Boek I · Hoofdstuk 17
Het nut van Gods voorzienigheid voor ons
Inhoud van dit hoofdstuk · 14 secties
- 1We moeten erop vertrouwen dat God voor alles een goede reden heeft
- 2Het onderscheid tussen Gods geopenbaarde wil en zijn verborgen wil
- 3Gods voorzienigheid ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheid
- 4Gods voorzienigheid maakt gebruik van onze verantwoordelijkheid
- 5God treft geen blaam voor de slechte dingen die mensen doen
- 6Gods voorzienigheid is een belofte aan de gelovigen
- 7Gods voorzienigheid leert ons om dankbaar te zijn
- 8Gods voorzienigheid leert ons om geduldig te zijn
- 9We moeten rekening houden met ondergeschikte oorzaken
- 10Zonder Gods voorzienigheid zouden we verschrikkelijk bang zijn
- 11Dankzij Gods voorzienigheid hoeven we nooit bang te zijn
- 12Als God ergens spijt van heeft, is dat figuurlijk bedoeld
- 13Het woord ‘spijt’ is een aanpassing aan ons beperkt begrip
- 14Als God op een besluit lijkt terug te komen, is dat altijd volgens plan
We moeten erop vertrouwen dat God voor alles een goede reden heeft
Mensen zijn met hun verstand geneigd tot loze spitsvondigheden. Daarom moeten ze wel allemaal verstrikt raken in ingewikkelde knopen als ze niet weten hoe de leer van Gods voorzienigheid op juiste manier gebruikt moet worden. Dus is het goed om nu kort te bespreken met welk doel de Schrift leert dat alles door God bepaald wordt.
In de eerste plaats moeten we dan bedenken dat we rekening moeten houden met Gods voorzienigheid zowel als het gaat om de toekomst, als wanneer het gaat om het verleden. In de tweede plaats dat alles door Gods voorzienigheid geleid wordt, de ene keer door gebruik te maken van bepaalde middelen, een andere keer zonder gebruik te maken van middelen en nog een andere keer dwars tegen alle middelen in. Ten slotte dat Gods voorzienigheid tot doel heeft om te laten zien dat God voor heel het menselijk geslacht zorgt, maar dat Hij in zijn regering vooral de wacht houdt over de kerk. Want de kerk keurt Hij zijn speciale aandacht waard.
Hieraan moeten we nog toevoegen dat de oorzaken van de gebeurtenissen soms verborgen zijn. In heel de gang van de voorzienigheid schitteren weliswaar Gods vaderlijke liefde en zijn welwillendheid, of zijn strenge oordeel. Maar toch bekruipt ons zomaar de gedachte dat het dagelijks leven van de mensen door blind toeval draait en keert. Ook kan onze vleselijke natuur ons er gemakkelijk toe aanzetten om op God af te geven, alsof Hij met mensen speelt door ze als ballen heen en weer te gooien.
Maar het is waar, als we het hoofd koel houden en bereid zijn om te leren, dan zal uiteindelijk door de uitkomst blijken dat God een heel goede reden heeft voor zijn plan. Hij wil de zijnen opvoeden om geduldig te zijn, of Hij wil hun slechte begeerten corrigeren. Hij wil hen dwingen zichzelf te verloochenen, of Hij wil hen opwekken uit hun luiheid. Aan de andere kant wil Hij de hoogmoedigen omverwerpen en de listen van de goddelozen verijdelen.
Maar ook al ontgaat ons wat de reden is, toch moeten we er zeker van zijn dat Hij overal een verborgen reden voor heeft. Daarom moeten we met David uitroepen: ‘U hebt, God, grote wonderen gedaan en uw gedachten over ons kunnen we niet uiteenzetten. Als ik erover wil vertellen, dan zijn het er te veel om op te noemen.’ Psalm 40:6
In onze ellende moeten onze zonden ons steeds voor ogen staan. Dan zal de straf zelf ons er toe aanzetten om berouw te hebben. Maar toch zien we dat het recht dat Christus toekent aan het verborgen plan van de Vader meer inhoudt dan dat God simpelweg iedereen de straf geeft die hij verdiend heeft. Want over de blindgeborene zegt Christus: ‘Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet. Maar dit is gebeurd zodat in hem Gods glorie zichtbaar zou worden.’ Johannes 9:3 Ons gevoel komt in opstand als iemand al voor zijn geboorte getroffen wordt door onheil. Alsof God zo weinig medelijden heeft dat Hij zelfs degenen slaat die dat nog niet verdiend hebben. Maar toch verklaart Christus dat in dit toneel de glorie van zijn Vader schittert. Alleen moeten onze ogen wel zuiver genoeg zijn om dat te kunnen zien.
We moeten bescheiden blijven. We mogen God niet ter verantwoording roepen. We moeten zijn verborgen oordelen eerbiedigen. Dat betekent dat we zijn wil beschouwen als de meest rechtvaardige oorzaak van alles. Als de hemel betrekt met dicht opeengepakte wolken, als er een hevig noodweer opsteekt, als er een naargeestige duisternis opdoemt voor onze ogen en als de donder onze oren doet tuiten, dan lijkt het voor ons wel alsof alles ondersteboven gekeerd wordt. Maar ondertussen blijft het in de hemel rustig en helder.
Zo moeten we ook vaststellen dat het leven op aarde zo turbulent kan zijn, dat we er zelf geen wijs meer uit kunnen worden. Maar God houdt met het heldere licht van zijn rechtvaardigheid en wijsheid ook dan ons leven in de hand en leidt het in de juiste richting.
En het is werkelijk monsterlijk krankzinnig dat velen op dit punt een oordeel durven vellen over de dingen die God doet. Ze onderwerpen Gods verborgen plan aan een onderzoek en zelfs over onbekende dingen geven ze overhaast hun mening. Ze doen dat zelfs nog vrijmoediger dan bij daden van stervelingen. Maar is het niet de omgekeerde wereld als we ons tegenover onze medemensen heel bescheiden opstellen en liever ons oordeel opschorten dan de kans te lopen dat we beschuldigd worden van onbedachtzaamheid, terwijl we de onbegrijpelijke oordelen van God, waar we eerbiedig tegenop horen te kijken, brutaal bespotten?
Het onderscheid tussen Gods geopenbaarde wil en zijn verborgen wil
Niemand kan dus nadenken over Gods voorzienigheid zoals het hoort en zodat hij er iets aan heeft, als hij niet bedenkt dat hij te maken heeft met degene die hem en de wereld gemaakt heeft. Daarom moet hij zich met gepaste nederigheid onderwerpen, met vrees en eerbied. En dit is de reden dat tegenwoordig zoveel honden deze leer met hun giftig gebijt proberen te raken of er in elk geval met wild geblaf tegen tekeergaan. Ze willen niet dat God meer mag dan hun eigen verstand hunzelf toestaat.
Ook mij jagen ze op, zo brutaal als ze maar kunnen. Want ik zou niet tevreden zijn met de geboden van de wet. Die geboden bevatten Gods wil. Maar ik zeg dat de wereld ook nog door een verborgen plan van God bestuurd wordt. Alsof wat ik leer een verzinsel is van mijn eigen brein. Alsof de Geest niet overal uitdrukkelijk hetzelfde heeft gezegd en dat niet steeds met andere woorden herhaald heeft. Maar een bepaalde schaamte weerhoudt hen ervan om hun godslasteringen uit te durven kramen tegen de hemel. Daarom doen ze net alsof ze alleen met mij in discussie zijn, want dan kunnen ze extra ongeremd tekeergaan.
