Boek II · Hoofdstuk 10
De overeenkomst tussen het Oude en het Nieuwe Testament
Inhoud van dit hoofdstuk · 23 secties
- 1De overeenkomst en het verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament
- 2Drie punten van overeenkomst
- 3Het Oude Testament was gericht op het toekomstige leven
- 4Het Oude Testament was gebaseerd op de genade in Christus
- 5De Joden hadden dezelfde symbolen van doop en avondmaal als wij
- 6Het manna was een geestelijk symbool
- 7Gods Woord geeft altijd eeuwig leven, ook in het Oude Testament
- 8Als God Israëls God was, gaf Hij hun daarmee eeuwig leven
- 9God is geen God van doden, maar van levenden
- 10Adam en Noach leefden op aarde in ellende
- 11Abraham leefde op aarde in ellende
- 12Izak en Jacob leefden op aarde in ellende
- 13Abraham, Izak en Jacob verwachtten geen aards vaderland
- 14Jacob hoopte op eeuwig leven
- 15David hoopte op eeuwig leven
- 16David erkende dat het goddelozen op aarde vaak beter gaat dan de gelovigen
- 17Gelovigen hechtten geen waarde aan voorspoed of tegenspoed op aarde
- 18Het ging om wat er na het aardse leven komt
- 19Job rekent op een leven na dit leven
- 20Een sleutel om de overige profeten te lezen
- 21Het visioen van Ezechiël over de uitgedroogde beenderen
- 22Jesaja en Daniël spreken onverhuld over de onsterfelijkheid
- 23Conclusie: het Oude Testament ging over het eeuwige leven
De overeenkomst en het verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament
Uit wat ik tot nu toe gezegd heb, kan al zonneklaar blijken dat alle mensen die God vanaf het begin van de wereld heeft uitgekozen voor een positie onder zijn volk, zijn bondgenoten waren door de band van dezelfde wet en dezelfde leer als die voor ons gelden. Maar het is heel belangrijk dat dit punt goed onderbouwd wordt. Daarom zal ik nu nog als een extra bijlage de volgende vraag bespreken: de aartsvaders deelden in dezelfde erfenis als wij en hoopten door de genade van dezelfde middelaar samen met ons op dezelfde redding. In hoeverre was daarbij hun toestand anders dan die van ons?
De Schriftbewijzen die ik uit de wet en de profeten opgesomd heb, maken duidelijk dat er onder Gods volk nooit een andere norm geweest is voor de godsdienst en voor vroomheid. Toch is het terecht om speciaal plaats in te ruimen om deze kwestie beter en nauwkeuriger te bespreken. Want veel schrijvers gaan uitgebreid in op het verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Voor een niet al te intelligente lezer kan dat problemen opleveren. Sterker nog, het zou sowieso al nuttig zijn om hier dieper op in te gaan, maar het is onvermijdelijk geworden dankzij de monsterlijke losbol Servet en sommige dwazen uit de sekte van de wederdopers. Zij zien het volk Israël slechts als een kudde varkens. Want zij kletsen dat de Heer hen op deze aarde heeft vetgemest als varkens in een zwijnenstal, zonder enige hoop op de hemelse onsterfelijkheid.
Tegen deze gevaarlijke dwaling moeten we het hart van de vromen beschermen. Ook moeten we alle moeilijkheden uit de weg ruimen die steeds oprijzen zodra we horen dat er verschil is tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Daarom moeten we kort nagaan wat de overeenkomst en wat het verschil is tussen het verbond dat de Heer vroeger met de Israëlieten gesloten heeft, vóór de komst van Christus, en het verbond dat Hij nu met ons gesloten heeft, nadat Christus geopenbaard is.
Drie punten van overeenkomst
Beide kunnen met een enkel woord uitgelegd worden. Het verbond met de aartsvaders verschilt in wezen en inhoud totaal niet van het verbond met ons. Het is eigenlijk een en hetzelfde verbond. Alleen de bediening is anders. Maar zo’n beknopte uitspraak maakt het voor niemand echt duidelijk. Als ik anderen vooruit wil helpen, moet ik het dus verder uitleggen.
Als ik ga aantonen dat beide verbonden aan elkaar gelijk zijn, of beter, dat het eigenlijk hetzelfde verbond is, is het overbodig om nog een keer de punten te bespreken die ik al behandeld heb. En het is nog niet het moment om nu al de dingen te noemen die later nog aan de orde moeten komen. We moeten echter vooral bij drie kernpunten stilstaan.
In de eerste plaats moeten we beseffen dat de Joden geen aardse rijkdom en voorspoed als doel gesteld is dat ze moesten nastreven. Ze waren uitgekozen om te hopen op onsterfelijkheid. Dat ze echt daarvoor geadopteerd waren, is hun verzekerd door openbaringen van God, door de wet en door de profeten.
In de tweede plaats moeten we bedenken dat het verbond waarmee zij met God verbonden waren, op geen enkele manier gebaseerd was op wat ze zelf verdienden. Het was alleen gebaseerd op Gods de barmhartigheid.
In de derde plaats moeten we weten dat de Joden de middelaar Christus hadden en kenden. Door Hem zouden zij met God verenigd worden en zouden ze deel krijgen aan zijn beloften.
Voor het tweede punt weet de lezer nu waarschijnlijk nog niet genoeg. Daarom zal ik dat later behandelen, als ik daaraan toekom. Dan zal ik met vele duidelijke getuigenissen van de profeten bevestigen dat alle goede gaven en beloften die de Heer ooit aan zijn volk gegeven heeft alleen het gevolg zijn van zijn goedheid en welwillendheid. Van het derde punt heb ik her en der al duidelijke bewijzen gegeven. En zelfs het eerste punt heb ik al wel eens aangestipt.
Het Oude Testament was gericht op het toekomstige leven
Het eerste punt houdt het meest verband met de kwestie waar we het nu over hebben. Bovendien verschilt men op dat punt het meest met mij van mening. Dus zal ik aan dat punt nu speciaal aandacht geven. Maar als er aan de uitleg van de andere punten nog iets ontbreekt, zal ik dat in het voorbijgaan invoegen of later, als dat aan de orde komt.
Inderdaad maakt de apostel Paulus voor al deze punten een eind aan de twijfel als hij zegt dat God de Vader lang van tevoren via de profeten in de Heilige Schrift het evangelie beloofd heeft dat Hij op de bepaalde tijd over zijn Zoon geopenbaard heeft. Romeinen 1:1-3 Ook zegt hij dat de wet en de profeten getuigen van de rechtvaardigheid door geloof, die door het evangelie zelf geleerd wordt. Romeinen 3:21-22 Want door het evangelie blijft het hart van de mensen zich niet verheugen in het tegenwoordige leven, maar gaat het hopen op onsterfelijkheid. Door het evangelie blijft het hart niet vastgekleefd zitten aan aards genot, maar wordt het in zekere zin weggeleid naar de hemel. Want het evangelie verkondigt een hoop die klaarligt in de hemel.
Want, zo zegt de apostel ergens anders: ‘Toen jullie het evangelie gingen geloven, hebben jullie als zegel of waarmerk de Heilige Geest van de belofte gekregen. Die is de waarborg van onze erfenis, dat het verworven bezit verlost wordt.’ Efeziërs 1:13-14 En: ‘We hebben gehoord van jullie geloof in Christus Jezus en van jullie liefde voor de heiligen, om de hoop die voor jullie klaarligt in de hemel. Jullie hebben daarover gehoord door het betrouwbare Woord van het evangelie.’ Kolossenzen 1:4-5 En: ‘Hij heeft ons geroepen door het evangelie, zodat wij de glorie van onze Heer Jezus Christus zouden krijgen.’ 2 Thessalonicenzen 2:14 Daarom wordt het evangelie het ‘woord van het behoud’ Handelingen 13:26 genoemd en de ‘kracht van God om de gelovigen te redden’ Romeinen 1:16 en het ‘koninkrijk van de hemel’. Mattheüs 4:23
De leer van het evangelie is dus geestelijk en opent de toegang tot het onvergankelijke leven. Als dat zo is, moeten we niet denken dat de mensen aan wie het beloofd en bekendgemaakt was, verzuimd en nagelaten hebben om voor hun ziel te zorgen, dat ze als beesten afgestompt waren en alleen vleselijke begeerten nastreefden. Niemand moet beweren dat de beloften die in de wet en de profeten verzegeld zijn over het evangelie alleen bestemd zijn voor het volk van het Nieuwe Testament. Want kort nadat Paulus gesproken heeft over de belofte van het evangelie in de wet, voegt hij daaraan toe dat alles wat in de wet staat ongetwijfeld bedoeld is voor hen die onder de wet staan. Romeinen 3:19 De context is anders, dat geef ik toe. Maar toen hij zei dat alles wat er in de wet staat bedoeld was voor de Joden, was hij vast niet zo vergeetachtig dat hij niet meer dacht aan wat hij enkele verzen eerder gezegd had over de beloften van het evangelie in de wet.
