Boek II · Hoofdstuk 5
Kritiek op de onvrijheid van de wil
Inhoud van dit hoofdstuk · 19 secties
- 1Onvermijdelijkheid en vrijwilligheid sluiten elkaar niet uit
- 2Inderdaad is er geen ruimte om zelf iets te verdienen
- 3Het komt door de uitverkiezing dat niet alle mensen slecht blijven
- 4Vermaningen zijn niet nutteloos, ook al kunnen we uit onszelf niet gehoorzamen
- 5Het nut van vermaningen
- 6Gods geboden zijn geen bewijs voor waar wij toe in staat zijn
- 7Gods geboden leren ons hoe zwak we zijn
- 8Drie categorieën van geboden
- 9De wet eist meer van ons dan we kunnen
- 10Gods beloften dienen ongeveer hetzelfde doel als zijn geboden
- 11Het is terecht dat God mensen hun slechte daden verwijt
- 12Als Mozes zegt dat we de wet kunnen doen, doelt Hij op Gods genade
- 13Als God afwacht wat mensen doen, is dat geen bewijs voor een vrije wil
- 14Onze goede daden zijn van ons omdat we ze krijgen
- 15Onze goede daden zijn van ons omdat ze niet buiten onze wil omgaan
- 16Kaïn was niet in staat zijn zonde tegen Abel te beheersen
- 17Onze redding hangt niet af van onze wil of inspanning
- 18Jezus Sirach levert geen bewijs voor de vrije wil
- 19De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan levert geen bewijs voor de vrije wil
Onvermijdelijkheid en vrijwilligheid sluiten elkaar niet uit
Het zou kunnen lijken dat ik nu genoeg gezegd heb over de menselijke wil. Alleen zijn er mensen die de menselijke wil met een vals idee van vrijheid ten val proberen te brengen. Zij hebben argumenten aangevoerd om mijn opvatting te bestrijden. In de eerste plaats komen ze met enkele absurde redeneringen om mijn opvatting zwart te maken, alsof mijn opvatting in strijd zou zijn met gezond verstand. Vervolgens binden ze ook de strijd met mij aan met bewijzen uit de Schrift. Beide tactieken zal ik een voor een ontzenuwen.
Als zonde onvermijdelijk is, zeggen ze, is zonde geen zonde meer. Als mensen zonde willen, is zonde dus niet onvermijdelijk. Dat zijn dezelfde wapens waarmee Pelagius Augustinus aanviel. Maar ik zal hen niet lastigvallen met de naam van Pelagius, voordat ik inhoudelijk voldoende op hun argumenten ingegaan ben. Welnu, ik ontken dat zonde minder strafbaar zou zijn omdat zonde onvermijdelijk is. En ik ontken ook dat zonde niet onvermijdelijk zou zijn, zoals zij beweren, omdat mensen zonde willen.
Wil iemand met God in discussie gaan en aan zijn oordeel ontkomen met het excuus dat hij niet anders kon? Dan ligt het antwoord klaar dat ik al eerder gegeven heb: het komt niet door de schepping, maar door het bederf van onze natuur dat de mens onderworpen is aan de zonde en alleen maar kwaad wil doen. Goddelozen willen hun onmacht wel graag als excuus gebruiken.
Maar Adam heeft zich uit eigen beweging onderworpen aan de tirannie van de duivel. Waar zou onze onmacht anders vandaan komen? Dit is dus de oorzaak van het bederf dat ons geketend houdt: de eerste mens heeft zijn schepper verraden. Alle mensen zijn schuldig aan dit verraad. Als dat waar is, moeten ze dus niet denken dat hen geen blaam treft omdat hun zonde onvermijdelijk is. Die onvermijdelijkheid laat juist heel duidelijk de reden zien voor hun veroordeling.
Dit heb ik hierboven duidelijk uitgelegd. En ik heb de duivel zelf als voorbeeld gesteld om duidelijk te maken dat wie onvermijdelijk zondigt, toch zondigt omdat hij dat wil. Op dezelfde manier houden aan de andere kant de uitverkoren engelen toch hun eigen wil, ook al kan die wil niet afwijken van het goede.
Bernardus van Clairvaux leert dit ook heel slim: wij zijn er extra ellendig aan toe omdat de onvermijdelijkheid vrijwillig is. Maar die onvermijdelijkheid houdt ons zo gevangen dat we slaven van de zonde zijn, zoals ik hiervóór verteld heb.
Het tweede deel van het argument van mijn tegenstanders – dat zonde niet onvermijdelijk is omdat mensen zonde willen – is gewoon fout. Want het is verkeerd om zo van ‘willen’ over te springen op ‘vrij’. Ik heb hierboven aangetoond dat we vrijwillig dingen doen zonder dat we er ook vrij voor kiezen.
Inderdaad is er geen ruimte om zelf iets te verdienen
Verder luidt de kritiek van mijn tegenstanders dat het ongepast is dat de mens straf krijgt of beloond wordt als goede en slechte daden niet voortkomen uit een vrije keus van de wil. Dit argument is afkomstig van Aristoteles. Maar ik geef toe dat Chrysostomos en Hiëronymus het ook gebruikt hebben. Echter, Hiëronymus zelf ontkent niet dat de pelagianen dit argument gebruikten. Hij citeert hen zelfs in hun eigen woorden: ‘Als Gods genade in ons werkt, dan is de erekrans voor die genade en niet voor ons. Want dan hebben wij het werk niet gedaan.’
Wat betreft de straffen is mijn antwoord dat we terecht gestraft worden. Want de bron van de schuld voor de zonde ligt in onszelf. Wat maakt het uit of we zondigen uit een vrije of uit een slaafse keuze? We zondigen toch omdat we dat zelf willen. En het beste bewijs dat de mens een zondaar is, is toch dat hij slaaf is van de zonde?
Wat betreft de beloningen voor onze rechtvaardigheid, is het echt zo absurd als we erkennen dat die beloningen afhankelijk zijn van Gods welwillendheid en niet van wat we zelf verdiend hebben? Hoe vaak vind je niet bij Augustinus dat God niet onze verdiensten een erekrans geeft, maar zijn eigen gaven. En dat ze geen beloningen genoemd worden omdat we daar recht op hebben omdat we het verdiend hebben, maar omdat daarmee de genadegaven beloond worden die God ons eerder al gegeven heeft.
Inderdaad is het heel scherpzinning van mijn tegenstanders als ze opmerken dat er geen ruimte meer is om zelf iets te verdienen als wat we verdienen niet voortkomt uit de bron van de vrije wil. Maar ze dwalen heel erg als ze vinden dat dat een afwijkend standpunt is. Augustinus aarzelt immers niet om wat zij zo ongepast vinden, op meerdere plaatsen te leren als iets essentieels. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘Wat hebben alle mensen verdiend? Hij die als enige vrij is van zonde en onze verlosser is, komt niet met loon dat wij verdiend hebben. Hij komt met onverdiende genade. En als Hij komt, vindt Hij alleen maar zondaren.’
Ook zegt Augustinus: ‘Als je betaald krijgt wat je verdient, moet je gestraft worden. Maar wat gebeurt er? God geeft je niet de straf die je verdient, maar onverdiende genade. Als je geen deel wilt hebben aan die genade, poch dan maar over je eigen verdiensten.’ En: ‘Uit jezelf ben je niets. Je zonden zijn van jezelf, maar wat je verdiend hebt, is van God. Zelf heb je alleen straf verdiend. Maar als de beloning komt, zal Hij een erekrans geven voor zijn eigen gaven, niet voor wat jij verdiend hebt.’
Ergens anders leert hij iets wat op hetzelfde neerkomt: genade is niet het resultaat van wat je verdient, maar wat je verdient is het resultaat van genade. En even later concludeert hij dat God met zijn genade aan alle verdiensten voorafgaat. Zo wil God zijn eigen verdiensten tevoorschijn brengen. Hij geeft alles helemaal gratis. Want Hij vindt niets dat een reden zou kunnen zijn om een mens te redden.
Maar waarom zou ik nog meer moeten opsommen? Zulke uitspraken komen vaak in Augustinus’ geschriften voor. En de apostel Paulus kan mijn tegenstanders nog beter bevrijden van deze dwaling, als ze horen op basis van welk uitgangspunt hij concludeert dat de heiligen delen in Gods glorie. ‘Degenen die Hij van tevoren ertoe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen. En degenen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd. En degenen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook laten delen in zijn glorie.’ Romeinen 8:30 Waarom krijgen de gelovigen dus de erekrans, 2 Timotheüs 4:8 volgens het getuigenis van de apostel? Omdat ze door de barmhartigheid van de Heer – niet door hun eigen inspanningen – ertoe bestemd, geroepen en gerechtvaardigd zijn.
Weg dus met die onnodige vrees dat er niets meer te verdienen valt als de vrijheid van de wil niet overeind blijft. Want het is het toppunt van dwaasheid als je bang wordt en wegvlucht voor het standpunt waar de Schrift ons juist heenroept. De Schrift zegt: ‘Als je alles gekregen hebt, waarom laat je je er dan op voorstaan alsof je het niet gekregen hebt?’ 1 Korinthiërs 4:7 Je ziet dus dat de apostel van de vrije wil niets overlaat. Want hij wil geen ruimte laten om zelf iets te verdienen. Maar Gods goedheid en vrijgevigheid zijn onuitputtelijk en veelzijdig. Daarom beloont Hij de genadegaven die Hij ons geeft, alsof het onze eigen goede eigenschappen waren. Want Hij maakt dat ze van ons zijn.
