Boek III · Hoofdstuk 12

Rechtvaardig voor God

Inhoud van dit hoofdstuk · 8 secties
  1. 1Gods rechtvaardigheid is de norm
  2. 2Niemand is rechtvaardig voor God
  3. 3Augustinus en Bernardus van Clairvaux over de echte rechtvaardigheid
  4. 4Menselijke rechtvaardigheid is waardeloos
  5. 5We moeten nederig worden door zelfonderzoek
  6. 6We moeten alles van onszelf loslaten
  7. 7De gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar
  8. 8Arrogantie en zorgeloosheid blokkeren Gods barmhartigheid

Gods rechtvaardigheid is de norm

Uit duidelijke Schriftbewijzen blijkt dat dit allemaal volkomen waar is. Toch zal voor ons pas duidelijk vaststaan hoe nodig dit is, als we ons voor ogen gesteld hebben wat de basis moet zijn voor deze hele uiteenzetting. Daarom moeten we in de eerste plaats in gedachten houden dat het hier niet gaat over een rechtvaardigheid die stand houdt voor een menselijke rechtbank. Nee, het gaat over een rechtvaardigheid die stand houdt voor de hemelse rechterstoel. Hoe zuiver onze daden moeten zijn om te voldoen aan Gods oordeel, moeten we dus niet afmeten aan onze eigen beperkte maatstaf.

Toch is het wonderlijk hoe lichtzinnig dit meestal gedefinieerd wordt. Sterker nog, je ziet zelfs dat de mensen die het brutaalst kletsen en, zeg maar, de grootste mond opzetten over de rechtvaardigheid van onze daden, juist degenen zijn die op een vreselijke manier lijden onder tastbare zonden of die zoveel innerlijke gebreken hebben dat ze ervan barsten. Dat komt doordat ze geen idee hebben van Gods rechtvaardigheid. Want als ze daar ook maar het kleinste besef van hadden, zouden ze daar nooit zo de spot mee drijven.

Toch wordt die rechtvaardigheid buitengewoon onderschat als je die niet als zodanig erkent en niet beseft dat ze volmaakt is, dat niets voor haar acceptabel is als het niet in alle opzichten zuiver en volmaakt is en door geen enkele smet bezoedeld wordt. En zoiets heeft men nooit in een mens kunnen vinden en zal men ook nooit in een mens kunnen vinden.

Natuurlijk kan iedereen in de schuilhoeken van de scholen gemakkelijk zomaar het een en ander leuteren over de waarde van hun daden om mensen te rechtvaardigen. Maar wanneer we God onder ogen komen, blijft er van zulk vermaak niets over. Daar wordt dit onderwerp serieus behandeld. Daar wordt geen discussie gehouden voor de lol.

Hier, hier moeten we onze gedachten op richten als we een vruchtbaar onderzoek willen instellen naar echte rechtvaardigheid: wat moeten we de hemelse rechter antwoorden als Hij ons ter verantwoording roept?

Die rechter moeten we ons niet voorstellen zoals ons verstand zich Hem voorstelt, maar zoals de Schrift Hem tekent: zijn glans verduistert de sterren, Job 3:9 zijn kracht laat bergen wegsmelten, Job 9:5-6 zijn woede laat de aarde beven, Job 5:13 zijn wijsheid grijpt verstandigen in hun listen, Job 25:5 voor zijn reinheid worden alle dingen onrein, Job 4:18 zijn rechtvaardigheid kunnen zelfs de engelen niet verdragen. Job 9:20 Wie schuldig is, maakt Hij niet onschuldig. Job 26:6 Zijn wraak, eenmaal ontbrandt, dringt door tot in het diepste van de hel. Deuteronomium 32:22

Als Hij, zeg ik, klaarzit om de daden van de mensen te onderzoeken – wie zal onbekommerd voor zijn troon gaan staan? ‘Wie kan wonen bij een verterend vuur?’ zegt de profeet Jesaja. ‘Wie kan verblijven bij een eeuwige gloed? Wie rechtvaardig leeft en de waarheid spreekt …’ Jesaja 33:14-15 Maar laat er maar eens zo iemand tevoorschijn komen, wie het ook is! Nee, het antwoord zorgt er wel voor dat er niemand tevoorschijn komt. Want integendeel, daar klinkt het verschrikkelijke woord: ‘Als U, Heer, let op de zonden, wie, Heer, kan dan bestaan?’ Psalm 130:3 Inderdaad zou iedereen meteen vergaan, zoals ergens anders geschreven staat: ‘Zou een mens rechtvaardig zijn vergeleken bij God of reiner dan zijn maker? Kijk, zijn dienaren zijn onbetrouwbaar en bij zijn engelen vindt Hij fouten. Dan geldt dat toch zeker voor hen die in lemen huizen wonen, die opgebouwd zijn uit de aarde en die als een mot vermorzeld worden! Van de morgen tot de avond zullen ze verpletterd worden.’ Job 4:18-20 En: ‘Kijk, onder zijn heiligen is niemand betrouwbaar en de hemelen zijn niet zuiver in zijn ogen. Dan is de mens toch zeker weerzinwekkend en nutteloos, die onrechtvaardigheid drinkt als water!’ Job 15:15-16

