Boek I · Hoofdstuk 8

De betrouwbaarheid van de Schrift

Inhoud van dit hoofdstuk · 13 secties
  1. 1Dat de Schrift van God komt, blijkt uit de Schrift zelf
  2. 2Soms gebruikt de Schrift een mooie stijl en soms juist niet
  3. 3De Schrift is ouder dan elk ander religieus geschrift
  4. 4Mozes zegt niet wat hem zelf goed uitkomt, maar wat de Geest hem opdraagt
  5. 5Het gezag van Mozes werd bevestigd door wonderen
  6. 6De wonderen van Mozes waren echt
  7. 7Mozes’ voorzeggingen zijn uitgekomen
  8. 8De voorzeggingen van andere profeten zijn ook uitgekomen
  9. 9De wet is altijd wonderlijk bewaard
  10. 10De wet en de profeten hebben allerlei moeilijkheden overleefd
  11. 11De betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament
  12. 12Het gezag van de Schrift is door allerlei volken aanvaard
  13. 13Het gezag van de Schrift wordt bevestigd door het bloed van de martelaren

Dat de Schrift van God komt, blijkt uit de Schrift zelf

Deze zekerheid is dus sterker dan elk menselijk oordeel. Als deze zekerheid ontbreekt, is het vergeefse moeite om het gezag van de Schrift met bewijzen te verdedigen of te baseren op de algemene instemming van de kerk of met andere hulpmiddelen te ondersteunen. Als dit fundament niet gelegd is, zal dat gezag altijd twijfelachtig blijven.

Maar aan de andere kant – de dingen die weinig waarde hebben als het erom gaat de zekerheid van de Schrift in onze ziel te planten en te laten wortelen – diezelfde dingen blijken juist heel geschikte hulpmiddelen als we de Schrift eenmaal vroom omarmd hebben en erkennen dat de Schrift buiten de gewone orde valt. Want we worden bijzonder versterkt als we ijverig en toegewijd onderzoeken hoe goed geordend de goddelijke wijsheid in de Schrift wordt uitgedeeld. We ontdekken een door en door hemelse leer, absoluut onaards. We zien dat alle afzonderlijke delen schitterend met elkaar overeenstemmen. En meer van dat soort dingen, die bijdragen aan de verhevenheid van de Schriften.

Maar ons hart wordt nog meer versterkt als we bedenken dat onze bewondering voor de Schrift niet te danken is aan mooie woorden, maar aan de imponerende onderwerpen. Want door Gods buitengewone voorzienigheid werden de grootse mysteries van het hemelse koninkrijk voor een groot deel verteld in alledaagse en eenvoudige woorden. Zou er meer welsprekendheid gebruikt zijn, dan zouden goddelozen zeggen dat de kracht van de Schrift alleen in de welsprekendheid lag. Maar nu wekt de onbeschaafde, haast ruwe eenvoud een grotere eerbied voor de Schrift op dan welsprekendheid van redenaars ooit zou kunnen. Wat mogen we daaruit anders concluderen dan dat de waarheid van de Heilige Schrift zo machtig is dat zij geen woordkunst nodig heeft?

Niet voor niets wijst de apostel Paulus er dus op dat het geloof van de Korinthiërs niet gebaseerd was op menselijke wijsheid, maar op Gods kracht. Want zij hadden zijn prediking niet aangenomen omdat hij zo overtuigend had gesproken met woorden vol menselijke wijsheid, maar omdat de kracht van de Geest zich liet zien. 1 Korinthiërs 2:4-5 Want de waarheid wordt tegen alle twijfels beschermd als ze niet steunt op hulp van anderen, maar aan zichzelf genoeg heeft om overeind te blijven.

Hierin is de Schrift heel speciaal. Menselijke geschriften kunnen nog zo meesterlijk gepolijst zijn – niet een is er in staat ons net zo aan te grijpen als de Schrift dat kan. Lees Demosthenes of Cicero, lees Plato, Aristoteles of anderen, wie je maar wilt van dat stel. Ze zullen je – dat geef ik toe – bijzonder aantrekken, laten genieten, ontroeren, meeslepen. Maar als je daarna gaat lezen in de Heilige Schrift, dan zal die – of je wilt of niet – je zo sterk aangrijpen, zo diep in je hart doordringen, zich zo in merg en been nestelen, dat daarbij vergeleken die redenaars en filosofen vrijwel in het niets oplossen. Daarom is gemakkelijk te zien dat de Heilige Schriften iets goddelijks ademen. Want ze gaan alles wat mensenwerk voor aantrekkelijks te bieden heeft ver te boven.