Het komt door de uitverkiezing dat niet alle mensen slecht blijven
Het volgende punt van kritiek van mijn tegenstanders lijkt misschien afkomstig van Chrysostomos: als we niet zelf kunnen kiezen tussen goed en kwaad, moet iedereen slecht zijn, of iedereen goed. Want we delen allemaal in dezelfde menselijke natuur. Ook de schrijver – wie hij ook mag zijn – van het boek Over de roeping van de heidenen – het is in omloop onder de naam van Ambrosius – redeneert op een manier die daar wel op lijkt. Hij zegt dat er nooit iemand van het geloof zou afwijken als Gods genade ons in een onveranderlijke toestand zou brengen.
Het is wel vreemd dat zulke grote mannen zich hierin zo hebben vergist. Want hoe is het mogelijk dat Chrysostomos niet op het idee gekomen is dat Gods uitverkiezing onderscheid maakt tussen mensen? Ik ben in elk geval niet bang om toe te geven dat iedereen slecht is en overgeleverd aan het kwaad, zoals Paulus nadrukkelijk stelt. Romeinen 3:12 Maar met Paulus voeg ik eraan toe dat door Gods barmhartigheid niet iedereen in het kwaad blijft. Van nature lijden we allemaal aan dezelfde ziekte. Maar gezond worden alleen zij aan wie de Heer zijn genezende hand wil toesteken. In zijn rechtvaardig oordeel passeert Hij de rest. Zij rotten weg totdat ze volledig verteerd zijn.
Dat is ook de oorzaak dat sommigen tot het eind toe volhouden en anderen in het begin van hun loop ten val komen. Immers, ook het volhouden is zelf een geschenk van God. Hij geeft dat geschenk niet aan iedereen, zonder onderscheid. Hij deelt het alleen uit aan wie Hij dat wil. Als iemand vraagt wat de reden is voor dat onderscheid, waarom de een standvastig volhoudt en een ander wankelt en afvalt – dan is er voor ons geen andere reden dan dat God sommigen kracht geeft en hen overeind houdt. Hij wil niet dat ze omkomen. Maar anderen stelt Hij diezelfde kracht niet ter beschikking. Want Hij wil hen tot een voorbeeld stellen van wankelmoedigheid.
Vermaningen zijn niet nutteloos, ook al kunnen we uit onszelf niet gehoorzamen
Bovendien houden mijn tegenstanders vol dat als een zondaar niet in staat is om te gehoorzamen, het geen zin heeft om hem daartoe aan te sporen. Dan is het overbodig om hem te vermanen en is belachelijk om hem zijn ongehoorzaamheid te verwijten.
In het verleden kreeg Augustinus met dezelfde bezwaren te maken. Hij vond het toen nodig om zijn boekje Over berisping en genade te schrijven. Daarin weerlegt hij deze bezwaren uitvoerig. Maar hij vat zijn oproep aan zijn tegenstanders om tot inkeer te komen zo samen: ‘O mens, leer uit het gebod wat je verplicht bent te doen. Leer uit de straf dat je door je bederf niet aan je verplichtingen voldoet. Leer uit het gebed hoe je toch kunt krijgen wat je hebben wilt.’
Zijn boek Over de Geest en de letter gaat over ongeveer hetzelfde onderwerp. Daarin leert hij dat God zijn geboden niet aanpast aan waar de mens toe in staat is. Hij gebiedt wat juist is. En vervolgens geeft Hij zijn uitverkorenen gratis het vermogen om die geboden te vervullen.
Ook dit bezwaar hoeft niet uitgebreid behandeld te worden. Om te beginnen sta ik in deze kwestie niet alleen. Christus en de apostelen staan aan mijn kant. Mijn tegenstanders moeten dus maar zien hoe ze de overwinning willen behalen als ze met hen de strijd aangaan. Christus verklaart dat we zonder Hem niets kunnen. Johannes 15:5 Is dat voor Christus reden om de mensen die zonder Hem kwaad deden minder te berispen of te bestraffen? Is dat voor Hem reden om minder te waarschuwen dat iedereen zijn best moet doen om het goede te doen?
Wat haalt Paulus fel uit naar de Korinthiërs omdat ze de liefde verwaarlozen! Toch bidt hij of de Heer hun liefde wil geven. In de brief aan de Romeinen verklaart hij dat het er niet van afhangt of iemand wil of zijn best doet, maar of God zich ontfermt. Romeinen 9:16 Toch houdt hij vervolgens niet op hen te vermanen, aan te sporen en te corrigeren.
Waarom dringen mijn tegenstanders er bij de Heer niet op aan dat Hij geen vergeefse moeite moet doen door van mensen iets te eisen dat Hij alleen zelf kan geven? Of door mensen te straffen om iets waar ze toe aangezet worden omdat ze zijn genade missen? Waarom vermanen ze Paulus niet dat hij mensen met rust moet laten zolang God zich nog niet over hen ontfermt heeft, omdat ze niet kunnen willen of hun best doen als God zich niet eerst over hen ontfermt. Alsof Gods eigen onderwijs, dat duidelijk genoeg is voor wie maar wat ijveriger zoeken, niet zou kloppen!
Onderwijs, vermaning en berisping zijn op zichzelf echt niet in staat om het hart te veranderen. Paulus laat dat zien als hij schrijft dat wie plant of water geeft niets voorstelt. De Heer geeft de groei en alleen dat werk is effectief. 1 Korinthiërs 3:7 Daarom zien we wat voor strenge sancties Mozes afkondigt bij de geboden van de wet Deuteronomium28 en hoe vurig de profeten aan die geboden blijven vasthouden en overtreders de wacht aanzeggen. Terwijl ze tegelijk erkennen dat mensen pas wijs zijn als ze een hart krijgen dat het kan begrijpen. Dat het Gods eigen werk is om het hart te besnijden Deuteronomium 10:16; Jeremia 4:4 en om in plaats van een stenen hart een hart van vlees te geven. Ezechiël 11:19 Dat God zelf zijn wet in hun hart moet schrijven. Jeremia 31:33 Kortom, dat God de leer pas effectief maakt als Hij zelf de ziel vernieuwt. Ezechiël 36:26
Het nut van vermaningen
Wat is dan het doel van vermaningen? Welnu, als goddelozen die vermaningen uit koppigheid negeren, zullen ze tegen hen getuigen als ze straks voor Gods rechterstoel staan. Ja, nu al wordt hun geweten door vermaningen gegeseld en doorboord. Want de brutaalsten lachen er wel om, maar toch kunnen ze die vermaningen niet naast zich neerleggen.
‘Maar,’ zul je zeggen, ‘wat moet een ellendig mensje beginnen als een verzacht hart hem geweigerd wordt en hij dus niet kan gehoorzamen?’ Ja, waarom zoekt hij allerlei uitvluchten? Hij heeft dat verharde hart immers alleen aan zichzelf te wijten! En zo worden de goddelozen tegen wil en dank verslagen door de kracht van de vermaningen. Ook al drijven ze er nog zo graag de spot mee als ze dat kunnen.
We moeten echter beseffen dat vermaningen vooral nut hebben voor de gelovigen. De Heer doet in hen alles door zijn Geest. Maar bij hen laat Hij niet na het instrument van het Woord te gebruiken. En Hij doet dat effectief. Daarom moeten we als waarheid overeind houden dat de gelovigen al hun kracht krijgen door Gods genade. De profeet Ezechiël zegt het zo: ‘Ik zal hun een nieuw hart geven, zodat zij leven volgens mijn geboden.’ Ezechiël 11:19-20
‘Maar,’ zul je zeggen, ‘waarom worden ze vermaand om hun plicht te doen? Waarom worden ze niet gewoon overgelaten aan de leiding van de Geest? Waarom worden ze zo aangespoord? Ze kunnen immers toch niet sneller lopen als de Geest hen niet in beweging brengt. Waarom worden ze gestraft als ze een keer van het rechte pad raken? Dat ze vallen, is immers onvermijdelijk omdat hun vlees zwak is.’
O mens, wie ben jij dat je God de wet zou willen voorschrijven? Hij wil ons eerst vermanen om ons voor te bereiden op het krijgen van de genade waardoor we vervolgens aan de vermaning gaan gehoorzamen. Waarom zou jij de draak willen steken met die volgorde en er korte metten mee willen maken? Stel dat vermaningen en berispingen bij de vromen geen ander effect hadden dan dat ze hen overtuigden van hun zonde. Alleen daarom al zouden we ze dan niet volledig nutteloos moeten vinden. Maar omdat ook de Geest in ons werkt, zijn deze vermaningen en berispingen heel goed in staat om in ons het verlangen op te wekken om het goede te doen en om onze laksheid te verdrijven. Ook kunnen ze onze trek in zoete, maar giftige zonden doven en ervoor zorgen dat we daar juist een hekel aan krijgen. Wie zou dan durven schimpen dat ze overbodig zijn?
Als iemand nog een duidelijker antwoord wil, dan moet hij het eens op deze manier bekijken: God werkt op twee manieren in zijn uitverkorenen. Vanbinnen door de Geest en vanbuiten door het Woord. Door zijn Geest maakt Hij van hen een nieuwe schepping. Dat doet Hij door hun verstand te verlichten en door hun hart te vormen zodat ze rechtvaardigheid liefhebben en in praktijk brengen. Door het Woord spoort Hij hen aan om naar die vernieuwing te verlangen, die na te streven en die ook te bereiken. Door beide manieren waarop God zijn genade uitdeelt, laat Hij zien dat wat Hij doet effectief is.
