Boek II · Hoofdstuk 9
Christus in het evangelie
Inhoud van dit hoofdstuk · 5 secties
Wij zijn gelukkiger dan de Joden omdat wij het evangelie hebben
God wilde vroeger al door middel van reinigingen en offers getuigen dat Hij een Vader is. Toen al heeft Hij het uitverkoren volk voor zich geheiligd. Dat was niet voor niets. Ongetwijfeld was Hij toen al bekend onder dezelfde voorstelling waaronder Hij nu voor ons in al zijn schittering verschijnt.
Maleachi beval de Joden om hun aandacht te richten op de wet van Mozes. Ze moesten zich aan die wet blijven houden, omdat er na de dood van Maleachi een tijdelijke onderbreking zou zijn waarin er geen profeten dienst zouden doen. En meteen daarna kondigt Maleachi aan dat de zon van rechtvaardigheid zal opgaan. Maleachi 4:2 (3:20) Met die woorden geeft hij aan dat dat het doel van de wet was: de vromen moesten de komst van Christus blijven verwachten. En als Hij zou komen, zou er veel meer licht zijn. Daar mochten ze op hopen.
Daarom zegt Petrus ook dat de profeten gezocht en ijverig gespeurd hebben naar de redding die nu door het evangelie geopenbaard is. Ook zegt Petrus dat aan de profeten onthuld is dat ze niet zichzelf of hun eigen tijd dienden met de dingen die nu door het evangelie verkondigd worden, maar ons. 1 Petrus 1:10-12 Niet dat hun leer voor het oude volk nutteloos geweest is of dat ze er zelf niet ook iets aan gehad hebben. Maar zij hebben niet de schat gekregen die God via hun handen aan ons heeft overgeleverd. Want de genade waar zij van getuigd hebben, wordt ons nu op een intieme manier voor ogen gesteld. En zij hebben maar een klein beetje van die genade geproefd, maar wij krijgen het aanbod om veel meer van die genade te genieten.
Christus verzekert dat Mozes van Hem getuigd heeft. Johannes 5:46 Toch prijst Hij ons omdat wij qua hoeveelheid genade de Joden overtreffen. Want tegen zijn leerlingen zegt Hij: ‘Gelukkig zijn de ogen die zien wat jullie zien en gelukkig zijn de oren die horen wat jullie horen. Want vele koningen en profeten hebben hiernaar verlangd, maar het niet gekregen.’ Mattheüs 13:16-17; Lucas 10:23-24 Het is voor de openbaring van het evangelie geen geringe aanbeveling dat God ons stelt boven de heilige aartsvaders, die uitblonken door hun buitengewone vroomheid.
En deze uitspraak is absoluut niet in strijd met een andere passage, waar Christus zegt dat Abraham zijn dag gezien heeft en uitgelaten was van vreugde. Johannes 8:56 Want Abraham zag die dag van een grote afstand en daarom minder duidelijk. Maar toch miste hij niets om er zeker van te kunnen zijn dat zijn hoop terecht was. Vandaar dus die blijdschap die de heilige aartsvader tot zijn dood toe vergezelde.
Johannes heeft gezegd: ‘Niemand heeft ooit God gezien. De eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem aan ons bekendgemaakt.’ Johannes 1:18 Maar dat betekent niet dat de vromen die toen al gestorven waren, uitgesloten zijn van het delen in de kennis en het licht dat schittert in de persoon van Christus. Maar hij vergelijkt hun lot met dat van ons en leert dan dat zij van de mysteries slechts een donker silhouet gezien hebben, terwijl die mysteries voor ons helder zijn.
