Boek I · Hoofdstuk 9
Woord en Geest
Inhoud van dit hoofdstuk · 3 secties
Woord en Geest zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden
Er zijn ook mensen die de Schrift verwerpen en zich inbeelden dat er een ik weet niet wat voor andere weg is om bij God te komen. Zulke mensen zijn niet zomaar gegrepen door een dwaling. Nee, ze worden gedreven door waanzin. Zo zijn er onlangs enkele leeghoofden opgedoken die hooghartig het onderwijs van de Geest gebruiken als voorwendsel om totaal af te zien van het lezen van de Schrift. Ze bespotten zelfs de simpele mensen die nog wel – zoals zij dat noemen – de dode en dodende letter volgen.
Maar ik zou van hen wel eens willen weten wat voor geest dat dan is, die hen er toe inspireert om zich zo hoog te verheffen, dat ze de leer van de Schrift durven minachten als kinderlijk en zonder betekenis. Want als ze antwoorden dat het de Geest van Christus is, dan is het wel heel belachelijk dat ze daar zo zeker van zijn. Want volgens mij moeten ze toch toegeven dat Christus’ apostelen en de andere gelovigen door diezelfde Geest verlicht zijn. En toch heeft niemand van hen van die Geest geleerd om Gods Woord te minachten. Ze zijn juist allemaal door Hem vervuld met een grote eerbied voor het Woord. Hun geschriften bewijzen dat heel duidelijk.
Dat is zo ook via de mond van Jesaja voorzegd. Jesaja 59:21 Hij zegt: ‘Mijn Geest is op jullie en mijn woorden heb Ik in jullie mond gelegd en in de mond van jullie nakomelingen. En die zullen voor eeuwig niet wijken.’ Daarmee bindt hij het oude volk niet aan de uiterlijke leer, alsof ze het abc nog moesten leren. Nee, hij bedoelt juist dat de nieuwe kerk onder het koningschap van Christus pas echt en volmaakt gelukkig zal zijn, omdat het Woord van God en de Geest beiden de kerk regeren. Daaruit maken we op dat die losbollen een afschuwelijke heiligschennis plegen. Want ze halen uit elkaar wat volgens de profeet onlosmakelijk bij elkaar hoort.
Daar komt bij dat Paulus niet ophield om te blijven studeren op de wet en de profeten. Zelfs al was hij tot in de derde hemel opgenomen geweest. 2 Korinthiërs 12:2 Daarom raadt hij ook Timotheüs aan om vol te houden met lezen, ook al was Timotheüs al een bijzonder goede leraar. 1 Timotheüs 4:13 Het is ook het vermelden waard hoe Paulus de lof bezingt op de Schrift. Hij zegt dat de Schrift nuttig is om te onderwijzen, te vermanen en te weerleggen, om een dienaar van God volmaakt te laten worden. 2 Timotheüs 3:16-17 Wat een duivelse waanzin is het dan om te beweren dat het gebruik van de Schrift vluchtig of tijdelijk is! Gods kinderen worden tot het eind van hun leven door de Schrift geleid.
Verder zou ik ook graag willen dat ze mij eens antwoord gaven op de vraag of zij soms een andere geest ingedronken hebben dan de Geest die de Heer aan zijn leerlingen beloofde. Ze worden weliswaar door een enorme waanzin gekweld, maar ik denk toch niet dat ze zich er zo door laten meeslepen dat ze dit zouden durven beweren. Maar wat voor Geest beloofde Christus eigenlijk? Toch een die niet over zichzelf zou spreken, maar in hun hart zou uitstorten wat Christus zelf door zijn Woord verkondigd had? Johannes 16:13 De Geest die ons beloofd is, heeft dus niet als taak om nieuwe openbaringen te verzinnen, die we nog niet eerder gehoord hebben. Of om een nieuw soort leer te fabriceren, die ons zou kunnen afleiden van de leer van het evangelie die ons gegeven is. Zijn taak is juist om de leer die ons door middel van het evangelie wordt aangeprezen, in ons hart te bekrachtigen.
De Geest is te herkennen in het Woord
Het is dus gemakkelijk te begrijpen dat we ijverig de Schrift moeten lezen en goed naar de Schrift moeten luisteren. Als we tenminste iets aan de Geest willen hebben en van zijn vruchten willen genieten. Petrus prijst daarom ook degenen die ijverig hun aandacht richten op de leer van de profeten. 2 Petrus 1:19 Ook al zou het kunnen lijken dat voor die leer geen plaats meer is, nu het licht van het evangelie opgekomen is. Integendeel, als een geest aan de wijsheid van Gods Woord voorbijgaat en ons een andere leer opdringt, moeten we die geest verdenken van ijdelheid en bedrog. Galaten 1:6-9 Immers, Satan doet zich soms voor als een engel van het licht. 2 Korinthiërs 11:14 Hoe kunnen we de Geest dan gezag toekennen als Hij zich niet met een duidelijk kenmerk onderscheidt, zodat we zeker weten wie Hij is? Hij is ons dan ook duidelijk aangewezen door de stem van de Heer.
