Boek II · Hoofdstuk 8
De Tien Geboden
Inhoud van dit hoofdstuk · 59 secties
- 1De Tien Geboden en het kennen van God en onszelf
- 2De Tien Geboden moeten ons leren wat we God schuldig zijn
- 3De Tien Geboden moeten ons leren dat we de schuld niet kunnen voldoen
- 4Beloften en dreigementen
- 5We mogen geen geboden aan de wet toevoegen
- 6Het gaat in de Tien Geboden niet om de buitenkant maar om het innerlijk
- 7Ook volgens Christus ging het in de Tien Geboden om het hart
- 8De Tien Geboden zeggen meer dan de letterlijke tekst
- 9Elk verbod impliceert een gebod en andersom
- 10Elk verbod noemt de zwaarste overtreding
- 11De twee tafels van de Tien Geboden
- 12De indeling in tien geboden
- 13De inleiding op de Tien Geboden
- 14God en zijn volk
- 15De bevrijding uit de slavernij
- 16Het eerste gebod
- 17Het tweede gebod
- 18De waarschuwing bij het tweede gebod
- 19Het probleem van de kinderen en de zonden van hun vader
- 20Kinderen worden altijd gestraft om hun eigen zonden
- 21Het is geen vaste regel dat kinderen gezegend of gestraft worden
- 22Het derde gebod
- 23Een eed is het aanroepen van God als getuige
- 24Vals zweren mag niet
- 25Onnodig zweren mag niet
- 26Christus verbiedt het zweren niet in alle gevallen
- 27Ook privé-personen mogen God aanroepen als rechter en als getuige
- 28Het vierde gebod
- 29Sabbatsrust en geestelijke rust
- 30De zevende dag
- 31De sabbat als schaduw is in Christus vervuld
- 32De sabbat als rustdag en dag van samenkomst geldt voor altijd
- 33De zondag in plaats van de sabbat
- 34Zondagsheiliging is bijgeloof
- 35Het vijfde gebod
- 36Eerbied, gehoorzaamheid en dankbaarheid
- 37De belofte van een lang leven is een teken van Gods genade
- 38We hoeven niet te gehoorzamen als dat tegen Gods wet ingaat
- 39Het zesde gebod
- 40De mens is beeld van God en ons eigen vlees
- 41Het zevende gebod
- 42Slechts een enkeling heeft de gave van onthouding gekregen
- 43Wie de gave van onthouding niet heeft, moet trouwen
- 44Zelfbeheersing en fatsoen
- 45Het achtste gebod
- 46Hebzucht, vrijgevigheid en het doen van je plicht
- 47Het negende gebod
- 48De reputatie van onze naaste
- 49Het tiende gebod
- 50Niets mag onze liefde in de weg zitten
- 51Het doel van de wet als geheel is liefde voor God en de naaste
- 52Liefde voor God en de naaste blijkt het duidelijkst uit de tweede tafel
- 53Je naaste liefhebben kun je alleen als je God vreest
- 54Liefde voor jezelf en liefde voor je naaste
- 55Alle mensen zijn onze naasten
- 56Dat je je vijand moet liefhebben, is niet alleen maar een advies
- 57Als je je naaste moet liefhebben, gaat het juist ook over je vijanden
- 58Er bestaat geen onderscheid tussen vergeeflijke en dodelijke zonden
- 59Alle zonden zijn dodelijk, maar kunnen toch vergeven worden
De Tien Geboden en het kennen van God en onszelf
Ik denk dat het niet verkeerd is om nu eerst een korte uitleg te geven van de Tien Geboden van de wet. Want ik denk dat dan nog duidelijker blijkt wat ik al even genoemd heb: dat de dienst die God eenmaal heeft voorgeschreven nog steeds van belang is. En bovendien zal dat in de tweede plaats ook niet alleen bevestigen dat de Joden uit de wet leerden wat echte vroomheid inhoudt, maar ook dat ze tegen wil en dank naar de middelaar getrokken werden, uit angst voor het oordeel, omdat ze zagen dat ze niet in staat waren tot die vroomheid.
Verder heb ik bij de uitleg van wat de kern is van wat we moeten weten om God echt te kennen, geleerd dat we Hem in zijn grootheid niet kunnen begrijpen zonder dat we meteen zijn majesteit ontmoeten. Die majesteit bindt ons aan Hem om Hem te dienen. En bij het kennen van onszelf heb ik als belangrijkste punt genoemd dat ons geloof in eigen kracht en ons vertrouwen op eigen rechtvaardigheid ons afgenomen moeten worden. We moeten juist gebroken en verslagen raken door het besef van onze armoede. Zo leren we echt nederig te worden en een hekel aan onszelf te krijgen.
Deze beide dingen realiseert God in zijn wet. Eerst eist Hij voor zichzelf de macht op om te bevelen. Hij roept ons op om eerbied te hebben voor zijn goddelijke wil. En Hij schrijft voor waar die eerbied in zit en waar die uit bestaat. Vervolgens kondigt Hij de norm af van zijn rechtvaardigheid. En als Hij dat gedaan heeft, verwijt Hij ons zowel onze onmacht als onze onrechtvaardigheid. Want omdat ons verstand bedorven en misvormd is, verzetten wij ons voortdurend tegen Gods rechtvaardigheid. Er zit een gat tussen de volmaaktheid van Gods rechtvaardigheid en ons vermogen. Want wij zijn te zwak en te week om het goede te doen.
Verder worden juist de dingen die we moeten leren uit de twee tafels ons ook al voorgehouden door de wet binnen in ons. Zoals ik hiervóór gezegd heb, is die wet bij ons allemaal in het hart geschreven en ingeprent. Want ons geweten staat ons niet toe om voortdurend bewusteloos in slaap te blijven. Ons geweten getuigt in ons en herinnert ons eraan wat we God schuldig zijn. Het houdt ons het verschil voor tussen goed en kwaad. En zo klaagt ons geweten ons aan als we tekortschieten in wat we verplicht zijn.
Maar de mens is zo verwikkeld in dwalingen dat hij door die natuurlijke wet nauwelijks iets proeft van hoe God gediend wil worden. In elk geval blijft hij heel ver verwijderd van de juiste manier om God te dienen. Bovendien zit hij vol arrogantie en eerzucht en is hij verblind door liefde voor zichzelf. Daardoor is hij niet in staat tot zelfreflectie. Hij kan niet in zichzelf afdalen om bescheidenheid en nederigheid te leren en om zijn ellende te leren kennen.
Daarom heeft de Heer ons de wet ook schriftelijk gegeven. Dat was nodig omdat we zo stompzinnig en koppig zijn. De schriftelijke wet kan duidelijker getuigen van wat in de natuurlijke wet niet duidelijk genoeg was. En de schriftelijke wet kan meer indruk maken op ons verstand en ons geheugen en zo onze verlamming verdrijven.
De Tien Geboden moeten ons leren wat we God schuldig zijn
Nu kunnen we gemakkelijk begrijpen wat we uit de wet moeten leren: God is onze schepper en als schepper heeft Hij bij ons ook recht op de positie van Vader en Heer. En daarom zijn wij verplicht Hem te eren, te gehoorzamen, lief te hebben en te vrezen. Wij zijn dus geen eigen baas. We kunnen niet gaan en staan waar we maar willen. We moeten voortdurend letten op Gods wenken. We moeten ons altijd houden aan waar Hij blij mee is. En vervolgens moeten we leren dat God blij is met rechtvaardigheid en oprechtheid en dat Hij onrechtvaardigheid verafschuwt. Als we niet goddeloos en ondankbaar willen afwijken van onze schepper, moeten we dus heel ons leven rechtvaardig leven. We betonen Hem pas gepaste eerbied als we zijn wil boven die van ons stellen. Dat betekent dus dat je Hem alleen op de juiste manier dient als je rechtvaardig, heilig en rein leeft.
En we mogen niet als excuus aanvoeren dat we daar niet toe in staat zijn, dat we net berooide schuldenaars zijn die niet kunnen betalen. Want het is ongepast om Gods eer af te meten aan ons vermogen. Want hoe wij er ook aan toe zijn, God blijft zichzelf steeds gelijk: een vriend van rechtvaardigheid en een vijand van onrechtvaardigheid. Hij kan alleen eisen wat goed is. Dus wat Hij ook van ons eist, wij moeten Hem wel gehoorzamen. Wij zijn daar van nature toe verplicht. Dat we dat niet kunnen, is onze eigen schuld. Want onze begeerte wordt geregeerd en gevangen gehouden door de zonde. Romeinen 6:12 Daardoor zijn we niet vrij om onze Vader te gehoorzamen. Maar er is dus geen enkele reden om als verdediging aan te voeren dat onze zonde onvermijdelijk is. Want dat kwaad ligt in ons en daar zijn we zelf verantwoordelijk voor.
De Tien Geboden moeten ons leren dat we de schuld niet kunnen voldoen
Als het onderwijs van de wet ons zover gebracht heeft, moeten we vervolgens door dat onderwijs in onszelf afdalen en ten slotte twee conclusies trekken.
In de eerste plaats moeten we de rechtvaardigheid van de wet vergelijken met ons leven. En dan moeten we concluderen dat wij absoluut niet beantwoorden aan Gods wil. Daarom zijn wij het niet waard om tussen de schepselen onze positie te behouden, laat staan dat we het waard zouden zijn om als Gods kinderen beschouwd te worden.
In de tweede plaats moeten we concluderen dat we met onze vermogens niet alleen de wet niet kunnen vervullen, maar dat onze vermogens helemaal niets voorstellen. En dat betekent onontkoombaar dat we onze eigen kracht moeten wantrouwen en dat de angst ons om het hart slaat. Want ons geweten kan de last van onze onrechtvaardigheid niet voelen, of meteen staat Gods oordeel ons voor ogen. En we kunnen Gods oordeel niet zien of we worden doodsbang. En zo kan ook ons geweten alleen maar wanhopen aan onze eigen kracht. De bewijzen van onze onmacht dwingen ons daartoe.
Beide emoties, angst en wanhoop, maken ons bescheiden en nederig. De mens ziet in dat hem terecht de eeuwige dood boven het hoofd hangt. De angst daarvoor maakt dat hij zich wendt tot Gods barmhartigheid. Dat is de enige haven waar hij redding kan vinden. Hij voelt dat hij niet kan betalen wat hij aan de wet schuldig is en dus wanhoopt hij aan zichzelf. Maar als hij buiten zichzelf om hulp vraagt en het daarvan verwacht, mag hij weer opgeruimd adem halen.
Beloften en dreigementen
De Heer is echter niet tevreden met eerbied voor zijn rechtvaardigheid. Hij wil ons hart vullen met liefde voor Hem en bovendien met haat tegen onrechtvaardigheid. Daarom heeft Hij beloften en dreigementen toegevoegd aan de wet. Want ons verstand is te veel verduisterd. Het wordt niet geraakt door de schoonheid van het goede. Daarom heeft onze zeer welwillende Vader in zijn toegeeflijkheid ons door middel van aantrekkelijke beloften willen verleiden om Hem lief te hebben en Hem te zoeken. Hij deelt dus mee dat Hij beloningen heeft klaarliggen voor goed gedrag. Wie zijn geboden gehoorzaamt, doet niet voor niets zijn best. Maar aan de andere kant verkondigt Hij dat Hij niet alleen een afschuw heeft van onrechtvaardigheid, maar dat Hij die ook niet onbestraft zal laten. Hij zal het zelf wreken als zijn majesteit geschonden wordt.
En om ons op alle mogelijke manieren aan te sporen, belooft God hun die zich aan zijn geboden houden als beloning voor hun gehoorzaamheid zowel zegen in het tegenwoordige leven als eeuwig geluk. Maar tegelijk dreigt Hij overtreders zowel met rampen in het tegenwoordige leven als met de straf van de eeuwige dood. Want deze belofte: ‘Wie dit doet, zal daardoor leven,’ Leviticus 18:5 en ook het dreigement dat ermee correspondeert: ‘Wie zondigt, zal sterven,’ Ezechiël 18:20 slaan ongetwijfeld op de komende oneindige onsterfelijkheid en oneindige dood. Trouwens, overal waar het gaat over Gods welwillendheid of woede, valt onder de eerste het eeuwige leven en onder de laatste de eeuwige ondergang.
Van zegen en vloek in het tegenwoordige leven wordt in de wet een lange opsomming gegeven. Leviticus 26:3-39;
Deuteronomium 28 In de sancties worden we gewezen op Gods volmaakte reinheid. Hij kan geen onrechtvaardigheid verdragen. Maar in de beloften worden we behalve op zijn volmaakte liefde voor rechtvaardigheid – Hij staat niet toe dat rechtvaardigheid de beloning misloopt – ook gewezen op zijn wonderlijke welwillendheid. Want tegenover Gods majesteit staan wij met alles wat we hebben als schuldenaars. Met het volste recht eist God alles wat Hij eist, op als schuld. Maar als je een schuld betaalt, heb je geen recht op een beloning. Dus als God toch een beloning toezegt voor onze gehoorzaamheid, doet Hij afstand van zijn recht. Want wij gehoorzamen Hem niet op eigen initiatief, als iets dat we Hem niet schuldig zijn.
Wat de beloften op zich ons opleveren, heb ik voor een deel al gezegd en zal voor een deel op de juiste plek opnieuw blijken. Voor dit moment is het genoeg als we weten en bedenken dat de belofte van de wet meer inhoudt dan een gewone aanbeveling van rechtvaardigheid. Door die belofte staat het extra zeker vast hoe blij God is met rechtvaardigheid. En het is voor dit moment genoeg als we weten en bedenken dat de sancties van de wet gegeven zijn om ons een extra grote afschuw te bezorgen van onrechtvaardigheid. Dat moet voorkomen dat een zondaar het oordeel van de wetgever dat hem wacht, vergeet omdat hij beneveld raakt door de bekoringen van de zonde.
We mogen geen geboden aan de wet toevoegen
Verder maakt de Heer de norm die Hij gaat geven voor volmaakte rechtvaardigheid in alle opzichten afhankelijk van zijn wil. Dat maakt duidelijk dat niets Hem zoveel plezier doet als gehoorzaamheid. Dat moeten we extra goed tot ons laten doordringen. Want het menselijk verstand is zo losbandig, dat het sterk geneigd is om steeds weer andere vormen van godsdienst te bedenken om bij God in de gunst te komen. Deze antigodsdienstige nepgodsdient heeft zich alle eeuwen door gemanifesteerd en manifesteert zich nog steeds. Want die zit van nature in de menselijke geest ingebakken. Mensen willen graag een manier verzinnen om buiten Gods Woord om aan rechtvaardigheid te komen.
Vandaar dat onder wat de publieke opinie als goede daden beschouwt, maar weinig plaats is ingeruimd voor de geboden van de wet. Terwijl bijna alle ruimte wordt opgeslokt door de ontelbaar grote hoop geboden van mensen. Maar toen Mozes de wet afkondigde, zei hij tegen het volk: ‘Luister aandachtig naar alles wat ik jullie gebied. Dan zal het jullie en jullie kinderen na jullie voor eeuwig goed gaan, als jullie gedaan hebben wat goed en juist is in de ogen van de HEER, jullie God. Doe alleen wat ik jullie gebied. Voeg er niets aan toe en doe er niets vanaf.’ Deuteronomium 12:28-32 (12:28-13:1) Wat was daarmee zijn bedoeling anders, dan het volk ervan weerhouden om zelf geboden te bedenken?
Eerder had Mozes verklaard dat het volk in de ogen van de andere volken wijs en verstandig was om deze reden: het had de oordelen, bepalingen en rituelen van de Heer gekregen. En toen had hij daaraan toegevoegd: ‘Pas dus goed op dat jullie de woorden niet vergeten die jullie ogen gezien hebben en dat ze nooit uit jullie hart wijken.’ Deuteronomium 4:5-9
God voorzag namelijk dat de Israëlieten nadat ze de wet gekregen hadden, het daar niet bij zouden laten. Ze zouden boven op de wet nog nieuwe bepalingen voortbrengen, tenzij ze streng zouden worden tegengehouden. Daarom verkondigt Mozes dat de wet de rechtvaardigheid volmaakt omvat. Toch hebben de Israëlieten zich van die streng verboden brutaliteit niet laten weerhouden.
Maar wij dan? Vast en zeker houdt dit woord ook voor ons een beperking in. Want er is geen twijfel aan: het woord waarmee de Heer claimt dat de leer van de rechtvaardigheid volmaakt is, geldt voor eeuwig. Toch zijn wij met die leer niet tevreden. Op een monsterlijke manier doen we ons best om de ene goede daad na de andere te verzinnen en te fabriceren.
De beste remedie voor deze fout is dat we continu bedenken: de wet is ons door God gegeven om ons de volmaakte rechtvaardigheid te leren. In de wet wordt geen andere rechtvaardigheid geleerd, dan de rechtvaardigheid die overeenkomt met de normen van Gods wil. Dus is het vergeefse moeite om nieuwe vormen van goede daden te verzinnen om bij God in de gunst te komen. Want de juiste manier om Hem te dienen bestaat alleen uit gehoorzaamheid. Sterker nog, goede daden zoeken buiten Gods wet om is een onacceptabele ontheiliging van Gods echte rechtvaardigheid.
Augustinus heeft dan ook helemaal gelijk als hij gehoorzaamheid aan God soms de moeder en hoeder en soms de oorsprong van alle goede eigenschappen noemt.
Het gaat in de Tien Geboden niet om de buitenkant maar om het innerlijk
Maar wanneer ik straks de wet van de Heer heb uitgelegd, zal wat ik eerder besproken heb over de functies van de wet, nog duidelijker en met nog meer vrucht bevestigd zijn. Maar voordat ik elk gebod apart ga behandelen, is het goed om eerst eens te kijken naar wat helpt om de wet in het algemeen te kennen.
In de eerste plaats moeten we vaststellen dat het leven van de mens in de wet niet alleen gevormd wordt tot een uiterlijke rechtvaardigheid. Het gaat ook om een innerlijke, geestelijke rechtvaardigheid. Niemand kan dat ontkennen, maar toch hebben heel weinig mensen daar voldoende aandacht voor. Dat komt omdat ze niet op de wetgever letten. Zo als de wetgever is, zo moet ook het wezen van de wet beoordeeld worden.
Als zomaar een koning bij wet verbiedt ontucht, moord of diefstal te plegen, dan zal iemand die wel graag ontucht, moord of diefstal wil plegen maar die dingen niet daadwerkelijk gedaan heeft, geen sanctie opgelegd krijgen. Dat geef ik toe. Immers, de zorg van een sterfelijke wetgever reikt niet verder dan wat tot uiting komt in de maatschappij. En dus worden zijn geboden pas overtreden als de misdaad gepleegd wordt. Maar voor Gods ogen is niets verborgen. En Hij is niet zozeer geïnteresseerd in uiterlijke schijn, maar meer in een rein hart. Als Hij ontucht, moord en diefstal verbiedt, verbiedt Hij ook wellust, woede, haat, begeerte naar het bezit van een ander, bedrog, enzovoort. Want Hij is een geestelijk wetgever en dus spreekt Hij de ziel net zo goed aan als het lichaam. En moord door de ziel bestaat uit woede en haat, diefstal door de ziel uit slechte begeerte en hebzucht, ontucht door de ziel uit wellust.
Misschien zegt iemand dat ook menselijke wetten rekening houden met wat iemand zich heeft voorgenomen en wil bereiken en niet alleen kijken naar de toevallige afloop. Ik geef dat toe. Maar menselijke wetten kijken alleen naar wat daarvan aan de buitenkant zichtbaar is. Bij elke misdaad zoeken ze uit met welke bedoeling die gepleegd is. Maar ze pluizen geen verborgen gedachten na. Daarom voldoe je aan menselijke wetten zolang je met je hand geen overtredingen begaat. Echter, de hemelse wet is gegeven voor onze ziel. Om je aan die wet te houden, moet je dus in de eerste plaats geen overtredingen begaan met je ziel.
Maar de grote massa van de mensen doet zijn uiterste best om niet de indruk te wekken dat ze de wet verachten. Ogen, voeten, handen en al hun lichaamsdelen zetten ze in om zich tot op zekere hoogte aan de wet te houden. Maar ondertussen blijft hun hart er volledig buiten staan. Ze denken dat ze ervan af zijn als ze voor de mensen netjes verborgen houden wat ze onder het oog van God toch doen. Ze horen: je mag niet doden, je mag geen overspel plegen, je mag niet stelen. Ze trekken geen zwaard om iemand te vermoorden, ze hebben geen seksuele gemeenschap met een hoer, ze steken geen vinger uit naar het bezit van een ander. Tot zover allemaal prima. Maar heel hun hart is vol moordzucht, ze branden van wellust, ze kijken met een scheef oog naar ieders bezit en verslinden het met hun begeerte. Het ontbreekt hun dus juist aan wat in de wet het belangrijkste is. Hoe komt dat anders, vraag ik, dan doordat ze de wetgever negeren en de rechtvaardigheid liever aanpassen aan hun eigen aard?
