Boek I · Hoofdstuk 7

Het gezag van de Schrift

Inhoud van dit hoofdstuk · 5 secties
  1. 1Het gezag van de Schrift berust niet op het oordeel van mensen
  2. 2De kerk is gefundeerd op de Schrift, niet andersom
  3. 3Augustinus’ opvattingen over het gezag van de Schrift
  4. 4De Heilige Geest getuigt in het hart dat de Schrift betrouwbaar is
  5. 5Het getuigenis van de Heilige Geest biedt meer zekerheid dan welk argument ook

Het gezag van de Schrift berust niet op het oordeel van mensen

Maar voordat ik verder ga, is het de moeite waard om eerst iets zeggen over het gezag van de Schrift. Want we moeten bereid zijn de Schrift te eerbiedigen. Elke twijfel aan het gezag van de Schrift moet daarom worden weggenomen. Immers, als we eenmaal hebben vastgesteld dat in de Schrift inderdaad God zelf aan het woord is, dan zal toch niemand zo afschuwelijk brutaal zijn om geen geloof te hechten aan wat Hij zegt. Anders zou zo iemand waarschijnlijk totaal geen gezond verstand hebben.

God spreekt niet dagelijks uit de hemel tot ons. De Schriften vormen het enige middel dat de Heer gegeven heeft om zijn waarheid voor eeuwig in onze herinnering te laten voortleven. Daardoor berust het gezag van de Schrift op geen enkel recht. Ze krijgt bij de gelovigen alleen haar volle gezag als zij geloven dat de Schrift uit de hemel is uitgestort, net alsof ze Gods stem zelf uit de hemel hadden horen klinken.

Dit is iets dat ongetwijfeld belangrijk genoeg is om uitgebreider te behandelen en goed over na te denken. Maar de lezers zullen het mij niet kwalijk nemen als ik vooral let op wat past bij de systematische indeling van mijn werk en minder rekening houdt met wat nodig is gezien het belang van dit onderwerp.

Bij heel veel mensen heeft een zeer kwalijke dwaling de overhand gekregen: de Schrift zou niet meer betekenis hebben dan waar de kerk mee instemt. Alsof Gods eeuwige en onaantastbare waarheid gebaseerd zou zijn op het oordeel van mensen! Want ze bespotten de Heilige Geest enorm als ze vragen: ‘Zou iemand ons kunnen laten geloven dat deze dingen van God komen? Zou iemand ons kunnen garanderen dat ze ongeschonden en ongewijzigd gebleven zijn tot in onze tijd? Zou iemand ons ervan kunnen overtuigen dat we het ene boek met eerbied moeten aannemen en het andere van de lijst moeten afvoeren, als de kerk daar geen vaste regel voor vaststelde?’

Met hoeveel eerbied we de Schrift moeten behandelen en welke boeken tot de canon behoren, zo zeggen ze, hangt dus af van wat de kerk bepaalt. Zo gebruiken die godslasterlijke mensen de kerk als voorwendsel om een ongeremde tirannie in te voeren. Daarbij maakt het hun niets uit in wat voor onzin ze zichzelf en anderen verstrikken. Als ze simpele zielen maar kunnen wijsmaken dat de kerk alles kan en mag.

Maar als dat zo is, hoe moet het dan met ongelukkige mensen die in hun geweten zoeken naar de vaste zekerheid van het eeuwige leven, als de beloften daarover alleen gefundeerd zijn op het oordeel van mensen? Als ze zo’n antwoord krijgen, zal dat voorkomen dat ze nog langer angstig heen en weer geslingerd worden?

Bovendien, wat zullen goddelozen spotten met ons geloof, met wat voor argwaan zullen alle mensen het behandelen, als we geloven dat het hooguit een twijfelachtig gezag heeft, afhankelijk van menselijke willekeur!

De kerk is gefundeerd op de Schrift, niet andersom

Maar zulk gekibbel wordt door een woord van de apostel Paulus al uitstekend weerlegd. Hij verklaart dat de kerk gebouwd wordt op het fundament van de profeten en de apostelen. Efeziërs 2:20 Als de leer van de profeten en de apostelen het fundament van de kerk vormt, dan moet al vaststaan dat deze leer waar is, vóórdat het bestaan van de kerk begint. En je moet daar niet de draak mee steken door te beweren dat de kerk wel ontstaan is uit deze leer, maar dat het toch maar de vraag blijft wat aan de profeten en de apostelen moet worden toegeschreven, als de kerk geen knopen doorhakt.