De apostel laat dus heel duidelijk zien dat het Oude Testament vooral gericht was op het toekomstige leven. Want hij zegt dat het Oude Testament de beloften van het evangelie bevat.
Het Oude Testament was gebaseerd op de genade in Christus
Daaruit volgt ook dat het Oude Testament gebaseerd was op Gods gratis barmhartigheid en bevestigd is doordat Christus tussenbeide kwam. Want de prediking van het evangelie verkondigt niets anders dan dat zondaren rechtvaardig gemaakt worden door Gods vaderlijke welwillendheid, zonder dat ze dat verdiend hebben. Heel de inhoud van het evangelie loopt uit op Christus. Wie zou dan de Joden durven uitsluiten van het deelhebben aan Christus? We horen immers dat met hen het verbond van het evangelie gesloten is. En het enige fundament van dat verbond is Christus. Wie zou durven beweren dat zij buiten de zegen van gratis redding staan? We horen immers dat hun de leer van rechtvaardigheid door geloof bediend is.
Om niet te lang te blijven discussiëren over een kwestie die toch duidelijk is – we hebben een speciale uitspraak van de Heer: ‘Abraham verheugde zich erop dat hij mijn dag zou zien. En hij heeft die gezien en was blij.’ Johannes 8:56 Wat Christus daar verklaart over Abraham, geldt voor het gelovige volk in het algemeen. Dat maakt de apostel duidelijk, als hij zegt dat Christus gisteren en vandaag en tot in eeuwigheid dezelfde is. Hebreeën 13:8 Hij heeft het er daar immers niet alleen over dat Christus eeuwig God is. Hij heeft het daar ook over zijn kracht die altijd aan de gelovigen geopenbaard is.
Daarom zeggen de gelukkige maagd Maria en Zacharias in hun lofzangen dat de redding die in Christus geopenbaard is, de vervulling is van de beloften die de Heer vroeger gedaan had aan Abraham en de aartsvaders. Lucas 1:54-55;
1:72-73 Door Christus te zenden heeft de Heer de trouwbelofte van zijn oude eed ingelost. Dan kunnen we niet anders zeggen dan dat het einddoel van die belofte en van het Oude Testament altijd gelegen heeft in Christus en in het eeuwige leven.
De Joden hadden dezelfde symbolen van doop en avondmaal als wij
Sterker nog, de apostel Paulus stelt de Israëlieten gelijk aan ons, niet alleen wat betreft de genade van het verbond, maar ook wat betreft de betekenis van de sacramenten. Hij geeft voorbeelden van de straffen waarmee de Israëlieten volgens de Schrift getuchtigd werden. Daarmee wil hij de Korinthiërs afschrikken om niet dezelfde misdaden te begaan. En dan begint hij met deze inleiding: er is geen reden waarom wij zouden denken dat wij een streepje voor hebben en bevrijd zouden zijn van de wraak van God die zij ervaren hebben. Want de Heer heeft hun niet alleen dezelfde gaven geschonken. Hij heeft zijn genade bij hen ook geïllustreerd met dezelfde symbolen. 1 Korinthiërs 10:1-11
Het is alsof Paulus wilde zeggen: ‘Jullie hebben het teken van de doop gekregen en ontvangen elke dag het avondmaal. Daarin hebben jullie geweldige beloften. Maar als je erop vertrouwt dat je daarom buiten gevaar bent en ondertussen Gods goedheid veracht en leeft in tomeloze losbandigheid, weet dan dat ook de Joden het niet zonder zulke symbolen hoefden te stellen. En toch heeft God zijn oordelen tegen hen heel streng uitgevoerd. Ze zijn gedoopt toen ze door de zee trokken en in de wolk die hen beschutte tegen de brandende zon.’ Er wordt wel beweerd dat die doortocht een vleselijke doop geweest is die maar tot op zekere hoogte correspondeert met onze geestelijk doop. Maar als we dat accepteren, gaat het argument van de apostel niet op. Hij wil hier christenen het idee ontnemen dat ze door de doop een streepje voor hebben op de Joden. En deze uitvlucht kan ook niet voorkomen dat Paulus meteen daarna zegt dat de Joden hetzelfde geestelijke voedsel gegeten en dezelfde geestelijke drank gedronken hebben als wij. En met dat eten en drinken bedoelt hij Christus.
Het manna was een geestelijk symbool
Om deze uitspraak van Paulus te ontzenuwen, wordt er wel tegen ingebracht dat Christus zegt: ‘Jullie voorvaders hebben het manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven. Maar wie mijn lichaam eet zal in eeuwigheid niet sterven.’ Johannes 6:49-54
Maar deze twee uitspraken kun je gemakkelijk met elkaar in overeenstemming brengen. De Heer sprak tegen luisteraars die alleen maar genoeg te eten wilden voor hun maag. Ze maakten zich niet druk om voedsel voor hun ziel. Daarom past de Heer zijn woorden aan aan hun begrip. Hij plaatst tegenover zijn lichaam het manna zoals zij dat opvatten. Zij eisten dat Hij zijn kracht zou bewijzen door een of ander wonder, om zo gezag te krijgen. Dat had Mozes gedaan in de woestijn toen hij het voor elkaar had gekregen dat er manna uit de hemel kwam. Maar in dat manna zagen zij niets anders dan een remedie voor de lichamelijke honger die het volk toen kwelde. Ze drongen niet door tot het diepere mysterie waar Paulus op doelt.
Christus wil laten zien dat de gave die ze van Hem moesten verwachten nog veel geweldiger was dan de gaven die Mozes volgens hen aan hun voorvaders geschonken had. Daarom trekt
Christus de volgende vergelijking: ‘Jullie vinden het een groot en opmerkelijk wonder dat de Heer door Mozes voedsel uit de hemel heeft uitgedeeld aan het volk, om te voorkomen dat het in de woestijn van honger zou omkomen. Door dat voedsel konden ze een tijdje in leven blijven. Dat betekent dus dat het voedsel waardoor je onsterfelijk wordt, nog veel beter is!’
Zo zien we waarom de Heer het belangrijkste aspect van het manna weglaat en alleen het minst belangrijke voordeel van het manna noemt. De Joden wilden Hem bekritiseren en daarom brachten ze Mozes tegen Hem in. Mozes had de nood van het volk verholpen door middel van het manna. De Heer antwoordt dan dat Hij een veel diepere genade uitdeelt. Vergeleken met die genade is het voedsel voor het lichaam, waar zij zoveel waarde aan hechtten, compleet waardeloos.
Maar Paulus wist dat de Heer het manna niet alleen uit de hemel liet regenen als voedsel voor de maag. Hij wist dat de Heer het manna ook gaf als een geestelijk mysterie, om af te beelden dat Christus ons geestelijk levend maakt. Dat aspect is zeer de moeite waard om over na te denken en dus slaat hij dat niet over.
Daarom is het duidelijk dat we wel moeten concluderen dat de Joden niet alleen dezelfde beloften over het eeuwige leven in de hemel hebben gekregen als die de Heer ons waard keurt. Die beloften zijn voor hen ook echt door geestelijke sacramenten bezegeld. En dat behandelt Augustinus uitgebreid in zijn Tegen Faustus de manicheeër.