Nu zou het kunnen zijn dat die ongelukkige fanatici opzettelijk dwalen om hun ondergang te zoeken. Dat doen ze dan door een geest te zoeken die uit henzelf voortkomt en niet uit de Heer. Maar ze voeren aan dat we alles moeten onderwerpen aan de Geest van God. Daarom zou het ongepast zijn om de Geest te onderwerpen aan de Schrift. Alsof het voor de Heilige Geest beledigend zou zijn dat Hij altijd dezelfde is en zichzelf altijd gelijk blijft. Dat Hij constant is en nooit verandert. Zeker, als we Hem zouden beoordelen als een mens of een engel, of als welk ander wezen dan ook, dan zouden we moeten concluderen dat Hij als een ondergeschikte, of misschien zelfs als een slaaf behandeld werd. Maar als we Hem met zichzelf vergelijken en alleen naar Hemzelf kijken, wie zal dan beweren dat we Hem daardoor onrecht aandoen?
Maar wordt de Geest zo dan niet aan een onderzoek onderworpen? Dat geef ik toe. Maar dan wel aan een onderzoek dat Hij zelf gewild heeft. Zó wil Hij dat wij zeker zijn van zijn majesteit. We moeten aan Hem genoeg hebben zodra Hij zich openbaart in ons hart. Maar om te voorkomen dat de geest van Satan zijn naam gebruikt om stiekem binnen te komen, wil Hij dat we Hem herkennen in het beeld dat Hij als een stempel op de Schriften heeft gedrukt. Hij is de auteur van de Schriften. Hij kan niet veranderen of anders zijn dan Hij is. Zoals Hij zich eenmaal in de Schriften geopenbaard heeft, zo moet Hij eeuwig blijven. Dat is voor Hem geen belediging, tenzij we zouden vinden dat het eervol is om jezelf ontrouw te worden en te ontaarden.
Het Woord is het middel waardoor de Geest werkt
Fanatici steken de draak met ons omdat wij vasthouden aan de dodende letter. Maar op dat punt betalen ze de straf die staat op het minachten van de Schrift. Want als Paulus het heeft over de dodende letter, 2 Korinthiërs 3:6 strijdt hij tegen valse apostelen. Die prezen de wet aan zonder Christus en riepen zo het volk weg bij de zegen van het Nieuwe Testament. In het nieuwe verbond verplicht de Heer zich om zijn wet binnen in de gelovigen te graveren en in hun hart te schrijven. Jeremia 31:33 Daarom is de letter dood. En de wet van de Heer doodt degenen die de wet lezen, als de wet losgemaakt wordt van de genade van Christus. Want dan raakt de wet het hart niet, maar klinkt zij alleen in de oren.
Maar als de wet door de Geest effectief in het hart wordt ingeplant en als de wet Christus laat zien, dan is de wet een Woord van leven. Filippenzen 2:16 Dan bekeert de wet de ziel, leert de wet wijsheid aan eenvoudigen, enzovoort. Psalm 19:8 Ja, op dezelfde plaats waar Paulus spreekt over de dode letter, noemt hij zijn prediking zelfs een bediening van de Geest. 2 Korinthiërs 3:8 Daarmee bedoelt hij ongetwijfeld dat de Heilige Geest gebonden is aan zijn waarheid. Die waarheid heeft Hij uitgedrukt in de Schriften en daarom laat Hij zijn kracht pas zien als vaststaat dat het Woord met gepaste eerbied behandeld wordt.
Dat is niet in tegenspraak met wat ik kort hiervóór gezegd heb: het Woord is voor ons pas zeker als het bevestigd wordt door het getuigenis van de Geest. Want de zekerheid van het Woord en de Geest zijn door de Heer onderling aan elkaar verbonden. Hun band is wederkerig. Aan de ene kant ontstaat in ons hart een gefundeerde eerbied voor het Woord als we verlicht worden door de Geest, die ons God laat zien in het Woord. Aan de andere kant omhelzen we de Geest, zonder bang te zijn voor dwaalleer, als we Hem herkennen in het beeld dat we van hem hebben. En dat beeld is het Woord.
Inderdaad, zo is het. God heeft het Woord niet onder de mensen gebracht om het maar een poosje te laten zien en het dan weer te laten verdwijnen toen de Geest kwam. Nee, het Woord heeft Hij gegeven door de kracht van dezelfde Geest die Hij gezonden heeft. De Geest moet zijn werk afmaken door het Woord effectief te bevestigen.
Op die manier opende Christus het verstand van twee van zijn leerlingen. Lucas 24:27 Het was niet de bedoeling dat ze de Schriften zouden weggooien en uit zichzelf wijs zouden worden. Ze moesten de Schriften leren begrijpen. Zo vermaant ook Paulus de Thessalonicenzen dat ze de Geest niet moeten uitblussen. 1 Thessalonicenzen 5:19-20 Dan sleept hij hen niet mee omhoog in loze speculaties, buiten het Woord om. Nee, hij voegt er meteen aan toe dat ze de profetieën niet mogen verachten. Dat betekent natuurlijk dat het licht van de Geest gedoofd wordt zodra we de profetieën beginnen te verachten.
Wat hebben die fanatici hierop nog te zeggen? Volgens hen word je pas echt verlicht als je Gods Woord rustig laat schieten en vaarwel zegt. En alles wat hen te binnen komt als ze liggen te snurken, nemen ze zomaar vol vertrouwen aan. Echt, Gods kinderen horen op een heel andere manier nuchter te zijn. Ze weten dat ze zonder Gods Geest van al het licht van de waarheid beroofd zijn. Maar ze weten ook heel goed dat het Woord het instrument is dat de Heer gebruikt om het licht van zijn Geest aan de gelovigen uit te delen. Want ze kennen geen andere Geest dan de Geest die in de apostelen gewoond heeft en die door hen gesproken heeft. Door goddelijke uitspraken van die Geest worden ze voortdurend teruggeroepen om naar het Woord te luisteren.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.