Maar als ze niet toegeven dat alles wat er in de wereld gebeurt, bestuurd wordt door een onbegrijpelijk plan van God, dan moeten ze maar eens antwoord geven op deze vraag: waarom zegt de Schrift dat Gods oordelen een diepe afgrond vormen? Psalm 36:7 Mozes roept uit dat we Gods wil niet hoog in de wolken of diep in de afgrond moeten zoeken. Want Gods wil is dicht bij ons uitgelegd in de wet. Deuteronomium 30:11-14 Dat betekent dus dat de wil van God die vergeleken wordt met een diepe afgrond, een andere verborgen wil is. Ook Paulus zegt over die wil: ‘Hoe diep is de rijkdom van Gods wijsheid en kennis! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want wie heeft de gedachten van de Heer gekend? Of wie is zijn adviseur geweest?’ Romeinen 11:33-34
Het is zeker waar dat de wet en het evangelie mysteries bevatten die ons begrip ver te boven gaan. Maar God verlicht het verstand van de zijnen met de Geest van de kennis. Daardoor kunnen we de mysteries begrijpen die Hij in zijn Woord heeft willen openbaren. 1 Korinthiërs 2:10-12; Efeziërs 1:17-18 Daarom is daarin geen afgrond meer, maar een weg waar we veilig kunnen wandelen, een lamp om onze gang te leiden, Psalm 119:105 een licht voor ons leven Johannes 8:12 en een leerschool om de zekere en duidelijke waarheid te leren.
Maar het is terecht dat de wonderlijke manier waarop God de wereld bestuurt een afgrond genoemd wordt. Die is voor ons verborgen en daarom moeten we die eerbiedig aanbidden. Mozes heeft die beide kanten heel mooi in enkele woorden uitgedrukt. Hij zegt: ‘De verborgen dingen zijn voor onze God, maar wat hier geschreven staat, is voor jullie en voor jullie kinderen.’ Deuteronomium 29:29 (29:28) Want we zien dat hij niet alleen beveelt om ijverig de wet te overdenken. Hij beveelt ook om eerbied te hebben voor Gods verborgen voorzienigheid.
In het boek Job staat een lofrede op de diepte van deze afgrond, om ons nederig te stemmen. De schrijver heeft eerst de machinerie van de wereld bekeken, zowel boven als beneden, en hij heeft op een schitterende manier verteld over de dingen die God gemaakt en gedaan heeft. En dan voegt hij eraan toe: ‘Kijk, dit zijn nog maar de uiteinden van zijn wegen. Hebben wij niet maar een klein stukje hiervan van Hem gehoord?’ Job 26:14 Daarom maakt hij ergens anders onderscheid tussen de wijsheid zoals die bij God woont en de mate van wijsheid die Hij voor de mensen heeft opgeschreven. Want hij weidt eerst uit over de mysteries van de natuur en dan zegt hij dat de wijsheid alleen aan God bekend is. Zij ontgaat aan de ogen van alle levenden. Maar iets verderop voegt hij daaraan toe dat de wijsheid geopenbaard is. We moeten die onderzoeken, want er is tegen de mens gezegd: ‘Kijk, vrees voor God, dat is wijsheid.’ Job 28:20-28
Daarop slaat deze uitspraak van Augustinus: ‘Wij weten niet alles wat God zo goed geregeld heeft om met ons te doen. Daarom moeten we altijd handelen vanuit de wil om het goede te doen, volgens de wet. Anders wordt er inderdaad met ons gedaan volgens de wet. Want Gods voorzienigheid is een onveranderlijke wet.’ God eist voor zichzelf dus het recht op om de wereld te besturen. Dat recht is ons niet bekend. Daarom moet dat voor ons een wet zijn die ons beveelt bescheiden te zijn en onszelf in toom te houden. We moeten erin berusten dat God het hoogste gezag heeft. Zijn wil moet voor ons de enige norm zijn om te bepalen wat rechtvaardig is. Er kan nergens een meer rechtvaardige reden voor zijn dan dat God het wil.
Maar dan gaat het niet over een absolute wil, zoals de sofisten kletsen. Zij maken Gods rechtvaardigheid los van zijn macht. Dat is goddeloos en godslasterlijk. Het gaat om Gods voorzienigheid. Die bestuurt alles en daaruit komt niets voort dat niet rechtvaardig is, ook al zijn de redenen voor ons verborgen.
Gods voorzienigheid ontslaat ons niet van onze verantwoordelijkheid
Allen die zich zo bescheiden opstellen, zullen niet tegen God mopperen over tegenslagen en Hem niet de schuld geven van hun eigen slechte daden. Agamemnon deed dat wel. Homerus laat hem zeggen: ‘Het is niet mijn schuld, maar de schuld van Zeus en van het noodlot.’ En ze zullen ook niet zichzelf van het leven beroven, omdat het noodlot hen overweldigt. Dat deed die jongeman bij Plautus. Hij zei: ‘Het lot is verraderlijk. Het noodlot doet maar met mensen waar het zin in heeft. Ik ga op weg naar een rots om mijn bezit en mijn leven te vernietigen.’
En ze zullen ook niet Gods naam gebruiken als excuus voor hun schanddaden. Als voorbeeld daarvan zegt Lyconides in een andere komedie van Plautus: ‘God heeft me ertoe aangezet. Ik geloof dat het de wil van de goden was. Want als zij het niet gewild hadden – dat weet ik – was het niet gebeurd.’
Maar bescheiden mensen zullen in plaats daarvan de Schrift onderzoeken en daaruit leren waar God blij mee is. En onder de leiding van de Geest zullen ze dat nastreven. En omdat ze bereid zijn God te volgen waar Hij hen heen roept, zullen ze ook daadwerkelijk laten zien dat je nergens zoveel aan hebt als aan het kennen van deze leer.
Godslasterlijke mensen maken veel lawaai met hun dwaze onzin. Ze brengen haast, zeg maar, hemel en aarde in rep en roer. Ze zeggen: ‘Als de Heer het moment van onze dood heeft vastgesteld, dan kun je daar niet aan ontkomen. Dus is het vergeefse moeite om voorzichtig te zijn.’
De een durft geen weg op te gaan waarvan hij hoort dat die gevaarlijk is. Hij wil niet door rovers vermoord worden. Een ander laat dokters komen en is druk in de weer met medicijnen om in leven te blijven. Weer een ander laat ongezond eten staan om zijn zwakke gezondheid niet in gevaar te brengen. En nog een ander durft niet in een bouwvallig huis te gaan wonen. Ten slotte, we doen allemaal ons best manieren te bedenken om te bereiken waar we naar verlangen. En van al die dingen zeggen deze godslasterlijke mensen dat het zinloze pogingen zijn om Gods wil te corrigeren.
Want als dat niet zo was, dan zouden leven en dood, gezondheid en ziekte, vrede en oorlog niet door een vast besluit van God bepaald zijn. En dat zou ook gelden voor alle andere dingen waar mensen hun best voor doen om die te krijgen of te vermijden, als ze daar naar verlangen of er een hekel aan hebben. Ze concluderen ook dat het voor gelovigen verkeerd en zelfs overbodig is om te bidden. Je hoeft niet te vragen of de Heer wil zorgen voor de dingen waar Hij al van eeuwigheid toe besloten heeft. Kortom, volgens hen hoeven ze helemaal geen besluiten meer te nemen voor de toekomst. Want zulke besluiten zouden ingaan tegen Gods voorzienigheid. God heeft immers besloten wat er zou gebeuren, zonder hen erin te kennen.