Soms gebruikt de Schrift een mooie stijl en soms juist niet

Ik geef toe dat sommige profeten een mooie en elegante, ja zelfs een schitterende manier van spreken hebben. Hun welsprekendheid doet niet onder voor die van heidense schrijvers. Door dergelijke voorbeelden heeft de Heilige Geest willen aantonen dat Hij wel degelijk in staat was tot welsprekendheid, ook al gebruikte Hij ergens anders een eenvoudige en grove stijl. Maar of je nu de lieflijk en aangenaam vloeiende woorden van David, Jesaja en anderen leest, of de meer ruwe plattelandstaal van Amos de veeherder, Jeremia en Zacharia – overal zul je de majesteit van de Geest ontdekken, zoals ik hiervóór zei.

Ook is mij bekend dat Satan in veel dingen God imiteert. Door op een bedrieglijke manier op God te lijken, wil hij gemakkelijker toegang krijgen tot de zielen van eenvoudigen. Daarom heeft ook hij de goddeloze dwalingen waarmee hij de ongelukkige mensen bedroog, sluw verpakt in onbeschaafde en bijna barbaarse taal. Vaak heeft hij alledaagse spreektaal gebruikt als een masker om zijn bedrog mee te verhullen. Maar ieder die een beetje verstand gekregen heeft, ziet hoe leeg en weerzinwekkend zijn aanstellerij is.

Wat de Heilige Schrift betreft, brutale mensen proberen veel op haar af te dingen. Toch staat vast dat ze vol staat met uitspraken die niet door mensen bedacht kunnen zijn. Welke profeet je ook inkijkt, je vindt er niet een die niet ver is uitgestegen boven de menselijke maat. Als iemand hun leer smakeloos vindt, dan kan het dus niet anders of hij heeft helemaal geen smaak.

De Schrift is ouder dan elk ander religieus geschrift

Anderen hebben dit onderwerp al uitvoerig behandeld. Daarom hoef ik nu alleen maar kort enkele punten aan te stippen die van belang zijn voor het onderwerp als geheel. Naast wat ik al besproken heb, vormt ook de ouderdom van de Schrift een sterk argument. Griekse schrijvers vertellen veel over de Egyptische theologie. Toch bestaat er geen enkel religieus geschrift voor welke godsdienst ook dat niet van veel latere datum is dan Mozes. En ook Mozes verzint geen nieuwe God. Hij vertelt alleen wat de Israëlieten tijdens een lange periode over de eeuwige God van mond tot mond overgeleverd hadden gekregen van hun voorvaders.

Mozes doet immers niets anders dan de Israëlieten terugroepen tot het verbond met Abraham. Genesis 15:18; 17:17 Als hij gekomen was met iets dat ze nog nooit gehoord hadden, dan hadden ze niet naar hem geluisterd. Maar hun bevrijding uit de slavernij moet bij hen zo’n bekend en normaal onderwerp geweest zijn, dat het hen bemoedigde zodra ze het hoorden noemen. Het is zelfs waarschijnlijk dat het aantal van vierhonderd jaar Genesis 15:13 hen bekend was.

Bedenk nu eens hoever de Heilige Schrift qua ouderdom uitsteekt boven alle andere geschriften, als Mozes – zelf al veel ouder dan alle andere schrijvers – zijn leer ontleent aan een overlevering die nog zoveel verder teruggaat!

Mozes zegt niet wat hem zelf goed uitkomt, maar wat de Geest hem opdraagt

Of je moet de Egyptenaren willen geloven, die het begin van hun beschaving nog zesduizend jaar voor de schepping van de wereld dateren. Maar ook heidense schrijvers lachten hen uit om hun geleuter. Voor mij is er dus geen reden om de moeite te nemen hen te weerleggen. Flavius Josephus haalt echter in zijn geschrift Tegen Apion interessante getuigenissen aan uit de oudste schrijvers. Uit die getuigenissen kunnen we opmaken dat alle volken het erover eens waren dat de leer van de wet al heel vroeg beroemd is geweest, ook al werd de wet niet gelezen en kenden ze de leer niet echt.