Als God hetzelfde Woord richt tot verworpenen, laat Hij het een ander effect hebben. Het Woord is dan niet bedoeld om hen te corrigeren, maar om hen door het getuigenis van hun geweten in het nauw te drijven, zodat ze zich op de dag van het oordeel minder kunnen verontschuldigen.
Daarom verwaarloost Christus de taak van leraar niet. Hij zegt wel dat niemand bij Hem komt als de Vader hem niet getrokken heeft en dat de uitverkorenen pas komen nadat ze het van de Vader gehoord en geleerd hebben. Johannes 6:44-45 Maar Hij is druk bezig om met eigen mond de mensen uit te nodigen, ook al moeten ze vanbinnen door de Heilige Geest onderwezen worden om iets aan dat onderwijs hebben. Ook bij verworpenen is het onderwijs niet zonder effect. Want Paulus waarschuwt dat het voor hen een doodsgeur is, maar voor God een heerlijke geur. 2 Korinthiërs 2:15-16
Gods geboden zijn geen bewijs voor waar wij toe in staat zijn
Mijn tegenstanders verzamelen heel ijverig bewijzen uit de Schrift. Ze zijn daar zo druk mee bezig omdat ze ons willen verpletteren onder het grote aantal Schriftbewijzen. Want alleen zo kunnen ze daarvoor voldoende gewicht bij elkaar krijgen. Maar het is net als met een kapitein die een grote troep mannen verzamelt die totaal niet voorbereid zijn op een oorlog, om daarmee de vijand schrik aan te jagen. Voor ze in actie komen, voeren ze een enorm spektakel op. Maar als het tot een veldslag komt, worden ze bij de eerste klap al op de vlucht gedreven. Zo kan ik mijn tegenstanders met hun menigte Schriftbewijzen ook gemakkelijk uiteenjagen. Want als we een indeling maken van de passages die ze tegen ons misbruiken, blijken ze op slechts enkele punten neer te komen. Daarom is steeds één antwoord voldoende voor meerdere passages en hoef ik niet de moeite te nemen om ze één voor één te weerleggen.
De kern van hun verweer zoeken ze in Gods geboden. Ze vinden dat die zijn aangepast aan onze mogelijkheden. Dat betekent volgens hen dus onvermijdelijk dat we alles kunnen doen wat Gods geboden van ons eisen. Dus gaan ze die geboden één voor één langs en leggen ze die langs de meetlat van onze vermogens. Want, zeggen ze, God beveelt heiligheid, vroomheid, gehoorzaamheid, kuisheid, liefde en vriendelijkheid. En Hij verbiedt onreinheid, afgoderij, onkuisheid, drift, diefstal, hoogmoed en meer van zulke dingen. Óf Hij speelt dan een spelletje met ons, óf Hij eist dit van ons omdat we daartoe in staat zijn.
Bijna alle geboden die ze opsommen, kunnen we indelen in drie categorieën. Sommige van die geboden eisen dat je je voor het eerst bekeert tot God. Andere geboden gaan simpelweg over het leven volgens de wet. En weer andere geboden bevelen je om vol te houden in Gods genade, nadat je die gekregen hebt. Laten we het eerst hebben over de geboden in het algemeen. Daarna komen we toe aan de verschillende categorieën.
Sinds lang is het een wijdverbreid idee dat mensen tot evenveel in staat zijn als de geboden van Gods wet van ons eisen. En dat lijkt ook wel een beetje een plausibel idee. Maar dit idee is het resultaat van een ernstige onwetendheid wat betreft de wet. Mijn tegenstanders vinden het een vreselijke misdaad als je zegt dat het onmogelijk is om je aan de wet te houden. Ze baseren dat op het argument dat de wet dan tevergeefs gegeven zou zijn.
Dat lijkt een sterk argument. Maar ze doen dan net alsof Paulus nergens iets over de wet gezegd heeft. Want, vraag ik je, wat betekenen dan zijn woorden dat de wet gegeven is omwille van de overtredingen? Galaten 3:19 Dat we door de wet de zonde kennen? Romeinen 3:20 Dat de wet maakt dat zonde zonde is? Romeinen 7:7-8 En dat de wet erbij gekomen is om de misdaad te laten toenemen? Romeinen 5:20 Betekenen die woorden soms dat de wet beperkt moet worden tot waar wij toe in staat zijn, omdat de wet anders tevergeefs gegeven zou zijn? Nee, deze woorden betekenen juist dat de wet ons kunnen ver te boven gaat, om ons te laten zien hoe zwak we zijn.
Paulus definieert liefde als het doel en de vervulling van de wet. 1 Timotheüs 1:5 Maar hij bidt of het hart van de Thessalonicenzen met die liefde vervuld mag worden. 1 Thessalonicenzen 3:12 Daarmee erkent hij duidelijk genoeg dat wij met onze oren de wet wel horen, maar dat dat geen effect heeft, tenzij God ons hart vervult met alles wat de wet inhoudt.
Gods geboden leren ons hoe zwak we zijn
Als de Schrift alleen maar leerde dat de wet een richtsnoer is voor ons leven, dan zou ik me inderdaad zonder aarzeling bij de opvatting van mijn tegenstanders neerleggen. Maar de Schrift legt ons nauwkeurig en duidelijk uit dat de wet meerdere functies heeft. Daarom horen we te overwegen wat volgens deze interpretatie de wet in de mens kan doen.
Wat betreft de kwestie waar het nu om gaat: de Schrift schrijft ons voor wat we moeten doen. Maar de Schrift leert ons meteen ook dat het vermogen om daaraan te gehoorzamen voortkomt uit Gods goedheid. Daarom nodigt de Schrift ons uit om te bidden. We moeten vragen of die gehoorzaamheid ons gegeven mag worden.
Als er alleen een bevel bestond en geen belofte, dan zouden we moeten proberen of we in staat zouden zijn om dat bevel te gehoorzamen. Maar er worden beloften verbonden aan de geboden. Die beloften roepen uit dat Gods genade niet alleen maar te hulp komt om ons te ondersteunen. Alles wat we kunnen, kunnen we alleen door Gods genade. Daarom bewijzen die beloften overtuigend genoeg dat wij totaal ongeschikt zijn om ons aan de wet te houden. We zijn er gewoon niet toe in staat.
We moeten daarom niet langer vasthouden aan het idee dat onze vermogens en de geboden van de wet op elkaar afgestemd zouden zijn. Alsof de Heer de maatstaf voor rechtvaardigheid, die Hij in zijn wet geeft, aangepast zou hebben aan onze zwakheid! We kunnen beter op grond van de beloften bedenken hoe weinig we van onszelf kunnen. Voor alles hebben we Gods genade zo hard nodig!
‘Maar,’ zeggen mijn tegenstanders, ‘niemand vindt het toch geloofwaardig dat de Heer zijn wet bestemd heeft voor blokken hout en voor stenen?’ Maar dat beweert ook niemand. Want goddelozen zijn geen stenen of stukken brandhout als de wet hun geleerd heeft dat hun begeerten strijden tegen God. Dan erkennen ze zelf dat ze schuldig zijn. En ook de vromen zijn geen stenen of stukken brandhout als ze hun toevlucht zoeken in de genade, omdat de wet hen herinnerd heeft aan hun eigen onmacht.
Hierop slaan die ernstige woorden van Augustinus: ‘God beveelt wat wij niet kunnen, om ons te laten weten wat we van Hem moeten vragen. De geboden zijn heel nuttig, als we de vrije wil maar zoveel eer geven, dat Gods genade nog meer eer krijgt. Door geloof krijg je wat de wet gebiedt. Ja, de wet gebiedt dat, zodat je door geloof krijgt wat de wet geboden had. Ja, God eist zelfs dat we geloven. En Hij vindt bij ons niets van wat Hij eist, als Hij het niet zelf gegeven heeft om het te kunnen vinden.’ En ook: ‘Laat God geven wat Hij beveelt en laat Hij bevelen wat Hij maar wil.’
16,32; Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 29; Augustinus, Epistulae, 24.
Drie categorieën van geboden
We zien dit nog duidelijker als we de drie categorieën van de geboden langslopen, die ik hierboven noemde.
Zowel in de wet als in de profeten gebiedt de Heer ons regelmatig dat we ons tot Hem moeten bekeren. Maar aan de andere kant roept de profeet Jeremia: ‘Bekeer mij, HEER, dan zal ik bekeerd zijn. Want nadat U mij bekeerd hebt, heb ik berouw gehad …’ Jeremia 31:18-19 God beveelt dat wij de voorhuid van ons hart moeten besnijden. Jeremia 4:4; Deuteronomium 10:16 Maar via Mozes verkondigt Hij dat Hij die besnijdenis met eigen hand uitvoert. Deuteronomium 30:6 Overal eist Hij een nieuw hart. Ezechiël 18:31 Maar ergens anders verklaart Hij dat Hij dat zelf geeft. Ezechiël 36:26 ‘Wat God belooft,’ zegt Augustinus, ‘doen wij niet zelf, vrijwillig en van nature. Hij doet het door genade.’ En bij de zeven regels voor de interpretatie van de Schrift van Ticonius plaatst hij bij regel nummer drie de volgende kanttekening: we moeten goed het verschil zien tussen de wet en beloften of tussen geboden en genade.
Mijn tegenstanders moeten nu hun gang maar gaan en uit de geboden afleiden of de mens in staat is om te gehoorzamen. Ze moeten Gods genade maar tenietdoen. Juist door die genade worden de geboden vervuld!