Gods Woord geeft altijd eeuwig leven, ook in het Oude Testament
Misschien hebben de lezers liever dat ik hun bewijzen lever uit de wet en de profeten om aan te tonen dat ook de aartsvaders deelden in het geestelijke verbond, zoals we dat hebben gehoord van Christus en de apostelen. Dan voldoe ik graag aan die wens. En ik doe dat extra graag omdat de overwinning op mijn tegenstanders dan extra zeker is. Want ze kunnen dan geen uitvluchten meer vinden.
Ik zal beginnen met het bewijs waarvan ik best weet dat de wederdopers erop neerkijken omdat ze het maar een onbeduidend en haast belachelijk bewijs vinden. Maar voor ontvankelijke en verstandige mensen zal dit bewijs zwaar wegen. Voor mij spreekt het vanzelf dat Gods Woord zo’n effectieve levenskracht heeft dat het de zielen levend maakt van hen die God het waard keurt om erin te delen. Want altijd heeft het woord van Petrus gegolden dat Gods Woord een onvergankelijk zaad is dat blijft tot in eeuwigheid. En hij maakt dat op uit de woorden van Jesaja. 1 Petrus 1:23-25; Jesaja 40:6
Als God dus vroeger door deze heilige band de Joden aan zich gebonden heeft, dan is er geen twijfel aan dat Hij hen ook apart gezet heeft in de hoop op het eeuwige leven. Want als ik zeg dat zij het Woord omarmd hebben dat hen nauwer aan God verbond, dan heb ik het niet over die algemene vorm van communicatie die reikt tot hemel en aarde en alle schepselen van de wereld. Die algemene communicatie maakt weliswaar alle dingen levend, elk naar zijn aard. Maar het bevrijdt hen niet van de onvermijdelijke vergankelijkheid. Ik heb het echter over een specifieke vorm van communicatie die de zielen van de vromen verlicht, zodat ze God leren kennen en in zekere zin één worden met Hem.
Adam, Abel, Noach, Abraham en de andere aartsvaders hebben zich aan God vastgeklampt doordat ze op deze manier door het Woord verlicht waren. Daarom bestaat er volgens mij geen enkele twijfel over of zij toegelaten zijn in het onsterfelijke rijk van God. Want hun gemeenschap met God was zo hecht – dat kon onmogelijk zonder de schat van het eeuwige leven.
Als God Israëls God was, gaf Hij hun daarmee eeuwig leven
Maar misschien lijkt dit nog een beetje ingewikkeld. Laat ik dan nu verdergaan met de verbondsformule zelf. Dat zal niet alleen welwillende mensen tevreden stellen. Het zal ook volledig aantonen hoe onwetend je bent als je hier nog tegen in wilt gaan.
De Heer is steeds met deze woorden het verbond aangegaan met wie Hem dienen: ‘Ik zal jullie God zijn en jullie zullen mijn volk zijn.’ Leviticus 26:12 Deze woorden bevatten het leven, het behoud en het toppunt van geluk. Dat hebben de profeten steeds zo uitgelegd. Want niet voor niets zegt David meer dan eens dat het volk gelukkig is dat de HEER als God heeft, Psalm 144:15 dat het volk gelukkig is dat Hij heeft uitgekozen als zijn eigendom. Psalm 33:12 Dat is niet vanwege aards geluk, maar omdat Hij het volk dat Hij uitgekozen heeft, verlost van de dood, voor eeuwig bewaart en voor eeuwig barmhartig is. Dat kun je ook bij andere profeten lezen: ‘U bent onze God, wij zullen niet sterven.’ Habakuk 1:12 ‘De HEER is onze koning, onze wetgever, Hij zal ons redden.’ Jesaja 33:22 ‘Gelukkig ben je, Israël, want je wordt gered in de HEER God. Deuteronomium 33:29
Maar om niet te veel moeite te doen voor een overbodige kwestie, steeds wordt bij de profeten deze waarschuwing herhaald: er ontbreekt niets aan de overvloed van al het goede, zelfs niet aan de zekerheid van het behoud, als de Heer onze God maar is. En terecht. Want zodra zijn gelaat straalt, is dat de meest zekere waarborg van ons behoud. Hoe zou God zich aan een mens kunnen manifesteren zonder dat Hij voor hem ook de schatten van het behoud opent? Want Hij is onze God op deze manier: Hij woont in ons midden. Dat heeft Hij verklaard via Mozes. Leviticus 26:11 Maar Hij kan onmogelijk zo bij je zijn zonder dat je ook het leven hebt.
En zelfs al werd er verder niets gezegd, dan nog werd de Joden het geestelijke leven duidelijk genoeg beloofd in deze woorden: ‘Ik ben jullie God.’ Exodus 6:6 (6:7) Want Hij verkondigt dat
Hij niet hun God zou zijn alleen voor hun lichaam, maar vooral voor hun ziel. Maar de ziel blijft dood en van God vervreemd als de ziel niet door rechtvaardigheid met God verbonden wordt. Echter, als die eenheid er is, dan komt het eeuwige behoud ook mee.
God is geen God van doden, maar van levenden
Daar komt nog bij dat God niet alleen verklaarde dat Hij Israëls God zou zijn. Hij verklaarde ook dat Hij het altijd zou blijven. Want Hij wilde dat ze niet tevreden zouden zijn met goede dingen in het hier en nu, maar hun hoop zouden richten op de eeuwigheid. Veel uitspraken laten zien dat het voor hen die betekenis had als de toekomst genoemd werd. Want als het hun slecht ging, was het voor hen niet alleen voor dat moment, maar ook voor de toekomst een troost dat God hen nooit zou verlaten.
Bovendien – dat was het tweede onderdeel van de belofte – gaf God hun ook nog deze verzekering om aan te geven dat zijn zegen reikte tot buiten de grenzen van het aardse leven: ‘Ik zal de God zijn van jullie nageslacht na jullie.’ Genesis 17:7 God zou dus laten zien dat Hij hun goedgezind was door na hun dood ook hun nakomelingen goed te doen. Dan zouden zij zelf die gunst zeker niet missen! Want God is anders dan mensen. Mensen dragen hun liefde over op de kinderen van hun vrienden als die gestorven zijn, omdat ze geen gelegenheid meer hebben om hun vrienden van dienst te zijn. Maar voor Gods vriendelijkheid is de dood geen belemmering. De doden laat Hij nog steeds de vrucht van zijn barmhartigheid plukken en omwille van hen laat God die barmhartigheid reiken tot wel duizend generaties. Exodus 20:6 De Heer wilde voor hen door een sterk bewijs er hoog van opgeven hoe groot en overvloedig ze zijn goedheid na hun dood zouden ervaren. Daarom beschreef Hij die goedheid als een goedheid die aan heel hun nageslacht in overvloed bewezen zou worden.
Dat deze belofte waar is, heeft de Heer zelf bevestigd toen Hij zichzelf lang na hun dood de God noemde van Abraham, Izak en Jacob. Exodus 3:6 Dat zou toch een belachelijke aanduiding zijn als zij er niet meer waren? Want dan zou het net zijn alsof Hij gezegd had: ‘Ik ben de God van hen die er niet meer zijn.’ Daarom vertellen de evangelisten dat Christus de sadduceeën de mond snoerde met dit ene argument. Mattheüs 22:32; Lucas 20:37-38 Daardoor konden ze niet ontkennen dat zelfs Mozes getuigd had dat de doden zullen opstaan. Want ze hadden van Mozes zelf geleerd dat alle heiligen in Gods hand zijn. Deuteronomium 33:3 En het lag voor de hand om daaruit te concluderen dat zelfs de dood voor hen niet het einde is, als Hij die beschikt over leven en dood voor hen zorgt, over hen waakt en hen beschermt.
Adam en Noach leefden op aarde in ellende
Laten we nu kijken naar het belangrijkste punt in deze discussie: heeft de Heer de gelovigen ook zo onderwezen dat ze zelf beseften dat ze ergens anders een beter leven hadden en dat ze voor het aardse leven weinig aandacht hadden en over dat andere leven nadachten?
Om te beginnen vormde het leven dat God hen had opgelegd een constante training om hen eraan te herinneren dat ze de ellendigste van alle mensen waren als ze alleen maar in dit leven gelukkig zouden zijn.
