Boek II · Hoofdstuk 7
Christus in de wet
Inhoud van dit hoofdstuk · 17 secties
- 1De rituele wet was waardeloos zonder Christus
- 2De rituele wet en de morele wet wezen beiden op Christus
- 3Wij kunnen ons niet aan de morele wet houden
- 4De morele wet moet ons leren vergeving te zoeken
- 5Bewijzen uit de Schrift dat wij ons niet aan de morele wet kunnen houden
- 6De eerste functie van de morele wet: je eigen zwakheid leren kennen
- 7De eerste functie vormt geen belediging voor de wet
- 8De eerste functie is niet bedoeld om ons alle hoop te ontnemen
- 9Augustinus over de eerste functie
- 10De tweede functie van de morele wet: de goddelozen in toom houden
- 11De tweede functie is ook nuttig voor uitverkorenen vóór hun bekering
- 12De derde functie van de morele wet: de gelovigen aansporen het goede te doen
- 13Gelovigen kunnen niet zonder de morele wet
- 14Christus is niet gekomen om de morele wet af te schaffen
- 15Christus heeft ons bevrijd van de vloek van de morele wet
- 16De rituele wet is sinds de komst van Christus buiten gebruik
- 17Wie zich nog aan de rituele wet houdt, heeft geen deel aan Christus
De rituele wet was waardeloos zonder Christus
Ongeveer vierhonderd jaar na de dood van Abraham is de wet gegeven. Galaten 3:17 Uit de ononderbroken reeks Schriftbewijzen die ik geciteerd heb, blijkt dat dat niet gebeurd is om het uitverkoren volk af te leiden van Christus. Het doel was juist dat ze met hun hart vol verwachting zouden uitkijken naar zijn komst. De wet moest hen aansporen om naar Hem te verlangen en hun tijdens het wachten de kracht geven om de moed niet op te geven als het te lang duurde.
Onder de wet versta ik niet alleen de Tien Geboden die voorschrijven aan welke norm je je moet houden om vroom en rechtvaardig te leven – de morele wet. Ik versta onder de wet ook de inrichting van de godsdienst die God via de hand van Mozes overgeleverd heeft – de rituele wet.
Mozes is immers niet als wetgever gegeven om de zegen die aan het nageslacht van Abraham was beloofd ongedaan te maken. We zien juist dat hij de Joden telkens weer herinnert aan het genadeverbond dat met hun voorvaders gesloten was en waar zij de erfgenamen van waren. Het was alsof Mozes gezonden was om dat verbond te hernieuwen.
Uit de rituelen bleek dat heel duidelijk. Want wat is zo onzinnig en waardeloos als dat mensen stinkend dierenvet offeren om zich met God te verzoenen? Dat ze hun toevlucht nemen tot het sprenkelen van water of bloed om hun eigen vuil af te wassen? Kortom, op zichzelf beschouwd is de hele godsdienst van de wet iets belachelijks, als je niet ziet hoe de schaduwen en afbeeldingen corresponderen met de waarheid. Niet voor niets wordt zowel in de preek van Stefanus als in de brief aan de Hebreeën heel precies de passage geciteerd waar God Mozes beveelt dat hij de tabernakel en alles wat daarbij hoort, moest maken naar het voorbeeld dat hij op de berg te zien had gekregen. Handelingen 7:44; Hebreeën 8:5; Exodus 25:40 Want als de Joden in de rituelen niet iets geestelijks voor ogen gesteld was, zouden zij daarin net zo goed hun energie verspild hebben als de heidenen met hun waardeloze onzinnigheden.
Goddeloze mensen die nooit serieus hun best gedaan hebben om vroom te leven, kunnen alleen maar afkeer voelen als ze horen over zoveel verschillende rituelen. En zij vragen zich verwonderd af waarom God het oude volk met zo’n enorm aantal rituelen belast heeft. Maar ze minachten ze en maken ze belachelijk als kinderspel. Want ze letten niet op de betekenis van die rituelen. Als je de zichtbare vormen van de wet losmaakt van hun betekenis, kun je ze alleen maar als nutteloos veroordelen. Maar dat die vormen een afbeelding zijn van iets anders, laat zien dat God de mensen die Hem dienen niet heeft opgedragen om offers te brengen omdat Hij wilde dat ze zich druk zouden maken met aardse bezigheden. Hij wilde juist dat ze hun gedachten omhoog richtten.
Dat kun je ook duidelijk afleiden uit Gods natuur. Want Hij is geestelijk. Daarom is Hij er ook alleen maar blij mee als Hij geestelijk gediend wordt. Dat bewijzen ook vele uitspraken van de profeten. Zij beschuldigden de Joden van onwetendheid, omdat ze dachten dat offers voor God betekenis hebben. Wilden de profeten met deze woorden iets afdoen aan de wet? Absoluut niet. Zij waren juist de echte uitleggers van de wet. Daarom wilden ze met deze woorden bereiken dat de grote massa haar ogen richtte op het einddoel van de wet. Want daar dwaalde ze vanaf.
Alleen al uit de genade die aan de Joden werd aangeboden, kun je met zekerheid afleiden dat Christus niet ontbrak in de wet. Want Mozes deelde hun mee dat het doel van hun adoptie als kinderen was dat ze een priesterlijk koninkrijk zouden vormen voor God. Exodus 19:6 Dat konden ze alleen maar bereiken als er een verzoening tussenbeide kwam die groter en beter zou zijn dan een verzoening door dierenbloed. De kinderen van Adam worden immers allemaal geboren als slaven van de zonde. Het zou dus heel onnatuurlijk zijn als ze verheven zouden worden tot de koninklijke waardigheid en zo deel zouden hebben aan Gods glorie. Dat kon alleen als ze zoiets schitterends van iemand anders zouden krijgen. En hoe zou het recht op het priesterschap onder hen kunnen bestaan als ze niet in een heilig hoofd geheiligd waren? Zelf waren ze immers door het vuil van hun zonden weerzinwekkend voor God.
Daarom heeft Petrus gelijk dat hij deze uitspraak van Mozes omkeert, als hij leert dat in Christus de volledige genade aan het licht gebracht is. Een genade, waar de Joden onder de wet alleen maar een voorproefje van hadden. ‘Jullie zijn een uitverkoren geslacht,’ zegt Petrus, ‘een koninklijk priesterschap.’ 1 Petrus 2:9 Door de woorden om te keren wil hij aangeven dat zij, omdat Christus aan hen verschenen is, meer gekregen hebben dan hun voorvaders. Want ze zijn bedeeld met priesterlijke en koninklijke eer. Omdat ze vertrouwen op hun middelaar, durven ze God vrijuit onder ogen komen.
De rituele wet en de morele wet wezen beiden op Christus
In het voorbijgaan moeten we hier opmerken dat het koningschap dat later ingesteld werd in het huis van David al een onderdeel van de wet was. De wet die Mozes gaf, bevatte het koningschap al. Dat betekent dat Christus het oude volk voor ogen gesteld werd, zowel in de hele stam van Levi als in de nakomelingen van David, als in een dubbele spiegel. Want zoals ik hiervóór gezegd heb, voor Gods ogen konden zij anders geen koningen of priesters zijn. Want ze waren slaven van de zonde en van de dood. Door hun bederf waren ze besmeurd.
