Boek III · Hoofdstuk 10
Genieten van het tegenwoordige leven
Inhoud van dit hoofdstuk · 6 secties
Vrijheid, maar geen losbandigheid
Door zulke basale lessen leert de Schrift ons tegelijk ook heel duidelijk hoe we de goede dingen van het aardse leven op de juiste manier moeten gebruiken. Dat is een onderwerp dat we absoluut niet mogen negeren als we ons leven inrichten. Want als we moeten leven, moeten we ook de hulpmiddelen gebruiken die we voor dat leven nodig hebben. En evenmin kunnen we die dingen vermijden die vooral genot opleveren en niet echt nodig lijken. We moeten ons dus houden aan een norm. Dan kunnen we die hulpmiddelen met een zuiver geweten gebruiken, of we dat nu doen omdat het nodig is, of om ervan te genieten.
God schrijft ons die norm voor in zijn Woord, als Hij leert dat het tegenwoordige leven voor de zijnen een buitenlandse reis is. Via het tegenwoordige leven trekken ze naar het hemelse koninkrijk. Leviticus 25:23; 1 Kronieken 29:15; Psalm 39:13; 119:19; Hebreeën 11:8-16; 13:14; 1 Petrus 2:11 Als we slechts op doortocht zijn over de aarde, moeten we de goede dingen van de aarde natuurlijk alleen gebruiken voor zover ze ons verder helpen en ze onze reis niet vertragen. Terecht raadt Paulus ons daarom aan dat we van deze wereld gebruik moeten maken alsof we er geen gebruik van maken en dat het voor ons gevoel niet uit moet maken of we bezit kopen of verkopen. 1 Korinthiërs 7:30-31
Maar dit is glibberig terrein en met aan beide zijden steile afgronden. Daarom moeten we goed opletten dat we onze voeten stevig neerzetten op een plek waar je veilig kunt staan.
Er zijn mannen geweest – verder goede en heilige mannen – die zagen dat een onbeheerste hang naar overdaad continu uitbreekt door een tomeloze wellust, als die niet streng in bedwang gehouden wordt. Dit gevaarlijke kwaad wilden ze graag corrigeren. De enige manier die ze voor deze correctie konden bedenken, was dat ze de mens toestonden fysieke goede dingen te gebruiken voor zover dat nodig was. Dat was inderdaad een vroom advies. Maar ze waren veel te streng. Want ze bonden het geweten met strakkere banden dan Gods Woord doet. En dat is heel gevaarlijk! Bovendien, hun eis dat iets nodig moet zijn, hield in dat je alles moet afwijzen wat je maar kunt missen. Anderen waren zelfs nog strenger. Over de filosoof Krates van Thebe wordt bijvoorbeeld verteld dat hij zijn schatten in zee wierp, omdat hij dacht dat als die schatten niet vernietigd werden, hijzelf door die schatten vernietigd zou worden.
Maar tegenwoordig vinden velen het vanzelfsprekend dat deze vrijheid door geen enkele norm beperkt mag worden en dat je het aan ieders eigen geweten moet overlaten hoeveel hij zelf denkt dat hij mag gebruiken. Ik ben het daar absoluut niet mee eens! Ze zoeken alleen maar een excuus voor hun vlees om de uiterlijke dingen onbeheerst te kunnen gebruiken en ondertussen willen ze de weg banen voor de losbandigheid van hun vlees. Ik geef toe dat het geweten op dit punt niet mag en niet kan worden gebonden aan bepaalde exacte wettelijke voorschriften. Maar de Schrift geeft wel algemene richtlijnen voor een legitiem gebruik. Vast en zeker moeten we ons gebruik daar dus aan toetsen.
Genieten is Gods bedoeling
Ons uitgangspunt moet zijn dat we bij het gebruiken van Gods gaven niet van het juiste pad afdwalen als we ons richten op het doel waarvoor de gever die gaven zelf voor ons geschapen en bestemd heeft. Immers, Hij heeft ze geschapen voor ons welzijn, niet voor onze ondergang. De beste manier om op het juiste spoor te blijven is dus dit doel nauwkeurig in het oog houden.