Misschien dat kwaadwillende mensen argwaan zouden blijven koesteren of dat verdorven lieden aanknopingspunten zouden zien voor uitvluchten. Maar voor die beide gevaren heeft God een uitstekende remedie. Als Mozes vertelt wat Jacob driehonderd jaar eerder door een ingeving uit de hemel gezegd heeft over zijn nakomelingen – geeft Mozes dan hoog op van zijn eigen stam? Nee, hij brandmerkt die met eeuwige schande in de persoon van Levi. Hij zegt: ‘Simeon en Levi zijn instrumenten van geweld. Laat mijn ziel niet deelnemen aan hun overleg en mijn tong niet aan hun geheim beraad.’ Genesis 49:5-6 Natuurlijk had Mozes die schande kunnen verzwijgen. Hij had zijn voorvader kunnen sparen en had zichzelf en zijn hele familie niet hoeven bezoedelen met een aandeel in diezelfde schande. Hoe kunnen we hem dan wantrouwen? Uit eigen beweging verklaart hij dat de stamvader van zijn familie volgens een uitspraak van de Heilige Geest verwerpelijk was. Hij redt zijn eigen hachje niet en weigert niet om zich gehaat te maken bij zijn stamgenoten. Voor hen was dit immers ongetwijfeld onaangenaam.

Ook vermeldt hij het goddeloze gemor van zijn broer Aäron en zijn zus Mirjam. Numeri 12:1 Spreekt hij dan naar zijn vleselijke aard of is hij gehoorzaam aan het bevel van de Heilige Geest?

Bovendien, hij was de hoogste gezagsdrager. Waarom gaf hij dan het recht op het hoogste priesterschap niet aan zijn eigen zonen? Waarom zette hij hen juist op de laagste plaats?

Ik heb slechts enkele punten genoemd. Er zijn er veel meer. In de wet zelf kun je veel argumenten vinden die bewijzen dat je Mozes volledig kunt vertrouwen. Het staat daarom buiten kijf dat hij optreedt alsof hij een engel van God uit de hemel was.

Het gezag van Mozes werd bevestigd door wonderen

Mozes vertelt ook veel bijzondere wonderen. Dat zijn allemaal bevestigingen van de wet die hij gegeven heeft en van de leer die hij heeft bekendgemaakt.

Een wolk nam hem weg op de berg. Veertig dagen lang leefde hij zonder menselijk gezelschap. Exodus 24:18 Toen hij de wet afkondigde, blonk zijn gezicht als de stralen van de zon. Van alle kanten flitste de bliksem. Exodus 34:29 Aan de hemel rommelde de donder. Er klonk een bazuin, zonder dat een mens er met zijn mond op blies. Exodus 19:16 Voor de ingang van de tabernakel bevond zich een wolk, die de ingang voor het volk aan het oog onttrok. Exodus 40:34 Op wonderlijke wijze werd zijn gezag afgedwongen door de ondergang van Korach, Dathan en Abiram en heel hun goddeloze kliek. Numeri 16:24-35 Hij sloeg met zijn staf op de rots en meteen kwam er een stroom water uit. Numeri 20:10-11; Exodus 17:6 Hij bad en het regende manna uit de hemel. Exodus 16:13-15

Heeft God hem door al die dingen niet aanbevolen als een profeet aan wiens woorden niet te twijfelen valt?

Als iemand tegenwerpt dat ik mijn uitgangspunt neem in het punt waar het meningsverschil juist om draait, dan kan ik dat bezwaar gemakkelijk uit de weg ruimen. Mozes heeft dit alles immers publiekelijk voor het volk bekendgemaakt. Hoeveel kans had hij dan om te verzinnen wat er gebeurd was? Er waren ooggetuigen. Moeten we soms geloven dat hij in zijn optreden het volk beschuldigde van ongeloof, koppigheid, ondankbaarheid en andere misdaden en dat hij zich ondertussen in hun aanwezigheid erop beriep dat zijn leer bevestigd werd door wonderen, terwijl zij die wonderen nooit gezien hadden?

De wonderen van Mozes waren echt

Het is namelijk opmerkelijk dat de wonderen waar Mozes over vertelt telkens gepaard gaan met onaangename gebeurtenissen. Heel het volk zou daardoor tot tegenspraak geprikkeld zijn, als daar maar de kleinste aanleiding voor was geweest. Daaruit blijkt dat ze zijn wonderverhalen alleen maar accepteerden omdat ze er door eigen ervaring van overtuigd waren dat die verhalen juist waren.