Want als de christelijke kerk vanaf het begin gefundeerd is op de geschriften van de profeten en de prediking van de apostelen, dan moet die leer erkend zijn vóórdat de kerk ontstond. Want zonder die erkenning zou de kerk nooit bestaan hebben. Het fundament komt immers vóór het huis. Het is dus grote onzin dat de macht om over de Schrift te oordelen berust bij de kerk. We hoeven niet te denken dat de zekerheid van de Schrift afhangt van wat de kerk bepaalt.

Als de kerk de Schrift aanvaardt en er haar instemming mee betuigt, dan wordt de Schrift daardoor dus niet van twijfelachtig of aanvechtbaar opeens betrouwbaar. De kerk erkent slechts dat de Schrift Gods waarheid is. En daarom aarzelt ze niet om de Schrift te eerbiedigen, uit vrome gehoorzaamheid.

De mensen die dwalen, vragen: ‘Wat zou ons ervan kunnen overtuigen dat de Schrift door God is uitgestort, als we niet kunnen terugvallen op een besluit van de kerk?’ Maar dat is hetzelfde als vragen hoe we het licht kunnen onderscheiden van het donker, hoe we wit kunnen onderscheiden van zwart of hoe we zoet kunnen onderscheiden van bitter. Want de waarheid van de Schrift blijkt net zo duidelijk uit de Schrift zelf, als uit de kleur of de smaak vanzelf blijkt of iets wit of zwart, of zoet of bitter is.

Augustinus’ opvattingen over het gezag van de Schrift

Ik weet wel dat er vaak een uitspraak wordt aangehaald van Augustinus, waarin hij zegt dat hij het evangelie niet zou geloven als het gezag van de kerk hem er niet toe had bewogen. Maar deze uitspraak wordt helemaal verkeerd aangehaald. Uit de context kun je gemakkelijk opmaken dat men de betekenis verdraait.

Augustinus had te maken met de manicheeërs. Die wilden zonder tegenspraak geloofd worden. Ze verzekerden wel dat zij de waarheid hadden, maar ze bewezen dat niet. Om de geloofwaardigheid van hun leermeester Mani te versterken, grepen ze naar het evangelie. En daarom vraagt Augustinus hun wat ze zouden doen als ze iemand tegenkwamen die zelfs het evangelie niet geloofde. Met wat voor argumenten zouden ze zo iemand overtuigen van hun gelijk?

En dan voegt hij daaraan toe: ‘Ik zou het evangelie in elk geval niet geloven als het gezag van de kerk mij er niet toe had bewogen.’ Daarmee geeft hij aan dat – toen het geloof hem nog onbekend was – alleen het gezag van de kerk hem had kunnen overhalen om het evangelie te omhelzen als Gods zekere waarheid. Niets anders had hem daartoe kunnen brengen. Het is immers geen wonder als iemand die Christus nog niet heeft leren kennen, waarde hecht aan wat mensen zeggen?

Augustinus leert hier dus niet dat het geloof van de vromen gebaseerd is op het gezag van de kerk. Hij bedoelt niet dat de zekerheid van het evangelie daarvan afhangt. Hij zegt simpelweg dat ongelovigen de zekerheid van het evangelie nooit zouden krijgen en dus nooit voor Christus gewonnen zouden worden, als ze niet werden overgehaald doordat de kerk eensgezind het evangelie aanvaardt.

Even later bevestigt hij dat ook duidelijk. Want dan zegt hij: ‘Als ik mijn geloof prijs en jullie geloof uitlach, waar denk je dan waarop wij ons oordeel baseren? Wat moeten we doen? We moeten toch afstand nemen van mensen die ons eerst uitnodigen om dingen te geloven die zeker zijn, maar ons later opdragen om dingen te geloven die helemaal niet zeker zijn? En we moeten toch de mensen volgen die ons eerst uitnodigen om dingen te geloven die wij dan nog niet kunnen bevatten, maar die we later steeds beter gaan begrijpen, omdat ons geloof steeds sterker wordt, niet doordat mensen, maar doordat God zelf in ons onze geest versterkt en verlicht?’

