Boek I · Hoofdstuk 15
De schepping van de mens
Inhoud van dit hoofdstuk · 8 secties
- 1We kunnen God niet de schuld geven van onze bedorven natuur
- 2De mens bestaat uit een ziel en een lichaam
- 3De mens is geschapen naar Gods beeld
- 4Wat het beeld van God inhoudt, blijkt uit hoe wij vernieuwd worden
- 5De ziel is geen stukje van Gods wezen
- 6De vermogens van de ziel volgens de filosofen
- 7De ziel bestaat uit het verstand en de wil
- 8Vrijheid en verantwoordelijkheid
We kunnen God niet de schuld geven van onze bedorven natuur
Nu moeten we het gaan hebben over de schepping van de mens. Want van alles wat God gemaakt heeft, is de mens het edelste en opzienbarendste bewijs van zijn rechtvaardigheid, wijsheid en goedheid. Maar we moeten het ook over de schepping van de mens hebben, omdat we – ik heb dat in het begin al gezegd – God niet duidelijk en volledig kunnen kennen als we niet tegelijk ook onszelf kennen.
Die kennis van onszelf bestaat uit twee delen. We moeten weten hoe we oorspronkelijk geschapen zijn. En we moeten weten hoe we er sinds de val van Adam aan toe zijn. We hebben er immers niets aan om te weten hoe we geschapen zijn, als we niet inzien dat we helaas gevallen zijn en niet beseffen hoe bedorven en misvormd onze natuur nu is.
Toch zullen we ons er nu mee tevredenstellen om het alleen over onze onbedorven natuur te hebben. Straks zullen we afdalen naar de ongelukkige toestand van de mens waarin hij nu gevallen is. Maar eerst zal het zeker de moeite waard zijn om te weten hoe hij in het begin geschapen is. Want als we abrupt zouden bewijzen dat de mens van nature slecht is, zouden we dat zomaar kunnen toeschrijven aan de schepper van de menselijke natuur. Daar moeten we voor oppassen. In hun goddeloosheid denken mensen namelijk dat het een goed excuus is als al hun gebreken op een of andere manier bij God vandaan komen. Als ze erom berispt worden, aarzelen ze niet om God aan te klagen en Hem de schuld te geven van de dingen waar zij terecht van beschuldigd worden. Ook mensen die nog iets eerbiediger over God lijken te willen spreken, voeren toch graag hun natuur aan als excuus voor hun slechtheid. Ze bedenken niet dat ze daarmee God ook beledigen, al is het dan minder duidelijk. Want als we konden bewijzen dat er een fout zit in onze natuurlijke aanleg, dan zou dat beledigend zijn voor God.
We zien dus dat het vlees allerlei uitvluchten zoekt. Zo denken we de schuld van onze eigen fouten op een of andere manier op iemand anders te kunnen afschuiven. Maar dit kwaad moeten we fel bestrijden. Daarom moeten we de diepe ellende van de mens behandelen op een manier die alle uitvluchten afsnijdt en Gods rechtvaardigheid van alle blaam zuivert. Later zullen we, op de juiste plaats, zien hoever de mensen verwijderd zijn van de zuiverheid die Adam had gekregen.
Om te beginnen moeten we weten dat Adam genomen was uit aarde en leem. Genesis 2:7 Daarmee werd zijn trots beteugeld. Want het zou toch wel heel absurd zijn als je pocht dat je zo geweldig bent, terwijl je niet alleen in een lemen hutje woont, Job 4:19 maar ook zelf voor een deel aarde en as bent. Maar God heeft het niet beneden zijn waardigheid gevonden om dat aarden vat levensadem te geven. Bovendien heeft Hij gewild dat er een onsterfelijke ziel in zou huizen. Daarom kon Adam zich terecht beroemen op de grote vrijgevigheid van zijn maker.
De mens bestaat uit een ziel en een lichaam
Verder mag er geen verschil van mening over bestaan dat de mens bestaat uit een ziel en een lichaam. Onder het woord ‘ziel’ versta ik een onsterfelijk maar toch geschapen wezen. Het is het edelste deel van de mens. Soms wordt het ‘geest’ genoemd. Als deze woorden samen genoemd worden, verschillen ze van elkaar in betekenis. Maar als het afzonderlijk gebruikt wordt, betekent het woord ‘geest’ hetzelfde als ‘ziel’. Als Salomo het over de dood heeft, zegt hij dat de geest terugkeert naar God die hem gegeven heeft. Prediker 12:7 Christus beveelt zijn geest in de handen van de Vader Lucas 23:46 en ook Stefanus beveelt zijn geest in de handen van Christus. Handelingen 7:59 Daarmee bedoelen ze niets anders dan dat de ziel bevrijd wordt uit de gevangenis van het lichaam en daarna bij God bewaard blijft.
Maar er zijn mensen die zich inbeelden dat de ziel geest genoemd wordt, omdat de ziel een adem of een kracht is die God in het lichaam heeft ingegoten, maar dat de ziel niet zelf een wezen heeft. Maar zij zitten er helemaal naast. Dat blijkt wel uit de ziel zelf en ook uit heel de Schrift.
