Boek III · Hoofdstuk 11
De rechtvaardiging
Inhoud van dit hoofdstuk · 23 secties
- 1De rechtvaardiging is de belangrijkste pijler van de godsdienst
- 2Rechtvaardiging is vrijspraak
- 3De betekenis van het woord ‘rechtvaardiging’ in de Schrift
- 4De rechtvaardiging is gratis vergeving van zonden
- 5De dwaling van Osiander: wezenlijke rechtvaardigheid
- 6Osiander vermengt rechtvaardiging en heiliging
- 7Geloof rechtvaardigt niet, maar is het middel waardoor God ons rechtvaardigt
- 8Christus is onze rechtvaardigheid volgens zijn menselijke natuur
- 9Christus is onze rechtvaardigheid geworden door zijn werk als middelaar
- 10Onze eenheid met Christus is geestelijk, niet wezenlijk
- 11Osianders dwaling ondermijnt het vertrouwen op Gods genade
- 12Osianders bezwaren weerlegt
- 13Rechtvaardigheid door geloof en rechtvaardigheid door onze daden sluiten elkaar uit
- 14Ook daden als vruchten van de nieuwe geboorte kunnen niet rechtvaardigen
- 15Dat Gods Geest ons aanzet tot goede daden is geen rechtvaardiging uit genade
- 16Er is in onszelf niets waarom we gerechtvaardigd zouden kunnen worden
- 17Geloof en evangelie tegenover daden en de wet
- 18Onze rechtvaardiging is gratis
- 19Alleen door geloof
- 20Niet door daden ‘van de wet’
- 21Rechtvaardiging, verzoening en vergeving van zonden
- 22Rechtvaardiging, verzoening en vergeving komen op hetzelfde neer
- 23Christus’ rechtvaardigheid is onze rechtvaardigheid
De rechtvaardiging is de belangrijkste pijler van de godsdienst
Ik denk dat ik hierboven al zorgvuldig genoeg heb uitgelegd dat er voor mensen die door de wet vervloekt zijn maar één middel is om het echte geluk terug te krijgen en dat dat middel geloof is. Verder heb ik uitgelegd wat dat geloof zelf dan is, welke zegeningen van God geloof de mens oplevert en welke vruchten het in de mens voortbrengt. De kern daarvan was dit: Christus is ons gegeven door Gods goedheid. Door geloof nemen we Hem aan en krijgen we Hem in bezit. Door deel te krijgen aan Hem, krijgen we vooral twee vormen van genade. In de eerste plaats worden we door zijn onschuld met God verzoend en hebben we nu in plaats van een rechter, een genadige Vader in de hemel. En in de tweede plaats worden we door zijn Geest geheiligd en doen we ons best onschuldig en zuiver te leven. Die tweede vorm van genade is de nieuwe geboorte. Die heb ik behandeld voor zover mij dat nodig leek.
Maar de eerste vorm van genade, de manier waarop wij gerechtvaardigd worden, heb ik nog niet zo duidelijk besproken. Want het was belangrijk om eerst te begrijpen dat geloof ons echt niet passief maakt wat betreft het doen van goede daden, ook al krijgen we door geloof gratis rechtvaardigheid, dankzij Gods barmhartigheid. Ook was het belangrijk om eerst te begrijpen wat dan de goede daden van de heiligen inhouden. Want bij de kwestie van de rechtvaardiging draait het gedeeltelijk ook om die vraag.
Daarom moeten we nu grondig de rechtvaardiging bespreken. En daarbij moeten we beseffen dat dit de belangrijkste pijler is waarop de godsdienst rust. We moeten hier dus extra aandachtig opletten! Want als je niet als allereerste weet hoe je er bij God voorstaat en hoe Hij over je oordeelt, dan heb je geen enkel fundament om je behoud op te laten rusten en evenmin om je vroomheid voor God op te bouwen. Maar als je dit onderwerp leert kennen, zal nog wel duidelijker blijken hoe nodig dit is.
Rechtvaardiging is vrijspraak
Verder moet ik voorkomen dat we ons meteen al in het begin stoten. Dat zou gebeuren als ik een onbekend onderwerp zou gaan behandelen. Ik moet dus eerst uitleggen wat de uitdrukkingen betekenen dat een mens voor God gerechtvaardigd wordt, dat hij gerechtvaardigd wordt door geloof, of dat hij gerechtvaardigd wordt door zijn daden.
Dat iemand gerechtvaardigd wordt voor God, zeg je als hij door Gods oordeel als rechtvaardig beschouwd wordt en als God blij met hem is omdat hij rechtvaardig is. Want God vindt onrechtvaardigheid heel erg en daarom kan een zondaar in zijn ogen geen genade vinden voor zover hij een zondaar is en zolang hij als een zondaar beschouwd wordt. Waar zonde is, wordt daarom ook Gods woede en wraak zichtbaar. En iemand wordt gerechtvaardigd als hij niet als zondaar, maar als een rechtvaardige beschouwd wordt. Dan kan hij bestaan voor Gods rechterstoel, terwijl alle zondaren daar bezwijken. Als iemand die onschuldig aangeklaagd is, voor de rechterstoel van een rechtvaardige rechter geleid wordt, wordt daar een vonnis geveld dat in overeenstemming is met zijn onschuld. Dan zeg je dat hij bij de rechter gerechtvaardigd is. Zo word je bij God gerechtvaardigd als je uit de lijst van zondaren geschrapt wordt en God als getuige en beschermer hebt van je rechtvaardigheid.
Op die manier zeg je dus dat iemand gerechtvaardigd wordt door zijn daden als in zijn leven zo’n reinheid en heiligheid gevonden wordt dat hij het verdient om voor Gods troon rechtvaardig verklaard te worden. Oftewel, als zijn daden zo volmaakt zijn dat ze beantwoorden en voldoen aan Gods oordeel.
Aan de andere kant wordt iemand gerechtvaardigd door geloof als de rechtvaardigheid van zijn daden voor hem uitgesloten is, maar hij door geloof Christus’ rechtvaardigheid beetpakt. Want als hij gekleed is in die rechtvaardigheid, komt hij God niet onder ogen als zondaar, maar als rechtvaardige.
Rechtvaardiging leg ik dus simpelweg zo uit: het is de aanneming waarmee God ons in genade aanneemt en als rechtvaardigen beschouwt. En ik zeg dat die bestaat uit de vergeving van de zonden en de toekenning van Christus’ rechtvaardigheid.
De betekenis van het woord ‘rechtvaardiging’ in de Schrift
Er zijn veel duidelijke bewijzen uit de Schrift om dit te bevestigen.
Om te beginnen kan niet ontkend worden dat dit de eigenlijke en meest gebruikelijke betekenis van het woord ‘rechtvaardiging’ is. Maar het zou te lang duren om alle passages op te sommen en met elkaar te vergelijken. Daarom moet het maar genoeg zijn dat ik de lezers daarop gewezen heb. Ze zullen het gemakkelijk zelf opmerken. Ik zal slechts enkele passages noemen waar deze rechtvaardiging waarover ik het heb uitdrukkelijk genoemd en behandeld wordt.
In de eerste plaats vertelt Lucas dat het volk, nadat het Christus gehoord had, God rechtvaardigde en dat Christus zegt dat de wijsheid gerechtvaardigd wordt door haar kinderen. Lucas 7:29-35 Het woord ‘rechtvaardigen’ betekent daar niet dat er rechtvaardigheid wordt toegekend aan God, want Gods rechtvaardigheid blijft altijd onaangetast, ook al probeert de hele wereld Hem daarvan te beroven. En het betekent ook niet dat de leer van het behoud rechtvaardig gemaakt wordt, want die leer is van zichzelf al rechtvaardig. Nee, beide manieren van spreken hebben deze betekenis: God en zijn leer krijgen de lof die zij verdienen.
In de tweede plaats verwijt Christus de farizeeën dat ze zichzelf rechtvaardigen. Lucas 16:15 Daarmee bedoelt Hij niet dat ze rechtvaardigheid krijgen door goed te handelen, maar dat ze uit eerzucht geprezen willen worden om een rechtvaardigheid die ze niet hebben. Wie ervaring heeft met het Hebreeuws begrijpt beter wat hier bedoeld wordt. Want in het Hebreeuws worden niet alleen zij die zich bewust zijn van hun misdaad misdadigers genoemd, maar ook zij die enkel als misdadigers veroordeeld zijn. Want als Bathseba zegt dat zij en Salomo zondaren zullen zijn, erkent ze niet dat ze schuldig zijn. Ze klaagt alleen dat zij en haar zoon te schande gemaakt zullen worden en als verworpenen en veroordeelden beschouwd zullen worden. 1 Koningen 1:21 Uit de context blijkt gemakkelijk dat dit woord, ook als je het leest in het Grieks van de Septuagint of het Latijn van de Vulgaat, niet anders opgevat kan worden dan zo: zondaren in de ogen van anderen. Dus niet zo dat het aangeeft hoe Bathseba en Salomo werkelijk zijn.
Maar wat betreft het onderwerp waarover ik het nu heb: Paulus zegt dat de Schrift van tevoren zag dat God de heidenen uit geloof zou rechtvaardigen. Galaten 3:8 Wat zouden we daar anders onder kunnen verstaan dan dat God rechtvaardigheid toerekent uit geloof? Paulus zegt ook dat God de goddeloze die uit geloof van Christus is, rechtvaardigt. Romeinen 3:26 Wat kan dat anders betekenen dan dat Christus door geloof te geven de goddeloze bevrijdt van de veroordeling die hij met zijn goddeloosheid verdiend had?
Nog duidelijker spreekt Paulus in zijn conclusie. Dan roept hij uit: ‘Wie zal een beschuldiging inbrengen tegen Gods uitverkorenen? God is het die rechtvaardigt. Wie zal veroordelen? Christus is het die gestorven is. Ja, meer nog, die ook opgewekt is en nu voor ons bidt.’ Romeinen 8:33-34 Dat is hetzelfde als wanneer hij zou zeggen: ‘Wie kan degenen veroordelen die God vrijspreekt? Wie kan degenen veroordelen die door Christus beschermd en verdedigd worden?’
Rechtvaardigen is dus niets anders dan de aangeklaagde vrijspreken van de beschuldiging, alsof zijn onschuld bewezen was. Dus als Christus tussenbeide komt en God ons daarom rechtvaardigt, spreekt Hij ons niet vrij omdat onze eigen onschuld bewezen is, maar omdat Hij ons Christus’ rechtvaardigheid toekent. Zelf zijn we niet rechtvaardig, maar in Christus worden we als rechtvaardigen beschouwd.
Daarom zegt Paulus in Handelingen 13 in een preek: ‘Dankzij Hem wordt jullie vergeving van zonden verkondigd en ieder die in Hem gelooft, wordt gerechtvaardigd van alles waarvan jullie niet gerechtvaardigd konden worden door de wet van Mozes.’ Handelingen 13:38-39 Je ziet dat na de vergeving van de zonden deze rechtvaardiging genoemd wordt als uitleg daarvan. Je ziet duidelijk dat met rechtvaardiging vrijspraak bedoeld wordt. Je ziet dat die vrijspraak losgemaakt wordt van daden op basis van de wet. Je ziet dat het enkel een geschenk van Christus is. Ten slotte zie je dat er genoegdoening tussenbeide komt als Paulus zegt dat we van onze zonden gerechtvaardigd worden door Christus.