Dit zijn óók woorden van Augustinus. En iedereen kan hieruit opmaken dat het niet de bedoeling van deze heilige man was om ons geloof in de Schrift afhankelijk te maken van het willekeurige oordeel van de kerk. Hij wilde alleen maar dezelfde waarheid doorgeven als ik: mensen die nog niet door Gods Geest verlicht worden, worden er door eerbied voor de kerk toe gebracht om het geloof in Christus uit het evangelie te willen leren. Op die manier vormt het gezag van de kerk een soort introductie. Het bereidt ons erop voor om het evangelie te geloven. Want we zullen zien dat hij de zekerheid van de vromen op een heel ander fundament wil laten rusten.

Aan de andere kant ontken ik niet dat hij de manicheeërs vaak tegenwerpt dat heel de kerk het eens is. Ook op die manier wil hij bewijzen dat de Schrift, die zij verwerpen, waar is. Vandaar dat hij Faustus verwijt dat die zich niet onderwerpt aan de waarheid van het evangelie, terwijl dat evangelie zo’n sterk fundament heeft, zo stevig verankerd is, zo’n goede naam heeft en sinds de tijd van de apostelen ononderbroken is aanbevolen.

Maar nergens wil hij leren dat het gezag dat wij aan de Schrift toekennen, afhangt van wat mensen bepalen of besluiten. Hij voert gewoon een argument aan dat in deze zaak heel veel overtuigingskracht heeft. Want als het om het oordeel van de kerk ging, stond hij sterker dan zijn tegenstanders.

Als iemand hier een completer bewijs van verlangt, dan moet hij maar Augustinus’ geschrift Over het nut van geloven5lezen. Dan zal hij ontdekken dat Augustinus geloven zelf niet gemakkelijker wil maken, maar alleen de toegang tot geloven. Hij wil een geschikt beginpunt voor het onderzoek, zoals hij zelf zegt. Maar we moeten onze rust niet zoeken in een mening. We moeten steunen op de zekere en betrouwbare waarheid.

De Heilige Geest getuigt in het hart dat de Schrift betrouwbaar is

We moeten begrijpen dat – zoals ik zo-even zei – de leer pas betrouwbaar is, als we er zeker van kunnen zijn dat God zelf de auteur is van die leer. Het belangrijkste bewijs dat de Schrift waar is, komt daarom van God zelf persoonlijk. Hij spreekt in de Schrift. De profeten en de apostelen beroemen zich er niet op dat ze zelf zoveel weten. Ze beroemen zich ook niet op iets anders, om wat ze zeggen geloofwaardig te maken. Ze houden zich ook niet bezig met rationele argumenten. Ze komen alleen aan met Gods heilige naam. Dat moet genoeg zijn om heel de wereld tot gehoorzaamheid te dwingen.

Nu moeten we zien dat zij zich niet zómaar op Gods naam beriepen. Het was geen bedrog dat ze dat deden. Dat is niet slechts een plausibele opvatting. Het is de zuivere waarheid. Ik wil zorgvuldig omgaan met het geweten van mensen. Ik wil niet dat ze voortdurend op drift raken door twijfel en geen vaste grond onder de voeten hebben. Daarom moeten we de basis voor deze overtuiging dieper zoeken dan redeneringen, meningen of vermoedens van mensen. We moeten die zoeken in het verborgen getuigenis van de Geest.

Weliswaar zou ik veel argumenten kunnen aanvoeren, als ik dat zou willen. Daarmee zou ik gemakkelijk kunnen bewijzen dat – als er een God in de hemel is – de wet en de profetieën en het evangelie van Hem afkomstig zijn. Veel geleerde en hoogbegaafde mannen verzetten zich daartegen. Alle mogelijkheden die hun verstand hun biedt, zetten ze in in deze strijd. Maar als ze zich niet hopeloos onbeschaamd verhard hebben, kunnen ze er niet omheen dat er duidelijke aanwijzingen in de Schrift te vinden zijn dat het God is die spreekt. Daaruit blijkt dat de leer van de Schrift een hemelse leer is. En straks zullen we zien dat alle boeken van de Heilige Schrift heel ver uitsteken boven alle mogelijke andere geschriften. Ja, als we ons met zuivere ogen en een onbedorven verstand tot de Schrift richten, dan zal de majesteit van God ons meteen tegemoet komen. Die zal ons brutale verzet breken en ons dwingen tot gehoorzaamheid.