Het is waar dat mensen veel te veel gehecht zijn aan de aarde. Daardoor raken ze afgestompt, van de Vader van de hemellichten Jacobus 1:17 vervreemd en door duisternis verblind. Ze denken er niet meer aan dat ze na hun dood blijven voortleven. Maar ondertussen is in die duisternis het licht nog niet zover uitgedoofd dat ze niet meer geraakt worden door het besef van hun onsterfelijkheid. Echt, het geweten maakt onderscheid tussen goed en kwaad en reageert op Gods oordeel. Dat is dus een duidelijk teken dat de geest onsterfelijk is. Want hoe zou een gemoedsbeweging die zelf geen wezen heeft, kunnen doordringen tot Gods rechterstoel en zichzelf beschuldigen en angst aanjagen? Immers, het lichaam heeft geen last van angst voor een geestelijke straf. Die straf raakt alleen de ziel. Dat betekent dus dat de ziel een wezen heeft.
Ook alleen al het kennen van God levert voldoende bewijs dat zielen onsterfelijk zijn. Ze stijgen boven de wereld uit. Maar een voorbijgaande kracht zou niet kunnen doordringen tot de bron van het leven.
Ten slotte, de menselijke ziel blinkt uit door al die schitterende gaven. Die roepen het uit: in de ziel staat iets goddelijks gegrift. Daarmee vormen die gaven evenveel bewijzen dat het wezen van de ziel onsterfelijk is. Want de redeloze dieren hebben geen besef dat verder reikt dan hun lichaam, of in elk geval reikt het niet verder dan de dingen die ze tegenkomen. Maar de menselijke ziel is zo flexibel dat ze hemel en aarde en de geheimen van de natuur onderzoekt. Ze begrijpt en herinnert zich alle tijden. Ze brengt orde aan door alle dingen hun eigen plaats te wijzen. En ze kan de toekomst inschatten op basis van het verleden. Dat toont duidelijk aan dat er in de mens iets schuilt dat los staat van het lichaam. Met ons verstand zijn we ons bewust van de onzichtbare God en van engelen. Het lichaam is daar absoluut niet toe in staat. We beseffen wat juist, rechtvaardig en eerlijk is. Maar onze zintuigen ontgaat dat. Dus moet de geest de plek zijn waar dat inzicht huist. Ja, zelfs de slaap bewijst duidelijk dat de ziel onsterfelijk is. Als hij slaapt, is de mens bewusteloos. Hij lijkt van het leven beroofd. Maar dan ziet hij in gedachten dingen die nooit gebeurd zijn en zelfs voorzeggingen van de toekomst.
Ik stip maar kort aan wat ook door heidense schrijvers met veel mooiere woorden wordt opgehemeld. Voor vrome lezers zal het wel genoeg zijn dat ik het op een eenvoudige manier opgenoemd heb.
Nu dan, als de ziel niet iets wezenlijks was, apart van het lichaam, dan zou de Schrift niet leren dat we in een lemen huis wonen en als we sterven uit de tabernakel van het vlees verhuizen. Dan trekken we het vergankelijke uit. En op de laatste dag krijgen we ons loon, ieder in overeenstemming met hoe hij zich gedragen heeft in het lichaam. Zulke passages kun je overal vinden. Vast en zeker wordt de ziel daar niet alleen duidelijk onderscheiden van het lichaam. Ook wordt daarin de benaming ‘mens’ gebruikt voor de ziel. Dat geeft aan dat de ziel het belangrijkste deel is.
Bovendien waarschuwt Paulus de gelovigen dat ze zich moeten reinigen van alles wat het lichaam en de geest besmet heeft. 2 Korinthiërs 7:1 Dan noemt hij dus twee delen waarin de vuilheid van de zonde huist.
En Petrus noemt Christus de herder en opziener over de zielen. 1 Petrus 2:25 Dat zou een verkeerde uitspraak van hem zijn als er helemaal geen zielen zouden bestaan waarover Christus deze taak zou vervullen. En wat hij zegt over het eeuwige leven van de zielen, 1 Petrus 1:9 zou ook geen zin hebben. Of dat hij beveelt dat we onze ziel moeten reinigen en dat onze slechte begeerten strijden tegen de ziel. 1 Petrus 2:11 En ook niet dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt dat de herders waken, omdat ze rekenschap moeten afleggen over onze zielen. Hebreeën 13:17 Dat zou allemaal geen zin hebben als de ziel niet zelf een wezen had.
