door het oordeel van God beginnen te ervaren en die ze vooral zullen ervaren bij de opstanding. ‘Zoon van David, waarom bent U gekomen om ons te pijnigen voordat het tijd is?’ Mattheüs 8:29 En: ‘Ga weg van Mij, jullie vervloekten, in het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen.’ Mattheüs 25:41 En: ‘Als Hij zijn eigen engelen niet gespaard heeft, maar geketend in de duisternis geworpen heeft om tot het eeuwige oordeel te bewaren …’ 2 Petrus 2:4 Wat een dwaze uitspraken zouden dat zijn – dat de demonen bestemd zijn voor het eeuwig oordeel, dat er vuur voor hen bestemd is, dat ze nu al gepijnigd en gekweld worden door Christus’ glorie – als er helemaal geen demonen bestaan!
Maar ik hoef deze kwestie helemaal niet uit te leggen voor hen die Gods Woord geloven. En bij die speculerende nietsnutten bereik je toch maar weinig met bewijzen uit de Schrift. Want hun bevalt niets wat niet nieuw is. Daarom vind ik dat ik klaar ben met wat ik van plan was. Ik heb vrome mensen geleerd wat ze moeten weten tegen zulke waanzin, waarmee rusteloze mensen zichzelf en anderen, die eenvoudiger zijn, in verwarring brengen. Toch was het de moeite waard ook deze kwestie even aan te stippen. Anders zouden sommigen misschien in die dwaling verstrikt raken en denken dat de vijand niet echt is. Dan zouden ze zomaar kunnen verslappen in hun verzet en onvoorzichtig kunnen worden.
De grootsheid van de schepping
Ondertussen moeten we het niet erg vinden om in dit wondermooie toneel te genieten van wat God gemaakt heeft en wat voor ons zo duidelijk voor het oprapen ligt. Want ik heb ergens anders al gezegd dat dit, weliswaar niet het belangrijkste, maar wel het eerste bewijs voor het geloof is: waar we onze ogen ook op richten, alles wat we tegenkomen is Gods werk. Daarom moeten we vroom overdenken met welk doel God dit alles geschapen heeft. Om alles wat we over God moeten weten met echt geloof aan te nemen, is het dus de moeite waard om vooral naar het scheppingsverhaal te kijken. Mozes heeft het in het kort verteld. En daarna is het door heilige mannen, vooral door Basilius de Grote en Ambrosius, uitvoeriger toegelicht.
Uit het scheppingsverhaal zullen we leren dat God door de kracht van zijn Woord en van zijn Geest uit niets de hemel en de aarde geschapen heeft. Vervolgens bracht hij allerlei soorten ademende en niet-ademende wezens voort, een wonderbaarlijke reeks, onderscheiden in een ontelbaar grote verscheidenheid. Elke soort heeft Hij een eigen aard, taak, plaats en positie toegekend. En al is alles onderworpen aan vergankelijkheid, toch heeft Hij ervoor gezorgd dat elke soort veilig bewaard blijft tot de laatste dag. Voor sommige soorten zorgt Hij daarom speciaal, op een geheimzinnige manier. Zo nu en dan dient Hij hun als het ware nieuwe kracht toe. Aan andere soorten heeft Hij het vermogen geschonken om zich voort te planten, zodat ze niet volledig zouden uitsterven. Zo heeft Hij de hemel en de aarde op een wonderlijke manier voorzien van een absoluut volmaakte overvloed, variatie en schoonheid van allerlei dingen, als een ruim en schitterend huis dat met het chiqueste en duurste meubilair is ingericht en gevuld. Ten slotte heeft Hij de mens gemaakt en hem zo schitterend versierd en hem met zo veel gaven uitgedost, dat Hij daarmee zijn beste werk geleverd heeft.