Over de tollenaar wordt gezegd dat hij gerechtvaardigd wegging uit de tempel. Lucas 18:14 Ook dan kunnen we niet zeggen dat hij rechtvaardigheid kreeg doordat hij ook maar iets verdiend had met zijn daden. Dus wordt er dit gezegd: hij kreeg vergeving voor zijn zonden en werd vervolgens door God beschouwd als een rechtvaardige. Hij was dus niet rechtvaardig doordat zijn daden goedgekeurd waren, maar doordat God hem onverdiend vrijsprak. Daarom is het heel mooi dat Ambrosius het belijden van je zonden een legitieme rechtvaardiging noemt.
De rechtvaardiging is gratis vergeving van zonden
Ik zal de discussie over het woord nu laten rusten. Als we naar de inhoud kijken, zoals die voor ons beschreven wordt, zal er geen enkele twijfel meer overblijven.
Paulus bedoelt met het woord ‘aanneming’ vast en zeker de rechtvaardiging, als hij tegen de Efeziërs zegt: ‘Hij heeft ons voorbestemd om door Christus als kinderen geadopteerd te worden, volgens Gods welbehagen, om zijn heerlijke genade te prijzen, waardoor Hij ons heeft aangenomen en genade bewezen heeft.’ Efeziërs 1:5-6 Daarmee bedoelt hij precies hetzelfde als wat hij ergens anders steeds zegt: God rechtvaardigt ons gratis. Romeinen 3:24
En in Romeinen 4 noemt hij de rechtvaardiging eerst het toekennen van rechtvaardigheid. En hij aarzelt niet om dat te laten slaan op de vergeving van zonden. Hij zegt: ‘Gelukkig noemt David de mens aan wie God rechtvaardigheid toeschrijft of toerekent zonder zijn daden. Zoals er geschreven staat: “Gelukkig zijn zij van wie de zonden vergeven zijn …”’ Romeinen 4:5-8; Psalm 32:1 Paulus heeft het hier niet over een deel van de rechtvaardiging, maar over het geheel. Bovendien stelt hij dat David er een definitie van geeft als die verklaart dat je gelukkig bent als je gratis vergeving van je zonden krijgt. Daaruit blijkt dus dat hij twee dingen tegenover elkaar zet: gerechtvaardigd worden of schuldig verklaard worden, zoals dat gaat in een proces als iemand een overtreding begaan heeft.
Maar de beste passage hiervoor is de passage waar Paulus leert dat de kern van de boodschap van het evangelie is dat we met God verzoend worden omdat Hij ons door Christus in genade wil aannemen, zonder ons onze zonden aan te rekenen. 2 Korinthiërs 5:18-19 De lezers moeten hier goed op de context letten. Want even later voegt Paulus er als uitleg aan toe dat Christus, die geen zonde had, voor ons zonde geworden is. 2 Korinthiërs 5:21 Zo geeft hij aan op welke manier de verzoening plaatsvindt. En dan bedoelt hij met het woord ‘verzoenen’ niets anders dan gerechtvaardigd worden.
En ergens anders leert hij dat we dankzij de gehoorzaamheid van Christus als rechtvaardigen aangemerkt worden. Romeinen 5:19 Ook dat zou niet overeind blijven als we niet in Hem en buiten ons als rechtvaardig beschouwd worden voor God.
De dwaling van Osiander: wezenlijke rechtvaardigheid
Maar Andreas Osiander heeft een of ander vreemd monster geïntroduceerd: een wezenlijke rechtvaardigheid. Weliswaar heeft hij de gratis rechtvaardigheid daarmee niet aan de kant willen schuiven. Maar toch heeft hij die zo in duisternis gehuld dat het hart van vrome mensen donker wordt en wordt beroofd van een serieus besef van Christus’ genade. Vóór ik andere dingen ga behandelen, moet ik daarom eerst deze waanzin weerleggen.
Om te beginnen blijkt uit deze speculatie alleen maar zinloze nieuwsgierigheid. Weliswaar stapelt Osiander veel bewijzen uit de Schrift op om daarmee aan te tonen dat Christus één is met ons en wij van onze kant ook met Hem. Maar daar is geen bewijs voor nodig. Echter, hij ziet niet wat de band is die deze eenheid vormt. Daardoor verstrikt hij zichzelf. Maar ik kan al zijn knopen gemakkelijk ontwarren. Want ik weet dat we met Christus verbonden worden door de verborgen kracht van zijn Geest.
Wat deze meneer bedacht heeft, is verwant aan de opvatting van de manicheeërs: hij probeerde Gods wezen over te gieten in de mensen, dat wil zeggen: de menselijke ziel zou een stukje zijn van Gods wezen. Dat leidde vervolgens tot zijn andere verzinsel:
Adam is geschapen naar Gods beeld omdat Christus al vóór de val bestemd was als voorbeeld voor de menselijke natuur. Maar ik probeer kort te zijn. Daarom zal ik bij het tegenwoordige onderwerp blijven.
Osiander zegt dat we één zijn met Christus. Dat erken ik. Maar ondertussen ontken ik dat Christus’ wezen met ons wezen vermengd wordt. Bovendien zeg ik dat Osiander dit uitgangspunt misbruikt voor zijn volgende goocheltrucs: Christus is rechtvaardigheid voor ons omdat Hij de eeuwige God is, de bron van rechtvaardigheid en Gods rechtvaardigheid zelf. De lezers moeten mij maar vergeven dat ik nu alleen aanstip wat ik, gezien de juiste volgorde van onderwijs, tot later moet uitstellen.
Osiander verontschuldigt zich door te zeggen dat hij met de term ‘wezenlijke rechtvaardigheid’ niets anders bedoelt dan tegemoetkomen aan de opvatting dat we om Christus’ wil als rechtvaardig beschouwd worden. Toch blijkt uit wat hij zegt duidelijk dat hij niet tevreden is met de rechtvaardigheid die we gekregen hebben door de gehoorzaamheid en het offer van de dood van Christus. Integendeel, hij verzint dat we daadwerkelijk in God rechtvaardig zijn, doordat zowel Gods wezen als Gods hoedanigheid in ons overgegoten is. Want dat is de reden dat hij zo fel beweert dat niet alleen Christus, maar ook de Vader en de Geest in ons wonen.
Nu erken ik dat dat waar is. Maar toch zeg ik dat hij dat op een verkeerde manier verdraait. Want je moet wel bedenken op welke manier zij in ons wonen: de Vader en de Geest zijn in Christus. Omdat in Hem het hele wezen van God huist, hebben wij in Hem God helemaal. Dus alles wat Hij over de Vader en de
Geest afzonderlijk naar voren brengt, is alleen maar bedoeld om eenvoudige mensen van Christus af te trekken.
Vervolgens leert Osiander een vermenging van wezen. Daardoor giet God zichzelf uit in ons en maakt Hij ons als het ware tot een deel van zichzelf. Want volgens Osiander stelt het niets voor dat wij door de kracht van de Heilige Geest één worden met Christus en dat Christus ons hoofd is en wij zijn ledematen, tenzij zijn wezen vermengd wordt met ons wezen. Maar wat Osiander bedoelt, laat hij – zoals ik zei – duidelijker blijken als hij het heeft over de Vader en de Geest: wij worden niet gerechtvaardigd alleen door de genade van de middelaar en in de persoon van de middelaar wordt ons de rechtvaardigheid ook niet simpelweg en volledig aangeboden. Nee, wij delen in Gods rechtvaardigheid omdat God in zijn wezen één met ons wordt.
Osiander vermengt rechtvaardiging en heiliging
Stel dat Osiander alleen maar zei dat Christus, als Hij ons rechtvaardigt, ons eigendom wordt door een wezenlijke eenwording en dat Hij niet alleen ons hoofd is voor zover Hij mens is, maar dat ook het wezen van zijn goddelijke natuur in ons uitgegoten wordt. Dan zou hij zich hier leuk mee mogen vermaken en zou het niet zo schadelijk zijn. Dan zouden we misschien niet zo’n fel debat hoeven te voeren over deze dwaasheid. Maar dit uitgangspunt is net een inktvis. Hij spuit smerig zwart bloed, maakt al het water om zich heen troebel en verbergt zo zijn vele staarten. Daarom moeten we ons er krachtig tegen verzetten. Anders zouden we willens en wetens toestaan dat we beroofd worden van de enige rechtvaardigheid die ons de zekerheid geeft waardoor we kunnen roemen over ons behoud.
Want in deze hele discussie bedoelt Osiander met het woord ‘rechtvaardigheid’ en het werkwoord ‘rechtvaardigen’ twee verschillende dingen: gerechtvaardigd worden is niet alleen door onverdiende genade verzoend worden met God. Het is ook rechtvaardig worden. Rechtvaardigheid is dan dus geen onverdiende toekenning, maar heiligheid en ongeschondenheid. God, die in ons woont, zou ons die inblazen. Verder ontkent Osiander beslist dat Christus onze rechtvaardigheid is, voor zover Hij ons met de Vader verzoend heeft toen Hij als priester verzoening deed voor onze zonden. Nee, Hij is onze rechtvaardigheid als de eeuwige God en het leven.
Osiander zegt dus dat God niet alleen rechtvaardigt door te vergeven, maar ook door opnieuw geboren te laten worden. Om dat te bewijzen vraagt hij of God degenen die Hij rechtvaardigt soms laat blijven zoals we van nature waren en of Hij soms niets aan hun gebreken verandert. Het antwoord is heel simpel: zoals Christus niet in stukken gescheurd kan worden, zo kunnen ook deze twee dingen niet van elkaar gescheiden worden: rechtvaardigheid en heiliging. We krijgen ze tegelijk, zodra we één worden met Hem. Dus iedereen die God in genade aanneemt, geeft Hij ook de Geest van adoptie Romeinen 8:15 en door de kracht van die Geest hervormt Hij hen volgens zijn beeld.
De helderheid van de zon kan niet gescheiden worden van haar warmte. Maar kunnen we dan dus zeggen dat de aarde verwarmd wordt door het licht van de zon en verlicht wordt door haar warmte? Geen enkel beeld past beter bij dit onderwerp. De zon maakt de aarde vruchtbaar door haar warmte en verlicht haar door haar stralen. Die dingen gaan wederkerig en onverbrekelijk samen. Maar toch verbiedt de logica om wat hoort bij het een toe te passen op het ander.
Net zo absurd is de vermenging van de tweevoudige genade die Osiander ons opdringt. Inderdaad vernieuwt God degenen die Hij uit genade als rechtvaardigen beschouwt, zodat ze ook rechtvaardigheid in praktijk gaan brengen. Maar Osiander vermengt deze gave van de nieuwe geboorte met de aanneming uit genade. Hij beweert dat die twee een en hetzelfde zijn. De Schrift verbindt ze wel met elkaar. Maar de Schrift maakt toch duidelijk onderscheid, om ons de vele vormen van Gods genade extra duidelijk te laten blijken. Paulus zegt immers niet voor niets dat Christus ons gegeven is als rechtvaardigheid en heiliging. 1 Korinthiërs 1:30 En op basis van de redding wie wij gekregen hebben, op basis van Gods vaderliefde en op basis van Christus’ genade komt hij steeds weer tot de conclusie dat we geroepen zijn tot heiligheid en reinheid. Daarmee laat hij duidelijk zien dat gerechtvaardigd worden iets anders is dan nieuwe schepselen worden.
