Boek I · Hoofdstuk 16
Gods voorzienigheid
Inhoud van dit hoofdstuk · 9 secties
- 1Scheppen en onderhouden horen bij elkaar
- 2Gods voorzienigheid staat tegenover het toeval
- 3Er gebeurt niets zonder dat God daartoe besloten heeft
- 4Gods voorzienigheid is zowel algemeen als specifiek
- 5Zonder specifieke voorzienigheid is er geen ruimte voor Gods zegen en straf
- 6Alles wat een mens doet of wat hem overkomt, wordt door God geleid
- 7Gods specifieke voorzienigheid is niet beperkt tot abnormale gebeurtenissen
- 8Toeval bestaat niet
- 9Wat God doet, ervaren wij als toeval
Scheppen en onderhouden horen bij elkaar
Het zou wel wat erg kil en karig zijn als we God zouden beschouwen als een gelegenheids-schepper, een schepper die één keer zijn werk gedaan heeft en toen voor altijd klaar was. Op dit punt moet er verschil zijn tussen ons en goddeloze mensen. Gods kracht zien we niet alleen schitteren in het ontstaan van de wereld, maar evengoed in het voortbestaan ervan. Alleen al doordat ze de aarde en de hemel zien, worden goddelozen gedwongen om omhoog te kijken naar de schepper. Maar gelovigen hebben nog een speciale reden om God alle eer te geven voor de schepping.
Met het oog daarop zegt de apostel – ik heb dat al eerder aangehaald – dat we pas door geloof zien dat de wereld tot stand gebracht is door het Woord van God. Hebreeën 11:3 Want dat
God de schepper is, kunnen we wel met ons verstand lijken te bevatten en met onze tong belijden. Maar als we niet hoger reiken, tot aan zijn voorzienigheid, dan begrijpen we nog niet voldoende wat het eigenlijk betekent dat God de schepper is. Want met onze vleselijke zintuigen zien we Gods kracht wel met eigen ogen, maar daar blijft het bij. Het is al heel wat als we overdenken hoe groot de wijsheid en de macht en de goedheid moeten zijn van de schepper, dat Hij zo’n kunstwerk voortgebracht heeft. Want die wijsheid, macht en goedheid liggen voor de hand en dringen zich ook op aan wie het niet wil zien. Maar wat betreft het onderhouden en het besturen van de schepping zien we met onze zintuigen alleen een soort algemene werking waardoor alles in beweging blijft. Uiteindelijk denken we dan dat de mogelijkheden die God in het begin in de schepping gelegd heeft, voldoende zijn om alle dingen in stand te houden.
Maar als we geloven, moeten we echt dieper doordringen. Als we ontdekken dat God alle dingen geschapen heeft, moeten we direct concluderen dat Hij die dingen ook voortdurend bestuurt en bewaart. En dat doet Hij niet door met een soort algemene beweging zowel de hele machinerie van de wereld als de afzonderlijke onderdelen daarvan aan te drijven. Nee, met een specifieke voorzienigheid onderhoudt, voedt en verzorgt Hij elk ding dat Hij geschapen heeft afzonderlijk, zelfs tot het kleinste musje toe. Mattheüs 10:29
David zegt kort dat de wereld door God geschapen is en daarna gaat hij meteen verder met vertellen dat Gods voorzienigheid continu doorgaat. Eerst zegt hij: ‘Door het woord van Jehova is de hemel gemaakt en door de geest van zijn mond heel het hemelleger.’ Psalm 33:6 En even later voegt hij daaraan toe: ‘Jehova kijkt neer op de mensenkinderen,’ en meer wat op hetzelfde neerkomt. Psalm 33:13 Niet iedereen redeneert zo verstandig, maar David brengt ons niet voor niets in deze juiste volgorde van het één naar het ander. Want het zou niet geloofwaardig zijn dat God zorgt voor het dagelijks leven van de mensen, als Hij niet de schepper van de wereld was. En niemand gelooft serieus dat de wereld door God gemaakt is, zonder dat je er ook van overtuigd bent dat Hij ook de zorg op zich genomen heeft voor wat Hij heeft gemaakt.
Ook de filosofen leren dat alle onderdelen van de wereld hun mogelijkheden door een geheimzinnige inblazing van God gekregen hebben. Het menselijk verstand snapt dat. Maar ondertussen halen de filosofen niet de hoogte die David wel bereikt. Hij neemt alle vromen met zich mee omhoog als hij zegt: ‘Ze wachten allemaal tot U hun op het juiste moment te eten geeft. Als U het geeft, verzamelen zij het. Als U uw hand open doet, worden zij verzadigd met het goede. Als U uw gelaat verbergt, schrikken zij. Als U hen de adem afneemt, sterven zij en keren terug in de aarde. Als U opnieuw uw Geest erop uitzendt, worden zij geschapen en vernieuwt U het gezicht van de aarde.’ Psalm 104:27-30 Ja, de filosofen onderschrijven wel de woorden van Paulus dat we in God bestaan en bewegen en leven. Maar toch blijven ze ver verwijderd van het ernstige besef van genade dat Paulus aanprijst. Want ze proeven niets van Gods speciale zorg. Pas dan zouden ze zijn vaderlijke liefde echt kennen.