Hieruit blijkt dat wat Paulus zegt helemaal waar is: de Joden stonden als het ware onder de hoede van een mentor, Galaten 3:24 totdat de nakomeling kwam waar het in de belofte om ging. Ze kenden Christus nog niet van dichtbij. Daarom waren ze net kinderen die nog te zwak waren om de volledige kennis van de hemelse dingen aan te kunnen.
Ik heb al verteld hoe de Joden door de rituelen naar Christus geleid werden. En je kunt dat nog beter begrijpen uit verschillende Schriftbewijzen uit de profeten. De Joden moesten elke dag opnieuw met offers tot God naderen om verzoening te doen. Toch belooft Jesaja dat al hun zonden verzoend zullen worden door één offer. Jesaja 53:5 En dat komt overeen met wat Daniël zegt. Daniël 9:26-27 De priesters die uit de stam van Levi waren aangesteld, gingen het heiligdom binnen. Maar er is maar één priester van wie gezegd is dat Hij voor eeuwig priester zal zijn volgens de orde van Melchizedek. Psalm 110:4; Hebreeën 5:6; 7:17-21 Toen werd er zichtbaar gezalfd met olie. Maar Daniël verklaart op basis van een visioen dat er een andere zalving zal zijn. Daniël 9:24 En om ons niet door nog meer Schriftbewijzen te laten ophouden, de schrijver van de brief aan de Hebreeën toont in hoofdstuk 4 tot en met 11 uitvoerig en overtuigend aan dat de rituelen waardeloos en leeg zijn, totdat je bij Christus gekomen bent.
Ook als het gaat om de Tien Geboden – de morele wet – moeten we onthouden dat Paulus waarschuwt dat Christus het einddoel van de wet is, om ieder die gelooft te rechtvaardigen. Romeinen 10:4 En ook dat Christus de Geest is die de letter, die op zichzelf alleen maar doodt, levend maakt. 2 Korinthiërs 3:17; 3:6 Want met het eerste geeft hij aan dat je uit de geboden tevergeefs leert wat rechtvaardigheid is, zolang Christus je die rechtvaardigheid niet geeft. Hij beschouwt die uit genade als jouw rechtvaardigheid als je door de Geest opnieuw geboren bent. Daarom is het terecht dat Paulus Christus de vervulling of het einddoel van de wet noemt. Want we zouden er niets aan hebben om te weten wat God van ons eist als Christus ons niet te hulp zou komen. Want zolang we zelf gebukt gaan onder het juk, bezwijken we onder de ondraaglijke last. Ergens anders leert Paulus dat de wet gegeven is omwille van de overtredingen. Galaten 3:19 Want de wet moet de mensen nederig maken door hen ervan te overtuigen dat ze veroordeeld zijn.
Dit is de juiste en enige voorbereiding op het zoeken van Christus. Daarom is wat Paulus met verschillende bewoordingen leert toch heel consistent. Maar hij was in debat met valse leraren die verzonnen dat we rechtvaardigheid verdienen door ons aan de wet te houden. Om hun dwaling te weerleggen was hij gedwongen om soms de wet alleen in een engere betekenis te nemen. Toch is de wet buiten die engere betekenis overdekt met het kleed van het verbond van de adoptie uit genade.
Wij kunnen ons niet aan de morele wet houden
Het is goed om nu kort stil te staan bij de vraag hoe het onderwijs in de morele wet maakt dat we minder te verontschuldigen zijn, zodat onze schuld ons ertoe aanzet vergeving te zoeken.
In de wet wordt ons de volmaakte rechtvaardigheid geleerd. Als dat waar is, betekent dat ook dat je, als je je volledig aan deze wet houdt, volmaakt rechtvaardig bent in de ogen van God. Voor de hemelse rechterstoel word je dan als rechtvaardig beschouwd en behandeld. Nadat Mozes de wet heeft afgekondigd, aarzelt hij daarom niet om hemel en aarde als getuigen te nemen dat hij Israël leven en dood, en goed en kwaad gepresenteerd heeft. Deuteronomium 30:19 Je mag dan ook niet ontkennen dat volledige gehoorzaamheid aan de wet beloond wordt met eeuwig leven. Zo heeft de Heer het beloofd.
Maar aan de andere kant is het goed om ons af te vragen of wij die gehoorzaamheid wel laten zien. Mogen wij op grond van onze gehoorzaamheid er wel op vertrouwen dat wij zo beloond worden? Want wat heb je eraan als je weet dat het houden van de wet beloond wordt met eeuwig leven, als niet tegelijk ook vaststaat dat wij langs die weg het eeuwige leven kunnen bereiken?
Echter, op dit punt blijkt de zwakte van de wet. Want je vindt onder ons niemand die zich aan de wet houdt. En dus zijn wij uitgesloten van het beloofde eeuwige leven. Voor ons blijft alleen de vloek over. Ik zeg niet slechts dat het zo gaat. Het kán niet anders of het gaat zo. Want wat de wet ons leert, gaat het menselijk kunnen ver te boven. Daarom kan de mens de beloften die aan de wet vastzitten wel van uit de verte zien. Maar het levert hem helemaal niets op.
Er zit voor de mens dus niets anders op dan op grond van die beloften een nog betere inschatting maken van zijn eigen ellende. De hoop op eeuwig leven is voor hem afgesneden. Het is echt waar dat hem de dood boven het hoofd hangt. En tegenover de beloften staat de dreiging van afschuwelijke straffen. Niet slechts enkelen van ons, maar wij allemaal zitten daarin verstrikt en geboeid. Onverbiddelijk streng, zeg ik, bedreigen en achtervolgen zij ons. Daardoor kijken we in de wet de dood in de ogen.
De morele wet moet ons leren vergeving te zoeken
Dus als we alleen maar naar de wet kijken, kunnen we niets anders dan de moed opgeven en doodsbang en wanhopig worden. Want door de wet worden we allemaal veroordeeld en vervloekt. Galaten 3:10 De wet houdt ons ver verwijderd van het geluk dat beloofd wordt aan wie zich aan de wet houdt.
Speelt de Heer, zul je zeggen, zo geen spelletje met ons? Het lijkt er immers sterk op. De hoop op geluk wordt ons voorgehouden. We worden tot dat geluk uitgenodigd en aangespoord en ons wordt verzekerd dat het voor ons klaarligt. Maar ondertussen is de toegang tot dat geluk voor ons gesloten. We kunnen er niet naar binnen.
Dit is mijn antwoord: de beloften van de wet zijn afhankelijk van een volmaakte gehoorzaamheid aan de wet. Zo’n gehoorzaamheid is nergens te vinden. Maar toch zijn de beloften niet tevergeefs. Want we leren dat ze voor ons tevergeefs zijn en geen enkel effect hebben, tenzij God ons omhelst, door zijn goedheid en uit genade, zonder dat Hij kijkt naar wat wij doen. Als wij dan gelovig zijn goedheid omhelzen, die ons in het evangelie geopenbaard is, dan hebben de beloften toch effect, zelfs als er een voorwaarde aan vastzit. Want dan geeft God ons alles uit genade. En als bekroning van zijn goedheid geeft Hij ons dan ook nog dat Hij onze halve gehoorzaamheid niet afwijst. Hij vergeeft ons wat er aan onze vervulling van de wet ontbreekt. En Hij laat ons genieten van de vruchten die door de beloften van de wet beloofd worden, alsof we aan de voorwaarde voldaan hebben.