En van wat er al gebeurd is, geven ze Gods voorzienigheid de schuld. Daarom zien ze door de vingers wat overduidelijk door een mens beraamd is. Heeft iemand als sluipmoordenaar een goede burger gedood? Hij heeft Gods plan uitgevoerd, zeggen ze. Heeft iemand gestolen of ontucht gepleegd? God heeft het voorzien en bepaald en daarom heeft zo iemand de voorzienigheid gediend. Is een zoon zo achteloos geweest om de dood van zijn vader af te wachten en te verzuimen medicijnen toe te dienen? Hij kon niet tegen God ingaan, want die had het zo van eeuwigheid besloten. Zo noemen ze alle schanddaden goede daden, omdat je daarmee gehoorzaamt aan wat God bepaald heeft.
Gods voorzienigheid maakt gebruik van onze verantwoordelijkheid
Toch lost Salomo de tegenstelling tussen het plannen maken van mensen en Gods voorzienigheid moeiteloos op. Hij lacht erom dat mensen zo dwaas en overmoedig zijn om zonder de Heer ergens aan te beginnen. Daarom zegt hij ergens anders: ‘De mens stippelt in zijn hart zijn weg uit. Maar de HEER bestuurt zijn voetstappen.’ Spreuken 16:9 Daarmee geeft hij aan dat de eeuwige besluiten van God ons absoluut niet verhinderen om onder zijn wil ons voor te bereiden op onze toekomst en al onze zaken te regelen.
De reden ligt voor de hand. God heeft ons leven precies afgebakend. Maar Hij heeft ook onszelf de zorg voor ons leven toevertrouwd. Hij heeft ons voorzien van middelen en hulp om in leven te blijven. Hij heeft ervoor gezorgd dat we gevaren zien aankomen. En om te voorkomen dat die gevaren ons onverhoeds zouden overvallen, heeft Hij ons voorzorgsmaatregelen en hulpmiddelen ter beschikking gesteld.
Het is dus duidelijk wat onze taak is. God heeft ons het leven gegeven om dat te beschermen, dus moeten we ons leven beschermen. Hij geeft ons daar de middelen voor, dus moeten we die ook gebruiken. Hij geeft ons de mogelijkheid om van tevoren gevaar te zien, dus moeten we niet roekeloos het gevaar opzoeken. Hij geeft ons geneesmiddelen, dus moeten we niet nalaten die te gebruiken.
Maar, zul je zeggen, een gevaar kan ons alleen maar treffen als het onontkoombaar fataal is. En in dat geval bestaat er geen enkel middel om het te voorkomen. Maar als het nu eens niet onontkoombaar fataal is, omdat God je de middelen gegeven heeft om het gevaar te ontwijken en te overwinnen? Zie je hoe slecht je redenering klopt met hoe God de dingen geregeld heeft? Jij neemt het besluit dat je niet hoeft op te passen voor gevaar. Want als het niet onontkoombaar fataal is, zul je eraan ontkomen. Maar de Heer zorgt ervoor dat je wel oppast, want Hij wil niet dat het fataal zal zijn.
Die dwazen houden geen rekening met wat voor de hand ligt: dat de mogelijkheid om plannen te maken en op te passen door God aan de mensen gegeven is zodat ze zijn voorzienigheid dienen door hun eigen leven te beschermen. En op dezelfde manier laten ze ook zelf de rampen over zich heen komen die Hij hun heeft opgelegd, doordat ze nalatig en onvoorzichtig zijn. Een voorzichtig man zorgt goed voor zichzelf en weet dreigend gevaar af te wenden. Maar een dwaas komt om door zijn onbezonnen roekeloosheid. Hoe komt dit anders dan doordat dwaasheid en voorzichtigheid instrumenten zijn die God gebruikt als Hij bepaalt dat de een de ene kant op gaat en een ander een andere kant?
God heeft heel de toekomst voor ons verborgen willen houden. Hij wilde dat wij de toekomst tegemoet gaan als iets dat onzeker is. We mogen niet ophouden de beschikbare middelen te gebruiken, totdat die middelen ons uit handen geslagen worden, of totdat we daarmee alle zorgen overwonnen hebben. Ik heb daarom al eerder opgemerkt dat Gods voorzienigheid niet altijd open en bloot op ons afkomt, maar dat God haar vaak in zekere zin verhult in de middelen die Hij gebruikt.
God treft geen blaam voor de slechte dingen die mensen doen
Het is ook verkeerd en ondoordacht dat deze zelfde mensen gebeurtenissen uit het verleden louter in verband brengen met Gods voorzienigheid. Alles wat er gebeurt, hangt af van Gods voorzienigheid. Daarom, zo zeggen ze, wordt er geen diefstal, overspel of moord gepleegd zonder dat Gods wil tussenbeide komt. Waarom, vragen ze, moet een dief dan gestraft worden? Hij heeft alleen maar iemand beroofd omdat God die persoon wilde straffen met armoede. Waarom moet een moordenaar gestraft worden? Hij heeft alleen maar iemand gedood omdat de Heer een eind wilde maken aan diens leven. Als zulke mensen altijd alleen maar Gods wil dienen, waarom moeten ze dan gestraft worden?
Maar ik ontken dat ze Gods wil dienen. Want we moeten niet zeggen dat iemand God een dienst bewijst als hij wordt gedreven door zijn eigen slechte gedachten. Hij gehoorzaamt geen bevel van God, maar alleen zijn eigen slechte begeerte. Je gehoorzaamt God als je geleerd hebt wat Gods wil is en vervolgens je best doet om te doen waar Gods wil je toe roept. En hoe kunnen we Gods wil anders leren kennen dan uit zijn Woord? Bij ons doen en laten moeten we dus letten op Gods wil zoals Hij die in zijn Woord openbaart. God vraagt van ons niet meer dan wat Hij ons leert. Als we iets beramen dat tegen zijn gebod ingaat, dan is dat geen gehoorzaamheid, maar opstandigheid en zonde.
‘Maar,’ zul je zeggen, ‘als God het niet wilde, zouden wij het niet doen.’ Dat geef ik toe. Maar kunnen wij verkeerde dingen doen met de bedoeling om God gehoorzaam te zijn? Hij beveelt ons helemaal niet om verkeerde dingen te doen. Wij halen ons dat juist zelf op de hals, omdat we niet bedenken wat Hij wil. Door onze bandeloosheid en wellust gaan we als een razende tekeer. Met opzet gaan we tegen Hem in. Met het doen van verkeerde dingen dienen we zo wat Hij rechtvaardig bepaald heeft. Want zijn wijsheid is zo onmetelijk groot dat Hij heel goed weet hoe Hij slechte instrumenten moet gebruiken om goed te doen.