Tegen hen verzet Paulus zich sterk. Hij verzekert dat de wet geestelijk is. Romeinen 7:14 Daarmee geeft hij aan dat de wet niet alleen eist dat we met onze ziel, verstand en wil gehoorzamen. De wet verlangt dat we net zo zuiver zijn als de engelen. We moeten gereinigd worden van al het vuil van het vlees en alleen maar smaken naar de geest.
Ook volgens Christus ging het in de Tien Geboden om het hart
Als ik zeg dat dit de betekenis van de wet is, dan geef ik daarmee geen nieuwe uitleg van mijzelf. Ik volg dan Christus, de beste uitlegger van de wet. Mattheüs 5:21-48 De farizeeën hadden het volk geïnfecteerd met het verdorven idee dat je de wet vervult als je in je uiterlijke daden niets doet dat in strijd is met de wet. Christus weerlegt deze zeer gevaarlijke dwaling en verklaart dat een onkuise blik op een getrouwde vrouw al ontucht is. Hij getuigt dat wie zijn broer haat een moordenaar is. 1 Johannes 3:15 Want wie alleen in zijn hart woedend is, klaagt Hij aan voor de rechtbank. Wie door mopperen of klagen laat merken dat hij woedend is, klaagt Hij aan bij de raad. En wie door schelden of vloeken openlijk lucht geeft aan zijn woede, klaagt Hij aan in de hel.
Er zijn mensen die het anders zien. Zij stellen het voor alsof Christus een tweede Mozes was: de wetgever van de wet van het evangelie. Hij zou aangevuld hebben wat er aan de wet van Mozes ontbrak. Daaruit is het wijdverbreide idee ontstaan dat de wet van het evangelie volmaakt is en de oude wet ver overtreft. Dat is in veel opzichten een levensgevaarlijk idee! Als ik straks de kernpunten opsom van de geboden van Mozes, zal vanzelf blijken dat dit idee Gods wet brandmerkt met een onverdiende belediging. Want dit idee bevat de impliciete beschuldiging dat de aartsvaders qua heiligheid net huichelaars waren. En dit idee voert ons af van de enige en eeuwige norm van rechtvaardigheid.
Maar het is heel gemakkelijk om deze dwaling te weerleggen. Ze denken immers dat Christus iets aan de wet toevoegt. Maar Hij herstelt de wet alleen maar in haar ongeschonden toestand.
Want Hij bevrijdt de wet van de leugens van de farizeeën, die de wet verduisterden. Hij zuivert de wet van hun zuurdesem, die de wet besmette. Mattheüs 16:6, Marcus 8:15; Lucas 12:1
De Tien Geboden zeggen meer dan de letterlijke tekst
In de tweede plaats moeten we opmerken dat de geboden steeds een ruimere betekenis hebben dan wat de letterlijke tekst zegt. Maar dat betekent niet dat we in dit gegeven een flexibele meetlat kunnen zien die we kunnen gebruiken om de Schrift naar eigen willekeur te verdraaien en overal maar uit te halen wat we willen. Sommigen nemen daarin een onbeperkte vrijheid. Dat zorgt ervoor dat anderen het gezag van de wet gaan minachten. En weer anderen verliezen hierdoor elke hoop de wet te kunnen begrijpen. Daarom moeten we – als dat mogelijk is – een weg gaan die ons met vaste tred rechtstreeks bij Gods wil brengt. We moeten volgens mij dus uitzoeken hoever de uitleg buiten de grenzen van de letterlijke tekst mag gaan. Want het moet duidelijk zijn dat menselijke uitleg geen bijlage aan Gods wet toevoegt, maar dat de zuivere en werkelijke bedoeling van de wetgever betrouwbaar weergegeven wordt.
Inderdaad zien we in bijna elk gebod dat het geheel wordt aangeduid door een deel. Wie de bedoeling van de wet zou willen beperken tot enkel de betekenis van de letterlijke tekst, zou zich terecht belachelijk maken. Het spreekt dus vanzelf dat een nuchtere uitleg van de wet verder gaat dan de letterlijke tekst. Maar hoever dat mag gaan, blijft onduidelijk als er geen norm gesteld wordt. Ik ben daarom van mening dat deze norm het best bepaald kan worden op basis van de reden voor dat gebod. Bij elke gebod moeten we ons afvragen waarom dat gebod ons gegeven is.
Bijvoorbeeld: elk gebod gebiedt of verbiedt iets. Bij beide categorieën blijkt meteen wat de waarheid is, als we letten op de reden of de bedoeling van het gebod. De bedoeling van het vijfde gebod is bijvoorbeeld dat we moeten eren wie daar volgens God recht op heeft. Dat is dus de kern van het gebod: het is juist en doet God plezier als we de mensen eren aan wie God een hoge positie gegeven heeft. En als we hen minachten of hun ongehoorzaam zijn, vindt God dat heel erg. De reden voor het eerste gebod is dat God alleen gediend wil worden. De kern van dat gebod is dus dat God veel waarde hecht aan echte vroomheid, dat wil zeggen: aan het dienen van zijn majesteit. En goddeloosheid vindt Hij heel erg.
Zo moeten we bij elk gebod afzonderlijk nagaan waar het over gaat. Vervolgens moeten we kijken wat de bedoeling is. Uiteindelijk vinden we dan wat de wetgever eigenlijk wil zeggen over wat Hem plezier doet of wat Hij heel erg vindt. En ten slotte moeten we de redenering omdraaien, op deze manier: als dit God plezier doet, heeft Hij een afschuw van het tegenovergestelde. Als Hij dit heel erg vindt, doet het tegenovergestelde Hem plezier. Als Hij dit gebiedt, verbiedt Hij het tegenovergestelde. Als Hij dit verbiedt, gebiedt Hij het tegenovergestelde.
Elk verbod impliceert een gebod en andersom
Ik heb dit nu nog niet erg duidelijk aangestipt, maar als ik de geboden ga uitleggen, zal het in de praktijk vanzelf helemaal duidelijk worden. Daarom is het genoeg dat ik het alleen even aangestipt heb. Alleen het laatste gedeelte moet ik apart bewijzen en bevestigen. Anders begrijp je het misschien niet. Of als je het wel begrijpt, vind je het in het begin misschien wat vreemd.
Ik hoef niet te bewijzen dat als er iets goeds geboden wordt, het verkeerde dat daarmee in strijd is, verboden wordt. Er is niemand die dat niet toegeeft. Ook zal iedereen zonder probleem accepteren dat als er verkeerde dingen verboden worden, de plichten die daartegenover staan geboden worden. En het is een wijdverbreid idee dat als goed gedrag wordt aanbevolen, het tegenovergestelde slechte gedrag veroordeeld wordt.
Maar mijn stelling gaat verder dan wat er meestal bedoeld wordt met deze stelregels. Want met goed gedrag dat het tegenovergestelde is van slecht gedrag, bedoelt men bijna altijd het nalaten van het slechte gedrag. Maar ik zeg dat het goede gedrag verder gaat: het omvat het doen van de plicht die tegengesteld is aan het slechte gedrag. Dus in het gebod: ‘Je mag niet doden,’ ziet de publieke opinie niets anders dan dat je niemand kwaad mag doen en dat je er ook niet naar mag verlangen om iemand kwaad te doen. Maar ik zeg dat dit gebod ook impliceert dat we het leven van onze naaste met alle mogelijke middelen moeten bijstaan.
Ik zeg dit niet zomaar, maar onderbouw het zo: God verbiedt dat we onze broeder onrecht of geweld aandoen, omdat Hij wil dat wij zijn leven liefhebben en waardevol vinden. Dan eist Hij dus tegelijk ook de plichten van liefde, die ertoe kunnen bijdragen dat zijn leven veilig is.
Zo zie je dus dat de bedoeling van elk gebod steeds laat zien wat ons in dat gebod geboden of verboden wordt.
Elk verbod noemt de zwaarste overtreding
Maar waarom heeft God als het ware door halve geboden, door alleen een deel te noemen van het geheel, eerder gezinspeeld op wat Hij wil, dan dat Hij het expliciet heeft gezegd? Er worden daar ook andere redenen voor gegeven, maar mij bevalt vooral deze reden: zolang de zonde niet overduidelijk is, doet het vlees altijd zijn best om het vuil van de zonde te vergoelijken en achter mooie voorwendsels te verhullen. Daarom heeft God bij elke categorie van overtredingen de slechtste en gruwelijkste overtreding als voorbeeld genomen. Als wij die horen, moeten onze zinnen huiveren. Zo prent God ons voor elke zonde een extra grote afschuw in.
Als we onze zonden taxeren, worden we vaak misleid omdat we ze onderwaarderen als ze maar een beetje bedekt zijn. De Heer maakt een eind aan deze misleiding door ons eraan te laten wennen de hele massa zonden te herleiden tot deze geboden. Die laten heel duidelijk zien hoeveel afschuwelijks er in elke categorie te vinden is. Woede en haat vinden we bijvoorbeeld niet zo erg, zolang we die met hun eigen benamingen aanduiden. Maar als woede en haat ons verboden worden onder de benaming van doodslag, begrijpen we beter hoe erg God dat vindt. Want door zijn woord worden woede en haat ingedeeld in dezelfde categorie als zo’n vreselijke misdaad. Onder invloed van dit oordeel van Hem, raken we er zelf aan gewend om het gewicht van vergrijpen die eerst licht leken, beter in te schatten.
De twee tafels van de Tien Geboden
In de derde plaats moeten we nadenken over de vraag waarom Gods wet in twee tafels verdeeld is. Deze verdeling wordt niet voor niets verschillende keren uitdrukkelijk genoemd. Iedereen met gezond verstand zal dat inzien. En de reden ligt zo voor de hand, dat we hierover niet in onzekerheid hoeven te verkeren. Want God heeft zijn wet verdeeld in twee delen die samen de hele rechtvaardigheid bevatten. Het eerste deel is gewijd aan de plichten van de godsdienst, die speciaal betrekking hebben op het dienen van zijn majesteit. Het tweede deel is gewijd aan de plichten van liefde, die betrekking hebben op de mensen.
Inderdaad is het dienen van God het eerste fundament van rechtvaardigheid. Want als die dienst omvergeworpen is, liggen alle andere onderdelen van rechtvaardigheid er gehavend en geruïneerd bij, als de puinhopen van een ingestort gebouw. Want wat is dat voor rechtvaardigheid als je de mensen niet lastig valt met roof of diefstal, maar als je ondertussen wel Gods majesteit met een schandelijke heiligschennis van haar eer berooft? Als je je lichaam niet bezoedelt met overspel, maar als je met je godslasteringen wel Gods heilige naam ontwijdt? Als je geen mens vermoordt, maar als je wel je best doet om de herinnering aan God te doden en uit te wissen? Het heeft dus geen zin om rechtvaardigheid aan te prijzen zonder godsdienst. Dat ziet er niet beter uit dan een tentoongesteld lichaam waarvan het hoofd is afgehakt.
En de godsdienst is niet alleen het belangrijkste onderdeel van rechtvaardigheid. Het is zelfs de ziel waardoor rechtvaardigheid als geheel ademt en leeft. Want zonder vrees voor God bewaren mensen ook onder elkaar geen rechtvaardigheid en liefde. Daarom noem ik het dienen van God het uitgangspunt en het fundament van rechtvaardigheid. Want als die dienst verdwijnt, is alles wat mensen onderling nog aan rechtvaardigheid, kuisheid en zelfbeheersing in praktijk brengen, in Gods ogen zinloos en zonder betekenis. Ik noem het dienen van God de bron en de geest. Want van daaruit leren mensen beheerst en zonder elkaar kwaad te doen met elkaar te leven, als ze God vrezen als de rechter van recht en onrecht.
Daarom onderwijst God ons door de eerste tafel in vroomheid en in de plichten die horen bij de godsdienst, waardoor zijn majesteit geëerd moet worden. Door de tweede tafel schrijft God voor hoe we ons, omdat we zijn naam vrezen, moeten gedragen in de omgang met de mensen. Daarom heeft de Heer – de evangelisten vertellen dat – de hele wet kort samengevat in twee kernpunten: we moeten God liefhebben met heel ons hart, heel onze ziel en al onze vermogens. En we moeten onze naaste liefhebben als onszelf. Mattheüs 22:37; Lucas 10:27 Je ziet dat Hij van de twee punten waarin Hij de hele wet samenvat, het ene op God richt en het andere voor de mensen bestemt.
De indeling in tien geboden
Maar ook al kan de hele wet in twee kernpunten worden samengevat, toch heeft onze God alles uitgebreider en duidelijker willen beschrijven. Want Hij wil elk voorwendsel van excuus wegnemen. Daarom heeft Hij door tien geboden zowel alles beschreven wat betrekking heeft op het eren, vrezen en liefhebben van Hem, als alles wat de liefde betreft die we volgens zijn bevel, omwille van Hem, moeten koesteren tegenover de mensen.
Het is ook niet verkeerd als je probeert te achterhalen hoe de geboden precies zijn onderverdeeld. Als je maar bedenkt dat dit een onderwerp is waarover ieder zijn eigen mening mag hebben. Je moet hier niet over gaan discussiëren of debatteren met iemand die er anders over denkt. Toch is het nodig dat ik het punt van de indeling noem, om te voorkomen dat de lezers om mijn indeling lachen of zich daarover verwonderen, alsof mijn indeling nieuw en zelfbedacht zou zijn.
Het staat buiten kijf dat de wet is onderverdeeld in tien geboden. Op gezag van God wordt dat meer dan eens verzekerd. Daarom bestaat er geen onduidelijkheid over het aantal, maar alleen over de manier van indelen. Er zijn mensen die drie geboden toekennen aan de eerste tafel en de andere zeven overlaten voor de tweede tafel. Zij schrappen het gebod over de beelden uit het aantal. Of in elk geval verstoppen ze het onder het eerste gebod. Maar ongetwijfeld heeft God dat bedoeld als een apart gebod. Het tiende gebod echter – over het niet begeren van het bezit van je naaste – knippen ze dom in tweeën. Daar komt bij dat een dergelijke indeling onbekend was in een meer zuivere tijd, zoals we zo meteen zullen zien.
Anderen tellen net als ik vier geboden op de eerste tafel. Maar in plaats van het eerste gebod, nemen zij een belofte zonder gebod. Echter, zolang niemand mij met duidelijke argumenten weet te overtuigen, neem ik de tien woorden van Mozes als tien geboden. En het komt mij voor dat ik er ook zoveel op een mooie manier gerangschikt zie. Dus mogen zij hun eigen mening houden en volg ik wat mij beter lijkt: wat volgens hen het eerste gebod is, is volgens mij een inleiding op de hele wet. Dan volgen er vier geboden op de eerste tafel en zes geboden op de tweede tafel, in de volgorde waarop ik ze ga opnoemen.
Origenes leert deze indeling als de indeling die in zijn tijd algemeen geaccepteerd was. En niemand verzette zich daartegen. Dit wordt gesteund door Augustinus. Als hij schrijft aan Bonifacius, volgt hij in zijn opsomming deze volgorde: je moet de enige God dienen in een godsdienstige gehoorzaamheid, je mag geen afgod dienen en je mag de naam van de Heer niet misbruiken. Daarvóór had hij het al gehad over het sabbatsgebod als schaduw. Ergens anders lijkt de eerste indeling hem wel aantrekkelijk, maar om een reden die er te weinig toe doet: als de eerste tafel uit drie geboden bestaat, schittert in het getal drie het mysterie van de drie-eenheid. Maar ook daar verzwijgt hij niet dat mijn indeling hem beter bevalt.
Behalve Origenes en Augustinus staat ook de schrijver van het onvoltooide commentaar op Mattheüs aan mijn kant. Flavius Josephus kent aan elke tafel vijf geboden toe. Ongetwijfeld volgens de publieke opinie van zijn tijd. Maar dat is niet alleen in strijd met het gezond verstand, omdat dan het onderscheid wegvalt tussen de godsdienst en de naastenliefde. Het wordt ook weerlegt door het gezag van de Heer die in Mattheüs het gebod om je ouders te eren in de lijst van de tweede tafel plaatst. Mattheüs 19:19
Laten we nu luisteren naar hoe God zelf spreekt in zijn eigen woorden.
De inleiding op de Tien Geboden
Ik ben Jehova, jouw God, die jou uit Egypte, uit het slavenhuis heb weggeleid. Je mag voor mijn ogen geen andere goden hebben.
Of je de eerste zin als een onderdeel van het eerste gebod beschouwt, of dat je hem apart leest, maakt mij niet uit. Als je maar niet ontkent dat deze zin een soort inleiding vormt op de hele wet. Exodus 20:2
Als je wetten opstelt, moet je er om te beginnen voor zorgen dat ze niet uit minachting snel weer worden afgeschaft. Dus zorgt God er in de allereerste plaats voor dat de verhevenheid van de wet niet op een gegeven moment veracht kan worden. Om dat zeker te stellen, gebruikt Hij drie argumenten. Hij eist voor zich de macht en het recht op om te regeren. Daardoor verplicht Hij het uitverkoren volk tot gehoorzaamheid. Hij houdt het volk de belofte van genade voor. Door de aantrekkelijkheid van die belofte verleidt Hij het volk heiligheid na te streven. En Hij brengt het volk in herinnering wat Hij voor hen gedaan heeft. Daardoor beschuldigt Hij de Joden van ondankbaarheid als ze zijn goedheid niet beantwoorden.
De naam ‘Jehova’ duidt de macht en het wettige gezag aan. Als alles van Hem komt en alles in Hem bestaat, dan hoort alles zich op Hem te richten, zoals Paulus zegt. Romeinen 11:36 Door dat ene woord worden wij dus meer dan voldoende onder het juk van Gods majesteit gebracht. Want het zou onnatuurlijk zijn als we ons zouden willen onttrekken aan het gezag van Hem zonder wie wij niet kunnen bestaan.
God en zijn volk
Eerst laat God dus zien dat Hij degene is die het recht heeft om te gebieden en die je verplicht bent te gehoorzamen. Maar om te voorkomen dat het lijkt alsof Hij ons alleen trekt omdat we wel moeten, verleidt Hij ons vervolgens ook met lieflijkheid. Want Hij verklaart dat Hij de God van de kerk is. Deze uitspraak houdt een wederzijdse relatie in. Die relatie wordt genoemd in deze belofte: ‘Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.’ Jeremia 31:33 En Christus bewijst de onsterfelijkheid van Abraham, Izak en Jacob op basis van de verklaring van de Heer dat Hij hun God is. Mattheüs 22:32 Daarom is het net alsof God zei: ‘Ik heb jullie uitgekozen als mijn volk, om jullie niet alleen in het aardse leven goed te doen, maar om jullie ook het geluk van het toekomstige leven te geven.’
En verschillende keren wordt in de wet verteld wat daarmee bedoeld wordt. Want als de Heer zo barmhartig is dat Hij ons het waard keurt om in de gemeenschap van zijn volk te worden opgenomen, dan kiest Hij ons uit – zegt Mozes – om zijn eigen volk te zijn. Een heilig volk, een volk dat zich aan zijn geboden houdt. Deuteronomium 7:6; 14:2; 26:18-19 Vandaar de aansporing: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig.’ Leviticus 19:2 Op deze twee uitspraken is de indringende vraag gebaseerd van de profeet Maleachi: ‘Een zoon eert zijn vader en een slaaf eert zijn heer. Als Ik jullie Heer ben, waar is dan jullie vrees voor Mij? Als Ik jullie Vader ben, waar is dan jullie liefde voor Mij?’ Maleachi 1:6
De bevrijding uit de slavernij
Vervolgens herinnert God zijn volk eraan wat Hij voor hen gedaan heeft. Ondankbaarheid is een afschuwelijke misdaad, zelfs tussen mensen. Daarom moet God zijn volk extra sterk herinneren aan wat Hij voor hen gedaan heeft. Anders komen ze niet in beweging. Weliswaar herinnerde Hij Israël toen aan iets wat Hij nog maar pas voor hen gedaan had. Maar dat was zoiets wonderlijks en groots, dat het het waard was om voor eeuwig in herinnering te blijven, ook bij het nageslacht. Bovendien past het uitstekend bij het moment waarop de wet werd uitgevaardigd: de Heer maakt duidelijk dat Hij hen uit de ellendige slavernij verlost heeft met de bedoeling dat ze Hem als de bewerker van hun vrijheid zouden eren, door Hem te gehoorzamen en zich vrijwillig aan Hem te onderwerpen.