Het is dus zo duidelijk dat Mozes wonderen gedaan heeft, dat heidense schrijvers dat niet konden ontkennen. Daarom heeft de vader van de leugen hun de laster ingegeven die wonderen aan toverkunsten toe te schrijven. Maar hoe komen ze erop om Mozes ervan te betichten dat hij een tovenaar was? Hij heeft juist een afkeer van dit bijgeloof en beveelt ieder te stenigen die tovenaars en waarzeggers geraadpleegd heeft! Leviticus 20:6

Natuurlijk heeft iedere bedrieger die met goocheltrucs speelt, de bedoeling om de grote massa verstomd te doen staan en zo zelf beroemd te worden. Maar wat doet Mozes? Hij roept uit dat hij en zijn broer Aäron er niet toe doen, maar dat ze slechts uitvoeren wat God heeft opgedragen. Exodus 16:7 Dat is genoeg om deze karikatuur uit te wissen.

Bovendien – als we naar de wonderen zelf kijken – kon hij met tovenarij voor elkaar krijgen dat er dagelijks manna uit de hemel regende, genoeg om het volk te voeden? En dat het bedierf als iemand meer verzamelde dan de bedoeling was, zodat hij leerde dat zijn ongeloof door God bestraft werd? Exodus 16:19-20

Daar komt nog bij dat God toeliet dat zijn knecht vaak zwaar op de proef gesteld werd. Daardoor komen goddelozen nu met hun tegenwerpingen geen stap verder. Telkens kwam heel het volk trots en hoogmoedig tegen hem in opstand. Dan weer spanden sommigen samen in een poging om de heilige dienaar van God aan de kant te zetten. Kon hij met goocheltrucs hun woede afweren? De uitkomst laat duidelijk zien dat zijn leer op die manier voor alle tijden bevestigd is.

Mozes’ voorzeggingen zijn uitgekomen

Trouwens, wie kan ontkennen dat het een profetische inspiratie was, waardoor Mozes de aartsvader Jacob aan de stam Juda het gezag laat toewijzen? Genesis 49:10 De uitkomst bewijst het. Dat blijkt wel als we de zaak eens nader onderzoeken. Stel je eens voor dat Mozes deze voorzegging zelf bedacht had. Vanaf het moment dat hij die opschreef, gaat er vierhonderd jaar voorbij zonder dat er sprake is van een scepter in de stam Juda. Na de inhuldiging van Saul lijkt het erop dat de koninklijke macht bij de stam Benjamin thuishoort. 1 Samuël 11:15 Als David door Samuël wordt gezalfd, welke basis is er dan om die macht over te dragen? Wie had kunnen verwachten dat er uit het onaanzienlijke huis van een veeherder een koning zou voortkomen? En er waren zeven broers – wie zou die eer bestemd hebben voor de jongste? 1 Samuël 16:1-13 En hoe kwam het koninkrijk vervolgens binnen zijn bereik? Wie zou durven beweren dat Davids zalving een gevolg was van de list, de inspanning of het inzicht van mensen in plaats van de vervulling van een voorzegging uit de hemel?

Hetzelfde geldt voor Mozes’ voorzegging – al is die onduidelijk – dat de heidenen in Gods verbond opgenomen zullen worden. Genesis 12:3; Genesis 49:10 Bijna tweeduizend jaar later is dat uitgekomen. Toont dat niet duidelijk aan dat hij door een goddelijke ingeving gesproken heeft?

Ik laat nu andere voorzeggingen liggen, die zo duidelijk een goddelijke openbaring uitstralen, dat het voor mensen met gezond verstand vaststaat dat het God is die spreekt. Ik beperk me tot het lied van Mozes in Deuteronomium 32. Dat lied vormt een heldere spiegel waarin God duidelijk zichtbaar is.

De voorzeggingen van andere profeten zijn ook uitgekomen

Bij de andere profeten is dit echter nog duidelijker zichtbaar. Ik zal slechts een paar voorbeelden uitkiezen. Het zou te veel werk zijn om ze allemaal op te sommen.