Kijk nu eens hoe dwaas de argumentatie is van deze mensen: ze willen dat mensen die misdaden plegen niet gestraft worden, omdat die misdaden alleen maar gepleegd worden omdat God het bepaald heeft. Dat geef ik nog steeds toe. Dieven en moordenaars en andere boosdoeners zijn instrumenten van Gods voorzienigheid. De Heer zelf gebruikt hen om de oordelen uit te voeren waar Hij bij zichzelf toe besloten heeft. Maar ik ontken dat ze daar enig excuus aan kunnen ontlenen voor hun misdaden. Hoe zou dat kunnen? Mogen ze God betrekken bij hun eigen zonden? Of hun slechtheid hullen in zijn rechtvaardigheid? Dat is allebei onmogelijk! Hun eigen geweten beschuldigt hen, zodat ze zichzelf niet kunnen vrijpleiten. Ze kunnen God niet beschuldigen, want ze vinden al het kwaad in zichzelf. En bij God vinden ze niets anders dan dat Hij hun slechtheid op een legitieme manier gebruikt.
‘Maar,’ zul je zeggen, ‘Hij werkt via hen.’ Hoe, vraag ik, komt het dat een lijk gaat stinken als het in de warmte van de zon tot ontbinding overgaat? Iedereen ziet dat die stank ontstaat door de stralen van de zon. Toch zegt niemand daarom dat die stralen stinken. Zo is het ook met een slecht mens. De aanleg tot het kwaad en de schuld voor het kwaad zitten in hemzelf. Waarom zouden we dan moeten vinden dat het enige smet op God werpt als Hij gebruik maakt van de dienst van die mens, zoals Hij dat wil? Weg dus met die hondsbrutale lieden! Van een afstand blaffen ze wel tegen Gods rechtvaardigheid, maar ze kunnen die niet deren.
Gods voorzienigheid is een belofte aan de gelovigen
Maar deze laster, of liever waanzin van krankzinnigen, kunnen we gemakkelijk uit de weg ruimen. Dat doen we door vroom en heilig over Gods voorzienigheid na te denken, zoals de norm van de vroomheid ons voorschrijft. Dan zal dat ons een prachtige en heerlijke vrucht opleveren.
Een christen zal er dus rotsvast van overtuigd zijn dat alles gebeurt omdat God het bepaald heeft en dat er niets toevallig gebeurt. Daarom zal hij zijn ogen steeds richten op God, als de belangrijkste oorzaak voor de dingen. Toch zal hij ook op ondergeschikte oorzaken letten, die elk hun eigen plek hebben. Bovendien zal hij er niet aan twijfelen dat Gods specifieke voorzienigheid de wacht houdt om hem te beschermen. God zal niets laten gebeuren behalve wat goed voor hem is en zijn welzijn bevordert. En omdat hij in de eerste plaats met mensen te maken heeft en daarnaast ook met andere schepselen, zal hij zichzelf voorhouden dat Gods voorzienigheid over beiden regeert. Wat de mensen betreft – goede en slechte mensen – zal hij erkennen dat hun plannen, hun wil, hun inspanningen en hun mogelijkheden in Gods hand zijn. Ze zijn afhankelijk van zijn oordeel, want Hij buigt ze waarheen Hij wil en Hij houdt ze in toom zo vaak Hij wil.
Er zijn heel veel en heel duidelijke beloften die bewijzen dat Gods specifieke voorzienigheid waakt over het welzijn van de gelovigen: ‘Werp je zorg op de HEER en Hij zal je helpen. Hij zal nooit toelaten dat een rechtvaardige wankelt,’ Psalm 55:23 ‘want Hij zorgt voor ons.’ 1 Petrus 5:7 ‘Wie in de schuilplaats van de allerhoogste woont, zal overnachten in de bescherming van de God van de hemel.’ Psalm 91:1 ‘Wie jullie aanraakt, raakt mijn oogappel aan.’ Zacharia 2:8 (2:12) ‘Zelfs al zou een moeder haar kinderen vergeten, dan nog zal Ik jullie niet vergeten.’ Jesaja 49:15 Dit is zelfs het belangrijkste doel van de Bijbelse verhalen: ze leren dat de Heer zo ijverig waakt over de wegen van de heiligen, dat ze zelfs hun voet niet aan een steen stoten.
Terecht heb ik kort hiervóór de opvatting verworpen van hen die verzinnen dat Gods voorzienigheid alleen algemeen is en dat God zich er niet toe verlaagt om voor ieder schepsel specifiek te zorgen. Dus moeten wij juist vooral deze specifieke zorg voor ons in gedachten houden.
Daarom verzekert Christus dat zelfs het kleinste musje niet op aarde valt zonder dat de Vader dat wil. En dan voegt Hij daar meteen aan toe dat wij meer waarde hebben dan mussen. Daarom mogen we erop rekenen dat God voor ons nog beter zorgt. Die zorg gaat zover dat we erop mogen vertrouwen dat alle haren van ons hoofd geteld zijn. Mattheüs 10:29-31 Wat houden we dan nog te wensen over, als er zelfs geen haar van ons hoofd kan vallen als Hij het niet wil? En dan heb ik het niet alleen over het menselijk geslacht als geheel. God heeft de kerk uitgekozen als zijn woonplaats. Daarom hoeven we er niet aan te twijfelen dat Hij in het besturen van de kerk bewijzen laat zien van zijn vaderlijke zorg.
Gods voorzienigheid leert ons om dankbaar te zijn
Wie God dient, wordt gesterkt door deze beloften en door voorbeelden. Daarbij zal hij nog de Schriftbewijzen nemen die leren dat alle mensen onder Gods macht staan. Of ze nu voor God gewonnen moeten worden of dat hun kwaadaardigheid in bedwang gehouden moet worden, zodat ze ons geen schade kunnen berokkenen. Want het is de Heer die ons genade geeft in de ogen van anderen. Hij zorgt er niet alleen voor dat vriendelijke mensen ons goedgezind zijn, maar zelfs de Egyptenaren. Exodus 3:21 Hij weet de slechtheid van onze vijanden op allerlei manieren te breken.
Soms laat Hij hen hun verstand verliezen. Dan kunnen ze niets zinnigs en verstandigs meer begrijpen. Zo zendt Hij Satan om de mond van alle profeten te vullen met leugens, om Achab te bedriegen. 1 Koningen 22:20-23 Rehabeam maakt Hij dwaas door het advies van de jongemannen. Door zijn eigen dwaasheid raakt hij zijn koninkrijk kwijt. 1 Koningen 12:8-15 Soms laat Hij hen bij hun verstand blijven, maar maakt Hij hen zo bang dat ze niet durven uitvoeren wat ze van plan waren. En soms staat Hij hun toe om te proberen wat ze zo graag willen. Maar op het juiste moment breekt hij hun razernij af. Hij laat niet toe dat hun poging slaagt. Zo zou het advies van Achitofel Davids ondergang geweest zijn. Maar God heeft dat advies verijdeld voor het zover kwam. 2 Samuël 17:1-14 Zo zorgt Hij ervoor dat Hij alle schepselen bestuurt zoals voor hun welzijn het beste is. Zelfs de duivel bestuurt Hij zo. Want we zien dat de duivel niets tegen Job durfde beginnen zonder dat God het toestond en het bevel gaf. Job 1:12
Als je dit weet, kan het niet anders of je bent dankbaar als het goed gaat en geduldig als het slecht gaat. En je maakt je ongelooflijk weinig zorgen voor de toekomst. Als je God dient, zul je dus alles wat goed en naar wens gaat, beschouwen als een geschenk van God. Of je Gods zegen nu ervaren hebt via mensen of via niet-ademende schepselen. Want je zult bij jezelf zeggen: ‘Vast en zeker heeft de Heer ervoor gezorgd dat ze mij goedgezind waren. Hij heeft ze aan mij verbonden, zodat ze instrumenten waren van zijn welwillendheid voor mij.’ Als je een rijke oogst hebt, zul je bedenken dat de Heer de hemel verhoort, dat de hemel de aarde verhoort en dat de aarde haar vruchten verhoort. Hosea 2:20-21 (2:23-24) In andere gevallen zul je er niet aan twijfelen dat alleen Gods zegen alles voorspoedig maakt. Met zoveel dingen die je daaraan herinneren, kun je onmogelijk ondankbaar blijven.
