Boek III · Hoofdstuk 9
Uitzien naar het toekomstige leven
Inhoud van dit hoofdstuk · 6 secties
- 1Kruisdragen leert ons uitzien naar het toekomstige leven
- 2Zonder tegenslagen blijven we te veel gehecht aan het aardse leven
- 3Het aardse leven niet haten
- 4Het aardse leven wel verachten in vergelijking met het toekomstige leven
- 5Het toekomstige leven is het toppunt van geluk
- 6De troost van het toekomstige leven
Kruisdragen leert ons uitzien naar het toekomstige leven
En wat voor soort verdrukkingen ons ook in het nauw brengen, altijd moeten we dit doel voor ogen houden: we moeten eraan wennen het tegenwoordige leven te verachten en zodoende geprikkeld worden om na te denken over het toekomstige leven. Want God weet heel goed dat wij van nature geneigd zijn om als beesten van deze wereld te houden. Daarom gebruikt Hij een heel geschikt middel om ons terug te trekken en onze verlamming te verdrijven, om te voorkomen dat we ons te veel aan onze liefde voor de wereld blijven vastklampen.
Weliswaar wil ieder van ons de indruk wekken dat hij in heel zijn levensloop de hemelse onsterfelijkheid nastreeft. Want we schamen ons ervoor om in niets uit te steken boven redeloos vee. En dat vee zou er op geen enkele manier slechter voorstaan dan wij als wij geen hoop zouden houden op een eeuwig leven na de dood.
Maar als je ieders gedachten, begeerten en daden zou onderzoeken, zou je daarin niets anders vinden dan de aarde. Vandaar onze stompzinnigheid. Ons verstand wordt zo afgestompt door de loze schittering van rijkdommen, macht en eer, dat het niet verder kan kijken. Ook ons hart wordt zo in beslag genomen en belast door hebzucht, eerzucht en wellust dat het niet hoger kan reiken. Kortom, heel onze ziel zit verstrikt in de verleidingen van het vlees en zoekt daarom haar geluk op aarde.
Om dit kwaad tegen te gaan, onderwijst de Heer de zijnen continu door te bewijzen hoe vluchtig dit leven is. Ze moeten zichzelf dus geen grote en rustige vrede beloven in dit leven. Om dat te voorkomen, laat de Heer toe dat ze vaak door oorlog, oproer, diefstal of ander onrecht verontrust en aangevallen worden. Ze moeten niet te sterk vergankelijke en vluchtige rijkdommen begeren en najagen en ze moeten geen rust vinden in de rijkdom die ze hebben. Om dat te voorkomen brengt de Heer hen tot armoede, de ene keer door onvruchtbaarheid van de aarde, een andere keer door brand en een volgende keer door nog weer andere middelen. Of Hij houdt hen in elk geval in een middelmatige situatie. Ze moeten niet al te gemakkelijk plezier hebben in de aangename kanten van het huwelijk. Om dat te voorkomen zorgt de Heer ervoor dat ze gekweld worden door de slechtheid van hun vrouw, vernedert Hij hen met slechte kinderen of treft Hij hen met het verlies van verwanten. En als Hij in al deze dingen iets meer welwillend voor hen is, laat Hij hen toch door ziekte of gevaar zien hoe onzeker alle goede dingen zijn, omdat ze onderworpen zijn aan sterfelijkheid. Zo voorkomt Hij dat ze uit dwaze trots verwaand worden of te veel op zichzelf gaan vertrouwen.
De tucht van een kruis levert ons pas op wat het ons hoort op te leveren, als we leren dat dit leven op zichzelf gezien onveilig, onrustig en op allerlei manieren ongelukkig is en in geen enkel opzicht echt gelukkig maakt. En dat alles wat het aan goeds te bieden heeft, onzeker, vluchtig, leeg en bedorven is, omdat het vermengd is met veel slechte dingen. Ook moeten we daaruit de conclusie trekken dat hier niets te vinden of te hopen valt dan strijd. We moeten onze ogen opheffen naar de hemel en denken aan onze overwinningskrans. Want we moeten beseffen dat we onze gedachten nooit serieus kunnen richten op het verlangen naar het eeuwige leven en op het nadenken daarover, als we niet eerst doordrongen zijn van verachting voor het tegenwoordige leven.