Maar als het aankomt op de Schrift, vervalst Osiander elke passage die hij aanhaalt. Paulus zegt dat geloof als rechtvaardigheid gerekend wordt, niet voor wie werkt, maar voor wie gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt. Romeinen 4:4-5 Maar dan legt Osiander uit dat dit betekent: de goddeloze rechtvaardig maken. Even overmoedig verdraait hij heel Romeinen 4. En hij aarzelt niet met hetzelfde bedrog de woorden te besmeuren die ik kort hiervóór citeerde: ‘Wie zal Gods uitverkorenen beschuldigen? God is het die rechtvaardigt.’ Romeinen 8:33 Het is duidelijk dat het daar alleen maar over de beschuldiging en de vrijspraak gaat. Wat de apostel wil zeggen, draait om de tegenstelling. Osiander blijkt dus veel te onbetrouwbaar, zowel in zijn argumentatie als in het aanhalen van Schriftbewijzen.
En het woord ‘rechtvaardigheid’ behandelt hij echt niet beter. Hij zegt dat Abrahams geloof hem toegerekend werd als rechtvaardigheid, Romeinen 4:3; Genesis 15:6 maar pas nadat hij eerst Christus omhelsd had – die Gods rechtvaardigheid en God zelf is – en vervolgens had uitgeblonken in bijzonder goede eigenschappen. Daaruit blijkt dat Osiander uit twee correcte stellingen één verkeerde maakt. Immers, de rechtvaardigheid die daar genoemd wordt, slaat niet op de hele duur van Abrahams roeping. Integendeel. De Geest verklaart juist dat Abraham nog zulke goede eigenschappen had en nog zoveel meer goede eigenschappen kreeg door zo lang geduldig vol te houden, maar dat hij God daarmee toch op geen enkele manier tevreden kon stellen. Dat kon hij alleen doordat hij door geloof de genade aannam die hem in de belofte was aangeboden. Dat betekent dus dat er in de rechtvaardiging geen ruimte is voor je eigen daden, zoals Paulus zo mooi stelt.
Geloof rechtvaardigt niet, maar is het middel waardoor God ons rechtvaardigt
Osiander zegt dat geloof op zichzelf niet kan rechtvaardigen, maar alleen voor zover het Christus aanneemt. Dat bezwaar aanvaard ik graag. Want als geloof op zichzelf of, zeg maar, door een eigen intrinsieke kracht zou rechtvaardigen, zou het slechts gedeeltelijk rechtvaardigen. Want geloof is altijd zwak en onvolmaakt. Dus dan zou ook de rechtvaardigheid gebrekkig zijn en ons slechts een stukje van onze redding opleveren.
Maar zoiets verbeeld ik me ook niet. Ik zeg dat eigenlijk alleen God rechtvaardigt. En vervolgens passen we dat ook toe op Christus, omdat Hij ons gegeven is als rechtvaardigheid. En geloof vergelijk ik met een vat. Want wij kunnen Christus alleen bevatten als we leeg en met de mond van onze ziel open komen, op zoek naar Christus’ genade. Ik leer dus dat we door geloof eerder Christus zelf krijgen dan zijn rechtvaardigheid. Daaruit kun je opmaken dat ik de kracht om te rechtvaardigen niet bij
Christus weghaal.
Maar ondertussen stem ik toch niet in met de kronkelredeneringen van deze sofist, die ieder met gezond verstand zal afwijzen. Bijvoorbeeld als hij zegt dat geloof Christus is. Alsof de aarden pot de schat was, omdat het goud erin opgeborgen ligt! Dat is immers een vergelijkbare redenering: geloof heeft van zichzelf geen waarde, maar het rechtvaardigt ons omdat het ons Christus oplevert, net zoals een pot vol geld een mens rijk maakt. Volgens mij is geloof dus alleen maar het instrument om de rechtvaardigheid te krijgen en vermengt Osiander dat geloof dom met Christus, die de daadwerkelijke oorzaak en tegelijk de gever en de uitdeler van dat grote geschenk is.
Nu heb ik ook deze knoop ontward, hoe je geloof moet opvatten als het over de rechtvaardiging gaat.
Christus is onze rechtvaardigheid volgens zijn menselijke natuur
Wat betreft het aannemen van Christus gaat Osiander nog een stap verder. Hij zegt dat je via de uitdeling van het uiterlijke woord het innerlijke woord ontvangt. Zo wil Osiander ons wegleiden van Christus’ priesterschap en de persoon van de middelaar en ons zogenaamd brengen bij zijn eeuwige God zijn. Maar ik deel Christus niet. Ik belijd dat Hij die ons in zijn vlees verzoend heeft met de Vader en ons rechtvaardigheid gegeven heeft, dezelfde is als Gods eeuwige Woord. En dat Hij alleen omdat Hij de eeuwige God is, de taak van middelaar kon vervullen en voor ons rechtvaardigheid kon verwerven.
Maar Osiander is van mening dat Christus, omdat Hij zowel God als mens is, wat betreft zijn goddelijke natuur rechtvaardigheid voor ons geworden is. Niet wat betreft zijn menselijke natuur. Maar als dat eigen is aan zijn God zijn, kan het nooit iets specifiek van Christus zijn. Dan deelt Hij dat met de Vader en de Geest. Immers, de rechtvaardigheid van de een is geen andere rechtvaardigheid dan die van de ander.
Verder vindt Osiander dat het niet klopt dat ik zeg dat Christus voor ons rechtvaardigheid gemáákt is, omdat Hij dat van nature van eeuwigheid al was. Maar ook al zou ik hem dat toegeven, dat God voor ons rechtvaardigheid geworden is, hoe klopt dat dan met wat Paulus er tussengevoegd heeft: Christus is voor ons rechtvaardigheid geworden ‘van God’? 1 Korinthiërs 1:30 Vast en zeker is dit iets dat hoort bij de persoon van de middelaar. Hij heeft de goddelijke natuur in zich, maar hier wordt Hij toch met een eigen kenmerk aangeduid. Zo wordt Hij hier van de Vader en de Geest onderscheiden.
En het is ronduit belachelijk dat Osiander zo hoog van de toren blaast naar aanleiding van een uitspraak van Jeremia. Jeremia belooft dat Jehova onze rechtvaardigheid zal zijn. Jeremia 23:6; 33:16 Maar daar kan Osiander toch niets anders uit afleiden dan dat Christus – onze rechtvaardigheid – God is, geopenbaard in het vlees? Ergens anders heb ik uit een preek van Paulus genoemd dat God zijn kerk voor zich verworven heeft met zijn bloed. Handelingen 20:28 Stel nu dat iemand daaruit zou concluderen dat het bloed waarmee de zonden verzoend zijn, goddelijk is en de goddelijke natuur heeft. Wie zou zo’n schandelijke dwaling kunnen verdragen? Toch denkt Osiander dat hij met deze kinderlijke spitsvondigheid de volledige overwinning behaald heeft. Verwaand jubelt hij het uit en vult hij vele bladzijden met zijn hoogdravende retoriek. Maar de oplossing is simpel en gemakkelijk: als Jehova een nakomeling van David geworden is, zal Hij de rechtvaardigheid van de vromen zijn.
Hoe Hij dat zal zijn, leert Jesaja: ‘Door zijn kennis zal mijn slaaf, de rechtvaardige, velen rechtvaardigen.’ Jesaja 53:11 We moeten opmerken dat hier de Vader spreekt. De Zoon geeft Hij de taak om te rechtvaardigen. De reden noemt Hij erbij: Hij is de rechtvaardige. En als de manier waarop of het middel noemt Hij de leer waardoor Christus gekend wordt. Want het past beter als je het Hebreeuwse woord da’at– ‘kennen’ – passief opvat.
Hieruit concludeer ik dat Christus rechtvaardigheid geworden is toen Hij het uiterlijk van een slaaf aannam. Filippenzen 2:7 En in de tweede plaats dat Hij ons rechtvaardigt voor zover Hij gehoorzaamheid bewezen heeft aan de Vader. Romeinen 5:19 Daarom doet Hij dit niet voor ons volgens zijn goddelijke natuur, maar door middel van de bediening die Hem is opgedragen. Natuurlijk is God de bron van rechtvaardigheid en kunnen wij alleen maar rechtvaardig zijn door deel te hebben aan Hem. Maar door een ongelukkige scheiding zijn wij ver verwijderd geraakt van zijn rechtvaardigheid. Daarom hebben wij als tweede keus deze remedie nodig: Christus moet ons rechtvaardigen door de kracht van zijn dood en opstanding.
Christus is onze rechtvaardigheid geworden door zijn werk als middelaar
Osiander brengt hier tegenin dat dit zo’n groots werk is dat het de menselijke natuur te boven gaat. Daarom kan het volgens hem alleen toegeschreven worden aan de goddelijke natuur. Het eerste geef ik toe. Het tweede is volgens mij dom geklets. Christus kon onze ziel niet reinigen met zijn bloed, Hij kon de Vader niet verzoenen met zijn offer, Hij kon ons niet van onze schuld verlossen, kortom, Hij kon zijn priestertaak niet uitvoeren als Hij niet echt God was. Want het vlees kan zo’n zware last niet aan. Toch staat vast dat Hij al die dingen gedaan heeft volgens zijn menselijke natuur.
Want als je vraagt hoe wij gerechtvaardigd zijn, antwoordt Paulus: door Christus’ gehoorzaamheid. Romeinen 5:19 En heeft Hij anders gehoorzaamd dan door het uiterlijk van een slaaf aan te nemen? Filippenzen 2:7 Daaruit concludeer ik dat wij de rechtvaardigheid gekregen hebben in zijn vlees.
Ook in andere woorden zegt Paulus dat de bron van rechtvaardigheid nergens anders ligt dan in het vlees van Christus. Het verbaast mij zeer dat Osiander zich er niet voor schaamt die woorden meerdere keren aan te halen: ‘Hem die geen zonde kende, heeft God voor ons zonde gemaakt, zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden zijn.’ 2 Korinthiërs 5:21 Met bolle wangen blaast Osiander hoog van de toren over Gods rechtvaardigheid. Hij doet net alsof hij overtuigend heeft bewezen dat die rechtvaardigheid zijn waanidee van wezenlijke rechtvaardigheid inhoudt. Maar Paulus’ woorden luiden heel anders: dat wij rechtvaardig zijn, komt door de verzoening in Christus. Gods rechtvaardigheid betekent: rechtvaardigheid die God tevreden stelt. Zelfs mensen die nog moeten leren lezen en schrijven, horen dat te weten! Het is net zo als wanneer bij Johannes Gods eer tegenover de eer van mensen gesteld wordt. Johannes 12:43 Daarmee wordt bedoeld dat degenen over wie het daar gaat van twee walletjes willen eten. Ze houden liever een goede reputatie in de wereld dan dat ze door God geprezen worden.