Adam was alleen al de ongelukkigste doordat hij zich herinnerde welk geluk hij was kwijtgeraakt. Door hard te zwoegen kon hij maar met moeite in zijn behoeften voorzien. Maar Gods vloek drukt niet alleen op het werk van zijn handen. Genesis 3:17 De enige troost die hem nog restte, bezorgt hem het grootst mogelijke verdriet. Van zijn twee zonen wordt er een van hem afgenomen doordat de ander zo goddeloos is zijn broer te vermoorden. Genesis 4:8 De zoon die hem overblijft, kan hij niet meer luchten of zien. Abel, in de bloei van zijn leven wreed vermoord, is een voorbeeld van de ellende van de mens.
Noach spendeert een goed deel van zijn leven door zich af te matten bij het bouwen van de ark. Genesis 6:13-22
Ondertussen is de hele wereld onbekommerd aan het genieten. Hij ontkomt aan de dood, maar het brengt hem meer problemen dan wanneer hij honderd doden had moeten sterven. Tien maanden lang is de ark voor hem net een graf. Wat kan er nog onaangenamer zijn dan zo lang opgesloten zitten, ondergedompeld in dierenmest? En als hij die problemen te boven gekomen is, treft hem een nieuw verdriet. Hij ziet zichzelf bespot worden door zijn eigen zoon. Door een grote zegen van God was hij veilig uit de zondvloed voor hem gespaard gebleven. En nu moet hij hem met eigen mond vervloeken.
Genesis 9:24-25
Abraham leefde op aarde in ellende
Abraham moet, gelet op zijn geloof, voor ons opwegen tegen een ontelbare menigte. Zijn geloof wordt ons voorgesteld als een heel goede norm voor ons geloof. En om kinderen van God te zijn, moeten ook wij meegeteld worden onder zijn nakomelingen. Galaten 3:7 Maar het zou toch wel heel absurd zijn als Abraham de vader van alle gelovigen wordt genoemd, als hij zelf onder de gelovigen zelfs niet de laagste plaats zou innemen? Hij kan ook niet uit het aantal gelovigen geschrapt worden, zelfs niet van zijn eervolle rang verdreven worden, zonder dat dat het einde betekent voor heel de kerk.
Dan nu wat hij in zijn leven meegemaakt heeft. God roept hem en meteen wordt hij weggerukt uit zijn vaderland, weg van zijn ouders en vrienden. Genesis 12:1-4 Dat zijn toch de belangrijkste dingen die het leven aangenaam maken. Maar het is net alsof de Heer hem volgens een vast plan elk levensgenot wil ontnemen. Het land waar hij volgens Gods bevel moet gaan wonen, is hij nog maar net binnengetrokken, of de honger verdrijft hem al weer. Hij vlucht, op zoek naar hulp. Maar om zichzelf te redden, moet hij daar toestaan dat er ontucht gepleegd wordt met zijn vrouw. Genesis 12:10-20 Waarschijnlijk heeft hij dat erger gevonden dan wanneer hij vele doden had moeten sterven. Wat is er nu zo gelukkig aan om in een land te wonen waar je zo vaak honger moet lijden, of waar je zelfs van honger zou omkomen als je niet wegvlucht? Bovendien moet hij bij Abimelech opnieuw zijn vrouw opgeven om zijn eigen hachje te redden. Genesis 20
Vele jaren lang dwaalt hij rond van hot naar her. Ondertussen dwingen de aanhoudende ruzies van zijn slaven hem ertoe om zijn neef Lot weg te sturen. Genesis 13:5-12 Die neef beschouwde hij als zijn zoon! Dat afscheid heeft hij vast ervaren als een amputatie van een van zijn ledematen. Even later hoort hij dat zijn neef door vijanden gevangen genomen en weggevoerd is. Genesis 14:12-13 Waar hij ook gaat, overal ontmoet hij buren die afschuwelijk wreed zijn. Ze staan hem zelfs niet toe water te drinken uit de putten die hij met veel moeite gegraven heeft. Het recht om die putten te gebruiken zou hij immers niet van de koning van Gerar gekocht hebben, als het hem niet eerst verboden was om ze te gebruiken. Genesis 21:25-27
Bovendien wordt hij zo oud dat hij onvruchtbaar is. En dan is hij nog steeds kinderloos. Dat is het ergste! Maar tegen de verwachting in verwekt hij Ismaël. Diens geboorte komt hem echter duur te staan. Want Sara gunt hem geen rust met haar verwijten, alsof hij haar slavin zou aanzetten tot koppigheid en de onrust in huis dus zijn schuld zou zijn. Genesis 16 Uiteindelijk wordt Izak geboren. Maar het gevolg is dat Ismaël, de oudste, verstoten wordt. Eenzaam en haast als een vijand wordt hij weggejaagd. Genesis 21:1-21
Izak blijft alleen over. Afgeleefd en oud zou de goede man bij hem rust moeten vinden. Maar even later krijgt hij het bevel hem te offeren. Genesis 22:2 Zou een mens een nog grotere ramp kunnen verzinnen dan dat je als vader de beul wordt van je zoon? Als een ziekte Izak had weggerukt, wie zou de grijsaard dan niet heel ellendig gevonden hebben? Zijn zoon zou hem gegeven zijn om een spelletje met hem te spelen, om zijn verdriet alleen maar te verdubbelen omdat hij hem weer kwijtraakte. Als een of andere vreemde Izak gedood had, zou dat extra ellende betekend hebben omdat het zo laaghartig was. Maar dit overtreft alle soorten van ellende: dat je door je vader wordt afgemaakt.
Kortom, in heel zijn levensloop is Abraham zo geplaagd en gekweld – als je een schilderij zou willen maken van een leven vol kommer en kwel, dan zou je geen geschikter voorbeeld kunnen vinden. En nu moet niemand daar tegen inbrengen dat hij niet totaal ongelukkig geweest is, omdat hij uit zoveel grote stormen ten slotte toch gelukkig tevoorschijn gekomen is. Want als iemand na een eindeloze reeks moeilijkheden zich daar uiteindelijk toch nog aan ontworstelt, zeg je niet dat zo iemand een gelukkig leven geleid heeft. Dat zeg je pas als iemand nooit door rampen getroffen wordt en rustig kan genieten van de goede dingen in dit leven.