En als we kijken voor welk doel God voedsel geschapen heeft, dan zullen we ontdekken dat Hij dat niet alleen geschapen heeft omdat we het nodig hebben, maar ook om van te genieten en om vreugde aan te beleven. Bij kleding ging het Hem niet alleen om wat we nodig hebben, maar ook om stijl en fatsoen. En bij planten, bomen en vruchten ging het Hem er niet alleen om dat je die op allerlei manieren nuttig kunt gebruiken. Het ging Hem er ook om dat ze er aantrekkelijk uitzien en heerlijk ruiken. Genesis 2:9
Als dat niet zo was, zou de profeet onder Gods zegeningen niet noemen dat wijn het hart van een mens vrolijk maakt en dat olie zijn gezicht laat glanzen. Psalm 104:15 Dan zou de Schrift, om Gods vrijgevigheid te prijzen, niet op vele plaatsen noemen dat Hij de mensen al dit soort dingen gegeven heeft. En uit de natuurlijke eigenschappen van de dingen blijkt duidelijk genoeg waarvoor je ze mag gebruiken en hoever je daarin mag gaan. Met onze ogen zien we vanzelf hoe mooi de bloemen zijn. Met ons reukorgaan merken we hoe heerlijk ze ruiken. Zou de Heer dat zo gemaakt hebben en zou het dan niet toegestaan zijn dat de ogen geraakt wordt door die schoonheid of de neus door die heerlijke geur? Wat? Heeft God geen schoonheid gegeven aan goud en zilver, aan ivoor en marmer, waardoor ze kostbaarder zijn dan andere metalen of gesteenten? Kortom, heeft God veel dingen voor ons niet aantrekkelijker gemaakt dan voor noodzakelijk gebruik nodig was?
Vleselijke begeerten in toom houden
Weg dus met die onmenselijke filosofie die alleen toestaat om het geschapene te gebruiken voor zover we het nodig hebben! Want die filosofie is niet alleen zo slecht om ons af te pakken wat God ons in zijn vrijgevigheid toestaat om te gebruiken. Die filosofie kan ook alleen maar overeind blijven als de mens al zijn zintuigen kwijtraakt en een blok hout wordt!
Toch moeten we ons aan de andere kant even ijverig verzetten tegen de begeerte van het vlees. Want als die niet binnen de perken gehouden wordt, treedt hij onbesuisd buiten zijn oevers. En zoals ik zei, er zijn aanhangers van de begeerte van het vlees die onder het mom van legitieme vrijheid maar alles willen toestaan.
Een eerste teugel om die begeerte in toom te houden is het besef dat alle dingen voor ons geschapen zijn met dit doel: dat we de gever leren kennen en dankbaar zijn goedheid tegenover ons erkennen. Maar waar blijft je dankbaarheid als je zo schrokt en zuipt dat je óf afstompt, óf niet meer in staat bent de plichten van vroomheid of de taak waartoe je geroepen bent te vervullen? Hoe kun je God erkennen als je vlees door een te grote overvloed overkookt in schandelijke wellust en met zijn onreinheid je geest zo aantast dat je niet eens meer kunt zien wat goed of fatsoenlijk is? Waar blijft onze dankbaarheid aan God als onze kleren zo kostbaar versierd zijn dat we onszelf erom bewonderen en anderen negeren? Als onze kleren zo elegant en schitterend zijn dat ze ons aanzetten tot onzedelijk gedrag? Hoe kunnen we God erkennen als ons hart gehecht is aan prachtige kleren?
Velen maken al hun zinnen zo tot slaven van genot dat hun geest er onder bedolven raakt.
Velen gaan zo op in marmer, goud en schilderijen dat ze als het ware marmer worden, in metaal veranderen en op geschilderde figuren gaan lijken. Anderen raken zo bedwelmd door de walm uit de keuken of door heerlijke geuren dat ze niets geestelijks meer kunnen ruiken. En hetzelfde kun je ook in andere dingen zien.
Daarom staat wel vast dat bandeloos misbruik hierin in elk geval een beetje in toom gehouden moet worden. En dat bevestigt de regel van Paulus dat we niet voor ons vlees moeten zorgen om de begeerten van het vlees te vervullen. Romeinen 13:14 Want als we daar te snel aan toegeven, breken ze zonder beperking of beheersing los.