Toch is het het paard achter de wagen dat sommigen hun best doen om in discussies de betrouwbaarheid van de Schrift aan te tonen.

Zelf ben ik niet heel gevat of rap van tong. Maar toch zou ik het vol vertrouwen opnemen tegen de meest sluwe verachters van God. Ze willen graag heel slim en geestig lijken in het ondermijnen van de Schrift, maar het zou voor mij niet moeilijk zijn hun rumoerige stemmen tot zwijgen te brengen. En als het de moeite waard zou zijn hun gespot te weerleggen, zou het me weinig inspanning kosten om de verwaande praatjes te ontzenuwen die zij in hun schuilhoeken mompelen.

Maar als we het heilige Woord van God bevrijden van de lastertaal van mensen, zal ons hart nog niet meteen de zekerheid kennen die nodig is om vroom te zijn. Goddeloze mensen denken dat godsdienst slechts gebaseerd is op een mening. Ze willen niet dom of lichtgelovig zijn en daarom eisen ze dat met argumenten wordt aangetoond dat Mozes en de profeten namens God gesproken hebben. En toch is mijn antwoord dat je aan het getuigenis van de Geest meer hebt dan aan welk rationeel argument ook. In het Woord hebben we aan God alleen genoeg als getuige. Daarom zal dat Woord ook pas door de mensen geloofd worden als het door het innerlijke getuigenis van de Geest in het hart bekrachtigd wordt. Dezelfde Geest dus, die door de mond van de profeten gesproken heeft, moet in ons hart doordringen. Hij moet ons er zelf van overtuigen dat die profeten trouw uitgesproken hebben wat hun door God was opgedragen.

Jesaja heeft dit verband heel mooi uitgedrukt in de volgende woorden: ‘Mijn Geest, die op jullie is, en mijn woorden, die Ik in jullie mond gelegd heb en in de mond van jullie nakomelingen, zullen in eeuwigheid niet wijken.’ Jesaja 59:21 Sommige goede mensen vinden het jammer dat ze geen duidelijk bewijs bij de hand hebben als goddelozen ongestraft tekeergaan tegen Gods Woord. Alsof de Geest geen zegel en waarborg genoemd wordt van het geloof van de vromen. 2 Korinthiërs 1:22 Juist omdat ze steeds heen en weer geslingerd worden door hun vele twijfels, zolang Hij hun verstand niet verlicht.

Het getuigenis van de Heilige Geest biedt meer zekerheid dan welk argument ook

Dit moet dus voor altijd vaststaan: wie in zijn hart door de Heilige Geest onderwezen is, vindt volledig rust in de Schrift. De betrouwbaarheid van de Schrift is gebaseerd op de Schrift zelf. Daarom kan zij niet onderworpen worden aan rationele argumenten of redeneringen. Dat we aan de Schrift toch niet hoeven te twijfelen, komt door het getuigenis van de Geest. De Schrift is zo verheven dat we vanzelf wel eerbied voor haar krijgen. Maar we worden pas echt door de Schrift gegrepen als de Geest haar in ons hart bekrachtigt.

Als de Geest ons verlicht, geloven we niet meer op grond van ons eigen oordeel, of op grond van het oordeel van anderen, dat de Schrift van God komt. Dan concluderen we dat het absoluut zeker is dat de Schrift – door de dienst van mensen – uit Gods eigen mond naar ons toe gekomen is. Het is alsof we in haar Gods eigen majesteit kunnen zien. Dan zoeken we niet naar bewijzen of naar plausibele verklaringen, waarop we ons oordeel kunnen baseren. We onderwerpen ons oordeel en inzicht aan de Schrift, omdat die zich aan al ons giswerk onttrekt.