Paulus roept God aan als getuige over zijn ziel. 2 Korinthiërs 1:23 Ook dat wijst erop dat de ziel zelf een wezen heeft. Want de ziel zou niet als beklaagde voor God staan, als de ziel niet gestraft kon worden. En dat wordt nog duidelijker uitgedrukt in de woorden van Christus, als Hij beveelt Hem te vrezen die eerst het lichaam doodt en dan de ziel het hellevuur in stuurt. Mattheüs 10:28; Lucas 12:5
Verder maakt de schrijver van de brief aan de Hebreeën onderscheid tussen onze lichamelijke vaders en God. God alleen is onze geestelijke vader. Duidelijker kon de schrijver niet bevestigen dat de ziel een wezen heeft. Bovendien, als zielen niet bleven voortleven nadat ze uit de gevangenis van het lichaam bevrijd zijn, zou absurd zijn wat Christus vertelt: de ziel van Lazarus genoot van de vreugde in Abrahams schoot, terwijl aan de andere kant de ziel van de rijke man veroordeeld was tot verschrikkelijke kwellingen. Lucas 16:22-23 Paulus bevestigt dat ook. Hij leert dat wij niet bij God wonen zolang we in ons lichaam wonen. Maar buiten ons lichaam genieten we van Gods aanwezigheid. 2 Korinthiërs 5:6-8 En om niet te lang te blijven hangen bij een onderwerp dat helemaal niet zo onduidelijk is, wil ik alleen dit nog toevoegen van Lucas: onder de dwalingen van de sadduceeën noemt hij ook dat ze niet in geesten en engelen geloofden. Handelingen 23:8
De mens is geschapen naar Gods beeld
In deze kwestie kun je er ook een sterk bewijs uit afleiden dat over de mens gezegd wordt dat hij geschapen is volgens Gods beeld. Genesis 1:26-27 Ook in het uiterlijk van de mens schittert Gods glorie. Toch is er geen twijfel aan dat dat beeld vooral in de ziel schuilt. Ik ontken zeker niet dat de uiterlijke verschijning van de mens, voor zover die ons onderscheidt en apart zet van de redeloze dieren, ons tegelijk ook nauwer aan God verbindt. Ik zal ook geen fel debat beginnen als iemand wil dat we tot het beeld van God rekenen dat de mens een gezicht gekregen heeft dat naar boven gericht is. De andere levende wezens kijken naar beneden, naar de aarde, maar de mens heeft bevel gekregen naar de hemel te kijken en zijn gezicht op te heffen naar de sterren. Zolang we maar overeind houden dat het beeld van God dat in deze uiterlijke kenmerken zichtbaar wordt of daarin oplicht, geestelijk is.
Uit de loze hersenspinsels van Andreas Osiander blijkt dat hij zijn genialiteit helemaal verkeerd gebruikt. Zijn geschriften bewijzen het. Hij laat het beeld van God zowel het lichaam als de ziel omvatten. Daarmee vermengt hij hemel en aarde. Hij zegt dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest hun beeld in de mens plaatsen omdat Christus ook mens geworden zou zijn als Adam onbedorven zou zijn gebleven. Volgens hem is het lichaam dat voor Christus bestemd was het voorbeeld en het model geweest voor het menselijk lichaam zoals dat toen geschapen is. Maar waar kan hij vinden dat Christus het beeld van de Geest is? Zeker, ik geef toe dat in de persoon van de middelaar de glorie schittert van de hele God. Maar hoe kan het eeuwige Woord het beeld van de Geest genoemd worden? Het Woord komt in de rangorde immers eerst. Uiteindelijk wordt het onderscheid tussen de Zoon en de Geest tenietgedaan als de Geest de Zoon zijn beeld noemt. Bovendien zou ik wel eens van hem willen weten hoe Christus in het lichaam dat Hij heeft aangenomen de Heilige Geest weerspiegelt. Welke kenmerken of lichaamstrekken laten zien dat Hij op de Geest lijkt? Trouwens, de woorden: ‘Laten we de mens maken …’ zijn ook woorden van de persoon van de Zoon. Dat zou dus betekenen dat Hij een beeld van zichzelf is. Maar dat gaat in tegen elke logica.
Daar komt bij: als je het verzinsel van Osiander accepteert, dan is de mens alleen maar gevormd naar het model en het voorbeeld van Christus als méns. Dan was Christus alleen in zijn toekomstige lichamelijke verschijning de basisvorm waarnaar Adam gemaakt is. Maar de Schrift bedoelt er iets heel anders mee dat Adam volgens Gods beeld geschapen is.
Anderen leggen het zo uit: Adam is geschapen naar het beeld van God omdat hij gelijk was aan Christus. En Christus is het enige beeld van God. Dat klinkt een stuk mooier en intelligenter. Maar ook dit klopt van geen kant.
Ook bestaat er een flink verschil van mening over de woorden ‘beeld’ en ‘gelijkenis’. Sommige uitleggers zoeken tussen die twee woorden een verschil, maar dat is er niet. Het woord ‘gelijkenis’ is alleen maar toegevoegd als uitleg van ‘beeld’. In de eerste plaats weten we dat herhalingen in het Hebreeuws heel gebruikelijk zijn. Dan wordt twee keer hetzelfde gezegd. In de tweede plaats is er inhoudelijk niets dubbelzinnigs aan. De mens wordt Gods beeld genoemd omdat hij op God lijkt. Dat betekent dus dat je jezelf belachelijk maakt als je spitsvondig over deze woorden gaat filosoferen. Het maakt niet uit of je zelem – ‘beeld’ – opvat als het wezen van de ziel en demuth – ‘gelijkenis’ – als de eigenschappen van de ziel, of dat je iets anders beweert. God besloot de mens te scheppen ‘volgens zijn beeld’. Maar omdat dat een onduidelijke uitdrukking was, heeft Hij dat uitgelegd met de woorden ‘volgens zijn gelijkenis’. Alsof God zei dat Hij door de mens te maken, zichzelf zichtbaar zou maken, omdat Hij in de mens een levensecht beeld van zichzelf zou boetseren. Daarom gebruikt Mozes in het volgende vers – als hij hetzelfde nog een keer zegt – tweemaal de uitdrukking ‘beeld van God’, zonder het woord ‘gelijkenis’ nog een keer te noemen.