Gods voorzienigheid staat tegenover het toeval
Om dit onderscheid extra duidelijk te laten uitkomen, moeten we weten dat Gods voorzienigheid in het onderwijs van de Schrift altijd geplaatst wordt tegenover het toeval en toevallige gebeurtenissen. In alle tijden waren de mensen er algemeen van overtuigd dat alles toevallig gebeurt. Ook tegenwoordig zijn bijna alle stervelingen die mening toegedaan. Het is dus wel zeker dat deze verkeerde opvatting ervoor zorgt dat wat we over de voorzienigheid moeten weten niet alleen verduisterd wordt, maar bijna begraven.
Stel, je wordt overvallen door struikrovers, of door wilde dieren. Je lijdt schipbreuk op zee omdat plotseling de wind opsteekt. Je raakt bedolven onder een huis dat instort, of bekneld onder een boom die omvalt. Of stel, je bent verdwaald in de wildernis, maar je vindt iets tegen het gebrek dat je lijdt. Je dobbert rond op de golven, maar bereikt toch de haven. Je ontsnapt op het nippertje op een wonderlijke manier aan de dood. Al deze ervaringen – voorspoed én tegenspoed – zul je met een vleselijk verstand toeschrijven aan het toeval.
Maar wie uit Christus’ mond geleerd heeft dat alle haren van zijn hoofd geteld zijn, Mattheüs 10:30 zal de oorzaak dieper zoeken. Voor hem staat vast dat alle denkbare gebeurtenissen bestuurd worden door een verborgen plan van God. En wat betreft de niet-ademende dingen: ze hebben weliswaar ieder afzonderlijk hun eigen aard gekregen. Maar we moeten beseffen dat ze hun kracht alleen maar kunnen gebruiken voor zover Gods aanwezige hand hen leidt. Ze zijn dus niet meer dan instrumenten. God druppelt steeds zoveel effectieve kracht in hen als Hij wil. Hij laat hen dit of dat doen, net wat Hij bepaalt.
Van geen enkel schepsel is de kracht zo ontzagwekkend en schitterend als van de zon. Ze verlicht niet alleen de hele wereld met haar gloed. Is het niet iets geweldigs dat ze ook alle levende wezens in haar warmte koestert en laat gedijen? Dat ze de aarde vruchtbaar maakt onder haar stralen? Dat ze uit de zaadjes die in de schoot van de aarde ontkiemen, groen laat uitspruiten? Dat ze ook dat groen weer voedt, zodat het zich vermeerdert, sterk wordt en oprijst in halmen? Dat ze die halmen verzadigt met warmte, zodat ze uitgroeien tot bloemen en de bloemen tot vruchten? Dat ze die vruchten in kokende hitte laat rijpen? Dat ook de bomen en de wijnstokken door haar verwarmd worden, zodat ze knoppen schieten, bloesem dragen en uit de bloesem vrucht voortbrengen?
Maar de Heer wilde voor dit alles alle eer voor zichzelf opeisen. Daarom wilde Hij dat het licht al bestond en de aarde al vol was van allerlei kruiden en vruchten, voordat Hij de zon schiep. Genesis 1:3; 1:11; 1:14-18 Een vroom mens zal daarom de zon niet beschouwen als de eerste oorzaak of als een noodzakelijke oorzaak voor al die dingen die al bestonden voordat de zon geschapen werd. Hij zal de zon alleen beschouwen als een instrument dat God gebruikt, omdat Hij dat wil.
Bovendien lezen we dat de zon op het gebed van Jozua twee dagen lang in dezelfde stand is blijven staan. Jozua 10:13 En voor koning Hizkia ging de schaduw van de zon tien stappen achteruit. 2 Koningen 20:11 Door die enkele wonderen heeft God bewezen dat de zon niet door een blinde aandrijving van de natuur elke dag opgaat en ondergaat. God bestuurt haar loop. Zo herinnert Hij ons steeds opnieuw aan zijn vaderlijke liefde voor ons.
Niets is zo natuurlijk als de lente die volgt op de winter, de zomer die volgt op de lente en de herfst die volgt op de zomer, ieder op zijn beurt. En toch ziet deze reeks er elke keer weer heel anders uit. Daaruit blijkt duidelijk dat de verschillende jaren, maanden en dagen ieder afzonderlijk steeds opnieuw door een speciale voorzienigheid van God bestuurd worden.
Er gebeurt niets zonder dat God daartoe besloten heeft
En inderdaad zegt God van zichzelf dat Hij almachtig is. Hij wil ook dat wij erkennen dat Hij dat is. Niet almachtig op de manier waarop de sofisten zich dat voorstellen: leeg, passief en bijna ingedut. Maar waakzaam, doeltreffend, bedrijvig en voortdurend actief bezig. En zijn almacht is ook niet alleen maar het eerste begin van een eenmaal ingezette beweging, alsof Hij een rivier opdracht gaf om te gaan stromen door een eenmaal van tevoren vastgestelde bedding. In zijn almacht let Hij op elke beweging afzonderlijk. Want God heet niet almachtig omdat Hij wel alles kán doen, maar toch nu en dan rust neemt en passief blijft. En ook niet omdat Hij de orde die Hij in de natuur gelegd heeft door een algemene aandrijving in stand houdt. Hij heet almachtig omdat Hij door zijn voorzienigheid hemel en aarde bestuurt. Omdat Hij alles zo leidt dat er niets gebeurt buiten zijn plan om.