Izak en Jacob leefden op aarde in ellende
De rampen die Izak treffen, zijn kleiner. Toch proeft hij maar nauwelijks iets zoets. Ook hij ervaart de kwellingen die een mens geen kans geven om op aarde gelukkig te zijn. Hongersnood verdrijft hem uit het land Kanaän. Zijn vrouw wordt uit zijn armen gerukt. Zijn buren jagen hem soms weg en onderdrukken hem op allerlei manieren, zodat ook hij moet vechten om water. Thuis zorgen zijn schoondochters voor flinke ergernis. De onenigheid tussen zijn zonen kwelt hem. En de enige manier om dat te verhelpen is de zoon die hij gezegend heeft in ballingschap sturen. Genesis 26:1-28:5
Jacob echter is een bijzonder voorbeeld van extreem ongeluk. Zijn jeugdjaren thuis zijn zwaar, door de angst voor zijn broer die hem bedreigt. Uiteindelijk moet hij voor hem op de vlucht. Maar de pijn om als vluchteling in ballingschap te verblijven, weg van zijn ouders en zijn geboorteland, is niet het enige. Zijn oom Laban ontvangt hem bepaald niet vriendelijker. Zeven jaar werkt hij voor hem in een zwaar en streng dienstverband. Maar alsof dat nog niet genoeg is, wordt hij opzettelijk bedrogen met zijn vrouw. Voor zijn tweede vrouw moet hij een nieuw dienstverband aangaan. De hele dag brandt de zon op hem en ’s nachts moet hij waken in een bittere vrieskou, zoals hij zelf klaagt. Twintig jaar lang verduurt hij dit harde leven. Ondertussen wordt hij elke dag gekweld door nieuw onrecht dat zijn schoonvader hem aandoet. Ook thuis heeft hij geen rust. Zijn gezin wordt verscheurd en bijkans uit elkaar gejaagd door haat, ruzies en jaloezie van zijn vrouwen. Genesis 29-30
Als hij het bevel krijgt om naar zijn vaderland te trekken, is het nodig om zijn vlucht op een smadelijke aftocht te laten lijken. Toch kan hij zo niet aan zijn schoonvader ontkomen. Die achtervolgt hem en overvalt hem onderweg. Maar omdat God niets ergers laat gebeuren, kwelt hij hem alleen met zijn gescheld en gelaster. Terwijl Jacob alle reden had om zich over hem te beklagen. Kort daarna wacht hem een veel ernstiger probleem. Als hij op zijn broer Ezau afgaat, ziet hij zoveel doden voor zich als een wrede vijand je maar kan aandoen. Dus terwijl hij Ezaus komst afwacht, wordt hij enorm gemarteld en verscheurd door vreselijke angsten. Als hij zijn broer onder ogen komt, valt hij wezenloos aan zijn voeten neer, tot hij merkt dat hij vriendelijker is dan hij had durven hopen. Genesis 31-33
Bovendien wordt Rachel, de vrouw van wie hij zielsveel houdt, van hem afgenomen zodra hij het land binnentrekt. Genesis 35:16-20 Later krijgt hij te horen dat Jozef, de zoon die zij hem gebaard had en waar hij meer van hield dan van de anderen, verscheurd is door een wild dier. Hij vertelt zelf hoeveel verdriet diens dood hem doet. Hij huilt langdurig en sluit zich koppig af voor elke troost. Hij wil alleen nog maar blijven treuren tot hij bij zijn zoon in het graf gelegd wordt. Genesis 37
Ondertussen wordt zijn dochter Dina geschaakt en verkracht. Zijn zonen zijn zo overmoedig om dat te wreken, waardoor alle inwoners van het land een hekel aan hem krijgen en hij elk moment gevaar loopt om gedood te worden. Genesis 34 Zijn dat geen zwaarwegende redenen om te vrezen, te treuren en te walgen? Dan volgt die afschuwelijke misdaad van Ruben, zijn oudste zoon. Dat is het ergste dat hem kon overkomen. Immers, als je vrouw onteerd wordt, vindt men dat het ergste dat je kan overkomen. Wat moet je dan zeggen als je eigen zoon die misdaad begaat? Genesis 35:22 Even later wordt zijn gezin nog een keer door incest besmeurd. Genesis 38 Zelfs iemand die normaal bij tegenslagen altijd heel onverstoorbaar en onaangedaan is, moet door zoveel schanddaden wel geschokt zijn!
Tegen het eind van zijn leven wordt hij opnieuw getroffen door slecht nieuws. Tijdens een hongersnood probeert hij voor zichzelf en zijn gezin hulp te krijgen. Maar dan hoort hij dat een van zijn zonen gevangen zit. En om hem vrij te krijgen moet hij Benjamin, zijn enige troost, aan de andere zonen toevertrouwen. Genesis 42-43
Wie zou denken dat hij onder zoveel rampen een ogenblik tijd gekregen heeft om in elk geval nog even rustig op adem te komen? Hij is zelf zijn beste getuige. En hij verzekert de farao dat zijn leven op aarde kort en ongelukkig geweest is. Genesis 47:9 Hij verklaart dat zijn leven een aaneenschakeling was van ellende. Hij ontkent pertinent dat hij de voorspoed heeft ervaren die de Heer hem beloofd had. Dus óf Jacob was zo slecht en ondankbaar dat hij Gods genade niet op waarde schatte, óf hij had gelijk dat hij op aarde ongelukkig was geweest. Als zijn verzekering klopte, dan betekent dat dat hij zijn hoop niet gevestigd had op aardse dingen.
Abraham, Izak en Jacob verwachtten geen aards vaderland
Het staat in elk geval buiten kijf dat deze heilige aartsvaders uit Gods hand een gelukkig leven verwachtten. Als dat zo is, moeten ze aan een ander geluk gedacht hebben en naar ander geluk uitgekeken hebben dan aards geluk. De apostel heeft dat ook heel mooi laten zien. Hij zegt: ‘Door geloof heeft Abraham gewoond in het land van de belofte, als in een vreemd land. Hij woonde daar in tenten, samen met Izak en Jacob die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. Want zij verwachtten de goed gefundeerde stad, waarvan God de ontwerper en de bouwer is. Allemaal zijn zij gestorven in geloof. Wat hun beloofd was, hebben ze niet gekregen. Maar ze hebben het van een afstand gezien en het geloofd. Ze erkenden dat ze op aarde gasten en vreemdelingen waren. En zo lieten ze blijken dat ze op zoek waren naar een vaderland. Als ze heimwee hadden gehad naar het vaderland dat ze verlaten hadden – ze zouden in de gelegenheid geweest zijn om daarheen terug te gaan. Maar ze verlangden naar een beter vaderland: het hemelse vaderland. Daarom schaamt God zich er niet voor om hun God genoemd te worden. Want Hij had een stad voor hen klaargemaakt.’ Hebreeën 11:9-16
Op aarde was niets te zien dat hoop gaf dat de beloften vervuld werden. Toch bleven ze die beloften najagen. Ze zouden nog dommer geweest zijn als een blok hout als ze niet verwachtten dat die beloften ergens anders vervuld zouden worden. De apostel legt er ook niet voor niets vooral de nadruk op dat ze dit leven een buitenlandse reis noemden. Ook Mozes vertelt dat. Genesis 47:9 Want als ze gasten en vreemdelingen waren in het land Kanaän, hoe zit het dan met de belofte van de Heer dat ze aangewezen waren als erfgenamen van dat land? Hij geeft dus duidelijk aan dat de belofte van de Heer over het bezit van dat land verder reikte. En daarom hebben ze ook zelfs niet het kleinste lapje grond in het land Kanaän gekocht, behalve voor een graf. Handelingen 7:5; Genesis 23 Daarmee getuigden ze dat ze pas na hun dood de vrucht van de belofte hoopten te krijgen. Dat is de reden waarom Jacob het zo belangrijk vond om daar begraven te worden, dat hij zijn zoon Jozef overhaalde om dat met een eed te beloven. Genesis 47:29-31 En dat is ook de reden dat Jozef wilde dat zijn beenderen een paar eeuwen later daarheen gebracht zouden worden, lang nadat ze tot stof vergaan waren. Genesis 50:25
Jacob hoopte op eeuwig leven
Kortom, het staat duidelijk vast dat ze bij al hun doen en laten in hun leven het geluk van het toekomstige leven op het oog hadden. Want waarom zou Jacob anders het eerstgeboorterecht zo graag gehad willen hebben? Hij nam grote risico’s om dat eerstgeboorterecht te krijgen. Hij moest ervoor in ballingschap en werd er bijna om onterfd. Genesis 27:41-28:5 En het leverde hem niets op, tenzij hij het oog had op een hogere zegen. Dat hij het zo zag, verklaart hij in de woorden die hij met zijn laatste adem uitsprak: ‘Ik wacht op uw redding, HEER!’ Genesis 49:18 Welke redding zou hij verwacht hebben op het moment dat hij de laatste adem uitblies, als hij in de dood niet het begin zag van een nieuw leven?
Maar waarom zouden we discussiëren over de heiligen en over Gods kinderen? Zelfs iemand die verder de waarheid probeerde te bestrijden, heeft iets van deze wetenschap geproefd! Want Bileam zei: ‘Ik zou graag sterven als een oprechte, graag zou ik net zo’n einde hebben als hij!’ Numeri 23:10 Wat bedoelde hij toen anders dan dat hij ervoer wat David later uitsprak? David zei: in de ogen van de HEER is de dood van de heiligen kostbaar, Psalm 116:14 maar de dood van de goddelozen is slecht. Psalm 34:22 Als de dood de allerlaatste grens zou zijn, zou je daarin geen verschil kunnen aanwijzen tussen een rechtvaardige en een goddeloze. Maar na hun dood wacht hun elk een ander lot. Dat is het verschil tussen hen!