Osiander werpt tegen dat niet een deel van de mens of alleen de ziel met haar gaven beeld van God genoemd wordt. De hele Adam wordt zo genoemd. De hele Adam wiens naam is afgeleid van de aarde waar hij uit genomen is. Maar dat is een waardeloos argument. Volgens mij zullen alle verstandige lezers dit een waardeloos argument vinden. Want als de hele mens sterfelijk genoemd wordt, betekent dat ook niet dat ook de ziel onderworpen is aan de dood. En zo is het ook als de mens een levend wezen genoemd wordt met verstand. Dat wil ook niet zeggen dat het verstand tot het lichaam behoort. De ziel is niet de mens. Maar daarom is het nog niet absurd dat de mens vanwege de ziel Gods beeld genoemd wordt. Ook al houdt ik vast aan het principe dat ik zojuist noemde dat het beeld van God alles omvat waarin de mens uitblinkt en waardoor de mens volgens zijn natuur uitsteekt boven alle soorten levende wezens.
De uitdrukking ‘beeld van God’ geeft daarom aan dat Adam nog onbedorven was. Hij had nog de beschikking over een juist inzicht. Hij hield zijn begeerten in bedwang met zijn verstand. Al zijn zinnen bleven ordelijk en bedaard. Uit al zijn gaven bleek hoe geweldig zijn maker werkelijk was. Dat beeld van God huisde voornamelijk in het verstand of het hart, of in de ziel met haar vermogens. Toch was er aan hem geen enkel deel, inclusief het lichaam, waarin niet enkele vonkjes gloeiden.
Natuurlijk schitteren er ook in de verschillende onderdelen van de wereld enkele kenmerken van Gods glorie. Als dan in de mens Gods beeld geplaatst wordt, mogen we daar een impliciete tegenstelling uit afleiden. De mens is boven alle andere schepselen verheven en als het ware apart gezet van de grote massa.
Maar we kunnen niet ontkennen dat ook de engelen volgens Gods beeld geschapen zijn. Want volgens Christus bestaat de hoogste volmaaktheid die we kunnen bereiken eruit dat we gelijk zullen worden aan de engelen. Mattheüs 22:30 Toch is het niet voor niets dat Mozes met deze bijzondere eretitel – ‘beeld van God’ – de genade prijst die God ons heeft bewezen. Vooral niet omdat hij de mens alleen vergelijkt met zichtbare schepselen.
Wat het beeld van God inhoudt, blijkt uit hoe wij vernieuwd worden
Het lijkt er echter op dat we nu nog geen volledige definitie hebben van wat het beeld van God inhoudt. Eerst moeten we duidelijker voor ogen hebben door welke gaven de mens uitblinkt. Pas dan zien we waarom hij beschouwd moet worden als een spiegel van Gods glorie.
We kunnen dit het beste te weten komen als we kijken naar het herstel van onze bedorven natuur. Er valt absoluut niet aan te twijfelen dat Adam, toen hij uit zijn hoge rang naar beneden viel, door zijn verraad van God vervreemd raakte. Ik geef toe dat het beeld van God in hem niet volledig vernietigd en kapotgemaakt is. Maar het is wel zo bedorven dat wat ervan is overgebleven, gruwelijk misvormd is. Het terugkrijgen van onze volmaaktheid begint daarom met onze vernieuwing door Christus. Om die reden wordt Christus ook wel de tweede Adam genoemd. Want Hij heeft ons hersteld zodat we weer echt en blijvend onbedorven zijn.
Paulus plaatst de levendmakende Geest die de gelovigen door Christus gekregen hebben, tegenover de levende ziel waarmee Adam geschapen was. 1 Korinthiërs 15:45 Daarmee zegt hij dat als de gelovigen opnieuw geboren worden, de mate van genade overvloediger is dan bij de schepping. Maar dat neemt niet weg dat bij Paulus ook dit een kernpunt is: het doel van het opnieuw geboren worden is dat Christus ons moet hervormen volgens het beeld van God. Daarom leert hij ergens anders dat de mens vernieuwd wordt volgens het beeld van Hem die hem geschapen heeft. Kolossenzen 3:10 En ook deze woorden stemmen daarmee overeen: ‘Trek de nieuwe mens aan die in overeenstemming met God geschapen is.’ Efeziërs 4:23-24
Nu moeten we bekijken wat volgens Paulus de kern is van die vernieuwing. Eerst noemt hij inzicht en daarna echte rechtvaardigheid en heiligheid. Daaruit kunnen we concluderen dat het beeld van God in het begin zichtbaar was omdat het verstand van de mens verlicht was, omdat zijn hart oprecht was en omdat hij in alle opzichten gezond was. Ik geef toe dat dit algemene uitdrukkingen zijn. Toch valt er niets af te dingen op het principe dat wat het belangrijkste is in de vernieuwing van Gods beeld, ook voorop gestaan heeft bij de schepping.
Daarop slaat ook wat Paulus ergens anders zegt: wij zien met onbedekt gezicht de glorie van Christus als in een spiegel. En in overeenstemming met dat beeld zullen wij van gedaante veranderen. 2 Korinthiërs 3:18 We zien nu dat Christus het meest volmaakte beeld van God is. Aan dat beeld worden wij gelijk gemaakt. Daardoor worden we zo vernieuwd dat we echt vroom, rechtvaardig, zuiver en verstandig worden. En zo dragen we Gods beeld in ons.
Nu we dit vastgesteld hebben, blijft er vanzelf niets meer over van Osianders verzinsel over de vorm van het lichaam als beeld van God.
Paulus noemt alleen de man Gods beeld en glorie. De vrouw sluit hij uit van die eervolle rang. 1 Korinthiërs 11:7 Maar uit de context blijkt dat dat beperkt blijft tot de maatschappelijke verhoudingen.