Maar ik zal nu niet dieper op deze kwestie ingaan. Want als ik de rechtvaardiging door geloof ga behandelen, zal dit uitgebreider aan de orde moeten komen.
Bewijzen uit de Schrift dat wij ons niet aan de morele wet kunnen houden
Maar ik moet nu wel met een paar woorden uitleggen en bovendien onderbouwen dat ik gezegd heb dat wij ons onmogelijk aan de wet kunnen houden. Want de grote massa vindt dat altijd een absurd idee. En Hiëronymus deinsde er zelfs niet voor terug om er een ‘vervloekt’ over uit te spreken. Maar wat Hiëronymus ervan vond, interesseert mij niet. We moeten onderzoeken wat de waarheid is. Ik ga hier geen lange redeneringen ophangen over de verschillende soorten ‘mogelijkheden’. ‘Onmogelijk’ noem ik iets dat nooit bestaan heeft en dat als gevolg van Gods orde en besluit ook nooit bestaan kan.
Volgens mij is er vanaf het allereerste begin nooit een heilige geweest die, gehuld in het lichaam van de dood, Romeinen 7:24 het streefdoel van de liefde bereikt heeft en God met heel zijn verstand, heel zijn ziel en heel zijn vermogen liefhad. Marcus 12:30; Lucas 10:27 Bovendien is er ook nooit iemand geweest die niet te kampen had met hartstochtelijke begeerte. Wie zou dit kunnen tegenspreken? Ik zie wel wat voor heiligen dwaze bijgelovige mensen zich inbeelden: heiligen die in reinheid haast gelijk zijn aan de engelen. Maar dat is in strijd met zowel de Schrift als onze eigen ervaring. Ook zeg ik dat er hierna ook nooit iemand zal zijn die echte volmaaktheid zal bereiken, zolang hij nog niet verlost is van de last van het lichaam.
Voor dit standpunt staan mij om te beginnen duidelijke bewijzen uit de Schrift ter beschikking. ‘Er is geen rechtvaardig mens op aarde die niet zondigt,’ zei Salomo. 1 Koningen 8:46; Prediker 7:20 En David: ‘Niemand die leeft, zal in uw ogen gerechtvaardigd worden.’ Psalm 143:2 Job bevestigt dit ook in veel passages. Job 4:17; 9:2; 15:14; 25:4 Paulus zegt het het duidelijkst. Hij zegt dat wat het vlees begeert in strijd is met de Geest en dat wat de Geest begeert in strijd is met het vlees. Galaten 5:17 En het enige argument dat hij aanvoert om te bewijzen dat ieder die onder de wet is, vervloekt is, is dat er geschreven staat: ieder die zich niet houdt aan alle geboden van de wet, is vervloekt. Galaten 3:10; Deuteronomium 27:26 Dan gaat hij er dus stilzwijgend vanuit en neemt hij als vaststaand aan dat niemand zich aan alle geboden kan houden.
Echter, alles wat in de Schrift bepaald is, horen we te beschouwen als eeuwig en dus als onvermijdelijk. De pelagianen kwelden Augustinus met dit soort spitsvondigheden: als je zegt dat God meer beveelt dan gelovigen door zijn genade kunnen doen, doe je God onrecht. Om aan deze laster te ontkomen, gaf Augustinus toe dat de Heer, als Hij wilde, een sterfelijk mens net zo rein kon maken als een engel. Maar, zei Augustinus, dat had Hij nooit gedaan en zou Hij ook nooit doen. Want dan zou Hij iets anders doen dan Hij in de Schrift verzekerd heeft. Ik ontken dat niet. Maar ik voeg er wel aan toe dat het geen goed idee is om Gods macht en Gods waarheid tegen elkaar uit te spelen. Daarom moet je er niet de draak mee steken als iemand zegt dat iets niet zal gebeuren omdat de Schrift zegt dat het niet zal gebeuren. Maar als er dan toch een discussie gevoerd wordt over dit woord – als zijn leerlingen vragen wie er gered kan worden, antwoordt de Heer dat dit wel onmogelijk is bij de mensen, maar dat bij God alles mogelijk is. Mattheüs 19:25-26
Augustinus heeft nog een heel overtuigend argument om te beweren dat we in dit vlees God nooit de vereiste liefde geven. Hij zegt: ‘Liefde volgt op kennis. Dus kan niemand God volmaakt liefhebben zonder eerst volledig zijn goedheid te leren kennen. Maar zolang wij als vreemdelingen in deze wereld leven, kijken wij door een spiegel en in raadsels. Dat betekent dus dat onze liefde onvolmaakt is.’
Zo staat dus buiten kijf dat we in dit vlees de wet onmogelijk kunnen vervullen, gelet op de zwakheid van onze natuur. Ik zal dat later nog aantonen op basis van Paulus.
De eerste functie van de morele wet: je eigen zwakheid leren kennen
Maar om heel deze zaak beter toegankelijk te maken, moeten we kort en systematisch bespreken wat de functie is van wat de morele wet genoemd wordt. Als ik het goed zie, heeft die wet drie functies.
De eerste functie is dat de wet Gods rechtvaardigheid laat zien – dat wil zeggen: de enige rechtvaardigheid die voor God acceptabel is – en zo iedereen waarschuwt, meedeelt en ervan overtuigt dat hij onrechtvaardig is en hem daar ook om veroordeelt.
Immers, de mens is blind en dronken van liefde voor zichzelf. Daarom is het nodig dat hij zijn eigen zwakheid en onreinheid leert kennen en gaat erkennen. Want als niet onomstotelijk aangetoond wordt hoe nietig hij is, is hij zo verwaand dat hij op zijn eigen kracht vertrouwt. Zolang hij zijn kracht afmeet aan de maat van zijn eigen oordeel, komt hij nooit zover dat hij erkent hoe weinig hij kan. Maar zodra hij het verschil begint te zien tussen wat hij kan en wat de wet vraagt, heeft hij iets om zijn overmoed in te tomen. Want hoe hoog hij ook van zijn eigen kunnen opgeeft, hij merkt al snel dat hij onder de last van de wet gaat hijgen, vervolgens gaat wankelen en struikelen en ten slotte omvalt en bezwijkt. Als hij zo bij de wet in de leer is geweest, laat hij de arrogantie varen die hem tot dan toe verblind had.
