Boek I · Hoofdstuk 5

God kennen uit de schepping

Inhoud van dit hoofdstuk · 15 secties
  1. 1God is zichtbaar in zijn scheppingswerk
  2. 2God is zichtbaar in de orde van de schepping
  3. 3God is zichtbaar in de mens
  4. 4De ondankbaarheid van de mens
  5. 5De ziel van de mens is onsterfelijk
  6. 6Gods kracht is zichtbaar in de natuur
  7. 7God is zichtbaar in hoe Hij omgaat met vromen en goddelozen
  8. 8Gods voorzienigheid, macht en wijsheid
  9. 9Het zien van God moet ons tot verwondering brengen
  10. 10Het zien van God moet ons hoop geven
  11. 11Het is dwaas om te geloven in toeval
  12. 12Mensen worden het niet eens over God
  13. 13De godsdienst kan niet gebaseerd worden op de mening van mensen
  14. 14De schepping is onvoldoende om God te leren kennen
  15. 15We hebben geen excuus om God niet te kennen

God is zichtbaar in zijn scheppingswerk

Het hoogste geluk dat we in het leven kunnen bereiken ligt in het kennen van God. Johannes 17:3 Om voor niemand de toegang tot dat geluk af te sluiten, heeft God niet alleen in het hart van de mensen de hiervóór genoemde kiem van godsdienst gelegd. Hij heeft zichzelf ook geopenbaard in heel het bouwwerk van de wereld. Hij biedt zich daarin dagelijks aan. De mensen kunnen hun ogen niet open doen of ze worden gedwongen Hem te zien.

Weliswaar is God in wezen onbegrijpelijk en zijn goddelijke majesteit gaat alle menselijke zintuigen ver te boven. Maar alle dingen die Hij gemaakt heeft, dragen stuk voor stuk ongetwijfeld het stempel van zijn glorie. En wel zo duidelijk en opvallend, dat elk excuus van onwetendheid wordt weggenomen, hoe dom en naïef je ook bent.

Daarom roept de profeet volkomen terecht uit dat God zich in het licht hult als in een mantel. Alsof hij wilde zeggen dat God pas zichtbaar begon te verschijnen sinds Hij de wereld geschapen heeft als teken van zijn majesteit. Nu vertoont Hij zich in schoonheid, overal waar wij onze ogen heen wenden. In dezelfde psalm vergelijkt dezelfde profeet het uitspansel van de hemel met Gods koninklijke tent. Hij zegt dat God zijn hoge zalen op de wateren bouwt, dat de wolken Gods wagens zijn, dat Hij wandelt op de vleugels van de wind en dat de bliksemstralen zijn boden zijn. Psalm 104:2-4 En omdat de glorie van Gods macht en wijsheid het rijkst schittert hoog in de lucht, wordt de hemel vaak zijn paleis genoemd. Psalm 11:4

En aan de ene kant is er, waar je ook kijkt, in de wereld geen enkel detail waarin je niet in elk geval enkele vonkjes van zijn glorie ziet glinsteren. Maar aan de andere kant kun je nog geen blik op het geheel van dit uitgebreide, schone kunstwerk werpen, of je wordt van alle kanten overstelpt door de onmetelijke kracht van zijn schittering, zo ver strekt het zich uit.

Heel mooi noemt daarom de schrijver van de brief aan de Hebreeën de wereld een beeld van het onzichtbare. Hebreeën 11:3 Want de harmonische orde van de wereld is voor ons net een spiegel waarin we God kunnen zien, die anders onzichtbaar is. En daarom dicht de profeet aan de schepselen aan de hemel een taal toe die alle volken kennen. Psalm 19:2 Want die schepselen getuigen van God, zo duidelijk dat het geen enkel volk kan ontgaan, zelfs de meest afgestompte volken niet.

De apostel Paulus legt dit nog duidelijker uit als hij zegt dat aan de mensen geopenbaard is wat ze over God moeten weten. Want zonder uitzondering zien ze allemaal zijn onzichtbare eigenschappen. Ze begrijpen die uit de schepping van de wereld. Zelfs zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. Romeinen 1:19-20

God is zichtbaar in de orde van de schepping

Zowel in de hemel als op de aarde zijn er ontelbaar veel bewijzen van Gods wonderbare wijsheid. Sommige van die bewijzen zijn meer verborgen. De sterrenkunde, de geneeskunde en alle natuurwetenschappen zijn bedoeld om die te onderzoeken. Maar andere bewijzen zijn zichtbaar voor de eenvoudigste leek. Je kunt je ogen niet opslaan of je wordt gedwongen er getuige van te zijn.

Zeker, wie een meer of minder goede scholing genoten heeft, kan daardoor een veel dieper inzicht krijgen in de mysteries van de goddelijke wijsheid. Toch kan gebrek aan scholing niemand verhinderen om in wat God gemaakt heeft zoveel creativiteit te zien dat hij daardoor de kunstenaar gaat bewonderen.

Natuurlijk moet je heel bekwaam zijn en goed je best doen om de bewegingen van de sterren te onderzoeken, hun standplaatsen te bepalen, hun onderlinge afstanden te meten en hun eigenschappen waar te nemen. En als je dat alles doorzien hebt en Gods voorzienigheid voor jou nog duidelijker geworden is, dan hoor je ook meer oog gekregen te hebben voor zijn glorie. Maar zelfs de meest eenvoudige en ongeletterde mensen kan het niet ontgaan hoe geweldig mooi Gods kunstwerk is. Die ontelbaar grote en toch geordende verscheidenheid van het hemelse sterrenleger openbaart het vanzelf. Daarom kan er niemand zijn aan wie de Heer zijn wijsheid niet overvloedig bekend gemaakt heeft.

Hetzelfde geldt voor de bouw van het menselijk lichaam. Om de verbindingen, de symmetrie, de schoonheid en de werking te beschrijven, moet je net zo intelligent zijn als Galenus. Toch ziet iedereen dat het menselijk lichaam zo knap in elkaar zit, dat je de maker wel moet bewonderen.