De tweede categorie bevat de eenvoudige geboden, die ons het bevel geven om God te eren, zijn wil te dienen en ons daaraan vast te klampen, om ons aan zijn besluiten te houden en zijn leer na te volgen. Maar er zijn talloze Schriftpassages die getuigen dat we elke rechtvaardigheid, heiligheid, vroomheid en reinheid die wij kunnen hebben, van Hem gekregen hebben.
Onder de derde categorie valt de vermaning van Paulus en Barnabas aan de gelovigen om bij Gods genade te blijven. Lucas vertelt daarvan. Handelingen 13:43 Maar dezelfde Paulus leert in een andere passage waar we de kracht om vol te houden moeten zoeken. Hij zegt: ‘Verder, mijn broeders, wees sterk in de Heer.’ Efeziërs 6:10 Ergens anders verbiedt hij hun om Gods Geest bedroefd te maken, want Hij is het zegel of waarmerk voor de dag van onze verlossing. Efeziërs 4:30 Maar mensen kunnen niet volbrengen wat op die dag geëist wordt. Daarom bidt Paulus voor de Thessalonicenzen of de Heer hun zijn heilige roeping wil waardig keuren en of Hij alle zegeningen van zijn goedheid en het werk van het geloof in hen wil volbrengen.’ 2 Thessalonicenzen 1:11 En in de tweede brief aan de Korinthiërs prijst Paulus meerdere keren hun goede en vrome wil, als hij het heeft over het geven van liefdegaven. Maar even later dankt hij God, omdat God het Titus in het hart gegeven had om de Korinthiërs te vermanen. 2 Korinthiërs 8 Om anderen te vermanen kon Titus dus zelfs zijn mond alleen maar in dienst van God stellen voor zover God hem dat gaf. Hoe zouden die anderen dan bereid geweest zijn die vermaning op te volgen als God niet zelf hun hart bestuurde?
De wet eist meer van ons dan we kunnen
De listigste tegenstanders spotten met al deze Schriftbewijzen. Ze zouden totaal geen belemmering vormen voor het idee dat wij doen wat we zelf kunnen en dat God ons bij onze zwakke pogingen te hulp komt. Ook komen ze met passages uit de profeten waar het lijkt alsof het uitvoeren van onze bekering verdeeld wordt tussen God en ons: ‘Keer terug naar Mij, dan zal ik naar jullie terugkeren.’ Zacharia 1:3
Hierboven heb ik al aangetoond hoe de Heer ons te hulp komt. Ik hoef dat hier niet te herhalen. Ik wil alleen dat ze mij toegeven dat het tevergeefs is als je, op grond van het feit dat God ons gebiedt om de wet te gehoorzamen, in ons zoekt naar het vermogen om de wet te vervullen. Want het staat vast dat voor het vervullen van Gods geboden de genade van de wetgever onmisbaar is. En het staat vast dat die genade ons beloofd is.
Daaruit blijkt in elk geval dat er meer van ons geëist wordt dan wij kunnen betalen.
Ook kun je op geen enkele manier met spot de uitspraak van Jeremia ontzenuwen dat het verbond van God met het oude volk tevergeefs was. Want het bestond alleen schriftelijk. Het kan alleen gerealiseerd worden als de Geest erbij komt en de harten omvormt zodat ze het verbond gehoorzamen. Jeremia 31:32-33
En de tekst: ‘Keer terug naar Mij, dan zal Ik naar jullie terugkeren,’ is ook niet in overeenstemming met hun dwaling. Dat God terugkeert wil hier immers niet zeggen dat Hij ons hart vernieuwt zodat wij ons verstand terugkrijgen. Het wil zeggen dat Hij laat zien dat Hij ons goedgezind is en ons voorspoed geeft. Net zoals Hij soms door tegenslagen laat zien dat Hij boos op ons is. Het volk werd door allerlei ellende en rampen gekweld. Het klaagde dat God zich van hen had afgekeerd. Daarom antwoordt Hij dat zij zijn welwillendheid nooit zullen missen, als ze terugkeren naar het juiste leven en tot Hemzelf, het toonbeeld van rechtvaardigheid. Je verdraait deze passage dus als je hem zo probeert uit te leggen dat daar het werk van de bekering verdeeld lijkt te worden tussen God en de mensen.
Ik heb dit vrij beknopt aangestipt, want dit onderwerp komt zelf nog aan de orde als ik de wet ga behandelen.
Gods beloften dienen ongeveer hetzelfde doel als zijn geboden
De tweede categorie met argumenten ligt dicht tegen de vorige categorie aan. Mijn tegenstanders voeren de beloften aan waarmee de Heer een verbond aangaat met onze wil. Bijvoorbeeld: ‘Zoek het goede en niet het slechte. Dan zullen jullie leven.’ Amos 5:14 ‘Als jullie naar mij willen luisteren, dan zullen jullie het goede van het land eten. Maar als jullie weigeren, dan zullen jullie door het zwaard gegeten worden. Want de HEER heeft het gezegd.’ Jesaja 1:19-20 En: ‘Als jullie de afschuwelijke afgoden wegdoen van voor mijn ogen, dan zullen jullie niet verdreven worden.’ Jeremia 4:1-2 ‘Als jullie naar de stem van de HEER jullie God luisteren en al zijn geboden doen en jullie daaraan houden, dan zal de HEER jullie verheffen boven alle volken op aarde.’ Deuteronomium 28:1 En meer van zulke passages.
Mijn tegenstanders denken dat het ongepast is als de Heer ons zegeningen belooft als wij niet in staat zijn die beloften aan te nemen of af te wijzen. Ze vinden dat Hij dan de spot met ons drijft. En inderdaad is dit menselijk gesproken een heel plausibel argument. Want je zou kunnen stellen: de Heer speelt een wreed spelletje met ons als Hij verkondigt dat het van onze wil afhangt of Hij ons goedgezind is, terwijl wij onze wil niet eens de baas zijn! God is wel heel gul voor ons als Hij ons allerlei zegeningen voorspiegelt, terwijl wij niet in staat zijn om ervan te genieten! En de beloften bieden maar een vreemd soort zekerheid, want ze zullen nooit vervuld worden, omdat we onmogelijk kunnen voldoen aan de voorwaarde!
Ergens anders zal ik het hebben over de beloften waar een voorwaarde aan vastzit. Dan zal ik duidelijk maken dat het helemaal niet absurd is dat ze onmogelijk vervuld kunnen worden. Maar wat betreft het onderwerp dat nu aan de orde is: ik ontken dat God een onmenselijk spelletje met ons speelt als Hij ons uitnodigt zijn zegeningen te verdienen, terwijl Hij weet dat we daartoe totaal niet in staat zijn.
De beloften worden immers evengoed aangeboden aan gelovigen als aan de goddelozen. Dus zijn ze voor beiden nuttig. Door de geboden prikkelt God het geweten van de goddelozen. Want Hij wil niet dat ze zich zoetjes laten strelen door hun zonden, zonder te denken aan het oordeel. Door de beloften laat Hij hun in zekere zin zien hoe onwaardig ze zijn zegeningen zijn. Wie zou immers ontkennen dat het volkomen eerlijk en gepast is dat de Heer de mensen die Hem dienen zegent, maar dat Hij de mensen die zijn majesteit verachten streng straft? God heeft dus alle recht om zo te handelen. Het is niet ongepast als Hij de goddelozen, die in de boeien van de zonde geketend zitten, bij zijn beloften de voorwaarde stelt dat ze pas van zijn zegeningen zullen genieten als ze hun slechtheid achter zich gelaten hebben. Al was het maar om hen te laten begrijpen dat zij terecht worden buitengesloten van wat gegeven wordt aan mensen die God oprecht dienen.
Aan de andere kant wil God de gelovigen op alle mogelijke manieren opwekken om Hem om genade te smeken. We hebben gezien dat Hij dat doet door zijn geboden. Voor hen levert dat veel op. Daarom is het helemaal niet ongepast als Hij hetzelfde ook probeert door beloften. De geboden leren ons wat God wil. Dat herinnert ons aan onze ellende, omdat wij met heel ons hart van die wil afwijken. Bovendien zet dat ons ertoe aan om zijn Geest te hulp te roepen, om door Hem op het juiste pad geleid te worden. Maar de geboden prikkelen ons nog niet genoeg in onze laksheid. Daarom worden er beloften aan toegevoegd. Die moeten ons met een bepaalde aantrekkelijkheid verleiden om de geboden te gaan liefhebben. En hoe meer we gaan verlangen naar rechtvaardigheid, hoe enthousiaster we Gods genade gaan zoeken.
Zo zie je dus dat de Heer wel bij ons aandringt met woorden als: ‘Als jullie willen, als jullie luisteren.’ Maar dat Hij ons daarmee niet toeschrijft dat we in staat zijn om te willen of te luisteren. En dat Hij dan toch niet de spot drijft met onze onmacht. Want je ziet dat Hij dit doet in het belang van wie Hem dienen. En dat Hij zondaren zo nog duidelijker laat zien dat hun veroordeling terecht is.