Maar het is niet mijn bedoeling om het verhaal te vertellen van de schepping van de wereld. Laat het daarom genoeg zijn dat ik deze paar dingen terloops opnieuw even aangestipt heb. Want zoals ik al zei, het is beter dat de lezers een vollediger inzicht hierin proberen te krijgen uit Mozes en anderen die de geschiedenis van de wereld betrouwbaar en nauwkeurig opgetekend hebben.
Uit de schepping blijkt wie God is
Het is niet nodig om nog uitvoerig te bespreken waarom en met welk doel we moeten kijken naar wat God gemaakt heeft. Want die kwestie heb ik ergens anders al uitgebreid behandeld. Voor zover dit onderwerp nog van belang is voor wat ik hier wil zeggen, kan ik dus met enkele woorden volstaan.
Gods onschatbare wijsheid, macht, rechtvaardigheid en goedheid worden in de samenstelling van de wereld gereflecteerd. Als we dat zouden willen uitleggen op een manier die er recht aan doet, dan zouden alle woorden, hoe mooi en schitterend ook, tekortschieten. Toch wil de Heer ongetwijfeld dat we voortdurend bezig zijn met deze heilige overdenking. Als we de onmetelijke rijkdommen van wijsheid, rechtvaardigheid, goedheid en macht in alle schepselen weerspiegeld zien, mogen we er niet alleen maar even ons oog over laten glijden. We mogen er niet slechts, zeg maar, een vluchtige blik op werpen. We moeten uitgebreid de tijd nemen om erover na te denken. We moeten er in gedachten serieus en trouw mee bezig zijn en onszelf er telkens opnieuw aan herinneren.
Maar ik ben nu bezig met onderwijs. Daarom moet ik nu afzien van een lange preek. Laat ik dus mijn best doen om het kort te houden. Wanneer mogen de lezers weten dat ze met echt geloof begrepen hebben wat het betekent dat God de schepper van hemel en aarde is? Als ze zich in de eerste plaats houden aan de algemene regel dat ze niet ondankbaar en onoplettend of onnadenkend Gods goede eigenschappen negeren die Hij duidelijk tentoonspreidt in zijn schepselen. En als ze die eigenschappen in de tweede plaats zo op zich laten inwerken dat ze er in hun hart diep door geraakt worden.
Het is een voorbeeld van het eerste, als we bedenken wat een geweldig kunstenaar het geweest moet zijn die zo’n groot aantal sterren aan de hemel geplaatst heeft. Ze zijn zo goed geordend en gerangschikt, dat je niets indrukwekkenders kunt bedenken om te bekijken. Sommige sterren zijn zo op hun plaats vastgezet dat ze zich niet kunnen verplaatsen.
Andere heeft Hij een vrijere loop toegestaan. Maar wel zo dat ze niet terecht kunnen komen buiten de ruimte die Hij hun gesteld heeft. Hij heeft de beweging van al die sterren zo geregeld dat ze de dagen en nachten, maanden, jaren en jaargetijden bepalen. Ook heeft Hij het verschil tussen de dagen – we zien dat elke dag weer – zo geregeld dat er geen verwarring ontstaat.
Een ander voorbeeld is het als we zijn macht zien in hoe Hij zo’n geweldig kunstwerk onderhoudt, hoe Hij de snelle wentelingen van de hemelse machinerie bestuurt en meer van zulke dingen.
Deze enkele voorbeelden tonen voldoende aan wat het betekent om Gods goede eigenschappen te herkennen in de schepping van de wereld. Als ik dit onderwerp volledig zou willen bespreken, zou er, zoals ik zei, geen eind aan komen. Immers, er zijn net zoveel wonderen van Gods macht, net zoveel tekenen van zijn goedheid, net zoveel bewijzen van zijn wijsheid, als er soorten dingen in de wereld zijn. Ja, zelfs zoveel als er dingen zijn, groot of klein.