Galenus, Libris de usu partium.

God is zichtbaar in de mens

En daarom hebben sommige filosofen in het verleden de mens niet ten onrechte een microkosmos – ‘een wereld in het klein’ – genoemd. Want de mens vormt een zeldzaam bewijs van Gods macht, goedheid en wijsheid. De mens bevat genoeg wonderen om onze gedachten bezig te houden, als we het maar willen zien.

Paulus wijst erop dat zelfs blinden God kunnen tasten. En hij voegt er meteen aan toe dat Hij niet ver weg is. Want ieder voelt immers zonder twijfel in zich de hemelse genade waardoor hij leeft en beweegt. Handelingen 17:27-28 Maar als we om God te vinden niet verder hoeven te zoeken dan onszelf, hoe valt het dan ooit te vergeven als iemand zo laks is dat hij geen zin heeft om in zichzelf af te dalen?

David prijst kort Gods wonderbare naam en schoonheid, die overal schitteren. Meteen daarop roept hij uit: ‘Wat is de mens, dat U aan hem denkt?’ En: ‘Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U een sterk fundament gelegd.’ Psalm 8:3-5 Daarmee zegt hij dus dat niet alleen het menselijk geslacht als geheel een heldere spiegel vormt van Gods werken. Ook kleine kinderen kunnen al heel welsprekend zijn roem verkondigen, zelfs al liggen ze nog aan de borst van hun moeder. Daar zijn dus zeker geen andere redenaars voor nodig. Daarom aarzelt David ook niet om hun mond als het ware te mobiliseren in de strijd. Ze zijn al prima in staat om de dwaasheid te weerleggen van mensen die in hun duivelse hoogmoed Gods naam willen uitdoven.

Daarom citeert Paulus ook Aratus, als hij zegt dat wij uit God voortkomen. Handelingen 17:28 Want door ons zo mooi te versieren, laat God zien dat Hij onze Vader is. Ook heidense dichters noemden Hem daarom de vader van de mensen. Dat was blijkbaar de algemene opvatting, omdat de ervaring hun dat leerde.

Maar niemand zal zich graag uit eigen beweging in gehoorzaamheid aan God wijden. Dat doe je alleen als je zijn vaderlijke liefde geproefd hebt en zo door Hem gelokt bent om Hem van jouw kant lief te hebben en te dienen.

De ondankbaarheid van de mens

Maar hier wordt zichtbaar hoe vreselijk ondankbaar mensen zijn. Ze hebben een werkplaats in zich waar God ontzaglijk veel werk kan verrichten. En ook een magazijn propvol schatten. Ze zouden moeten uitbreken in lof, maar in plaats daarvan blazen ze zich alleen maar op in zelfvoldane verwaandheid.

Ze voelen hoe wonderlijk God in hen werkt. Hoeveel verschillende gaven ze uit zijn milde hand gekregen hebben, leren ze door die te gebruiken. Ze moeten weten dat dit tekenen van zijn dat God bestaat, of ze willen of niet. Toch verdringen ze die wetenschap. Ze hoeven niet eens verder te kijken dan zichzelf. Als ze in hun zelfingenomenheid maar niet in de aarde begroeven wat ze uit de hemel gekregen hebben om hun geest te verlichten en God duidelijk te zien. Ja, er lopen tegenwoordig monsterlijke wezens rond op aarde. Ze aarzelen niet om heel de kiem van goddelijkheid die in de menselijke natuur gezaaid is, te gebruiken om Gods naam juist te verduisteren.

Nu vraag ik je, is het niet afschuwelijk en waanzinnig dat de mens in zijn eigen lichaam en ziel God honderdmaal kan vinden en dan juist onder het voorwendsel dat hij zelf zo geweldig is, het bestaan van God ontkent?

Ze zullen niet beweren dat het zomaar toevallig is dat ze anders zijn dan de redeloze dieren. Maar ze stoppen God weg achter het gordijn van de natuur. Volgens hen is dat de kunstenaar die alles gemaakt heeft.

Ze zien een prachtig kunstwerk in al hun ledematen, van hun gezicht en ogen tot de nagels van hun voeten toe. Maar ook hier geven ze de natuur de plaats van God.

De soepelheid van de geest, de schitterende talenten en de zeldzame gaven van de ziel laten de goddelijkheid echter duidelijk zien. Die laat zich niet zo gemakkelijk verbergen. Maar de epicureeërs zien dat als een uitvalsbasis vanwaaruit ze als cyclopen nog overmoediger de strijd kunnen aanbinden met God.

Zouden werkelijk alle schatten van de hemelse wijsheid te hulp snellen om een wormpje van anderhalve meter te besturen? En zou het geheel van het universum dat voorrecht missen?

Je kunt wel beweren dat de ziel een of ander instrument heeft dat correspondeert met de afzonderlijke lichaamsdelen. Maar dat helpt slechts heel weinig om Gods glorie te verduisteren. Die laat je er juist nog beter door uitkomen! Laat Epicurus maar eens uitleggen hoe een botsing van atomen eten en drinken kan laten verteren en een deel kan omzetten in ontlasting en een ander deel in bloed. Of hoe de ledematen ieder afzonderlijk ijverig hun plicht kunnen doen, alsof ze elk een eigen ziel hebben, die toch samen volgens een gemeenschappelijk plan één lichaam besturen.

De ziel van de mens is onsterfelijk

Maar ik ben nu niet geïnteresseerd in die zwijnenstal. Ik richt me meer op hen die veel te veel willen ophangen aan een onbeduidende uitspraak van Aristoteles hierover. In hun misplaatste spitsvondigheid willen ze die gebruiken om de onsterfelijkheid van de ziel af te schaffen en God van zijn recht te beroven. Want onder het voorwendsel dat de ziel de werking van het lichaam bestuurt, binden zij de ziel aan het lichaam vast. Ze beweren dat de ziel niet zonder het lichaam kan bestaan. Ze prijzen de natuur, maar verduisteren de naam van God, zoveel ze kunnen.

