Boek II · Hoofdstuk 6

Verlossing in Christus

Inhoud van dit hoofdstuk · 4 secties
  1. 1We hebben Christus nodig
  2. 2In het verbond met Abraham en met David ging het om Christus
  3. 3De profeten wezen steeds op Christus
  4. 4We kunnen God niet kennen zonder dat we Christus kennen

We hebben Christus nodig

Heel het menselijk geslacht is in Adam verloren gegaan. Daarom hebben we weinig meer aan onze geweldige, edele oorsprong, waar ik het over gehad heb. Die is juist een nog grotere schande voor ons. Mensen die door de zonde besmeurd en bedorven zijn, erkent God niet als zijn werk. Totdat God in de persoon van zijn eniggeboren Zoon als verlosser verschijnt. Sinds we van het leven in de dood zijn weggezonken, zouden we niets meer hebben aan alle kennis van God als schepper die we behandeld hebben, als daar niet ook het geloof bij zou komen waardoor we God te zien krijgen als een Vader in Christus.

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het bouwwerk van de wereld voor ons een leerschool zou zijn om te leren vroom te zijn. Zo zouden we het eeuwige leven en het volmaakte geluk moeten bereiken. Maar na onze val komen we overal, waar we ook kijken, boven en beneden, Gods vloek tegen. Want de onschuldige schepselen worden door onze schuld door die vloek getroffen. Daarom moet dat onze ziel wel met wanhoop vervullen. God wil nog wel op allerlei manieren zijn vaderliefde voor ons laten zien. Maar toch kunnen we uit de aanblik van de wereld niet opmaken dat Hij onze Vader is. Want binnen in ons knaagt ons geweten. Dat laat ons zien dat de zonde voor God terecht reden is om ons te verwerpen en ons niet langer als zijn kinderen te beschouwen.

Daar komt bij dat onze geest is afgestompt en dat we ondankbaar zijn. Ons verstand is verblind en de waarheid ontgaat ons. Al onze zinnen zijn bedorven en met boze opzet beroven we God van zijn glorie. Zo komen we toe aan wat Paulus zegt: ‘In Gods wijsheid heeft de wereld door haar wijsheid God niet leren kennen. Daarom heeft God besloten om hen die geloven te redden door de dwaasheid van de prediking.’ 1 Korinthiërs 1:21 Het schitterende toneel van hemel en aarde noemt Paulus Gods wijsheid. Ze zijn vol ontelbaar veel wonderen. De aanblik daarvan had ons zo wijs moeten maken dat we God zouden leren kennen. Maar we schieten er maar weinig mee op. Daarom roept Paulus ons terug tot geloof in Christus. Maar de ongelovigen hebben een afkeer van dat geloof, omdat het dwaas lijkt. De prediking van het kruis beantwoordt dus niet aan het menselijk verstand. Toch moeten we die prediking nederig aannemen als we verlangen om terug te keren naar God, onze schepper en maker. We zijn van Hem vervreemd, maar vanaf dat moment is Hij onze Vader weer.

Vast en zeker is het na de val van de eerste mens op geen enkele manier mogelijk geweest om God zo te kennen, dat je daardoor gered kon worden zonder de middelaar. Romeinen 1:16 Want Christus heeft het niet alleen over zijn eigen tijd maar over alle tijden samen, als Hij zegt dat het eeuwige leven inhoudt dat je de Vader, de enige echte God, kent en Jezus Christus, die Hij gezonden heeft. Johannes 17:3 Daarom is het extra schandalig dat sommigen zo onwetend zijn dat ze de hemel openstellen voor alle goddelozen en ongelovigen, zonder de genade van Hem die – zoals de Schrift op veel plaatsen leert – de enige deur is waardoor we de volmaaktheid kunnen binnengaan.