In Psalm 115 wordt gezegd dat God doet wat Hem behaagt. Psalm 115:3 Dat duidt op een vast en weloverwogen wilsbesluit. Want het zou dwaas zijn om de woorden van de profeet uit te leggen zoals de filosofen dat zouden doen: dat God de eerste is die handelt, omdat Hij het begin en de oorzaak van elke beweging is. Het is bij tegenslag voor gelovigen juist een troost dat ze niets lijden dat niet door God bepaald en bevolen is. Ze zijn dus in zijn hand.
Als Gods leiding alles omvat wat Hij gemaakt heeft, dan is het dus kinderachtige spot om zijn leiding te beperken tot het in gang zetten van de natuur. Je berooft God van zijn eer en jezelf van een heel nuttig leerstuk als je Gods voorzienigheid binnen zulke krappe grenzen opsluit. Alsof God met zijn voorzienigheid gewoon alles op zijn beloop laat, volgens de eeuwige wetten van de natuur. Want er zou niets zo ellendig zijn als een mens, als hij zou blootstaan aan elke willekeurige beweging van hemel, lucht, aarde of water.
Bovendien kleineren we zo op een ongepaste manier Gods speciale goedheid tegenover iedereen. David roept uit dat kinderen die nog aan de borst van hun moeder liggen al heel welsprekend Gods glorie kunnen verkondigen. Psalm 8:3 Dat kunnen ze omdat ze meteen nadat ze uit de moederschoot tevoorschijn gekomen zijn, voedsel vinden dat God met zijn hemelse zorg voor hen bereid heeft. In z’n algemeenheid klopt dat. Maar het mag de waarneming van onze ogen niet ontgaan dat de ervaring duidelijk leert dat sommige moeders volle borsten hebben, terwijl die van andere moeders vrijwel droog staan. God wil de een overvloediger voeden en een ander kariger.
Maar als je Gods almacht de lof wilt toekennen die zij hoort te krijgen, leer je hieruit twee dingen. In de eerste plaats dat God ruim voldoende macht heeft om goed te doen. Hij heeft hemel en aarde in bezit. Alle schepselen zijn gespitst op een wenk van Hem, om Hem van dienst te zijn. In de tweede plaats dat je onbekommerd rust kunt vinden in zijn bescherming. Alle rampen zijn aan Hem onderworpen, van welke kant die ook kunnen komen en waar je ook maar bang voor kunt zijn. Zijn bevel houdt Satan in toom, met al zijn hellegeesten en met heel zijn uitrusting. Alles wat tegen ons welzijn ingaat, gehoorzaamt elke wenk van God.
Dit is de enige manier om onze buitensporige en bijgelovige angst te verdrijven of tot bedaren te brengen. Soms grijpt die angst ons aan als we op gevaar stuiten. Ik noem het een bijgelovige angst als we doodsbang worden, telkens als schepselen ons bedreigen of ons aan het schrikken maken. Alsof die schepselen uit zichzelf de kracht of de mogelijkheid zouden hebben om ons schade toe te brengen! Alsof ze ons zomaar toevallig konden deren! Alsof daartegen niet genoeg hulp beschikbaar is in God!
De profeet Jeremia verbiedt Gods kinderen bijvoorbeeld om bang te zijn voor sterren en tekenen aan de hemel. Ongelovigen zijn daar wel bang voor. Jeremia 10:2 Zeker, hij veroordeelt niet elke vorm van angst. Maar ongelovigen dragen aan de sterren het bestuur over Gods wereld op. Zij beelden zich in dat hun geluk of ongeluk afhangt van de besluiten en voorspellingen van de sterren en niet van de wil van God. Op die manier vrezen ze niet meer de enige die ze horen te vrezen. In plaats van Hem vrezen ze de sterren en kometen.
Als je jezelf wilt beschermen tegen dat ongeloof, moet je steeds in gedachten houden dat schepselen nooit iets kunnen doen als gevolg van stom toeval. Ze worden bestuurd door een verborgen plan van God. Er gebeurt nooit iets dat Hij niet zelf uitdrukkelijk besloten heeft.
Gods voorzienigheid is zowel algemeen als specifiek
Om te beginnen moeten de lezers dus weten dat met het woord ‘voorzienigheid’ niet bedoeld wordt dat God vanuit de hemel passief toekijkt wat er op aarde gebeurt. Met het woord ‘voorzienigheid’ wordt bedoeld dat Hij als het ware aan het roer staat en alle gebeurtenissen bestuurt. Het begrip ‘voorzienigheid’ slaat dus niet alleen op Gods ogen, maar evengoed op zijn handen. Dat wil zeggen: Hij ziet niet alleen wat er gaat gebeuren. Hij bepaalt wat er gebeurt.
Immers, toen Abraham tegen zijn zoon zei: ‘God zal voorzien,’ Genesis 22:8 bedoelde hij daarmee niet dat hij ervan overtuigd was dat God wist wat er zou gebeuren. Abraham wist niet wat God wilde, maar hij vertrouwde erop dat God zou zorgen, omdat God steeds uitredding brengt als het moeilijk en ingewikkeld wordt. Dat betekent dus dat de voorzienigheid zit in het doen. En dus is het heel dom dat velen kletsen dat de voorzienigheid niet meer inhoudt dan louter voorkennis.