Want het is Gods gewoonte om zichzelf aan te duiden met bepaalde benamingen, waarmee Hij zijn heilige majesteit onderscheidt van afgoden. Zo wil Hij ons houden bij het echt dienen van Hem. Want, zoals ik eerder gezegd heb, wij zijn zo brutaal en daardoor zo geneigd tot onzin, dat we ons verstand niet in toom kunnen houden zodra het over God gaat. We vervallen meteen in een leeg verzinsel. Om ons een geneesmiddel te geven voor dit kwaad, tooit God zichzelf met bepaalde titels. Het is net alsof Hij zo een hek om ons heen zet, zodat we niet hierheen of daarheen kunnen afdwalen en niet zomaar een nieuwe God kunnen verzinnen als we de levende God verlaten en een afgod oprichten.
Telkens als de profeten God specifiek willen aanduiden, tooien ze Hem daarom met de kenmerken waarmee Hij zich aan het volk Israël geopenbaard had. Zo bakenen ze Hem als het ware af. God wordt de God van Abraham of de God van Israël genoemd. Exodus 3:6 Hij wordt gepositioneerd in de tempel in Jeruzalem, Amos 1:2; Habakuk 2:20 tussen de cherubs. Psalm 80:2; 99:1; Jesaja 37:16 Deze uitdrukkingen binden God niet vast aan één plek en één volk. Ze worden alleen gebruikt om de gedachten van de vromen gericht te houden op die God die een verbond gesloten heeft met Israël. Zo heeft Hij zichzelf laten zien en van dat beeld mag je absoluut niet afwijken.
In elk geval moeten we dit vasthouden: de verlossing wordt genoemd zodat de Joden zich extra enthousiast overgeven aan God die hen terecht voor zich opeist. En we moeten niet denken dat dat ons niets aangaat. We moeten bedenken dat de slavernij van Israël in Egypte een beeld is van de geestelijke gevangenschap. Daar zitten we allemaal in gevangen totdat onze hemelse redder ons met de kracht van zijn arm verlost en ons naar het koninkrijk van de vrijheid brengt. Eens heeft God de verstrooide Israëlieten verlost uit het ondraaglijke bewind van de farao, omdat Hij hen wilde terugbrengen bij het dienen van zijn naam. En zo bevrijdt Hij nu uit de dodelijke macht van de duivel iedereen aan wie Hij nu verzekert dat Hij hun God is. Want de fysieke slavernij was een schaduw van de geestelijke slavernij.
Daarom is er niemand die in zijn hart niet in vuur en vlam moet raken, om te luisteren naar de wet, die – zo hoort hij – afkomstig is van de hoogste koning. Want omdat alles van Hem afkomstig is, hoort alles in Hem zijn bestemming te zien en zich op Hem te richten. Niemand is er, zeg ik, die zich niet moet laten meeslepen om de wetgever te omhelzen. Ieder moet leren dat hij speciaal is uitverkoren om zich aan de geboden van die wetgever te houden. Van de welwillendheid van die wetgever moet ieder een overvloed verwachten van al het goede en bovendien de glorie van een oneindig leven. Ieder moet weten dat hij door de wonderlijke kracht en barmhartigheid van die wetgever bevrijd is uit de muil van de dood.
Het eerste gebod
Nadat God het gezag van zijn wet gefundeerd en bevestigd heeft, geeft Hij het eerste gebod: we mogen voor zijn ogen geen andere goden hebben. Exodus 20:3 De bedoeling van dit gebod is dat de Heer bij zijn volk als enige bovenaan wil staan. Hij wil het volle gezag hebben waar Hij recht op heeft. Om dat te realiseren beveelt Hij dat wij ons ver moeten houden van elke goddeloosheid en bijgeloof. Want dat zou afdoen aan Gods eer en die verduisteren. Bovendien beveelt Hij dat we Hem met oprechte, vrome ijver moeten eren en aanbidden. Dat blijkt eigenlijk al simpelweg uit de woordkeus. Immers, we kunnen God niet hebben als we niet tegelijk ook accepteren wat van Hem is. Door een verbod op het hebben van andere goden, geeft God aan dat we niet aan een ander mogen geven wat van Hem is.
We zijn God ontelbaar veel dingen verplicht, maar we kunnen ze toch behoorlijk terugbrengen tot vier kernpunten: aanbidden – met daarbij de geestelijke gehoorzaamheid van het geweten – vertrouwen, aanroepen en danken.
Aanbidden noem ik het eren en dienen van God. Dat doe je als je je aan zijn grootheid onderwerpt. Daarom is het niet onterecht dat ik als een onderdeel daarvan beschouw dat we ons geweten onderwerpen aan zijn wet. Want zo eren we Hem geestelijk als de soevereine koning die het oppergezag heeft over onze ziel.
Vertrouwen houdt in dat we ons geen zorgen maken, maar rust vinden in Hem, omdat we zijn goede eigenschappen kennen. Als we alle wijsheid, rechtvaardigheid, macht, waarheid en goedheid in Hem plaatsen, zoeken we ons geluk alleen in het deelhebben aan Hem.
Aanroepen betekent dat we bij elke dringende behoefte met onze geest uitwijken naar zijn trouw en hulp, omdat alleen daar bescherming is.
Danken bestaat uit een dankbaarheid waarmee we God de eer geven voor al het goede.
Het is voor de Heer onacceptabel als er van deze vier iets aan een ander gegeven wordt. En daarom beveelt Hij dat ze alle vier volledig aan Hem gegeven moeten worden. Het zou immers niet genoeg zijn als je je onthoudt van het dienen van een andere god. Sommige mensen die God verachten, doen dat. Zij gooien alle godsdiensten op een hoop en bespotten ze allemaal tegelijk. Maar je moet je houden bij deze ene God. Eerst moet de ware godsdienst komen. Daardoor wordt de ziel tot de levende God gebracht. Doordrongen van de kennis van God moet de ziel haar best doen om zijn majesteit te aanvaarden, te vrezen en te eren, om te delen in zijn goede gaven, om bij alles zijn hulp te zoeken en om de grootheid van zijn daden te erkennen, te loven en te prijzen. Dat is het enige doel bij al je doen en laten in het leven. Vervolgens moet je oppassen voor elk verkeerd bijgeloof. Door bijgeloof keert de ziel zich van de echte God af en wordt zij her en der naar allerlei afgoden geleid.
Als we met de enige God tevreden zijn, moeten we dus terugdenken aan wat ik eerder gezegd heb: alle verzonnen goden moeten we wegdoen. De dienst die God alleen voor zichzelf opeist, mogen we niet in stukken snijden. Want het is niet toegestaan om een stukje van zijn eer – al is het nog zo klein – af te doen. Alles waar Hij recht op heeft, moeten we bij Hem laten.
Het zinsdeel dat erop volgt – ‘voor mijn ogen’ – maakt het allemaal nog erger: telkens als wij onze verzinsels in plaats van
God stellen, wordt God jaloers. Net zoals een zedeloze vrouw haar man extra pijn doet als ze hem de man onder ogen brengt met wie ze overspel pleegt. Doordat God met zijn kracht en genade bij hen was, bewees God dat Hij het volk dat Hij had uitverkoren in het oog hield. Daarom waarschuwt Hij hen dat ze geen nieuwe goden kunnen nemen zonder dat Hij van zo’n heiligschennis getuige en toeschouwer is. Zo wil Hij hen extra afschrikken voor de misdaad dat ze hem verraden. Want als ze zo brutaal zijn, komt daar nog een flinke dosis goddeloosheid bij: dat ze denken dat ze in hun verraad God een rad voor ogen kunnen draaien.
Integendeel, de Heer roept uit dat alles Hem onder ogen komt, wat we ook beramen, wat we ook proberen, wat we ook beginnen. Als we willen dat onze godsdienst God plezier doet, moet ons geweten dus schoon blijven, zelfs van de meest verborgen gedachten aan verraad. Want God eist dat zijn eer intact en ongeschonden blijft. Niet alleen in wat we openlijk belijden, maar ook voor zijn ogen. En die doorzien de meest verborgen schuilhoeken van ons hart.
Het tweede gebod
Je mag geen beeld en geen enkele afbeelding maken van iets boven in de hemel of van iets beneden op de aarde of van iets in het water onder de aarde. Je mag daarvoor niet knielen en die niet dienen.
In het vorige gebod heeft God uitgesproken dat Hij de enige God is. Buiten Hem mag je geen andere goden bedenken of hebben. Daarom kondigt Hij nu af wat voor God Hij is en hoe Hij gediend en geëerd wil worden. Exodus 20:4-5 Want Hij wil niet dat we het wagen Hem iets lichamelijks toe te dichten. De bedoeling van dit gebod is dus dat Hij niet wil dat de juiste dienst aan Hem ontheiligd wordt door bijgelovige rituelen. Daarom is de kern dat Hij ons weerhoudt van vleselijke plichtplegingen die we met ons domme verstand steeds weer verzinnen als we onszelf een dwaze voorstelling van God gemaakt hebben. En dat Hij ons vormt zodat we voldoen aan de juiste, geestelijke dienst aan Hem die Hij zelf heeft ingesteld. Verder wijst God aan wat de ergste zonde is die je bij deze overtreding kunt begaan: het dienen van zichtbare beelden.
Het gebod bestaat uit twee gedeelten. Het eerste deel legt onze brutaliteit aan banden. God is onbegrijpelijk. Daarom moeten we het niet wagen om Hem te onderwerpen aan onze zinnen of Hem zichtbaar te maken door middel van een afbeelding. Het tweede deel verbiedt ons om een beeld religieuze eer te bewijzen door het te aanbidden.
Bovendien somt God kort alle vormen op waarin goddelozen en bijgelovige volken Hem steeds afbeelden. Met de dingen in de hemel bedoelt Hij de zon, de maan en de andere hemellichamen en misschien de vogels. In Deuteronomium 4 maakt Hij duidelijk wat Hij bedoelt. Daar noemt Hij zowel vogels als sterren. Deuteronomium 4:15-19 Ik zou deze kanttekening niet gemaakt hebben, als ik niet zag dat sommigen zo onverstandig zijn om dit op de engelen te laten slaan. De rest sla ik over, want dat spreekt voor zich. Bovendien heb ik in boek 1 duidelijk genoeg geleerd dat elke zichtbare vorm die de mens voor God bedenkt diametraal in strijd is met zijn natuur. Daarom wordt de ware godsdienst bedorven en vervalst zodra er afgodsbeelden tevoorschijn komen.
De waarschuwing bij het tweede gebod
De sanctie die eraan toegevoegd wordt, moet ruim voldoende zijn om onze laksheid te verdrijven. God dreigt: Exodus 20:5-6
Ik, Jehova, jouw God, ben een God* die jaloers is. De zonde van de vaders verhaal ik op de kinderen, op de derde en vierde generatie van hen die mijn naam haten. Maar Ik bewijs barmhartigheid aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden bewaren.
* of ‘Sterke’, want deze naam van God is afgeleid van ‘sterkte’.
Dit betekent hetzelfde als wanneer God had gezegd dat Hij de enige is op wie wij moeten vertrouwen. Om ons daartoe te brengen, verkondigt Hij dat Hij machtig is en het niet accepteert als zijn macht geminacht of gekleineerd wordt. Hier wordt het woord El gebruikt. Dat betekent ‘God’. Maar het is afgeleid van ‘sterkte’. Daarom heb ik niet geaarzeld om dit ook aan te geven of in de tekst in te voegen, zodat de betekenis beter uitkomt.
In de tweede plaats noemt God zich jaloers. Hij accepteert geen concurrentie.
In de derde plaats verzekert Hij dat Hij zijn majesteit en glorie zal beschermen als je die van Hem afneemt en aan schepselen of beelden geeft. En die bescherming is niet kort of eenmalig, maar reikt tot de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, als die de goddeloosheid van hun vaders imiteren. En zo blijft Hij ook tot in het verre nageslacht barmhartig en welwillend tegenover wie Hem liefhebben en zijn wet bewaren.
Het is voor God heel gebruikelijk om zich tegenover ons op te stellen als een man tegenover zijn vrouw. Want de band die Hij met ons aangaat, als Hij ons in de schoot van de kerk opneemt, is net als een heilig huwelijk. Die band moet gebaseerd zijn op wederzijdse trouw. Zelf vervult Hij alle plichten van een trouwe en eerlijke echtgenoot. En andersom eist Hij van ons liefde en huwelijkskuisheid. Dat wil zeggen: we mogen ons niet voor ontucht ter beschikking stellen aan Satan, aan wellust of aan schandelijke begeerten van het vlees.
Als God de Joden berispt om hun verraad, klaagt Hij daarom dat ze elk gevoel van schaamte van zich afgeworpen hebben en bezoedeld zijn door overspel. Jeremia 3; Hosea 2:4 (2:7) Als een man ziet dat het hart van zijn vrouw neigt naar een rivaal, zal hij extra boos woorden naarmate hij zelf heiliger en kuiser is. God heeft zich met ons verloofd op basis van trouw. Hosea 2:18-19 (2:21-22) Daarom verklaart God dat Hij heel jaloers wordt als wij de reinheid van zijn heilig huwelijk verwaarlozen en ons besmeuren met misdadige wellust. En Hij is het meest jaloers als we de dienst aan zijn majesteit op een ander richten of besmeuren met een vorm van bijgeloof. Aan die dienst mogen we niets afdoen. Want dan breken we niet alleen de trouwbelofte. We bezoedelen ook het huwelijksbed met overspel.
Het probleem van de kinderen en de zonden van hun vader
Nu moeten we nog kijken wat God bedoelt als Hij dreigt dat Hij de zonden van de vaders zal verhalen op de kinderen, tot in de derde en vierde generatie. Want het valt niet te rijmen met de eerlijkheid van Gods rechtvaardigheid als Hij van een onschuldige straf eist voor de misdaad van een ander. Bovendien verzekert God ook zelf dat Hij niet toelaat dat een zoon opdraait voor de zonde van zijn vader. Ezechiël 18:20 En toch wordt deze uitspraak meer dan eens herhaald: de straffen voor de wandaden van de voorvaders duren tot aan toekomstige generaties. Want meerdere keren spreekt Mozes God zo aan: ‘Jehova, Jehova, die de zonde van de vaders verhaalt op de kinderen, op de derde en vierde generatie.’ Numeri 18:20; Exodus 34:6-7 En Jeremia ook: ‘U, die welwillend bent tegenover duizenden en de zonde van de vaders vergeldt op de schoot van hun kinderen na hen.’ Jeremia 32:18
Sommigen doen ijverig hun best om dit probleem op te lossen. Zij denken dat het hier alleen om tijdelijke straffen gaat. Want als de kinderen die ondergaan om de zonden van hun vaders, is dat niet absurd. Want vaak zijn zulke straffen voor hen nuttig. En dat komt ook wel voor. Want Jesaja deelde Hizkia mee dat het koninkrijk zou worden afgenomen van zijn zonen en dat zij in ballingschap gevoerd zouden worden om de zonde die hij gedaan had. Jesaja 39:1-7 Omdat de farao en Abimelech Abraham gekwetst hadden, werd hun hele huis getroffen. Genesis 12:7; 20:1-18
Maar als je dit aanvoert om deze kwestie op te lossen, los je het probleem niet echt op, maar ontwijk je het alleen maar. Want de straf die God in dit gebod aankondigt, is zo zwaar dat die niet beperkt kan blijven tot het leven nu. We moeten het dus zo opvatten dat Gods rechtvaardige vloek niet alleen neerkomt op het hoofd van de goddeloze zelf, maar ook op heel zijn gezin. En als de vloek eenmaal op de goddeloze en zijn gezin rust, wat kun je dan anders verwachten dan dat de vader, beroofd van Gods Geest, heel schandelijk leeft? Dat de zoon dezelfde dodelijke weg gaat, omdat de Heer ook hem verlaten heeft om de slechtheid van zijn vader? En dat uiteindelijk de kleinzoon en de achterkleinzoon hun ondergang tegemoet rennen, omdat ze als het nageslacht van weerzinwekkende mensen vervloekt zijn?
Kinderen worden altijd gestraft om hun eigen zonden
Laten we eerst eens bekijken of zo’n straf niet te rijmen valt met Gods rechtvaardigheid. Heel de menselijke natuur verdient het om veroordeeld te worden. Dus weten we dat voor iedereen die de Heer het niet waard keurt om deel te hebben aan de genade, de ondergang klaarligt. Toch komen ze om door hun eigen zonde en niet door een oneerlijke haat van God. Ze hebben dan ook geen reden om hun beklag te doen dat ze niet net als anderen door Gods genade geholpen en gered worden. Dus als goddelozen en misdadige mensen als straf wordt opgelegd dat hun gezin tot en met vele generaties van Gods genade beroofd wordt, wie zou dan God daarvoor kunnen aanklagen? Zijn straf is volkomen rechtvaardig!
Maar, zal men zeggen, dat is toch in tegenspraak met dat de Heer verklaart dat de zonde van een vader niet zal neerkomen op zijn zoon. Ezechiël 18:20 Kijk goed waarover het daar gaat. De Israëlieten werden lange tijd continu geteisterd door vele rampen. Toen gingen ze dit spreekwoord gebruiken: ‘De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en nu zijn de tanden van hun kinderen stomp geworden.’ Ezechiël 18:2 Daarmee bedoelden ze dat zij de straf moesten dragen voor de zonden die hun ouders gedaan hadden. Terwijl ze zelf verder rechtvaardig en onschuldig waren. Dus vonden ze God onverzoenlijk woedend in plaats van beheerst streng. Hun verkondigt de profeet Ezechiël dat het zo niet in elkaar zit. Ze worden gestraft om hun eigen zonden. Want het klopt niet met Gods rechtvaardigheid als een rechtvaardige zoon lijdt onder een straf voor de slechtheid van zijn misdadige vader.
Maar zo staat het ook niet in de sanctie bij dit gebod. Want het verhalen waar het hier over gaat, wordt vervuld doordat de Heer de familie van de goddelozen zijn genade, het licht van zijn waarheid en de overige hulpmiddelen om gered te worden afneemt. De vloek die de kinderen dragen om de zonden van hun voorvaders houdt dan juist in dat ze, verblind en door God verlaten, in de voetsporen van hun vaders treden. Door Gods rechtvaardig oordeel is dan hun straf dat ze onderworpen worden aan tijdelijke ellende en uiteindelijk aan de eeuwige ondergang. Niet vanwege de zonden van een ander, maar vanwege hun eigen onrechtvaardigheid.
Het is geen vaste regel dat kinderen gezegend of gestraft worden
Aan de andere kant belooft God dat zijn barmhartigheid duizend generaties duurt. Ook die belofte komt vaak in de Schrift voor. Jeremia 32:18 Ook het plechtige verbond met de kerk bevat deze belofte: ‘Ik zal jouw God zijn en de God van jouw nageslacht na jou.’ Genesis 17:7 En met het oog daarop schrijft Salomo dat de kinderen van een rechtvaardige na zijn dood gelukkig zijn. Niet alleen door hun heilige opvoeding. Die is vast en zeker ook niet onbelangrijk. Maar de kinderen zijn ook gelukkig door de zegen die hun in het verbond beloofd is, dat bij de vromen Gods genade voor eeuwig in de familie blijft.
Voor gelovigen is dat een geweldige troost. Voor goddelozen een vreselijke verschrikking. Want de herinnering aan rechtvaardigheid zowel als onrechtvaardigheid weegt voor God ook na de dood nog zo zwaar dat de vloek van de een en de zegen van de ander op het nageslacht wordt overgedragen. Hoeveel te meer zal de vloek of de zegen dan rusten op het hoofd van de personen zelf!
Maar er is geen enkele belemmering voor nakomelingen van goddelozen om zich soms te beteren en voor nakomelingen van gelovigen om te verloederen. Want de wetgever heeft hier geen vaste regel willen stellen. Dat zou afbreuk doen aan zijn uitverkiezing. Voor de troost van een rechtvaardige en de verschrikking van een zondaar is het genoeg dat deze bepaling op zichzelf niet zonder betekenis of effect is, ook al gaat het niet altijd zo. Tijdelijke straffen treffen ook maar weinig zondaren. Toch bewijzen ze dat God boos is over de zonde en dat in de toekomst alle zondaren veroordeeld worden, ook al blijven velen tot het eind van hun leven ongestraft. Op dezelfde manier hoeft de Heer maar één voorbeeld te geven van zijn zegen, dat Hij een zoon omwille van zijn vader omringt met barmhartigheid en welwillendheid. Dat is voldoende bewijs dat zijn genade voor wie Hem dienen onveranderlijk en voor altijd is. En Hij hoeft maar één keer de zonde van een vader te vervolgen in zijn zoon en daarmee leert Hij welk oordeel alle verworpenen wacht om hun eigen zonden. In deze passage ging het God vooral om die zekerheid.