Als iemand deze uitspraak van Christus wil beperken tot de tijd waarin het evangelie geopenbaard werd, dan ligt het weerwoord klaar: in alle tijden en bij alle volken konden volgens de publieke opinie mensen die van God vervreemd en vervloekt waren en kinderen van de woede genoemd werden niet bij God in de gunst komen zonder dat er verzoening gedaan werd. Daar komt nog bij wat Christus antwoordt aan de Samaritaanse vrouw: ‘Jullie weten niet wat jullie aanbidden. Wij weten wel wat we aanbidden. Want de redding komt van de Joden.’ Johannes 4:22 Met die woorden veroordeelt Hij niet alleen alle godsdiensten van de heidenen als vals. Hij wijst ook aan waarom ze vals zijn: de verlosser is onder de wet alleen beloofd aan het uitverkoren volk. Dat betekent dat God nooit blij geweest is met welke godsdienst ook, als die niet opkeek naar Christus. En daarom verklaart ook Paulus dat alle heidenen zonder God waren en de hoop op het leven waren kwijtgeraakt. Efeziërs 2:12 Bovendien leert Johannes dat het leven vanaf het begin in Christus was en dat heel de wereld daarvan afgevallen is. Johannes 1:4 We moeten dus terugkeren naar de bron. En daarom verklaart Christus dat Hij als verzoener het leven is. Johannes 11:25; 14:6

En het is echt zo dat alleen Gods kinderen recht hebben op de erfenis van de hemel. Maar het is absoluut niet toegestaan om als kinderen mensen te beschouwen die niet geënt zijn in het lichaam van de eniggeboren Zoon. En Johannes verklaart duidelijk dat je alleen kind van God genoemd wordt als je in zijn naam gelooft. Johannes 1:12

Maar het is niet mijn bedoeling om nu al uitdrukkelijk het geloof in Christus te behandelen. Het moet dus genoeg zijn dat ik dit terloops aangestipt heb.

In het verbond met Abraham en met David ging het om Christus

En daarom heeft God aan het oude volk nooit zijn gunst getoond of de hoop op genade gegeven zonder de middelaar. De offers van de wet hebben de gelovigen klip en klaar geleerd dat redding nergens anders te vinden is dan in de verzoening. En de verzoening is alleen door Christus volbracht. Maar dit laat ik nu rusten. Ik zeg alleen dat de redding en het geluk van de kerk altijd gefundeerd zijn geweest in de persoon van Christus.

Want God nam wel heel het nageslacht van Abraham op in zijn verbond. Genesis 17:7 Maar toch redeneert Paulus wijs als hij zegt dat eigenlijk Christus het nageslacht is waarin alle volken gezegend moesten worden. Galaten 3:16 We weten immers dat niet iedereen die een biologische afstammeling is van Abraham als zijn nageslacht beschouwd wordt. Want om over Ismaël en anderen maar te zwijgen, hoe kon van de twee zonen van Izak, de tweelingbroers Ezau en Jacob, de een uitverkoren en de ander verworpen worden? Ze zaten toen nog samen in de schoot van hun moeder. Sterker nog, hoe kon het dat de oudste verworpen werd en alleen de jongste zijn positie mocht behouden? Romeinen 9:11-13 Daardoor werd het meerdere deel verstoten. Het is dus duidelijk dat steeds één persoon als hoofd vooral als Abrahams nageslacht beschouwd wordt. En de beloofde redding staat pas vast als je bij Christus gekomen bent. Het is zijn plicht om het verstrooide te verzamelen.

De adoptie van het uitverkoren volk hing dus vanaf het begin af van de genade van de middelaar. Bij Mozes staat dat niet uitdrukkelijk met zoveel woorden. Maar het blijkt duidelijk dat dit bij alle vromen algemeen bekend was. Want nog voordat er een koning was aangesteld over het volk, zei Hanna, de moeder van Samuël, in haar lofzang al over het geluk van de vromen: ‘God zal zijn koning kracht geven en de hoorn van zijn Messias opheffen.’ 1 Samuël 2:10 Met die woorden wilde zij zeggen dat God zijn kerk zal zegenen. En dat correspondeert met de goddelijke uitspraak die er even later op volgt:

‘De priester die Ik zal aanstellen, zal wandelen voor de ogen van mijn Christus.’ 1 Samuël 2:35