Zonder tegenslagen blijven we te veel gehecht aan het aardse leven
Er bestaat echt geen middenweg tussen deze twee: óf we gaan de aarde waardeloos vinden, óf we blijven vastzitten in een tomeloze liefde voor de aarde. Als de eeuwigheid ons ook maar iets interesseert, moeten we dus ijverig ons best doen om uit deze verkeerde boeien los te raken. Verder heeft het tegenwoordige leven heel veel moois. Het verleidt ons met veel ogenschijnlijk aantrekkelijke en aangename dingen, waarmee het ons streelt. Daarom is het voor ons heel belangrijk dat we steeds weer uit dat leven worden weggeroepen, om te voorkomen dat we door zulke lokmiddelen betoverd worden. Want wat, vraag ik je, zou er gebeuren als we hier genoten van een constante stroom van goede dingen en geluk?
Toch zijn de voortdurende prikkels van tegenslagen niet voldoende om ons aan te zetten tot het overdenken van de ellende van het leven. Het menselijk leven is net een damp of een schaduw. Niet alleen geleerden weten dat. Nee, ook voor eenvoudige mensen is dit de meest gebruikte uitdrukking. Ze vonden dat het heel goed was om dit te weten. Daarom hebben ze daar vele opmerkelijke uitdrukkingen aan gewijd. Toch hebben we haast nergens zo weinig aandacht voor. We denken meer aan andere dingen. Want bij alle plannen die we maken, doen we net alsof op aarde onze onsterfelijkheid vaststaat.
Als er een rouwstoet voorbijgaat, of als we tussen de graven wandelen, dan filosoferen we heel mooi over de vergankelijkheid van dit leven, dat geef ik toe. Want dan staat het beeld van de dood ons voor ogen. Maar zelfs dat doen we niet altijd. Want vaak maakt het geen enkele indruk op ons. Maar als het wel gebeurt, is het maar wijsheid voor even. Zodra we ons omkeren, verdwijnt het weer. Er blijft zelfs geen spoortje herinnering van over. Kortom, het is net zo vluchtig als het applaus in het theater na de een of andere voorstelling. Immers, we vergeten niet alleen de dood, maar ook het simpele feit dat we sterfelijk zijn. Alsof we daar nog nooit ook maar iets over gehoord hebben, keren we weer terug naar de luie zorgeloosheid van aardse onsterfelijkheid. Als ondertussen iemand het spreekwoord opdreunt dat de mens een eendagsvlieg is, dan erkennen we dat wel. Maar we schenken daar zo weinig aandacht aan, dat we toch blijven denken dat we altijd maar blijven leven.
Wie zou dus durven ontkennen dat het voor ons allemaal heel belangrijk is dat we – ik zeg niet: met woorden gewaarschuwd worden – maar er met alle mogelijke middelen van overtuigd worden dat het aardse leven een ellendige toestand is? Want ook al zijn we daarvan overtuigd, we houden maar nauwelijks op om dat leven onterecht en dwaas te bewonderen, alsof het het beste van het beste bevatte aan goede dingen. Als God het nodig vindt om ons te onderwijzen, zijn wij van onze kant verplicht om naar Hem te luisteren, als Hij roept en onze slapheid wegjaagt, zodat we de wereld gaan verachten en met heel ons hart ons best gaan doen om na te denken over het toekomstige leven.
Het aardse leven niet haten
Echter, als gelovigen zich aanwennen om dit leven te verachten, mogen ze dat leven niet gaan haten en niet ondankbaar worden tegenover God. Immers, ook al is dit leven vol ontelbaar veel ellende, toch hoort het ook bij Gods zegeningen. En die mogen we niet afwijzen. Als we dit leven niet erkennen als een goede gave van God, zijn we dus al schuldig aan een enorme ondankbaarheid tegenover God zelf. Vooral voor gelovigen moet dit leven een bewijs zijn dat God hun goedgezind is. Want dit leven is immers volledig bestemd om bij te dragen aan hun redding. Want voordat God ons openlijk de erfenis van de eeuwige glorie geeft, wil Hij door kleinere bewijzen laten zien dat Hij onze Vader is. Die bewijzen zijn de goede dingen die we elke dag van Hem krijgen. Dit leven dient dus om ons te leren begrijpen hoe goed God is. Zouden we het dan minachten alsof het geen greintje goeds zou bevatten?