En in het voorbijgaan geeft Hij hoog op van zijn barmhartigheid. Die laat Hij duizend generaties duren, terwijl Hij zijn straf tot slechts vier generaties beperkt.
Het derde gebod
Je mag de naam van Jehova, jouw God, niet misbruiken.
De bedoeling van dit gebod is dat God wil dat de majesteit van zijn naam voor ons heilig is. Exodus 20:7 De kern is dus dat we zijn naam niet mogen ontheiligen door die te minachten of door er oneerbiedig mee om te gaan. Met dit verbod correspondeert meteen ook het gebod dat we ons best ervoor moeten doen en ervoor moeten zorgen dat we Gods naam religieus vereren. Daarom horen we in wat we denken en zeggen bereid te zijn om over God en over zijn mysteries alleen maar eerbiedig en bescheiden te denken en te spreken. En als we zijn daden beoordelen, moet alles wat we daarover denken tot zijn eer zijn.
Volgens mij zijn er drie dingen waar we zorgvuldig op moeten letten. In de eerste plaats moet elk idee dat we van Hem hebben en alles wat we over Hem zeggen in overeenstemming zijn met hoe geweldig Hij is. Het moet passen bij de heilige verhevenheid van zijn naam en bovendien geschikt zijn om zijn grootheid te prijzen. In de tweede plaats mogen we zijn heilig Woord en zijn aanbiddelijke mysteries niet zomaar of verkeerd gebruiken. Of we dat nu doen uit eerzucht, uit hebzucht of voor de lol. Zijn Woord en zijn mysteries dragen de waardigheid mee van zijn naam. Daarom moeten wij die altijd met eerbied en ontzag behandelen. Ten slotte mogen we geen kritiek hebben op wat Hij doet. Ellendige mensen mopperen vaak op God. Maar als wij vertellen wat Hij doet, moeten we steeds zijn wijsheid, rechtvaardigheid en goedheid prijzen.
Zo wordt Gods naam geheiligd. Als het anders toegaat, wordt zijn naam door zinloos en verkeerd gebruik besmeurd. Want dan wordt zijn naam gebruikt op een andere manier dan de enige juiste manier waarvoor Gods naam bestemd is. En ook al gebeurt er verder niets verkeerds, dan wordt Gods naam toch steeds meer geminacht, omdat Hij ontdaan is van zijn waardigheid. En als het al zo erg is om Gods naam zomaar, luchthartig en ongepast te gebruiken, dan is het nog veel erger als je zijn naam gebruikt voor een goddeloos doel. Dat doen mensen die zich van Gods naam bedienen bij het oproepen van doden, afschuwelijke vervloekingen, verboden geestenbezwering en andere goddeloze toverpraktijken.
Maar in dit gebod gaat het vooral over de eed. Als je bij de eed Gods naam verkeerd gebruikt, is dat het ergst. En dat moet ons afschrikken om in het algemeen Gods naam te ontheiligen. Het gaat hier over het dienen van God en het eren van zijn naam. Het gaat hier niet over de rechtvaardigheid die tussen mensen onderling in praktijk gebracht moet worden. Dat blijkt uit het feit dat God later in de tweede tafel meineed en het afleggen van valse getuigenissen veroordeelt. Dat raakt de menselijke samenleving. Maar dat verbod zou een overbodige herhaling zijn als het in dit gebod over een plicht van liefde ging. Bovendien is dit ook logisch gezien het onderscheid tussen de beide tafels. God heeft, zoals ik gezegd heb, zijn wet niet voor niets in twee tafels verdeeld. Daaruit kun je opmaken dat God hier opkomt voor zichzelf en voor de heiligheid van zijn naam. Hij leert hier niet wat mensen elkaar verplicht zijn.
Een eed is het aanroepen van God als getuige
Om te beginnen moeten we weten wat een eed is. Een eed is het aanroepen van God als getuige om te bevestigen dat we de waarheid spreken. Vloeken zijn het niet waard om als eed beschouwd te worden. Een vloek is een openlijke godslastering.
Het op een dergelijke manier aanroepen van God als getuige hoort bij het dienen van God. Als het maar wel op de juiste manier gebeurt. Dat blijkt uit vele passages uit de Schrift. Bijvoorbeeld als Jesaja profeteert dat de Assyriërs en de Egyptenaren samen met Israël in het verbond geroepen worden. Hij zegt dan: ‘Zij zullen de taal van Kanaän spreken en in de naam van de Heer zweren.’ Jesaja 19:18 Dat wil zeggen: door te zweren bij de naam van de Heer zullen ze hun geloof belijden. En als Jesaja het heeft over de uitbreiding van Gods koninkrijk, zegt hij ook: ‘Wie zich zegent, zal zich zegenen in de God van de gelovigen en wie op aarde zweert, zal zweren bij de God van de waarheid.’ Jesaja 65:16 Jeremia zegt: ‘Als zij zelf geleerd hebben en mijn volk leren om bij mijn naam te zweren, zoals zij geleerd hebben bij Baäl te zweren, dan zullen zij in het midden van mijn huis opgebouwd worden.’ Jeremia 12:16
En het is terecht dat het aanroepen van de Heer als getuige een geloofsbelijdenis genoemd wordt. Want op die manier erkennen we dat Hij de eeuwige en onveranderlijke waarheid is. Als we ons op Hem beroepen, doen we dat niet alleen omdat Hij meer dan iemand anders geschikt is als getuige van de waarheid. Hij is ook de enige die de waarheid handhaaft, omdat Hij aan het licht brengt wat verborgen is. En bovendien kent Hij ons hart. 1 Korinthiërs 1:5 Want we nemen onze toevlucht tot God als getuige als er geen mensen zijn die kunnen getuigen. En vooral als er zekerheid nodig is over dingen die verborgen zijn in het geweten.
Daarom reageert de Heer diep gegriefd tegen mensen die zweren bij vreemde goden. Zo’n eed vat Hij op als een bewijs van openlijk verraad: ‘Je kinderen hebben Mij verlaten en zweren bij wie geen God zijn.’ Jeremia 5:7 En hoe zwaar deze zonde weegt, geeft God aan door met straf te dreigen: ‘Ik zal hen die zweren bij de naam van de Heer én zweren bij de naam van Milkom uitroeien.’ Zefanja 1:4-5
Vals zweren mag niet
We zien dus dat de Heer wil dat we zijn naam dienen als we een eed afleggen. Daarom moeten we extra ons best doen dat we in plaats van zijn naam te dienen, die naam niet beledigen, minachten of kleineren. Het is een grote belediging als we bij zijn naam een valse eed afleggen. Daarom wordt dat in de wet een ontheiliging genoemd van zijn naam. Leviticus 19:12 Want wat blijft er voor de Heer over als we Hem beroven van de waarheid? Dan is Hij niet langer God. Vast en zeker beroof je Hem immers van de waarheid als je Hem voorstelt als iemand die de kant van de leugen kiest en die de leugen goedkeurt.
Daarom zegt Jozua, als hij Achan wil overhalen de waarheid te bekennen: ‘Mijn zoon, eerbiedig toch de Heer van Israël.’ Jozua 7:19 Blijkbaar bedoelt hij dan dat de Heer heel erg onteerd wordt als je vals bij Hem zweert. En geen wonder! Want het is niet aan ons te danken dat zijn heilige naam niet op wat voor manier ook gebrandmerkt wordt met leugens. Onder de
Joden was het gebruikelijk om, als iemand werd opgeroepen een eed af te leggen, te zeggen dat hij God moest eerbiedigen. Dat blijkt omdat in het evangelie van Johannes de farizeeën een dergelijke uitdrukking gebruiken. Johannes 9:24
Andere uitdrukkingen die in de Schrift gebruikt worden, manen ons tot voorzichtigheid: ‘Zo waar de Heer leeft!’ 1 Samuël 14:39 ‘De Heer mag zo met mij doen en zelfs nog erger!’ 1 Samuël 14:44; 2 Samuël 3:9; 2 Koningen 6:31 ‘God is mijn getuige, op mijn leven!’ 2 Korinthiërs 1:23 Deze uitdrukkingen maken duidelijk dat we God niet kunnen aanroepen als getuige voor onze woorden, zonder dat we Hem ook aanroepen om ons te straffen als we meineed plegen door te liegen.
Onnodig zweren mag niet
Je kleineert en minacht Gods naam ook als je die gebruikt voor eden die wel waar zijn, maar onnodig. Want ook dan misbruik je zijn naam. Daarom is het niet genoeg als we geen meineed plegen. We moeten ook bedenken dat het afleggen van een eed niet is toegestaan wanneer we daar maar zin in hebben. Een eed is alleen toegestaan als dat nodig is. Daar is een eed voor bedoeld. Wie een eed gebruikt op momenten dat dat niet nodig is, overschrijdt dus de grenzen van wat legitiem is.
Bovendien kan een eed alleen maar nodig zijn als je daarmee de godsdienst of de liefde dient. Op dat punt wordt tegenwoordig veel te ongebreideld gezondigd. En dat is extra onverdraaglijk omdat men er aan gewend is en het niet langer als zonde ziet. Maar voor Gods rechterstoel wordt het zeker niet als iets kleins gezien. Gods naam wordt overal zomaar gebruikt, zelfs bij simpele kletspraatjes. En men ziet daar geen kwaad in, omdat een langdurige, ongestrafte brutaliteit de mensen tot die bedorven praktijk gebracht heeft. Maar het gebod van de Heer blijft van kracht. De sanctie blijft staan. De straf die specifiek wordt aangekondigd tegen wie Gods naam onnodig gebruikt hebben, zal eens worden uitgevoerd.
Er wordt ook nog op een andere manier gezondigd: in plaats van God nemen we zijn heilige dienaren om bij te zweren. Dan zweren we bij sint Jacobus of bij sint Antonius. Het is duidelijk dat dat goddeloos is. Want zo geven we de eer van God aan hen. Het is immers niet voor niets dat de Heer uitdrukkelijk beveelt om bij Hem te zweren en uitdrukkelijk verbiedt dat men ons bij andere goden kan horen zweren. Exodus 23:13; Deuteronomium 6:13; 10:20 Ook de apostel verklaart dat duidelijk. Hij schrijft dat mensen altijd zweren bij wie boven hen staan. Maar God heeft niemand die qua glorie boven Hem staat. Dus heeft Hij bij zichzelf gezworen. Hebreeën 6:13-17
Christus verbiedt het zweren niet in alle gevallen
De wederdopers zijn er niet tevreden mee om het zweren zo te beperken. Zij doen elke eed zonder uitzondering in de ban, omdat het verbod van Christus algemeen is: ‘Ik zeg jullie: zweer helemaal niet. Maar laat jullie ja ja zijn en jullie nee nee. Wat verder gaat dan dat, komt van de boze.’ Mattheüs 5:34-37
Maar op die manier nemen ze ondoordacht Christus als hun mikpunt. Want ze maken van Hem een tegenstander van de Vader, alsof Hij naar de aarde gekomen zou zijn om de geboden van de Vader af te schaffen. Immers, de eeuwige God staat in de wet de eed toe als iets dat legitiem is. Dat alleen zou al voldoende zijn. Maar bovendien beveelt God ook nog eens om gebruik te maken van een eed als dat nodig is. Exodus 22:10-11 (22:9-10) En Christus verklaart dat Hij één is met de Vader. Johannes 10:30 Hij komt met niets anders dan wat de Vader bevolen heeft. Johannes 10:18 Zijn leer is niet van Hemzelf. Johannes 7:16 Enzovoort. Dus wat nu? Willen ze God met zichzelf in tegenspraak laten zijn? Alsof Hij iets eerst in een gebod van de morele wet goedkeurt en het dan later verbiedt en veroordeelt?
Maar Christus’ woorden zijn wel een beetje lastig te begrijpen. Daarom moeten we er even bij stilstaan. We zullen echter nooit tot de waarheid doordringen als we niet in het oog houden wat Christus bedoelt en er niet op letten waar Hij het hier over heeft. Het is niet zijn bedoeling om de teugels van de wet te laten vieren of aan te trekken. Hij wilde dat de mensen weer een juist inzicht kregen in de wet. Want door de valse verzinsels van de schriftgeleerden en farizeeën was dat inzicht erg bedorven. Als we dat vasthouden, kunnen we onmogelijk van mening zijn dat Christus elke eed afgekeurd heeft. Hij keurde alleen af wat buiten de norm van de wet valt. Uit zijn woorden blijkt dat het toen de gewoonte van het volk was om alleen op te passen dat ze geen meineed pleegden. Maar de wet verbiedt niet alleen meineed, maar ook onnodige eden. Dus herinnert de Heer hen eraan dat niet alleen vals zweren verkeerd is, maar zweren. Wanneer is zweren verkeerd? Als je onnodig zweert. Maar het zweren dat in de wet wordt aanbevolen, laat Hij ongemoeid en vrij.
De wederdopers denken dat ze extra sterk staan als ze met hand en tand vasthouden aan het woordje ‘helemaal’. Maar dat woordje slaat niet op het zweren, maar op de soorten eden die daarna genoemd worden. Want een onderdeel van de dwaling van de Joden was dat ze dachten dat ze Gods naam niet aantastten als ze bij de hemel en de aarde zweerden. Dus nadat de Heer de kern van hun overtreding genoemd heeft, snijdt Hij vervolgens al hun uitvluchten af. Ze moeten niet denken dat ze kunnen ontsnappen als ze hemel en aarde aanroepen zonder Gods naam te noemen.
Want in het voorbijgaan moet ik hier ook opmerken dat mensen toch indirect bij God zweren, ook al noemen ze zijn naam niet. Bijvoorbeeld als ze zweren bij het levenslicht, bij het brood dat ze eten, bij hun doop of bij andere bewijzen dat God hen royaal bedeeld heeft. En als Christus in deze passage verbiedt te zweren bij de hemel en de aarde of bij Jeruzalem, bestraft Hij hen niet om hun bijgeloof. Sommigen denken dat. Nee, Hij weerlegt de spitsvondige scherpzinnigheid van hen die er geen been in zien om steeds maar weer indirecte eden uit te spreken. Alsof ze zo Gods heilige naam zouden sparen! Maar die staat in al zijn goede gaven ingebeiteld.
Het ligt anders als je een mens of een dode of een engel neemt in plaats van God. Zo hebben de goddeloze heidenen uit vleierij die afschuwelijke vorm van zweren bedacht, waarbij ze zweren bij het leven of de genius van de koning. Want dat verduistert en verkleint de eer van de ene God, omdat je dan een ander tot God maakt.
Maar als je door het gebruik van Gods heilige naam, ook al doe je dat indirect, je woorden wilt bevestigen, dan beledig je bij een onbeduidende eed Gods majesteit. Christus neemt het loze voorwendsel voor deze bandeloosheid weg door het zweren helemaal te verbieden. Dat is ook de bedoeling van Jacobus, als Hij Christus’ woorden citeert. Jacobus 5:12 Want deze brutaliteit heeft in de wereld altijd huisgehouden, ook al is het een ontheiliging van Gods naam.
Maar als je het woordje ‘helemaal’ laat slaan op het zweren, alsof elke eed zonder uitzondering ongeoorloofd is, wat is dan de bedoeling van de uitleg die er meteen op volgt: ‘niet bij de hemel, niet bij de aarde, …’? Uit die woorden blijkt duidelijk genoeg dat Christus ingaat tegen de drogredenen van de Joden, die volgens hen hun zonde wegnamen.
Ook privé-personen mogen God aanroepen als rechter en als getuige
Voor wie een gezond oordeel heeft, is er dus geen twijfel mogelijk: de Heer keurt hier alleen de eden af die door de wet verboden waren. Zelf was Hij een levend voorbeeld van de volmaaktheid die Hij leerde. Maar ook zelf deinsde Hij er niet voor terug om te zweren, telkens als dat gezien de omstandigheden nodig was. En zijn leerlingen zijn hun leermeester ongetwijfeld in alles gehoorzaam geweest. En zij hebben ook zijn voorbeeld gevolgd. Wie zou durven beweren dat Paulus gezworen zou hebben als een eed totaal verboden was? Toch zweert hij, als dat nodig is, zonder aarzeling. Soms voegt hij er zelfs nog een vervloeking aan toe. Romeinen 1:9; 2 Korinthiërs 1:23
Maar deze kwestie is nog niet volledig behandeld. Want sommigen denken dat alleen openbare eden van dit verbod zijn uitgezonderd. Bijvoorbeeld een eed die we afleggen in opdracht en op verzoek van de overheid of de eed die vorsten altijd gebruiken als ze een verbond sluiten. Of de eed van trouw van een volk aan zijn vorst, of de eed van gehoorzaamheid die een soldaat aflegt. Ook de eden die je bij Paulus leest, ter bevestiging van het gezag van het evangelie, rekenen ze tot deze categorie. En terecht. Want de apostelen waren in hun bediening geen privé-personen, maar openbare dienaren van God.
En inderdaad, ik ontken niet dat deze eden het veiligst zijn. Want ze worden verdedigd door solide bewijzen uit de Schrift. De overheid krijgt het bevel om in een geval van twijfel een getuige de eed te laten afleggen. En de apostel zegt dat een eed de remedie is om aan onenigheid tussen mensen een eind te maken. Hebreeën 6:16 In beide gevallen biedt dit gebod een solide basis om hieraan gehoor te geven.
We kunnen zelfs opmerken dat ook de heidenen in de oudheid veel eerbied hadden voor een openbare en plechtige eed. Maar gewone eden, die ze zomaar lukraak aflegden, hadden voor hen geen of weinig waarde. Alsof ze dachten dat Gods majesteit daar niet bij betrokken was.
Maar het is veel te riskant om private eden te veroordelen als die beperkt, heilig en eerbiedig gebruikt worden in gevallen dat dat nodig is. Want ook voor zulke eden is er een basis van goede argumenten en voorbeelden. Want als privé-personen God mogen aanroepen als rechter tussen hen, 1 Samuël 24:13 dan mogen ze Hem toch zeker aanroepen als getuige. Een voorbeeld: stel dat je broeder je ervan beschuldigt dat je onbetrouwbaar bent. Natuurlijk doe je je best om jezelf vrij te pleiten, zoals je uit liefde verplicht bent. Stel dat hij op geen enkele manier tevreden is te stellen. Als door zijn koppige boosaardigheid je goede naam gevaar loopt, is er geen enkel bezwaar tegen dat je een beroep doet op het oordeel van God als rechter. Hij zal, als het daar de tijd voor is, je onschuld aan het licht brengen. Als je de woorden ‘rechter’ en ‘getuige’ tegen elkaar afweegt, stelt het aanroepen van God als getuige het minst voor. Ik zie dus niet in waarom we zouden beweren dat het in dit geval niet toegestaan zou zijn om God als getuige aan te roepen.
Er zijn hiervan heel veel voorbeelden. De eden van Abraham en Izak tegenover Abimelech zou je kunnen beschouwen als openbare eden. Genesis 21:23-24; 26:31 Maar Jacob en Laban waren toch zeker privé-personen toen ze wederzijds het verbond dat ze met elkaar sloten met een eed bezegelden.
Genesis 31:53 Boaz was ook een privé-persoon toen hij zijn belofte dat hij met Ruth zou trouwen op dezelfde manier bevestigde. Ruth 3:13 Ook Obadja, een rechtvaardig man die God vreesde, was een privé-persoon, toen hij een eed gebruikte om Elia te overtuigen. 1 Koningen 18:10
Ik weet dus geen betere regel dan deze: we moeten het afleggen van een eed zo beperken, dat we niet zomaar zweren, niet lukraak, niet wanneer we daar maar zin in hebben en niet als het niet belangrijk is. We mogen alleen een eed afleggen wanneer dat echt noodzakelijk is: wanneer Gods eer gehandhaafd moet worden, of wanneer het tot opbouw is van een broeder. Dat is de bedoeling van dit gebod.
Het vierde gebod
Denk eraan dat je de sabbat heiligt. Zes dagen mag je werken en al je arbeid verrichten. Maar de zevende dag is de sabbat van Jehova, je God. Op die dag mag je geen werk doen …
De bedoeling van dit gebod is dat we dood moeten zijn voor eigen begeerten en werken en moeten nadenken over de dingen van Gods koninkrijk. Exodus 20:8-10 En in dat nadenken moeten we ons trainen op de manieren die Hij bepaald heeft. Maar dit gebod moet op een speciale manier bekeken worden, anders dan de andere geboden. Daarom is hier bij de uitleg een andere indeling nodig.