Ik denk dat ik nu overtuigend genoeg bewezen heb dat met het genoemde beeld alles bedoeld wordt dat te maken heeft met het geestelijke en het eeuwige leven. Ook Johannes bevestigt dit met andere woorden. Hij zegt dat het leven dat in het begin in het eeuwige Woord van God was, het licht voor de mensen was. Johannes 1:4 Want het is Johannes’ bedoeling om de bijzondere genade van God te prijzen waardoor de mens uitsteekt boven andere levende wezens. Hij zet de mens apart van de grote massa. Want de mens heeft geen gewoon leven gekregen, maar een leven dat verbonden is met het licht van het verstand. Daarmee bewijst hij tegelijk ook dat de mens volgens Gods beeld geschapen is.
Het beeld van God is dus de onbedorven natuur waardoor de mens uitblinkt. In Adam schitterde die natuur vóór de val. Daarna is die natuur bedorven en vrijwel vernietigd. Er is sinds de val niets meer van over, of het is verward, verminkt en besmet. Maar nu is het beeld weer gedeeltelijk te zien in de uitverkorenen, voor zover zij geestelijk opnieuw geboren zijn. In de hemel zal het pas weer volledig schitteren.
Maar om te weten te komen uit welke onderdelen het beeld van God bestaat, is het de moeite waard om de vermogens van de ziel te behandelen. Augustinus speculeerde dat de ziel een spiegel is van de drie-eenheid, omdat in de ziel het verstand, de wil en het geheugen zetelen. Maar daar hebben we weinig aan. Anderen vonden dat de mens op God lijkt omdat hij mag regeren. Maar ook dat is niet waarschijnlijk. Alsof het enige kenmerk waardoor de mens op God lijkt, is dat hij is aangesteld tot heer en eigenaar van alle dingen. De gelijkenis tussen God en mens moet echter niet buiten de mens gezocht worden. Het is juist het goede binnen in zijn ziel.
De ziel is geen stukje van Gods wezen
Maar voor ik verder ga, moet ik ingaan tegen de waanzin van de manicheeërs. Deze waanzin heeft Servet in onze tijd opnieuw proberen in te voeren. De Schrift zegt dat God de mens de levensadem ingeblazen heeft in zijn gezicht. Genesis 2:7 Daarom denken de manicheeërs dat de ziel van Gods wezen is afgeleid. Alsof een stukje van Gods onmetelijke wezen naar de mens gevloeid is. Maar ik kan snel en gemakkelijk aantonen wat voor grove, afschuwelijke en absurde dingen met deze duivelse dwaling meekomen.
Als de ziel van de mens als het ware zou zijn afgeleid van Gods wezen, dan zou dat betekenen dat God volgens zijn natuur niet alleen veranderingen kan ondergaan, maar ook dat Hij vatbaar is voor domheid, slechte begeerten, zwakheid en allerlei gebreken. Niets is zo veranderlijk als de mens. Zijn ziel wordt door tegenstrijdige gemoedsbewegingen aan het wankelen gebracht en verscheurd. Regelmatig kraamt hij domme onzin uit. Hij bezwijkt onder de kleinste beproevingen. We weten dat de ziel zelf een afgrond is, een vergaarbak voor allerlei smerigheid. Als we aannemen dat de ziel uit Gods wezen is voortgekomen of dat Gods wezen op een geheimzinnige manier in de mens is gevloeid, dan moeten we al die dingen toeschrijven aan Gods aard. Wie zou niet huiveren bij zo iets monsterlijks?
Paulus heeft weliswaar gelijk als hij met Aratus zegt dat we uit God voortkomen. Handelingen 17:28 Maar dat slaat alleen op hoe we zijn, niet op wat we zijn. Het gaat om de goddelijke gaven waarmee God ons getooid heeft.
Ondertussen zou het wel heel dwaas zijn om het wezen van de schepper uit elkaar te scheuren, zodat elk mens er een stukje van kan krijgen. Ook al staat in de ziel Gods beeld gegraveerd, toch moet voor ons vaststaan dat de zielen geschapen zijn, net zo goed als de engelen. En scheppen is niet iets overgieten, alsof je wijn uit een vat overgiet in een fles. Het is iets laten beginnen uit niets. En de geest is door God gegeven en als hij uit het lichaam verhuist, keert hij naar Hem terug. Prediker 12:7 Toch mogen we daarom nog niet zeggen dat de geest een stukje van Gods wezen is, dat Hij daarvan heeft afgebroken als een tak van een boom.
Ook Osiander heeft zich op dit punt verwikkeld in een goddeloze dwaling, toen hij zich liet meeslepen door zijn goocheltrucs. Hij beweert dat het beeld van God in de mens niet kan bestaan zonder dat de mens wezenlijk rechtvaardig is. Alsof God ons niet aan zich gelijk kan maken door de onmetelijke kracht van zijn Geest, zonder dat Christus zich met zijn wezen in ons uitstort. Hoe mooi sommigen deze goocheltrucs ook proberen in te kleuren, ze zullen de verstandige lezer er toch nooit mee kunnen bedriegen. Deze lezers zien wel dat dit smaakt naar de dwaling van de manicheeërs. En als Paulus het heeft over de vernieuwing van het beeld, dan kun je uit zijn woorden gemakkelijk opmaken dat de mens niet aan God gelijk is doordat zijn wezen in de mens is gevloeid. Nee, de mens lijkt op God door de genade en de kracht van Gods Geest. Want hij zegt dat wij de glorie van
Christus zien als in een spiegel en dat we in overeenstemming met dat beeld van gedaante zullen veranderen, als door de Geest van de Heer. 2 Korinthiërs 3:18 En die Geest werkt zeker niet in ons op een manier waardoor Hij ons één van wezen met God maakt.