Op dezelfde manier moet de mens genezen worden van de andere ziekte waar hij aan lijdt, zoals ik zei: trots. Zolang hij de vrijheid houdt om af te gaan op zijn eigen oordeel, maakt hij de fout huichelarij aan te zien voor rechtvaardigheid. Daar is hij dan mee tevreden en op basis van een soort nep-rechtvaardigheid staat hij op tegen Gods genade. Maar als hij gedwongen wordt zijn leven te wegen op de weegschaal van de wet, moet hij het idee van zijn gefantaseerde rechtvaardigheid loslaten. Dan ziet hij dat hij verre van heilig is. Integendeel, hij zit vol ontelbaar veel fouten waarvan hij eerst niet wist dat hij die had. Want het kwaad van de hartstochtelijke begeerte ligt in zulke diepe spelonken verborgen, dat mensen het gemakkelijk over het hoofd zien. Niet voor niets zegt de apostel Paulus dat hij niet geweten had dat begeerte zonde was als de wet niet zei: ‘Je mag niet begeren.’ Romeinen 7:7; Exodus20:17Want als de wet de begeerte niet tevoorschijn haalt uit haar schuilhoek, maakt die begeerte de mens in het geheim kapot, voordat opgemerkt wordt hoe dodelijk dit wapen is.
De eerste functie vormt geen belediging voor de wet
De wet is dus net een spiegel. In die spiegel zien wij in de eerste plaats onze onmacht. Door onze onmacht zien we in de tweede plaats ook onze zonde. En door zowel onze onmacht als onze zonde zien we in de derde plaats ook onze veroordeling. Net zoals we in een spiegel de lelijke plekken op ons gezicht zien. Want wie niet in staat is om rechtvaardigheid na te volgen, zit onvermijdelijk vast in de modder van de zonde. En de zonde wordt meteen gevolgd door de veroordeling. Daarom, hoe groter de overtreding is die de wet bij ons ontdekt en waar de wet ons van overtuigt, hoe zwaarder het vonnis is waar de wet zo iemand voor aanklaagt.
Hierop slaat de uitspraak van de apostel Paulus dat we door de wet de zonde kennen. Romeinen 3:20 Want hij doelt daar alleen op de eerste functie van de wet, de taak die de wet uitvoert in zondaren die nog niet opnieuw geboren zijn. Hiermee samen hangen zijn uitspraken dat de wet erbij gekomen is om de misdaad te laten toenemen Romeinen 5:20 en dat de wet daarom de dood bedient, omdat de wet woede brengt en doodt. 2 Korinthiërs 3:7; Romeinen 4:15 Want ongetwijfeld neemt de misdaad alleen maar toe als het geweten geraakt wordt door het besef van de zonde. Immers, in dat geval wordt er ook nog eens koppigheid tegenover de wetgever aan de aanklacht toegevoegd. Voor de wet blijft er dan alleen nog over om Gods woede te wapenen voor de ondergang van de zondaar. Want op zichzelf kan de wet alleen maar beschuldigen, veroordelen en doden. Of zoals Augustinus schrijft: ‘Als de Geest van genade ontbreekt, is er alleen de wet om te beschuldigen en te doden.’
Maar als we dit zeggen, beledigen we de wet daarmee niet. We doen in geen enkel opzicht iets af aan hoe geweldig de wet is. Immers, als onze wil volledig aangepast en geschikt gemaakt werd om de wet te kunnen gehoorzamen, dan zou alleen het kennen van de wet al genoeg zijn om gered te worden. Maar onze vleselijke en bedorven natuur voert een verbeten strijd met Gods geestelijke wet. De discipline van de wet corrigeert onze natuur helemaal niet, zelfs geen klein beetje. Daarom vormt de wet nu alleen nog maar een aanleiding voor zonde en dood. Zelfs al is de wet gegeven om te redden. Als er maar hoorders waren geweest die konden gehoorzamen! Want de wet overtuigt ons er allemaal van dat we zondaren zijn. Daarom, hoe duidelijker de wet Gods rechtvaardigheid laat zien, hoe duidelijker de wet aan de andere kant ook onze onrechtvaardigheid aan het licht brengt. En met hoe meer zekerheid de wet bevestigt dat rechtvaardigheid beloond wordt met eeuwig leven, met hoe meer zekerheid de wet ook de ondergang van de onrechtvaardigen leert.
Het is dus absoluut niet zo dat de genoemde uitspraken de wet in een kwaad daglicht stellen. Ze zijn juist heel geschikt om Gods goedheid nog beter te laten uitkomen. Want daardoor blijkt dat echt onze eigen slechtheid en verdorvenheid ons verhinderen om te genieten van het gelukkige leven dat de wet ons allemaal voor ogen stelt. Zo wordt Gods genade, die ons zonder steun van de wet te hulp komt, nog heerlijker. En zo wordt de barmhartigheid, waardoor wij die genade krijgen, nog lieflijker. En dus leren we dat God nooit moe wordt telkens weer goed te doen en ons met nieuwe gaven te overladen.
De eerste functie is niet bedoeld om ons alle hoop te ontnemen
Doordat de wet tegen ons getuigt, bewijst zij dat wij allemaal zondig en veroordeeld zijn. Maar dat is niet om ons in wanhoop te laten bezwijken, zodat we de moed opgeven en ons halsoverkop in de afgrond storten. Als we het getuigenis van de wet maar tot ons voordeel gebruiken, zoals het hoort. Zeker, de verworpenen worden wel op deze manier door de wet doodsbang gemaakt. Maar dat komt omdat ze zo koppig zijn. Bij Gods kinderen heeft dit onderwijs echter een ander doel.
De apostel Paulus getuigt wel dat wij door het oordeel van de wet veroordeeld zijn, om iedereen het zwijgen op te leggen, zodat de hele wereld voor Gods ogen schuldig staat. Romeinen 3:19 Maar dezelfde apostel leert ergens anders dat God alle mensen in hun ongeloof heeft opgesloten, niet om ze verloren te laten gaan of om ze allemaal te laten omkomen, maar om ze allemaal barmhartig te zijn. Romeinen 11:32 Want Gods bedoeling is dat ze hun dwaze ideeën over hun eigen kunnen zouden loslaten en zouden inzien dat ze alleen door Gods hand overeind staan en overeind blijven. We moeten naakt en leeg vluchten naar Gods barmhartigheid. Daar alleen moeten we op vertrouwen, daar alleen moeten we ons verschuilen en die alleen moeten we beetpakken voor onze rechtvaardigheid en onze beloning. En die barmhartigheid is in Christus beschikbaar voor iedereen die zich er met echt geloof naar uitstrekt en er naar uitkijkt.
Want in de geboden van de wet verschijnt God als iemand die alleen volmaakte rechtvaardigheid beloont. Maar omdat zo’n rechtvaardigheid ons allemaal ontbreekt, verschijnt God in de geboden van de wet integendeel als iemand die misdaden streng bestraft. In Christus echter straalt zijn gelaat vol van genade en vriendelijkheid, zelfs voor ellendige en onwaardige zondaren.
Augustinus over de eerste functie
Augustinus heeft het er vaak over dat de wet als resultaat moet hebben dat wij Gods genade om hulp roepen. Hij schrijft bijvoorbeeld aan Hilarius: ‘De wet geeft ons bevelen, zodat we proberen die bevelen uit te voeren, onszelf in onze zwakheid uitputten onder de last van de wet en er zo achter komen dat we de genade om hulp moeten vragen.’ En aan Asellius: ‘Het nut van de wet is dat de wet de mens overtuigt van zijn zwakheid en ertoe aanzet om te vragen om het medicijn van de genade. Dat medicijn is in Christus.’ En aan Innocentius I van Rome: ‘De wet gebiedt, de genade geeft de kracht om te doen.’ En aan Valentinus: ‘God beveelt wat we niet kunnen, om ons te laten weten waar we Hem om moeten vragen.’