De oude kerkvaders noemen dit gebod steeds een schaduwachtig gebod. Want dit gebod gaat over het uiterlijk in ere houden van een dag. Maar dat in ere houden is met de komst van Christus afgeschaft, samen met de andere vormen. En daarin hebben ze gelijk. Maar ze behandelen deze kwestie maar voor de helft. Daarom moet ik bij de bespreking van dit gebod dieper afsteken. We moeten drie redenen bekijken waar dit gebod naar mijn idee op gebaseerd is.
Want in de eerste plaats heeft de wetgever met de rust op de zevende dag voor het volk Israël de geestelijke rust willen afbeelden. Door die geestelijke rust moeten de gelovigen afzien van hun eigen werk om God in hen te laten werken.
In de tweede plaats heeft de wetgever gewild dat er een vaste dag zou zijn waarop de gelovigen zouden samenkomen om te luisteren naar de wet en om de rituelen uit te voeren. Of in elk geval een dag die ze speciaal zouden wijden aan het overdenken van zijn werken, om zich door de herinnering daaraan te trainen in vroomheid.
In de derde plaats vond Hij dat slaven en mensen die leefden onder het gezag van anderen een rustdag moesten krijgen. Dan zouden ze zich even kunnen ontspannen van hun werk.
Sabbatsrust en geestelijke rust
Maar veel bewijzen uit de Schrift leren ons dat de sabbat als schaduw van de geestelijke rust het belangrijkst geweest is. Er is immers haast geen ander gebod waarvan de Heer zo streng eist dat we het gehoorzamen. Numeri 15:32-36 Als Hij de profeten duidelijk wil maken dat de hele godsdienst omvergehaald is, klaagt Hij dat zijn sabbat besmeurd en geschonden wordt, dat het volk zich niet aan de sabbat houdt en die niet heiligt. Alsof God onmogelijk nog geëerd kan worden als er op dit punt geen gehoorzaamheid is. Ezechiël 20:12-13; 22:8; 23:38; Jeremia 17:21-27; Jesaja 56:2 Als je je wel aan de sabbat houdt, word je door God hoog geprezen. Daarom kijken de gelovigen, vergeleken met andere uitspraken van God, met ontzag op tegen de openbaring van de sabbat. Want bij Nehemia zeggen de Levieten in een plechtige vergadering: ‘U hebt onze voorvaders uw heilige sabbat bekend gemaakt. En U hebt hun door de hand van Mozes geboden en bepalingen en een wet gegeven.’ Nehemia 9:14 Je ziet dat tussen alle geboden van de wet extra waarde gehecht wordt aan de sabbat.
En dat werkt er allemaal aan mee dat er hoog wordt opgegeven van de verhevenheid van het mysterie. Mozes en Ezechiël hebben daar heel mooi uiting aan gegeven. Zo lees je in Exodus: ‘Jullie moeten je aan mijn sabbat houden, zodat jullie weten dat ik de HEER ben en dat ik jullie heilig. Houd je aan de sabbat, want die is heilig voor jullie. Laten de kinderen van Israël zich aan de sabbat houden. Laten zij zich de sabbat houden al hun generaties door. De sabbat is een eeuwig verbond tussen Mij en de kinderen van Israël en een teken voor eeuwig.’ Exodus 31:13-17 Ezechiël spreekt er nog uitgebreider over. De kern van zijn woorden is dat de sabbat een teken is waardoor Israël moest leren dat God hen heiligt. Ezechiël 20:12
Als onze heiliging bestaat uit het doden van onze eigen wil, dan ontdekken we een heel passende overeenkomst tussen het zichtbare teken en de inhoud zelf. Wij moeten rusten, om God in ons te laten werken. We moeten afstand doen van onze wil, ons hart overgeven en alle begeerten van het vlees opgeven. Kortom, we moeten ophouden met alles waar ons eigen verstand zich mee bezig houdt om in God te rusten, terwijl Hij in ons werkt. Zo leert de apostel het ook. Hebreeën 3:11; 4:3-9
De zevende dag
Voor de Joden maakt het in ere houden van een van de zeven dagen deze eeuwige pauze zichtbaar. En om ervoor te zorgen dat ze met extra grote eerbied die dag zouden houden, heeft de Heer zelf het goede voorbeeld gegeven. Want om een mens zijn best te laten doen, maakt het nogal wat uit als hij weet dat hij zijn schepper probeert te imiteren.
Misschien zoekt iemand een verborgen betekenis in het getal zeven. In de Schrift is dat het getal van de volmaaktheid. Daarom kunnen we zeggen dat dit getal niet voor niets gekozen is om de eeuwigheid aan te duiden. Dat Mozes zijn beschrijving van de opeenvolging van dagen en nachten ermee besluit dat de Heer rustte van zijn werk, ondersteunt dit. Genesis 2:3 Er kan ook nog een andere plausibele betekenis van het getal worden aangevoerd: dat de Heer heeft aangegeven dat de sabbat pas volmaakt zal zijn als de laatste dag gekomen is. Want hier beginnen we al met onze gelukkige rust. En we boeken elke dag vooruitgang in die rust. Maar we voeren nog continu strijd met ons vlees. Daarom zal de rust pas volmaakt zijn als het woord van Jesaja vervuld is over de ene nieuwe maan die volgt op de andere nieuwe maan en over de ene sabbat die volgt op de andere sabbat. Jesaja 66:23 Oftewel: pas als God alles zal zijn in allen. 1 Korinthiërs 15:28
Het lijkt er dus op dat de Heer door middel van de zevende dag voor zijn volk de toekomstige volmaaktheid heeft afgebeeld van zijn sabbat op de laatste dag. Door continu de sabbat te overdenken moesten de Joden hun hele leven lang deze volmaaktheid nastreven.
De sabbat als schaduw is in Christus vervuld
Misschien vindt iemand het te ver gaan om zo naar het getal zeven te kijken. Dan heb ik er geen bezwaar tegen om het simpelweg zo te zien: de Heer heeft een vaste dag bepaald waarop het volk onder de wet als mentor zich moest trainen in het nadenken over de eeuwigheid van de geestelijke rust. Daarvoor heeft Hij de zevende dag aangewezen, óf omdat Hij voorzag dat dat voldoende was, óf om zichzelf als voorbeeld te stellen, om het volk extra aan te sporen. Of in elk geval om het volk te erop te wijzen dat de sabbat nergens anders voor bedoeld was dan om hen op hun schepper te laten lijken. Want het maakt niet zoveel uit hoe je het getal interpreteert, als je maar het mysterie vasthoudt dat er door wordt afgebeeld: het eeuwig rusten van ons werk.
De profeten riepen de Joden regelmatig terug tot deze manier van kijken. Ze moesten niet denken dat ze aan het gebod voldaan hadden als ze vleselijk rusten. Naast de passages die ik al genoemd heb, lees je bij Jesaja het volgende: ‘Als je je voet rust geeft op de sabbat en ophoudt op mijn heilige dag te doen waar je zelf zin in hebt, en als je de sabbat een genot noemt, om de HEER te heiligen, die geëerd moet worden, en als je die dag in ere houdt door niet je eigen gang te gaan en je niet je eigen begeerte probeert te bevredigen en daarover met geen woord rept, dan zul je genot vinden in de HEER …’ Jesaja 58:13-14
Maar er is geen twijfel aan dat het rituele hieraan door de komst van de Heer Christus is afgeschaft. Want Hij is de waarheid zelf. Als Hij aanwezig is, verdwijnen alle uitbeeldingen. Hij is de werkelijkheid zelf. Als je Hem ziet, laat je de schaduwen los. Hij is, zeg ik, de werkelijke vervulling van de sabbat. Door de doop zijn we samen met Hem begraven en ingelijfd in de gemeenschap die deel heeft aan zijn dood, om ook te delen in zijn opstanding en te wandelen in een nieuw leven. Romeinen 6:4-5 Daarom schrijft de apostel Paulus ergens anders dat de sabbat een schaduw was van iets dat nog moest komen. Want Christus is de werkelijkheid, dat wil zeggen, de waarheid zelf. Dat heeft Paulus daar goed uitgelegd. Kolossenzen 2:16-17 Die werkelijkheid beperkt zich niet tot één dag, maar omvat heel de loop van ons leven. Totdat we wat onszelf betreft volledig gestorven zijn en met Gods leven zijn vervuld. Daarom moeten christenen zich niet inlaten met een zich bijgelovig houden aan bepaalde dagen.
De sabbat als rustdag en dag van samenkomst geldt voor altijd
De andere twee redenen voor de sabbat moeten we echter niet rekenen tot de oude schaduwen. Die zijn voor alle tijden even geldig. De sabbat is weliswaar afgeschaft. Maar toch is het bij ons nog steeds zo dat we op vaste dagen samenkomen om naar het Woord te luisteren, om het heilige brood te breken en om samen te bidden. Handelingen 2:42 En ook dat knechten en ambachtslieden tijd krijgen om zich te ontspannen van hun werk. Er is geen twijfel aan dat de Heer deze beide redenen belangrijk vond toen Hij de sabbat instelde. Er is een overvloed van bewijs voor de eerste reden, alleen al door wat bij de Joden gebruikelijk was. De tweede reden heeft Mozes aangegeven in Deuteronomium, met deze woorden: ‘Zodat je slaaf en je slavin kunnen rusten net als jijzelf. Want je moet bedenken dat jij een slaaf geweest bent in Egypte.’ Deuteronomium 5:14 En in Exodus: ‘Zodat je rund en je ezel kunnen rusten en de zoon van je slavin op adem kan komen.’ Exodus 23:12
Wie wil ontkennen dat deze beide redenen voor ons nog even geldig zijn als voor de Joden? Gods Woord beveelt ons dat we als kerk samenkomen en hoe nodig dat is, blijkt duidelijk uit de ervaring van ons leven. Als die samenkomsten niet op bepaalde dagen waren vastgesteld, hoe zouden we die dan kunnen houden? Alle dingen moeten bij ons gepast en ordelijk gebeuren, zegt de apostel Paulus. 1 Korinthiërs 14:40 Er is geen sprake van dat wat gepast en ordelijk is, in stand zou kunnen blijven als het niet publiek en goed geregeld was vastgelegd. Als je die regeling afschaft, dreigt er in de kerk vast en zeker een complete chaos en puinhoop.
Wij hebben hetzelfde nodig als de Joden. Om die behoefte te vervullen heeft de Heer de sabbat ingesteld. Daarom moet niemand beweren dat de sabbat niet voor ons geldt. Want onze zeer zorgzame en welwillende Vader heeft niet alleen voor de behoefte van de Joden willen zorgen, maar evengoed voor die van ons.
Waarom komen we niet liever elke dag samen, zul je zeggen, zodat er geen verschil meer is tussen de dagen? Ach, kregen we die mogelijkheid maar! De geestelijke wijsheid is het zeker waard dat we daar elke dag een stukje van onze tijd voor reserveren. Maar velen zijn zo zwak dat we het niet voor elkaar krijgen om elke dag een samenkomst te houden. En liefde staat niet toe dat we meer van hen vragen. Waarom zouden we dan niet gehoorzamen aan de regel die ons, zoals we zien, door Gods wil is opgelegd?
De zondag in plaats van de sabbat
Ik ben gedwongen hier nog iets langer bij stil te staan, omdat tegenwoordig sommige rusteloze geesten onrust stoken over de dag van de Heer. Zij klagen dat de christenen blijven teren op het jodendom omdat ze zich aan bepaalde dagen blijven houden. Mijn antwoord is echter dat wij ons aan die dagen houden los van het jodendom. Want op dit punt zijn er grote verschillen tussen ons en de Joden. Wij vieren die dag niet met een angstvallige precisie als een ritueel dat volgens ons een geestelijk mysterie afbeeldt. Nee, we accepteren die dag als een middel dat onmisbaar is om de orde te bewaren in de kerk.
‘Maar,’ zeggen ze, ‘Paulus leert dat christenen niet veroordeeld mogen worden als ze zich niet aan de sabbat houden. Want de sabbat was een schaduw van iets dat nog moest komen. Kolossenzen 2:16-17 Hij is bang dat zijn werk onder de Galaten vergeefs geweest is, omdat ze zich toch nog aan bepaalde dagen hielden. Galaten 4:10-11 En in de brief aan de Romeinen beweert hij dat je bijgelovig bent als je onderscheid maakt tussen de ene dag en de andere.’ Romeinen 14:5
Maar wie, op deze dwazen na dan, ziet niet over wat voor manier van je houden aan de dagen de apostel het heeft? Want het ging die mensen niet om de publieke en kerkelijke orde. Ze zagen de sabbat nog steeds als een schaduw van geestelijke dingen en daardoor verduisterden ze zowel de glorie van Christus als het licht van het evangelie. Ze namen geen rust van hun handwerk omdat dat hen afleidde bij het bezig zijn met en overdenken van de heilige dingen. Nee, ze namen rust uit een soort religieuze ijver, omdat ze zich inbeeldden dat ze door te rusten mysteries in ere hielden die in het verleden waren aanbevolen. Tegen dit verkeerde onderscheid tussen de dagen gaat de apostel volgens mij in. Maar hij maakt geen bezwaar als je een bepaalde dag apart zet. Dat is legitiem en dient de vrede in de christelijke gemeente. In de kerken die Paulus gesticht heeft, hield men zich op die manier aan de sabbat. Want hij bepaalt dat de Korinthiërs op die dag hun gaven moeten inzamelen om hun broeders in Jeruzalem te ondersteunen. 1 Korinthiërs 16:1-3 Als je bang bent voor bijgeloof, ligt er meer risico in de rustdagen van de Joden dan in de zondagen die de christenen nu houden. Want omdat het goed was om een eind te maken aan bijgeloof, is de religieuze dag van de Joden opgeheven. Maar omdat het nodig was om fatsoen, orde en vrede te bewaren in de kerk, is nu die andere dag daarvoor bestemd.
Zondagsheiliging is bijgeloof
De oude kerkvaders hebben de dag van de Heer – zoals we die noemen – niet zomaar uitgekozen in plaats van de sabbat. Het einddoel en de vervulling van de echte rust waar de oude sabbat een schaduw van was, lag in de opstanding van de Heer. Daarom worden de christenen juist op de dag die een eind maakte aan de schaduwen, erop gewezen dat ze niet in schaduwachtige rituelen moeten blijven hangen.
Toch klamp ik mij niet zo vast aan het getal zeven dat ik de kerk daaraan zou willen binden. Kerken die een andere dag bestemd willen houden voor hun samenkomsten, zal ik dus niet veroordelen. Als ze zich maar onthouden van bijgeloof. En dat doen ze als die dagen alleen bedoeld zijn om een discipline en een goed geregelde orde te handhaven.
Het komt hierop neer: de Joden leerden de waarheid via een beeld. Ons wordt die waarheid aangeprezen zonder schaduwen. In de eerste plaats moeten we ons hele leven lang een voortdurende sabbatsrust houden van ons eigen werk. Dan werkt de Heer daardoor in ons door zijn Geest. In de tweede plaats moet ieder voor zich, zo vaak hij daar maar tijd voor heeft, zich er ijverig in trainen dat hij Gods werk erkent. En samen moeten we de wettelijke orde van de kerk in stand houden. Die orde is ingesteld zodat er naar het Woord geluisterd wordt, de sacramenten bediend worden en er samen gebeden wordt. In de derde plaats moeten we mensen die onder ons gezag staan niet op een onmenselijke manier overladen met werk.
Op die manier lossen vanzelf de kletspraatjes op van de valse profeten die in vorige eeuwen het volk doordrenkt hebben met de Joodse opvatting. Zij kwamen aanzetten met niets anders dan dit: wat in dit gebod ritueel was, is afgeschaft. In hun taal was dat dat er één specifieke dag van de zeven was vastgesteld. Maar wat in dit gebod moreel was, zou nog steeds gelden, namelijk dat we één dag van de week in ere moeten houden. Toch is dit niets anders dan de dag wijzigen om de Joden te treiteren, terwijl je ondertussen blijft vinden dat je die dag op dezelfde manier moet heiligen. Immers, dan betekent het mysterie van de dagen ook voor ons nog hetzelfde als bij de Joden. En we zien inderdaad wat ze met zo’n leer bereikt hebben. Want de mensen die aan hun bepalingen vasthouden, overtreffen de Joden driemaal in hun grove en vleselijke bijgeloof over de sabbat. Daarom zijn de vermaningen die je bij de profeet Jesaja leest op hen nog meer van toepassing dan op de mensen die in Jesaja’s eigen tijd door hem berispt werden. Jesaja 1:13-15; 58:2-7
Verder moeten we vooral deze algemene leer vasthouden: om te voorkomen dat bij ons de godsdienst in verval raakt of verslapt, moeten we ijverig de heilige samenkomsten houden en gebruik maken van de uiterlijke hulpmiddelen die van belang zijn om de dienst van God in stand te houden.
Het vijfde gebod
Eer je vader en je moeder. Dan zul je lang leven op het land dat Jehova, je God, je zal geven.
De bedoeling van dit gebod is dat we de rangen en standen die de Heer God bepaald heeft, niet mogen schenden. Exodus 20:12 Want Hij vindt het belangrijk dat zijn orde gehandhaafd blijft. De kern is dus dat wij moeten opkijken tegen degenen die de Heer boven ons gesteld heeft. We moeten hen eren, hun gehoorzamen en hun dankbaar zijn. En daaruit volgt dat het ons verboden is om afbreuk te doen aan hun waardigheid. We mogen hen niet minachten, we mogen hun niet ongehoorzaam zijn en we mogen hun niet ondankbaar zijn. Want die brede betekenis heeft het woord ‘eer’ in de Schrift. De apostel Paulus zegt bijvoorbeeld dat ouderlingen die goed leiding geven dubbele eer verdienen. 1 Timotheüs 5:17 En dan bedoelt hij daarmee niet alleen dat we verplicht zijn hen met eerbied te behandelen. We moeten hun ook de beloning geven die ze met hun dienst verdiend hebben.
Maar dit gebod over onderdanigheid is heel erg in strijd met het bederf van de menselijke aard. Van nature zijn we zo verwaand om zelf een hoge positie te willen en kunnen we maar moeilijk onderdanig zijn. Daarom is de van nature meest aantrekkelijke en minst afstotende relatie tussen een meerdere en een mindere als voorbeeld gesteld. Die relatie kan ons hart gemakkelijker verzachten en eraan laten wennen onderdanig te zijn.
De Heer begint dus bij de onderdanigheid die het gemakkelijkst te dragen is, om ons stap voor stap te laten wennen aan elke legitieme vorm van onderdanigheid. Want de reden voor elke vorm van onderdanigheid is steeds dezelfde. Degenen die de Heer een hogere positie heeft toegekend, laat Hij delen in zijn naam, voor zover dat nodig is om hun hoge positie te beschermen. Alleen op Hemzelf zijn de namen ‘Vader’, ‘God’ en ‘Heer’ zo van toepassing dat ons hart getroffen hoort te worden door het besef van zijn majesteit, telkens als we één van die namen horen. Degenen die Hij in die namen laat delen, verlicht Hij met een vonkje van zijn schittering, zodat ook zij geëerd worden, elk voor zover dat past bij hun positie. Daarom horen we in de man die onze vader is, iets te zien van God. Want hij draagt die naam van God niet voor niets. En wie vorst of heer is, deelt in een stukje van Gods eer.
Eerbied, gehoorzaamheid en dankbaarheid
Daarom mogen we er niet aan twijfelen dat God hier een algemene regel stelt: iedereen van wie we weten dat hij boven ons staat omdat God dat zo bepaald heeft, moeten we eren, gehoorzamen en dankbaar zijn. En we moeten voor hen alle mogelijke plichten vervullen. Het doet er niet toe of degenen boven ons het wel of niet waard zijn dat we hun die eer bewijzen. Want wat voor mensen het ook zijn, ze hebben hun positie niet gekregen buiten Gods voorzienigheid om. En die positie is de reden waarom de wetgever heeft gewild dat ze geëerd worden.
De wetgever heeft echter uitdrukkelijk bevolen dat we eerbied moeten hebben voor onze ouders, die ons in dit leven gebracht hebben. Eigenlijk hoort de natuur zelf ons dit te leren. Want monsters zijn het – geen mensen – die het gezag van hun vader ondermijnen door belediging of koppigheid. Daarom beveelt de Heer dat ieder die zijn ouders ongehoorzaam is, gedood moet worden. Want zo iemand is het niet waard dat hij het licht ziet, omdat hij niet degenen erkent die hem in dat licht hebben laten komen.