Een minder grove dwaling is dat sommigen wel het bestuur aan God toekennen, maar dan alleen een algemeen en geen specifiek bestuur, zoals ik gezegd heb. Ze bedoelen een bestuur waarbij de machinerie van de wereld door een algemene beweging blijft draaien en aangedreven wordt. Geen bestuur dat het doen en laten van ieder schepsel afzonderlijk leidt. Toch kan ook deze dwaling niet getolereerd worden. Want ze zeggen dat deze voorzienigheid – algemeen noemen ze die – op geen enkele manier verhindert dat alle schepselen zich toevallig bewegen of dat de mens hierheen of daarheen gaat op grond van een vrije keuze van zijn wil. En zo verdelen ze het bestuur tussen God en de mens. God blaast in de mens het bewegen in, zodat hij dingen kan doen die passen bij zijn natuurlijke aanleg. Maar de mens bestuurt zijn doen en laten volgens de plannen van zijn wil. Kortom, ze willen wel dat de wereld, het dagelijks leven van de mensen en de mensen zelf bestuurd worden door Gods macht. Maar ze willen niet dat ze bestuurd worden door Gods besluiten.
Ik zwijg nu maar over de epicureeërs. Van die pest is de wereld altijd vol geweest. Zij fantaseren een God die passief en lui is. Ik zwijg ook maar over anderen die in het verleden net zo dwaas waren. Zij verzonnen dat God alleen in de hoogste regionen van de lucht regeert en de lagere dingen aan het toeval overlaat. Immers, zelfs de stomme schepselen roepen al hard genoeg hoe dwaas dat is, zo duidelijk is het!
Nu is het mijn bedoeling om een opvatting te weerleggen die erg populair is. Die opvatting staat God nog wel een ik weet niet wat voor vage en onzekere bewegingsruimte toe. Maar het belangrijkste wordt Hem ontnomen: dat Hij door zijn onbegrijpelijke wijsheid alles bestuurt en bepaalt volgens zijn bedoeling. Op die manier wordt Hij wel de regeerder van de wereld genoemd, maar is Hij het niet echt. Want het bestuur wordt Hem ontnomen. Want wat, vraag ik, blijft er over van besturen, als het niet meer is dan aan het hoofd staan van iets? En als je dat waarvan je aan het hoofd staat alleen volgens een vastgestelde orde kunt regeren?
Toch verwerp ik niet alles wat ze zeggen over de algemene voorzienigheid. Als zij van hun kant mij maar toegeven dat God de wereld regeert, niet alleen omdat Hij de natuurlijke orde beschermt die Hij heeft ingesteld, maar ook omdat Hij specifiek zorgt voor alles wat Hij gemaakt heeft.
Inderdaad klopt het dat elke soort afzonderlijk op een geheimzinnige manier door een natuurlijke aandrijving in beweging gehouden wordt. Het is net alsof de dingen gehoorzamen aan een eeuwig bevel van God. Alsof wat God eenmaal bepaald heeft, nu vanzelf doorgaat. Hier kunnen we verwijzen naar wat Christus zegt: Hij en de Vader zijn vanaf het begin steeds aan het werk geweest. Johannes 5:17 We kunnen ook verwijzen naar wat Paulus leert: wij leven, bewegen en bestaan in Hem. Handelingen 17:28 En ook naar wat de schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt, als hij wil bewijzen dat Christus God is: alles wordt door zijn machtige wil in stand gehouden. Hebreeën 1:3
Maar het is verkeerd dat sommigen onder de dekmantel van de algemene voorzienigheid de specifieke voorzienigheid verstoppen en verduisteren. Die specifieke voorzienigheid wordt zo zeker en duidelijk bewezen door getuigenissen uit de Schrift, dat je er echt versteld van staat dat er iemand aan heeft kunnen twijfelen.
En werkelijk, zij die dit door mij genoemde gordijn ophangen, worden ook zelf gedwongen om een correctie aan te brengen: er gebeurt veel doordat God er specifiek voor zorgt dat het gebeurt. Maar het is verkeerd dat ze dat beperken tot bijzondere handelingen. En daarom moet ik bewijzen dat God iedere gebeurtenis afzonderlijk aandachtig bestuurt. Ik moet bewijzen dat alle gebeurtenissen het gevolg zijn van een vastgesteld plan van Hem, zodat er niets toevallig gebeurt.
Zonder specifieke voorzienigheid is er geen ruimte voor Gods zegen en straf
Stel dat we toegeven dat Gods macht de oorsprong is van elke beweging, maar dat verder alles vanzelf of toevallig gaat, gedreven in de richting die de natuur geneigd is te gaan. De afwisseling van dag en nacht, van winter en zomer zijn dan alleen maar Gods werk voor zover Hij ze elk hun rol toebedeeld heeft in een vaste wet die Hij heeft voorgeschreven. Dan zou dus alleen de regelmaat zijn werk zijn, dat dagen en nachten, maanden en jaren elkaar altijd in hetzelfde tempo opvolgen. Maar dan is het niet Gods werk dat de ene keer de hele oogst verschroeit door een verzengende hitte en droogte, dat een andere keer het pas gezaaide gewas vernield wordt door onverwachte regenval of dat er plotseling een ramp gebeurt als gevolg van hagel en noodweer. Of misschien is het wel Gods werk, maar dan omdat bewolking, mooi weer, kou of warmte veroorzaakt worden door een bepaalde stand van de sterren of door andere natuurlijke oorzaken. Maar op die manier laten we geen ruimte meer voor Gods vaderlijke liefde of voor zijn straffen.