Ook schrijft hij: ‘De wet is gegeven om jou schuldig te stellen, zodat je bang wordt omdat je schuldig bent, zodat je vergeving vraagt omdat je bang bent en zodat je geen hoge dunk zou hebben van je eigen kracht.’ En: ‘De wet is gegeven om jou van groot klein te maken, om je duidelijk te maken dat je van jezelf niet in staat bent tot rechtvaardigheid, zodat je arm en onwaardig je toevlucht neemt tot genade, omdat je niet zonder kunt.’ Vervolgens spreekt hij God aan: ‘Doe dit, Heer. Doe dit, Heer, in uw barmhartigheid: beveel wat we onmogelijk kunnen doen. Ja, beveel wat we alleen door uw genade kunnen doen. Zodat alle mensen de mond gesnoerd wordt, omdat ze het niet in eigen kracht gekund hebben. En zodat niemand van zichzelf denkt dat hij groot is. Alle mensen moeten klein worden en de hele wereld moet schuldig staan voor God.’
Maar het is dom van mij dat ik zoveel citaten verzamel. Want die heilige man heeft zelf een boek geschreven met de titel Over de
Geest en de letter. De tweede functie van de wet beschrijft hij niet zo duidelijk. Misschien wist hij dat die samenhangt met de eerste functie. Of misschien had hij er geen vast omlijnde mening over. Of misschien kon hij geen woorden vinden om zijn opvatting precies en duidelijk uit te leggen, ook al was zijn opvatting voor de rest correct.
Toch voert de wet ook de eerste functie uit in de verworpenen. Ze komen weliswaar niet zover als Gods kinderen. Als hun vlees is neergeworpen, worden ze niet vanbinnen vernieuwd en ze bloeien niet op. Maar ze worden wel al door de eerste schrik overmand en liggen in wanhoop neer. En dat hun geweten door die stormen in beroering gebracht wordt, maakt hun toch duidelijk dat Gods oordeel eerlijk is. Want ze willen wel altijd graag uitvluchten zoeken tegen Gods oordeel. Maar nog voordat het oordeel geopenbaard is, verraden ze zichzelf welke straf ze verdiend hebben. Zo diep worden ze getroffen door het getuigenis van de wet in hun eigen geweten.
De tweede functie van de morele wet: de goddelozen in toom houden
De tweede functie van de wet is dat de wet ervoor moet zorgen dat mensen die zich niet bekommeren om recht en rechtvaardigheid – tenzij ze worden gedwongen – in bedwang gehouden worden door angst voor straf – omdat ze de vreselijke sancties horen die de wet noemt. Zij worden niet in bedwang gehouden doordat ze vanbinnen veranderd of aangeraakt worden. Nee, het is net alsof ze onder dwang in toom gehouden worden en daarom hun handen afhouden van uiterlijke daden. Ze houden hun slechtheid in zichzelf opgesloten, terwijl ze die anders brutaalweg zouden hebben laten gaan.
Maar dat betekent niet dat ze beter zijn of dat ze in Gods ogen rechtvaardiger zijn. Schrik of schaamte houdt hen tegen, zodat ze niet durven uitvoeren wat ze van plan zijn. Ze durven hun driften en lusten niet openlijk botvieren. Maar toch hebben ze geen hart dat geschikt is om God te vrezen en te gehoorzamen. Integendeel, hoe meer ze zich inhouden, hoe meer ze vanbinnen vlam vatten. Ze branden en koken en zouden tot alles bereid en in staat zijn, als hun angst voor de wet hun niet in de weg stond. En dat is niet het enige. Ook haten ze de wet zelf en ze vervloeken God, de wetgever. Als ze konden, zouden ze Hem het liefst uit de weg willen ruimen. Want ze kunnen Hem niet uitstaan. Niet als Hij het goede beveelt en niet als Hij straft wie zijn majesteit veracht. Iedereen die nog niet opnieuw geboren is, is zich ervan bewust – de een meer, de ander minder – dat hij zich niet vrijwillig onderwerpt, maar dat hij tegen zijn wil, al tegenspartelend, gedwongen wordt om zich aan de wet te houden, alleen omdat hij bang is.
Maar deze afgedwongen rechtvaardigheid is nodig voor de maatschappij. Op deze manier wordt gezorgd voor de rust in de maatschappij en wordt voorkomen dat alles door onrust in verwarring raakt. Dat zou gebeuren als iedereen alles maar werd toegestaan.
Ook voor Gods kinderen is het nuttig dat ze door deze discipline getraind worden zolang ze nog niet geroepen zijn en de Geest van de heiliging Romeinen 1:4 nog missen en zich nog te buiten gaan in de dwaasheid van het vlees. Doordat Gods straf hen afschrikt, worden ze in elk geval weerhouden van uiterlijke losbandigheid. Voor het moment levert hun dat nog niet veel op, omdat ze in hun hart nog niet getemd zijn. Maar zo raken ze wel vast een beetje gewend aan het dragen van het juk van rechtvaardigheid. En als ze eenmaal geroepen zijn, is de discipline niet helemaal nieuw en onbekend voor hen.
De apostel Paulus lijkt vooral op deze tweede functie te doelen als hij leert dat de wet niet bestemd is voor wie rechtvaardig is, maar voor wie onrechtvaardig en koppig is, voor ongelovigen en zondaren, voor misdadigers en goddelozen, voor wie zijn vader of moeder vermoordt, voor moordenaars, ontuchtplegers, homoseksuelen, ontvoerders, leugenaars en meineedplegers, en voor wie er verder maar tegen de gezonde leer ingaat.’ 1 Timotheüs 1:9-10 Want Paulus geeft hier aan dat de wet een teugel is om de losbandige begeerten van het vlees in toom te houden, om te voorkomen dat ze onbeheerst hun gang kunnen gaan.
De tweede functie is ook nuttig voor uitverkorenen vóór hun bekering
Ergens anders zegt Paulus dat de wet voor de Joden een mentor is geweest. Galaten 3:24 Dat kan zowel op de eerste als op de tweede functie van wet worden toegepast. Want er zijn twee soorten mensen die door de discipline van de wet naar Christus geleid worden.
De eerste soort heb ik eerder al behandeld. Zij zijn zo vol vertrouwen in hun eigen goede eigenschappen of rechtvaardigheid dat ze niet geschikt zijn om de genade van Christus te krijgen. Ze moeten dat vertrouwen eerst kwijtraken. Dus leert de wet hun hun ellende kennen en brengt hen zo tot nederigheid. Zo worden ze voorbereid om te gaan verlangen naar wat ze dachten dat ze al hadden.
De tweede soort heeft een teugel nodig om in toom te worden gehouden. Dat moet voorkomen dat ze de losbandigheid van hun vlees botvieren en elk streven naar rechtvaardigheid volledig kwijtraken. Want waar Gods Geest nog niet regeert, koken de lusten soms zo over dat het gevaar bestaat dat de ziel die aan die lusten onderworpen is, God gaat vergeten en verachten. Dat zou ook zeker gebeuren als God dat niet met het geneesmiddel van de wet zou tegengaan.