Ik heb opgemerkt dat de eer waarover de wet het hier heeft uit drie onderdelen bestaat: eerbied, gehoorzaamheid en dankbaarheid. Dat dat klopt, blijkt uit verschillende aanvullingen op de wet. Het eerste onderdeel wordt door de Heer bevestigd als Hij beveelt dat wie zijn vader of moeder heeft vervloekt, gedood moet worden. Exodus 21:17; Leviticus 20:9; Spreuken 20:20 Want dan bestraft God minachting en belediging. Het tweede onderdeel wordt bevestigd als God de doodstraf uitvaardigt tegen wie ongehoorzaam en opstandig is. Deuteronomium 21:18-21 Op het derde onderdeel slaat wat Christus zegt: het is in overeenstemming met Gods gebod om goed voor je ouders te zorgen. Mattheüs 15:4-6 En telkens als Paulus dit gebod noemt, legt hij het zo uit, dat er in dit gebod gehoorzaamheid gevraagd wordt. Efeziërs 6:1-3; Kolossenzen 3:20
De belofte van een lang leven is een teken van Gods genade
Als aanbeveling wordt er een belofte bijgevoegd. Die moet ons extra duidelijk maken hoe blij God is als je onderdanig bent zoals Hij hier beveelt. Want Paulus gebruikt deze prikkel om ons in onze laksheid aan te sporen als hij zegt dat dit het eerste gebod is met een belofte. Efeziërs 6:2 Immers, de belofte die voorafging aan de eerste tafel, was geen speciale belofte die voor één gebod gold, maar een algemene belofte voor de hele wet.
Deze belofte moeten we als volgt opvatten: de Heer had het tegen de Israëlieten specifiek over het land dat Hij hun beloofd had als hun erfdeel. Het bezit van dat land was de waarborg van Gods welwillendheid. Dan is het dus niet vreemd als de Heer zijn genade wil tonen door een lang leven te geven. Want zo konden de Israëlieten lange tijd de vruchten plukken van zijn gulheid. De betekenis is dus: eer je vader en je moeder, dan mag je een lang leven lang genieten van de vruchten van het land dat je in bezit hebt als bewijs van mijn genade.
Maar voor de gelovigen is de hele aarde gezegend. Daarom beschouwen we terecht het tegenwoordige leven als een zegen van God. En daarom is deze belofte ook op ons van toepassing. Want als wij nu een lang leven hebben, is dat voor ons een bewijs van Gods welwillendheid. Zo’n lang leven wordt ons niet beloofd – en werd ook de Joden niet beloofd – alsof daarin het geluk lag. Het is voor vrome mensen altijd alleen maar een symbool van Gods welwillendheid. Je ziet niet zelden dat een kind dat zijn ouders gehoorzaam is, uit het leven wordt weggerukt voor het volwassen is. Toch is de Heer dan niet minder trouw in het vervullen van zijn belofte, dan wanneer Hij honderd bunders land geeft aan iemand aan wie Hij er maar één beloofd had. Het komt erop neer dat ons alleen maar een lang leven beloofd wordt voor zover dat een zegen van God is. En dat het alleen maar een zegen is voor zover het een bewijs is van Gods genade. Maar aan wie Hem dienen, bewijst Hij die genade nog veel overvloediger en met nog meer zekerheid door de dood. Dan geeft Hij hun die genade daadwerkelijk.
We hoeven niet te gehoorzamen als dat tegen Gods wet ingaat
Aan kinderen die hun ouders eren met gepaste gehoorzaamheid, belooft de Heer dus de zegen van dit leven. Daarmee maakt Hij tegelijk ook duidelijk dat ieder die zich niet wil schikken en ongehoorzaam is, een vloek boven het hoofd hangt die absoluut onvermijdelijk is. De vervulling daarvan mag niet uitblijven. Daarom verklaart de Heer door zijn wet dat zij de doodstraf verdienen en beveelt Hij dat die straf ook voltrokken wordt. Als ze dat vonnis weten te ontkomen, voltrekt Hij zelf de straf op een of andere manier. Want we zien hoeveel van dit soort mensen vallen in vechtpartijen of ruzies en hoe anderen op abnormale manieren gestraft worden. Ze vormen bijna allemaal het bewijs dat dit geen loos dreigement is. En als sommigen hieraan ontkomen en heel oud worden, is het echt niet zo dat ze delen in de zegen die aan vrome kinderen beloofd is. Want ze moeten het in dit leven stellen zonder Gods zegen. In ellende slepen ze hun dagen voort en ze worden alleen maar opgespaard voor nog grotere straffen in de toekomst.
Verder moet ik in het voorbijgaan ook nog opmerken dat we het bevel krijgen om onze ouders alleen in de Heer te gehoorzamen. Efeziërs 6:1 Dat blijkt ook uit de onderbouwing die ik eerder gegeven heb. Want ze staan boven ons in een positie waarin de Heer hen geplaatst heeft, omdat Hij een stukje van zijn eer aan hen heeft toegekend. De onderdanigheid die we hun bewijzen, moet dus een opstapje zijn om op te kijken naar de hoogste Vader. Wanneer onze ouders ons ertoe proberen te bewegen dat we de wet overtreden, moeten we hen dus niet als onze ouders beschouwen. Dan is het terecht als we hen zien als vreemden die ons proberen af te brengen van gehoorzaamheid aan onze echte
Vader. Zo moet ook onze houding zijn tegenover vorsten, heren en al onze meerderen in het algemeen. Het is onwaardig en absurd als hun hoge rang gebruikt wordt om Gods hoogheid naar beneden te halen. Die hoge rang is juist afhankelijk van Gods hoogheid en moet ons daarheen leiden. Hun hoge rang moet Gods hoogheid niet verminderen, maar vermeerderen, niet aantasten, maar bevestigen.
Het zesde gebod
Je mag niet doden.
De bedoeling van dit gebod is dat de Heer het menselijk geslacht door een bepaalde eenheid met elkaar verbonden heeft. Exodus 20:13 Daarom moet iedereen geven om ieders veiligheid. De kern is dus dat elke vorm van geweld en onrecht en in het algemeen alles wat schadelijk kan zijn voor het lichaam van onze naaste ons verboden wordt. En daarom wordt ons bevolen om, als we iets kunnen doen om het leven van onze naaste te beschermen, dat ook trouw te doen. We moeten zorgen voor zijn veiligheid, oppassen dat hem niets overkomt en hem een helpende hand toesteken als hij in gevaar verkeert.
Als je bedenkt dat God, de wetgever, dit zegt, bedenk dan ook dat Hij door deze norm je ziel wil leiden. Want Hij doorziet onze gedachten en houdt zich vooral daarmee bezig. Daarom zou het belachelijk zijn als Hij alleen het lichaam echte rechtvaardigheid zou leren. Dus verbiedt dit gebod ook het doden met het hart en beveelt dit gebod dat je vanbinnen geneigd moet zijn het leven van je broeder te sparen. Doden doe je weliswaar met je hand, maar het begint in je hart, als dat besmet raakt met woede en haat. Kijk maar eens of je woedend kunt zijn op je broeder zonder dat je een brandende begeerte voelt om hem kwaad te doen. Als je niet woedend kunt zijn zonder die begeerte, kun je ook niet haten zonder die begeerte. Want haat is niets anders dan een lang volgehouden woede. Ook al houd je het verborgen en probeer je je met loze uitvluchten te verontschuldigen, waar woede of haat is, daar bestaat een neiging om kwaad te doen. Als je je hiertegen blijft verzetten, dan heeft de Geest zelf al gezegd dat wie zijn broeder haat een moordenaar is. 1 Johannes 3:15 En de Heer Christus heeft gezegd: wie woedend is op zijn broeder, wordt aangeklaagd voor de rechtbank, wie zegt: ‘Nietsnut!’ wordt aangeklaagd bij de raad en wie zegt: ‘Dwaas!’ wordt aangeklaagd in de hel. Mattheüs 5:22
De mens is beeld van God en ons eigen vlees
De Schrift geeft twee redenen waarom dit gebod eerlijk is. De mens is het beeld van God en hij is ons eigen vlees. Als we Gods beeld niet willen schenden, moeten we ieder mens dus beschouwen als onaantastbaar. En als we niet elk menselijk gevoel van ons af willen schudden, moeten we hem koesteren als ons eigen vlees. Een extra motivatie kunnen we afleiden uit de verlossing en genade door Christus, maar dat zal ik later behandelen.
De Heer heeft gewild dat we twee dingen van nature in de mens zien. Die twee dingen moeten ons ertoe brengen dat we hem sparen: we moeten het beeld van God dat in de mens gedrukt staat, eerbiedigen. En we moeten ieder mens omhelzen als ons eigen vlees. Wie nooit het bloed van een ander vergiet, ontkomt daarmee dus nog niet aan de aanklacht van moord. Of je nu daadwerkelijk iets doet of probeert, of dat je enkel iets wilt of beraamt dat tegen het welzijn van een ander ingaat – je bent schuldig aan moord. Maar als je aan de andere kant niet je best doet om zijn welzijn, voor zover je dat kunt en voor zover je in de gelegenheid bent, te beschermen, dan overtreed je met die onmenselijkheid de wet ook.
Als God zo voor de veiligheid van het lichaam zorgt, dan moeten we daaruit afleiden hoeveel zorg en inzet we verschuldigd zijn voor het welzijn van de ziel. Want voor God gaat de ziel het lichaam oneindig ver te boven.
Het zevende gebod
Je mag geen overspel plegen.
De bedoeling van dit gebod is dat God van kuisheid en reinheid houdt. Exodus 20:14 Daarom moeten wij ons ver houden van elke onreinheid. De kern is dus dat we ons niet mogen bezoedelen met smerigheid of bandeloze wellust van het vlees. Daarmee correspondeert het positieve gebod dat we ons leven in alle opzichten kuis en met zelfbeheersing moeten besturen. Ontucht echter verbiedt God uitdrukkelijk. Alle wellust neigt tot ontucht. En dat is zo smerig, vooral omdat het tastbaar is, want het besmet ook het lichaam. Dat moet ons ertoe brengen dat we elke vorm van wellust gaan verafschuwen.
Toen de mens geschapen werd, bepaalde God dat hij geen eenzaam leven hoeft te leiden. Hij mag gebruik maken van een helper die bij hem past. Door de vloek van de zonde is dat extra hard nodig. Om ons op dit punt voldoende hulp te bieden, heeft de Heer het huwelijk ingesteld. En seksuele gemeenschap die je onder zijn gezag hebt, heiligt Hij ook met zijn zegen. Daaruit blijkt dat elke andere seksuele gemeenschap, buiten het huwelijk, in zijn ogen vervloekt is. En dat Hij zelf seksuele gemeenschap binnen het huwelijk bepaald heeft als een onmisbaar geneesmiddel, om te voorkomen dat we ons zouden storten in bandeloze wellust.
We moeten onszelf dus niet voor de gek houden. We horen dat een man buiten het huwelijk geen seksuele gemeenschap met een vrouw kan hebben zonder dat hij zich Gods vloek op de hals haalt.
Slechts een enkeling heeft de gave van onthouding gekregen
Door de toestand van onze natuur en door de wellust die na de val ontbrand is, hebben we seksuele gemeenschap met een vrouw dubbel zo hard nodig. Behalve degenen die God door een speciale genade daarvan heeft uitgezonderd. Daarom moet ieder opletten welke gave hij gekregen heeft. Ik geef toe dat maagdelijkheid een eigenschap is waar je niet op moet neerkijken. Maar sommigen hebben die eigenschap niet gekregen en anderen alleen tijdelijk. Wie door gebrek aan zelfbeheersing wordt gekweld en de strijd niet kan winnen, moet daarom zijn toevlucht nemen tot de hulp die het huwelijk biedt. Zo moet hij de kuisheid dienen op de manier die past bij de positie waarin hij geroepen is. Want als je dit niet begrijpt Mattheüs 19:11 en niet het aangeboden en toegestane middel gebruikt om je bandeloosheid te hulp te komen, ga je in tegen God. Dan ben je ongehoorzaam aan zijn bepaling.
En nu moet niemand mij tegenwerpen dat je met Gods hulp alles kunt. Velen zeggen dat tegenwoordig. Echter, Gods hulp staat alleen degenen bij die zijn wegen volgen, dat wil zeggen, degenen die gehoor geven aan zijn roeping. Maar je onttrekt je aan Gods roeping als je zijn hulpmiddelen negeert en met een ongefundeerde overmoed je behoeften probeert te overwinnen.
De Heer verzekert dat de gave van onthouding een speciale gave van God is. Het is een van de gaven die niet zonder onderscheid aan het hele lichaam van de kerk worden gegeven, maar alleen aan enkele leden. Mattheüs 19:12 Want Hij heeft het in de eerste plaats over een categorie mensen die zichzelf gecastreerd hebben om het koninkrijk van de hemel. Dat wil zeggen: om minder gebonden te zijn en zich vrijer te kunnen wijden aan de dingen van het hemelse koninkrijk. Maar niemand moet denken dat mensen zelf in staat zijn om zich zo te castreren. Daarom had Hij kort daarvóór duidelijk gemaakt dat niet ieder dat vermogen heeft, maar alleen degenen aan wie het speciaal uit de hemel gegeven is. En dan sluit Hij af met: ‘Laat wie het kan begrijpen, het begrijpen.’ Paulus bevestigt het nog duidelijker als hij schrijft dat ieder zijn eigen gave van God gekregen heeft. De een deze, de ander die. 1 Korinthiërs 7:7
Wie de gave van onthouding niet heeft, moet trouwen
Door een openlijke afkondiging worden we dus gewaarschuwd dat niet iedereen in staat is om kuis te blijven in het celibaat. Zelfs al doe je nog zo je best. Het is een speciale genade die de Heer alleen aan bepaalde mensen geeft, omdat Hij hen wil hebben als dienaren die extra geschikt zijn voor zijn werk. Verzetten we ons dan niet tegen God en tegen de natuur die Hij bepaald heeft, als we onze manier van leven niet aanpassen aan het niveau van onze mogelijkheden? De Heer verbiedt hier ontucht. Dus eist Hij reinheid en kuisheid van ons. En er is één manier om die te bewaren: ieder moet zijn eigen grenzen kennen.
Niemand moet uit overmoed op het huwelijk neerkijken, als iets dat voor hem onnodig of overbodig is. Niemand moet verlangen naar het celibaat, behalve als je kunt leven zonder echtgenote. Bovendien moet je het celibaat niet willen omdat je dat wel rustig vindt of om het je gemakkelijk te maken. Je moet het alleen willen om meer tijd en gelegenheid te hebben om alle plichten van vroomheid te vervullen, doordat je niet gebonden bent door een huwelijk. Velen wordt deze goede gave slechts tijdelijk gegeven. Daarom moet ieder zolang ongetrouwd blijven als hij geschikt is om celibatair te blijven. Als je de kracht niet hebt om je wellust te bedwingen, moet je beseffen dat je een huwelijk nodig hebt omdat de Heer je dat oplegt.
De apostel Paulus maakt dat duidelijk als hij beveelt dat iedere man zijn eigen vrouw moet hebben en iedere vrouw haar eigen man, om ontucht te voorkomen. En dat wie zich niet kan beheersen, moet trouwen in de Heer. 1 Korinthiërs 7:2-9 Om te beginnen maakt hij dus duidelijk dat de meeste mensen lijden aan het gebrek dat ze zich niet kunnen beheersen. Vervolgens maakt hij van hen die aan dat gebrek lijden, voor niemand een uitzondering. Al die mensen beveelt hij dat ze hun toevlucht moeten nemen tot het enige middel tegen onkuisheid. Als je niet de gave van onthouding hebt, maar nalaat op deze manier je zwakheid te genezen, dan zondig je dus omdat je dit gebod van de apostel niet gehoorzaamt.
En wie geen vrouw aanraakt, moet zich niet vleien alsof hij niet van onkuisheid beschuldigd kan worden, als zijn hart ondertussen brandt van wellust. Want Paulus definieert kuisheid als reinheid van de ziel in combinatie met zuiverheid van het lichaam. Een ongetrouwde vrouw, zegt hij, maakt zich druk over de dingen van de Heer, om heilig te zijn, zowel met haar lichaam als met haar geest. 1 Korinthiërs 7:34 Als Paulus argumenten geeft voor het bovengenoemde gebod, zegt hij daarom niet alleen dat je beter met een vrouw kunt trouwen dan je te besmeuren door seksuele gemeenschap te hebben met een hoer. Hij zegt ook dat je beter kunt trouwen dan te branden van begeerte.
Zelfbeheersing en fatsoen
Verder mogen echtgenoten weten dat de Heer hun seksuele gemeenschap gezegend heeft. Maar dat moet voor hen een waarschuwing zijn dat die gemeenschap niet bezoedeld mag worden door onbeheerste of bandeloze wellust. Het fatsoen van het huwelijk bedekt weliswaar de schande van de bandeloosheid. Maar het huwelijk mag je daarom nog niet aanzetten tot bandeloosheid. Daarom moeten echtgenoten niet denken dat ze alles maar mogen. Iedere man moet beheerst met zijn vrouw omgaan en iedere vrouw met haar man. Ze moeten in hun doen en laten niets toelaten dat ongepast is voor het fatsoen en de zelfbeheersing van het huwelijk. Want op die manier moet een huwelijk dat in de Heer gesloten is, hen terugbrengen tot matigheid en ingetogenheid. Het huwelijk mag niet overstromen in extreme losbandigheid. Ambrosius heeft dit soort lichtzinnigheid met een streng maar terecht vonnis gebrandmerkt. Hij zei dat wie zich in zijn huwelijksleven niet druk maakt om schaamte of fatsoen, ontucht pleegt met zijn vrouw.
Laten we ten slotte bedenken wie deze wetgever is die ontucht veroordeelt: degene die ons volledig in bezit moet hebben en daarom het recht heeft om van ons te eisen dat onze ziel, onze geest en ons lichaam ongeschonden zijn.
Als Hij ontucht verbiedt, verbiedt Hij dus tegelijk ook dat we een aanslag plegen op de kuisheid van een ander door ons lichtzinnig uit te dossen, ons obsceen te gedragen of door vuile taal uit te slaan. Niet voor niets zei Archelaüs tegen een jongeman die buitensporig verwijfd en sierlijk gekleed ging dat het niet uitmaakte in welk opzicht hij losbandig was. We moeten erop letten dat God alle onreinheid verafschuwt, in welk deel van de ziel of het lichaam die zich ook manifesteert. En om aan alle twijfel een eind te maken, moeten we bedenken dat God hier kuisheid aanbeveelt. Als de Heer kuisheid van ons eist, veroordeelt Hij alles wat daarmee in strijd is. Als je gehoorzaam wilt zijn, mag je dus niet binnen in je hart branden van slechte begeerten. Je mag je ogen niet de kost geven om verdorven verlangens op te wekken. Je mag je lichaam niet verleidelijk uitdossen. Je mag met je tong geen onreine woorden spreken om de geest te prikkelen tot onreine gedachten. En je mag zulke gedachten ook niet laten ontbranden door gulzigheid. Want dat soort fouten zijn allemaal vlekken die zuivere kuisheid besmeuren.
Het achtste gebod
Je mag niet stelen.
De bedoeling van dit gebod is dat we ieder moeten geven wat hem toekomt. Exodus 20:15; Romeinen 13:7 Want God vindt onrecht heel erg. De kern is dus dat het voor ons verboden is om te proberen het bezit van iemand anders in handen te krijgen. En dus ook dat ons bevolen wordt om trouw ons best te doen om anderen te helpen zijn bezit te bewaren. Want we moeten bedenken dat niemand door het toeval zijn bezit toegespeeld gekregen heeft. De hoogste Heer van alle dingen heeft het uitgedeeld. Je kunt je dus nooit door perverse listen het bezit van iemand anders toe-eigenen, of je schaadt Gods verdeling.
Er bestaan echter verschillende soorten diefstal. De ene soort gebeurt met geweld, als je het bezit van een ander uit brutale roofzucht hardhandig wegrukt. Een andere soort bestaat uit sluw bedrog, als je het bezit van een ander door fraude onderschept. Een derde soort gaat gepaard met geniepige slimmigheidjes, als je het bezit van een ander hem ogenschijnlijk rechtmatig ontfutselt. Weer een andere soort ligt in vleierij, als je het bezit van een ander van hem aftroggelt onder het mom van een geschenk.
Maar we moeten maar niet te lang blijven stilstaan bij een opsomming van alle soorten diefstal. We moeten weten dat we alle tactieken waardoor het bezit en het geld van onze naaste onze kant op komt, als diefstal moeten beschouwen – als zulke tactieken niet uitgaan van oprechte liefde, maar van het verlangen om onze naaste te bedriegen of op een of andere manier schade toe te brengen. Zelfs al houden die tactieken stand voor de wereldlijke rechtbank, God beschouwt ze als niets anders dan diefstal. Hij ziet immers de lange rij lagen en listen waarin een sluw mens een meer simpele ziel probeert te verstrikken tot hij hem eindelijk weet te verschalken. Hij ziet de strenge, onmenselijke wetten waarmee een machtig iemand een zwakker persoon onderdrukt en verplettert. Hij ziet de lokmiddelen waarmee een slimmerd een argeloos iemand aan de haak slaat. Allemaal dingen die het menselijk oordeel ontgaan en die niet in aanmerking komen voor een strafrechtelijk onderzoek.