Het is terecht dat God mensen hun slechte daden verwijt
Ook de derde categorie argumenten is nauw verwant aan de vorige twee. Want mijn tegenstanders komen aanzetten met passages waarin God het ondankbare volk verwijt dat het hun eigen schuld is dat ze niet al die goede dingen gekregen hebben die Hij hun zo royaal wilde schenken. Bijvoorbeeld deze passages: ‘De Amalekieten en de Kanaänieten staan tegenover jullie en jullie zullen door het zwaard vallen. Want jullie hebben niet naar de HEER geluisterd.’ Numeri 14:43 ‘Omdat ik jullie geroepen heb, maar jullie niet geantwoord hebben, zal ik met dit huis doen zoals ik met Silo gedaan heb.’ Jeremia 7:13-14 En: ‘Dit volk heeft niet geluisterd naar de stem van de HEER en heeft zijn tucht niet geaccepteerd. Daarom is dit volk door de HEER verworpen.’ Jeremia 7:28 En: ‘Omdat jullie je hart verhard hebben en de HEER niet wilden gehoorzamen, is jullie al dit onheil overkomen.’ Jeremia 19:15; 32:23
‘Hoe,’ zeggen mijn tegenstanders, ‘kunnen zulke verwijten terecht zijn? Mensen zouden direct kunnen antwoorden: “Onze voorspoed ging ons wel degelijk aan het hart. We waren bang voor tegenspoed. We wilden graag het eerste krijgen en het tweede vermijden. Dat we de Heer toch niet gehoorzaamd hebben en niet naar zijn stem geluisterd hebben, komt omdat de zonde over ons heerste. We hadden er de vrijheid niet voor. Het is dus onterecht dat God ons die rampen verwijt. Want wij waren niet in staat ze te voorkomen.”’
Dat mijn tegenstanders de onvermijdelijkheid als excuus gebruiken, laat ik rusten. Dat is een zwakke en onbeduidende verdediging. Maar mijn vraag is: kunnen ze soms ontkennen dat ze schuldig zijn? Want als ze ervan overtuigd zijn dat ze ook maar een beetje schuld hebben, dan verwijt de Heer hun dus terecht dat ze de vruchten van zijn welwillendheid niet proeven, omdat ze verkeerde dingen doen. Mijn tegenstanders moeten maar eens antwoord geven op de vraag of ze kunnen ontkennen dat hun eigen slechte wil de oorzaak is van hun koppigheid. Als ze de bron van het kwaad in zichzelf vinden, waarom doen ze dan zo hun best om oorzaken te vinden die buiten henzelf liggen? Waarom willen ze er niet voor uitkomen dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor hun ondergang?
Als zondaren van Gods zegeningen beroofd worden en door Hem worden gestraft, is dat hun eigen schuld en van niemand anders. Als dat waar is, is er een goede reden waarom ze deze verwijten uit Gods mond moeten horen. Want als ze koppig volhouden met zondigen, moeten ze leren om bij rampen de schuld te geven aan hun eigen slechtheid. Daar moeten ze een afschuw van krijgen. Want als ze nog bereid zijn om te leren, krijgen ze hopelijk een hekel aan de zonden die de schuld zijn van hun ellende en verlorenheid. Hopelijk keren ze dan terug op het rechte pad en belijden ze oprecht de zonden waar de Heer hen voor vermaant door hen te straffen.
De verwijten die mijn tegenstanders aanhalen van de profeten, hebben bij de vromen dit effect gehad. Dat blijkt uit het ernstige gebed van Daniël, dat je vindt in Daniël 9. En van de eerste functie van dit soort verwijten zien we een voorbeeld in de Joden. Jeremia vertelt hun op bevel van God wat de oorzaak is van al hun ellende. Toch loopt het niet anders af dan de Heer voorzegd had: ‘Je moet al deze woorden tegen hen zeggen, maar ze zullen niet naar je luisteren. Je moet wel tegen hen roepen, maar ze zullen je niet antwoorden.’ Jeremia 7:27 Waarom moest hij dan tegen doven spreken? Omdat ze met tegenzin moesten begrijpen dat wat ze hoorden waar was: het was een goddeloze heiligschennis als ze God de schuld gaven van hun rampen. Het was hun eigen schuld.
Ik heb nu enkele argumenten van mijn tegenstanders weerlegd. Je kunt je heel gemakkelijk bevrijden van die enorme massa Schriftbewijzen die de vijanden van Gods genade steeds ophopen, om zo een afgodsbeeld op te richten voor de vrije wil. Ze halen die bewijzen zowel uit de geboden als uit de indringende woorden tegen wie de wet overtreden.
Tot hun schande wordt er in Psalm 78 over de Joden gezegd: ‘Een bedorven geslacht dat zijn hart niet richtte.’ Psalm 78:8 Ook in Psalm 95 waarschuwt de profeet zijn tijdgenoten dat ze hun hart niet moeten verharden. Als mensen koppig zijn, is dat dus volledig te wijten aan hun eigen slechtheid. Maar het is dom om daaruit af te leiden dat het hart beide kanten op kan gaan. God moet het hart eerst voorbereiden. De profeet zegt in Psalm 119: ‘Ik heb mijn hart erop gericht om me aan uw geboden te houden.’ Psalm 119:112 Hij bedoelt dat hij zich graag en met blijdschap aan God heeft overgegeven. Toch beroemt hij zich er niet op dat hij daar zelf verantwoordelijk voor is. In de dezelfde psalm erkent hij dat het een geschenk van God is. Psalm 119:36
Daarom moeten we vasthouden aan de aansporing van Paulus. Hij beveelt de gelovigen om met vrees en beven aan hun redding te werken, omdat God zowel maakt dat zij willen als dat zij doen.’ Filippenzen 2:12-13 Hij geeft hun wel de taak om te werken. Ze mogen niet toegeven aan de laksheid van hun vlees. Maar hij beveelt hun ook om bang en bezorgd te zijn. Hij wil dat ze nederig zijn, want ze moeten bedenken dat juist het werk dat hun wordt opgedragen, Gods eigen werk is. En daarmee geeft hij duidelijk aan dat de gelovigen, zeg maar, passief werken. Want het vermogen om dat werk te doen wordt hun uit de hemel gegeven. Ze mogen zichzelf dus helemaal niets aanmatigen.
Petrus spoort ons aan om goede eigenschappen toe te voegen aan ons geloof. 2 Petrus 1:5 Dan geeft hij ons niet de ruimte om zelf een tweede rol te vervullen, alsof we zelfs iets kunnen doen. Hij schudt ons alleen wakker uit de laksheid van ons vlees. Heel vaak wordt het geloof zelf door die laksheid verstikt.
Paulus bedoelt hetzelfde met de woorden: ‘Blus de Geest niet uit.’ 1Thessalonicenzen 5:19 Want gelovigen worden nu en dan overvallen door laksheid, als dat niet gecorrigeerd wordt. Maar niemand moet daaruit opmaken dat ze er zelf voor kunnen kiezen om het aangeboden licht te verwelkomen. Zulke onwetendheid is gemakkelijk te weerleggen. Want Paulus eist juist een ijver die alleen van God komt. 2 Korinthiërs 7:1 Want we krijgen ook vaak het bevel om ons te reinigen van alle smerigheid, terwijl de Geest het werk van de heiliging alleen voor zichzelf opeist.
Ten slotte blijkt uit de woorden van Johannes dat wat God toebehoort aan ons wordt afgestaan: ‘Ieder die in God is, beschermt zichzelf.’ 1 Johannes 5:18 De herauten van de vrije wil trekken deze uitspraak naar zich toe, alsof we gedeeltelijk door Gods kracht en gedeeltelijk uit eigen kracht beschermd zouden worden. Alsof we deze bescherming, waar de apostel het over heeft, niet uit de hemel gekregen zouden hebben! En we weten dat vromen in hun strijd tegen Satan alleen met Gods wapens de overwinning behalen.
Petrus beveelt dat we onze ziel moeten reinigen in gehoorzaamheid aan de waarheid. Daar voegt hij onmiddellijk deze correctie aan toe: ‘Door de Geest.’ 1 Petrus 1:22
Kortom, geen enkele menselijke kracht stelt in de geestelijk strijd iets voor. Johannes maakt dat kort en bondig duidelijk. Hij leert dat wie uit God geboren zijn, niet kunnen zondigen. Want Gods zaad blijft in hen. 1 Johannes 3:9 Ergens anders geeft hij aan hoe dat komt: ons geloof overwint de wereld. 1 Johannes 5:4
Als Mozes zegt dat we de wet kunnen doen, doelt Hij op Gods genade
Echter, mijn tegenstanders citeren uit de wet van Mozes een passage die erg in strijd lijkt te zijn met mijn uitleg. Want nadat Mozes de wet afgekondigd heeft, verklaart hij: ‘Dit gebod dat ik jullie vandaag geef, is niet verborgen en niet ver weg. Het is ook niet in de hemel, maar heel dicht bij jullie. Het is in jullie mond en in jullie hart. Jullie kunnen het doen.’ Deuteronomium 30:11-14
Als je dit zo opvat dat het alleen over de geboden gaat, dan erken ik dat dit inderdaad heel belangrijk is voor het onderwerp dat we nu behandelen. Ik zou me er dan weliswaar gemakkelijk vanaf kunnen maken door te zeggen dat het hier niet gaat over de vraag of we ons aan de geboden kunnen of willen houden, maar om de vraag of we ze kunnen of willen begrijpen. Maar ook dan zouden Mozes’ woorden ons nog steeds voor problemen stellen. Maar de apostel Paulus neemt elke twijfel weg. Hij verzekert dat Mozes het hier heeft over de leer van het evangelie. Romeinen 10:8 En Paulus is geen onbetrouwbare uitlegger!