Dus als God degenen die hij bestemd heeft om zijn rijk te erven niet meteen opnieuw geboren laat worden, beschermt Hij hen tot het moment dat Hij hen opzoekt, door hen uit angst te laten doen wat de wet zegt. Die angst is nog niet de zuivere vrees die Gods kinderen moeten hebben. Maar die angst is wel nuttig omdat die hen opvoedt in echte vroomheid, voor zover ze die al kunnen begrijpen.
We hebben daar zoveel bewijzen van dat ik daar geen voorbeeld van hoef te geven. Want alle mensen die een tijd lang geleefd hebben in onwetendheid over God, zullen moeten toegeven dat ze dit ervaren hebben: de teugel van de wet boezemde hun een bepaalde angst en eerbied in voor God. Maar pas toen ze door de Geest opnieuw geboren werden, begonnen ze Hem van harte lief te hebben.
De derde functie van de morele wet: de gelovigen aansporen het goede te doen
De derde functie van de wet is de belangrijkste. Deze functie komt dichter bij het eigenlijke doel van de wet en vindt plaats in de gelovigen, bij wie de Geest van God al in het hart leeft en regeert. Weliswaar heeft God de wet met zijn vinger in hun hart geschreven en ingeprent. Jeremia 31:33; Hebreeën 10:16 Dat wil zeggen dat ze door de leiding van de Geest aangeraakt en bezield zijn, zodat ze God graag gehoorzamen. Maar toch hebben ze nog op twee manieren iets aan de wet.
In de eerste plaats is de wet voor hen een geschikt instrument om elke dag beter en met meer zekerheid te leren wat de Heer wil. Die wil proberen ze te doen en de wet helpt hen om hun kennis van die wil te vergroten. Het is net als bij een slaaf die de goedkeuring van zijn meester wil verdienen. Ook al wil hij dat al met heel zijn hart, toch moet hij de wensen van zijn meester steeds beter bestuderen en observeren, zodat hij zich daarnaar kan schikken. En niemand van ons mag zichzelf hiervan uitsluiten, alsof het voor hem niet nodig is. Want niemand is al zover in de wijsheid doorgedrongen dat hij niet nog verder zou kunnen komen en Gods wil niet nog beter zou kunnen leren kennen als hij elke dag onderwijs krijgt van de wet.
Maar wij hebben niet alleen onderwijs nodig. We moeten ook aangespoord worden. Daarom heeft iemand die God dient in de tweede plaats ook nog dit voordeel van de wet: als hij regelmatig de wet overdenkt, spoort dat hem aan om te gehoorzamen. Hij wordt daarin gesterkt en hij wordt afgehouden van het glibberige pad van de zonde. Want hoe enthousiast de heiligen, wat hun geest betreft, ook Gods rechtvaardigheid nastreven, toch moeten ze zich ook op deze manier aanvuren. Want ze dragen nog altijd de last van hun luie vlees, zodat ze niet zo vastberaden vooruitkomen als wel zou moeten. De wet is voor dit vlees een zweep. Als een slome en luie ezel wordt het vlees door de wet aan het werk gedwongen. Ja, omdat de geestelijke mens nog niet bevrijd is van de last van het vlees, moet de wet voor hem continu een prikkel zijn die hem niet toestaat om te gaan zitten nietsdoen.
Ongetwijfeld had David deze functie van de wet op het oog toen hij de wet met zulke schitterende lofredes prees: ‘De wet van de HEER is volmaakt en bekeert de ziel. De bevelen van de HEER zijn recht en verblijden het hart. Het gebod van de HEER is zuiver en verlicht de ogen.’ Psalm 19:8-9 En: ‘Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.’ Psalm 119:105 En nog ontelbaar veel meer van zulke uitspraken in dezelfde psalm. Die lofredes zijn niet in strijd met de uitspraken van Paulus. Paulus geeft niet aan wat de wet oplevert voor hen die opnieuw geboren zijn, maar wat de wet oplevert voor de mens in het algemeen. De profeet echter bezingt hier hoeveel voordeel het onderwijs van de Heer door het lezen van de wet oplevert voor hen aan wie Hij vanbinnen de bereidheid geeft om te gehoorzamen. David heeft het hier niet alleen over de geboden, maar ook over de belofte van de genade die eraan vastzit. Alleen die belofte maakt wat bitter is zoet. Want als de wet alleen maar als eis en als dreigement de zielen met angst en schrik in het nauw brengt, wat is er dan minder aantrekkelijk dan de wet? Maar David maakt vooral duidelijk dat hij in de wet de middelaar gevonden heeft. En zonder de middelaar valt er in de wet niets heerlijks te genieten.
Gelovigen kunnen niet zonder de morele wet
Sommige onwetenden zijn zich niet bewust van dit onderscheid. Daarom zijn ze zo brutaal om heel Mozes aan de kant te schuiven en afscheid te nemen van de twee tafels van de wet. Want ze vinden dat christenen geen leer horen aan te hangen met daarin de bediening van de dood. 2 Korinthiërs 3:7 Maar dit goddeloze idee moeten we uit onze gedachten bannen! Mozes heeft inderdaad geleerd dat de wet bij zondaren alleen maar tot de dood kan leiden. Maar de heiligen kunnen op een veel betere manier van de wet gebruik maken.
Want toen Mozes ging sterven, gebood hij het volk: ‘Neem alle woorden ter harte die ik vandaag voor jullie afkondig. Beveel ze aan je kinderen en leer hun om alles wat er in dit wetboek geschreven staat nauwkeurig te bewaren, te doen en te vervullen. Want dit zijn voor jullie geen zinloze geboden. Ze zijn bedoeld om iedereen daarin te laten leven!’ Deuteronomium 32:46-47
Niemand kan ontkennen dat in de wet een volmaakt beeld van rechtvaardigheid schittert. Daarom: óf we hebben geen enkel richtsnoer nodig om goed en rechtvaardig te leven, óf het is niet toegestaan om af te wijken van de wet. Want er zijn niet meerdere richtsnoeren voor het leven. Er is er maar één en die is eeuwig en onveranderlijk. David zegt dat het leven van een rechtvaardig man bestaat uit een continu overdenken van de wet. Psalm 1:2 Dat moeten we dus niet tot één bepaalde tijd beperken. Want het is volledig van toepassing op elke tijd tot het einde van de wereld toe.
En daarom moeten we de wet niet schuwen of het onderwijs van de wet mijden omdat de wet een veel volmaaktere heiligheid voorschrijft dan wij kunnen bereiken zolang we de gevangenis van ons lichaam nog met ons meezeulen. Want de wet heeft voor ons niet de functie van een strenge schuldeiser die pas voldaan is als de schuld is afgelost. Nee, als de wet ons aanspoort tot volmaaktheid, laat de wet ons de eindstreep zien. Het is goed voor ons om ons leven lang die volmaaktheid na te streven. En het is ook in overeenstemming met onze plicht. Zolang we dat gevecht niet opgeven, is het goed. Want heel het leven is een hardloopwedstrijd. En als we straks de afstand afgelegd hebben, zal de Heer ons geven dat we de eindstreep halen, die we nu vanuit de verte proberen te bereiken.