In de tijd van Jesaja leefde het koninkrijk Juda in vrede. De Judeeërs dachten dat ze hulp konden vinden bij de Chaldeeën. Maar Jesaja predikte over de ondergang van de stad en over de ballingschap van het volk. Jesaja 39:6-7 We zouden nog kunnen toegeven dat nog niet bewezen is dat God het hem had ingegeven, als hij alleen maar lang van tevoren dingen voorzegde die op het moment zelf nog onvoorstelbaar leken, maar toch uitkwamen. Maar waar kwamen volgens ons dan de voorzeggingen vandaan die hij op hetzelfde moment uitsprak over de verlossing? Waar kwamen die anders vandaan dan van God? Hij noemt Cyrus, Jesaja 45:1 die de Chaldeeën moest verslaan en het volk de vrijheid terug moest geven. Toen de profeet dit voorzegd had, ging er meer dan honderd jaar voorbij voordat Cyrus geboren werd. Want hij is pas zo’n honderd jaar na de dood van de profeet geboren. Niemand kon toen vermoeden dat er ooit een Cyrus zou bestaan die oorlog zou voeren met de Babyloniërs, dat machtige koninkrijk zou onderwerpen en een eind zou maken aan de ballingschap van het volk Israël. Bewijst dit eenvoudige verhaal, zonder mooie woorden, niet duidelijk dat wat Jesaja zegt ontwijfelbare uitspraken van God zijn en geen verzinsels van een mens?

Jeremia stelde kort vóór het volk werd weggevoerd de tijd van de gevangenschap vast op zeventig jaar en kondigde de terugkeer en de vrijheid aan. Jeremia 25:11-12 Moet ook zijn tong daarbij niet door Gods Geest bestuurd zijn?

Wat zou het onbeschaamd zijn om te ontkennen dat het gezag van de profeten door zulke bewijzen bevestigd is! Ze zeggen het zelf en eisen daarmee dat je hun woorden gelooft: ‘Kijk, de dingen van vroeger zijn uitgekomen! Nu verkondig ik nieuwe dingen. Ik laat ze jullie horen voordat ze ontkiemen.’ Jesaja 42:9

Ik heb het nog niet eens over Jeremia en Ezechiël. Ze woonden ver bij elkaar vandaan, maar profeteerden toch in dezelfde tijd. In alles wat ze zeiden, stemden ze zo sterk met elkaar overeen, dat het wel lijkt alsof ze elkaar hun woorden hadden gedicteerd.

En Daniël? Heeft hij geen profetieën opgeschreven over dingen die soms wel zo’n zeshonderd jaar in de toekomst lagen? En dan op een manier dat het wel leek alsof hij de geschiedenis beschreef van dingen die al waren gebeurd en overal bekend waren.

Als vrome mensen deze dingen goed tot zich laten doordringen, zullen ze prima in staat zijn om het geblaf van goddeloze mensen te beteugelen. Want het bewijs is zo duidelijk, dat het geen gespot hoeft te verduren.

De wet is altijd wonderlijk bewaard

Ik weet waarmee sommige blaaskaken dit vanuit hun schuilhoeken willen overschreeuwen. Zij bestrijden Gods waarheid omdat ze willen laten zien hoe slim ze zijn. Daarom vragen ze hoe we zeker kunnen weten dat Mozes en de profeten ook echt zelf de boeken geschreven hebben die op hun naam staan. Ja, zelfs durven ze de vraag te opperen of Mozes wel ooit bestaan heeft. Maar stel dat iemand in twijfel zou trekken of Plato wel ooit bestaan heeft, of Aristoteles, of Cicero. Wie zou dan niet zeggen dat dergelijke onzin met een pak slaag of de zweep bestraft moet worden?

De wet van Mozes is wonderlijk bewaard gebleven. Dat is meer te danken aan de hemelse voorzienigheid dan dat mensen daar hun best voor gedaan hebben. Door de nalatigheid van de priesters is de wet korte tijd begraven geweest. Maar sinds de vrome koning Josia haar teruggevonden heeft, 2 Koningen 22:8-11; 2 Kronieken 34:14-19 hebben mensen eeuwenlang ononderbroken over de wet kunnen beschikken.

Maar ook toen Josia de wet tevoorschijn haalde, was dat niet als iets dat onbekend en nieuw was. De wet was nog steeds algemeen bekend, want de herinnering eraan leefde nog voort. Het oorspronkelijke exemplaar was opgeborgen in de tempel, een kopie in het koninklijk archief. Deuteronomium 17:18-20 Het enige dat er aan de hand was, was dat de priesters ermee opgehouden waren om zelf publiekelijk uit de wet te lezen, zoals bij plechtigheden de gewoonte geweest was. Ook het volk zelf had het lezen van de wet verwaarloosd. Was er trouwens ook haast geen eeuw voorbijgegaan waarin de bepalingen van de wet niet opnieuw bevestigd werden? Of was Mozes soms onbekend voor mensen die David lazen?