Als je zegt dat God het menselijk geslacht al genoeg zegent doordat Hij de hemel en de aarde gewoon de mogelijkheid geeft om voedsel te verschaffen, dan is dat wel een heel zwak en godslasterlijk verzinsel. Alsof een vruchtbaar jaar geen bijzondere zegen van God is en alsof schaarste en honger geen vloek en straf zijn!
Maar het zou nu te lang duren om alle rationele argumenten op een rij te zetten. Laat Gods gezag genoeg zijn. In de wet en de profeten verklaart Hij meer dan eens dat Hij zijn genade toont als Hij de aarde met dauw en regen bevochtigt. Leviticus 26:3-5; Deuteronomium 11:13-15; 28:12 Ook verklaart Hij dat het een betrouwbaar teken is van zijn straf als de hemel op zijn bevel hard wordt als ijzer, Leviticus 26:19 als het zaaigoed door hitte verschroeit of door andere rampen vergaat en als de akkers getroffen worden door hagel en noodweer. Deuteronomium 28:22; Haggaï 2:18 (2:17) Als we dit geloven, weten we zeker dat er nog geen regendruppel valt zonder dat God het bevolen heeft.
David prijst inderdaad Gods algemene voorzienigheid. Hij zegt dat God voedsel geeft aan de jonge raven als ze roepen. Psalm 147:9 Maar als God zelf de dieren met honger dreigt, laat Hij dan niet duidelijk genoeg merken dat Hij alle levende wezens voedt zoals Hij dat het beste vindt? Dus de ene keer met een karige hoeveelheid en de andere keer met een overvloedige hoeveelheid. Ik heb net ook al gezegd dat het kinderachtig is om dit te beperken tot bijzondere handelingen. Want Christus maakt geen uitzondering. Hij zegt dat er van de musjes – die weinig waarde hebben – niet een op aarde valt zonder dat de Vader dat wil. Mattheüs 10:29 Als het vliegen van de vogels door Gods besluiten bestuurd wordt, moeten we vast en zeker samen met de profeet erkennen dat God zo hoog woont dat Hij zich vernedert om te kijken wat er in de hemel en op de aarde gebeurt. Psalm 113:5-6
Alles wat een mens doet of wat hem overkomt, wordt door God geleid
Maar we weten dat de aarde vooral geschapen is omwille van het menselijk geslacht. Daarom moeten we ook dat doel in het oog houden als het gaat om het bestuur van de wereld. De profeet Jeremia roept uit: ‘Ik weet, HEER, dat het niet aan de mens is om zijn weg te bepalen en dat het niet aan een man is om zijn route uit te stippelen.’ Jeremia 10:23 En Salomo zegt: ‘De voetstappen van een man zijn van de HEER. Hoe zou een mens begrijpen welke weg hij moet gaan?’ Spreuken 20:24
Nu mogen mensen zeggen dat God de mens laat bewegen volgens zijn natuurlijke neiging, maar dat de mens zelf zijn bewegingen stuurt in de richting die hem het beste lijkt. Maar als dat waar was, zou de mens dus zelf het laatste woord hebben over zijn gangen. Misschien ontkennen ze dat, omdat de mens niets kan zonder dat God hem de mogelijkheid geeft. Maar dat lost niets op. Want het staat vast dat de profeet en Salomo niet alleen het geven van de mogelijkheid aan God toekennen. Ook het maken van een keuze en het nemen van een besluit kennen ze aan God toe.
Het is daarom heel onbezonnen als mensen hun eigen plannen maken zonder rekening te houden met God. Alsof ze niet door zijn hand geleid werden. Salomo steekt daar ergens anders op een mooie manier de draak mee. Hij zegt: ‘De mens bepaalt van alles in zijn hart, maar de HEER bestuurt zijn tong.’ Spreuken 16:1 Het is inderdaad belachelijk en dwaas dat ellendige mensen zonder God besluiten om iets te doen. Ze kunnen nog niet eens iets zeggen als Hij dat niet wil!
De Schrift wil nog duidelijker uitdrukken dat er echt helemaal niets in de wereld gebeurt dat God niet bepaald heeft. Daarom laat de Schrift zien dat ook de ogenschijnlijk meest toevallige gebeurtenissen aan Hem onderworpen zijn. Want wat zou je nog eerder aan toeval toeschrijven dan een tak die afbreekt van een boom en een voorbijganger doodt? Maar de Heer noemt dat iets heel anders dan toeval. Hij bekent dat Hij zelf die voorbijganger heeft overgeleverd in handen van een moordenaar. Exodus 21:13
En als er geloot wordt, wie geeft dan de uitkomst niet in handen van een blind toeval? Maar de Heer staat dat niet toe. Hij eist voor zichzelf het laatste woord op over het lot. Spreuken 16:33 Hij leert niet dat zijn macht het mogelijk maakt om dobbelstenen in de schoot te werpen en om ze weer op te rapen. Zelfs van het enige dat je aan toeval zou kunnen toeschrijven, verklaart Hij dat het van Hem is.