De vermogens van de ziel volgens de filosofen
Het zou dwaas zijn om voor een definitie van de ziel te rade te gaan bij de filosofen. Van hen heeft vrijwel niemand vol overtuiging verzekerd dat de ziel een onsterfelijk wezen is. Alleen Plato vormt een uitzondering. Ook andere volgelingen van Socrates spreken er wel over. Maar niemand durft frank en vrij iets te leren waar hij niet zelf van overtuigd was. De opvatting van Plato is echter het meest correct. Want hij is erop bedacht dat in de ziel een beeld van God te zien is. Anderen verbinden de vermogens en vaardigheden van de ziel zo nauw aan het tegenwoordige leven dat er van de ziel buiten het lichaam niets meer overblijft.
Hiervóór heb ik op grond van de Schrift uitgelegd dat de ziel een onlichamelijk wezen is. Nu moet ik daaraan toevoegen dat je eigenlijk niet kunt zeggen dat de ziel in de ruimte begrensd wordt, maar dat de ziel toch in het lichaam is geplaatst. De ziel woont in het lichaam als in een huis. Dat is niet alleen om alle lichaamsdelen tot leven te brengen en de organen geschikt en bruikbaar te maken voor wat ze moeten doen. Het is ook omdat de ziel de leiding heeft over het leven van de mens. En dan gaat het niet alleen om de plichten van het aardse leven. De ziel moet de mens ook opwekken tot het dienen van God.
Nu de mens bedorven is, is dat laatste niet meer duidelijk zichtbaar. Toch blijven er nog sporen van over, zelfs tussen alle gebreken. Want waarom maken mensen zich anders zo druk om hun goede naam, als het niet uit schaamte is? En waarom zouden mensen zich anders schamen, als ze geen rekening zouden houden met wat wel en niet fatsoenlijk is? En dat komt voort uit het besef dat ze geboren zijn om rechtvaardig te leven. En dat besef bevat het zaad van de godsdienst. Het staat dus buiten kijf dat de mens geschapen is om na te denken over het hemelse leven. En daarom is het ook zeker dat in de ziel het besef van dat hemelse leven staat ingegraveerd. Immers, de mens zou zijn verstand niet kunnen gebruiken voor het doel waar het in de eerste plaats voor bedoeld is, als voor hem verborgen zou zijn wat zijn eigen geluk inhoudt: verbonden zijn met God. Dat is voor de mens het toppunt van geluk. En dus is het ook de belangrijkste taak van de ziel om dat na te streven. Dus hoe meer je je best doet om dicht bij God te komen, hoe meer je daardoor bewijst dat je verstand gekregen hebt.
Er zijn mensen die beweren dat de mens meerdere zielen heeft: een zinnelijke ziel en een verstandelijke ziel. Dat lijkt een plausibel idee, maar het is nergens op gebaseerd. Als we ons niet willen kwellen met onbeduidende en nutteloze dingen, dan moeten we dit afwijzen. Deze mensen beweren dat er een heftige strijd gevoerd wordt tussen de zinnen of ‘instrumenten’ en het verstandelijk deel van de ziel. Alsof ook het verstand zelf niet met zichzelf overhoop ligt en verschillende ideeën elkaar niet als vijandige legers bevechten. Maar deze verwarring is het gevolg van het bederf van onze natuur. Daarom is het verkeerd om eruit te concluderen dat er twee zielen zijn, alleen maar omdat de vermogens van de ziel niet zo goed met elkaar in overeenstemming zijn als eigenlijk zou moeten.
Ik laat het maar aan de filosofen over om dieper op de vermogens in te gaan. Ik wil alleen opbouwen tot vroomheid en daarom zal een eenvoudige definitie voldoende zijn. Ik geef toe dat wat de filosofen leren, waar is. Het is niet alleen interessant, maar ook nuttig om te weten. En ze hebben het op een handige manier op een rij gezet. Wie er meer over wil weten, zal ik niet tegenhouden om zich in die dingen te verdiepen.
In de eerste plaats erken ik dus dat er vijf zinnen of zintuigen zijn. Plato heeft liever dat we ze instrumenten noemen. Dat zijn de kanalen waarlangs alles wat het gehoor, het zicht, de smaak, de reuk en de tast tegenkomen druppel voor druppel terechtkomt in het waarnemingsvermogen, als in een vergaarbak. Daarna komt het voorstellingsvermogen. Het voorstellingsvermogen maakt onderscheid tussen de verschillende dingen die door het waarnemingsvermogen worden waargenomen. Vervolgens komt het redeneervermogen. Het redeneervermogen onderwerpt alles aan een oordeel. Ten slotte volgt het bezinningsvermogen. Het bezinningsvermogen bekijkt nauwkeurig en rustig de dingen waar het redeneervermogen zo gauw geen raad mee weet.