En dit onrecht vindt niet alleen plaats als het gaat om geld, handelswaar of landbezit. Het vindt plaats bij alles waar iemand recht op kan hebben. Want we ontvreemden het bezit van onze naaste als we weigeren de diensten te verrichten die we hem verschuldigd zijn. Als een luie rentmeester of opzichter het bezit van zijn heer er doorjaagt in plaats van dat hij de belangen van diens huis behartigt. Als hij het vermogen dat hem is toevertrouwd onrechtmatig verspilt of in overdaad verkwist. Als een knecht de spot drijft met zijn meester. Als hij diens geheimen onthult, als hij zowel zijn leven als zijn bezit verraadt. Als andersom een heer zijn personeel wreed kwelt. Dan oordeelt de Heer dat zo iemand schuldig is aan diefstal. Want wie niet doet waar hij volgens zijn taak toe geroepen is en wat hij aan anderen verplicht is, drukt het bezit van een ander achterover en eigent zich dat toe.
Hebzucht, vrijgevigheid en het doen van je plicht
We gehoorzamen dus aan dit gebod zoals het hoort als we tevreden zijn met ons lot en niet meer winst proberen te halen dan fatsoenlijk en legitiem is. Als we niet door middel van onrecht rijk willen worden en niet proberen onze naaste van zijn vermogen te ontdoen, om ons eigen vermogen te laten groeien. Als we er niet op uit zijn om op een wrede manier rijkdommen te vergaren, door anderen tot bloedens toe uit te knijpen. Als we niet op alle mogelijke manieren, recht of krom, als een bezetene bezit bijeenschrapen om onze hebzucht te stillen of onze spilzucht te bevredigen.
Maar aan de andere kant moeten we er voortdurend op uit zijn iedereen zoveel mogelijk met raad en daad trouw bij te staan bij het bewaren van wat van hen is. En als we te maken krijgen met onbetrouwbare mensen en bedriegers, dan moeten we liever iets afstaan van wat van ons is, dan dat we ons tegen hen verzetten. Mattheüs 5:39-42 En dat niet alleen. Maar als we zien dat mensen door moeilijkheden in het nauw komen, moeten we hun behoeften met hen delen en onze overvloed gebruiken om hun gebrek te verlichten.
Ten slotte moet ieder erop letten welke verplichtingen hij heeft tegenover een ander en dat hij trouw betaalt wat hij schuldig is. Zo moet het volk ieder die boven hen gesteld is, eren, hun gezag bereidwillig accepteren, hun wetten en bevelen gehoorzamen en niets weigeren wat gedaan kan worden zonder dat God het afkeurt. Romeinen 13:1-7; 1 Petrus 2:13-14; Titus 3:1 Aan de andere kant moeten zij die boven hen gesteld zijn voor hun onderdanen zorgen, de openbare orde bewaren, de goeden beschermen, de slechten in toom houden en alles regeren in het besef dat ze er voor God, de hoogste rechter, verantwoording van moeten afleggen hoe ze hun taken vervuld hebben.
De dienaren van de kerken moeten zich trouw wijden aan de bediening van het Woord. Ze mogen de leer van het behoud niet vervalsen, maar moeten die leer zuiver en ongeschonden onderwijzen aan Gods volk. 2 Korinthiërs 2:17 En ze moeten het volk niet alleen onderwijzen door de leer, maar ook door het voorbeeld van hun eigen leven. En ten slotte moeten ze het volk leiden zoals goede herders hun schapen leiden. 1 Petrus 5:2-3 Het volk op zijn beurt moet hen aanvaarden als boodschappers en afgezanten van God. Ze moeten hun de eer geven die de hoogste meester hen waard gekeurd heeft. En ze moeten voorzien in hun levensbehoeften. Mattheüs 10:9-15; 1 Korinthiërs 9:14; 1Timotheüs 5:17-18
Ouders moeten hun kinderen aanvaarden als een taak die God hun heeft toevertrouwd. Ze moeten hen onderhouden, regeren en onderwijzen. Ze mogen hen niet verbitteren en van zich vervreemden door te streng tegen hen te zijn. Ze moeten hen met gepaste toegeeflijkheid en verdraagzaamheid koesteren en omhelzen. Efeziërs 6:4; Kolossenzen 3:21 Ik heb eerder al gezegd dat kinderen verplicht zijn hen ook te gehoorzamen.
Jongeren moeten eerbied bewijzen aan mensen op hoge leeftijd. Want de Heer heeft gewild dat ouderdom eerbiedwaardig is. Ouderen hebben meer inzicht en ervaring dan de jeugd. Daarom moeten zij de jeugd leiden in hun zwakheid. Ze moeten hen niet met harde en felle kritiek op de huid zitten, maar ze moeten hun strengheid binnen de perken houden door vriendelijk en behulpzaam te zijn.
Knechten moeten laten zien dat ze hun heren ijverig en graag gehoorzamen. En dat niet voor het oog, maar vanuit het hart, alsof ze God zelf dienen. Meesters mogen zich tegenover hun knechten ook niet gedragen als iemand die snel boos en moeilijk tevreden te stellen is. Ze moeten hun knechten juist erkennen als hun broeders en collega-knechten in dienst van de Heer van de hemel. Ze moeten elkaar wederzijds liefhebben en vriendelijk behandelen. Efeziërs 6:5-9; Kolossenzen 3:22-25; 4:1; Filemon1:16
Zo, zeg ik, moet ieder nagaan wat hij in zijn positie zijn naasten verschuldigd is. En hij moet zijn schuld betalen. Bovendien moeten we altijd onze aandacht richten op de wetgever. Dan weten we dat deze regel zowel voor de ziel als voor onze handen geldt. Zowel onze ziel als onze handen moeten we gebruiken om het belang van anderen te beschermen en te bevorderen.
Het negende gebod
Je mag niet vals getuigen, tegen je naaste.
De bedoeling van dit gebod is dat God liegen heel erg vindt. Exodus 20:16 Hij is de waarheid en daarom moeten wij zonder bedrog onder elkaar de waarheid in praktijk brengen. De kern is dus dat we niet door laster van valse beschuldigingen iemands goede naam mogen aantasten of hem door leugens schade mogen toebrengen in zijn bezit, kortom, dat we niemand mogen kwetsen doordat we graag kwaadspreken of de spot met iemand drijven. Aan dit verbod is het bevel gekoppeld dat we iedereen zoveel mogelijk trouw moeten helpen om de waarheid te bevestigen en om zijn naam en bezit ongeschonden te bewaren.
Het lijkt erop dat de Heer de betekenis van dit gebod heeft willen uitleggen met deze woorden: ‘Je mag geen vals gerucht verspreiden en een goddeloze niet de hand reiken om voor hem vals te getuigen.’ Exodus 23:1 En: ‘Vlucht weg van de leugen.’ Exodus 23:7 En als Hij ons ergens anders afhoudt van de leugen, wil Hij niet alleen dat we onder het volk niet lasteren en roddelen, maar ook dat niemand zijn broeder bedriegt. Leviticus 19:11-16 Door aparte geboden verbiedt Hij allebei.
Er is absoluut geen twijfel aan dat God hier onze leugenachtigheid in toom houdt, zoals Hij in de voorgaande geboden paal en perk gesteld heeft aan onze wreedheid, onkuisheid en hebzucht. En zoals ik net heb uitgelegd, bestaat die leugenachtigheid uit twee onderdelen. Want we vergrijpen ons aan de goede naam van onze naaste, opzettelijk of door te roddelen. Of we schaden zijn belangen door te liegen en soms ook door kwaad van hem te spreken.
Nu maakt het niets uit of je van mening bent dat het hier gaat over een officieel getuigenis voor de rechtbank, of dat je vindt dat het hier gaat om een gewoon getuigenis dat je in privé-gesprekken uitspreekt. Want ook nu weer: van elke categorie zonden wordt één specifieke zonde als voorbeeld genomen voor de rest. En dan het liefst de zonde waaruit het duidelijkst blijkt hoe erg die zonde is. Het is trouwens ook beter om dit gebod meer in het algemeen te laten slaan op laster en stiekem geroddel, waardoor je het je naaste ten onrechte moeilijk maakt. Want vals getuigen voor de rechtbank gaat nooit zonder meineed. En over meineed heb ik bij de bespreking van het derde gebod al genoeg gezegd, omdat daarbij Gods naam ontheiligd en geschonden wordt.
Om dit gebod goed op te volgen moet je dus zowel de goede naam als de belangen van je naaste dienen door met je mond de waarheid te spreken. Hoe redelijk dat is, is overduidelijk. Want een goede naam is kostbaarder dan welke schat ook. Daarom brengt het aantasten van zijn naam een mens meer schade toe dan het aantasten van zijn bezit. En als je iemands bezit rooft, is een vals getuigenis vaak effectiever dan losse handen.
De reputatie van onze naaste
En toch verbaas je je erover hoe zorgeloos en luchthartig we hierin steeds weer zondigen! Je vindt maar zelden iemand die niet merkbaar aan deze ziekte lijdt. Zo lekker vinden we het zoete vergif van het uitpluizen en onthullen van andermans gebreken. En we moeten niet denken dat het een goed excuus is dat we vaak niet eens liegen. God verbiedt niet alleen dat we de naam van onze broeder te schande maken door leugens. Hij wil ook dat die naam onaangetast blijft zolang dat kan zonder te liegen. Want ook al beschermt God die naam alleen tegen leugens, Hij geeft daarmee toch maar aan dat die naam onder zijn bescherming staat. En het feit dat God voor de goede naam van onze naaste wil zorgen, hoort voor ons reden genoeg te zijn om die naam onaangetast te laten. Ongetwijfeld wordt daarmee dus kwaadspreken in het algemeen veroordeeld.
Vervolgens beschouw ik kritiek om iemand tot de orde te roepen niet als kwaadspreken. Ook een beschuldiging of juridische aanklacht om kwaad te verhelpen, beschouw ik niet als kwaadspreken. Evenmin een openbare bestraffing om andere zondaren af te schrikken. Of een openlijke waarschuwing aan hen die daar voor hun welzijn belang bij hebben, om te voorkomen dat ze door onwetendheid risico lopen. Als kwaadspreken beschouw ik een hatelijke beschuldiging die voortkomt uit een boosaardig verlangen om te roddelen.
Ook gaat dit gebod zover dat we geen platte lol moeten willen vol bittere spot, waarbij onder het mom van een grap de fouten van een ander scherp bekritiseerd worden. Sommigen doen dat vaak. Zelf willen ze geprezen worden om hun grappen, terwijl ze een ander schaamte en verdriet bezorgen. Soms kwetsen ze hun broeders enorm met zulke lichtzinnigheid.
En als we onze ogen richten op de wetgever, zullen we vast en zeker inzien dat het graag naar roddel luisteren en de onaangename neiging om iemand negatief te beoordelen ook verboden worden. Want de wetgever heeft evengoed het recht om te regeren over onze oren als over ons hart. Het zou dus belachelijk zijn om te denken dat God de ziekte van het kwaadspreken met je tong wel zou haten, maar de ziekte van de kwaadaardigheid in je hart niet zou afkeuren. Als we God echt vrezen en liefhebben, moeten we dus ons best doen om onze tong of oren niet te lenen voor kwaadspreken of bittere grappen en niet zomaar slechte vermoedens in ons hart toe te laten, voor zover dat mogelijk, verstandig en liefdevol is. We moeten ieders woorden en daden rechtvaardig beoordelen. Zowel met ons oordeel als met onze oren en onze tong moeten we eerlijk zijn en zijn reputatie intact laten.
Het tiende gebod
Je mag niet begeren het huis van je naaste …
De bedoeling van dit gebod is dat God wil dat onze ziel volledig beheerst wordt door liefde. Exodus 20:17 Daarom moet elke begeerte die in strijd is met liefde uit ons hart gebannen worden. De kern is dus dat er bij ons geen gedachte naar binnen mag sluipen die ons hart zou kunnen verstoren door een schadelijke begeerte die geneigd is een ander te benadelen. En daarmee correspondeert het tegendeel van dit gebod: wat we ook verzinnen, overwegen, willen of overdenken, het moet in het belang van onze naaste zijn.
Maar het lijkt erop dat we hier op een groot en ingewikkeld probleem stuiten. Want hiervóór heb ik gezegd dat met de woorden ‘ontucht’ en ‘diefstal’ ook het verlangen naar ontucht en het plan om een ander te benadelen en te bedriegen worden verboden. En dat klopt ook. Maar dan lijkt het misschien overbodig dat ons nu apart nog eens verboden wordt om het bezit van een ander te begeren.
Dit probleem is echter gemakkelijk op te lossen als we onderscheid maken tussen opzettelijke begeerte en onopzettelijke begeerte. Een opzettelijke begeerte is een weloverwogen toestemming van de wil. De begeerte heeft dan het hart overwonnen. Zo heb ik daar bij de voorgaande geboden over gesproken. Maar een onopzettelijke begeerte kan bestaan zonder dat je daar goed over nadenkt en in toestemt. Je hart wordt dan alleen door loze en verkeerde prikkels geprikkeld en gekieteld.
Eerst heeft de Heer dus tot nu toe geboden dat onze wil, onze inspanningen en onze daden beheerst moeten worden door de norm van de liefde. En nu beveelt Hij dat we onze diepste gedachten ook naar die norm moeten richten. Anders zijn we slecht en verkeerd en kunnen ze ons hart in de verkeerde richting sturen. Eerst heeft God ons verboden om ons hart te buigen en te sturen in de richting van woede, haat, ontucht, diefstal en leugen. En nu verbiedt Hij ons om ons hart daartoe te prikkelen.
Niets mag onze liefde in de weg zitten
Een dergelijke oprechtheid eist God niet voor niets. Want wie kan ontkennen dat alle vermogens van de ziel door liefde beheerst horen te worden? En als één vermogen van de ziel afdwaalt van de liefde, wie kan dan ontkennen dat de ziel ziek is? Bovendien, hoe komt het dat er in je hart begeerten opkomen die nadelig zijn voor je broeder? Hoe komt dat anders dan doordat je hem negeert en alleen aan jezelf denkt? Want als heel je hart doortrokken was van liefde, zou geen enkel stukje van je hart openstaan voor zulke gedachten. Voor zover je hart dit soort begeerten toelaat, moet het dus wel zonder liefde zijn.
Misschien werpt iemand tegen dat het ongepast is om ideeën die je zomaar in gedachten komen en vanzelf weer verdwijnen, te veroordelen als begeerten. Want begeerte huist in het hart. Mijn antwoord is dat het hier gaat over ideeën die tijdens hun verblijf in je gedachten tegelijk het hart bijten en slaan met begeerte. Want er komt nooit een verlangen op in onze gedachten of het hart springt enthousiast op.
God gebiedt ons dus een ontzagwekkend vuur van liefde. Hij wil dat zelfs niet gehinderd zien door de kleinste vonkjes van begeerte. Hij eist een wonderbaarlijk hart. Hij accepteert zelfs niet dat de lichtste prikkels het aanzetten tot iets dat in strijd is met de wet van liefde. Augustinus was de eerste die mij tot dit inzicht gebracht heeft. Denk dus niet dat dit inzicht geen solide basis heeft.
Maar omdat de Heer elke slechte begeerte wilde verbieden, heeft Hij als voorbeeld de dingen genomen die ons meestal verleiden door hun valse schijn van aantrekkelijkheid. De Heer laat voor begeerte helemaal niets over, want Hij ontneemt de begeerte juist die dingen waar de begeerte het meest gek op is en het hoogst van oplaait.
Tot zover de tweede tafel van de wet. We zijn nu voldoende gewaarschuwd wat we verplicht zijn aan de mensen, omwille van God. Rekening houden met God is een voorwaarde voor heel het wezen van de liefde. Daarom prent je je alle plichten die in deze tafel geleerd worden tevergeefs in, als je die leer niet laat rusten op het fundament van je vrees en eerbied voor God.
Er zijn mensen die in het verbod over het begeren twee geboden zien. Onterecht snijden ze in tweeën wat één geheel vormt. Maar een verstandige lezer ziet dat ook wel in zonder dat ik het zeg. Het maakt niets uit dat de woorden: ‘Je mag niet begeren,’ nog een keer herhaald worden. Want nadat God het huis genoemd heeft, somt Hij vervolgens de onderdelen van dat huis op, te beginnen met de vrouw. Daaruit blijkt duidelijk dat je in één zin moet doorlezen, zoals de Joden terecht doen. De kern van wat God beveelt, is dat ieders bezit onaangetast en ongedeerd moet blijven. Niet alleen onrecht of verlangen naar bedrog moeten eraf blijven. Ook de kleinste begeerte die ons hart verstoort, mag er niet aankomen.
Het doel van de wet als geheel is liefde voor God en de naaste
Nu is het niet moeilijk meer om in te zien wat het doel is van de wet als geheel: het vervullen van rechtvaardigheid om zo het leven van de mens te vormen naar het voorbeeld van Gods reinheid. Want God heeft in de wet zijn eigen aard getekend. Als iemand alles wat in de wet bevolen wordt in zijn daden in praktijk brengt, komt in zijn leven in zekere zin Gods beeld tot uiting.
Toen Mozes de Israëlieten de kern van de wet in herinnering wilde brengen, zei hij daarom: ‘Nu dan, Israël, wat vraagt de HEER, jullie God, van jullie anders dan dat jullie de HEER, jullie God, vrezen en zijn wegen volgen en dat jullie Hem liefhebben en dienen met heel jullie hart en heel jullie ziel en dat jullie je aan zijn geboden houden?’ Deuteronomium 10:12 En Mozes hield niet op dit telkens weer te herhalen als hij het volk erop moest wijzen wat het doel van de wet was. Het doel van de wet is dus dat de wet de mens door een heilig leven verenigt met zijn God en ervoor zorgt dat hij zich aan God vastklampt, zoals Mozes ergens anders zegt. Deuteronomium 11:22; 30:20
De volmaaktheid van deze heiligheid bestaat uit de twee onderdelen die ik al genoemd heb: we moeten de Heer, onze
God, liefhebben met heel ons hart, heel onze ziel en al onze vermogens. En we moeten onze naaste liefhebben als onszelf. Mattheüs 22:37; Lucas 10:27 Het begint ermee dat onze ziel compleet vervuld wordt met liefde voor God. En daarvan is liefde voor onze naaste dan meteen het gevolg. De apostel Paulus laat dit zien als hij schrijft dat het einddoel van het gebod een liefde is die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een oprecht geloof. 1 Timotheüs 1:5 Je ziet dat het geweten en een oprecht geloof – in één woord: echte vroomheid – als het ware voorop gezet worden. Liefde vloeit daaruit voort.
Je vergist je dus als je denkt dat in de wet alleen de eerste beginselen en het begin van rechtvaardigheid geleerd worden. Alsof de wet de mensen alleen basisonderwijs geeft en hen niet brengt tot de juiste eindstreep van de goede daden. Want om de hoogste volmaaktheid te bereiken, blijft er niets meer te wensen over dat uitgaat boven wat Mozes en Paulus gezegd hebben. Want waar zou je heen willen gaan, vraag ik je, als je niet tevreden bent met dit onderwijs? Het leert je God te vrezen, Hem geestelijk te dienen, de geboden te gehoorzamen, de rechte weg van de Heer te volgen, kortom, het onderwijst je in een zuiver geweten, oprecht geloof en oprechte liefde.
Dit bevestigt dat je bij het uitleggen van de wet in de geboden alle plichten van vroomheid en van liefde moet zoeken en vinden. Want als je alleen maar een dor en kaal abc zoekt, alsof de wet Gods wil maar voor een deel onderwijst, weet je niet wat het einddoel van de wet is, zo getuigt de apostel.
Liefde voor God en de naaste blijkt het duidelijkst uit de tweede tafel
Als Christus en de apostelen vertellen wat de kern is van de wet, noemen ze soms de eerste tafel van de wet niet. Sommigen vergissen zich enorm doordat ze hun woorden op beide tafels willen laten slaan. Bij Mattheüs noemt Christus barmhartigheid, een zuiver oordeel en geloof of trouw. Mattheüs 23:23 Volgens mij is er geen twijfel aan dat Christus met het woord ‘geloof’ of ‘trouw’ – in het Grieks en het Latijn is dat hetzelfde woord – betrouwbaarheid bedoelt tegenover de mensen. Maar sommigen willen deze uitspraak oprekken tot de hele wet en daarom vatten ze het op als eerbied voor God. Maar dat is vast en zeker niet terecht. Want Christus heeft het over de daden waarmee de mens moet bewijzen dat hij rechtvaardig is.