Ook deze woorden van Salomo slaan op hetzelfde: ‘De arme en de uitzuiger komen elkaar tegen. God geeft hen beiden het licht in de ogen.’ Spreuken 29:13; 22:2 Armen en rijken leven in de wereld door elkaar. Ieder heeft zijn positie van God gekregen. Toch leert Salomo dat God allen verlicht en dus zelf zeker niet blind is. Hij vermaant armen daarom om geduldig te zijn. Want wie niet tevreden is met zijn lot, probeert de last van zich af te schudden die God hem opgelegd heeft.
Een andere profeet bestraft daarom goddeloze mensen die het aan menselijke ijver of aan toeval toeschrijven dat de een in ellende neerligt en een ander opklimt tot een eervolle positie: ‘Niet uit het oosten, niet uit het westen en niet uit de woestijn komen de hoge posities. Want God is rechter. Hij vernedert en Hij verheft.’ Psalm 75:7 God kan zijn taak als rechter niet neerleggen. Daarom concludeert de profeet dat het door een verborgen plan van God komt dat sommigen zich onderscheiden, terwijl anderen nooit ergens in uitblinken.
Gods specifieke voorzienigheid is niet beperkt tot abnormale gebeurtenissen
Ik zeg zelfs dat bijzondere gebeurtenissen gewoon bewijzen zijn van Gods specifieke voorzienigheid. In de woestijn liet God een zuidenwind opsteken, die een overvloed aan vogels meebracht voor het volk. Numeri 11:31 Toen God wilde dat Jona in zee geworpen zou worden, stuurde Hij een wind en er ontstond een wervelstorm. Jona 1:4-6 Als je niet gelooft dat God aan het roer staat van de wereld, zul je zeggen dat dit abnormale gebeurtenissen waren. Maar ik concludeer hieruit dat er nooit een wind opsteekt zonder specifiek bevel van God. Anders zou het niet waar zijn dat Hij van de winden zijn boden maakt en van zijn dienaren een vlammend vuur, dat Hij van de wolken zijn wagen maakt en dat Hij rijdt op de vleugels van de wind. Psalm 104:3-4 Dit klopt alleen als Hij de wolken en de winden ook laat drijven zoals Hij wil en als Hij ook laat zien dat Hij in elke wolk en elke wind afzonderlijk met zijn kracht aanwezig is.
Ook ergens anders wordt ons geleerd dat telkens als de zee door de wind wordt opgezweept, die onstuimigheid bewijst dat God daarin specifiek aanwezig is. Hij beveelt de storm en wekt die op. Hij laat de golven van de zee zo hoog oprijzen. Vervolgens laat Hij de storm bedaren, zodat die zwijgt. De golven waarop de zeelui varen, worden weer stil. Psalm 107:23-30 Ook verklaart God ergens anders dat Hij het volk gegeseld heeft met verzengende winden. Jeremia 4:11; Ezechiël 19:12
En de mensen hebben van nature de mogelijkheid gekregen om kinderen voort te brengen. Toch wil God dat we het als een bewijs van zijn bijzondere genade beschouwen dat Hij sommigen kinderloos laat, maar anderen het waard keurt om nageslacht te krijgen. Want de vrucht van de schoot is zijn geschenk. Psalm 127:3 Daarom zei Jacob tegen zijn vrouw: ‘Neem ik soms Gods plaats in? Kan ik je soms kinderen geven?’ Genesis 30:2
En om nu maar een punt te zetten: in de natuur is niets zo gewoon als dat we ons voeden met brood. En toch verklaart de Geest niet alleen dat wat uit de aarde komt een bijzondere gave van God is. Hij verklaart ook dat mensen niet alleen van brood leven. Deuteronomium 8:3 Want als het goed met hen gaat, komt dat niet gewoon omdat ze genoeg te eten hebben. Het komt door Gods verborgen zegen. Daarom dreigt Hij aan de andere kant ook om de steun van brood te breken. Jesaja 3:1
We zouden ook niet serieus het gebed om dagelijks brood op onze lippen kunnen nemen, als God ons het eten niet gaf met zijn vaderlijke hand. Om de gelovigen te overtuigen dat God als een uitstekende huisvader in hun onderhoud voorziet, wijst de profeet erop dat Hij alle levende wezens te eten geeft. Psalm 136:25
Ten slotte horen we aan de ene kant: ‘De ogen van de HEER rusten op de rechtvaardigen en met zijn oren hoort Hij hun geroep,’ en aan de andere kant: ‘Het oog van de HEER rust op de goddelozen, want Hij wist de herinnering aan hen op aarde uit.’ Psalm 34:16-17 Daarom moeten we weten dat alle schepselen, van hoog tot laag, klaar staan om Hem te dienen. Hij kan ze overal voor gebruiken, voor wat Hij maar wil. En daaruit blijkt dat Hij niet alleen maar met zijn algemene voorzienigheid in de schepselen werkt om de natuurlijke orde in stand te houden. Hij kneedt hen ieder voor een eigen vaststaand doel, volgens zijn ontzagwekkend plan.