Ook erken ik dat met het bezinningsvermogen, het redeneervermogen en het voorstellingsvermogen – de drie cognitieve vermogens van de ziel – ook drie begerende vermogens corresponderen. De wil, die begeert wat het bezinningsvermogen en het redeneervermogen voorstellen. Het vermogen om boos te worden om wat het redeneervermogen en het voorstellingsvermogen aangeven. En het vermogen om hevig te verlangen naar wat het voorstellingsvermogen en het waarnemingsvermogen voorhouden.
Dit is allemaal waar, of in elk geval waarschijnlijk. Toch ben ik bang dat het zo onduidelijk is, dat het ons meer in de war brengt dan dat het ons helpt. En daarom vind ik dat we het moeten laten voor wat het is. Als iemand de vermogens van de ziel graag op een andere manier wil indelen, dan verzet ik mij daar niet tegen. Ik vind het prima als je de ene categorie de begerende vermogens noemt, omdat die zelf geen deel hebben aan het verstand, maar wel naar het verstand luisteren, telkens als je iets anders begeert. En als je de andere categorie de intellectuele vermogens noemt omdat die zelf deelnemen aan het verstand. Ook heb ik er geen bezwaar tegen om te beweren dat er drie principes zijn waaruit alles wat we doen voortkomt: het waarnemingsvermogen, het verstand en de begeerte.
Maar we kunnen beter een indeling kiezen die we allemaal kunnen begrijpen. Zo’n indeling kun je bij de filosofen echt niet vinden. Zij willen het wel eenvoudig zeggen, maar ze delen de ziel in in begeerte en verstand en die beide delen delen ze ook weer in in tweeën. Want ze zeggen dat het verstand soms beschouwend is, omdat het alleen met kennis tevreden is. Het zet dan niet aan tot handelen. Volgens Cicero is dit wat bedoeld wordt met het woord ingenium. En soms is het verstand praktisch, omdat het begrip van goed en kwaad de wil op verschillende manieren tot handelen aanzet. En daar valt dan ook de kennis onder die nodig is om goed en rechtvaardig te leven. Ook de begeerte delen ze in, namelijk in wil en hartstocht. De begeerte die luistert naar het verstand noemen ze wil. Maar ze zeggen dat hartstocht ontstaat als de begeerte het juk van het verstand afwerpt en zich laat gaan in bandeloosheid. Op die manier stellen ze het zich dus altijd zo voor dat het verstand de mens in staat stelt om zichzelf op de juiste manier in de hand te houden.
De ziel bestaat uit het verstand en de wil
We zijn gedwongen een beetje af te wijken van deze zienswijze. Want de filosofen wisten niet hoe bedorven onze natuur als gevolg van de val is. Daarom halen ze de twee verschillende toestanden van de mens – vóór en na de val – door elkaar. Laten we het er dus op houden dat de menselijke ziel bestaat uit twee delen, die passen bij de tegenwoordige toestand: het verstand en de wil. De taak van het verstand is om bij alles wat het tegenkomt onderscheid te maken tussen wat goed- of afgekeurd lijkt te moeten worden. De taak van de wil is om te kiezen voor wat volgens het verstand goed is en dat na te streven. En om af te zien van wat het verstand heeft afgekeurd en daar ver vandaan te vluchten.
We moeten ons niet laten ophouden door de pietluttigheden van Aristoteles. Hij zegt dat het verstand op zichzelf ons niet in beweging brengt. Het maken van een keuze brengt ons in beweging. En dat kiezen noemt hij ook wel het begerend verstand. Maar om te voorkomen dat we verstrikt raken in overbodige kwesties, moet het voor ons genoeg zijn dat het verstand als het ware de leider van de ziel is en dat de wil altijd gespitst is op de aanwijzingen van het verstand en als het zelf iets verlangt, altijd afwacht wat het verstand daarvan vindt.
Dezelfde Aristoteles heeft daarom gelijk als hij leert dat in je begeerte ergens van afzien of iets nastreven vergelijkbaar is met iets bevestigen of ontkennen met je verstand. Hoe stevig het verstand leiding geeft aan de wil zullen we ergens anders zien. Hier wil ik alleen maar zeggen dat er in de ziel geen kracht te vinden is die niet tot één van deze beide delen kan worden gereduceerd. Op die manier schaar ik de zinnen onder het verstand. Maar anderen maken het onderscheid anders. Volgens hen neigen de zinnen naar genot, terwijl het verstand in plaats van genot het goede volgt. En zo ontstaan uit zinnelijke begeerte hartstocht en wellust en ontstaat uit de voorkeuren van het verstand de wil. Maar ik gebruik het woord ‘wil’ in plaats van het woord ‘begeerte’, waar zij de voorkeur aan geven. Want ‘wil’ is een gewoner woord.
Vrijheid en verantwoordelijkheid
God heeft de ziel van de mens dus voorzien van verstand. Daardoor kan hij onderscheid maken tussen goed en kwaad, tussen rechtvaardig en onrechtvaardig. Door het licht van de rede kan hij zien wat hij moet nastreven en waar hij van moet afzien. De filosofen hebben dit leidinggevende deel daarom hegemonikon – ‘leidend’ – genoemd. Bovendien heeft God de ziel van de mens de wil gegeven. Daardoor kan hij keuzes maken.
In zijn eerste toestand blonk de mens door deze geweldige gaven uit. Zijn verstand, begrip, inzicht en oordeel waren niet alleen voldoende om zijn leven op aarde te regelen, maar ook om hem te laten opstijgen naar God en het eeuwige leven. Daarbij kwam nog het vermogen om keuzes te maken, om de begeerten te regelen en alle bewegingen van het lichaam te besturen. De wil bleef op die manier volledig in overeenstemming met de leiding die hij kreeg van het verstand.