De schrijver van de brief aan de Hebreeën legt dat heel goed uit: vroeger heeft God vaak en op allerlei manieren gesproken via de profeten. Maar nu spreekt Hij via zijn geliefde Zoon. De eniggeboren Zoon is nu voor ons de glans van de glorie en een afdruk van de zelfstandigheid van God de Vader. Hebreeën 1:1-3 Toch is die Zoon in het verleden aan de Joden bekend geweest. Want ergens anders heb ik van Paulus geciteerd dat Christus lang geleden bij de verlossing al de gids geweest is. 1 Korinthiërs 10:4 Toch is ook waar wat dezelfde Paulus ergens anders leert: God heeft bevolen dat er uit de duisternis licht zou schijnen en nu schijnt Hij in ons hart om ons te verlichten, zodat we Gods glorie kennen in de gedaante van Jezus Christus. 2 Korinthiërs 4:6 Want toen God verscheen in dit beeld van Hem, heeft Hij in zekere zin zichzelf zichtbaar gemaakt, als je het vergelijkt met vroeger. Want toen was zijn beeld maar een donkere schaduw.
Daarom is het dus extra schandelijk en afschuwelijk ondankbaar en slecht als je zelfs midden op de dag nog blind bent. En daarom zegt Paulus dat dan Satan je verstand verblind heeft, om te voorkomen dat je Christus’ glorie zou zien. Want die glorie schittert in het evangelie zonder sluier die het zicht belemmert. 2 Korinthiërs 4:4; 3:14-16
In het evangelie worden de beloften uit de wet vervuld
Met het evangelie bedoel ik de duidelijke openbaring van het mysterie van Christus. Natuurlijk geef ik toe dat Paulus de geloofsleer het evangelie noemt. Dan vallen onder het evangelie ook de beloften die overal in de wet voorkomen over gratis vergeving van zonden, waardoor God de mensen met zich verzoent. Want Paulus stelt dan geloof tegenover de verschrikkingen die het geweten benauwen en kwellen als je gered zou moeten worden op basis van je eigen daden. Als je het woord ‘evangelie’ in de ruime betekenis gebruikt, omvat het evangelie dus ook de bewijzen die God vroeger aan de aartsvaders gegeven heeft van zijn barmhartigheid en vaderliefde.
Maar volgens mij slaat het woord ‘evangelie’ vooral op de verkondiging van de genade die volledig geopenbaard is in Christus. Dat is niet alleen een algemeen geaccepteerde gewoonte. Het steunt ook op het gezag van Christus en de apostelen. Daarom wordt als een speciaal kenmerk van Christus genoemd dat Hij het evangelie van het Koninkrijk gepredikt heeft. Mattheüs 4:17; 4:23; 9:35 Marcus begint zelfs met deze woorden: ‘Begin van het evangelie van Jezus Christus.’ Marcus 1:1 Maar het is niet nodig dat ik alle passages opsom om iets te bewijzen dat meer dan voldoende bekend is. Christus heeft door zijn komst het leven en de onvergankelijkheid aan het licht gebracht door het evangelie. 2 Timotheüs 1:10 Met die woorden geeft Paulus niet aan dat de aartsvaders diep in het donker van de dood verzonken zaten, totdat Gods Zoon het vlees aantrok. Nee, door voor het evangelie deze speciale eer op te eisen, leert hij dat het een nieuw en ongewoon soort boodschap was. 2 Korinthiërs 5:20 Door die boodschap heeft God zijn beloften vervuld. Want in de persoon van de Zoon werd de waarheid van de beloften werkelijkheid.
De gelovigen hebben altijd ervaren hoe waar deze woorden van Paulus waren: in Christus zijn alle beloften ja en amen. Want die beloften worden in hun hart bezegeld. 2 Korinthiërs 1:20-22 Toch is het terecht dat de levende vervulling van die beloften nieuwe en speciale lof krijgt, omdat Hij in zijn vlees alle onderdelen van onze redding vervuld heeft. Vandaar dat Christus zegt: ‘Van nu af zullen jullie zien dat de hemel open is en dat engelen neerdalen op de mensenzoon.’ Johannes 1:52 Het lijkt dan alsof
Hij zinspeelt op de ladder die de aartsvader Jacob te zien kreeg in een visioen. Genesis 28:12 Maar in elk geval geeft Hij door dit teken hoog op van zijn komst: Hij heeft voor ons de deur van de hemel geopend, zodat wij daar vrij toegang hebben.