Er is ook geen twijfel aan dat de hemelse Vader wilde dat David en zijn nakomelingen gezien werden als een levend beeld van Christus. Als God de vromen wil aansporen Hem te vrezen, beveelt Hij hun daarom om de Zoon te kussen. Psalm 2:12 Dat stemt overeen met deze uitspraak uit het evangelie: ‘Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet.’ Johannes 5:23 Het koninkrijk viel weliswaar uit elkaar door het verraad van de tien stammen. Maar toch moest het verbond in stand blijven dat God gesloten had met David en zijn opvolgers. Dat heeft Hij ook gezegd door zijn profeten. ‘Ik zal niet het hele koninkrijk van je afscheuren, omwille van mijn knecht David en omwille van Jeruzalem, dat ik heb uitverkoren. Voor je zoon zal één stam overblijven.’ 1 Koningen 11:12-13; 11:34-36 En datzelfde wordt daar een tweede en een derde keer herhaald. Uitdrukkelijk wordt er ook bijgeschreven: ‘Ik zal het nageslacht van David vernederen, maar niet voor altijd.’ 1 Koningen 11:39 Een tijdje later werd er gezegd: ‘Omwille van zijn knecht David gaf God hem een lamp in Jeruzalem, door Hem een zoon te geven en Jeruzalem in stand te houden.’ 1 Koningen 15:4 En toen de ondergang steeds dichterbij kwam, werd er weer gezegd: ‘Maar God wilde Juda niet vernietigen, omwille van zijn knecht David. Want Hij had gezegd dat Hij hem en zijn zonen voor altijd een lamp zou geven.’ 2 Koningen 8:19

In de kern komt het hierop neer: alleen David is uitverkoren. Alle anderen worden gepasseerd en alleen op hem rust Gods welbehagen. Zo wordt het ergens anders gezegd: ‘Hij heeft de tabernakel in Silo en de tent van Jozef verstoten. De stam van Efraïm heeft Hij niet uitverkoren. Maar Hij koos de stam van Juda uit, de berg Sion, die Hij liefhad. Hij koos zijn knecht David uit om Jacob, zijn volk, en Israël, zijn erfenis, te weiden.’ Psalm 78:60; 78:67-71

Kortom, God heeft zijn kerk willen bewaren op een manier waarbij haar redding en behoud steeds afhankelijk was van dat hoofd. En daarom roept David uit: ‘Jehova is de vesting van zijn volk, de kracht van de redding door zijn Christus.’ En dan voegt hij er deze bede aan toe: ‘Red uw volk en zegen uw eigendom.’ Psalm 28:8-9 Daarmee geeft hij aan dat de toestand van de kerk onlosmakelijk verbonden is met het rijk van Christus.

Hetzelfde bedoelt hij ergens anders: ‘Jehova, red! Laat die koning ons verhoren op de dag dat wij roepen.’ Psalm 20:10 Met deze woorden leert hij duidelijk dat gelovigen naar God vluchten om hulp omdat ze erop vertrouwen dat ze kunnen schuilen onder de bescherming van een koning. Dat kun je ook opmaken uit een andere psalm: ‘Jehova, red! Gezegend is Hij die komt in de naam van Jehova.’ Psalm 118:25-26 Daaruit blijkt duidelijk genoeg dat de gelovigen naar Christus geroepen worden. Dan mogen ze hopen dat ze door Gods hand gered worden. Een andere bede doelt op hetzelfde: ‘Laat uw hand rusten op de man aan uw rechterhand, op de mensenzoon, die U bewaard’ – of ‘klaargemaakt’ – ‘hebt.’ Psalm 80:18 De auteur van deze psalm huilt hier omdat heel het volk verstrooid is. Toch bidt hij om hun herstel, alleen in het hoofd. En als het volk in ballingschap gevoerd is, het land verwoest is en alles verloren lijkt, treurt Jeremia over de ondergang van de kerk. Hij klaagt dan vooral dat er door de ondergang van het koninkrijk voor de gelovigen geen hoop meer is. Hij zegt: ‘Christus, onze levensadem is gevangen in onze zonden. Tegen Hem zeiden wij: in uw schaduw zullen wij leven tussen de heidenen.’ Klaagliederen 4:20

Nu heb ik wel voldoende duidelijk gemaakt dat God het menselijk geslacht niet genadig kan zijn zonder de middelaar. Daarom is Christus onder de wet voor de heilige aartsvaders altijd het doel geweest waar ze hun geloof op moesten richten.

De profeten wezen steeds op Christus

Verder, als er bij tegenspoed verlichting beloofd wordt, wordt het vaandel opgestoken van vertrouwen en hoop in Christus zelf. Vooral als er geschreven wordt over de bevrijding van de kerk. ‘God is uitgetrokken om zijn volk te verlossen, met zijn Messias,’ zegt Habakuk. Habakuk 3:13 En telkens als het bij de profeten gaat over het herstel van de kerk, wijzen zij het volk op de belofte aan David, dat zijn koninkrijk eeuwig zou zijn. En dat is logisch, want anders zou het verbond maar wankel zijn.