En dan doen we niet zoals sommige mensen soms een onbekende zaak omarmen en zich er dan later – als ze doorkrijgen hoe het werkelijk zit – weer van afkeren. Want wij zijn ons er heel goed van bewust dat we de onoverwinnelijke waarheid kennen. We doen ook niet zoals de ongelukkige mensen die hun verstand uitleveren aan bijgeloof. Want we merken dat in de Schrift Gods kracht leeft en ademt. Die is niet vatbaar voor twijfel. Met ons verstand en onze wil worden wij door die kracht getrokken en aangestoken. Ja, onze wil en ons verstand worden door die kracht vuriger en effectiever bezield dan de menselijke wil en het menselijk verstand zelf hadden gekund.

Volledig terecht roept God daarom via Jesaja dat de profeten met heel het volk zijn getuigen zijn. Jesaja 43:10 Want zij wisten zeker dat God gesproken had, zonder leugen of dubbelzinnigheid. Daar hoefden ze niet aan te twijfelen, want dat hadden ze geleerd uit Gods voorzeggingen. Zo gaat het dus als je ergens zo van overtuigd bent, dat je geen rationele argumenten nodig hebt. Zo gaat het dus als je iets zo zeker weet, dat je zelfs met het beste verstand daarop durft bouwen. Immers, in dit geloof vindt het verstand meer rust en een steviger fundament dan in welk rationeel argument ook. Ten slotte, zo gaat het als je iets zo diep beseft, dat het je wel uit de hemel geopenbaard moet zijn.

Wat ik zeg, merkt iedere gelovige bij zichzelf. Alleen schieten mijn woorden ernstig tekort om dit te kunnen uitleggen zoals het hoort. Meer zeg ik er nu niet over, omdat ik ergens anders opnieuw de gelegenheid zal krijgen om dit onderwerp te behandelen.

Nu hoeven we alleen te weten dat geloof pas echt geloof is, als Gods Geest het in ons hart bekrachtigt. Een bescheiden en ontvankelijke lezer zal tevreden zijn met dit ene argument: Jesaja belooft dat alle kinderen van de vernieuwde kerk leerlingen van God zullen zijn. Jesaja 54:13 Dat is een bijzonder voorrecht, dat God alleen waard keurt aan de uitverkorenen, die Hij van heel het menselijk geslacht apart zet. Immers, hoe begint de ware leer anders, dan met onze hunkerende begeerte om Gods stem te horen? Maar God eist – via de mond van Mozes – dat wij naar Hem luisteren. Want er staat geschreven: ‘Zeg niet in je hart: wie zal opstijgen naar de hemel, of wie zal afdalen in de afgrond? Kijk, het woord is in je mond.’ Deuteronomium 30:12-14

Als God deze schat aan kennis heeft willen reserveren voor zijn kinderen, dan is het niet verwonderlijk of vreemd als de grote massa van de mensen zo onwetend en dom blijkt te zijn. Tot de grote massa reken ik ook de meest vooraanstaande mensen, zolang ze niet ingelijfd zijn in het lichaam van de kerk. Daar komt nog bij dat Jesaja vermeldt dat niet alleen buitenstaanders de leer van de profeet moeilijk konden geloven. De Joden zagen zichzelf als Gods kinderen. Maar ook voor hen was het moeilijk. En dan voert Jesaja daar als reden voor aan dat niet aan iedereen de arm van God geopenbaard zal worden. Jesaja 53:1 Elke keer als we ons in verwarring gebracht voelen omdat er zo weinig gelovigen zijn, moeten we dus bedenken dat niemand Gods mysteries begrijpt. Alleen degenen aan wie het gegeven is – zij begrijpen die.

Voetnoten

  1. 63

    Mani († 274).

  2. 64

    Augustinus, Contra epistulam fundamenti, 5.

  3. 65

    Augustinus, Contra epistulam fundamenti, 14.

  4. 66

    Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XXXII.

  5. 67

    Augustinus, De utilitate credendi.

Voetnoot 63

Mani († 274).

Voetnoot 64

Augustinus, Contra epistulam fundamenti, 5.

Voetnoot 65

Augustinus, Contra epistulam fundamenti, 14.

Voetnoot 66

Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XXXII.

Voetnoot 67

Augustinus, De utilitate credendi.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.