Ik weet wel dat met Gods rechtvaardigheid soms de rechtvaardigheid bedoeld wordt die bij God vandaan komt en die Hij aan ons geeft. Maar lezers met gezond verstand begrijpen best, ook zonder dat ik het zeg, dat er in deze passage niets anders mee bedoeld wordt dan dat we voor Gods rechterstoel gesteund worden door het zoenoffer van Christus’ dood.
Nu maakt het woord niet zoveel uit. Als Osiander het maar op dit punt met mij eens is: we worden in Christus gerechtvaardigd, omdat Hij voor ons een zoenoffer geworden is. En dat kon Hij niet zijn volgens zijn goddelijke natuur! Als Christus ons de rechtvaardigheid en redding die Hij ons gebracht heeft, wil bezegelen, geeft Hij ons daar een zekere waarborg van in zijn lichaam. Hij noemt zichzelf weliswaar het levende brood. Johannes 6:48 Maar als Hij uitlegt op welke manier Hij dat is, voegt Hij eraan toe dat zijn vlees echt voedsel is en zijn bloed echte drank. Johannes 6:55 Deze onderwijsmethode is zichtbaar in de sacramenten. Weliswaar richten die ons geloof op de hele Christus en niet op een halve Christus. Maar toch leren ze tegelijk ook dat in zijn vlees het bouwmateriaal ligt van zowel de rechtvaardigheid als de redding.
Dat is niet omdat de mens als zodanig zichzelf rechtvaardigt of levend maakt. Maar omdat het God behaagt heeft in de middelaar zichtbaar te maken wat in Hem verborgen en onbegrijpelijk was. Daarom zeg ik altijd dat Christus net een bron is die voor ons is geopend. Uit die bron mag ieder putten zoveel hij nodig heeft. En via die bron borrelen de hemelse zegeningen naar ons op. Zegeningen waar we anders niets aan zouden hebben omdat ze verborgen zouden zijn gebleven in Gods majesteit, die net een diepe afgrond is.
Op die manier en in die zin ontken ik niet dat Christus ons rechtvaardigt als God en als mens. Ik ontken niet dat dit ook het werk is van de Vader en de Heilige Geest. En ten slotte ontken ik ook niet dat de rechtvaardigheid waar Christus ons in laat delen, de eeuwige rechtvaardigheid is van de eeuwige God. Als Osiander dan maar zwicht voor de sterke en duidelijke argumenten die ik gegeven heb.
Onze eenheid met Christus is geestelijk, niet wezenlijk
Verder wil ik voorkomen dat Osiander leken bedriegt met zijn listen. Daarom erken ik dat we dit weergaloos goede blijven missen totdat Christus van ons wordt. Voorop zet ik dus de verbinding tussen hoofd en ledematen, het wonen van Christus in ons hart, kortom, de mystieke eenheid. Want pas als Christus van ons geworden is, laat Hij ons delen in de gaven waar Hij de beschikking over gekregen heeft. We zien Hem dus niet van een afstand, buiten ons, zodat zijn rechtvaardigheid ons alleen maar toegekend wordt. Nee, we hebben Hem aangetrokken en we zijn in zijn lichaam geënt, kortom, Hij heeft ons het waard gekeurd dat Hij ons één maakt met Hem. Daarom beroemen we ons erop dat wij met Hem delen in rechtvaardigheid. Dat weerlegt Osianders laster dat ik geloof als rechtvaardigheid zou beschouwen. Alsof ik Christus van zijn recht zou beroven als ik zeg dat we leeg bij Hem komen om ruimte te geven aan zijn genade, zodat we alleen vol raken van Hem.
Maar Osiander verwerpt deze geestelijke verbinding en houdt met hand en tand vol dat Christus met de gelovigen vermengd wordt. En daarom scheldt hij iedereen die zijn waanzinnige dwaling over wezenlijke rechtvaardigheid niet onderschrijft, uit voor zwinglianen, omdat zij niet van mening zijn dat in het avondmaal Christus daadwerkelijk gegeten wordt. Maar ik vind het een hoge eer om dit scheldwoord te horen van een hoogmoedig man die verstrikt zit in zijn eigen goocheltrucs. Al raakt het niet alleen mij, maar ook schrijvers die wereldberoemd zijn en voor wie hij vol bescheidenheid respect had moeten hebben. Maar mij maakt het niet uit. Ik bepleit niet mijn eigen zaak en dus bepleit ik deze zaak extra oprecht. Want ik ben volledig vrij van verkeerde motieven.
Osiander claimt dus onbeschaamd een wezenlijke rechtvaardigheid en het wezenlijk in ons wonen van Christus. Dat betekent in de eerste plaats dat God zich door een grove vermenging in ons zou uitgieten, net als bij het voedsel dat we eten. Daarom verzint Osiander ook dat Christus in het avondmaal fysiek gegeten wordt. In de tweede plaats betekent dit dat God zijn rechtvaardigheid in ons zou inblazen, zodat wij daardoor met Hem daadwerkelijk rechtvaardig zouden zijn. Want volgens Hem is deze rechtvaardigheid zelf God, net als Gods goedheid, Gods heiligheid of Gods zuiverheid.
Ik hoef niet veel moeite te doen om de Schriftbewijzen die Osiander aanvoert te weerleggen. Die slaan op het hemelse leven, maar hij verdraait ze en past ze onterecht toe op onze tegenwoordige toestand. Petrus zegt: ‘Door Christus zijn ons de kostbare en rijkste beloften gegeven, om ons te laten delen in de goddelijke natuur.’ 2 Petrus 1:4 Osiander leidt hieruit af dat God zijn wezen met ons vermengd heeft. Alsof we nu al zo zijn zoals het evangelie belooft dat we zullen zijn als Christus terugkomt! Johannes leert dat we dan God zullen zien zoals Hij is, omdat we aan Hem gelijk zullen zijn. 1 Johannes 3:2
Ik heb de lezer hier slechts iets van willen laten proeven om aan te tonen dat ik dit flauwe geklets expres oversla, niet omdat het te moeilijk is om ze te ontzenuwen, maar omdat ik niemand wil vervelen met overbodig werk.
Osianders dwaling ondermijnt het vertrouwen op Gods genade
Er schuilt echter meer gif in het tweede deel, waar Osiander leert dat wij samen met God rechtvaardig zijn. Dit is niet zo’n gevaarlijk dogma, want voor vrome lezers met gezond verstand is het terecht ongeloofwaardig. Toch – ik vind dat ik dat al voldoende aangetoond heb – is het een onacceptabele goddeloosheid dat hij onder het mom van een dubbele rechtvaardigheid het vertrouwen op de redding aan het wankelen brengt en ons meesleept tot boven de wolken om te voorkomen dat we de genade van verzoening door geloof zouden omhelzen en God met een gerust hart zouden aanroepen.
Wie leert dat het woord ‘rechtvaardiging’ een juridische term is, wordt door Osiander uitgelachen. Want, zegt hij, we moeten daadwerkelijk rechtvaardig zijn. Niets wijst hij zo sterk af als dat we gerechtvaardigd worden door een gratis toekenning.
Welnu dan, als God ons niet rechtvaardigt door ons vrij te spreken en ons vergeving te schenken, wat betekent dan deze uitspraak van Paulus? ‘God heeft in Christus de wereld met zichzelf verzoend en de mensen hun zonden niet aangerekend. Want Hem die geen zonde had, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden zijn.’ 2 Korinthiërs 5:18-21 Om te beginnen begrijp ik hieruit dat degenen die als rechtvaardig beschouwd worden, degenen zijn die met God verzoend worden. De manier waarop dat gebeurt, staat erbij: God rechtvaardigt door vergeving te schenken, zoals in een andere passage rechtvaardiging tegenover beschuldiging gezet wordt. Die tegenstelling laat duidelijk zien dat deze manier van spreken uit de taal van de rechtspraak komt. En ieder die de Hebreeuwse taal maar een beetje begrijpt, weet heel goed – als hij maar een beetje rustig nadenkt – dat deze manier van spreken daarvandaan komt en bovendien wat er mee bedoeld wordt en wat het betekent.
Verder zegt Paulus dat David een definitie geeft van de rechtvaardigheid buiten je daden om met deze woorden: ‘Gelukkig hij wiens overtredingen vergeven zijn.’ Psalm 32:1; Romeinen 4:7 Nu moet Osiander mij maar eens antwoord geven op de vraag of dat een volledige of een halve definitie is. Paulus voert de profeet natuurlijk niet als getuige op voor de leer dat de vergeving van zonden slechts een onderdeel van de rechtvaardiging is, alsof het er alleen maar aan bijdraagt dat een mens gerechtvaardigd wordt. Integendeel, hij laat rechtvaardigheid volledig samenvallen met gratis vergeving. Want hij noemt een mens echt gelukkig als zijn zonden bedekt zijn, als God zijn overtredingen vergeven heeft en ze hem niet aanrekent. Daar meet hij zijn geluk aan af omdat hij op die manier rechtvaardig is, niet daadwerkelijk, maar door toekenning.
Osiander brengt hiertegen in dat het voor God een belediging en tegennatuurlijk zou zijn als Hij mensen zou rechtvaardigen die in werkelijkheid goddelozen blijven. Maar je moet wel bedenken wat ik al gezegd heb: de genade van de rechtvaardiging mag niet losgemaakt worden van de nieuwe geboorte, ook al zijn het verschillende dingen. Toch weten we meer dan voldoende uit eigen ervaring dat er in rechtvaardigen altijd een restant van zonde blijft. Daarom moeten ze wel op een heel andere manier gerechtvaardigd worden dan waarop ze opnieuw geboren worden tot een nieuw leven. Want dat nieuwe leven laat God in zijn uitverkorenen alleen beginnen en Hij laat hen in heel hun levensloop slechts stukje bij beetje en soms langzaam vooruitkomen. Voor zijn rechterstoel blijven ze daarom altijd de doodstraf verdienen.
Maar wat betreft de rechtvaardiging: die bewerkt God niet maar voor een deel, maar zo royaal dat ze in de hemel verschijnen alsof ze gekleed zijn in Christus’ zuiverheid. Immers, een gedeeltelijke rechtvaardigheid zou het geweten geen rust geven. Rust krijgen we pas als vaststaat dat God blij met ons is omdat we in zijn ogen volkomen rechtvaardig zijn. Dat betekent dus dat de leer van de rechtvaardiging bedorven en volledig omvergehaald wordt als er twijfel gezaaid wordt in het hart, als het vertrouwen op redding geschokt wordt en als het vrijuit en onbeschroomd aanroepen van God gehinderd wordt, ja als de vrede en rechtvaardigheid niet met geestelijke blijdschap stevig verankerd wordt. Daarom argumenteert Paulus op basis van een tegenstelling. Hij zegt dat de erfenis niet voortkomt uit de wet, want dan zou geloof geen betekenis meer hebben. Galaten 3:18 Want zodra je let op je daden, begint je geloof te wankelen. Immers, niemand van de meest heilige mensen kan in zijn daden iets vinden waar hij op kan vertrouwen.