David hoopte op eeuwig leven
We zijn nog niet verder gekomen dan Mozes. Over hem zeggen mijn tegenstanders dat hij alleen maar als taak had om het vleselijke volk ertoe te brengen dat ze God gingen dienen, door de vruchtbaarheid van het land en door de overvloed van alle dingen. Maar als je het licht dat vanzelf op je afkomt niet wilt ontvluchten, is meteen duidelijk dat daarin een geestelijk verbond wordt afgekondigd.
Dan komen we bij de profeten. Daar schittert het eeuwige leven en het koninkrijk van Christus volledig. Om te beginnen bij David. Hij leefde qua tijd eerder dan de andere profeten. Daarom heeft hij volgens de volgorde van Gods uitdeling de hemelse mysteries minder duidelijk getekend dan zij. Maar toch, hoe duidelijk en hoe zeker is alles wat hij zegt gericht op dat doel!
Hoe hij het wonen op aarde taxeert, blijkt uit deze uitspraak: ‘Hier ben ik een gast en een vreemdeling, net als al mijn voorvaders. Elk mens die leeft, is maar een zucht. Ieder wandelt als een schaduw. Wat verwacht ik dan, Heer? Ik hoop op U!’ Psalm 39:13; 39:6-8 Echt, wie erkent dat er op aarde niets zeker of blijvend is en toch zijn hoop op God gevestigd houdt, ziet het vast zo dat voor hem ergens anders geluk klaarligt.
Telkens als hij de gelovigen echt wil troosten, wijst hij hen erop dat ze het zo moeten zien. Want ergens anders heeft hij het er eerst over hoe kort, kwetsbaar en vergankelijk het leven van de mens is. En dan vervolgt hij met: ‘Maar voor wie Hem vrezen, is de HEER voor eeuwig barmhartig.’ Psalm 103:17
En hetzelfde staat ook in Psalm 102: ‘In het begin, HEER, hebt u het fundament gelegd voor de aarde en de hemel is het werk van uw handen. Zij zullen vergaan, maar U blijft staan. Zij raken verweerd als een kleed en U verwisselt ze als een gewaad. Maar zelf blijft U dezelfde en er komt geen eind aan uw jaren. De kinderen van uw dienaren zullen wonen en hun nageslacht blijft altijd voor uw ogen.’ Psalm 102:26-29 Als de vromen ondanks hun ondergang toch altijd voor Gods ogen blijven, betekent dat dat hun behoud verbonden is met Gods eeuwigheid.
Maar die hoop kan alleen maar bestaan als die gebaseerd is op de belofte die bij Jesaja gegeven wordt. ‘De hemel,’ zegt de Heer, ‘vervluchtigt als een damp en de aarde raakt verweerd als een kleed en haar inwoners sterven, net als zij. Maar mijn behoud is voor eeuwig en mijn rechtvaardigheid verdwijnt nooit.’ Jesaja 51:6 Daar worden rechtvaardigheid en het behoud eeuwig genoemd. Niet zoals ze in God huizen, maar zoals de mensen ze ervaren.
David erkende dat het goddelozen op aarde vaak beter gaat dan de gelovigen
En wat David overal zingt over de voorspoed van de gelovigen mag je alleen zo opvatten: het slaat op de openbaring van de hemelse glorie. Bijvoorbeeld als hij zegt: ‘De Heer bewaart de zielen van zijn heiligen. Hij zal hen bevrijden uit de hand van de zondaren. Het licht is opgegaan voor wie rechtvaardig is en de blijdschap is aangebroken voor wie oprecht van hart is.’ Psalm 97:10-11 En: ‘De rechtvaardigheid van de vrome bestaat voor eeuwig. Zijn hoorn zal eervol verheven worden. Wat de goddelozen willen, vergaat.’ Psalm 112:9-10 En: ‘Echt waar, de rechtvaardigen zullen uw naam belijden, de oprechten zullen voor uw ogen wonen.’ Psalm 140:14 En: ‘De rechtvaardige zal voor eeuwig herinnerd worden.’ Psalm 112:6 En: ‘De HEER zal de ziel van zijn dienaren verlossen.’ Psalm 34:23
De Heer geeft zijn dienaren immers vaak over aan goddelozen, zodat die met hen kunnen doen wat ze maar willen. Ze kunnen hen niet alleen kwellen, maar ook verscheuren en doden. Hij laat toe dat goeden in het donker wegkwijnen in het vuil, terwijl goddelozen haast schitteren onder de sterren. Hij verblijdt hen niet zo met de lieflijkheid van zijn gelaat dat ze altijd maar blij zijn. Ook zelf verzwijgt David niet dat gelovigen heel zware beproevingen moeten doorstaan als ze alleen maar letten op hoe de zaken er in het tegenwoordige leven voorstaan. Dan is het net alsof God geen genade kent en onschuld niet beloont. Juist goddelozen zijn vaak voorspoedig en gelukkig, terwijl vromen gebukt gaan onder spot, armoede, minachting en allerlei andere kruizen. Hij zegt : ‘Mijn voeten waren bijna afgeweken, mijn voetstappen waren bijna uitgegleden. Want het geluk van de dwazen kwelt mij, ik zie de voorspoed van de goddelozen.’ Ten slotte sluit hij zijn verhaal zo af: ‘Ik heb geprobeerd om dit te begrijpen, maar dat is te moeilijk voor mijn geest. Totdat ik het heiligdom van de Heer binnenga en begrijp hoe zij eindigen.’ Psalm 73:2-3; 73:16-17
Gelovigen hechtten geen waarde aan voorspoed of tegenspoed op aarde
Alleen al deze erkenning van David moet ons dus leren dat de aartsvaders onder het Oude Testament heel goed wisten dat God zelden of nooit in deze wereld werkelijkheid laat worden wat Hij zijn dienaren belooft. Daarom richtten ze hun hart omhoog naar Gods heiligdom. Wat in dit leven niet zichtbaar is, lag daar voor hen opgeborgen. Dat was het laatste oordeel van God. Met hun ogen zagen ze daar niets van, maar ze waren ermee tevreden dat ze het door geloof begrepen. Wat er in de wereld ook gebeurde, dankzij hun geloof twijfelden ze er niet aan dat eens het moment zou komen dat Gods beloften vervuld zouden worden.
Deze woorden bewijzen dat: ‘Ik zal in rechtvaardigheid uw gezicht zien, ik zal verzadigd worden van het kijken naar U.’ Psalm 17:15 En: ‘Ik zal net een groene olijfboom zijn in Gods huis.’ Psalm 52:10 En: ‘De rechtvaardige zal gedijen als een palmboom, hij zal groeien als een ceder op de Libanon. Zij die in het huis van de HEER geplant zijn, zullen bloeien in de voorhoven van onze God. Als ze oud geworden zijn, zullen ze nog vrucht dragen. Ze zullen vet en groen zijn.’ Psalm 92:13-15 Terwijl hij kort daarvóór gezegd had: ‘Hoe diep zijn uw gedachten, Jehova! De goddelozen groeien en bloeien als onkruid om voor eeuwig te worden weggevaagd.’ Psalm 92:6-8
Waar blijven de pracht en de praal van de gelovigen? Die zullen komen als het aanzien van deze wereld op zijn kop gezet wordt doordat Gods koninkrijk geopenbaard wordt. Als gelovigen hun blik richtten op die eeuwigheid, minachtten ze de vluchtige tegenslagen die hen in dit leven troffen. Dan juichten ze onbekommerd met deze woorden: ‘U zult voor eeuwig niet toelaten dat de rechtvaardige sterft! Maar U zult de slechten in een put storten om te vergaan.’ Psalm 55:23-24 Waar blijft in deze wereld de put waar je voor eeuwig vergaat, de put die de slechte verzwelgt? Ergens anders worden ze ook nog eens gelukkig genoemd omdat ze op de laatste dag van hun leven in een ogenblik sterven, zonder veel te hoeven lijden. Job 21:13 Waar blijft die geweldige duurzaamheid van de heiligen? David klaagt voortdurend dat ze niet alleen geplaagd worden, maar zelfs gebukt gaan en totaal verpletterd worden. Maar hij keek niet naar wat de wispelturige lotswisselingen van de wereld brengen. Hij keek naar wat de Heer zal doen als
Hij eens op zijn rechterstoel gaat zitten om voor eeuwig te bepalen wat er van hemel en aarde wordt.