Gods voorzienigheid leert ons om geduldig te zijn
Ook als je als gelovige tegenslagen overkomen, zul je meteen je aandacht omhoog richten op God. God is ruimschoots in staat om ons geduld en een kalme zelfbeheersing op het hart te drukken.
Als Jozef niet verder gekeken had dan de ontrouw van zijn broers, had hij hen nooit meer kunnen liefhebben als zijn broers. Maar omdat hij zijn hart op de Heer richtte, vergat hij het onrecht. Hij was bereid om vriendelijk en toegeeflijk te doen. Hij troostte zijn broers zelfs en zei: ‘Niet jullie hebben mij naar Egypte verkocht, maar omdat God het wilde, ben ik voor jullie uit gezonden, om jullie leven te redden.’ Genesis 45:1-8 ‘Jullie hebben wel kwaad tegen mij beraamd, maar de HEER heeft dat ten goede gekeerd.’ Genesis 50:20
Als Job zijn aandacht had gericht op de Chaldeeën die hem kwelden, dan zou hij meteen kwaad geworden zijn. Maar hij erkent direct dat God het gedaan heeft. Daarom troost hij zich met deze geweldig mooie uitspraak: ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, laat de naam van de HEER geprezen worden.’ Job 1:21
Zo was het ook met David toen hij door Simeï bekogeld werd met scheldwoorden en stenen. Als David toen naar de mens gekeken had, zou hij zijn mannen aangespoord hebben om wraak te nemen. Maar hij begrijpt dat Simeï dit niet doet zonder dat de Heer er iets mee te maken heeft. Daarom sust hij zijn mannen juist. ‘Laat hem maar,’ zegt hij, ‘want de HEER heeft hem opgedragen om mij te vervloeken.’ 2 Samuël 16:5-11
Op dezelfde manier houdt hij ergens anders zijn onbeheerst verdriet in toom: ‘Ik heb gezwegen en ben verstomd,’ zegt hij, ‘want U, Jehova, hebt het gedaan.’ Psalm 39:10 Als er geen effectiever middel is tegen woede en ongeduld, dan heb je vast en zeker al veel geleerd in het overdenken van Gods voorzienigheid, als je jezelf steeds hieraan kunt herinneren: de Heer heeft het gewild. Daarom moet ik het dragen. Niet alleen omdat ik me niet tegen Hem mag verzetten. Ook omdat Hij niets wil dat niet rechtvaardig en goed voor mij is.
In de kern komt het hierop neer: als we onrechtvaardig door mensen gekwetst zijn, moeten we hun slechtheid laten voor wat die is. Want als we dat niet doen, zal dat ons verdriet alleen maar groter maken en ons prikkelen om wraak te nemen. We moeten eraan denken dat we moeten opklimmen tot God. We moeten leren om er vast van overtuigd te zijn dat alles wat een vijand aan misdaden tegen ons gepleegd heeft, door God rechtvaardig is bepaald. Hij heeft het toegelaten en het op ons af gezonden.
Om ons ervan te weerhouden anderen onrecht betaald te zetten, is Paulus zo verstandig om erop te wijzen dat onze strijd niet gaat tegen vlees en bloed. Onze strijd gaat tegen een geestelijke vijand, de duivel. Efeziërs 6:11-12 Paulus zegt dit omdat hij wil dat we ons op die strijd voorbereiden. Maar het is een heel nuttige waarschuwing om onze drift en woede te laten bedaren, dat God zowel de duivel als alle slechte mensen bewapent voor de strijd. Hij houdt zitting als scheidsrechter om ons te trainen in geduld.
Als de rampen en ellende die ons benauwen, ons overkomen buiten toedoen van mensen, dan moeten we ons de leer van de wet herinneren: alle voorspoed stroomt uit de bron van Gods zegen, alle tegenspoed is zijn straf. Deuteronomium 28 En we moeten schrikken van deze waarschuwing: ‘Als jullie dwars tegen mij ingaan, dan zal ik ook dwars tegen jullie ingaan.’ Leviticus 26:23-24 Deze woorden ontmaskeren onze laksheid als Gods zegen ons niet aanspoort om Hem te dienen en zijn straf ons niet prikkelt om weer tot onszelf te komen. Dat gebeurt als we de algemene opvatting van ons vlees geloven, dat voor- en tegenspoed toevallig zijn.
Dit is ook de reden waarom Jeremia en Amos zich er bij de Joden over beklaagden dat ze dachten dat zowel goed als kwaad gebeurde zonder dat God het beval. Klaagliederen 3:38; Amos 3:6 Ook Jesaja’s aanklacht slaat daarop: ‘Ik, God, schep het licht en het donker. Ik maak vrede en onheil. Ik, God, doe al deze dingen.’ Jesaja 45:7
We moeten rekening houden met ondergeschikte oorzaken
Ondertussen zal een vroom man toch zijn ogen niet sluiten voor de meer ondergeschikte oorzaken. Mensen die hem goeddoen, zal hij beschouwen als uitdelers van Gods goedheid. Maar hij zal hen daarom niet negeren, alsof zij met hun vriendelijkheid geen dank verdiend hebben. Hij zal zich van harte aan hen verplicht voelen. Hij zal graag erkennen dat hij bij hen in het krijt staat en zijn best doen om zijn dank te betalen, voor zover hij dat kan en de gelegenheid zich voordoet. Ten slotte: hij zal God eren en Hem prijzen om de zegeningen die hij gekregen heeft. Maar de mensen zal hij eren omdat ze Gods dienaren zijn. En hij zal begrijpen – want zo is het ook – dat het Gods wil is dat hij verplicht is aan de mensen die God heeft willen gebruiken om hem goed te doen.
Als hij nalatig of dom geweest is en daardoor verlies geleden heeft, dan zal hij bij zichzelf vaststellen dat dit gebeurd is omdat God het wilde. Maar hij zal het ook zichzelf aanrekenen. Stel dat er iemand gestorven is aan een ziekte. Het was zijn taak om hem te verzorgen, maar hij heeft die taak verwaarloosd. Hij weet heel goed dat de gestorvene de grens bereikt had die hij niet kon overschrijden. Maar toch zal hij zijn eigen zonde daarom niet minder hoog opnemen. Hij heeft zijn taak niet trouw vervuld en daarom zal hij vinden dat het zijn schuld is dat de zieke is omgekomen, omdat hij nalatig geweest is.
Als er een moord of diefstal gepleegd is en daarbij sprake was van bedrog en voorbedachten rade, dan zal hij dat zeker niet verontschuldigen door Gods voorzienigheid als excuus te gebruiken. In een en dezelfde daad zal hij onderscheid maken tussen de rechtvaardigheid van God en de slechtheid van de mens, want beide komen ze duidelijk aan het licht.