Christus is niet gekomen om de morele wet af te schaffen
De wet heeft bij gelovigen nu dus als functie hen aan te sporen. De wet heeft bij hen niet als functie hun geweten te vangen onder de vloek. De wet moet de gelovigen continu aanvuren om zo hun laksheid te verdrijven en hun onvolmaaktheid te prikkelen. Om aan te geven dat de gelovigen bevrijd zijn van de vloek van de wet zeggen velen daarom dat de wet – ik heb het nu nog steeds over de morele wet – voor hen is afgeschaft. Ze bedoelen dan niet dat de wet gelovigen niet meer beveelt wat goed is. Ze bedoelen alleen dat de wet voor gelovigen niet meer dezelfde is als vroeger. Dat wil zeggen dat de wet hun geweten geen schrik of angst meer aanjaagt. De wet veroordeelt en doodt hen niet meer.
En inderdaad, Paulus leert duidelijk dat de wet op deze manier is afgeschaft. Romeinen 7:6 Ook de Heer predikte dat. Dat blijkt uit het feit dat Hij het idee weerlegt dat Hij de wet zou afbreken. Dat zou hij niet gedaan hebben als dat idee niet de ronde deed onder de Joden. En dat idee zou niet zomaar, zonder aanleiding, opgedoken zijn. Het lijkt daarom waarschijnlijk dat dit idee is ontstaan doordat ze wat de Heer leerde verkeerd uitlegden. Zoals bijna alle dwalingen ontstaan uit de waarheid. Maar om te voorkomen dat wij ons aan dezelfde steen stoten, moeten we nu nauwkeurig onderscheid maken tussen wat in de wet is afgeschaft en wat nog steeds geldt.
De Heer verklaart dus dat Hij niet gekomen is om de wet op te heffen, maar om de wet te vervullen. En dat er voordat hemel en aarde voorbijgaan geen punt of komma van de wet voorbij zal gaan, totdat alles gebeurd is. Mattheüs 5:17-18 Daarmee bevestigt Hij duidelijk genoeg dat er door zijn komst niets zal worden afgedaan aan de plicht om je aan de wet te houden. En dat is logisch. Want Hij is juist gekomen met het doel een eind te maken aan de overtredingen van de wet. Dus laat Christus de wet onaangetast, zodat die ons kan onderwijzen, vermanen, bestraffen en corrigeren om ons geschikt te maken voor elke goede daad. 2 Timotheüs 3:16-17
Christus heeft ons bevrijd van de vloek van de morele wet
Echter, wat Paulus zegt over de vloek, slaat vast en zeker niet op het onderwijs zelf, maar alleen op de kracht van de wet om het geweten te vangen. Want de wet onderwijst niet alleen, maar legt haar bevelen dwingend op. En als die bevelen niet worden uitgevoerd, ja als je je plicht ook maar een beetje verzaakt, dan dreigt de bliksem van de vloek.
Daarom zegt de apostel dat iedereen die leeft uit het doen van de wet, vervloekt is. Want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die niet alles vervult.’ Galaten 3:10; Deuteronomium 27:26 En hij zegt dat je leeft uit het doen van de wet als je je rechtvaardigheid niet baseert op de vergeving van zonden, die ons van de onverbiddelijkheid van de wet bevrijdt. Hij leert dus dat we bevrijd moeten worden van de boeien van de wet, als we tenminste niet jammerlijk willen omkomen onder die boeien.
Maar van welke boeien moeten we worden bevrijd? Van die onverbiddelijke, dreigende schuldeiser die ons niets kwijtscheldt van alles waar hij aanspraak op maakt en geen enkele overtreding ongestraft laat. Van deze vloek, zeg ik, moeten wij verlost worden en daarom is Christus voor ons een vervloekte geworden. Want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die aan het hout hangt.’ Galaten 3:13; Deuteronomium 21:23
In het volgende hoofdstuk leert Paulus weliswaar dat Christus onderworpen was aan de wet om hen die onder de wet waren te verlossen. Maar dan bedoelt hij hetzelfde. Want hij voegt er meteen aan toe: ‘opdat wij door adoptie het recht van kinderen zouden krijgen.’ Galaten 4:4-5 Wat betekent dat? Dat we niet voor altijd gevangen zouden zitten in een slavernij die ons geweten onderdrukte met angst voor de dood.
Maar ondertussen staat nog altijd recht overeind dat er van het gezag van de wet niets is afgedaan. We horen de wet nog altijd te aanvaarden met dezelfde eerbied en gehoorzaamheid.
De rituele wet is sinds de komst van Christus buiten gebruik
Het ligt anders als het gaat om de rituelen. Niet het effect ervan is afgeschaft, maar het gebruik. Christus heeft door zijn komst een eind gemaakt aan de rituelen. Maar dat doet niets af aan hun heiligheid. Het onderstreept die heiligheid juist nog meer en maakt duidelijk waarom de rituelen heilig waren. Want de rituelen zouden voor het oude volk een betekenisloos schouwspel geweest zijn, als daarin de waarde van Christus’ dood en opstanding niet werd afgebeeld. En op dezelfde manier zouden we ook nu niet kunnen zien waar ze voor dienden, als er geen eind aan gekomen was.
Daarom leert Paulus dat de rituelen schaduwen geweest zijn van de tastbare werkelijkheid die we in Christus hebben. Kolossenzen 2:17 Paulus zegt dit om duidelijk te maken dat het niet alleen overbodig, maar zelfs schadelijk is om je nog aan de rituele voorschriften te houden. We zien dus dat nu de rituelen zijn afgeschaft, de waarheid beter uitkomt dan wanneer ze Christus nog steeds als van een afstand en onder een sluier zouden afbeelden. Hij is immers openlijk verschenen! Daarom is door de dood van Christus ook het voorhangsel van de tempel in tweeën gescheurd. Mattheüs 27:51 Want, zoals de schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt, het levende en tastbare beeld van de goede gaven uit de hemel was al verschenen. Tot dan toe was er alleen een begin van een silhouet.
Hierop slaat de uitspraak van Christus dat de wet en de profeten er waren tot aan Johannes de Doper, maar dat sinds die tijd de verkondiging van het koninkrijk van God is begonnen. Lucas 16:16; Mattheüs 11:12-13 Niet dat de heilige aartsvaders het moesten stellen zonder de prediking van de hoop op redding en eeuwig leven. Maar wat wij in het volle licht zien, hebben zij alleen gezien op afstand en achter gordijnen.
Waarom de kerk van God hoger moest opklimmen dan dit begin, legt Johannes de Doper uit: omdat Mozes de wet gegeven heeft, maar genade en waarheid gekomen zijn door Jezus. Johannes 1:17 In de oude offers werd werkelijk verzoening beloofd. En de ark van het verbond was een betrouwbare waarborg van Gods vaderliefde. Toch zou dit niet meer dan een schaduw geweest zijn als het niet gebaseerd was op de genade van Christus. Daarin vind je het volledige, eeuwige fundament.