Maar van alle schrijvers staat absoluut vast dat hun geschriften tijdens een lange reeks van jaren alleen, bij wijze van spreken, van hand tot hand overgeleverd werden aan de mensen die na hen kwamen. Hun voorvaders hadden deze schrijvers zelf nog horen spreken. Of ze hadden over hen gehoord van anderen die deze schrijvers zelf gehoord hadden en zich dat nog heel goed konden herinneren.

De wet en de profeten hebben allerlei moeilijkheden overleefd

Om aan de betrouwbaarheid van de Schrift afbreuk te doen, voeren sommigen ook wel een passage aan uit de geschiedenis van de Makkabeeën. Echter, die passage is juist heel geschikt om de betrouwbaarheid van de Schrift te versterken. Maar laten we eerst de kleur die zij aan de zaak geven verwijderen. Daarna zullen we het geschut dat ze tegen ons in stelling brengen, omkeren tegen hen.

Antiochus liet alle boeken verbranden, zeggen ze. 1 Makkabeeën 1:56-57 Waar komen dan de exemplaren vandaan die wij nu hebben? Maar op mijn beurt vraag ik hen: hoe zouden die zo snel nagemaakt kunnen zijn? Want het staat vast dat ze tevoorschijn kwamen zodra de vervolging voorbij was. En ze werden zonder tegenspraak erkend door alle vromen die in de leer van die boeken opgevoed en ermee vertrouwd waren. Alle goddelozen lijken wel samen te spannen om de Joden te beledigen. En toch heeft zelfs van hen niemand de Joden ervan durven beschuldigen dat ze hun boeken stiekem vervalst hadden. Want wat ze ook van de Joodse godsdienst vinden, ze erkennen toch dat Mozes die gesticht heeft.

Verraden deze mensen met hun geleuter niet alleen maar hoe hondsbrutaal ze zijn, als ze liegen dat de boeken vervalst zijn? Alle geschiedverhalen stemmen op dit punt overeen en bewijzen daarmee de heilige ouderdom van die boeken!

Maar het heeft geen zin om nog meer moeite te doen om hun walgelijke laster te weerleggen. We kunnen beter bedenken dat hieruit blijkt hoe goed de Heer voor zijn Woord gezorgd heeft. Tegen alle verwachting in heeft Hij het Woord gered uit handen van een wrede tiran, alsof Hij het weggerukt heeft uit een hevige brand. Hij maakte vrome priesters en anderen zo standvastig dat ze niet aarzelden om desnoods met hun leven te betalen voor deze schat. Als ze die maar konden doorgeven aan hun nakomelingen. Ook liet de Heer het strenge onderzoek van zoveel landvoogden en hun handlangers op niets uitlopen.

Wie zou niet erkennen hoe opmerkelijk en wonderlijk Gods werk is? De goddelozen waren ervan overtuigd dat de heilige gedenkboeken volledig vernietigd waren. Maar toch kregen ze direct hun oude positie weer terug. Ze kwamen zelfs nog meer in aanzien te staan dan daarvoor. Want er kwam een vertaling in het Grieks, waardoor ze over de hele wereld verspreid werden.

Dat God de tafels van zijn verbond redde uit de bloeddorstige bevelen van Antiochus was niet het enige wonder. Ze bleven ook behouden bij de vele rampen die het Joodse volk herhaaldelijk teisterden, verwoestten en op de rand van de totale ondergang brachten. En de Hebreeuwse taal had niet alleen weinig aanzien, ze was vrijwel onbekend. Als God niet voor de godsdienst had willen zorgen, was het Hebreeuws ongetwijfeld helemaal uitgestorven. Want toen de Joden terugkwamen uit de ballingschap, gebruikten ze hun moedertaal weinig meer. Dat blijkt uit de profeten uit die tijd. Het is trouwens goed om dat op te merken, want door de oudere en de nieuwere profeten met elkaar te vergelijken, blijkt nog duidelijker hoe oud de wet en de profeten zijn. En wie heeft God gebruikt om de leer van het behoud, die in de wet en de profeten verteld wordt, voor ons te bewaren, om als de tijd gekomen was, Christus bekend te maken? Hij heeft juist Christus’ grootste vijanden gebruikt: de Joden. Terecht noemt Augustinus hen de kopiisten van de christelijke kerk. Want zij hebben ons de boeken geleverd waar ze zelf geen gebruik van maken.

De betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament

Dan gaan we naar het Nieuwe Testament. Hoe stevig zijn de stutten die de waarheid van het Nieuwe Testament ondersteunen! Drie van de evangelisten vertellen de geschiedenis in een alledaagse en onverzorgde stijl. Veel trotse mensen hebben een afkeer van die eenvoud. Dat komt natuurlijk omdat ze geen aandacht hebben voor de belangrijkste onderdelen van de leer. Want daaruit kunnen we gemakkelijk opmaken dat de evangelisten spreken over hemelse mysteries, die het menselijk begrip te boven gaan.

Wie bij zijn geboorte ook maar een beetje schaamtegevoel heeft meegekregen, zal ongetwijfeld beschaamd worden als hij Lucas 1 leest. Ook de toespraken van Christus, waar de drie evangelisten een samenvatting van geven, voorkomen gemakkelijk dat je hun geschriften kunt minachten.

Maar Johannes werpt de koppigheid van hen die hij niet tot geloofsgehoorzaamheid kan dwingen nog sterker neer dan de bliksem zou doen, zo dondert hij uit de hoogte. Al die wijsneuzen die niets liever doen dan de eerbied voor de Schrift uit hun eigen hart en uit dat van anderen verdrijven, moeten maar eens naar voren komen. Ze moeten maar eens het evangelie van Johannes lezen. Of ze nu willen of niet, ze zullen daar duizend uitspraken vinden die hun beperkt verstand zullen prikkelen, ja die een verschrikkelijk brandijzer in hun geweten persen. Dan zal hun gelach wel verstommen.

Met Paulus en Petrus is het niet anders. Voor de meeste mensen zijn hun geschriften niet te doorgronden. Toch houdt alleen al de hemelse majesteit van die geschriften hen geboeid en als het ware aan die geschriften vastgebonden.

Er is echter één ding dat hun leer al meer dan genoeg boven heel de wereld laat uitsteken. Mattheüs zat eerst vast aan de inkomsten van zijn geldtafel en Petrus en Johannes waren druk bezig in hun scheepjes. Het waren allemaal ruwe, ongeschoolde mannen. Ze hadden geen enkel onderwijs van mensen genoten, dat ze aan anderen konden doorgeven. En Paulus was eerst een openlijke vijand, wreed en bloeddorstig. Maar hij werd bekeerd tot een nieuw mens. Die plotselinge en onverwachte verandering bewijst dat een hemels bevel hem ertoe aanzette om de leer die hij bestreden had, te beschermen.

Die honden mogen ontkennen dat de Heilige Geest op de apostelen is neergedaald. Ze mogen beweren dat de geschiedenis niet geloofwaardig is. De feiten vertellen duidelijk dat de Geest de apostelen heeft onderwezen. Eerst hadden ze zelfs onder het gewone volk nog weinig aanzien, maar opeens begonnen ze schitterend te spreken over de hemelse mysteries.

Het gezag van de Schrift is door allerlei volken aanvaard

Daar komt bij dat er ook nog andere heel goede redenen zijn waarom de overeenstemming van de kerk zwaar moet wegen. Het is geen kleinigheid dat mensen het er, sinds de Schrift aan iedereen bekend gemaakt is, eeuwenlang steeds over eens geweest zijn dat de Schrift gehoorzaamd moet worden. Satan heeft samen met de wereld van alles geprobeerd om de Schrift op verbazingwekkende manieren te onderdrukken of te vernietigen, of volledig te verhullen of uit de herinnering van de mensen uit te wissen. Maar als een palmboom die juist groeit onder druk, is de Schrift omhoog geschoten en onoverwinnelijk overeind blijven staan.