Ergens anders zegt dat hij dat heel fraai: ‘De dwazen leunen op hun overvloed en pochen op hun grote rijkdom. Toch kan niemand, hoe geweldig en machtig hij ook is, zijn broeder redden van de dood. Niemand kan God het losgeld betalen om een ander vrij te kopen. Ze zien wel dat de wijzen sterven en dat de slechten en dwazen net zo goed omkomen en hun rijkdommen moeten achterlaten. Toch denken ze dat hun huizen blijvend zijn, dat hun woningen voor altijd zijn en proberen ze op aarde beroemd te worden. Maar een mens blijft niet in ere. Net als de beesten komt hij om. Dit idee van hen is hun grootste dwaasheid. Toch volgen ze die graag. Als een kudde worden ze naar de hel gebracht, de dood zal over hen heersen. Als het licht opgegaan is, zullen de rechtvaardigen over hen regeren. Hun schoonheid vergaat, de hel zal hun woonplaats zijn.’ Psalm 49:8-15
De dwazen worden bespot omdat ze hun rust zoeken in de vluchtige en voorbijgaande dingen van de wereld. Dat toont om te beginnen aan dat wijzen een heel ander geluk moeten zoeken. Maar David brengt het mysterie van de opstanding nog duidelijker aan het licht als hij het koninkrijk van de vromen opricht, nadat de goddelozen vergaan en vernietigd zijn. Wat zou hij anders bedoelen met het opgaan van het licht? Natuurlijk de verschijning van het nieuwe leven dat komt als het tegenwoordige leven voorbij is!
Het ging om wat er na het aardse leven komt
Zo ontstond het idee waarmee de gelovigen zich in ellende troostten en dat ze gebruikten als een hulpmiddel om geduldig te zijn: ‘De woede van de HEER duurt maar een ogenblik, maar zijn barmhartigheid duurt een leven lang.’ Psalm 30:6 Hoe konden ze zeggen dat hun kwellingen in een ogenblik voorbij waren? Ze werden bijna heel hun leven gekweld! Waar zagen ze dat Gods goedheid zo lang duurde? Ze proefden er nauwelijks iets van! Als ze zich aan de aarde hadden gehecht, zouden ze dit nooit hebben kunnen bedenken. Maar ze keken op naar de hemel en daarom erkenden ze dat de tijd dat de Heer de heiligen met een kruis traint, niet langer duurt dan een ondeelbaar ogenblik. En dat het medelijden waarmee Hij hen verzamelt voor eeuwig is. Jesaja 54:7-8 Aan de andere kant zagen ze aankomen dat de goddelozen, die voor één dag zo gelukkig waren als in een droom, voor eeuwig zouden vergaan. Aan hun ondergang zou nooit een eind komen.
Vandaar deze uitspraken: ‘De herinnering aan de rechtvaardige brengt zegen. Maar de naam van de goddeloze zal wegrotten.’ Spreuken 10:7 ‘In de ogen van de HEER is de dood van de heiligen kostbaar, Psalm 116:14 maar de dood van de goddelozen is heel slecht.’ Psalm 34:22 Ook bij Samuël: ‘De HEER bewaart de voeten van zijn heiligen, maar de goddelozen moeten zwijgen in de duisternis.’ 1 Samuël 2:9 Die uitspraken maken duidelijk dat de gelovigen heel goed wisten dat het ultieme einde voor de heiligen leven en redding betekent, hoe ze ook heen en weer geslingerd worden. En dat het geluk van de goddelozen een aangename weg is die hen langzaam maar zeker naar de afgrond van de dood brengt. Daarom noemen ze het sterven van goddelozen ‘de dood van de onbesnedenen’. Ezechiël 28:10; 31:18; 32:19-32 Want voor zulke mensen was de hoop op de opstanding afgesneden. En daarom is dit de zwaarste vloek die David kon bedenken: ‘Wis hen uit uit het boek van het leven, schrijf hen niet op samen met de rechtvaardigen.’ Psalm 69:29
Job rekent op een leven na dit leven
Maar opvallend is vooral deze uitspraak van Job: ‘Want ik weet dat mijn verlosser leeft en ik zal op de laatste dag opstaan uit de aarde en in mijn vlees zal ik God, mijn redder, zien. Die hoop huist in mijn hart.’ Job 19:25-27 Zij die ermee te koop willen lopen hoe intelligent ze zijn, proberen dit te omzeilen door te beweren dat dit niet op de opstanding op de laatste dag slaat, maar op de eerste de beste dag waarop Job verwachtte dat God vriendelijker voor hem zou zijn. En zelfs al geef ik dit gedeeltelijk toe, toch moeten ze mij toegeven, of ze dat nu willen of niet, dat Job nooit tot dit heerlijke vooruitzicht had kunnen komen als hij in gedachten op aarde was blijven hangen. We moeten dus erkennen dat hij zijn ogen omhoog richtte op de toekomstige onsterfelijkheid. Want hij zag dat zijn verlosser hem te hulp zou komen, zelfs als hij in het graf lag. Immers, voor wie alleen aan het tegenwoordige leven denkt, is de dood de ultieme wanhoop. Maar zelfs de dood kon hem zijn hoop niet afnemen. ‘Zelfs al zou Hij me doden,’ zei Job, ‘dan zal ik toch nog op Hem hopen.’ Job 13:15
En nu moet niet een of andere kletsmajoor mij tegenwerpen dat slechts een enkeling zoiets gezegd heeft en dat dat dus helemaal niet bewijst dat de Joden dit zo leerden. Want dan is direct mijn antwoord dat die enkelingen met zulke uitspraken niet een of andere geheime wijsheid onthulden, waar alleen mensen die uitblonken qua verstand persoonlijk en individueel toegang toe hadden. De Heilige Geest had hen aangesteld als leraar voor het volk. Daarom verkondigden ze openlijk Gods mysteries. Iedereen moest die leren kennen als de basisprincipes voor de godsdienst van het volk. Wij horen dus publieke goddelijke uitspraken van de Heilige Geest die Hij klip en klaar in de kerk van de Joden gedaan heeft over het geestelijke leven. Daarom zou het van een onacceptabele koppigheid getuigen als we die reduceren tot een vleselijk verbond waarin het alleen over de aarde en over aardse rijkdom gaat.
Een sleutel om de overige profeten te lezen
Als ik bij de latere profeten kom, kunnen we daar vrij rondlopen alsof we op ons eigen terrein zijn. Bij David, Job en Samuël was het al niet moeilijk om te winnen, maar hier is het nog veel gemakkelijker. Want de Heer heeft bij het uitdelen van zijn verbond dit plan en deze volgorde gevolgd: hoe dichter men bij het verstrijken van de tijd kwam bij het moment dat de volle werkelijkheid geopenbaard zou worden, hoe meer licht Hij elke dag gaf. Daarom waren er in het begin, toen Adam de eerste belofte over redding kreeg, maar enkele kleine vonkjes zichtbaar. Daarna kwamen er steeds meer en ging er steeds meer licht schitteren. Dat werd vervolgens steeds beter zichtbaar. De lichtglans breidde zich steeds verder uit en uiteindelijk waren alle wolken verdreven en werd heel de wereld volledig verlicht door Christus, de zon van rechtvaardigheid. Maleachi 4:2 (3:20) Als we bij de profeten naar bewijs gaan zoeken om onze zaak te onderbouwen, hoeven we dus niet bang te zijn dat er geen bewijs is. Ik zie juist dat er een enorme hoeveelheid materiaal ligt dat mij veel meer tijd zou kosten dan de opzet van mijn werk toelaat. Want er zou genoeg materiaal zijn voor een dik boek. Bovendien vind ik dat ik met wat ik hiervóór gezegd heb al een weg gebaand heb, ook voor een lezer met weinig inzicht. Hij kan nu zelf onbelemmerd verdergaan. Daarom zie ik af van een uitgebreide behandeling, want dat is op dit moment niet meer zo nodig.