Er is dus onderscheid tussen de rechtvaardiging en de nieuwe geboorte. Osiander vermengt ze met elkaar en noemt ze een dubbele rechtvaardigheid. Maar Paulus geeft heel mooi aan wat het onderscheid is. Als hij het heeft over zijn daadwerkelijke rechtvaardigheid of zuiverheid die hij zelf gekregen zou hebben – Osiander noemt dat de wezenlijke rechtvaardigheid – roept hij klagend uit: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?’ Romeinen 7:24 Maar wanneer hij zijn toevlucht neemt tot rechtvaardigheid die alleen gebaseerd is op Gods barmhartigheid, dan tart hij fier leven, dood, beledigingen, honger, het zwaard en alle tegenslagen. ‘Wie zal een beschuldiging inbrengen tegen Gods uitverkorenen, die Hij zelf rechtvaardigt? Want ik ben er zeker van dat niets ons zal scheiden van zijn liefde in Christus!’ Romeinen 8:33-39 Hij spreekt duidelijk uit dat hij een rechtvaardigheid heeft die, alleen, voor God volledig genoeg is om hem te redden. Hij roemt vol vertrouwen. Zijn ellendige slavernij doet daar niets aan af en vormt daar geen belemmering voor, ook al had het besef daarvan er kort daarvóór nog voor gezorgd dat hij over zijn lot klaagde. Romeinen 7:24 Dit onderscheid is genoegzaam bekend. Alle heiligen zijn er vertrouwd mee. Ze zuchten onder de last van hun zonden, maar ondertussen overwinnen ze elke angst omdat het vertrouwen zegeviert.
En Osianders bezwaar dat in strijd is met Gods aard, slaat op hemzelf terug. Want hij kleedt de heiligen weliswaar met een dubbele rechtvaardigheid, als met een kleed voorzien van een voering. Maar toch blijkt hij gedwongen om te erkennen dat God over niemand tevreden is zonder vergeving van zonden. Als dat waar is, laat hij dan in elk geval toegeven dat naar rato van deze toegekende rechtvaardigheid mensen als rechtvaardig beschouwd worden die niet daadwerkelijk rechtvaardig zijn. Maar tot welke omvang mag een zondaar deze gratis aanneming in plaats van daadwerkelijke rechtvaardigheid eigenlijk laten komen? Tot negentig procent of tot tien procent? Hij zal natuurlijk altijd blijven weifelen en twijfelen tussen de ene en de andere kant. Want hij mag nooit genoeg rechtvaardigheid nemen om vast te kunnen vertrouwen. Het is goed dat in dit geval de scheidsrechter niet iemand is die God de wet zou willen voorschrijven. Deze woorden blijven overeind: ‘Zodat U gerechtvaardigd wordt in uw spreken en overwint als er over U geoordeeld wordt.’ Psalm 51:6
En wat is het arrogant om de hoogste rechter te veroordelen als Hij uit genade vrijspreekt! Alsof deze uitspraak niet geldt: ‘Ik zal barmhartig zijn wie ik barmhartig zal zijn.’ Exodus 33:19 Met deze woorden werd Mozes’ tussenkomst begrensd. Maar de bedoeling van die tussenkomst was niet dat God niemand moest sparen, maar dat Hij iedereen zou verlossen van hun schuld en hen zou vrijspreken, hoewel we allemaal even schuldig waren. En ik zeg wel dat degenen die verloren zijn voor God gerechtvaardigd worden nadat hun zonden begraven zijn, omdat God de zonden haat en dus alleen kan liefhebben wie Hij rechtvaardigt. Maar dat is een wonderlijke manier van rechtvaardigen: zij die met Christus’ rechtvaardigheid bedekt zijn, sidderen niet voor het oordeel dat ze verdienen. Terecht veroordelen ze zichzelf. Maar buiten zichzelf worden ze als rechtvaardig beschouwd.
Osianders bezwaren weerlegt
De lezers moeten er echter op gewezen worden dat ze goed moeten letten op het mysterie dat Osiander – zo pocht hij – voor hen niet verborgen wil houden. Eerst beweert hij lang en breed dat we bij God geen genade krijgen alleen omdat Christus’ genade ons wordt toegekend. Want – ik gebruik zijn eigen woorden – het zou voor God onmogelijk zijn om mensen als rechtvaardig te beschouwen die het niet werkelijk zijn. Vervolgens komt hij tot de conclusie dat Christus ons niet als rechtvaardigheid gegeven is volgens zijn menselijke natuur, maar volgens zijn goddelijke natuur. Deze rechtvaardigheid kan weliswaar alleen gevonden worden in de persoon van de middelaar. Maar toch zou het niet de rechtvaardigheid zijn van een mens, maar van God. Nu vlecht hij zijn touw niet uit twee vormen van rechtvaardigheid. Nee, hij haalt de taak om te rechtvaardigen weg bij de menselijke natuur van Christus. En het is de moeite waard om te zien hoe hij dit beargumenteert. Hij zegt dat in dezelfde passage ook gezegd wordt dat Christus voor ons wijsheid geworden is. 1 Korinthiërs 1:30 En dat slaat alleen op het eeuwige Woord. Dus is Christus onze rechtvaardigheid ook niet als mens.
Mijn antwoord is dat de eniggeboren Zoon van God inderdaad Gods eeuwige wijsheid geweest is, maar dat Paulus Hem hier deze naam op een andere manier toekent: in Hem zijn alle schatten van wijsheid en kennis verborgen. Kolossenzen 2:3 Christus heeft ons dus geopenbaard wat Hij bij de Vader had. En dus slaat wat Paulus hier zegt niet op het wezen van Gods Zoon, maar op wat wij daaraan hebben. Daarom is het terecht om dit te laten slaan op Christus’ menselijke natuur. Voordat Hij het vlees aantrok, was Hij weliswaar een licht dat schitterde in de duisternis. Maar dat licht was toen nog verborgen, totdat dezelfde Christus verscheen in de natuur van een mens, als de zon van rechtvaardigheid. Daarom noemt Hij zich het licht voor de wereld. Johannes 8:12
Het is ook een dom bezwaar van Osiander dat de macht om te rechtvaardigen de kracht van zowel engelen als mensen ver te boven gaat. Want die macht is niet gebaseerd op de waardigheid van enig schepsel, maar op Gods bepaling. Als de engelen zin hadden om God genoegdoening te geven, zouden ze daar niets mee bereiken. Want zij zijn daar niet voor bestemd. Alleen de mens Christus was daarvoor bestemd. Hij is onderworpen aan de wet om ons van de vloek van de wet te verlossen. Galaten 3:13; 4:4
Het is ook veel te onbeschaamd dat Osiander lastert dat degenen die ontkennen dat Christus voor ons rechtvaardigheid is volgens zijn goddelijke natuur, slechts één deel van Christus overlaten en – dat is nog erger – twee Goden maken. Want ze erkennen wel degelijk dat Christus in ons woont. Maar toch zeggen ze dat we niet rechtvaardig zijn door de rechtvaardigheid van God. Immers, ik noem Christus de bewerker van het leven, voor zover
Hij de dood ondergaan heeft om degene te vernietigen die de macht over de dood had. Hebreeën 2:14 Maar daarmee beroof ik de hele Christus – God geopenbaard in het vlees – toch niet van die eer? Ik maak alleen onderscheid in hoe Gods rechtvaardigheid naar ons toe komt zodat wij ervan kunnen genieten. Op dat punt is Osiander vreselijk uitgegleden.
Ik ontken ook niet dat wat ons in Christus openlijk gegeven wordt, voortkomt uit Gods verborgen genade en kracht. Ook bestrijd ik niet dat de rechtvaardigheid die Christus ons schenkt, Gods rechtvaardigheid is, die van Hem uitgaat. Maar ik houd vol dat we de rechtvaardigheid en het leven krijgen in Christus’ dood en opstanding.
Ik sla dat schandelijke samenraapsel van Schriftpassages maar over, waarmee Osiander zonder onderscheidingsvermogen en zonder gezond verstand de lezers lastigvalt om te bewijzen dat waar het over rechtvaardigheid gaat, zijn wezenlijke rechtvaardigheid bedoeld zou zijn. Bijvoorbeeld als David Gods rechtvaardigheid te hulp roept. Zelfs al doet David dat meer dan honderdmaal, Osiander aarzelt niet om net zoveel uitspraken te vervalsen.
Evenmin steekhoudend is Osianders bezwaar dat rechtvaardigheid in eigenlijke zin correct gedefinieerd wordt als datgene waardoor wij ertoe aangezet worden rechtvaardig te handelen en dat alleen God in ons maakt zowel dat wij het willen als dat wij het uitvoeren. Filippenzen 2:13 Immers, ik ontken niet dat God ons door zijn Geest hervormt tot een heilig en rechtvaardig leven. Maar we moeten in de eerste plaats nagaan of Hij dit doet door zichzelf, zonder middel, of dat Hij het doet door de hand van zijn Zoon, aan wie Hij de volle rijkdom van de
Heilige Geest heeft toevertrouwd om met zijn overvloed het gebrek van zijn ledematen te verhelpen. En in de tweede plaats komt rechtvaardigheid inderdaad naar ons toe uit de verborgen bron van het God zijn. Maar dat betekent nog niet dat Christus voor ons rechtvaardigheid is volgens zijn goddelijke natuur. Hij heeft zich omwille van ons geheiligd in het vlees. Johannes 17:19
Net zo flauw is wat Osiander eraan toevoegt: dat Christus zelf rechtvaardig was door Gods rechtvaardigheid. Want als de wil van de Vader Hem niet aangedreven had, zou Hij ook zelf de taak die Hem was opgelegd niet volbracht hebben. Inderdaad heb ik ergens anders gezegd dat alle verdiensten van Christus zelf enkel en alleen voortkomen uit Gods welbehagen. Maar dat heeft niets te maken met deze fantasie waarmee Osiander zijn eigen ogen en die van eenvoudigen betovert. Want wie kan toelaten dat iemand concludeert dat wij in wezen rechtvaardig zijn en het wezen van Gods rechtvaardigheid in ons woont, omdat God de bron en het uitgangspunt van onze rechtvaardigheid is?
Bij het verlossen van zijn kerk, zegt Jesaja, ‘heeft God rechtvaardigheid aangetrokken als een pantser.’ Jesaja 59:17 Maar heeft Hij dat gedaan om Christus te beroven van de wapens die Hij Hem had gegeven, zodat Christus geen volkomen verlosser zou zijn? Nee, de profeet wilde alleen maar zeggen dat God niets van buitenaf gekregen heeft en geen enkel hulpmiddel gebruikt heeft om ons te verlossen.
Paulus heeft dat met andere woorden kort aangeduid, toen hij zei dat God ons gered heeft om zijn rechtvaardigheid te laten zien. Romeinen 3:25-26 Maar dat haalt absoluut niet onderuit wat Paulus ergens anders leert, dat wij rechtvaardig zijn door de gehoorzaamheid van één mens. Romeinen 5:19
Kortom, ieder die een dubbele rechtvaardigheid erbij haalt om te voorkomen dat ellendige zielen rust vinden enkel en alleen in Gods barmhartigheid, drijft de spot met Christus door Hem te kronen met gevlochten kronen.