Maar het is helemaal niet waar dat de ziel alleen maar dient om het lichaam te besturen. Want wat heeft het met je lichaam te maken als je de hemel opmeet, het aantal sterren telt, de grootte van elke ster kent, weet hoe ver ze van elkaar af staan, hoe snel of traag ze bewegen en welke baan ze beschrijven? Ik ontken niet dat de sterrenkunde enig nut heeft. Ik wil alleen maar aantonen dat in dit onderzoek van de verschijnselen zo hoog aan de hemel ziel en lichaam niet allebei even sterk betrokken zijn. De ziel heeft ook haar eigen aandeel, los van het lichaam.

Ik heb één voorbeeld gegeven. Als lezer kun je er zelf wel meer bedenken. Zoals de soepelheid van de geest, waarmee je de hemel en de aarde doorkruist, het verleden en de toekomst aaneensluit, dingen van lang geleden je nog steeds kunt herinneren en je zelfs kunt voorstellen wat je maar wilt. Of de creativiteit waarmee je ongelofelijke dingen kunt bedenken en die zoveel wonderbare kunsten baart. Daaraan kun je toch de goddelijkheid herkennen in de mens.

Of wat denk je ervan dat tijdens je slaap je gedachten nog steeds in beweging zijn, je nog veel nuttige dingen bedenkt, van alles overweegt of zelfs in de toekomst kijkt? Betekent dat niet dat de tekenen van onze onsterfelijkheid in ons niet tenietgedaan kunnen worden?

Is het niet absurd dat de mens goddelijk is en toch zijn schepper niet erkent? Wij kunnen met het beoordelingsvermogen dat we gekregen hebben rechtvaardig en onrechtvaardig van elkaar onderscheiden en zou er dan in de hemel geen rechter zijn? Wij houden zelfs in de slaap nog een beetje verstand over en zou er dan geen God zijn die waakt over het bestuur van de wereld? Wij vinden zoveel kunsten en nuttige dingen uit en zou dat dan bedoeld zijn om God van zijn eer te beroven? De ervaring leert ons immers duidelijk genoeg dat alles wat we hebben, ons door iemand anders gegeven is.

Het is daarom niet alleen onzinnig, maar ook goddeloos, dat sommigen leuteren over een geheimzinnige inblazing die heel de wereld in beweging houdt. De beroemde woorden van Vergilius staan hun wel aan:

Hemel en aarde, de watervlakten, de lichtende bol van de maan en de stralende zon – een geest in hun binnenste voedt hen: al hun ledematen doorstroomt een ziel die heel het bouwwerk drijft en met het lichaam zich vermengt. Zo hebben mens en dier, de vogels en alles wat het gladde wateroppervlak bergt, een vurige kracht en een hemelse oorsprong, …4

Alsof de wereld niet geschapen is om Gods glorie te tonen, maar zichzelf geschapen heeft! Want ergens anders zegt dezelfde dichter, volgens de algemene opvatting van de Grieken en Romeinen:

Ook de bijen delen in de goddelijke ziel en de hemelse adem, want God gaat door alle landen, de wijde zee en de onmetelijke hemel. Zo krijgen de dieren, de mensen, ja alles wat leeft ieder bij zijn geboorte het tere leven. Ze geven het ook weer terug als ze ontbonden worden, allemaal: voor de dood is geen plaats, maar levend gaan ze vliegen tussen de sterren, ze stijgen op, hoog aan de hemel.

Zo zie je hoe vroom de mensen worden als ze niet verder komen dan dit gespeculeer over een universele geest die de wereld het leven geeft en in beweging houdt. Nog duidelijker is dat te zien in de godslasterlijke woorden van de vieze hond Lucretius, die op dit idee gebaseerd zijn. Hun bedoeling is een schimmige godheid te fabriceren, zodat de echte God, die wij vrezen en dienen, moet maken dat Hij wegkomt.

Ik geef toe dat je ook op een vrome manier kunt zeggen dat de natuur God is, als het uit een vroom hart komt. Maar het is een onbeholpen en onnauwkeurige uitdrukking. De natuur is eerder een door God bepaalde orde. Deze dingen zijn heel belangrijk en vragen om grote zorgvuldigheid. Daarom is het schadelijk om God op een verwarrende manier te verbinden aan de werking van zijn schepping. Want de schepping is aan Hem ondergeschikt.

Gods kracht is zichtbaar in de natuur

Dus als we ieder onze eigen aard overdenken, laten we ons dan telkens weer herinneren dat er één God is. Hij bestuurt ons allemaal en wil dat wij naar Hem opkijken. Ons geloof moet op Hem gericht zijn. We moeten hem dienen en aanbidden. Want niets is zo verkeerd als wanneer we wel van de heerlijke gaven genieten, die in ons van de goddelijkheid getuigen, maar geen rekening houden met de gever die ons die gaven uit genade zo royaal schenkt.

Bovendien, wat een geweldige voorbeelden van zijn macht gebruikt Hij om ons te dwingen rekening met Hem te houden! Want het kan ons toch niet ontgaan hoeveel kracht Hij bezit als Hij het oneindige bouwwerk van hemel en aarde door zijn Woord onderhoudt. Hij hoeft maar een wenk te geven en we horen het gerommel van de donder aan de hemel, de bliksemstralen steken iets in brand, of het weerlichten zet heel de lucht in vlam. Dan weer woeden er allerlei stormen en buien, maar het volgende ogenblik, als Hij dat wil, is het ook weer helemaal stil. De zee lijkt de aarde voortdurend met verwoesting te bedreigen, zo hoog rijst ze soms op. De huiveringwekkende krachten van de wind brengen haar in beroering, maar dan leggen de golven zich weer neer en komen tot rust.