En daar slaat ook de beroemde uitspraak van Jesaja op. Jesaja voorzegde dat het beleg van Jeruzalem zou worden opgebroken en dat er dan uitredding zou komen. Toen hij merkte dat de ongelovige koning Achaz dat niet aannam, stapte hij als het ware abrupt over op de Messias: ‘Kijk, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren.’ Jesaja 7:14 Indirect gaf hij daarmee aan dat het verbond niet zonder betekenis zou zijn, maar dat de verlosser zou komen als het zijn tijd was. Zelfs al verwierpen de koning en het volk de aangeboden belofte met hun slechtheid, alsof ze hun uiterste best deden om Gods trouw aan het wankelen te brengen.

Kortom, alle profeten zorgden ervoor dat ze steeds weer het koninkrijk van David noemden, als ze wilden laten zien dat God bereid was tot verzoening. Want van dat koninkrijk waren de verlossing en het eeuwige behoud afhankelijk.

Jesaja zegt bijvoorbeeld: ‘Ik zal met jullie een verbond sluiten: de betrouwbare gunstbewijzen aan David. Kijk, Ik heb hem als een getuige gegeven aan de volken.’ Jesaja 55:3-4 Want in hun hopeloze omstandigheden was de tussenkomst van die getuige de enige manier waarop de gelovigen nog hoop konden koesteren dat God zich door hen zou laten verbidden.

Op dezelfde manier zegt Jeremia, om wanhopigen een hart onder de riem te steken: ‘Kijk, er komen dagen dat ik voor David een rechtvaardige afstammeling zal laten opstaan. Dan zal Juda verlost worden en zal Israël veilig wonen.’ Jeremia 23:5-6

En Ezechiël zegt: ‘Ik zal één herder over mijn schapen laten opstaan: mijn knecht David. Ik, Jehova, zal hun God zijn en mijn knecht David hun herder. En ik zal een verbond van vrede met hen sluiten.’ Ezechiël 34:23-25 Ook zegt hij ergens anders, nadat hij het over de ongelofelijke vernieuwing gehad heeft: ‘Mijn knecht David zal koning over hen zijn en zij zullen samen één herder hebben en ik zal een verbond van vrede met hen sluiten.’ Ezechiël 37:24-26

Ik neem maar enkele van de vele Schriftbewijzen. Want ik wil mijn lezers er alleen maar op wijzen dat de hoop van alle vromen altijd alleen maar op Christus gevestigd was en nooit op iets anders.

Ook alle andere profeten zijn daarmee in overeenstemming. Bij Hosea staat: ‘De kinderen van Juda en de kinderen van Israël zullen samen verzameld worden en zij zullen één hoofd over zich aanstellen.’ Hosea 1:11 En later legt hij dat duidelijker uit: ‘De kinderen van Israël zullen terugkeren en Jehova, hun God, zoeken en David, hun koning.’ Hosea 3:5

En als Micha het heeft over de terugkeer van het volk, zegt ook hij duidelijk: ‘Hun koning zal voor hen uitgaan en Jehova aan hun hoofd.’ Micha 2:13 Amos zegt, als hij de vernieuwing van het volk wil beloven: ‘Op die dag zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten. Haar scheuren zal ik dichten en wat ervan is ingestort zal ik weer overeind zetten.’ Amos 9:11 Want de enige banier van redding was dat de koninklijke luister in het huis van David zich weer oprichtte. In Christus is dat vervuld.

Daarom roept Zacharia het nog duidelijker uit, omdat hij in tijd dichter bij de openbaring van Christus leefde: ‘Verheug je, dochter van Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Kijk, je koning komt naar je toe, rechtvaardig en reddend.’ Zacharia 9:9 Dat komt overeen met de passage uit Psalm 28, die ik eerder geciteerd heb: ‘Jehova is de kracht van de redding door zijn Christus. Red, Jehova!’ Psalm 28:8-9 Daar wordt de redding vanuit het hoofd over heel het lichaam verspreid.

We kunnen God niet kennen zonder dat we Christus kennen

God heeft gewild dat de Joden uit deze voorzeggingen zouden leren dat ze om verlossing te vinden, hun ogen rechtstreeks op Christus moesten richten. Al waren ze schandelijk ontaard, toch kon de herinnering aan dat algemene principe niet uitgewist worden: God zou de kerk verlossen door de hand van Christus. Zo was het aan David beloofd. Alleen op die manier zou het genadeverbond, waardoor God zijn uitverkorenen had geadopteerd als zijn kinderen, effectief worden.