We moeten dus tot het besef en de overtuiging komen dat dit leven een goede gave van God is die we niet mogen afwijzen. De
Schrift geeft daar veel duidelijke bewijzen van. Maar zelfs als die er niet zouden zijn, zet ook de natuur zelf ons ertoe aan om de Heer te danken omdat Hij ons in dit leven geboren heeft laten worden, omdat Hij ons toestaat dit leven te gebruiken en omdat Hij alle middelen geeft die nodig zijn om hier in leven te blijven.
En daar is nog meer reden toe als we bedenken dat we in dit leven in zekere zin voorbereid worden op de glorie van het hemelse koninkrijk. Want de Heer heeft bepaald dat degenen die ooit in de hemel gekroond moeten worden, eerst op aarde de strijd moeten aangaan. Want ze zullen pas zegevieren als ze eerst de moeilijkheden van de oorlog doorstaan hebben en de overwinning hebben behaald.
Er is ook nog een andere reden: in dit leven krijgen we door allerlei zegeningen al een voorproefje van Gods goedheid. Dat scherpt onze hoop op de volledige openbaring van die goedheid en het laat ons daar nog sterker naar verlangen. Het staat vast dat het feit dat wij hier op aarde leven een geschenk is van Gods goedheid en dat wij daarom tegenover Hem verplicht zijn daaraan te denken en Hem dankbaar te zijn. En dan gaan we vanzelf zien hoe ellendig dit leven eraan toe is. Dan komen we los van een te sterke begeerte naar dit leven, waar we – zoals ik gezegd heb – van nature toe geneigd zijn.
Het aardse leven wel verachten in vergelijking met het toekomstige leven
Verder, wat van de verkeerde liefde voor dit leven wordt afgetrokken, moet opgeteld worden bij het verlangen naar een beter leven.
Ik erken echt wel dat degenen die vonden dat je maar het beste niet geboren kon worden en anders maar beter zo snel mogelijk kon sterven, een heel juist inzicht hadden. Immers, zij misten Gods licht en de ware godsdienst. Dus hoe konden zij het leven anders zien dan ongelukkig en weerzinwekkend? En de Scythen, die bij de geboorte van hun verwanten treurden, maar bij hun dood openlijk feest vierden, deden dat ook niet zonder reden. Maar toch deden ze het tevergeefs. Want ze misten de juiste geloofsleer en daarom zagen ze niet dat wat op zichzelf niet gelukkig of begerenswaard is, voor vrome mensen bijdraagt aan het goede. En dus liep hun oordeel uit op wanhoop.
Als gelovigen het sterfelijke leven taxeren, moeten ze dus hierop letten: omdat ze beseffen dat het op zichzelf alleen maar ellende is, moeten ze extra enthousiast en bereid zijn om zich volledig te wijden aan het nadenken over het toekomstige, eeuwige leven. Als je beide levens met elkaar vergelijkt, kan het tegenwoordige leven niet alleen gerust verwaarloosd worden. Het moet ook, in vergelijking met het toekomstige leven, volledig veracht en afgewezen worden. Want als de hemel ons vaderland is, wat is de aarde dan anders dan een ballingsoord? Als verhuizen uit de wereld binnengaan in het leven is, wat is de wereld dan anders dan een graf? En wat is in de wereld blijven dan anders dan diep in de dood liggen? Als bevrijd worden van het lichaam betekent dat je volledig vrij wordt, wat is het lichaam dan anders dan een gevangenis? Als het genieten van Gods aanwezigheid het toppunt van geluk is, is het dan niet ellendig als je die aanwezigheid mist? En toch, zolang we de wereld niet verlaten hebben, wonen we nog niet bij de Heer. 2 Korinthiërs 5:6
Dus als we het aardse leven vergelijken met het hemelse leven, is er geen twijfel aan dat we het aardse leven maar vlug moeten verachten en vertrappen. Natuurlijk moet je het nooit haten, behalve voor zover het ons blijft onderwerpen aan de zonde. Hoewel, ook die haat moet eigenlijk niet op het leven zelf gericht worden. Hoe dan ook, het aardse leven moet onze afkeer en haat opwekken op zo’n manier dat we wel verlangen naar het einde, maar toch ook bereid zijn om in dit leven te blijven zolang de Heer dat wil. Onze afkeer moet dus zeker geen mopperen en ongeduld worden. Want dit leven is net een wachtpost waar de Heer ons heeft opgesteld. Wij moeten daar op onze post blijven totdat Hij ons wegroept.