Hierop slaan de lofprijzingen op Gods macht in de natuur die we steeds tegenkomen, vooral in het boek Job en bij Jesaja. Ik sla die nu bewust over, omdat ze nog beter van pas komen als ik later ga spreken over wat de Schrift zegt over de schepping van de wereld. Ik heb nu alleen maar duidelijk willen maken dat iedereen langs deze weg God kan zoeken, of je nu een buitenstaander bent, of dat je al bij Gods kinderen hoort. Je hoeft alleen maar de lijnen te volgen die boven en beneden een levensechte afbeelding van Hem vormen.

Bovendien, juist zijn macht brengt ons ertoe na te denken over zijn eeuwigheid. Want het kan niet anders of Hij die de oorsprong is van alles, is eeuwig. Zijn begin moet wel in Hemzelf liggen.

Als we vervolgens vragen wat de reden is waarom Hij ertoe gekomen is dit alles ooit te scheppen en waarom Hij het nog steeds onderhoudt, dan zullen we erachter komen dat alleen zijn eigen goedheid de reden is. Ja, ook al is dit de enige reden, het moet toch meer dan genoeg zijn om ons te verlokken tot liefde voor Hem. Er is immers geen enkel schepsel, zo leert de profeet ons, over wie zijn barmhartigheid niet is uitgegoten. Psalm 145:9

God is zichtbaar in hoe Hij omgaat met vromen en goddelozen

Er is nog een andere soort van Gods werken. Hij werkt namelijk ook buiten de natuur om. En daarin zien we de bewijzen van zijn goede eigenschappen even duidelijk. God bestuurt de mensheid. Daarbij is Hij op ontelbaar veel manieren mild en royaal tegenover iedereen. Maar uit de dosering van zijn voorzienigheid blijkt toch elke dag dat Hij vromen vooral zijn vriendelijkheid en verdorven misdadigers zijn strengheid laat zien.

We hoeven er niet aan te twijfelen dat God misdaden wreekt. Want Hij laat er geen onduidelijkheid over bestaan dat Hij de beschermer, ja zelfs de wreker is van de onschuldigen. Hij zegent de goeden en maakt hun leven voorspoedig. Hij komt hen te hulp in nood. Hij troost hen in hun verdriet. Hij verlicht hun tegenslagen. En in al die dingen zorgt Hij voor hun behoud.

We moeten dus altijd uitgaan van de norm dat God rechtvaardig is. Maar dat betekent niet dat Hij schuldigen soms niet een tijd lang ongestraft hun gang laat gaan. Of dat Hij niet toestaat dat onschuldigen door veel tegenslagen geteisterd worden of zelfs door boze en zondige streken van goddelozen in de verdrukking komen.

We moeten juist tot een heel andere conclusie komen. Als Hij één misdaad openlijk straft met zijn woede, dan betekent dat dat Hij alle zonden haat. Laat Hij veel misdaden onbestraft passeren, dan wordt de straf alleen maar uitgesteld tot een later oordeel. En hoeveel gelegenheid geeft Hij ons zo niet om zijn barmhartigheid te zien! Telkens weer achtervolgt Hij ellendige zondaren met zijn onvermoeibare welwillendheid. Hij breekt hun slechtheid door hun goed te doen. Door meer dan vaderlijke toegeeflijkheid roept Hij hen bij zich terug.

Gods voorzienigheid, macht en wijsheid

Met dit doel vermeldt de profeet dat God ellendige en haast verloren mensen in hopeloze omstandigheden plotseling wonderbaarlijk te hulp komt. Als ze verdwaald zijn in de woestijn, beschermt Hij hen tegen wilde dieren en brengt Hij hen weer terug op de goede weg. Als ze gebrek lijden of honger hebben, zorgt Hij voor eten. Als ze gevangen zitten, bevrijdt Hij hen uit vreselijke kuilen en ijzeren boeien. Als ze schipbreuk hebben geleden, brengt Hij hen veilig in de haven. Als ze half dood zijn, geneest Hij hen van ziekte. Hij laat het land door hitte en droogte verdorren, of Hij maakt het vruchtbaar door het in zijn genade op een raadselachtige manier te besproeien. Hij trekt uit het gewone volk de meest verachte mensen omhoog of werpt mensen met aanzien van hun hoge positie naar beneden. Psalm 107

Na al die voorbeelden concludeert de profeet dat deze ogenschijnlijk toevallige gebeurtenissen allemaal getuigen van de hemelse voorzienigheid en vooral van de vaderlijke goedheid. De vromen hebben daarom reden om blij te zijn, maar de goddelozen en de verworpenen wordt de mond gesnoerd. Alleen, de meeste mensen zitten zo vol van hun dwalingen dat ze blind zijn voor zulke duidelijke tonelen. Daarom roept de profeet uit dat je wel bijzonder wijs bent als je goed over deze daden van God nadenkt. Want mensen die anders toch altijd heel opmerkzaam zijn, profiteren er vaak helemaal niet van als ze die daden zien.

Inderdaad, hoe helder Gods glorie ook schittert, nauwelijks een op de honderd mensen kijkt er goed naar. Maar zijn macht of zijn wijsheid zijn echt niet verborgen in het donker. Zijn macht is duidelijk zichtbaar. De woede van goddelozen, die volgens iedereen onoverwinnelijk zijn, wordt in een ogenblik gestopt. Hun arrogantie wordt bedwongen, hun sterkste bolwerken worden verwoest, hun zwaarden en schilden verbrijzeld, hun kracht gebroken, hun sluwe plannen verijdeld en onder hun eigen gewicht storten ze neer. In hun brutaliteit verhieven ze zich tot aan de hemel, maar ze worden tot het middelpunt van de aarde neergeworpen. Aan de andere kant is Gods macht ook zichtbaar als moedelozen uit het stof weer opgericht en armen uit het vuil omhooggetrokken worden. Psalm 113:7 Onderdrukten en verslagenen worden uit de diepste benauwdheden gered, wanhopigen krijgen weer hoop. Weerlozen behalen de overwinning op hun gewapende tegenstanders, weinigen winnen het van velen en zwakken van sterken.