Rechtvaardigheid door geloof en rechtvaardigheid door onze daden sluiten elkaar uit
Nu fantaseren veel mensen een rechtvaardigheid die is samengesteld uit geloof en onze daden. Daarom moet ik nu eerst bewijzen dat er een groot verschil is tussen rechtvaardigheid door geloof en rechtvaardigheid door onze daden. Dat verschil is zo groot, dat waar de één overeind staat, de ander onvermijdelijk omvalt.
De apostel Paulus zegt dat hij alles als drek beschouwd heeft om Christus te winnen en om in Hem geen eigen rechtvaardigheid te blijken te hebben, maar een rechtvaardigheid uit geloof in Jezus Christus: rechtvaardigheid die van God komt, door geloof. Filippenzen 3:8-9 Je ziet dat Paulus hier een tegenstelling maakt tussen dingen die elkaar uitsluiten. Hij maakt duidelijk dat wie rechtvaardigheid van Christus wil krijgen, zijn eigen rechtvaardigheid in de steek moet laten.
Daarom leert Paulus ergens anders dat voor de Joden dit de oorzaak van hun ondergang was: ze wilden hun eigen rechtvaardigheid overeind houden en onderwierpen zich niet aan Gods rechtvaardigheid. Romeinen 10:3 Als we door onze eigen rechtvaardigheid overeind te houden, Gods rechtvaardigheid verdrijven, kan het dus niet anders of we kunnen Gods rechtvaardigheid alleen krijgen als onze eigen rechtvaardigheid vernietigd wordt.
Dat laat Paulus ook zien als hij zegt dat niet de wet, maar geloof onze eigen roem uitsluit. Romeinen 3:27 Dat betekent dus dat, zolang er nog een klein beetje rechtvaardigheid op basis van onze daden overblijft, er voor ons ook nog enige aanleiding overblijft om te roemen. Maar als geloof al het roemen uitsluit, kan rechtvaardigheid door onze daden op geen enkele manier verbonden worden met rechtvaardigheid door geloof.
In deze zin spreekt Paulus zo duidelijk in Romeinen 4, dat hij geen enkele ruimte over laat voor uitvluchten of twijfels. Hij zegt: ‘Als Abraham op basis van zijn daden gerechtvaardigd wordt, heeft hij roem.’ En dan voegt hij eraan toe: ‘Maar niet bij God.’ Romeinen 4:2 Dat betekent dus dat Abraham niet gerechtvaardigd is op basis van zijn daden!
Vervolgens geeft Paulus nog een ander bewijs op basis van de tegenstelling. Als je voor je daden loon betaald krijgt, gebeurt dat uit een verplichting, niet uit genade. Maar door je geloof krijg je wel rechtvaardigheid toegekend uit genade. Romeinen 4:4-5 Dus gebeurt dat niet op basis van wat je met je daden verdiend hebt. Weg dus met dat waanidee van hen die fantaseren dat rechtvaardigheid door geloof en rechtvaardigheid door onze daden samengaan!
Ook daden als vruchten van de nieuwe geboorte kunnen niet rechtvaardigen
De sofisten, die een speels plezier hebben in het vervalsen van de Schrift en in loze spitsvondigheden, denken dat ze een scherpzinnige uitvlucht hebben. Want ze leggen ‘daden’ zo uit dat het alleen daden zijn volgens de letter, die gedaan worden door mensen die nog niet opnieuw geboren zijn. Ze worden daartoe aangezet door de vrije wil, zonder de genade van Christus. De sofisten ontkennen dus dat dat over geestelijke daden gaat die gedaan worden door de gelovigen door de kracht van de Heilige Geest. En dus wordt volgens hen de mens zowel door geloof als door zijn daden gerechtvaardigd. Als het maar niet zijn eigen daden zijn, maar de daden die Christus hem gegeven heeft als vruchten van de nieuwe geboorte. Want, zeggen ze, Paulus heeft dit alleen gezegd om de Joden te overtuigen. Zij vertrouwden op hun eigen kracht en waren zo dom zich rechtvaardigheid aan te matigen. Maar alleen Christus geeft ons die en niet onze ijver uit eigen natuurlijke beweging.
Maar de sofisten beseffen niet dat de tegenstelling tussen rechtvaardigheid van de wet en van het evangelie, die Paulus ergens anders aanvoert, Galaten 3:11-12 daden uitsluit, wat voor daden dat ook zijn en met welke naam ze ook getooid worden. Want hij leert dat dit rechtvaardigheid van de wet is: je krijgt de redding als je gedaan hebt wat de wet beveelt. Maar rechtvaardigheid door geloof is dit: je krijgt de redding als je gelooft dat Christus gestorven en opgestaan is.
Bovendien zullen we later, als we daaraan toe zijn, zien dat heiliging en rechtvaardigheid verschillende gaven van Christus zijn. En dat betekent dat zelfs geestelijke daden niet meetellen als de kracht om te rechtvaardigen wordt toegeschreven aan geloof.
En zojuist haalde ik aan dat Paulus zegt dat Abraham geen reden heeft om te roemen bij God, omdat hij niet rechtvaardig is door zijn daden. Dat moet niet beperkt worden tot een letterlijke en uiterlijke schijn van goed gedrag, of tot wat hij deed uit eigen vrije wil. Nee, je moet het zo opvatten: hoewel het leven van deze aartsvader geestelijk was en haast het leven van een engel, heeft hij met zijn daden toch niet genoeg verdiend om bij God rechtvaardigheid te verwerven.
Dat Gods Geest ons aanzet tot goede daden is geen rechtvaardiging uit genade
Nog dommer doen de scholastici. Zij halen hun voorbereidingen erbij. Maar toch infecteren ze eenvoudige mensen die daar niet op verdacht zijn met een niet minder slecht dogma. Want onder het mom van Geest en genade verhullen ze zelfs Gods barmhartigheid, die als enige angstige harten tot rust kan brengen.
Nu geef ik met Paulus toe dat wie de wet uitvoert, voor God gerechtvaardigd wordt. Maar wij zijn allemaal ver verwijderd van het ons houden aan de wet. Daarom concludeer ik dat de daden die het meeste effect zouden moeten hebben om rechtvaardig te worden, ons niets helpen, omdat ze ons in de steek laten.
Wat betreft de gewone massa pausgezinden of scholastici: zij vergissen zich op dit punt in twee opzichten. In de eerste plaats noemen ze geloof een vast vertrouwen van het geweten dat ze van God het loon krijgen dat ze verdiend hebben. En in de tweede plaats vatten ze Gods genade niet op als het toekennen van een gratis rechtvaardigheid, maar als de Geest die hen helpt om te streven naar heiligheid. Ze lezen bij de apostel: ‘Wie naar God gaat, moet eerst geloven dat Hij bestaat en vervolgens dat Hij degenen die Hem zoeken, beloont.’ Hebreeën 11:6 Maar ze beseffen niet wat de manier is om Hem te zoeken. Dat ze dwalen in hoe ze het woord ‘genade’ opvatten, blijkt uit hun geschriften.
Want Lombardus legt de rechtvaardiging die ons door Christus gegeven wordt op twee manieren uit. In de eerste plaats rechtvaardigt Christus’ dood ons doordat die dood in ons hart de liefde wekt waardoor wij rechtvaardigen worden. In tweede plaats heeft diezelfde dood de zonde uitgeblust waardoor de duivel ons gevangen hield, zodat de zonde nu niet meer in staat is om ons te veroordelen. Je ziet dat hij Gods genade in de rechtvaardiging vooral opvat voor zover wij door de genade van de Heilige Geest aangezet worden tot goede daden.
Natuurlijk wilde hij de opvatting van Augustinus volgen. Maar hij volgt die op een afstand. Hij wijkt er zelfs ver vanaf. Want hij verduistert alles wat Augustinus duidelijk gezegd heeft en bederft wat bij Augustinus niet zo onzuiver was. Op de scholen is men altijd van kwaad tot erger gegaan. Uiteindelijk zijn ze in een vrije val geraakt tot een soort pelagianisme.
Trouwens, ook de opvatting van Augustinus, of in elk geval zijn manier van spreken, moeten we niet volledig overnemen. Want hij berooft de mens wel uitstekend van alle lof voor rechtvaardigheid en schrijft die alleen toe aan Gods genade. Maar toch laat hij de genade slaan op de heiliging, waardoor de Geest ons opnieuw geboren laat worden tot een nieuw leven.
Er is in onszelf niets waarom we gerechtvaardigd zouden kunnen worden
Maar als de Schrift het heeft over rechtvaardigheid door geloof, brengt zij ons heel ergens anders heen: we moeten ons van onze eigen daden afkeren en alleen naar Gods barmhartigheid en Christus’ volmaaktheid kijken. De Schrift leert immers dat de rechtvaardiging zo in elkaar steekt: vanaf het begin heeft God gratis, enkel uit goedheid, de mens het waard gekeurd dat Hij de mens omhelst, zonder dat Hij in de mens iets ziet dat Hem tot barmhartigheid zou kunnen bewegen. Hij ziet in de mens alleen maar ellende, want Hij ziet dat de mens volledig zonder goede daden is. Maar Hij vindt alleen bij zichzelf een reden om de mens goed te doen. Daarom wekt Hij in de zondaar het besef van zijn goedheid, zodat de zondaar niet op zijn eigen daden vertrouwt, maar zijn behoud volledig in Gods barmhartigheid zoekt.
Dit is het geloofsbesef waardoor een zondaar in het bezit komt van zijn redding, als hij op basis van de leer van het evangelie weet dat hij met God verzoend is: hij is gerechtvaardigd doordat Christus’ rechtvaardigheid tussenbeide komt en nadat zijn zonden hem vergeven zijn. Weliswaar is hij door Gods Geest opnieuw geboren. Maar toch bedenkt hij dat het eeuwige behoud niet ligt in de goede daden die hij probeert te doen, maar alleen in Christus’ rechtvaardigheid.
Als we deze dingen punt voor punt overdacht hebben, is mijn opvatting daarmee duidelijk uitgelegd. Ze zouden weliswaar nog beter gerangschikt kunnen worden dan ik ze nu heb gepresenteerd. Maar dat doet er niet zoveel toe.
Als ze maar zo onderling samenhangen dat we het hele onderwerp duidelijk hebben uitgelegd en met vaste zekerheid kennen.
Geloof en evangelie tegenover daden en de wet
Hier moeten we terugdenken aan de verhouding tussen geloof en evangelie, die we eerder vastgesteld hebben. Want ik heb gezegd dat geloof rechtvaardigt omdat geloof de rechtvaardigheid aanneemt en omhelst die in het evangelie wordt aangeboden. En als ik zeg dat die rechtvaardigheid wordt aangeboden in het evangelie, dan sluit dat elk meewegen van onze daden uit. Paulus laat dit in verschillende passages zien, maar vooral in twee passages.