Genieten moet geen hindernis worden
Maar er is geen weg zo betrouwbaar of begaanbaar als de weg die voor ons opengaat als we het tegenwoordige leven verachten en nadenken over de hemelse onsterfelijkheid. Want dat leidt tot twee regels. In de eerste plaats: wie deze wereld gebruikt moet dat doen alsof hij haar niet gebruikt, wie een vrouw trouwt moet dat doen alsof hij haar niet trouwt, wie koopt moet dat doen alsof hij niet koopt, zoals Paulus leert. 1 Korinthiërs 7:30-31 En in de tweede plaats: gebrek moeten we kalm en geduldig dragen en overvloed beheerst.
Als je voorschrijft dat je deze wereld moet gebruiken alsof je haar niet gebruikt, maak je niet alleen een eind aan onbeheerst gulzig eten en drinken en aan een te grote verwijfdheid, praalzucht, trots, hoogmoed en eigenwijsheid als het gaat om maaltijden, gebouwen en kleren. Je roeit ook elke zorg en verlangen uit die je zou kunnen afleiden of afhouden van het nadenken over het hemelse leven en van het ijverig zorgen voor je ziel. In het verleden heeft Cato terecht gezegd dat te veel zorgen voor je uiterlijke levenswijze ertoe leidt dat je te weinig zorgt voor goede eigenschappen. En een oud spreekwoord zegt dat wie te veel in beslag genomen wordt door zorg voor het lichaam, meestal zijn ziel verwaarloost.
Dus ook al mag de vrijheid van de gelovigen in uiterlijke zaken niet aan een specifieke norm getoetst worden, toch wordt die vrijheid beperkt door in elk geval deze wet: ze moeten zichzelf zo min mogelijk verwennen. Integendeel, ze moeten continu opletten dat ze zichzelf ertoe zetten elk overbodig vertoon van overvloed af te snijden en elke begeerte naar overdaad bedwingen. Ze moeten dus goed oppassen dat ze van hulpmiddelen geen hindernissen maken.
Geduldig gebrek lijden, beheerst genieten van overvloed
De tweede regel moet zijn dat wie maar beperkte en armzalige middelen heeft, het gemis geduldig moet dragen. Dan word je niet gekweld door een onbeheerste begeerte naar meer. Wie zich aan deze regel houdt, heeft veel geleerd op de school van de Heer. En voor wie op dit punt niet in elk geval iets geleerd heeft, is het lastig om aan te tonen dat hij een leerling van Christus is. Want begeerte naar aardse dingen gaat niet alleen vergezeld van allerlei andere zonden. Wie armoede niet geduldig draagt, laat bij overvloed ook vaak een tegenovergestelde ziekte zien. Ik bedoel: als je je schaamt voor armoedige kleding, zul je trots zijn op kostbare kleren. Als je niet tevreden bent met een eenvoudige maaltijd en smacht naar een overvloediger maal, zul je daar ook onbeheerst misbruik van maken als het je ten deel valt. Als je een eenvoudige en nederige positie moeilijk kunt verdragen en je daar druk over maakt, zul je je niet kunnen weerhouden van hoogmoed als je een eervolle positie krijgt. Ieder die oprecht vroom probeert te zijn, moet dus zijn best doen om, volgens het voorbeeld van de apostel Paulus, te leren zowel verzadigd te zijn als honger te hebben, zowel overvloed te hebben als gebrek te lijden. Filippenzen 4:12
De Schrift toetst het gebruik van aardse goede dingen ook nog aan een derde regel. Over die regel heb ik al het een en ander gezegd toen ik de geboden van liefde behandelde. Want de Schrift stelt vast dat God ons alle goede dingen zo royaal gegeven heeft en voor ons nut heeft bestemd op deze manier: ze zijn ons als het ware in bewaring gegeven en eens moeten we er verantwoording over afleggen. Als we ze beheren, moet ons dus continu in de oren klinken: ‘Leg verantwoording af over je rentmeesterschap!’ Lucas 16:2 Bovendien moeten we bedenken wie van ons eist dat we zo’n verantwoording afleggen: Hij die onthouding, soberheid, matigheid en zelfbeheersing heeft aanbevolen en overdaad, trots, pracht en praal afkeurt. Hij is met geen enkel beheer tevreden dat niet gepaard gaat met liefde. En elk genot dat de mens kan aftrekken van kuisheid en reinheid of zijn verstand kan verduisteren, heeft Hij al met zijn mond veroordeeld.