Ook Gods wijsheid valt duidelijk op. Alle dingen beschikt Hij precies op tijd, de wijsheid van de wereld stuurt Hij naar believen in de war, de listigen laat Hij in hun eigen listen verstrikt raken, Job 5:12-13; 1 Korinthiërs 3:19-20 kortom – Hij regelt alles zoals het het beste is.

Het zien van God moet ons tot verwondering brengen

We zien dat we niet zoveel moeite hoeven doen om de bewijzen te vinden die Gods majesteit zichtbaar maken en bevestigen. Ik heb nu een paar dingen aangestipt en daaruit blijkt immers dat die bewijzen, waar je ook kijkt, voor de hand liggen. Je kunt ze gemakkelijk zien en met de vinger aanwijzen. Daarbij moet ik opnieuw opmerken dat God ons uitnodigt om Hem te leren kennen. En dan niet zo dat onze kennis beperkt blijft tot vluchtige speculaties in onze hersenen. Onze kennis van Hem moet zeker zijn en vrucht dragen. We moeten die kennis op de juiste manier aannemen, zodat die wortel schiet in ons hart.

Want de Heer is duidelijk zichtbaar in zijn goede eigenschappen. En omdat we hun kracht in ons voelen en van hun gaven genieten, maakt deze kennis natuurlijk veel meer indruk dan wanneer we ons een God inbeelden van wie we niets merken. Daaruit kunnen we concluderen dat dit de beste manier is om God te zoeken. We moeten niet uit een brutale nieuwsgierigheid proberen zijn wezen precies te doorgronden. We moeten Hem aanbidden, niet Hem aan een minutieus onderzoek onderwerpen. Maar we moeten Hem wel zien in wat Hij doet. Want daarin komt Hij dicht bij ons en gaat Hij vertrouwelijk met ons om, alsof Hij een relatie met ons aangaat.

Daar doelde de apostel Paulus op, toen hij zei dat God niet ver weg is. Want met zijn kracht is Hij vlak bij ons. Hij woont in ieder van ons. Handelingen 17:27-28 David belijdt eerst dat God onuitsprekelijk groot is. En als hij daarna Gods daden gaat opnoemen, verklaart hij dat hij gaat vertellen van Gods grootheid zelf. Psalm 145 Daarom is het goed als wij ook ons best doen om God te onderzoeken op zo’n manier dat ons verstand zich blijft verwonderen. Want de diepe indruk die het besef van Gods grootheid dan op ons maakt, heeft gevolgen. Augustinus leert ergens dat we God niet kunnen begrijpen. Daarom horen we als het ware onder zijn grootheid te bezwijken als we zien wat Hij doet. Want dan kunnen we door zijn goedheid vernieuwd worden.

Het zien van God moet ons hoop geven

Maar zo’n kennis van God moet ons er niet alleen toe aanzetten dat we God gaan dienen. Deze kennis moet ons vervolgens ook opwekken en oprichten zodat we gaan hopen op het toekomstige leven. Want de voorbeelden die de Heer geeft van zijn vriendelijkheid en van zijn strengheid zijn niet meer dan een begin. Ze zijn onvolledig. Als we dat merken, moeten we daaruit opmaken dat Hij daarmee ongetwijfeld een voorproefje geeft van grotere dingen. Dingen die nog uitgesteld worden tot een ander leven en die dan pas geopenbaard en volledig gerealiseerd zullen worden.

Aan de andere kant zien we ook dat vromen door goddelozen gekweld en verdrukt worden. Ze worden onrechtvaardig behandeld en door laster, smaad en spot gekrenkt. En daartegenover staat dat misdadigers floreren. Ze hebben voorspoed en genieten rust en aanzien. En dat allemaal ongestraft. Maar ook daaruit moeten we opmaken dat er een ander leven komt. Daarin zal onrechtvaardigheid bestraft en rechtvaardigheid beloond worden.

En als we bovendien zien dat de gelovigen meer dan eens door de Heer met de roede getuchtigd worden, mogen we er absoluut zeker van zijn dat de goddelozen al helemaal niet aan zijn gesel zullen ontkomen. Want Augustinus zegt terecht: ‘Als elke zonde nu al publiek bestraft zou worden, zouden we denken dat er niets meer overblijft voor het laatste oordeel. En als God geen enkele zonde nu al openlijk zou straffen, zouden we geloven dat er geen goddelijke voorzienigheid is.’

We moeten dus bekennen dat in elke afzonderlijke daad van God, maar vooral in al zijn daden samen, zijn goede eigenschappen afgebeeld worden, als op een schilderij. Daardoor wordt heel het menselijk geslacht uitgenodigd en gelokt om God te leren kennen en op die manier echt en volmaakt gelukkig te worden.

Gods goede eigenschappen zijn dus heel duidelijk zichtbaar. Maar wat hun belangrijkste doel is, welke kracht erin schuilt en waarom we die moeten overdenken – dat begrijpen we toch pas als we afdalen in onszelf en nagaan op welke manieren de Heer in ons zijn leven, wijsheid en kracht laat zien en hoe Hij zijn rechtvaardigheid, goedheid en welwillendheid tegenover ons aanwendt.

David klaagt terecht dat ongelovigen geen wijsheid hebben, omdat ze geen rekening houden met Gods diepe plannen in het bestuur van het menselijk geslacht. Psalm 92:6-7 Tegelijk is ook helemaal waar wat hij ergens anders zegt: Gods wonderbare wijsheid is op dit punt groter dan het aantal haren op ons hoofd. Psalm 40:13

Maar dit onderwerp zal later uitvoeriger aan de orde komen en daarom laat ik het nu rusten.

Het is dwaas om te geloven in toeval

De Heer laat ons zichzelf en zijn onvergankelijke rijk dus in de spiegel van zijn daden duidelijk zien. Maar toch zijn wij daar steeds ongevoelig voor. Wij zijn zo verlamd door onze dwaasheid, dat die duidelijke bewijzen op ons geen enkel effect hebben. Neem nu de wereld. Hoe mooi zit die in elkaar! Maar als we onze ogen opslaan naar de hemel of onze blik laten dwalen over de verschillende gebieden van de aarde – hoe weinigen van ons komen er dan toe om zich de schepper te herinneren? Blijven de meesten van ons niet staan bij het bekijken van wat Hij gemaakt heeft, terwijl we de ontwerper negeren?