Dit moeten we dus vasthouden: de rituelen van de wet worden niet langer uitgevoerd. Maar doordat er een eind aan gekomen is, begrijpen we nog beter hoeveel nut ze hadden voordat Christus kwam. Want door de rituelen te laten ophouden, heeft Hij hun kracht en effect met zijn dood bezegeld.
Wie zich nog aan de rituele wet houdt, heeft geen deel aan Christus
Een iets groter probleem levert deze redenering van Paulus op: ‘Toen jullie dood waren door jullie misdaden en doordat jullie vlees onbesneden was, heeft Christus jullie samen met Hem levend gemaakt. Hij heeft al jullie misdaden vergeven en onze schriftelijke schuldbekentenis uitgewist die in de bepalingen tegen ons getuigde. Hij heeft die uit de weg geruimd door die aan het kruis te nagelen …’ Kolossenzen 2:13-14 Want het lijkt alsof Paulus de afschaffing van de wet hier iets breder opvat, alsof we niets meer te maken hebben met de bepalingen van de wet.
Sommigen vatten deze woorden op alsof ze gewoon over de morele wet gaan. Volgens hun uitleg is dan niet de leer, maar de onverbiddelijke strengheid van de morele wet afgeschaft. Maar zij hebben het mis.
Anderen bestuderen Paulus’ woorden met meer scherpzinnigheid. Volgens hen gaan ze eigenlijk over de rituele wet. Zij tonen aan dat het woord ‘bepalingen’ bij Paulus vaak deze betekenis heeft. Want tegen de Efeziërs zegt hij ook: ‘Christus is onze vrede, want Hij heeft van twee één gemaakt door de wet vol geboden en bepalingen op te ruimen, om die twee in zichzelf tot één nieuwe mens te scheppen.’ Efeziërs 2:14-15 Er is geen twijfel aan dat het hier over de rituelen gaat. Want hij noemt ze de tussenmuur die de Joden scheidde van de heidenen. En daarom geef ik toe dat de laatste uitleggers terecht kritiek hebben op de eerste uitleggers.
Maar het lijkt mij dat ook de laatsten de woorden van de apostel nog niet goed uitgelegd hebben. Want het bevalt mij helemaal niet dat deze twee passages volledig op één lijn gesteld worden. Paulus wilde de Efeziërs laten weten dat ze waren opgenomen in de gemeenschap van Israël. Daarom leert hij dat de hindernis die hen vroeger tegenhield, nu is opgeruimd. Die hindernis bestond uit de rituelen. Want de rituelen van reinigingen en offers, waardoor de Joden aan de Heer gewijd werden, zetten hen apart van de heidenen. Maar wie ziet niet dat Paulus in de brief aan de Kolossenzen een dieper mysterie behandelt? Het debat gaat daar wel over het handhaven van de wet van Mozes. Want er waren valse apostelen die het christendom daartoe wilden overhalen. Maar net als in de brief aan de Galaten gaat Paulus in het debat een stap verder. Hij dringt in zekere zin door tot de kern. Want als je in de rituelen niets anders ziet dan de verplichting om ze uit te voeren, wat betekent het dan dat Paulus ze een schriftelijke schuldbekentenis noemt die tegen ons getuigde? En dat het net is alsof hij de kern van onze verlossing ziet in het uitwissen van die schuldbekentenis? Uit wat Paulus zegt, blijkt dus wel dat we hier nog iets dieper over moeten nadenken.
Ik heb er echter vertrouwen in dat ik het juiste inzicht heb gekregen. Tenminste, als men erkent dat Augustinus helemaal gelijk heeft als hij ergens schrijft, of eigenlijk gewoon overneemt wat de apostel duidelijk zegt: de Joodse rituelen vormden meer een belijdenis dan een verzoening van zonden. Want wat deden ze met hun offers anders dan erkennen dat ze de doodstraf verdiend hadden? Als zoenoffer offerden ze immers dieren in plaats van zichzelf. En wat deden ze met hun reinigingen anders dan erkennen dat ze onrein waren? De schriftelijke schuldbekentenis van hun zonde en onreinheid werd zo steeds door hen vernieuwd. Maar van betaling was daarbij geen sprake.
En daarom schrijft de apostel dat er voor de zonden die in het Oude Testament bleven staan, pas verzoening gedaan is doordat de dood van Christus tussenbeide is gekomen. Hebreeën 9:15 Het is dus terecht dat Paulus de rituelen schuldbekentenissen noemt die getuigen tegen degenen die ze uitvoeren. Want met die rituelen stemmen ze openlijk in met hun veroordeling en onreinheid. En dat is niet in strijd met het feit dat zij toch deel hadden aan dezelfde genade als wij. Want die genade hebben ze gekregen in Christus, niet in de rituelen. Paulus maakt hier onderscheid tussen de rituelen en Christus, omdat de rituelen Christus’ glorie verduisterden als ze in Paulus’ tijd nog steeds uitgevoerd werden. We zien dus dat het op zichzelf genomen heel toepasselijk en terecht is om de rituelen schuldbekentenissen te noemen die getuigen tegen de redding van de mensen. Want het waren net officiële documenten die getuigden wat ze schuldig waren.
En omdat valse apostelen de christelijke kerk opnieuw de verplichting wilden opleggen van de rituelen, steekt Paulus dieper af naar wat ze betekenden. En niet voor niets wijst hij de Kolossenzen erop waar het toe zou leiden als ze zich op die manier door die valse profeten het juk van de rituele wet zouden laten opleggen. Kolossenzen 2:16-23 Want dan zouden ze ook kwijtraken wat Christus voor hen gedaan had. Doordat Christus in één keer voor eeuwig verzoening gedaan heeft, heeft hij de dagelijkse rituelen afgeschaft. Want die rituelen dienden alleen om de zonden te belijden, maar waren niet in staat om ze uit te wissen.
Voetnoten
- 256
Augustinus, De natura et gratia.
- 257
Augustinus, De Spiritu et littera, 36.
- 258
Augustinus, De correptione et gratia, 1,2.
- 259
Ambrosius van Milaan, DeIacobo et vita beata I, 6,21.
- 260
Augustinus, Epistulae, 157.
- 261
Augustinus, Epistulae, 196.
- 262
Paus Innocentius I (†417).
- 263
Augustinus, Epistulae 177.
- 264
Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum, 16,32.
- 265
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 70, 1,19.
- 266
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 118, 27,3.
- 267
Augustinus, De Spiritu et littera.
Voetnoot 256
Augustinus, De natura et gratia.
Voetnoot 257
Augustinus, De Spiritu et littera, 36.
Voetnoot 258
Augustinus, De correptione et gratia, 1,2.
Voetnoot 259
Ambrosius van Milaan, DeIacobo et vita beata I, 6,21.
Voetnoot 260
Augustinus, Epistulae, 157.
Voetnoot 261
Augustinus, Epistulae, 196.
Voetnoot 262
Paus Innocentius I (†417).
Voetnoot 263
Augustinus, Epistulae 177.
Voetnoot 264
Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum, 16,32.
Voetnoot 265
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 70, 1,19.
Voetnoot 266
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 118, 27,3.
Voetnoot 267
Augustinus, De Spiritu et littera.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.