Maar vooral wat betreft de toekomst zal hij rekening houden met dit soort ondergeschikte oorzaken. Hij zal het meetellen als een van Gods zegeningen als hij genoeg hulp van mensen krijgt om gered te worden. Hij zal niet laks zijn in het nemen van besluiten en niet nalaten om hulp in te roepen als hij ziet dat iemand hem helpen kan. Hij zal bedenken dat de Heer hem alles ter beschikking stelt wat schepselen hem kunnen geven. Hij zal van die schepselen gebruik maken als van legitieme instrumenten van Gods voorzienigheid.
Natuurlijk weet hij niet hoe de dingen die hij onderneemt, zullen aflopen. Hij weet alleen dat de Heer in al die dingen zal zorgen voor zijn welzijn. Maar toch zal hij zijn best doen om te bereiken wat volgens hem het beste is, voor zover hij dat met zijn verstand kan inschatten. Maar als hij besluiten neemt, zal hij zich niet laten leiden door waar hij zelf zin in heeft. Hij zal zich toevertrouwen aan Gods wijsheid, zodat die wijsheid hem naar het juiste doel kan leiden.
Verder zal hij zijn vertrouwen niet op uiterlijke hulpmiddelen stellen. Als die er zijn, zal hij niet onbezorgd op hen vertrouwen en als ze er niet zijn, zal hij niet bang zijn alsof hij in de steek gelaten is. Want hij zal zich steeds alleen aan Gods voorzienigheid vastklampen. Hij zal niet toestaan dat gedachten aan de dingen van het hier en nu hem ervan weerhouden om zijn blik gevestigd te houden op Gods voorzienigheid.
Joab erkent dat de afloop van de strijd afhangt van wat God besluit. De uitkomst ligt in Gods hand. Toch maakt dat hem niet passief. Hij doet ijverig waartoe hij geroepen is. Maar hij laat het aan de Heer over om te bepalen hoe het afloopt. ‘Laten we sterk zijn,’ zegt hij, ‘voor ons volk en voor de steden van onze God. Laat de HEER doen wat goed is in zijn ogen.’ 2 Samuël 10:12
Als wij dat ook weten, zal dat ook ons ertoe aanzetten om steeds tot God te roepen, zonder dat we roekeloos worden of een misplaatst vertrouwen koesteren. Ook zal onze ziel dan gestut worden met goede hoop, zodat we niet aarzelen om onbezorgd en moedig de gevaren te verachten die ons omringen.
Zonder Gods voorzienigheid zouden we verschrikkelijk bang zijn
Hierin wordt zichtbaar hoe weergaloos gelukkig je bent als je een vroom hart hebt. Ontelbaar veel rampen bedreigen het leven van mensen. Op talloos veel manieren loert de dood. We hoeven alleen maar naar onszelf te kijken. Het lichaam is een vergaarbak van duizend ziekten. Het lichaam zelf bevat de ziektekiemen en koestert ze. De mens kan zich niet bewegen zonder zijn bederf in allerlei vormen met zich mee te dragen. Hij leidt een leven dat in zekere zin verweven is met de dood. Want wat kunnen we anders zeggen? We kunnen nog niet eens rillen of zweten zonder gevaar!
Bovendien, waar je ook gaat, je kunt niets vertrouwen van wat je omringt. Alles bedreigt je bijna openlijk en het lijkt wel of het je het liefst ogenblikkelijk wil ombrengen. Klim aan boord van een schip en je bent maar één stap verwijderd van de dood. Stijg te paard en zodra er één been wegglijdt, komt je leven in gevaar. Wandel door de straten van de stad en je staat bloot aan evenveel gevaren als er pannen op de daken liggen. Als jij of je vriend een ijzeren voorwerp in handen heeft, kun je elk moment gewond raken. Alle wilde dieren die je ziet, kunnen je ondergang betekenen. Je kunt je best doen om jezelf op te sluiten in een goed omheinde tuin, die een en al lieflijkheid lijkt. Maar soms houdt zich daar een slang schuil. Je huis loopt voortdurend gevaar om af te branden. Overdag dreigt daardoor de armoede, ’s nachts zelfs de verstikkingsdood. Je akker staat bloot aan hagel, rijp, droogte en andere schadelijke invloeden van het weer. Daardoor dreigt een mislukte oogst en als gevolg daarvan hongersnood.
Ik heb het nu nog niet eens over vergif, overvallen, struikrovers en openlijke gewelddadigheden die je voor een deel thuis omringen en voor een deel onderweg vergezellen. Moet een mens tussen al die enge dingen niet heel ellendig zijn? Tijdens zijn leven ademt hij angstig en beklemd, alsof hij al halfdood is, alsof er voortdurend een zwaard dreigend boven zijn hals hangt.
Je zult zeggen dat al die dingen maar zelden gebeuren. Het gebeurt in elk geval niet voortdurend, het overkomt niet iedereen en het gebeurt zeker niet allemaal tegelijk. Dat geef ik toe. Maar het voorbeeld van anderen herinnert ons er natuurlijk aan dat het ook ons overkomen kán. Ons leven hoeft niet uitzonderlijker te zijn dan dat van hen. Dus kan het niet anders of we zijn bang dat het ons overkomen zál. En wat kun je bedenken dat ellendiger is dan deze angst?
Daar komt bij dat het niet vrij van godslastering is als je zegt dat God de mens, het edelste schepsel, heeft blootgesteld aan alle mogelijke blinde en doelloze klappen van het toeval. Maar het is mijn bedoeling om het hier alleen te hebben over de ellende die je als mens zult voelen als je geplaatst wordt onder het gezag van het toeval.
Dankzij Gods voorzienigheid hoeven we nooit bang te zijn
Maar als het licht van Gods voorzienigheid een vroom mens eenmaal beschenen heeft, dan wordt hij ontlast en bevrijd. Niet alleen maar van de extreme angst waar hij tot dan toe onder gebukt ging, maar van elke zorg. Het is terecht dat hij beeft voor het toeval, maar aan God durft hij zich onbekommerd toe te vertrouwen. Het is voor hem een troost, zeg ik, dat de hemelse Vader alles in zijn macht heeft, alles door zijn wil regeert en alles door zijn wijsheid leidt, zodat er niets gebeurt zonder dat Hij het bepaald heeft. En dat God hem onder zijn trouwe hoede heeft genomen en hem aan de zorg van de engelen heeft toevertrouwd. Water, vuur of ijzer kunnen hem niet méér schade berokkenen dan waar God als bestuurder ruimte voor geeft.
In Psalm 91 wordt immers gezongen: ‘Want Hij zal je redden uit het net van de vogelvanger en van de dodelijke pest. Hij zal je beschermen met zijn vleugels en onder zijn veren zul je je veilig voelen. Zijn waarheid is als een schild. Je hoeft niet bang te zijn voor de verschrikking van de nacht, of voor de pijl die overdag op je afkomt. Ook hoef je niet bang te zijn voor de pest die rondwaart in het donker of voor het onheil dat ’s middags toeslaat …’ Psalm 91:3-6
Op basis van dat vertrouwen kunnen heiligen roemen: ‘De HEER is mijn helper, Psalm 118:6 ik hoef niet bang te zijn voor wat schepselen mij aandoen. Psalm 56:5 De HEER is mijn beschermer, waarom zou ik bang zijn? Al zou een leger mij belegeren, Psalm 27:1-3 al zou ik wandelen tussen de schaduwen van de dood, Psalm 23:4 ik zou altijd goede hoop hebben.’ Psalm 71:14 Hoe komen zij daaraan, vraag ik je, dat ze hun gevoel van veiligheid nooit kwijtraken? Hoe komt dat anders dan doordat ze weten dat – ook al draait de wereld ogenschijnlijk maar een beetje rond – de Heer overal aan het werk is en dat ze erop vertrouwen dat wat Hij doet goed voor hen zal zijn?