Misschien is er iemand zo koppig om te beweren dat Paulus deze woorden verdraait om ze op het evangelie te kunnen laten slaan. Dat zou heel brutaal zijn en zelfs goddeloos. Maar ik kan dat weerleggen buiten het gezag van de apostel om. Want als Mozes het alleen over de geboden zou hebben, zou hij het volk met een totaal ongefundeerd zelfvertrouwen verwaand maken. Als ze zich in eigen kracht aan de wet zouden willen houden, alsof dat niet te moeilijk voor hen was, dan zouden ze zich toch alleen maar in het ongeluk gestort hebben? Hoe zouden ze zich immers zo gemakkelijk aan de wet kunnen houden? We zien dat onze aard ons in de steek laat. Er is niemand die niet in een dodelijke afgrond valt als hij deze weg probeert te gaan.
Daarom staat wel vast dat Mozes met deze woorden doelde op het verbond van barmhartigheid. Dat verbond had hij tegelijk met de eis van de wet afgekondigd. Want enkele verzen eerder had hij ook geleerd dat ons hart door de hand van God besneden moet worden, Deuteronomium 30:8 zodat wij Hem gaan liefhebben. Dat Mozes zegt dat het niet moeilijk voor ons is, baseert hij dus niet op het vermogen van de mens, maar op de hulp en de steun van de Heilige Geest. Die voert in onze zwakheid met kracht zijn werk uit.
Trouwens, we moeten deze passage ook niet zo opvatten alsof het hier alleen maar over de geboden gaat. Het gaat hier juist over de beloften van het evangelie. Die bevestigen absoluut niet dat wij in staat zijn zelf rechtvaardigheid te verkrijgen. Dat idee werpen ze juist volledig omver. En Paulus beaamt dat als hij getuigt dat het evangelie ons niet wordt aangeboden met die zware, moeilijke en onmogelijke voorwaarde dat we alleen gered worden als we ons aan alle geboden gehouden hebben. Het evangelie wordt ons aangeboden met een voorwaarde die ons een open toegang geeft.
Dit Schriftbewijs heeft dus geen enkele waarde om de vrijheid van de menselijke wil te verdedigen.
Als God afwacht wat mensen doen, is dat geen bewijs voor een vrije wil
Mijn tegenstanders voeren ook steeds andere passages tegen mij aan, waaruit blijkt dat God soms de hulp van zijn genade terugtrekt om mensen te testen en om af te wachten naar welke kant ze neigen. Bijvoorbeeld bij Hosea: ‘Ik zal naar mijn woonplaats gaan, totdat zij het ter harte nemen en Mij zoeken.’ Hosea 5:15 Het zou belachelijk zijn, zeggen mijn tegenstanders, als de Heer zou kijken of Israël Hem zou zoeken, als zij hun hart niet konden buigen en niet uit eigen beweging naar beide kanten konden richten. Alsof het bij de profeten niet vaak voorkomt dat God net doet alsof Hij zijn volk negeert en verwerpt, totdat ze hun leven gebeterd hebben.
Maar wat willen mijn tegenstanders eigenlijk uit zulke dreigementen afleiden? Willen ze soms beweren dat een volk dat door God verlaten is, uit zichzelf kan gaan nadenken over bekering? Dan getuigt heel de Schrift tegen hen! Maar als ze erkennen dat Gods genade onmisbaar is voor bekering, waarom gaan ze dan met ons in discussie?
Maar zij geven toe dat genade onmisbaar is, maar dan zo dat er toch nog iets overblijft voor de mens om zelf te kunnen. Hoe willen ze dat bewijzen? In elk geval niet uit deze passage, of uit andere zulke passages. Want dat God de mens verlaat en kijkt wat hij doet als hij aan zichzelf overgelaten wordt – dat is iets heel anders dan hem te hulp komen in zijn zwakheid, voor zover dat nodig is.
Wat, zal iemand zeggen, wordt er dan met deze uitspraken bedoeld? Mijn antwoord is dat ze dezelfde betekenis hebben als wanneer God zou zeggen: ‘Dit koppige volk leert niets van vermaningen, aansporingen en berispingen. Daarom zal Ik Me voor korte tijd terugtrekken. Ik zal stilzwijgend toelaten dat ze in het nauw gebracht worden. Ik zal kijken of ze na langdurige rampen zich Mij eindelijk eens herinneren en Mij zoeken.’ Dat de Heer ver weggaat, wil zeggen dat Hij zijn profeten weghaalt. Dat Hij kijkt wat de mensen zullen doen, wil zeggen dat Hij hen een tijdlang door allerlei tegenslagen in het nauw brengt, terwijl Hij zwijgt en doet alsof Hij het niet merkt. Die twee dingen doet Hij om ons extra nederig te maken. Want de gesel van tegenslag zou ons eerder terneerslaan dan corrigeren als God ons er door zijn Geest niet toe bracht ervan te willen leren.
Verder is het onterecht om hieruit te concluderen dat er een vrije wil is die zelf iets kan en dat God daar naar kijkt en die onderzoekt. Als onze onbuigzame koppigheid Hem ergert en Hij het als het ware zat is, laat Hij ons een tijdlang in de steek. Dan neemt Hij zijn Woord van ons af, want daarin laat Hij normaal in zekere zin zijn aanwezigheid zien. Maar zijn enige bedoeling daarmee is dat Hij ons ertoe wil brengen dat we leren inzien dat we zelf niets voorstellen.
Onze goede daden zijn van ons omdat we ze krijgen
In de discussie gebruiken mijn tegenstanders als argument ook de manier van spreken van zowel de Schrift als de mensen. Goede daden worden immers ‘onze’ goede daden genoemd. En we zeggen dat ‘wij’ dingen doen die heilig zijn en waar de Heer blij mee is, evengoed als dat we zeggen dat ‘wij’ zonden doen. Als het terecht is dat wij verantwoordelijk gesteld worden voor onze zonden, omdat die uit ons voortkomen, dan moet er volgens hen vast en zeker ook iets aan ons toegeschreven worden in onze rechtvaardige daden. Want het zou niet logisch zijn om te zeggen dat ‘wij’ goede daden doen, als wij daarvoor als stenen in beweging gebracht worden door God, omdat we het uit onszelf niet zouden kunnen. We moeten Gods genade dus wel de eerste rol toekennen. Maar uit deze manier van spreken blijkt dat we met ons eigen werk zelf de tweede rol vervullen.
Als je alleen benadrukt dat we goede daden ‘onze’ goede daden noemen, dan zou ik daar van mijn kant tegen inbrengen dat we ook brood ‘ons’ brood noemen. Ook al bidden we of God het ons wil geven. Wat willen mijn tegenstanders uit dat bezittelijk voornaamwoord ‘ons’ eigenlijk afleiden? Het geeft alleen maar aan dat we door Gods vrijgevigheid en genade iets krijgen waar we helemaal geen recht op hebben. Dus óf ze moeten het gebed van de Heer ook belachelijk maken omdat het even absurd is, Mattheüs 6:11 óf we moeten het niet belachelijk vinden dat goede daden ‘onze’ goede daden genoemd worden, hoewel er niets van onszelf bij is dat we niet gekregen hebben omdat God vrijgevig is.
Iets sterker is hun argument dat de Schrift vaak verklaart dat wij zelf God dienen, zelf rechtvaardigheid bewaren, zelf de wet gehoorzamen en zelf goede dingen proberen te doen. Dit zijn plichten voor het verstand en de wil. Hoe zou je die in verband kunnen brengen met de Geest en tegelijk toch aan ons kunnen toeschrijven? Dan moeten onze inzet en Gods kracht toch wel iets gemeenschappelijks hebben? Uit deze strikken kan ik me moeiteloos bevrijden. We hoeven alleen maar na te gaan op welke manier de Geest van de Heer in de heiligen werkt.
De hatelijke vergelijking waar ze ons mee willen belasten, slaat nergens op. Want wie is zo dwaas om te beweren dat het in beweging brengen van een mens precies hetzelfde is als het gooien van een steen? Zoiets valt ook niet uit mijn leer af te leiden. Volgens mij is de mens van nature tot een aantal dingen in staat: hij kan iets goedkeuren en iets afwijzen. Hij kan iets willen en iets niet willen. En hij kan iets nastreven en zich tegen iets verzetten. Immers, hij keurt onzin goed en wijst het goede af. Hij wil het slechte wel en het goede niet. Hij streeft verkeerde dingen na en verzet zich tegen rechtvaardigheid.
Wat doet de Heer daarin? Soms wil Hij zulke slechtheid gebruiken als instrument voor zijn woede. Dan dirigeert Hij die slechtheid naar de bestemming die Hij wil om door een slechte hand zijn goede daad uit te voeren. Zo dient een misdadig mens Gods macht. Maar zelf probeert hij alleen maar zijn eigen begeerten te bevredigen. Moeten we hem dan met een stuk steen vergelijken, die alleen gegooid wordt dankzij de kracht van iemand anders en niet uit eigen beweging, door eigen zinnen of wil wordt voortgedreven? We zien hoe groot het verschil is.
Maar het gaat hier vooral om goede mensen. Hoe werkt God in hen? In hen heeft Hij zijn koninkrijk geplant. Door zijn Geest houdt Hij nu hun wil in bedwang, om te voorkomen dat ze door tomeloze begeerten heen en weer geslingerd worden. Van nature zouden ze daartoe geneigd zijn. Maar God buigt, kneedt, vormt en richt hun wil volgens de norm van zijn rechtvaardigheid, zodat ze geneigd zijn heilig en rechtvaardig te leven. En door de kracht van zijn Geest houdt God hun wil stevig overeind. Hij maakt die sterk, zodat ze niet wankelen of omvallen.