Paulus klaagt weliswaar over zijn lot, omdat hij langer gevangen blijft in de boeien van het lichaam dan hij zou willen. Hij zucht van een vurig verlangen naar verlossing. Romeinen 7:24 Maar toch verklaart hij ook dat hij Gods bevel gehoorzaamt, dat hij tot allebei bereid is. Filippenzen 1:23 Want hij erkent dat hij het aan God verplicht is om de glorie zijn naam te laten schitteren, óf door te sterven, óf door te leven. Romeinen 14:8 Het is aan God om te bepalen wat het meest bijdraagt aan zijn eer. Dus als we voor de Heer moeten leven en sterven, moeten we de grens tussen onze dood en ons leven overlaten aan zijn goeddunken. Maar zo, dat we branden van verlangen naar de dood en continu bezig zijn daarover na te denken, dat we dit leven verachten in vergelijking met de toekomstige onsterfelijkheid en het om de slavernij aan de zonde graag vaarwel zeggen zodra het de Heer behaagt.
Het toekomstige leven is het toppunt van geluk
Maar het is iets tegennatuurlijks dat velen die voor christen willen doorgaan, niet bevangen zijn door dit verlangen naar de dood, maar in plaats daarvan door een grote angst voor de dood. Elke keer dat ze de dood horen noemen, sidderen ze als voor iets dat alleen maar afschuwelijk en vreselijk is. Het is natuurlijk niet vreemd dat we van nature huiveren als we horen over onze ontbinding. Maar het is absoluut onacceptabel als in het hart van een christen het licht van vroomheid ontbreekt. Een licht dat die angst – hoe sterk ook – overwint en onderdrukt met een troost die nog sterker is!
Immers, deze wankelende, gebrekkige, vergankelijke, bouwvallige, vluchtige en wegterende tent van ons lichaam wordt afgebroken, zodat hij snel vernieuwd wordt tot een stevige, volmaakte, onvergankelijke, kortom, een hemelse glorie. Als we dat bedenken, dwingt ons geloof ons dan niet om vurig te verlangen naar dat waar we van nature voor terugdeinzen? Door de dood worden we uit ballingschap teruggeroepen naar ons vaderland om daar te wonen, in het hemelse vaderland nog wel!
Als we dat bedenken, troost ons dat dan niet?
‘Maar,’ zal iemand zeggen, ‘er is niets wat niet voor altijd wil blijven bestaan.’ Natuurlijk, dat geef ik toe. Maar daarom beweer ik juist dat we moeten kijken naar de toekomstige onsterfelijkheid! Daar krijgen we een blijvende toestand, die op aarde nergens te vinden is. Want Paulus leert de gelovigen heel mooi om opgewekt de dood in te gaan, niet omdat ze uitgekleed willen worden, maar omdat ze aangekleed willen worden. 2 Korinthiërs 5:2-3 Of zouden de redeloze wezens, ja zelfs de niet-ademende schepselen, tot hout en stenen toe, zich bewust zijn van hun tegenwoordige vluchtigheid en uitkijken naar de laatste dag van de opstanding, om samen met Gods kinderen verlost te worden van de vluchtigheid? Maar zouden wij, die het licht van het verstand gekregen hebben en daar bovenop ook nog door Gods Geest verlicht zijn, niet hoger kijken dan dit wegteren van de aarde als het gaat over ons wezen? Romeinen 8:19-23
Maar het past niet in mijn opzet om hier op deze plaats te behandelen hoe verkeerd dit is. En in het begin heb ik al gezegd dat ik hier zeker geen lange lijst van gemeenplaatsen wil behandelen. Ik zou zulke bangelijke mensen aanraden om het boekje van Cyprianus Over sterfelijkheid te lezen, tenzij ze het eerder waard zijn om naar de filosofen verwezen te worden. Dan zouden ze kunnen zien wat voor doodsverachting die blijken te hebben en dan zouden ze wel rood worden van schaamte.