Tevreden zijn met je roeping
Ten slotte moet ik nog opmerken dat de Heer ieder van ons beveelt om bij al zijn doen en laten in het leven te letten op zijn roeping. Want Hij weet wat voor onrust er in de menselijke natuur brandt, hoe wispelturig en lichtzinnig ze heen en weer geslingerd wordt en hoe sterk haar eerzucht is, zodat ze allerlei verschillende dingen tegelijk aanpakt. Daarom wilde de Heer voorkomen dat alle dingen door onze dwaasheid en overmoed op hun kop gezet en door elkaar gegooid zouden worden. Dus heeft Hij bepaald dat ieder een ander soort leven heeft, ieder met zijn eigen plichten. En om te voorkomen dat iemand onbezonnen zijn grenzen zou overschrijden, heeft hij die soorten van leven ‘roepingen’ genoemd. Ieder heeft dus van de Heer zijn eigen soort leven toegewezen gekregen, als een wachtpost. Zodoende hoeft hij in heel zijn levensloop dus nooit doelloos rond te dwalen.
Dit onderscheid is heel belangrijk. Voor Gods ogen wordt al ons doen en laten daarnaar beoordeeld. En dat oordeel valt vaak heel anders uit dan hoe mensen en filosofen redeneren. Geen enkele daad vindt men beter dan het vaderland bevrijden van tirannie. Dat zie je zelfs bij de filosofen. Maar de stem van de hemelse rechter veroordeelt degene die als privé-persoon een tiran ombrengt. 1 Samuël 24:7; 26:9
Maar ik wil me niet laten ophouden door voorbeelden op te sommen. Het is genoeg als we weten dat je in elke zaak goed handelt als je de roeping van de Heer als uitgangspunt en fundament neemt. Als je je daar niet aan houdt, zul je in je plichten nooit op het rechte pad blijven. Misschien kun je soms iets doen wat prijzenswaard lijkt. Maar ook al is dat zo in de ogen van mensen, voor Gods troon zal het afgekeurd worden. Bovendien zal er geen enkel evenwicht zijn in de onderdelen van je leven.
Daarom is je leven pas goed ingericht als je dit in het oog houdt. Want dan zal niemand door zijn eigen onbezonnenheid méér proberen dan waartoe hij geroepen is. Want hij weet dat hij zijn grenzen niet mag overschrijden.
Een burger zonder officiële functie zal het niet erg vinden om een onopvallend leven te leiden. Want hij zal de positie waar God hem geplaatst heeft niet willen verlaten. Bovendien zal het voor ieder een enorme verlichting betekenen als hij weet dat in alle zorgen, moeiten en problemen God zijn gids is. Wie een officiële overheidsfunctie heeft, zal die functie extra bereidwillig vervullen, een huisvader zal extra bereidwillig zijn plicht doen, ieder zal in zijn eigen soort van leven gemakkelijker ongemak, zorg, verdriet en moeiten dragen en verwerken, als je ervan overtuigd bent dat ieder zijn last krijgt opgelegd van God.
Dat levert ook een geweldige troost op: geen enkel werk is zo verachtelijk en onbeduidend dat het in Gods ogen niet schittert en als kostbaar beschouwd wordt, als je maar zijn roeping gehoorzaamt.
Voetnoten
- 347
Krates (ca. 300 v. Chr.), cynisch filosoof uit Thebe.
- 348
Marcus Porcius Cato (234-149 v. Chr.), Romeinse politicus en historicus.
Voetnoot 347
Krates (ca. 300 v. Chr.), cynisch filosoof uit Thebe.
Voetnoot 348
Marcus Porcius Cato (234-149 v. Chr.), Romeinse politicus en historicus.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.