Bovendien, als de duivel of slechte mensen een aanval doen op hun welzijn, zouden ze direct bezwijken als ze niet gesterkt werden omdat ze zich de voorzienigheid herinneren en daaraan denken. Maar ze houden in gedachten dat de duivel en heel de bende goddelozen in alle opzichten in toom gehouden worden door Gods hand. Ze kunnen geen enkele misdaad tegen ons beramen zonder dat God het toestaat. En als ze wel een misdaad tegen ons beramen, kunnen ze die niet tegen ons begaan zonder dat God het toelaat. En als ze wel een misdaad tegen ons begaan, kunnen ze nog geen vinger tegen ons opheffen om hun doel te bereiken zonder dat God het laat gebeuren, ja het zelfs beveelt.
Hij houdt hen niet alleen geboeid en gevangen, maar Hij dwingt hen ook met zijn teugel tot gehoorzaamheid. Daarom hebben heiligen meer dan genoeg reden om zich te troosten. Want het is aan de Heer om de woede van de duivel en de goddelozen te wapenen en te sturen waarheen Hij wil. En zo is het ook aan Hem om die te beperken en te begrenzen, om te voorkomen dat ze hun begeerten al te losbandig zouden botvieren.
En op basis van die overtuiging zegt Paulus de ene keer dat Satan zijn reis verhinderd heeft 1 Thessalonicenzen 2:18 en zegt hij een andere keer dat zijn reis afhing van Gods toestemming. 1 Korinthiërs 16:7 Als hij alleen gezegd had dat Satan zijn reis verhinderd had, dan zou het net geleken hebben alsof hij Satan te veel macht schonk, alsof Satan in staat zou zijn Gods plannen te dwarsbomen. Maar nu geeft hij God het laatste woord, omdat alle reizen afhankelijk zijn van Hem. Daarmee laat hij tegelijk ook zien dat Satan niets kan bereiken als God het niet wil, wat hij ook in zijn schild voert.
Om dezelfde reden zoekt David, bij alle veranderingen die het leven van de mensen voortdurend omkeren en als het ware op z’n kop zetten, een schuilplaats in het besef dat de tijden in Gods hand zijn. Psalm 31:16 Hij had kunnen zeggen: ‘mijn levensloop,’ of: ‘de tijd,’ in het enkelvoud. Maar met het woord ‘tijden’ wil hij aangeven dat de omstandigheden van de mensen nog zo onzeker kunnen zijn, maar dat alle veranderingen die er af en toe plaatsvinden door God bestuurd worden.
Daarom noemt de profeet Jesaja Resin en de koning van Israël rokende stukken brandhout.
Jesaja 7:1-4 Ze hadden hun krachten gebundeld om Juda te vernietigen. Daarom leken ze op fakkels die waren aangestoken om te vernielen en te verteren.
Maar ze konden alleen maar een beetje rook afgeven.
Zo wordt de farao vergeleken met een zeemonster en zijn troepen met vissen. Iedereen was bang voor hem, omdat hij zo machtig was met zijn sterke en grote leger. Maar God kondigt aan dat Hij de veldheer en zijn leger aan zijn haak zal slaan en met hem zal doen wat Hij wil. Ezechiël 29:3-5
Kortom – om hier niet langer bij te blijven stilstaan – als je erop let, zul je gemakkelijk inzien dat het niet kennen van de voorzienigheid het toppunt van ellende is. Maar als je de voorzienigheid wel kent, is dat het toppunt van geluk.
Als God ergens spijt van heeft, is dat figuurlijk bedoeld
Eigenlijk heb ik nu genoeg over Gods voorzienigheid gezegd om gelovigen grondig te onderwijzen en te troosten. Om de nieuwsgierigheid te bevredigen van dwaze mensen, zal het nooit genoeg zijn. En we moeten hun nieuwsgierigheid ook niet willen bevredigen. Ik zou nu dus genoeg gezegd hebben als er niet enkele Schriftpassages waren die ons tegenhouden. Deze passages lijken in tegenspraak met wat ik hiervóór gezegd heb. Want ze lijken te suggereren dat Gods plan niet vast en onveranderlijk is, maar aangepast wordt aan hoe de zaken er hier beneden voorstaan.
In de eerste plaats wordt er een aantal keer verteld dat God ergens spijt van heeft. Zo had Hij er bijvoorbeeld spijt van dat Hij de mens geschapen had Genesis 6:6 en dat Hij Saul tot koning aangesteld had. 1 Samuël 15:11 Ook zou Hij spijt hebben van het kwaad dat Hij zijn volk van plan was aan te doen, zodra Hij er iets van zou merken dat ze zich bekeerden. Jeremia 18:8
In de tweede plaats wordt verteld dat Hij een paar van de besluiten die Hij genomen had, niet uitvoert. Via Jona had Hij de inwoners van Ninevé bekendgemaakt dat Ninevé over veertig dagen zou vergaan. Maar door hun berouw is Hij al snel geneigd tot een milder oordeel. Jona 3 Aan Hizkia had Hij via de mond van Jesaja aangekondigd dat hij zou sterven. Maar Hizkia’s tranen en gebeden hebben Hem ertoe gebracht diens dood uit te stellen. Jesaja 38:1-5; 2 Koningen 20:1-6
Velen zien dit als bewijs dat God het dagelijks leven niet in een eeuwig besluit heeft vastgelegd. Hij zou voor ieder jaar, iedere dag en ieder uur het een of het ander bepalen, afhankelijk van wat ieder mens verdiend heeft, oftewel: afhankelijk van wat Hij eerlijk en rechtvaardig vindt.
Als het om spijt gaat, moeten we ervan uitgaan dat er in God voor spijt evenmin ruimte is als voor onwetendheid, vergissingen of onmacht. Niemand brengt zichzelf immers willens en wetens in een positie waarin hij gedwongen is om ergens spijt van te hebben. Daarom kunnen we God niet toeschrijven dat Hij ergens spijt van heeft zonder dat we daarmee zeggen dat Hij óf niet weet wat er gaat gebeuren, óf niet kan voorkomen wat er gaat gebeuren, óf overhaast en onnadenkend besluiten neemt waar Hij meteen weer spijt van heeft.
Maar dat staat mijlenver af van wat de Heilige Geest bedoelt. Als de Heilige Geest vertelt dat God ergens spijt van heeft, ontkent Hij daarom dat God zich door spijt laat leiden. Want God is geen mens en daarom kan Hij nergens spijt van hebben. Het is opvallend dat die twee dingen in hetzelfde hoofdstuk bij elkaar staan. Door ze met elkaar te vergelijken, wordt de schijnbare tegenstrijdigheid uitstekend opgeheven. Er wordt verteld dat God er spijt van had dat Hij Saul tot koning had aangesteld. Maar die verandering van gedachten is figuurlijk bedoeld. Even later wordt eraan toegevoegd: ‘Hij die de sterkte van Israël is, zal niet liegen en Hij zal niet door spijt van mening veranderen. Want Hij is geen mens, dat Hij ergens spijt van zou hebben.’ 1 Samuël 15:29 Met die woorden wordt helder en zonder dat het figuurlijk bedoeld is, verzekerd dat God onveranderlijk is.