En als het gaat over alles wat er elke dag weer gebeurt buiten het natuurlijke verloop van de dingen om – hoe velen gaan er niet vanuit dat dat eerder door blind toeval gebeurt, dan dat het door Gods voorzienigheid bestuurd wordt? Toch overkomt het ons allemaal wel eens – dat kan niet anders – dat we er door de gang van zaken toe aangezet worden om over God na te denken. Maar als we dan alleen maar een vaag besef hebben van een of andere goddelijkheid, dan vervallen we toch meteen weer tot zinloze en zondige verzinsels van onszelf. We misvormen Gods zuivere waarheid door onze onzin.

We verschillen alleen maar hierin van elkaar dat we allemaal, ieder voor zich, onze eigen dwaling omarmen. Maar daarin zijn we toch volledig gelijk aan elkaar, omdat we ons allemaal, zonder uitzondering, van de enige echte God afkeren en ons wenden tot baarlijke nonsens. Niet alleen simpele zielen en dwaze geesten worden door deze ziekte bevangen. Ook de allerbesten, die normaal buitengewoon slim en begaafd zijn.

Hoe heeft heel dat filosofenvolk niet zijn best gedaan om ons te laten weten hoe dom en dwaas ze eigenlijk zijn! Ik laat de anderen, die nog veel meer onzin uitgekraamd hebben, maar lopen. Plato was van hen nog het meest godsdienstig en verstandig. Maar ook hij verliest zich in zijn ideeën over een ronde bol. Hoe zou het dan aflopen met de rest, als de voornaamsten onder hen, die de anderen moesten onderwijzen, zo leuteren en de mist ingaan?

Zo is het ook met de voorzienigheid. Die kan niet ontkend worden. Want als je ziet hoe het dagelijks leven bestuurd wordt, dan bewijst dat dat de voorzienigheid bestaat. En toch levert dat bewijs de mensen niets anders op dan het geloof dat alles op en neer gaat door de toevallige beschikking van het lot. Zo groot is onze hang naar onzinnige dwalingen.

En dan heb ik het nog het steeds over de allerbesten. Bij het gewone volk heeft de dwaasheid in het ontwijden van Gods waarheid helemaal een enorme omvang bereikt.

Mensen worden het niet eens over God

Vandaar die enorme mengelmoes van dwalingen. Heel de wereld is er steeds vol van geweest. Want voor iedereen is het eigen verstand net een doolhof. Daarom is het geen wonder dat de volken ieder voor zich tot heel verschillende dwalingen gekomen zijn. En dat is nog niet alles. Ook heeft steeds vrijwel ieder mens afzonderlijk zijn eigen goden gehad. Want bij onwetendheid en duisternis komen lichtzinnigheid en overmoed. En dan wordt er nauwelijks één gevonden die zich niet in plaats van God een afgod of een beeld fabriceert. Werkelijk, zoals uit een grote bron rivieren opborrelen, zo is een enorme menigte van goden opgeborreld uit het brein van mensen. Teugelloos dwalen ze allemaal rond. De één verzint dit, de ander dat over God en er klopt niets van.

Maar het is niet nodig om hier alle vormen van bijgeloof op te sommen waarin de wereld verstrikt heeft gezeten. Daar zou immers geen eind aan komen. En al zeg ik er geen woord over, dan blijkt uit al die misvormingen wel voldoende hoe blind de menselijke geest is. Ik laat het eenvoudige en ongeschoolde volk dus voor wat het is.

Maar wat een beschamend verschil van mening is er ook niet onder de filosofen, die met hun verstand en kennis in de hemel probeerden door te dringen. Hoe meer talent iemand gekregen had en hoe beter ontwikkeld hij was door kunst en wetenschap, hoe meer hij zijn mening met felle kleuren inkleedde. Maar als je die kleuren wat beter bekijkt, zul je ontdekken dat het slechts vluchtige laagjes vernis zijn.

De stoïcijnen vonden dat ze heel intelligent redeneerden als ze zeiden dat je uit alle delen van de natuur verschillende namen van God kon halen en dat de ene God dan toch niet uit elkaar gescheurd werd. Alsof we niet al genoeg geneigd waren tot onzin, ook zonder dat ons een geweldige overvloed van goden wordt aangesmeerd en ons nog verder en nog sterker meesleurt op het pad van de dwaling. Ook de geheimzinnige theologie van de Egyptenaren laat zien dat ze allemaal ijverig hun best deden om niet zonder reden dwaas te lijken. Misschien dat eenvoudige en naïeve mensen zoiets op het eerste gezicht plausibel vinden en er mee bedrogen kunnen worden. Maar nooit heeft een sterveling iets bedacht wat de godsdienst niet schandelijk bedorven heeft.

Uit deze verwarde diversiteit hebben de epicureeërs de euvele moed geput om dan maar elk idee van God te verwerpen. Ze zagen de verstandigste mensen discussiëren over aan elkaar tegengestelde opvattingen. Daarom aarzelden ze niet om uit die meningsverschillen en uit al die onbeduidende en absurde ideeën te concluderen dat mensen zichzelf vruchteloos en dwaas kwellen als ze zoeken naar een God die niet bestaat. En ze dachten dat ze dat ongestraft konden doen. Ze vonden dat het beter was om Gods bestaan ronduit te ontkennen dan zelf goden te bedenken. Want het bestaan van die goden was onzeker en dat leidde alleen maar tot eindeloze discussies. Maar ze redeneren onverstandig. Of beter, ze bedekken hun goddeloosheid. Ze omhullen die met een wolk van menselijke onwetendheid. En het is heel ongepast om God iets te ontnemen als gevolg van onze onwetendheid.