Er is in het verleden haast niemand geweest met iets meer verstand dan een ander – of hij nu filosoof was of redenaar – die zijn begaafdheid niet tegen de Schrift heeft gebruikt. Toch hebben ze daar geen van allen iets mee bereikt. Heel de aarde heeft de wapens opgenomen om de Schrift te vernietigen. Maar al die pogingen zijn in rook opgegaan. Hoe zou de Schrift weerstand hebben kunnen bieden tegen al die aanvallen van alle kanten, als ze alleen op hulp van mensen leunde? Juist dit bewijst nog duidelijker dat de Schrift van God komt. Alles wat mensen tegen haar geprobeerd hebben, is ze steeds weer te boven gekomen.

Daar komt ook nog bij dat niet slechts een enkele stad of een enkel volk besloot de Schrift te aanvaarden en te omhelzen. Nee, over de hele lengte en breedte van de aarde hebben verschillende volken, die verder niets met elkaar gemeen hebben, in een heilige overeenstemming het gezag van de Schrift erkend. Dat moet op ons grote indruk maken, dat mensen die zoveel van elkaar verschillen en onderling over zoveel dingen verdeeld zijn, het toch hierin met elkaar eens zijn. Daaruit blijkt dat dit alleen door de kracht van God gebeurd is. En het maakt nog dieper indruk als we erop letten hoe vroom de mensen zijn die in deze overeenstemming delen. Dat geldt wel niet voor iedereen, maar alleen voor degenen van wie God gewild heeft dat ze als zijn kerk een helder licht zouden geven.

Het gezag van de Schrift wordt bevestigd door het bloed van de martelaren

Als we zien hoe de leer van de Schrift bekrachtigd en onderschreven wordt door het bloed van zoveel heilige mannen, dan kunnen we toch gerust ook onze naam eraan verbinden! Die mannen hebben niet geaarzeld voor de leer die ze hadden aangenomen moedig, ja zelfs opgewekt de dood tegemoet te gaan. Als we er zo’n duidelijke waarborg van gekregen hebben, waarom zouden wij die leer dan niet met een vaste en onwankelbare overtuiging aanvaarden?

Het bloed van zoveel getuigen bekrachtigt de Schrift dus niet zo’n beetje. Vooral als we bedenken hoe ze de dood tegemoet gegaan zijn om van hun geloof te getuigen. Ze hebben dat niet gedaan in fanatieke overmoed, zoals dwaalgeesten soms doen, maar in een sterke, standvastige en toch weloverwogen ijver voor God.

Er zijn nog veel andere sterke argumenten die de waardigheid en de majesteit van de Schrift bevestigen voor mensen met een vroom hart. Bovendien beschermen die argumenten de Schrift tegen de sluwe streken van lasteraars. Maar op zichzelf zijn die argumenten niet sterk genoeg om ons een onwankelbaar geloof in de Schrift te verschaffen. Eerst moet de hemelse Vader in de Schrift zijn goddelijke kracht openbaren. Dan krijgen we zo’n ontzag voor de Schrift, dat ze zich aan alle meningsverschillen onttrekt.

Daarom zal de Schrift pas echt genoeg zijn om God zo te leren kennen dat we door die kennis behouden worden, als de Heilige Geest in ons de vaste overtuiging werkt dat de Schrift betrouwbaar is. Maar de getuigenissen van mensen zijn dan toch niet zonder betekenis. Het zijn dan als het ware tweederangs hulpmiddelen voor onze zwakheid, die het belangrijkste en hoogste getuigenis volgen.

Maar het is dwaas om aan ongelovigen te willen bewijzen dat de Schrift Gods Woord is. Want je kunt dat alleen weten door geloof. Augustinus heeft daarom gelijk, als hij zegt dat een mens eerst vroomheid en een vredig hart moet hebben, vóór hij van zulke grote dingen iets kan begrijpen.

Voetnoten

  1. 68

    Demosthenes (384-322 v. Chr.), Atheense politicus en redenaar.

  2. 69

    Titus Flavius Josephus (*37), Romeins-Joodse historicus.

  3. 70

    Flavius Josephus, Contra Apionem I, 22; II, 36-39.

  4. 71

    Antiochus IV Epifanes († 164 v. Chr.), koning van het rijk van de Seleuciden.

Voetnoot 68

Demosthenes (384-322 v. Chr.), Atheense politicus en redenaar.

Voetnoot 69

Titus Flavius Josephus (*37), Romeins-Joodse historicus.

Voetnoot 70

Flavius Josephus, Contra Apionem I, 22; II, 36-39.

Voetnoot 71

Antiochus IV Epifanes († 164 v. Chr.), koning van het rijk van de Seleuciden.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.