Maar laten we het erop houden dat je pas goed bent opgeschoten in de leerschool van Christus als je blij uitkijkt naar de dag van je dood en van de laatste opstanding. Want Paulus onderscheidt alle gelovigen met dit kenmerk. Titus 2:13 En de Schrift wijst ons daar steeds weer op, telkens als ze ons een reden wil geven voor grote blijdschap. ‘Spring op,’ zegt de Heer, ‘hef jullie hoofd op, want jullie redding is vlakbij.’ Lucas 21:28 Is het logisch, vraag ik je, dat dat waarvan Hij wilde dat het ons laat opspringen van vreugde, bij ons alleen verdriet en verslagenheid wekt? Als dat zo is, waarom beroemen we ons dan nog op Hem als onze leermeester?
We moeten dus verstandiger zijn. Ook al strijdt het met de blinde en domme begeerten van ons vlees, we moeten niet aarzelen niet alleen verlangend, maar ook zuchtend en steunend uit te kijken naar de komst van de Heer als het toppunt van geluk. Want Hij komt als onze verlosser, om ons uit deze onpeilbaar diepe poel van zonde en ellende omhoog te trekken en om ons te brengen naar dat gelukkige leven en naar de erfenis van zijn glorie!
De troost van het toekomstige leven
Zo is het inderdaad: zolang ze op aarde wonen, moet heel het volk van gelovigen zijn als schapen die bestemd zijn voor de slacht. Want dan lijken ze op Christus, hun hoofd. Romeinen 8:36 Dus zouden ze de meest ellendige mensen zijn als ze niet hun hart zouden opheffen naar de hemel en zo alles wat in de wereld is de baas werden en voorbijgingen aan de tegenwoordige uiterlijke vorm van de dingen. 1 Korinthiërs 15:19 Maar als ze juist met hun hoofd boven al het aardse uitsteken, zullen ze gemakkelijk overeind blijven in alle soorten rampen. Zelfs al zien ze dat goddelozen floreren in rijkdom en eer, dat die pronken met allerlei schitterende overdaad en overvloedig genieten. Zelfs al worden ze ook nog eens getroffen door de slechtheid van goddelozen, zelfs al krijgen ze beledigingen te verduren omdat die goddelozen zo trots zijn, zelfs al worden ze geplunderd omdat goddelozen zo hebzuchtig zijn, zelfs al worden ze gekweld door welke andere begeerte ook van goddelozen.
Want ze zullen de dag voor ogen houden waarop de Heer zijn gelovigen zal opnemen in de rust van zijn koninkrijk. Dan zal Hij alle tranen van hun ogen afvegen, Jesaja 25:8; Openbaring 7:17 dan zal Hij hun het kleed van de glorie en de vreugde aantrekken, Sirach 6:32 dan zal Hij hun onuitsprekelijke lekkernijen voeren, dan zal Hij het hun waard keuren om te delen in zijn geluk.
Echter, de goddelozen, die op aarde gefloreerd hebben, zal de Heer wegwerpen in de grootst mogelijke schande. Hij zal hun genot veranderen in kwelling, hun lachen en blijdschap in huilen en tandenknarsen, hun vrede zal Hij verstoren met vreselijke gewetenswroeging, hun wellust zal Hij straffen met een onuitblusbaar vuur. Jesaja 66:24; Mattheüs 25:41; Marcus 9:43; Openbaring 21:8 Bovendien zullen ze hun hoofden moeten buigen voor de vromen van wie ze het geduld misbruikt hebben. Want dat is, zo verklaart Paulus, rechtvaardigheid: als de Heer Jezus vanuit de hemel verschijnt, krijgen ellendigen en onrechtvaardig verdrukten verlichting, maar de goddelozen die de vromen verdrukken, worden met verdrukking beloond. 2 Thessalonicenzen 1:6
Echt, dit is onze enige troost! Als die ons wordt afgepakt, moeten we de moed wel laten zakken, of ons tot onze ondergang strelen met de lege vormen van troost van de wereld. Want ook de profeet erkent dat zijn voeten wankelden toen hij te veel bezig was met het nadenken over de tegenwoordige voorspoed van de goddelozen. Hij kon alleen maar overeind blijven omdat hij Gods heiligdom binnenging en zijn ogen richtte op het einde van de goddelozen. Psalm 73:2; 73:17 Kortom, in één woord: in het hart van gelovigen zegeviert het kruis van Christus pas over duivel, vlees, zonde en goddelozen als ze hun ogen richten op de kracht van de opstanding.
Voetnoten
- 346
Cyprianus van Carthago, De mortalitate.
Voetnoot 346
Cyprianus van Carthago, De mortalitate.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.