Maar iedereen erkent dat er geen onderwerp is waarover zowel geleerden als ongeleerden het zo met elkaar oneens zijn. Daaruit kun je opmaken dat het verstand van de mens stomp en blind is voor de hemelse mysteries als mensen in het onderzoek naar

God zo dwalen. Anderen prijzen het antwoord van Simonides, toen de tiran Hiero hem vroeg wat God was. Simonides vroeg een dag de tijd om na te denken. En toen de tiran hem de volgende dag dezelfde vraag stelde, vroeg hij om twee dagen. Zo verdubbelde hij het aantal dagen meerdere keren en uiteindelijk antwoordde hij: ‘Hoe langer ik er over nadenk, hoe duisterder de zaak me lijkt.’ Natuurlijk deed hij er verstandig aan om zijn oordeel op te schorten over een zaak die hem duister leek. Maar hieruit blijkt toch duidelijk dat mensen nergens onwankelbaar en beslist zeker van kunnen zijn als ze slechts door de natuur onderwezen worden. Ze zijn dan gebonden aan verwarde uitgangspunten en kunnen alleen een onbekende God aanbidden.

De godsdienst kan niet gebaseerd worden op de mening van mensen

Verder moeten we begrijpen dat ieder die de zuivere godsdienst vervalst, zich afscheidt van de enige God. En dat geldt onontkoombaar voor ieder die zich overlevert aan zijn eigen mening. Je kunt wel beweren dat je iets heel anders in gedachten hebt. Maar wat je bedoelt of wat je jezelf wijsmaakt, doet er niet toe. Want de Heilige Geest verklaart dat iedereen afvallig is die in de duisternis van zijn geest demonen de plaats van God laat innemen.

Daarom zegt Paulus dat de Efeziërs zonder God waren, totdat ze uit het evangelie hadden geleerd wat het inhield om de echte God te dienen. Efeziërs 2:12-13 En dit moeten we niet tot slechts één volk beperken. Want ergens anders verzekert Paulus in het algemeen dat alle stervelingen dwaas gemaakt waren in hun overwegingen, nadat hun in het bouwwerk van de wereld de majesteit van de schepper geopenbaard was. Romeinen 1:21

Om plaats te maken voor de enige echte God, veroordeelt de Schrift daarom elke god die ooit onder de heidenen vereerd werd, als vals en namaak. Er blijft er niet één over, behalve op de berg Sion. Daar floreerde de bijzondere kennis van God. Habakuk 2:18-20

In de tijd van Christus leken van de heidenen ongetwijfeld de Samaritanen echte vroomheid nog het dichtst te benaderen. Maar toch horen we uit Christus’ mond dat zij niet wisten wat ze dienden. Johannes 4:22 Dat betekent dus dat ze bedrogen werden door een onzinnige dwaling.

Ten slotte – niet iedereen heeft zich aan grove schendingen schuldig gemaakt. Niet iedereen is tot openlijke afgodendienst vervallen. Maar toch is er nooit een zuivere en degelijke godsdienst geweest die alleen maar gebaseerd is op de publieke opinie. Want hoewel een enkeling niet meedeed met de dwaasheid van de massa, heeft Paulus toch gelijk als hij leert dat Gods wijsheid door de machthebbers van deze wereld niet begrepen wordt. 1 Korinthiërs 2:8 En als de allerbesten in duisternis gedwaald hebben, wat zullen we dan zeggen van het gepeupel?

Daarom is het geen wonder als de Heilige Geest alle godsdiensten verwerpt die mensen naar eigen inzicht hebben verzonnen, omdat het ontaarde vormen van godsdienst zijn. Want als het om de hemelse mysteries gaat, brengt elke menselijke mening dwalingen voort, zelfs al is het niet altijd een even grote berg. En ook al wordt het niet erger dan dat, dan is het toch een grote schending om op goed geluk een onbekende God te aanbidden. Handelingen 17:23 En daaraan maken mensen zich schuldig, volgens Christus zelf, als hun uit de wet niet geleerd is welke God ze moeten dienen. Johannes 4:22

Het is waar dat de beste wetgevers niet verder gegaan zijn dan de godsdienst te baseren op de publieke opinie. Ja, Xenofon beschrijft dat Socrates zelfs het orakel van Apollo prijst, dat voorschreef dat ieder de goden moest dienen zoals de voorvaders dat deden en zoals het in zijn stad de gewoonte was.

Maar hoe komen stervelingen aan het recht om op eigen gezag besluiten te nemen over wat de wereld ver te boven gaat? Of wie kan rust vinden in de wil van de meerderheid of de besluiten van het volk en zonder twijfel een God aannemen die hem door mensen overgeleverd wordt? Ieder gaat toch liever op zijn eigen oordeel af, dan zich aan de uitspraak van een ander te onderwerpen. Het vormt dus een veel te wankele basis voor vroomheid om in het dienen van God de gewoonte van de stad of de publieke opinie uit het verleden te volgen. Daarom blijft als enige mogelijkheid over dat God zelf vanuit de hemel over zichzelf getuigt.

De schepping is onvoldoende om God te leren kennen

Tevergeefs branden er dus in het bouwwerk van de wereld zoveel lampen om ons de glorie van de maker te laten zien. Ze beschijnen ons van alle kanten, maar toch zijn zij alleen niet voldoende om ons op de juiste weg te leiden. Ze wekken vast wel een paar vonkjes op, maar die worden gedoofd voor ze helder licht kunnen geven.

Als de apostel de tijdelijke dingen afbeeldingen noemt van de onzichtbare dingen, voegt hij er daarom meteen aan toe dat we door geloof begrijpen dat ze door het Woord van God tot stand gebracht zijn. Hebreeën 11:3 Daarmee wil hij zeggen dat de onzichtbare God wel door zulke tonelen zichtbaar gemaakt wordt, maar dat wij die met onze ogen niet kunnen doorgronden. Deze tonelen moeten eerst verlicht worden door een openbaring van God in ons, door middel van geloof.