In de eerste plaats maakt hij in de brief aan de Romeinen een tegenstelling tussen wet en evangelie. Hij zegt dan: ‘Rechtvaardigheid op basis van de wet zegt: de mens die deze dingen doet zal daardoor leven. Maar rechtvaardigheid op basis van geloof verkondigt de redding als je in je hart gelooft en met je mond belijdt dat Jezus Heer is en dat de Vader hem uit de doden heeft opgewekt.’ Romeinen 10:5-9
Zie je welk onderscheid hij maakt tussen wet en evangelie? De wet kent rechtvaardigheid toe aan onze daden, maar het evangelie geeft gratis rechtvaardigheid, zonder hulp van onze daden. Een belangrijke passage! Die kan ons uit veel moeilijkheden redden als we begrijpen dat de rechtvaardigheid die het evangelie ons schenkt vrij is van de voorwaarden van de wet.
Dit is de reden waarom Paulus de belofte meer dan eens zo diametraal tegenover de wet lijkt te zetten. ‘Als de erfenis van de wet afhangt, dan hangt zij niet meer af van de belofte.’ Galaten 3:18 En in hetzelfde hoofdstuk staat meer in dezelfde zin. Natuurlijk heeft de wet ook zelf beloften. Dus moet er een verschil zijn tussen de beloften van de wet en de beloften van het evangelie, of we zouden moeten willen beweren dat de tegenstelling niet klopt. En wat zou dat verschil anders zijn dan dit: de beloften van het evangelie zijn gratis en zijn alleen gebaseerd op Gods barmhartigheid, terwijl de beloften van de wet afhankelijk zijn van de voorwaarde van onze daden.
En niemand moet hiertegen inbrengen dat alleen de rechtvaardigheid afgekeurd wordt die mensen uit eigen kracht en uit eigen vrije wil aan God willen opdringen. Want Paulus leert, zonder uitzondering, dat de geboden van de wet geen enkel voordeel opleveren. Romeinen 8:3 Want er is niemand die de wet vervult. Niemand van de gewone mensen, maar ook niemand van de meest volmaakte mensen. Natuurlijk draait het in de wet om liefde, want volgens die liefde vormt Gods Geest ons. Maar waarom is die liefde dan geen reden voor rechtvaardigheid? Dat kan alleen maar zijn omdat die liefde ook in de heiligen onvolmaakt is en daarom op zichzelf geen beloning verdient.
Onze rechtvaardiging is gratis
De tweede passage is deze: ‘Het is duidelijk dat niemand door de wet voor God gerechtvaardigd wordt. Want de rechtvaardige zal door geloof leven. Maar de wet is niet uit geloof, maar de mens die deze dingen doet zal daardoor leven.’ Galaten 3:11-12
Hoe zou dit argument overeind blijven als niet vaststond dat de daden bij geloof niet meetellen, maar daar volledig apart van gehouden moeten worden? De wet, zegt Paulus, is anders dan geloof. Waarom? Omdat voor rechtvaardigheid van de wet goede daden nodig zijn. Dat betekent dus dat die goede daden voor rechtvaardigheid door geloof niet nodig zijn. Uit deze tegenstelling blijkt dat wie door geloof gerechtvaardigd worden, gerechtvaardigd worden zonder en buiten wat ze met hun daden verdiend hebben om. Want geloof krijgt de rechtvaardigheid die het evangelie geeft. En het evangelie verschilt van de wet omdat het rechtvaardigheid niet verbindt aan onze daden, maar alleen in Gods barmhartigheid plaatst.
Hetzelfde verklaart Paulus aan de Romeinen: Abraham heeft geen reden om te roemen, omdat zijn geloof hem als rechtvaardigheid toegerekend werd. En Paulus voegt daaraan de bevestiging toe dat er alleen ruimte is voor rechtvaardigheid door geloof als er geen daden zijn die een beloning verdienen.
Als er daden zijn, zegt hij, dan wordt het verschuldigde loon betaald. Wat aan geloof geschonken wordt, is gratis. Romeinen 4:2-5 Immers, de betekenis van de woorden die hij hier gebruikt, komt daarop neer. Even later zegt hij dat we de erfenis krijgen door geloof en dus uit genade. Romeinen 4:16 Hij concludeert dus dat de erfenis gratis is omdat we die krijgen door geloof. Hoe komt dat anders dan doordat geloof zonder hulp van onze daden alleen rust op Gods barmhartigheid?
Ongetwijfeld betekent wat Paulus ergens anders leert hetzelfde: de rechtvaardigheid van God is geopenbaard buiten de wet, ook al getuigen de wet en de profeten van die rechtvaardigheid. Romeinen 3:21 Want door de wet uit te sluiten, zegt hij dat die rechtvaardigheid niet geholpen wordt door onze daden en dat we die ook niet krijgen door onze daden. Om die rechtvaardigheid te krijgen, komen we met lege handen.
Alleen door geloof
De lezer ziet nu hoe oneerlijk het is dat de sofisten tegenwoordig mijn leer belasteren als ik zeg dat een mens alleen door geloof gerechtvaardigd wordt. In de Schrift komt dat telkens terug: een mens wordt gerechtvaardigd door geloof. Daarom durven ze het niet te ontkennen. Maar het woord ‘alleen’ wordt nergens expliciet genoemd. Daarom kunnen ze het niet accepteren dat ik dat er uit mezelf bij zeg.
Is dat terecht? Maar wat zullen ze dan antwoorden op deze uitspraken van Paulus, waarmee hij verklaart dat rechtvaardigheid alleen maar gebaseerd kan zijn op geloof als zij gratis is? Hoe kan wat gratis is, samengaan met daden?
En met welke laster willen ze ontkomen aan wat Paulus ergens anders zegt: Gods rechtvaardigheid wordt geopenbaard in het evangelie? Romeinen 1:17 Als de rechtvaardigheid geopenbaard wordt in het evangelie, bevat het evangelie die rechtvaardigheid niet verminkt en half, maar volledig en compleet. Voor de wet is daarin dus geen plaats.
En hun uitvlucht waar ze zich wat betreft het woordje ‘alleen’ aan vastklampen, is niet alleen onjuist. Het is volslagen belachelijk! Want wie alles volledig aan geloof toekent en geloof voldoende noemt, haalt toch alles bij onze daden weg? Wat betekenen, vraag ik je, deze uitdrukkingen: de rechtvaardigheid is geopenbaard zonder de wet? En: de mens wordt gratis gerechtvaardigd, zonder daden op basis van de wet? Romeinen 3:21-24
Maar nu komt er een vernuftige uitvlucht! Weliswaar hebben de sofisten die niet zelf verzonnen, maar hebben ze die overgenomen van Origenes en sommige oude schrijvers. Toch is het een heel dwaze uitvlucht: ze kletsen dat alleen de daden op basis van de rituele wet uitgesloten worden, maar niet de daden op basis van de morele wet. Zoveel schieten ze nu op met hun voortdurende discussies dat ze nog niet eens de basisprincipes kennen van logisch redeneren! Of denken ze soms dat de apostel ijlt als hij om zijn opvatting te onderbouwen deze passages aanhaalt? ‘De mens die deze dingen doet zal daardoor leven.’ En: ‘Vervloekt is ieder die niet alles doet wat er in het boek van de wet geschreven staat!’ Galaten 3:10-12 Alleen als ze dwaas zijn, zullen ze beweren dat het leven beloofd wordt aan degenen die zich aan de rituelen houden en de veroordeling alleen is voor wie de rituelen overtreden. Maar als deze passages op de morele wet slaan, is er geen twijfel aan dat alle daden op basis van de wet uitgesloten worden van het vermogen om te rechtvaardigen.
Dat blijkt ook uit deze argumenten die Paulus gebruikt: uit de wet kennen we de zonde, Romeinen 3:20 dus is er geen rechtvaardigheid door de wet. De wet brengt woede, dus geen rechtvaardigheid. Romeinen 4:15 De wet kan het geweten geen zekerheid geven, dus kan de wet ook geen rechtvaardigheid brengen. Geloof wordt toegerekend als rechtvaardigheid, dus is rechtvaardigheid geen beloning voor daden, maar wordt rechtvaardigheid gratis gegeven. Romeinen 4:4-5 We worden door geloof gerechtvaardigd, dus is eigen roem uitgesloten. Romeinen 3:27 Als er een wet gegeven was die levend kon maken, zou rechtvaardigheid inderdaad door de wet zijn. Maar God heeft alles opgesloten onder de zonde, om de belofte te geven aan hen die geloven. Galaten 3:21-22
Als ze durven, moeten ze nu maar kletsen dat dat allemaal op de rituele wet slaat en niet op de morele wet. Maar zelfs kinderen zouden hen om zo’n onbeschaamdheid uitlachen. Voor ons moet dus vast blijven staan dat het over de hele wet gaat als de wet ontdaan wordt van het vermogen om te rechtvaardigen.
Niet door daden ‘van de wet’
Misschien vindt iemand het vreemd dat de apostel niet tevreden is met het noemen van daden alleen en er de aanduiding ‘van de wet’ aan toevoegt. Maar de reden daarvoor ligt voor de hand. Daden worden hoog gewaardeerd, maar dat komt niet door hun eigen waarde, maar vooral door Gods goedkeuring. Want wie zou de rechtvaardigheid van onze daden bij God durven aanprijzen als Hij die niet zelf heeft goedgekeurd? Wie zou het wagen loon te eisen voor zijn daden, alsof God hem dat verschuldigd was, als God het niet zelf beloofd had? Dus komt het door Gods goedheid dat daden op basis van de wet de naam en de beloning van rechtvaardigheid waard geacht worden. En hun enige betekenis is dus dat we daarin laten zien dat we God gehoorzaam willen zijn.
Als de apostel Paulus ergens anders wil bewijzen dat Abraham niet gerechtvaardigd kon worden door zijn daden, beroept hij zich daarom hierop: pas 430 jaar na het sluiten van het verbond is de wet gegeven. Galaten 3:17 Mensen die er niets vanaf weten, zouden om zo’n argument lachen en zeggen dat er ook wel rechtvaardige daden konden bestaan vóór de afkondiging van de wet. Maar de apostel wist dat onze daden die waarde alleen maar kunnen hebben als God dat verklaard heeft en onze daden die benaming heeft waard gekeurd. Daarom nam hij als vanzelfsprekend aan dat onze daden ons niet rechtvaardigen konden voordat de wet er was.
Nu weten we waarom Paulus het uitdrukkelijk heeft over daden ‘van de wet’ als hij die daden het vermogen om te rechtvaardigen wil ontzeggen. Want alleen over die daden kon verschil van mening rijzen.
Trouwens, ook zonder de specifieke aanduiding ‘van de wet’ keurt hij soms alle daden af. Hij zegt bijvoorbeeld dat volgens David het behoud toegekend wordt aan de mens aan wie God rechtvaardigheid toerekent zonder zijn daden. Romeinen 4:6 De sofisten kunnen dus met geen enkele uitvlucht voorkomen dat we kunnen vasthouden aan de algemene uitsluiting van alle daden.