In deze volmaakte toestand bezat de mens een vrije wil. Als hij wilde, kon hij daardoor het eeuwige leven krijgen. Het zou onjuist zijn om hier nu de verborgen voorbeschikking door God bij te halen. Het gaat nu niet over wat er wel en niet had kunnen gebeuren, maar over wat de natuurlijke aanleg van de mens was. Als hij had gewild, had Adam dus overeind kunnen blijven. Alleen door zijn eigen wil is hij gevallen. Maar zijn wil was flexibel genoeg om beide kanten uit te kunnen gaan. Hij was niet zo onveranderlijk gemaakt dat hij wel moest volhouden. Daarom kon hij dus gemakkelijk vallen. Maar de keuze tussen goed en kwaad was voor hem een vrije keuze. En dat niet alleen. Zijn verstand en wil waren zo rechtvaardig als het maar kon. En al zijn zinnen waren goed ingesteld om te gehoorzamen. Totdat hij zichzelf in het verderf stortte en al zijn gaven bedierf.
Vandaar dat de filosofen zo in het duister tastten. In de ruïne zochten ze een gebouw en tussen het puin probeerden ze mooie constructies te vinden. Zij hielden vast aan het principe dat de mens geen redelijk wezen kon zijn als hij niet vrij kon kiezen tussen goed en kwaad. Ook bedachten ze dat het onderscheid tussen goede en slechte eigenschappen zou wegvallen als de mens zijn leven niet kon leiden zoals hij dat bij zichzelf overlegd had. Tot zover allemaal heel mooi geredeneerd – als er in de mens niets veranderd was! Maar dat is voor hen verborgen gebleven en daarom is het geen wonder dat ze hemel en aarde door elkaar halen.
Maar er zijn ook mensen die belijden dat ze leerlingen van Christus zijn en toch zoeken ze nog naar een vrije wil in de mens die verloren en geestelijk diep weggezonken is. Ze zoeken een middenweg tussen de opvattingen van de filosofen en de hemelse leer. Maar dat is zo onzinnig dat ze wat hemel en aarde betreft kant noch wal raken. Maar dit kan beter besproken worden als ik daaraan toe ben. Nu moeten we alleen weten dat de mens zoals hij in het begin geschapen was, heel anders was dan al zijn nakomelingen. Want die stammen af van een bedorven mens. Door hem zijn ze erfelijk besmet.
De afzonderlijke delen van de ziel waren geschapen voor rechtvaardigheid. Het verstand was gezond en de wil was vrij om het goede te kiezen. Als iemand daartegen inbrengt dat de wil als het ware op een glibberige bodem was geplaatst, omdat ze maar zwak was, dan zeg ik dat die positie toch goed genoeg was om elk excuus weg te nemen. Want het zou ongepast zijn als God gebonden was aan een wet die Hem gebood om een mens te maken die niet kon zondigen of die helemaal niet wilde zondigen. Zo’n natuurlijke aanleg zou weliswaar nog beter geweest zijn. Maar botweg van God eisen dat Hij de mens zo’n natuurlijke aanleg had gegeven, zou absoluut te veel gevraagd zijn. Want Hij mag naar eigen goeddunken geven, zo veel of zo weinig als Hij wil. Waarom Hij de mens niet overeind heeft gehouden door hem de kracht te geven om vol te houden, is verborgen in zijn plan. De mens had wel de mogelijkheid gekregen om te kunnen volhouden als hij dat wilde, want als hij het gewild had, zou het gevolg geweest zijn dat hij volgehouden had. In elk geval heeft hij geen excuus. Want hij had zoveel mogelijkheden gekregen dat hij zich zijn ondergang uit eigen beweging op de hals gehaald heeft. Voor God echter was het niet nodig om de mens een middelmatige of zelfs een wankele wil te geven om zich op basis van de val van de mens te kunnen beroemen.
Voetnoten
- 131
Andreas Osiander (1498-1552), luthers theoloog.
- 132
Augustinus, De trinitate X, 11; Augustinus, De civitate Dei XI, 10,24.
- 133
Plato, Theaitetos, 184.
- 134
Aristoteles, Ethica Nicomachea VI, 2.
- 135
Themistius, In libros Aristotelis de anima paraphrasis III, 49.
- 136
Cicero, De finibus V, 13.
- 137
Plato, Phaidros, 253.
- 138
Aristoteles, Ethica Nicomachea VI, 2.
- 139
Augustinus, De Genesi contra Manichaeos II, 7,9; Augustinus, De correptione et gratia, 9,32.
Voetnoot 131
Andreas Osiander (1498-1552), luthers theoloog.
Voetnoot 132
Augustinus, De trinitate X, 11; Augustinus, De civitate Dei XI, 10,24.
Voetnoot 133
Plato, Theaitetos, 184.
Voetnoot 134
Aristoteles, Ethica Nicomachea VI, 2.
Voetnoot 135
Themistius, In libros Aristotelis de anima paraphrasis III, 49.
Voetnoot 136
Cicero, De finibus V, 13.
Voetnoot 137
Plato, Phaidros, 253.
Voetnoot 138
Aristoteles, Ethica Nicomachea VI, 2.
Voetnoot 139
Augustinus, De Genesi contra Manichaeos II, 7,9; Augustinus, De correptione et gratia, 9,32.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.