Daarom zegt Augustinus: ‘Je zult tegen me zeggen: “Er wordt met ons gedaan en we doen dus niet zelf iets.” Jawel, je doet zelf iets én er wordt met je gedaan. En je doet het goed als er iets goeds met je gedaan wordt. De Geest van God werkt in je en Hij helpt je om zelf iets te doen. Dat Hij “helper” genoemd wordt, geeft aan dat je ook zelf iets doet.’ In het eerste deel van deze uitspraak wijst Augustinus erop dat het werk van de Heilige Geest geen eind maakt aan het werk van de mens. Want het hoort bij de menselijke natuur dat hij een eigen wil heeft. Die wil wordt geregeerd, zodat de mens het goede na gaat streven. Maar meteen daarna voegt hij eraan toe dat uit de aanduiding ‘helper’ blijkt dat we ook zelf iets doen. We moeten dat niet opvatten alsof hij ook de mens zelf iets toekent. Hij wil ons alleen niet stijven in onze laksheid. Daarom legt hij een verband tussen Gods werk en ons werk: dat wij willen, komt door onze natuur. Dat wij het goede willen, komt door genade. Daarom had hij kort daarvoor gezegd: ‘Als God ons niet helpt, kunnen we de strijd niet alleen niet winnen. We kunnen zelfs de strijd niet voeren.’
Onze goede daden zijn van ons omdat ze niet buiten onze wil omgaan
Hieruit blijkt dat Gods genade – zoals dat woord gebruikt wordt als het gaat over het opnieuw geboren worden – voor de Geest een norm is om de wil van de mens te dirigeren en te leiden. De Geest kan de wil van een mens niet leiden zonder hem te corrigeren, te hervormen of te vernieuwen. Daarom zeggen we dat de nieuwe geboorte begint met het uitwissen van wat we uit onszelf hebben. Bovendien kan de Geest de wil van een mens niet leiden zonder de wil in beweging te brengen, te drijven, aan te sporen, te dragen en te onderhouden. Daarom heb ik gelijk als ik zeg dat alle daden die daaruit voortkomen volledig van de Geest zijn.
Ondertussen ontken ik niet dat wat Augustinus leert, ook helemaal juist is: de wil wordt door de genade niet vernietigd, maar juist hersteld. Want deze twee uitspraken zijn volledig met elkaar in overeenstemming. Om te beginnen wordt er gezegd dat de wil van de mens vernieuwd wordt. Het bederf en de slechtheid wordt gecorrigeerd en hij wordt gericht volgens de norm van rechtvaardigheid. En tegelijk wordt er ook gezegd dat er een nieuwe wil geschapen wordt in de mens. Want hij is zo bedorven en misvormd dat hij een totaal nieuwe natuur nodig heeft om aan te trekken.
Er is dus geen enkele belemmering om te zeggen dat wij zelf doen wat Gods Geest in ons doet. Zelfs al is er in onze wil niets dat losgemaakt kan worden van Gods genade. Daarom moeten we in gedachten houden wat ik ergens anders van Augustinus aangehaald heb: sommigen doen hun best om in de wil van de mens iets goeds te vinden dat van henzelf is. Maar dat is tevergeefs.
Want telkens als mensen de vrije wil proberen te vermengen met Gods genade, bederven ze die genade alleen maar. Het is alsof je wijn vermengt met een vieze, bittere drab van water.
Al het goede in onze wil komt dus alleen maar voort uit wat de Geest ons ingeeft. Maar omdat het ons van nature aangeboren is dat we een wil hebben, is het toch niet verkeerd om te zeggen dat we zelf de dingen doen waarvoor God terecht de eer opeist. In de eerste plaats omdat alles wat Hij uit vrijgevigheid in ons doet van ons is. Als we maar begrijpen dat het niet van onszelf afkomstig is. En in de tweede plaats omdat ons verstand, onze wil en onze ijver door Hem erop gericht worden dat we het goede gaan doen.
Kaïn was niet in staat zijn zonde tegen Abel te beheersen
De Schriftbewijzen die mijn tegenstanders verder nog bij elkaar rapen, hoeven niet veel problemen op te leveren. Zelfs niet voor lezers met een middelmatig verstand. Als ze de voorgaande oplossingen maar goed in zich opgenomen hebben.
Uit Genesis citeren mijn tegenstanders de woorden: ‘Zijn begeerte is op jou gericht, maar jij zult over hem heersen.’ Genesis 4:7 Zij laten dit slaan op de zonde. Alsof de Heer aan Kaïn beloofde dat de zonde niet zou heersen in zijn hart, als hij zijn best maar wilde doen om die in toom te houden. Maar volgens mij past het beter bij de context om dit te laten slaan op Abel. Want Gods bedoeling is hier om Kaïn te bestraffen voor zijn onrechtvaardigheid, omdat hij jaloers geworden was op zijn broer. Dat doet God met twee argumenten. In de eerste plaats zegt Hij dat het geen zin heeft voor Kaïn om een misdaad te bedenken om in Gods ogen beter te zijn dan zijn broer. Want bij God telt alleen rechtvaardigheid. En in de tweede plaats zegt Hij dat Kaïn wel erg ondankbaar was. Want hij was zelf al door God gezegend. En toch kon hij zijn broer niet uitstaan, hoewel die onder zijn gezag stond.
Maar ik wil niet de indruk wekken dat ik voor deze uitleg kies omdat de andere uitleg tegen mijn opvattingen ingaat. Daarom: stel dat God het hier over de zonde heeft. Als dat zo is, dan is wat God hier zegt een belofte of een bevel. Als het een bevel is, dan heb ik al aangetoond dat dat geen enkel bewijs oplevert voor waar een mens toe in staat is. Als het een belofte is, waar blijft dan de vervulling van die belofte? Want Kaïn is bezweken voor de zonde waarover hij had moeten heersen. Mijn tegenstanders zullen zeggen dat de belofte een stilzwijgende voorwaarde bevatte. Alsof er gezegd werd dat Kaïn de zonde overwonnen zou hebben, als hij maar de strijd aangegaan was. Maar wie zou zo’n vergezochte uitleg acceptabel vinden? Dus als het hier gaat om heersen over de zonde, dan mag niemand eraan twijfelen dat deze woorden een bevel inhouden. Uit dat bevel blijkt niet wat we kunnen, maar waar we toe verplicht zijn, zelfs al kunnen we het niet.
Echter, zowel uit de inhoudelijke context als uit het grammaticale verband blijkt dat we deze woorden moeten opvatten als een tegenstelling tussen Kaïn en Abel. Want de oudste broer zou niet onder zijn jongere broer gesteld zijn als hij niet door zijn eigen misdaad de mindere was geweest.
Onze redding hangt niet af van onze wil of inspanning
Mijn tegenstanders gebruiken ook dit Schriftbewijs van de apostel Paulus: het hangt er niet vanaf of iemand wil of zijn best doet, maar of God zich ontfermt. Romeinen 9:16 Zij leiden daaruit af dat er in ons willen en proberen iets is dat tot een goed resultaat leidt. Als God het in zijn barmhartigheid maar te hulp komt, want op zichzelf is het zwak.
Maar als ze er eens rustig over na zouden denken waar Paulus het over heeft, zouden ze deze uitspraak niet zo onbezonnen misbruiken. Ik weet dat ze Origenes en Hiëronymus kunnen citeren als voorstanders van hun uitleg. Op mijn beurt zou ik Augustinus daar tegenover kunnen stellen. Maar het maakt mij niet uit wat die mannen ervan vonden, als vaststaat wat Paulus bedoeld heeft.
Paulus leert hier dat de redding alleen bestemd is voor degenen die de Heer zijn barmhartigheid waard keurt. Wie Hij niet heeft uitverkoren, wacht de ondergang en de vernietiging. Paulus gebruikt het voorbeeld van de farao om te laten zien wat het lot is van de verworpenen. En de zekerheid van de gratis uitverkiezing had hij bevestigd met dit Schriftbewijs van Mozes: ‘Ik zal Mij ontfermen over wie Ik mij zal ontfermen.’ Romeinen 9:15-17; Exodus 33:19 En dan concludeert hij dat het er niet van afhangt of iemand wil of zijn best doet, maar of God zich ontfermt. Als we dat zo opvatten dat onze wil of onze inspanning niet genoeg zijn, omdat die niet opgewassen zijn tegen zo’n moeilijke taak, dan is wat Paulus hier zegt niet erg toepasselijk. Weg dus met die spitsvondigheid: ‘Het hangt er niet vanaf of iemand wil of zijn best doet, dus we willen wel een beetje en we doen wel enigszins ons best.’ Want wat Paulus bedoelt, is veel eenvoudiger: ‘We willen niet en we doen helemaal ons best niet om de weg te banen voor onze redding. Het hangt volledig af van de barmhartigheid van de Heer.’
Want Paulus zegt hier net zoiets als in de brief aan Titus. Daar schrijft hij dat Gods goedheid en liefde niet verschenen zijn op grond van rechtvaardige daden die wij gedaan zouden hebben, maar op grond van zijn onmetelijke barmhartigheid. Titus
3:4-5 Mijn tegenstanders beweren dat Paulus laat weten dat we wel een beetje kunnen willen en enigszins ons best kunnen doen, omdat hij zegt dat het er niet van afhangt of iemand wil of zijn best doet. Maar zelf zouden ze het ook niet accepteren als ik volgens hetzelfde schema redeneerde: we hebben goede daden verricht, want Paulus zegt dat God niet goed voor ons is op grond van de goede daden die wij gedaan zouden hebben. Als ze deze redenering fout vinden, dan moeten ze hun ogen maar eens open doen en inzien dat ze met hun eigen redenering dezelfde fout maken.