En als Paulus leert dat de schepping van de wereld ons openbaart wat we over God moeten weten, Romeinen 1:19 dan bedoelt hij daarmee niet dat mensen intelligent genoeg zijn om die openbaring ook te begrijpen. Hij laat juist zien dat die openbaring er alleen maar voor zorgt dat mensen geen excuus hebben. En ergens anders zegt hij wel dat God niet ver weg is, omdat Hij in ons woont. Handelingen 17:27 Maar in weer een andere passage leert hij ook wat het doel is van die nabijheid. In vroegere tijden, zegt hij, heeft de Heer de heidenen hun eigen gang laten gaan. Maar toch liet Hij niet na om goed te doen. Hij gaf regen uit de hemel, Hij gaf vruchtbare tijden en Hij gaf de mensen een overvloed aan eten en vreugde. Handelingen 14:16-17

God heeft dus geen getuige meer nodig. Want door talrijke blijken van zijn welwillendheid heeft hij de mensen op allerlei manieren gelokt om Hem te leren kennen. Maar toch houden zij niet op hun eigen gang te gaan en hun dodelijke dwalingen te volgen.

We hebben geen excuus om God niet te kennen

Onze natuurlijke vermogens schieten dus heel erg tekort om een zuivere en heldere kennis van God te kunnen bereiken. Maar omdat onze ongevoeligheid onze eigen schuld is, hebben we toch geen enkel excuus. Immers, telkens als we doen alsof we onwetend zijn, overtuigt ons geweten ons ervan dat we nalatig en ondankbaar zijn.

Dat is me nog eens een acceptabele verdediging, als een mens beweert dat hij met zijn oren de waarheid niet kan horen, terwijl stomme schepselen met hun stemmen die waarheid wel heel helder kunnen verkondigen! Of als een mens aanvoert dat hij met zijn ogen niet kan zien wat bewezen wordt door schepselen die geen ogen hebben! Of wanneer hij zich verontschuldigt voor zijn zwakke verstand, terwijl alle redeloze schepselen hem onderwijzen!

Daarom is het terecht dat alle denkbare verontschuldigingen ons ontnomen worden. Want wij verdwalen en raken het spoor bijster, terwijl alles ons de juiste weg wijst. Het wonderbare kunstwerk van de natuur strooit in de geest van de mensen de kiem van de godskennis. Maar het is aan hun eigen gebrekkigheid te wijten dat die kiem snel bederft en geen goede vrucht oplevert.

Toch is het ook waar dat dit eenvoudige getuigenis dat de schepselen zo schitterend geven over Gods roem absoluut onvoldoende is om ons te onderwijzen. We bekijken de wereld wel, maar zodra we daardoor een klein slokje van Gods bestaan geproefd hebben, richten we waandenkbeelden en verzinsels van ons eigen brein op. Die stellen we in plaats van de echte God en we negeren Hem. Niet de bron van rechtvaardigheid, wijsheid, goedheid en macht loven we, maar iets anders. En wat Hij elke dag weer voor ons doet, verstoppen we. Of we verdraaien het en schatten het niet op waarde. We ontdoen zijn daden van hun glorie en beroven Hemzelf van de lof die we Hem verschuldigd zijn.

Voetnoten

  1. 45

    Claudius Galenus (129-199), arts in Rome.

  2. 46

    Aratus († 240 v. Chr.), Griekse dichter.

  3. 47

    Aristoteles (384-322 v. Chr.), Griekse filosoof.

  4. 48

    Aristoteles, Peri psyches II, 1.

  5. 49

    Publius Vergilius Maro (70-19 v. Chr.), Romeinse dichter.

  6. 50

    Vergilius, Aeneis VI, 724-730.

  7. 51

    Vergilius, Georgica IV, 219-227.

  8. 52

    Titus Lucretius Carus (†55 v. Chr.), Romeinse dichter en filosoof.

  9. 53

    Lucretius, De rerum natura, 1,54-79.

  10. 54

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 144.

  11. 55

    Augustinus, De civitate Dei I, 8.

  12. 56

    Plato, Timaios.

  13. 57

    Simonides (556-468 v. Chr.), Griekse dichter.

  14. 58

    Hiero I († 466 v. Chr.), tiran van Syracuse.

  15. 59

    Cicero, De natura deorum I, 22,60.

  16. 60

    Xenofon (†354 v. Chr.), Griekse auteur.

  17. 61

    Socrates (†399 v. Chr.), Griekse filosoof.

  18. 62

    Xenofon, Apomnemoneumata I, 3,1.

Voetnoot 45

Claudius Galenus (129-199), arts in Rome.

Voetnoot 46

Aratus († 240 v. Chr.), Griekse dichter.

Voetnoot 47

Aristoteles (384-322 v. Chr.), Griekse filosoof.

Voetnoot 48

Aristoteles, Peri psyches II, 1.

Voetnoot 49

Publius Vergilius Maro (70-19 v. Chr.), Romeinse dichter.

Voetnoot 50

Vergilius, Aeneis VI, 724-730.

Voetnoot 51

Vergilius, Georgica IV, 219-227.

Voetnoot 52

Titus Lucretius Carus (†55 v. Chr.), Romeinse dichter en filosoof.

Voetnoot 53

Lucretius, De rerum natura, 1,54-79.

Voetnoot 54

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 144.

Voetnoot 55

Augustinus, De civitate Dei I, 8.

Voetnoot 56

Plato, Timaios.

Voetnoot 57

Simonides (556-468 v. Chr.), Griekse dichter.

Voetnoot 58

Hiero I († 466 v. Chr.), tiran van Syracuse.

Voetnoot 59

Cicero, De natura deorum I, 22,60.

Voetnoot 60

Xenofon (†354 v. Chr.), Griekse auteur.

Voetnoot 61

Socrates (†399 v. Chr.), Griekse filosoof.

Voetnoot 62

Xenofon, Apomnemoneumata I, 3,1.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.