Ook proberen ze het tevergeefs via een flauwe scherpzinnigheid als ze zeggen dat we alleen gerechtvaardigd worden door geloof dat werkt door liefde, om zo de rechtvaardigheid te baseren op liefde. Ik geef met Paulus toe dat een geloof dat werkt door liefde het enige geloof is dat rechtvaardigt. Maar het vermogen om te rechtvaardigen ontleent dat geloof niet aan het werk van de liefde. Nee, het rechtvaardigt alleen doordat het ons laat delen in de rechtvaardigheid van Christus.
Anders zou onderuitgehaald worden wat de apostel zo fel en nadrukkelijk zegt: ‘Aan wie werkt, wordt geen loon betaald uit genade, maar uit schuld. Maar aan wie niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddelozen rechtvaardigt, wordt zijn geloof toegerekend als rechtvaardigheid.’ Romeinen 4:4-5 Kon hij het nog duidelijker zeggen dan zo? Rechtvaardigheid door geloof kan er alleen maar zijn als er geen daden zijn waar een beloning voor verschuldigd is. En geloof kan alleen als rechtvaardigheid toegerekend worden als de rechtvaardigheid gegeven wordt uit een genade die niet verschuldigd is. Duidelijker kan toch niet?
Rechtvaardiging, verzoening en vergeving van zonden
Laten we nu onderzoeken hoe waar het is wat ik gezegd heb in de definitie: dat de rechtvaardigheid door geloof een verzoening met God is die alleen bestaat uit de vergeving van onze zonden.
We moeten steeds terugkeren naar het basisprincipe dat Gods woede rust op alle mensen, zolang ze volhouden om zondaren te zijn. Jesaja heeft dat heel mooi duidelijk gemaakt met deze woorden: ‘De hand van de Heer is niet ingekort, zodat Hij niet zou kunnen verlossen, en zijn oor wordt niet gehinderd, zodat hij niet zou kunnen horen. Maar jullie onrechtvaardigheid heeft scheiding gemaakt tussen jullie en jullie God en jullie zonden hebben zijn gelaat voor jullie verborgen. Daarom luistert Hij niet.’ Jesaja 59:1-2 We horen dat zonde een scheiding is tussen de mens en God en dat God zijn ogen van de zondaar afkeert. Dat kan ook niet anders, want het past niet bij zijn rechtvaardigheid dat Hij iets te maken zou hebben met zonde.
Daarom leert de apostel Paulus dat de mens Gods vijand is, Romeinen 5:8 totdat hij door Christus weer in genade wordt aangenomen. Er wordt dus gezegd dat God rechtvaardigt wie Hij aanneemt om met Hem verbonden te zijn. Want Hij kan niet iemand in genade aannemen of één met zich maken als Hij hem niet eerst van een zondaar in een rechtvaardige verandert.
En daar voeg ik aan toe dat dat gebeurt door de vergeving van de zonden. Want als degenen die de Heer met zich verzoend heeft beoordeeld zouden worden naar hun daden, zouden ze nog steeds zondaren blijken te zijn. Terwijl ze toch van zonde bevrijd en rein horen te zijn.
Dus staat vast dat degenen die God omhelst alleen maar rechtvaardig worden doordat hun zonden vergeven zijn. Alleen zo worden ze gezuiverd en gereinigd van hun vuilheid. Zo’n rechtvaardigheid kunnen we dus met één woord noemen: vergeving van zonden.
Rechtvaardiging, verzoening en vergeving komen op hetzelfde neer
Deze beide punten blijken heel duidelijk uit de woorden van Paulus, die ik al geciteerd heb: ‘God heeft in Christus de wereld met zichzelf verzoend en de mensen hun zonden niet aangerekend. En Hij heeft ons het woord van de verzoening toevertrouwd …’ Daarna voegt hij de kern van zijn boodschap eraan toe: ‘Hem die geen zonde had, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden zijn.’ 2 Korinthiërs 5:19-21 Rechtvaardigheid en verzoening noemt Paulus hier zonder onderscheid te maken, om ons te laten begrijpen dat ze beiden op hetzelfde neerkomen. En hij leert op welke manier we deze rechtvaardigheid krijgen: doordat onze zonden ons niet aangerekend worden. Je hoort dus dat God ons met zich verzoent door ons onze zonden niet aan te rekenen. Daarom moet je er voortaan ook niet aan twijfelen op welke manier God ons rechtvaardigt.
Paulus laat dat zien in de brief aan de Romeinen, door middel van de verklaring van David dat rechtvaardigheid de mens wordt toegekend zonder zijn daden. Want David noemt de mens gelukkig wiens onrechtvaardigheid vergeven is, wiens zonden zijn bedekt, aan wie de Heer zijn misdaden niet heeft aangerekend. Romeinen 4:6-8; Psalm 32:1-2 Met geluk bedoelt Paulus daar ongetwijfeld rechtvaardigheid. En omdat hij verzekert dat die bestaat uit vergeving van zonden, is er voor ons geen reden om die anders te definiëren.
Daarom zingt Zacharias, de vader van Johannes de Doper, dat de kennis van het behoud ligt in de vergeving van zonden. Lucas 1:77 En Paulus volgde die regel in zijn preek over de kern van het behoud voor de inwoners van Antiochië. Lucas vertelt dat hij zo afsloot: ‘Door Hem wordt u vergeving van zonden verkondigd en van alles waarvan u niet gerechtvaardigd kon worden door de wet van Mozes, wordt ieder die gelooft door Hem gerechtvaardigd.’ Handelingen 13:38-39 De apostel verbindt de vergeving van zonden zo met rechtvaardigheid, dat hij laat zien dat ze beiden compleet hetzelfde zijn. En daaruit concludeert hij terecht dat de rechtvaardigheid die wij door Gods welwillendheid krijgen, voor ons gratis is.
En we moeten het geen ongebruikelijke uitspraak vinden dat de gelovigen voor God rechtvaardig zijn, niet door hun daden, maar door een gratis aannemen. Want die uitspraak komt zo vaak voor in de Schrift en ook de kerkvaders zeggen het soms zo. Augustinus zegt ergens: ‘De rechtvaardigheid van de heiligen in deze wereld ligt meer in vergeving van zonden dan in volmaakt goede eigenschappen.’
En dat klopt met de schitterende uitspraken van Bernardus van Clairvaux: ‘Dat Hij niet zondigt, is Gods rechtvaardigheid. Maar de rechtvaardigheid van de mens is Gods welwillendheid.’ En daarvóór had hij verzekerd dat Christus voor ons rechtvaardigheid is door kwijtschelding en dat je daarom alleen rechtvaardig bent als je uit barmhartigheid vergeving gekregen hebt.
Christus’ rechtvaardigheid is onze rechtvaardigheid
Dat betekent dus ook dat we alleen door God gerechtvaardigd worden doordat Christus’ rechtvaardigheid tussenbeide komt. Dat betekent hetzelfde als wanneer er gezegd zou worden dat de mens niet in zichzelf rechtvaardig is, maar omdat hij deelt in Christus’ rechtvaardigheid, doordat die hem toegerekend wordt.
Dit is het waard om goed op te letten. Immers, hierdoor verdwijnt het verzinsel dat de mens gerechtvaardigd wordt door geloof omdat hij door geloof deel krijgt aan Gods Geest en omdat Gods Geest hem rechtvaardig maakt. Dat is zo sterk in strijd met de leer die ik hiervóór uiteengezet heb, dat het daarmee nooit in overeenstemming gebracht kan worden. Want er is geen twijfel aan dat je zelf geen rechtvaardigheid hebt als jou geleerd wordt rechtvaardigheid buiten jezelf te zoeken.
De apostel Paulus verklaart dat heel duidelijk als hij schrijft dat Hij die geen zonde kende, voor ons een zoenoffer voor de zonde gemaakt is, zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden zijn. 2 Korinthiërs 5:21 Je ziet dat onze rechtvaardigheid niet in ons is, maar in Christus. En dat die alleen naar ons toekomt doordat we deel hebben aan Christus. Want in Hem bezitten we al zijn rijkdommen.
Dit is niet in strijd met wat Paulus ergens anders leert: dat de zonde als zonde veroordeeld is in het vlees van Christus, zodat de rechtvaardigheid van de wet vervuld zou worden in ons. Romeinen 8:3-4 Daarmee bedoelt hij geen andere vervulling dan een vervulling die we krijgen doordat die ons wordt toegerekend. Want de Heer Christus deelt zijn rechtvaardigheid zo met ons dat Hij op een wonderlijke manier net genoeg kracht in ons overgiet als we nodig hebben voor Gods oordeel.
Dat Paulus niets anders bedoeld heeft, blijkt overduidelijk uit een andere uitspraak die hij kort daarvóór gedaan had: ‘Zoals wij door de ongehoorzaamheid van één mens zondaren gemaakt zijn, zo worden wij door de gehoorzaamheid van één gerechtvaardigd.’ Romeinen 5:19 Hij plaatst onze rechtvaardigheid dus in de gehoorzaamheid van Christus. Wat is dat anders dan verzekeren dat wij alleen als rechtvaardig beschouwd worden omdat Christus’ gehoorzaamheid ons toegekend is, alsof het onze eigen rechtvaardigheid is?
Daarom lijkt het mij dat Ambrosius heel terecht Jacob als een voorbeeld gesteld heeft van deze rechtvaardigheid. Immers, Jacob had het eerstgeboorterecht niet zelf verdiend. Hij had zichzelf verstopt onder het uiterlijk van zijn broer. Hij deed diens kleren aan, die een heerlijke geur afgaven Genesis 27:27 en drong zich zo aan zijn vader op, om vermomd als een ander voor zijn eigen voordeel de zegen te krijgen. Zo gaan wij ook schuil onder de kostbare zuiverheid van Christus, onze eerstgeboren broer, om voor Gods ogen te horen verklaren dat we rechtvaardig zijn.
Dit zijn de woorden van Ambrosius: ‘Dat Izak de geur van de kleren geroken heeft, betekent misschien dat wij niet door onze daden gerechtvaardigd worden, maar door geloof. Want de zwakheid van het vlees vormt een hindernis voor onze daden. Maar de helderheid van het geloof, dat de vergeving van zonden verdient, verduistert de fouten van onze daden.’
Zo is het inderdaad. Want om gered te worden als wij God onder ogen komen, is het nodig dat we aangenaam ruiken naar zijn geur. Onze gebreken moeten bedekt en begraven zijn onder zijn volmaaktheid.
Voetnoten
- 349
Ambrosius van Milaan, Expositio Psalmi CXIII V, 10,47.
- 350
Petrus Lombardus, Sententiae III, 19,1.
- 351
Augustinus, De civitate Dei XIX, 27.
- 352
Bernardus van Clairvaux,Sermones super Cantica canticorum, 23,15.
- 353
Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 22,6-11.
- 354
Ambrosius van Milaan, De Iacobo et vita beata II, 2,9.
Voetnoot 349
Ambrosius van Milaan, Expositio Psalmi CXIII V, 10,47.
Voetnoot 350
Petrus Lombardus, Sententiae III, 19,1.
Voetnoot 351
Augustinus, De civitate Dei XIX, 27.
Voetnoot 352
Bernardus van Clairvaux,Sermones super Cantica canticorum, 23,15.
Voetnoot 353
Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 22,6-11.
Voetnoot 354
Ambrosius van Milaan, De Iacobo et vita beata II, 2,9.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.