Ook Augustinus bouwt op een sterke argumentatie: ‘Er wordt gezegd dat het er niet van afhangt of iemand wil of zijn best doet. Als dat betekent dat onze wil of inspanning alleen niet genoeg is, dan zou je het om kunnen draaien en zeggen dat het er niet van afhangt of God zich ontfermt. Want ook Gods ontferming is dan niet het enige dat het doet.’ Dat laatste is absurd. Daarom concludeert Augustinus terecht dat deze uitspraak betekent dat een mens het goede niet kan willen als de Heer zijn wil daar niet geschikt voor maakt. Het is niet zo dat we niet moeten willen of ons best niet moeten doen. Maar God maakt dat we willen en ons best doen.
Even dom is dat sommigen dit woord van Paulus verdraaien: ‘Wij zijn Gods medewerkers.’ 1 Korinthiërs 3:9 Ongetwijfeld moet dat beperkt worden tot alleen Gods dienaren. En die worden niet Gods medewerkers genoemd omdat ze zelf iets bijdragen. Ze worden zo genoemd omdat God hun werk gebruikt, nadat Hij hen daartoe in staat gesteld heeft en hun de gaven gegeven heeft die ze daarvoor nodig hebben.
Jezus Sirach levert geen bewijs voor de vrije wil
Mijn tegenstanders komen ook aanzetten met Jezus Sirach. Ze weten best dat het gezag van deze schrijver ter discussie staat. Ik zou hem zo aan de kant kunnen schuiven. Maar zelfs al doe ik dat niet, wat getuigt hij eigenlijk in het voordeel van de vrije wil? Hij zegt dat de mens na zijn schepping in staat was zijn eigen plannen te volgen. Hij kreeg geboden en als hij die zou bewaren, zouden zij hem ook bewaren. De mens had de keus tussen leven en dood en tussen goed en kwaad. Hij zou krijgen wat hij wilde. Sirach 15:14-17
Het mag zo zijn dat de mens bij de schepping het vermogen kreeg te kiezen tussen leven of dood. Maar wat als ik daar nu op antwoord dat hij dat vermogen is kwijtgeraakt? Zeker, het is niet mijn bedoeling om Salomo tegen te spreken. Salomo verzekert dat de mens in het begin goed geschapen is, maar dat de mens zelf van alles bedacht heeft. Prediker 7:29 De mens is ontaard en heeft in zichzelf met al zijn goede gaven schipbreuk geleden.
Alles wat bij de eerste schepping hoort, is daarom niet automatisch ook nog steeds van toepassing op onze bedorven en ontaarde natuur.
Dus antwoord ik, niet slechts aan mijn tegenstanders, maar aan Jezus Sirach zelf, wie hij ook geweest mag zijn: wil je de mens leren dat hij bij zichzelf moet zoeken naar het vermogen om gered te worden? Dan heb je bij mij te weinig gezag om ook maar enig gewicht in de schaal te leggen tegen het ontwijfelbare Woord van God. Of wil je alleen de slechtheid van het vlees in toom houden? Dat vlees probeert zich tevergeefs te verdedigen door zijn eigen zonden op God af te schuiven. Antwoord je daarom dat de mens goed geschapen is, om te laten zien dat hij zelf zijn ondergang veroorzaakt heeft? Dan stem ik daar graag mee in. Als we het er aan de andere kant samen ook maar over eens zijn dat de mens de versierselen waar God hem in het begin mee getooid heeft, door eigen schuld is kwijtgeraakt. We moeten samen erkennen dat de mens behoefte heeft aan iemand die hem geneest, niet aan iemand die voor hem opkomt.
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan levert geen bewijs voor de vrije wil
Maar wat mijn tegenstanders het vaakst op de lippen hebben, is de gelijkenis van Christus over de reiziger die door struikrovers half dood, half levend op de weg achtergelaten werd. Lucas 10:30-37 Ik weet dat bijna alle schrijvers algemeen van mening zijn dat het beeld van deze reiziger de ellende van het menselijk geslacht voorstelt. Mijn tegenstanders zien daarin het bewijs dat de mens door de zonde en de duivel niet volledig vermoord en verminkt is. Er is nog iets over van zijn vroegere goede gaven. Want er wordt gezegd dat hij ‘half levend’ achtergelaten werd. En wat zou er van dat halve leven overblijven als er niet nog een stukje resteerde van het goede verstand en de goede wil?
Om te beginnen, wat zouden ze doen als ik hun beeldspraak niet accepteer? Want er valt niet aan te twijfelen dat de kerkvaders tot deze interpretatie gekomen zijn buiten de werkelijke betekenis van de woorden van de Heer om. Beeldspraak mag niet verder gaan dan de norm waarin de Schrift zelf voorgaat. Laat staan dat beeldspraak alleen voldoende kan zijn om een leerstuk op te baseren.
En ik heb argumenten genoeg om, als ik daar zin in had, heel dit verzinsel omver te halen. Immers, Gods Woord laat de mens ook geen half leven overhouden. Het Woord leert dat de mens volledig omgekomen is als het gaat om het leven in volmaaktheid. Als Paulus het over onze verlossing heeft, zegt hij niet dat half levenden genezen zijn. Hij zegt dat wij dood waren en opgewekt zijn. Efeziërs 2:5 En hij roept geen half levenden om door Christus verlicht te worden, maar mensen die ingeslapen en begraven zijn. Efeziërs 5:14 Ook de Heer zelf zegt dat de tijd gekomen is dat doden opstaan als ze zijn stem horen. Johannes 5:25 Zijn ze zo brutaal om een mooi klinkende toespeling te stellen tegenover zoveel duidelijke uitspraken?
Maar stel dat deze beeldspraak evenveel waard was als een betrouwbaar Schriftbewijs. Tot welke concessie kunnen ze ons dan pressen? De mens is half levend. Hij heeft dus nog iets over. Inderdaad: hij heeft nog een verstand. Daarmee kan hij nog iets begrijpen, ook al dringt de hemelse en geestelijke wijsheid niet meer tot hem door. Hij kan nog wel kiezen voor fatsoen. Hij heeft nog wel enig besef van God, ook al ligt de ware kennis van God buiten zijn bereik. Maar wat stelt dat allemaal voor? Het kan in elk geval niet betekenen dat ik de uitspraak van Augustinus moet loslaten: na de val is de mens de genadegaven kwijtgeraakt, waar ons behoud van afhangt. Maar de natuurlijke gaven zijn bedorven en besmeurd. En de scholen hebben hier allemaal eensgezind mee ingestemd.
Laat deze waarheid voor ons dus boven elke twijfel verheven zijn. Geen enkel argument, hoe listig ook, kan deze waarheid aan het wankelen brengen. Het verstand van de mens is totaal van Gods rechtvaardigheid vervreemd. Het kan niets bedenken, begeren of beginnen dat niet goddeloos, misvormd, smerig, onrein en schandelijk is. Het kan niets uitbraken dan een afschuwelijke stank. Soms lijkt er in mensen nog iets goeds zichtbaar. Maar dan blijft het verstand toch steeds verwikkeld in huichelarij en bedrieglijk gekonkel. Het hart blijft gevangen in een innerlijk bederf.
Voetnoten
- 241
Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 81.
- 242
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 70, 1.
- 243
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 31, 2 en 7.
- 244
Augustinus, Epistulae, 155.
- 245
Augustinus, De verbis apostolorum, 15.
- 246
Chrysostomos,In Genesis, 22.
- 247
Prosper van Aquitanië, De vocatione omnium gentium II, 4.
- 248
Augustinus, De correptione et gratia, 3,5.
- 249
Augustinus, De Spiritu et littera.
- 250
Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 31,117; Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum,
- 251
Ticonius (ca. 400), donatist.
- 252
Augustinus, De doctrina christiana III, 33.
- 253
Augustinus, De correptione et gratia, 2,4.
- 254
Origenes van Alexandrië, Commentarii in epistulam ad Romanos, 7,16; Hiëronymus van Stridon, Dialogus contra Pelagianos I, 5.
- 255
Augustinus, Epistulae,217,4.
Voetnoot 241
Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 81.
Voetnoot 242
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 70, 1.
Voetnoot 243
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 31, 2 en 7.
Voetnoot 244
Augustinus, Epistulae, 155.
Voetnoot 245
Augustinus, De verbis apostolorum, 15.
Voetnoot 246
Chrysostomos,In Genesis, 22.
Voetnoot 247
Prosper van Aquitanië, De vocatione omnium gentium II, 4.
Voetnoot 248
Augustinus, De correptione et gratia, 3,5.
Voetnoot 249
Augustinus, De Spiritu et littera.
Voetnoot 250
Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 31,117; Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum,
Voetnoot 251
Ticonius (ca. 400), donatist.
Voetnoot 252
Augustinus, De doctrina christiana III, 33.
Voetnoot 253
Augustinus, De correptione et gratia, 2,4.
Voetnoot 254
Origenes van Alexandrië, Commentarii in epistulam ad Romanos, 7,16; Hiëronymus van Stridon, Dialogus contra Pelagianos I, 5.
Voetnoot 255
Augustinus, Epistulae,217,4.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.