Toeval bestaat niet
Mensen die deze leer in een kwaad daglicht willen stellen, lasteren dat dit hetzelfde is als wat de stoïcijnen leerden over het noodlot. Ook Augustinus heeft dat verwijt wel eens gekregen. Ik ga niet graag in discussie over een woord, maar het woord ‘noodlot’ accepteer ik niet. Aan de ene kant omdat dit een nieuw woord is van het goddeloze soort dat we volgens Paulus moeten vermijden. 1 Timotheüs 6:20 En aan de andere kant omdat het woord een negatieve klank heeft waar deze mensen Gods waarheid mee proberen te belasten.
Echter, het is onterecht en heel gemeen dat ze deze leer tegen mij aanvoeren. De stoïcijnen bedachten een keten van onvermijdelijke oorzaken en gevolgen die elkaar in de natuur continu opvolgen. Maar ik doe dat niet. Volgens mij is God rechter en bestuurder van alles. In zijn wijsheid heeft Hij vanuit zijn eeuwigheid lang van tevoren besloten wat Hij zou doen en nu voert Hij uit wat Hij besloten heeft. En daarom beweer ik dat niet alleen de hemel en de aarde en de niet-ademende schepselen door zijn voorzienigheid bestuurd worden. Ook de plannen en de wil van de mensen worden door zijn voorzienigheid bestuurd. Daardoor gaan de mensen recht op het doel af dat God in zijn voorzienigheid bepaald heeft.
‘Wat nu?’ zul je zeggen. ‘Gebeurt er dan niets toevallig of zomaar?’ Mijn antwoord is dat Basilius de Grote terecht gezegd heeft dat ‘toeval’ en ‘pech’ heidense woorden zijn. Vrome mensen moeten daar geen waarde aan hechten. Want als alle voorspoed een zegen van God is en rampen en tegenslagen zijn vloek, dan blijft er in het dagelijks leven van mensen geen ruimte meer over voor dingen als toeval en pech.
Ook moeten deze woorden van Augustinus ons iets doen: ‘Ik vind het jammer,’ zegt hij, ‘dat ik in mijn boeken Tegen de academici zo vaak het woord fortuna – “geluk” of “toeval” – gebruikt heb. Ik heb daar niet de godin Fortuna mee bedoeld, maar een toevallige samenloop van omstandigheden in uiterlijke voorspoed of tegenspoed. Van het woord fortuna zijn ook woorden afgeleid die we zonder bezwaar mogen gebruiken, zoals forte, forsan, forsitan, fortasse en fortuito – “toevallig”, “misschien”, “wellicht”, “mogelijk”, “gelukkig”. Maar we moeten dat wel altijd in verband brengen met Gods voorzienigheid. Dat heb ik ook niet verzwegen. Ik heb immers gezegd: misschien wordt wat wij meestal toeval noemen ook door een onbekende orde geregeld. Als wij iets toevallig noemen, is dat misschien alleen maar omdat de reden of oorzaak voor ons verborgen is. Zo heb ik het gezegd. Toch spijt het me dat ik daar het toeval genoemd heb. Want ik merk dat mensen de slechte gewoonte hebben om in plaats van: “God heeft het zo gewild,” te zeggen: “Het toeval heeft het zo gewild.”’
Kortom, Augustinus leert op veel plaatsen dat als we ook maar een beetje ruimte laten voor toeval, de aarde maar wat doelloos ronddraait. Ergens omschrijft hij het zo: alles gebeurt gedeeltelijk door de vrije wil van de mens en gedeeltelijk door
Gods voorzienigheid. Maar een klein stukje verder laat hij duidelijk zien dat mensen onderworpen zijn aan de voorzienigheid. Ze worden door de voorzienigheid bestuurd. En hij gaat uit van het principe dat het wel heel absurd zou zijn als er iets zou gebeuren zonder dat God het bevolen heeft. Want dan zou het gebeuren zonder dat het een doel heeft. Daarom sluit hij ook uit dat er iets kan gebeuren dat alleen van het oordeel van mensen afhangt. En even later doet hij dat nog duidelijker, want hij zegt dat je niet mag zoeken naar de reden waarom God iets wil.
Augustinus noemt ook dat God dingen toelaat. Hoe we dat moeten opvatten, blijkt het duidelijkst uit een passage waarin hij bewijst dat Gods wil de hoogste en eerste oorzaak van alles is. Want er gebeurt niets zonder dat God het beveelt of toelaat. Hij stelt het zich dan zeker niet zo voor dat God op een rustig plekje passief zit toe te kijken. Als Hij iets wil toelaten, komt zijn wil, zeg maar, actief tussenbeide. Want anders zouden we Gods wil niet als oorzaak kunnen beschouwen.
Wat God doet, ervaren wij als toeval
Wij zijn echter traag van begrip en blijven ver beneden de hoogte van Gods voorzienigheid. Daarom moeten we gebruik maken van een onderscheid dat ons hoger kan brengen. Laat ik dus dit zeggen: al wordt alles door God volgens een vastgesteld plan bestuurd, toch gebeurt alles voor ons toevallig. Ik bedoel niet dat het toeval regeert over de wereld en over de mensen en dat alles willekeurig op en neer gaat. Van die waanzin moet het hart van een christen ver verwijderd blijven. Maar de orde, de reden, het doel en de noodzaak van alles wat er gebeurt, blijft meestal verborgen in Gods plan. Mensen kunnen het met hun verstand niet bevatten. Daarom lijkt het net alsof de dingen die vast en zeker voortkomen uit Gods wil, toevallig zijn. Want of je die dingen nu opvat zoals ze werkelijk zijn, of dat je ze inschat volgens onze beperkte kennis en inzicht, ze zien er hetzelfde uit.