Het is dus zeker dat Gods plan in het besturen van het dagelijks leven eeuwig is. Dat plan staat boven elke vorm van spijt. En om ervoor te zorgen dat er geen twijfel over zou bestaan dat God onveranderlijk is, zijn zelfs zijn tegenstanders gedwongen daarvan te getuigen. Want Bileam heeft, zelfs tegen zijn wil, deze woorden uit moeten spreken: ‘God is geen man, dat Hij zou liegen. Hij is geen mensenkind, dat Hij van mening zou veranderen. Het is onmogelijk dat Hij niet alles zou doen wat Hij gezegd heeft en niet alles zou vervullen wat Hij gesproken heeft.’ Numeri 23:19
Het woord ‘spijt’ is een aanpassing aan ons beperkt begrip
Wat wordt er dan bedoeld met het woord ‘spijt’? Natuurlijk wordt er hetzelfde mee bedoeld als met andere manieren van spreken waarmee God voor ons op een menselijke manier beschreven wordt. Wij kunnen in onze zwakheid niet reiken tot Gods hoogheid. Daarom moet de beschrijving die we van Hem krijgen zich aanpassen aan ons verstand, zodat we het kunnen begrijpen. Nu wordt die beschrijving zo aangepast dat God voor ons niet beschreven wordt zoals Hij daadwerkelijk is, maar zoals wij Hem ervaren.
God wordt nooit overstelpt door emoties, maar toch verklaart Hij dat Hij woedend is op zondaren. Als we horen dat God boos is, moeten we het ons dus niet zo voorstellen alsof er in Hem iets in beweging is. We moeten juist bedenken dat deze manier van spreken ontleend is aan onze ervaring. Steeds als God zijn oordeel voltrekt, ziet Hij er in onze ogen uit als iemand die driftig en woedend is.
Zo moeten we ook het woord ‘spijt’ niet anders opvatten dan als een verandering in wat God doet. Voor mensen is het normaal dat ze door een verandering in wat ze doen, laten zien dat ze ontevreden zijn over wat ze gedaan hebben. Bij mensen is elke verandering dus een correctie van datgene waar ze ontevreden over waren. Die correctie komt dus voort uit spijt. Daarom wordt het woord ‘spijt’ gebruikt om aan te geven dat God verandert in wat Hij doet. Maar ondertussen zijn zijn plan en zijn wil niet gewijzigd. Ook zijn wensen zijn niet veranderd. Hij gaat in een ononderbroken gang door met wat Hij van eeuwigheid af voorzien, goedgekeurd en besloten heeft. Alleen in de ogen van mensen lijkt het een onverwachte verandering.
Als God op een besluit lijkt terug te komen, is dat altijd volgens plan
Uit de heilige geschiedenis blijkt ook niet dat Gods besluiten worden opgeheven. Er wordt wel verteld dat aan de inwoners van Ninevé de ondergang wordt kwijtgescholden die hun al was aangekondigd. En dat Hizkia’s leven werd verlengd, hoewel hem was aangekondigd dat hij zou sterven. Maar als je vindt dat Gods besluiten daarmee zijn opgeheven, heb je een dwaze voorstelling van zulke aankondigingen.
De aankondigingen stellen simpelweg wat er zal gebeuren. Maar uit de afloop blijkt dat ze een impliciete voorwaarde bevatten. Want waarom stuurde de Heer Jona naar de inwoners van Ninevé en liet Hij hun de ondergang van de stad bekendmaken? Waarom kondigde Hij via Jesaja aan Hizkia aan dat hij zou sterven? Hij had zowel de inwoners van Ninevé als Hizkia kunnen laten omkomen zonder hun te laten weten welke ramp hen zou treffen. Zijn bedoeling was dus niet dat ze van tevoren zouden weten dat ze zouden sterven en dat ver van tevoren zouden zien aankomen. Hij had een andere bedoeling. Ongetwijfeld wilde Hij dat ze níet zouden omkomen. Dus dat Jona profeteert dat Ninevé over veertig dagen zal vergaan, gebeurt met de bedoeling dat Ninevé niet zal vergaan. Dat Hizkia de hoop op een langer leven ontnomen wordt, gebeurt met de bedoeling dat hij een langer leven zal krijgen. Wie ziet nu niet dat de Heer door zulke dreigementen degenen die Hij aan het schrikken maakte, wilde opwekken tot bekering? Hij wilde dat ze zouden ontkomen aan het oordeel dat ze met hun zonden verdiend hadden.
Als dit waar is, brengt de aard van de omstandigheden ons ertoe om in enkel een dreigement een impliciete voorwaarde te horen. En dat wordt ook bevestigd door vergelijkbare voorbeelden. Als de Heer koning Abimelech berispt omdat hij Abraham zijn vrouw afgepakt heeft, gebruikt Hij deze woorden: ‘Je zult sterven omwille van die vrouw die je genomen hebt, want ze is al met een man getrouwd.’ Genesis 20:3 Maar nadat Abimelech zich verontschuldigd heeft, zegt God dit: ‘Geef die vrouw terug aan haar man, want hij is een profeet. Hij zal voor je bidden. Dan zul je in leven blijven. Maar als je haar niet teruggeeft, dan moet je weten dat je zeker zult sterven, jij en alles wat je hebt.’ Genesis 20:7 Zie je wel dat God met de eerste aankondiging Abimelech flink aan het schrikken maakt om hem aan te sporen zijn gedrag te corrigeren? Maar dat God pas met de tweede aankondiging duidelijk onthult wat Hij wil?
Ook op andere plaatsen in de Schrift gaat het zo. Daar moet je dus niet uit opmaken dat er iets wordt afgedaan aan Gods eerste besluit, omdat Hij geen gevolg geeft aan wat Hij had aangekondigd. Als de Heer straf aankondigt, spoort Hij degenen die Hij wil sparen aan om zich te bekeren. Zo baant Hij juist de weg voor zijn eeuwig besluit. Hij verandert niets aan wat Hij wil of zelfs maar aan wat Hij zegt. Alleen, Hij spelt niet woord voor woord uit wat we toch gemakkelijk kunnen begrijpen. Want de uitspraak van Jesaja moet waar blijven: ‘De HEER van de legermachten heeft het besloten. Wie zal het dan kunnen verijdelen? Zijn hand is uitgestrekt. Wie zal die dan afwenden?’ Jesaja 14:27
Voetnoten
- 143
Augustinus, De diversis quaestionibus, 27.
- 144
Homerus (ca. 800 v. Chr.), Griekse dichter.
- 145
Homerus, Ilias XIX, 86-87.
- 146
Titus Maccius Plautus († 184 v. Chr.), Romeinse komediedichter.
- 147
Plautus, Bacchides.
- 148
Plautus, Aulularia, 737-742.
Voetnoot 143
Augustinus, De diversis quaestionibus, 27.
Voetnoot 144
Homerus (ca. 800 v. Chr.), Griekse dichter.
Voetnoot 145
Homerus, Ilias XIX, 86-87.
Voetnoot 146
Titus Maccius Plautus († 184 v. Chr.), Romeinse komediedichter.
Voetnoot 147
Plautus, Bacchides.
Voetnoot 148
Plautus, Aulularia, 737-742.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.