Als we daar oog voor hebben, vinden we het ook niet meer zo vreemd dat Christus ergens anders aan de jongeman die Hem vraagt aan welke geboden hij zich moet houden om eeuwig leven te krijgen, alleen maar antwoordt: ‘Je mag niet doden, je mag geen overspel plegen, je mag niet stelen, je mag niet vals getuigen, eer je vader en je moeder, heb je naaste lief als jezelf.’ Mattheüs 19:16-19 Want de gehoorzaamheid aan de eerste tafel bestond bijna altijd uit genegenheid van het hart of uit de rituelen. De genegenheid van het hart was niet zichtbaar. De rituelen werden ijverig uitgevoerd door huichelaars. Maar door daden van liefde kunnen we wel bewijzen of we echt rechtvaardig zijn.
In de profeten kom je dat steeds zo tegen. Een lezer die maar een beetje ervaring heeft, moet daarmee vertrouwd zijn. Want als ze oproepen tot berouw, laten ze bijna altijd de eerste tafel weg en dringen ze aan op trouw, een zuiver oordeel, barmhartigheid en rechtvaardigheid. Daarmee negeren ze het vrezen van God niet, maar ze eisen tekenen die bewijzen dat ze God serieus vrezen. Dit is inderdaad algemeen bekend: als de profeten het erover hebben dat het volk zich aan de wet moet houden, leggen ze meestal de nadruk op de tweede tafel. Want daar zie je het duidelijkst of iemand zijn best doet om rechtvaardig en oprecht te zijn. Het is niet nodig om die passages op te sommen, want wat ik zeg, kan iedereen gemakkelijk zelf opmerken.
Je naaste liefhebben kun je alleen als je God vreest
Nu zul je zeggen: ligt de kern van rechtvaardigheid dan vooral in een onberispelijke omgang met mensen en niet in het vroom eren van God? Absoluut niet! Maar je leeft niet zomaar in alles uit liefde. Dat doe je alleen als je serieus God vreest. En dus bewijst je omgang met mensen ook of je vroom bent.
Bovendien, de Heer weet heel goed dat van het goede dat wij doen, niets tot Hemzelf kan doordringen. Dat verklaart Hij ook via een profeet. Psalm 16:2 Daarom eist Hij niet dat we onze plichten vervullen voor Hem, maar traint Hij ons om goede daden te verrichten voor onze naaste. En dus bestaat volgens de apostel Paulus de volmaaktheid van de heiligen niet voor niets volledig uit liefde. Efeziërs 3:19 En terecht noemt hij liefde ergens anders de vervulling van de wet. Hij voegt daar dan aan toe dat wie zijn naaste liefheeft, de wet vervuld heeft. Romeinen 13:8 Ook zegt hij dat de hele wet samengevat wordt in één woord: heb je naaste lief als jezelf. Galaten 5:14
Paulus leert dan niets anders dan Christus zelf. Want Christus zegt: ‘Alle dingen waarvan je wilt dat de mensen die voor jou doen, doe die ook voor hen. Want dat is de wet en de profeten.’ Mattheüs 7:12 Natuurlijk staan in de wet en de profeten geloof en alles wat valt onder de wettige dienst van God op de eerste plaats en staat liefde op een plaats daaronder. Maar de
Heer wil zeggen dat het in praktijk brengen van recht en rechtvaardigheid ons in de wet alleen maar voorgeschreven wordt om ons daardoor te trainen in het getuigen van een vrome vrees voor God, als we die vrees in ons hebben.
Liefde voor jezelf en liefde voor je naaste
Laten we het dus hierop houden: ons leven is het best volgens Gods wil en de voorschriften van de wet ingericht als ons leven onze broeders in alle opzichten het meeste voordeel oplevert. Maar er staat in de hele wet geen woord te lezen om de mens een regel op te leggen voor wat hij voor zijn eigen voordeel moet doen of laten. Immers, het is heel normaal dat mensen een sterke aangeboren neiging hebben om van zichzelf te houden. Hoever ze ook afdwalen van de waarheid, die liefde voor zichzelf raken ze nooit kwijt. Daarom was er ook geen wet nodig om deze liefde nog meer aan te wakkeren. Die liefde is van zichzelf al veel te sterk.
En daaruit blijkt duidelijk dat we ons niet aan de geboden houden als we onszelf liefhebben, maar als we God en onze naaste liefhebben. Je leeft het best en het heiligst als je zomin mogelijk leeft of je best doet voor jezelf. En je kunt niet slechter en verkeerder leven dan wanneer je alleen leeft en je best doet voor jezelf en alleen oog hebt voor je eigen belangen. Sterker nog, om extra duidelijk aan te geven hoe groot onze neiging moet zijn om onze naasten lief te hebben, heeft de Heer voor die liefde onze liefde voor onszelf als maatstaf genomen. Hij kon geen intensere en sterkere neiging noemen om de liefde voor onze naaste aan af te meten.
We moeten nauwkeurig overdenken wat deze uitspraak te betekenen heeft. Sommige sofisten zijn zo dom dat ze denken dat onze liefde voor onszelf voorop staat en dat de liefde voor onze naaste pas daarna komt. Maar dat bedoelt de Heer niet. Hij richt de liefde die we van nature op onszelf richten, op anderen. Daarom zegt de apostel Paulus dat liefde niet zichzelf zoekt. 1
Korinthiërs 13:5 Ook is het van hen maar een waardeloos argument dat wat aan de maatstaf wordt afgemeten altijd minder is dan de maatstaf zelf. Want de Heer maakt van de liefde voor onszelf geen maatstaf waar de liefde voor anderen aan ondergeschikt zou zijn. Hij laat alleen zien dat we door ons natuurlijk bederf steeds geneigd zijn om onze liefde te beperken tot onszelf, maar dat we die liefde nu moeten uitbreiden tot anderen. We moeten bereid zijn net zo enthousiast en ijverig voor onze naaste te zorgen als voor onszelf.
Alle mensen zijn onze naasten
Verder heeft Christus in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan duidelijk gemaakt dat het woord ‘naaste’ iedereen omvat, ook mensen die we helemaal niet kennen. Lucas 10:27-37 Daarom is er geen reden om het gebod van liefde te beperken tot mensen met wie we een relatie hebben. Ik ontken niet dat we iemand meer hulp moeten bieden naarmate we met zo iemand een meer intieme relatie hebben. Want in de relaties tussen mensen is het nu eenmaal zo dat we meer voor elkaar kunnen doen als we als familie, vrienden of buren nauwer aan elkaar verbonden zijn. En God vindt dat niet erg. Eigenlijk brengt zijn voorzienigheid ons daartoe.
Maar ik zeg dat we heel het menselijk geslacht met dezelfde liefdevolle genegenheid moeten omhelzen. We mogen geen onderscheid maken tussen barbaar en Griek, iemand die het waard is en iemand die het niet waard is, vriend en vijand. Want we moeten hen zien in God en niet op zichzelf. Wanneer we deze manier van kijken loslaten, is het geen wonder dat we in allerlei dwalingen verstrikt raken. Als we de juiste lijn van de liefde willen vasthouden, moeten we onze ogen dus niet in de eerste plaats op de mens richten. Want als we naar de mens kijken, zal dat bij ons eerder haat dan liefde opwekken. Maar we moeten onze ogen op God richten. Hij beveelt ons dat we onze liefde voor Hem uitbreiden tot alle mensen. Daarom is dit het blijvend fundament: om wat voor mens het ook gaat, we moeten hem toch liefhebben omdat we God liefhebben.
Dat je je vijand moet liefhebben, is niet alleen maar een advies
Wat een levensgevaarlijke onwetendheid of boosaardigheid dus dat de scholastici van de geboden dat je jezelf niet moet wreken, maar dat je je vijanden lief moet hebben, Mattheüs 5:44; Lucas 6:27-35 adviezen gemaakt hebben! Vroeger zijn die geboden aan alle Joden gegeven en daarna aan alle christenen samen. Maar zij doen net alsof we vrij zijn om die geboden wel of niet te gehoorzamen. De noodzaak om die geboden te gehoorzamen hebben ze afgeschoven op de monniken. Die zouden rechtvaardiger zijn dan gewone christenen, alleen al omdat ze zich uit eigen beweging deze adviezen opleggen als verplichtingen.
Ze geven ook een reden op waarom ze deze geboden niet als wet accepteren. Ze vinden die te moeilijk en een te zware last voor christenen die onder de wet van de genade leven. Hoe durven ze zo de eeuwige wet van God over het liefhebben van je naaste afschaffen! Is er in de wet ergens een bladzijde waarop zo’n onderscheid voorkomt? Komen we daar niet juist overal geboden tegen die heel streng van ons eisen dat we onze vijanden liefhebben?
We krijgen het bevel een vijand die honger heeft eten te geven. Spreuken 25:21 Als zijn runderen en ezels verdwaald zijn, moeten we die terugbrengen op het juiste pad. En als ze bezwijken onder hun last, moeten we ze weer overeind helpen. Exodus 23:4-5 Wat is dat anders dan een bevel om onze vijand lief te hebben? Want hoe kunnen we zijn beesten omwille van hem goeddoen, zonder welwillend te staan tegenover hemzelf?
Bovendien zegt de Heer: ‘Mij komt de wraak toe en ik zal het vergelden.’ Hebreeën 10:30; Deuteronomium 32:35 Is dat woord van Hem niet eeuwig? En ergens anders wordt het nog duidelijker gezegd: ‘Je mag geen wraak nemen en niet blijven denken aan het onrecht dat je medeburgers je aangedaan hebben.’ Leviticus 19:18
Óf de scholastici moeten dit uit de wet schrappen, óf ze moeten erkennen dat de Heer een wet gegeven heeft en Hem niet vermommen als iemand die alleen maar advies geeft.
Als je je naaste moet liefhebben, gaat het juist ook over je vijanden
En dan deze woorden: ‘Heb je vijanden lief. Behandel degenen die jullie haten goed. Bidt voor degenen die jullie vervolgen. Zegen degenen die jullie vervloeken. Dan zullen jullie kinderen van jullie Vader zijn die in de hemel is.’ Mattheüs 5:44; Lucas 6:27-35 De scholastici hebben het gewaagd deze woorden met hun flauwe praatjes te bespotten, maar wat betekenen ze?
Wie zou hier niet net als Chrysostomos concluderen dat uit het dwingende karakter duidelijk blijkt dat dit geen aansporingen zijn, maar geboden? Wat blijft er van ons over als we geschrapt worden uit het de lijst van Gods kinderen? Maar volgens de scholastici zijn alleen de monniken kinderen van de hemelse
Vader en durven alleen de monniken God als hun Vader aanroepen. En de kerk dan? Die moet dan dus verbannen worden naar de heidenen en de tollenaars. Want Christus zegt: ‘Als jullie alleen vriendelijk zijn voor jullie vrienden, hoe denk je daarmee in de gunst te komen? Doen de heidenen en de tollenaars niet hetzelfde?’ Mattheüs 5:46-47; Lucas 6:32-34 Het zal vast goed met ons aflopen als we ons nog wel christenen mogen noemen, maar als de erfenis van het koninkrijk van de hemel ons wordt afgepakt!
Minstens zo overtuigend is het argument van Augustinus. Hij zegt: als de Heer ontucht verbiedt, dan verbiedt Hij je evengoed om de vrouw van je vijand aan te raken als de vrouw van je vriend. Als Hij diefstal verbiedt, staat Hij stelen helemaal niet toe, niet van een vriend en niet van een vijand. Maar Paulus rekent deze twee, niet stelen en geen ontucht plegen, allebei onder de norm van de liefde. Sterker nog, hij leert zelfs dat ze vallen onder het gebod: je moet je naaste liefhebben als jezelf. Romeinen 13:9 Dus óf Paulus heeft de wet verkeerd uitgelegd, óf we moeten hieruit wel concluderen dat we ook volgens dit gebod zowel onze vijanden moeten liefhebben als onze vrienden. Dan is dat een gemeenschappelijk juk voor al Gods kinderen. En dan laten zij die dit juk zo brutaal van zich afwerpen, zich dus daadwerkelijk kennen als kinderen van Satan.
Nu kun je erover dubben of ze deze leer nu vooral uit domheid of uit onbeschaamdheid verbreid hebben. Want onder de kerkvaders is er niemand die niet als een vaststaand feit vermeldt dat dit echte geboden zijn. Zelfs in de tijd van Gregorius de Grote werd daar niet aan getwijfeld. Dat blijkt uit het feit dat hij er zonder meer van uitgaat dat het geboden zijn. Dat staat voor hem buiten kijf.
En hoe dwaas argumenteren ze! Het zou, zeggen ze, voor de christenen een te zware last zijn. Alsof er iets te bedenken valt dat nog moeilijker is dan God liefhebben met heel je hart, met heel je ziel en met al je vermogens! Als je het vergelijkt met dat gebod, zouden we verder alle geboden van de wet maar gemakkelijk moeten vinden, zowel het liefhebben van je vijand als het uit je geest bannen van elk verlangen naar wraak. Omdat we zwak zijn, is natuurlijk alles lastig en moeilijk voor ons, tot de kleinste punt of komma van de wet toe. Goede daden doen we in de Heer. Laat Hij geven wat Hij beveelt en bevelen wat Hij maar wil. Als je christen bent onder de wet van de genade, betekent dat niet dat je teugelloos ronddwaalt zonder wet. Het betekent dat je in Christus bent ingelijfd. Door zijn genade ben je vrij van de vloek van de wet en door zijn Geest staat de wet in je hart geschreven. Jeremia 31:33 Deze genade heeft Paulus op een oneigenlijke manier ‘wet’ genoemd. Want hij zinspeelde op de wet van God, omdat hij een tegenstelling tussen die twee maakte. Romeinen 8:2 Maar de scholastici gebruiken de term ‘wet’ om te filosoferen over niets.
Er bestaat geen onderscheid tussen vergeeflijke en dodelijke zonden
En dit is net zoiets: de scholastici noemen een verborgen goddeloosheid die in strijd is met de eerste tafel of een regelrechte overtreding van het laatste gebod een vergeeflijke zonde. Want een vergeeflijke zonde definiëren ze zo: het is een begeerte zonder weloverwogen toestemming, die maar kort in het hart verblijft. Maar volgens mij kan zo’n begeerte het hart alleen binnenkomen als daar ontbreekt wat de wet eist.
Het is ons verboden om andere goden te hebben. Maar soms wordt onze geest geschokt door de listen van ons wantrouwen. Dan kijken we ergens anders heen en worden onze gedachten plotseling bevangen door een begeerte om ons geluk elders te zoeken. Hoe ontstaan die, weliswaar vluchtige, gemoedsbewegingen anders dan doordat er in onze ziel een lege plek is die ontvankelijk is voor zulke verleidingen? En om mijn argumentatie niet langer te rekken, het gebod zegt dat we God moeten liefhebben met heel ons hart, heel ons verstand en heel onze ziel. Als we dus niet alle vermogens van onze ziel inzetten om God lief te hebben, dan zijn we al niet meer gehoorzaam aan de wet. Want dan staat de troon van God niet stevig genoeg in ons geweten. Dat blijkt wel omdat er in onze ziel vijanden opstaan tegen zijn koninkrijk, die zich tegen zijn bevelen verzetten.
Ik heb laten zien dat het laatste gebod juist hierover gaat. Wordt ons hart geprikkeld door een of ander verlangen? Dan maken we ons al schuldig aan begeerte en daarmee hebben we meteen de wet overtreden. Want de Heer verbiedt ons niet alleen om plannen te beramen waarmee je een ander benadeelt. Hij verbiedt ook dat we door begeerte geprikkeld worden of dat we van begeerte branden. En als we de wet overtreden, rust altijd Gods vloek op ons. Er is dus geen enkele reden om voor ook maar de kleinste begeerte een uitzondering te maken op het doodvonnis.
Augustinus zegt: ‘Als we de zonden afwegen, moeten we geen valse weegschaal meebrengen om daarop af te wegen wat wij willen en wat ons goed lijkt en dan zeggen: dit is zwaar, dat is licht. We moeten Gods weegschaal meebrengen uit de Heilige Schrift, als uit het magazijn van de Heer. Met die weegschaal moeten we afwegen wat het zwaarst is. Of beter: we moeten zelf niets afwegen, maar alleen aflezen wat de Heer heeft afgewogen.’
En wat zegt de Schrift dan? Paulus noemt de dood het loon voor de zonde. Romeinen 6:23 Daaruit blijkt dat hij dit walgelijke onderscheid echt niet kende. En we zijn allemaal geneigd tot huichelen. Daarom hadden de scholastici dit bedwelmende middel zeker niet moeten gebruiken om mensen met een laks geweten te sussen.
Alle zonden zijn dodelijk, maar kunnen toch vergeven worden
Ach, dachten de scholastici er maar eens over na wat deze uitspraak van Christus betekent: ‘Wie dan een van deze kleinste geboden overtreedt en de mensen zo onderwijst, zal in het koninkrijk van de hemel als niets beschouwd worden.’ Mattheüs 5:19 Of horen zij niet bij de mensen die dit doen? Ze bagatelliseren het overtreden van de wet, alsof je daarmee niet de doodstraf verdient. En ze hadden niet alleen moeten bedenken wat er precies geboden wordt, maar ook wie er eigenlijk gebiedt. Want elke keer dat je de wet die Hij gegeven heeft overtreedt – hoe klein je overtreding ook is – doe je afbreuk aan zijn gezag. Stelt het voor hen soms maar weinig voor dat Gods majesteit geschonden wordt?
Bovendien, als God in de wet heeft uitgelegd wat Hij wil, vindt Hij dus alles wat tegen de wet ingaat erg. Of durven ze soms beweren dat Gods woede ongevaarlijk is en dat de doodstraf niet onmiddellijk volgt? Hijzelf heeft zich niet onduidelijk uitgelaten. Als ze maar eens besloten om te luisteren naar zijn stem, in plaats van de duidelijke waarheid te verduisteren met hun dwaze spitsvondigheden. ‘Wie zondigt,’ zegt God, ‘zal sterven.’ Ezechiël 18:20 En wat ik zojuist aanhaalde: ‘Het loon voor de zonde is de dood.’ Romeinen 6:23 Maar zij beweren dat je niet de doodstraf verdient als je dingen doet waarvan ze toegeven dat het zonde is. Want dat het zonde is, kunnen ze niet ontkennen.
Echter, ze hebben tot nu toe lang genoeg toegegeven aan hun dwaasheid. Het wordt tijd dat ze eindelijk eens leren om wijs te worden. Maar als ze in hun waanzin volharden, moeten we hen maar hun gang laten gaan. Gods kinderen moeten eraan vasthouden dat op elke zonde de doodstraf staat. Want elke zonde is opstand tegen Gods wil en maakt Hem dus onvermijdelijk boos. Want elke zonde is een overtreding van de wet en dat heeft God zonder uitzondering veroordeeld.
Maar Gods kinderen moeten er ook aan vasthouden dat de zonden van de heiligen vergeeflijk zijn. Niet vanwege de aard van die zonden, maar omdat ze door Gods barmhartigheid vergeven worden.
Voetnoten
- 268
Augustinus, De civitate Dei XIV, 12.
- 269
Origenes van Alexandrië,Sermones in Exodus, 8,3.
- 270
Pseudo-Augustinus, Quaestiones in Veteris et Novi TestamentiII, 7; Augustinus, Quaestiones in heptateuchum II, 71.
- 271
Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeIX, 38.
- 272
Ambrosius van Milaan geciteerd in Augustinus, Contra Iulianum II, 7,20.
- 273
Augustinus, De doctrina christiana I, 23-26.
- 274
Chrysostomos, De compunctione cordis I, 4.
- 275
Augustinus, De doctrina christiana I, 30,32.
- 276
Augustinus, De baptismo contra Donatistas II, 6,9.
Voetnoot 268
Augustinus, De civitate Dei XIV, 12.
Voetnoot 269
Origenes van Alexandrië,Sermones in Exodus, 8,3.
Voetnoot 270
Pseudo-Augustinus, Quaestiones in Veteris et Novi TestamentiII, 7; Augustinus, Quaestiones in heptateuchum II, 71.
Voetnoot 271
Historiae ecclesiasticae tripartitae epitomeIX, 38.
Voetnoot 272
Ambrosius van Milaan geciteerd in Augustinus, Contra Iulianum II, 7,20.
Voetnoot 273
Augustinus, De doctrina christiana I, 23-26.
Voetnoot 274
Chrysostomos, De compunctione cordis I, 4.
Voetnoot 275
Augustinus, De doctrina christiana I, 30,32.
Voetnoot 276
Augustinus, De baptismo contra Donatistas II, 6,9.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.