Uit de schepping blijkt dat God voor ons zorgt
Nu blijft alleen het tweede deel nog over. Dat deel raakt het geloof nog meer. Want we merken dat God alles bestemd heeft om ons goed te doen, voor ons welzijn. En in onszelf en in de grote en goede dingen die Hij voor ons bestemd heeft, voelen we zijn macht en genade. Daarom zetten we onszelf ertoe aan om op Hem te vertrouwen, Hem aan te roepen, Hem te loven en Hem lief te hebben.
De Heer heeft zelf, door de volgorde van zijn scheppingswerk, duidelijk gemaakt dat Hij alles geschapen heeft met het oog op de mens. Ik heb dat kort hiervóór laten zien. Want het is niet zonder betekenis dat Hij het maken van de wereld over zes dagen heeft uitgespreid. Alle onderdelen van het werk in één ogenblik voltooien zou voor Hem echt niet moeilijker geweest zijn dan het werk stap voor stap uitvoeren. Maar Hij wilde zijn voorzienigheid en vaderlijke zorg laten zien. Daarom heeft Hij, voordat Hij de mens maakte, van tevoren alles voorbereid waarvan Hij voorzag dat het voor de mens nuttig en goed zou zijn.
Wat zou het dan ondankbaar zijn om eraan te twijfelen of deze o zo goede Vader wel voor ons zorgt! We zien toch dat Hij zich al om ons bekommerde voordat wij geboren waren? Wat zou het goddeloos zijn om ons bezorgd af te vragen of zijn welwillendheid ons niet een keer in de steek zal laten, net als we Hem nodig hebben! We zien toch dat Hij ons, toen we nog niet geboren waren, zijn welwillendheid al heeft betoond in een enorme overvloed aan goede dingen?
Bovendien horen we van Mozes dat, als gevolg van Gods vrijgevigheid, alles wat er maar in heel de wereld te vinden is, aan ons is onderworpen. Genesis 1:28-29; 9:2-3 Dat heeft Hij vast niet gedaan om een spelletje met ons te spelen door ons alleen een lege huls te geven. Dus zal het ons aan niets ontbreken dat voor ons welzijn van belang is.
Ten slotte – om nu maar eens een punt te zetten – telkens als we God de schepper noemen van hemel en aarde, moeten we tegelijk bedenken dat Hij alles in zijn hand en in zijn macht heeft. Hij deelt uit wat Hij geschapen heeft. Wij zijn zijn kinderen en Hij heeft ons onder zijn hoede genomen, om ons trouw te eten te geven en op te voeden. Daarom moeten we alle goede dingen volledig van Hem alleen verwachten. We moeten er vast op vertrouwen dat Hij nooit zal toelaten dat we iets tekortkomen van wat we voor ons welzijn nodig hebben. En we moeten onze hoop nooit op iets anders vestigen. Wat we ook willen hebben, we moeten onze wensen aan Hem richten. Waar we ook van genieten, we moeten erkennen dat we het van Hem gekregen hebben en Hem daarvoor bedanken. We worden door de aantrekkingskracht van zijn goedheid en vrijgevigheid tot Hem gelokt. Daarom moeten we ons best doen om Hem met heel ons hart lief te hebben en te dienen.
Voetnoten
- 124
Augustinus, Confessiones XI, 12.
- 125
Augustinus, De Genesi contra Manichaeos II, 29.
- 126
Augustinus, De civitate Dei XI, 5.
- 127
Pseudo-Dionysius, De coelesti hierarchia.
- 128
Plato, Epinomis.
- 129
Basilius de Grote (†379), bisschop van Caesarea.
- 130
Ambrosius (†397), bisschop van Milaan.
Voetnoot 124
Augustinus, Confessiones XI, 12.
Voetnoot 125
Augustinus, De Genesi contra Manichaeos II, 29.
Voetnoot 126
Augustinus, De civitate Dei XI, 5.
Voetnoot 127
Pseudo-Dionysius, De coelesti hierarchia.
Voetnoot 128
Plato, Epinomis.
Voetnoot 129
Basilius de Grote (†379), bisschop van Caesarea.
Voetnoot 130
Ambrosius (†397), bisschop van Milaan.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.