Stel, bijvoorbeeld, dat een koopman het bos binnentrekt in gezelschap van betrouwbare mensen. Hij is onvoorzichtig en dwaalt weg van zijn metgezellen. Hij raakt verdwaald en komt in een rovershol terecht. Hij valt in handen van moordenaars en wordt gedood. God heeft zijn dood niet alleen van tevoren gezien. Hij heeft zelfs tot zijn dood besloten. Want er staat niet dat God van tevoren gezien heeft hoelang ieders leven duurt. Er staat dat Hij de grenzen bepaalt en dat wij die niet kunnen overschrijden. Job 14:5 Maar voor zover wij het met ons verstand kunnen begrijpen, lijkt in dit voorbeeld alles toevallig.
Wat zal een christen hiervan denken? Hij zal vinden dat alles wat er bij zo’n sterfgeval gebeurt, op zichzelf toevallig is. En dat is het ook.
Maar hij zal er niet aan twijfelen dat het toeval onder het bevel stond van Gods voorzienigheid. Gods voorzienigheid leidde het tot het juiste doel.
Met toekomstige gebeurtenissen zit het net zo. Alle dingen in de toekomst zijn voor ons onzeker. Daarom blijven we in spanning afwachten, alsof het nog beide kanten op kan gaan. Maar toch blijft in ons hart de vaste overtuiging dat er niets zal gebeuren zonder dat God het al voorzien heeft.
In die betekenis wordt in het boek Prediker vaak het woord ‘lot’ gebruikt. Prediker 2:14-15 Want op het eerste gezicht dringen de mensen niet door tot de eerste oorzaak. Die ligt diep verborgen. Maar wat de Schrift openbaart over Gods verborgen voorzienigheid is toch nooit helemaal uit het hart van de mensen uitgewist. Er glinsteren in het donker altijd nog wel een paar vonkjes.
De waarzeggers van de Filistijnen aarzelden en twijfelden. Toch schreven ze hun tegenspoed gedeeltelijk aan God en gedeeltelijk aan het toeval toe. Ze zeggen: ‘Als de ark langs die weg gaat, zullen we weten dat God ons geslagen heeft. Maar als de ark langs de andere weg gaat, dan is het ons toevallig overkomen.’ 1 Samuël 6:9 Voor het geval dat ze het met hun waarzeggerij mis zouden hebben, zijn ze zo dom hun toevlucht te nemen tot toeval. Maar ondertussen zien we wel dat ze zo in het nauw zitten, dat ze het ongeluk dat hun is overkomen niet toevallig durven noemen.
Verder blijkt uit een bijzonder voorbeeld dat God door de teugel van zijn voorzienigheid elke gebeurtenis stuurt in de richting die Hij wil. Kijk maar eens: precies op het moment dat David in de woestijn van Maon in de val zit, doen de Filistijnen een inval in het land. Saul is gedwongen om weg te trekken. 1 Samuël 23:24-28 God wilde ervoor zorgen dat zijn knecht gered werd. Daarom wierp Hij Saul deze hindernis voor de voeten. Weliswaar grepen de Filistijnen plotseling naar de wapens. Geen mens verwachtte dat. Maar we zullen toch vast niet zeggen dat dit toevallig gebeurd is. We zullen gelovig erkennen dat het wel toevallig lijkt, maar dat de Filistijnen er in het verborgen door God toe werden aangezet.
Er valt niet altijd een vergelijkbare reden aan te wijzen. Maar we mogen er niet aan twijfelen dat alle veranderingen die we in de wereld kunnen onderscheiden, voortkomen uit wat God in het verborgen doet. Ondertussen moet het wel zo zijn dat wat God heeft bepaald, gebeurt zonder dat het in absolute zin of van nature onontkoombaar is.
Een bekend voorbeeld daarvan zien we in de botten van Christus. Geen verstandig mens zal ontkennen dat zijn botten breekbaar waren. Hij had immers een lichaam aangenomen dat gelijk was aan dat van ons. Toch was het onmogelijk dat zijn botten gebroken werden. Johannes 19:31-36 Opnieuw zien we dus dat in de scholen niet voor niets een onderscheid is bedacht tussen relatieve en absolute noodzakelijkheid. En dat geldt ook voor het onderscheid tussen iets dat een logische consequentie is van iets anders en iets dat alleen maar toevallig op iets anders volgt. Want God heeft de botten van zijn Zoon zo gemaakt dat ze konden breken. Maar toch zorgde Hij ervoor dat ze nooit zouden breken. Dus wat van nature had kunnen gebeuren, heeft God ingeperkt tot wat noodzakelijk was voor zijn plan.
Voetnoten
- 140
Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium II, 6.
- 141
Augustinus, Retractiones I, 1.
- 142
Augustinus, De diversis quaestionibus, 28; Augustinus, De trinitate III, 4,9.
Voetnoot 140
Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium II, 6.
Voetnoot 141
Augustinus, Retractiones I, 1.
Voetnoot 142
Augustinus, De diversis quaestionibus, 28; Augustinus, De trinitate III, 4,9.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.