Zo kwam het dat, toen Christus kort voor zijn dood Jeruzalem binnentrok, dit lied klonk uit de mond van de kinderen: ‘Hosanna, de zoon van David!’ Mattheüs 21:9 Blijkbaar was wat zij zongen wijd en zijd bekend en ontleend aan een algemeen besef dat de komst van de verlosser voor hen de enige waarborg was van Gods barmhartigheid.

Daarom beveelt Christus zelf zijn leerlingen om in Hem te geloven. Want dan zouden ze een nauwkeurig en volledig geloof in God hebben. ‘Jullie geloven in God, geloof ook in Mij,’ zegt Hij. Johannes 14:1 Eigenlijk moet je wel zeggen dat geloof van Christus opklimt naar de Vader. Maar toch geeft Christus aan dat geloof langzaamaan vervluchtigt – ook al is het een geloof in God – als Hijzelf niet als middelaar tussenbeide komt. Want Hij bewaart het geloof in onwankelbare kracht. Bovendien is Gods majesteit ook te hoog voor stervelingen die als wormpjes over de aarde kruipen. Zij kunnen zover niet doordringen.

Daarom stem ik wel in met de algemeen geaccepteerde uitspraak dat God het object van geloof is. Maar dan zo dat daar wel een correctie op nodig is. Want niet voor niets wordt Christus het beeld genoemd van de onzichtbare God. Kolossenzen 1:15 Die aanduiding waarschuwt ons dat we God niet zo kunnen kennen dat wij gered worden, als Hij zich niet aan ons laat zien in Christus.

Bij de Joden hadden de schriftgeleerden met valse verzinsels verduisterd wat de profeten over de verlosser hadden geleerd. Maar toch veronderstelde Christus het als algemeen bekend en geaccepteerd dat onze verlorenheid alleen hersteld en de kerk alleen verlost kon worden door het optreden van de middelaar. Alleen was te weinig bekend wat Paulus leert: Christus is het einddoel van de wet. Romeinen 10:4 Maar hoe waar en zeker dat is, blijkt duidelijk uit de wet zelf en uit de profeten.

Ik heb het nog niet over geloof, want dat past verderop beter. Mijn lezers moeten alleen dit onthouden: de eerste stap naar vroomheid is dat je erkent dat God een Vader voor ons is. Hij beschermt ons, leidt ons en koestert ons, totdat Hij ons verzamelt in de eeuwige erfenis van zijn koninkrijk. Hieruit blijkt wat ik hiervóór gezegd heb: zonder Christus bestaat er geen kennis van God waardoor je gered kunt worden. Daarom is Christus vanaf het begin van de wereld aan alle uitverkorenen gepresenteerd. Naar Hem moesten ze kijken en op Hem moesten ze hun vertrouwen stellen.

Dit bedoelt Ireneüs als hij schrijft dat de Vader grenzeloos is, maar dat Hij in de Zoon begrensd is. Want Hij heeft zich aan onze maat aangepast. Anders zou ons verstand overweldigd worden door zijn grenzeloze glorie. Er zijn fanatici die niet beseffen wat Ireneüs bedoelt en deze nuttige uitspraak verdraaien tot een goddeloos verzinsel. Alsof Christus slechts een stukje van Gods wezen had, dat uit het hele wezen in Hem was overgestroomd. Maar Ireneüs bedoelt juist dat je God alleen kunt begrijpen in Christus.

Deze uitspraak van Johannes is altijd helemaal waar geweest: ‘Ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet.’ 1 Johannes 2:23 In het verleden zijn er velen geweest die pochten dat ze de hoogste goddelijke majesteit dienden, de schepper van hemel en aarde. Maar ze hadden de middelaar niet. Daarom konden ze onmogelijk Gods barmhartigheid werkelijk proeven en er zo van overtuigd zijn dat Hij hun Vader was. Ze kenden het hoofd, Christus, niet. Daarom was hun kennis van God zonder betekenis. En zo kwam het dat ze uiteindelijk vervielen tot allerlei grof en schandelijk bijgeloof en zo verrieden dat ze onwetend waren. Net als tegenwoordig de moslims. Ze roepen zo hard ze kunnen dat de schepper van hemel en aarde hun God is. Maar ze stellen een afgod in plaats van de echte God, want ze verafschuwen Christus.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.