Wel waarschuw ik mijn lezers eerst nog even dat ze erom moeten denken de sleutel, die ik hun hiervóór in handen gegeven heb, ook te gebruiken om de weg gemakkelijk te maken. De profeten hebben het steeds over het geluk van het gelovige volk. Maar van dat geluk zie je in dit leven nauwelijks een heel klein spoortje.
Mijn lezers moeten dan hun toevlucht nemen tot dit onderscheid: om Gods goedheid nog beter aan te prijzen schetsen de profeten die voor het volk door middel van tijdelijke zegeningen. Maar ze tekenen die dan zo dat hun gedachten daardoor buiten de aarde, buiten de onderdelen van deze wereld en deze voorbijgaande tijd gebracht zouden worden. Onontkoombaar moet zo’n tekening hen ertoe opwekken om te denken aan het volmaakte geluk in het toekomstige geestelijke leven.
Het visioen van Ezechiël over de uitgedroogde beenderen
We moeten tevreden zijn met één voorbeeld. Toen de Israëlieten weggevoerd waren naar Babel, vonden ze dat hun verstrooiing erg leek op de dood. Ze konden amper afgebracht worden van de overtuiging dat Ezechiëls profetie over hun terugkomst maar een fabeltje was. Voor hen was dat hetzelfde als wanneer hij hun had verkondigd dat lijken die al vergaan waren, weer tot leven gewekt zouden worden. Om te laten zien dat zelfs dat probleem voor God geen belemmering is om zijn zegen te laten plaatsvinden, liet de Heer de profeet in een visioen een veld vol uitgedroogde beenderen zien. En door de kracht van zijn woord gaf Hij die beenderen in één oogwenk weer de kracht om te leven en te bewegen. Ezechiël 37:1-14 Dit visioen was weliswaar bedoeld om het ongeloof van dat moment te corrigeren. Maar tegelijk wees het de Joden er ook op hoeveel verder de kracht van de Heer reikte dan het terugbrengen van het volk. Want enkel door een wenk van Hem maakte Hij uitgedroogde en verstrooide beenderen weer levend. Zo gemakkelijk!
Daarom is het terecht als je deze uitspraak vergelijkt met een uitspraak van Jesaja: ‘De doden zullen leven, ook mijn lijk, ze zullen opstaan. Word wakker en juich, jullie die in het stof wonen! Want jullie dauw zal zijn als de dauw op een groen veld. Jullie zullen het land van de reuzen onderwerpen. Ga op weg, mijn volk, ga je binnenkamer in, doe de deur achter je dicht, verberg je een tijdje, totdat de woede voorbij is. Want kijk, de HEER verlaat zijn woonplaats om de onrechtvaardigheid van de bewoners van de aarde op hen te verhalen. En de aarde zal haar bloed onthullen en zal de gedoden niet langer bedekt houden.’ Jesaja 26:19-21
Jesaja en Daniël spreken onverhuld over de onsterfelijkheid
Maar als je alles probeert te reduceren tot zo’n schema, dan zou je absurd bezig zijn. Want er zijn enkele passages die onverhuld de toekomstige onsterfelijkheid laten zien die gelovigen te wachten staat in Gods koninkrijk. Sommige van die passages heb ik al aangehaald en er zijn nog heel veel meer van zulke passages. Vooral de volgende twee.
De ene passage is van Jesaja: ‘Zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die Ik voor mijn ogen plaats, zo zal ook jullie nageslacht voor mijn ogen staan. En maand na maand en sabbat na sabbat zal het zo zijn: alle stervelingen zullen Mij onder ogen komen om te aanbidden, zegt de HEER. En als ze naar buiten gaan, zullen ze de lijken zien van de mannen die tegen Mij gezondigd hebben. Want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet gedoofd worden.’ Jesaja 66:22-24
De andere passage is van Daniël: ‘In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst die de kinderen van zijn volk bijstaat. Dan komt er een moeilijke tijd, zoals er nog nooit geweest is sinds er volken bestaan. En dan zal heel jouw volk verlost worden, iedereen die in het boek geschreven blijkt te staan. En van degenen die in het stof van de aarde slapen, zullen sommigen wakker worden om eeuwig te leven en anderen om eeuwig verafschuwd te worden.’ Daniël 12:1-2
Conclusie: het Oude Testament ging over het eeuwige leven
Er zijn nu nog twee punten over: dat de aartsvaders Christus hadden als een waarborg van het verbond en dat ze wat betreft de zegen al hun vertrouwen op Hem stelden. Ik zal niet veel moeite doen om deze twee punten te bewijzen. Want over deze punten bestaat minder discussie en meer duidelijkheid. We kunnen dus veilig concluderen en geen enkele list van de duivel kan dat omverhalen: het Oude Testament of het verbond van de Heer met het volk Israël was niet beperkt tot aardse dingen. Het bevatte de belofte van het geestelijke, eeuwige leven. Het hart van iedereen die werkelijk met dat verbond instemde, moest gestempeld zijn door het uitkijken naar dat leven. En we moeten dus het dwaze en gevaarlijke idee uitbannen dat de Heer de Joden niets anders aangeboden heeft en dat zij niets anders zochten dan een volle buik, vleselijk genot, royaal florerende rijkdommen, uiterlijke macht, veel kinderen en alles waar een vleselijk mens maar waarde aan hecht.
Want Christus belooft de zijnen tegenwoordig geen ander hemels koninkrijk dan een koninkrijk waar ze samen met
Abraham, Izak en Jacob aan tafel zitten. Mattheüs 8:11 En Petrus verzekerde dat de Joden in zijn tijd erfgenamen waren van de genade van het evangelie. Want ze waren zonen van de profeten en waren opgenomen in het verbond dat de Heer ooit met zijn volk had gesloten. Handelingen 3:25
En om te voorkomen dat hier alleen met woorden van getuigd zou zijn, heeft de Heer het ook met daden bevestigd. Want op het moment dat hij opstond, liet Hij ook veel heiligen delen in zijn opstanding. Hij zorgde ervoor dat die heiligen in de stad gezien werden. Mattheüs 27:52-53 Daarmee gaf Hij een waarborg dat alles wat Hij gedaan en geleden heeft om het eeuwige behoud te verwerven net zo goed van toepassing is op de gelovigen van het Oude Testament als op ons.
Zij hadden immers ook dezelfde Geest gekregen als de Geest waardoor wij opnieuw geboren worden om te leven. Petrus getuigt dat. Handelingen 15:8 Die Geest wordt ergens anders ook een waarborg genoemd van onze erfenis. Efeziërs 1:14 Als we horen dat die Geest ook in hen gewoond heeft, hoe zouden we hun die erfenis dan durven afpakken? En daarom is het extra vreemd dat de sadduceeën vroeger de domme fout maakten dat ze zowel de opstanding als de onsterfelijkheid van de ziel ontkenden. Mattheüs 22:23; Handelingen 23:8 Want die beide dingen werden bevestigd door heel overtuigende bewijzen uit de Schrift.
En tegenwoordig zouden we het niet minder monsterlijk moeten vinden dat heel het Joodse volk zo dwaas is om een aards koninkrijk van Christus te verwachten. Alleen, de Schrift heeft al lang van tevoren voorzegd dat de Joden deze straf zouden krijgen omdat ze het evangelie verwerpen. Want dat is in overeenstemming met Gods rechtvaardig oordeel. Hij slaat met blindheid het hart van hen die het hemelse licht dat hun wordt aangeboden afwijzen en uit eigen beweging de duisternis over zich afroepen. De Joden lezen en herlezen Mozes dus wel. Maar er ligt een sluier over hen heen. Dat voorkomt dat ze het licht zien dat glanst op Mozes’ gezicht. 2 Korinthiërs 3:14 En zo zal hij bedekt en omhuld blijven, totdat ze hem naar Christus keren. Want nu proberen ze hem zoveel mogelijk van Christus af te wenden en bij Hem vandaan te brengen.
Voetnoten
- 277
Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XV, 11; XIX, 16.
Voetnoot 277
Augustinus, Contra Faustum Manichaeum XV, 11; XIX, 16.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.