Dat wij het evangelie hebben, wil niet zeggen dat voor ons de beloften al vervuld zijn
Toch moeten we oppassen voor het duivelse verzinsel van Servet. Hij wil Christus’ genade nog groter maken, of in elk geval doet hij alsof hij dat wil. Maar om dat te doen schuift hij de beloften volledig aan de kant, alsof ze samen met de wet voorbij zijn. Hij beweert dat we door het evangelie te geloven de vervulling van alle beloften al hebben gekregen. Alsof er geen onderscheid zou zijn tussen ons en Christus!
Weliswaar heb ik er zojuist op gewezen dat Christus van al het werk voor ons behoud niets ongedaan heeft gelaten. Maar het is verkeerd om daaruit te concluderen dat we de goede gaven die Hij voor ons verdiend heeft al in ons bezit hebben. Dan zou Paulus ongelijk hebben als hij zegt dat onze redding verborgen is in hoop. Kolossenzen 3:3; Romeinen 8:24 Wel geef ik toe dat we als we in Christus geloven, meteen van de dood overgaan in het leven. Maar ondertussen moeten we bedenken wat Johannes zegt: we weten dat we kinderen van God zijn, maar dat is nog niet zichtbaar. Dat wordt het pas als we aan Hem gelijk zullen zijn, als we Hem zien zoals Hij is. 1 Johannes 3:2 Christus biedt ons in het evangelie de geestelijke gaven dus wel direct aan. Maar het moment dat we daarvan kunnen genieten, blijft nog steeds veilig verborgen onder het zegel of waarmerk van de hoop, totdat we ons vergankelijk lichaam afgelegd hebben en veranderd worden in de glorie van Hem die ons voorgaat.
Ondertussen beveelt de Heilige Geest ons dat we moeten vertrouwen op de beloften. En zijn gezag hoort voor ons al het geblaf van die vuile hond tot zwijgen te brengen. Paulus verklaart dat vroomheid de belofte inhoudt zowel voor het toekomstige leven als voor het tegenwoordige leven. 1 Timotheüs 4:8 Daarom laat hij zich erop voorstaan dat hij een apostel van Christus is volgens de belofte van het leven dat in Hem is. 2 Timotheüs 1:1 En ergens anders leert hij dat wij dezelfde beloften hebben die de heiligen vroeger gekregen hebben. 2 Korinthiërs 6:16-7:1 Ten slotte beschouwt hij het als het toppunt van ons geluk dat we als zegel of waarmerk de Heilige Geest van de belofte gekregen hebben. Efeziërs 1:13
Ook genieten we alleen maar van Christus voor zover wij Hem omhelzen in het gewaad van zijn beloften. En zo komt het dat Hij wel in ons hart woont, Efeziërs 3:17 maar dat we toch nog ver bij Hem vandaan zijn. Want wij leven door in Hem te geloven en niet door Hem te zien. 2 Korinthiërs 5:6-7 Ook is het niet zo dat deze twee dingen slecht bij elkaar passen: in Christus hebben we alles wat te maken heeft met de volmaaktheid van het eeuwige leven. En toch is geloof het zien van goede dingen die je niet ziet. Hebreeën 11:1
Het verschil tussen de wet en het evangelie moet je dus alleen zoeken in de aard van de beloften of in hun hoedanigheid. Want het evangelie wijst met de vinger aan waar de wet alleen een ruwe schets van gaf.
Wet en evangelie staan niet tegenover elkaar
Dit weerlegt ook de dwaling van hen die de tegenstelling tussen de wet en het evangelie altijd alleen maar zien in de tegenstelling tussen het zelf verdienen van rechtvaardigheid door wat je doet en het uit genade toegekend krijgen van rechtvaardigheid.
Deze tegenstelling hoeven we zeker niet af te wijzen. Want vaak bedoelt Paulus met het woord ‘wet’ de norm voor een rechtvaardig leven. Door die norm eist God waar hij recht op heeft. Hij geeft ons dan alleen hoop op leven als we die wet volledig gehoorzamen. En aan de andere kant heeft Hij aan de wet een vloek toegevoegd voor als we ook maar een klein stukje van de wet afwijken. Paulus gebruikt het woord ‘wet’ op deze manier als hij uitlegt dat God blij met ons is uit genade en dat Hij ons als rechtvaardig beschouwt omdat Hij ons vergeeft. Want nergens vind je iemand die zich aan de wet houdt en zo de beloning verdient die beloofd is. Het is dus volkomen terecht dat Paulus rechtvaardigheid van de wet en rechtvaardigheid van het evangelie tegenover elkaar zet. Romeinen 3:21-31; Galaten 3:21-26
Maar dat het evangelie in de plaats van de wet gekomen is, betekent niet dat het evangelie een andere manier biedt om gered te worden. Het evangelie moet juist bevestigen en bewijzen wat de wet allemaal beloofd had. Bovendien moest het evangelie de schaduwen van de wet werkelijkheid laten worden. Christus zegt dat tot aan Johannes de Doper de wet en de profeten er geweest zijn. Lucas 16:16; Mattheüs 11:13 Maar daarmee levert Hij de aartsvaders immers niet uit aan de vloek die onafwendbaar is voor wie de wet dient. Hij maakt alleen duidelijk dat de aartsvaders alleen onderwezen waren in de basisbeginselen. Ze waren ver onder de hoogte van de leer van het evangelie gebleven.
Als Paulus het evangelie een kracht van God noemt om iedereen te redden die gelooft, Romeinen 1:16 voegt hij er daarom meteen aan toe dat de wet en de profeten daarvan getuigen. Romeinen 3:21 Weliswaar leert hij aan het slot van dezelfde brief dat door de verkondiging van Jezus Christus een mysterie geopenbaard is dat van eeuwigheid af verzwegen was. Maar hij nuanceert die uitspraak door vervolgens uit te leggen dat die verkondiging geopenbaard is in de geschriften van de profeten. Romeinen 16:25-26 Daar maak ik uit op dat, als het om de wet als geheel gaat, het enige verschil met het evangelie is dat in het evangelie de openbaring duidelijk is. Toch is het niet onterecht dat er gezegd wordt dat door Christus’ komst op aarde Gods koninkrijk gekomen is. Mattheüs 12:28 Want in Christus wordt ons de genade tentoongesteld in een onmetelijke overvloed.
De positie van Johannes de Doper
Johannes de Doper stond tussen de wet en het evangelie in. Zijn taak had met beide te maken. Hij noemde Christus het lam van God en het offer om de zonden te verzoenen. Johannes 1:29 Daarmee vertelde hij wat de kern van het evangelie was. Maar hij heeft de weergaloze kracht en glorie niet uitgelegd, die pas bij de opstanding begon te stralen. Daarom zegt Christus dat Johannes minder is dan de apostelen. Want dat is de betekenis van Christus’ woorden dat Johannes uitsteekt boven ieder die uit een vrouw geboren is, maar dat hij toch de minste is in het koninkrijk van de hemel. Mattheüs 11:11
Maar Johannes zelf zegt dat hij alleen maar een stem is, alsof hij onder de profeten stond. Johannes 1:23; Jesaja 40:3 Dat zegt hij niet uit valse bescheidenheid. Hij wil leren dat hij geen eigen boodschap meegekregen heeft. Hij vervult slechts de taak van heraut. Maleachi heeft dat voorzegd: ‘Kijk, ik zend de profeet Elia, voordat de grote en verschrikkelijke dag van Jehova komt.’ Maleachi 4:5 (3:23) En zolang zijn bediening duurde, heeft hij ook niets anders gedaan dan leerlingen klaarstomen voor Christus. Dat was zijn opdracht van God, zo bewijst hij ook uit Jesaja. In die zin heeft Christus hem een brandende en lichtgevende lamp genoemd. Johannes 5:35 Want het volle daglicht was nog niet aangebroken.
Toch is dat geen belemmering om Johannes mee te tellen onder de herauten van het evangelie. Want hij gebruikte dezelfde doop als de apostelen later mochten gebruiken. Maar wat hij begonnen was, is pas vervuld nadat Christus was opgenomen in de hemelse glorie, doordat de apostelen daar met meer vrijheid mee doorgingen.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.