Ik geef toe dat het boek Job een rechtvaardigheid noemt die uitgaat boven het houden van de wet. En met dat onderscheid moeten we rekening houden. Want ook al zou iemand zich aan de wet houden, dan zou hij toch niet kunnen bestaan voor deze rechtvaardigheid, die elk besef te boven gaat. Zelfs al is Job zich van geen kwaad bewust, toch is hij verslagen en verstomd. Want hij ziet dat God zelfs niet verzoend kan worden door de heiligheid van de engelen, als Hij hun daden in de bovenliggende schaal van de weegschaal zou leggen.

Deze rechtvaardigheid, die ik net noemde, laat ik nu dus liggen, omdat die niet te bevatten is. Ik zeg alleen dat we veel te zorgeloos zijn als we ons leven afmeten aan de meetlat van de geschreven wet en als we dan niet gekweld worden door een verschrikkelijke angst voor al die vervloekingen waarmee God ons wakker heeft willen schudden. Bijvoorbeeld deze vervloeking: ‘Vervloekt is ieder die niet vasthoudt aan alles wat geschreven staat in dit boek!’ Deuteronomium 27:26

Kortom, heel deze uiteenzetting zal geen enkele zin en geen enkel effect hebben als we ons niet allemaal schuldig stellen voor de hemelse rechter en ons niet uit eigen beweging neerwerpen en leeg maken uit zorg voor vergeving.

Niemand is rechtvaardig voor God

Hier, hier moeten we onze ogen naar opheffen, om te leren dat we beter kunnen sidderen dan pochen zonder dat we daar een reden voor hebben. Als we mensen met elkaar vergelijken, krijgen we allemaal gemakkelijk het idee dat wij iets hebben wat anderen niet mogen minachten. Maar als we naar God opklimmen, stort dat zelfvertrouwen in elkaar. Het vergaat voor je met je ogen kunt knipperen. Met onze ziel gaat het tegenover God net als met ons lichaam tegenover de hemel. Zolang we onze ogen alleen gebruiken om te kijken naar de dingen die vlakbij zijn, raken we ervan overtuigd dat we scherp kunnen zien. Maar als we ons oog richten op de zon, wordt het gestoken en verblind door het te felle licht en voelen we ons in het kijken naar de zon even zwak als we ons sterk voelden bij het kijken naar de dingen beneden.

We moeten onszelf dus maar niet bedriegen met een ongefundeerd zelfvertrouwen, ook al denken we dat we gelijk of zelfs superieur zijn aan andere mensen. Voor God betekent dat niets en aan zijn oordeel moeten we deze zaak overlaten. Als onze overmoed niet bedwongen kan worden door deze waarschuwingen, zal Hij ons antwoorden wat Hij tegen de farizeeën zei: ‘Jullie zijn het die zichzelf rechtvaardigen voor de mensen. Maar wat bij de mensen in hoog aanzien staat, is weerzinwekkend voor God!’ Lucas 16:15 Ga nu maar met de borst vooruit onder de mensen pochen op je rechtvaardigheid. God heeft er vanuit de hemel een weerzin tegen!

Maar wat zeggen Gods dienaren, die werkelijk onderwezen zijn door zijn Geest? ‘Ga geen rechtszaak aan met uw knecht. Want niemand die leeft, zal in uw ogen gerechtvaardigd worden.’ Psalm 143:2 En een ander zegt, al is het met een iets andere bedoeling: ‘De mens kan niet rechtvaardig zijn voor God. Als Hij zin heeft om met hem de strijd aan te gaan, kan hij van duizend keer niet één keer antwoord geven.’ Job 9:2-3 Hier horen we duidelijk hoe Gods rechtvaardigheid is: geen enkele daad van een mens kan eraan voldoen. Wanneer Gods rechtvaardigheid ons ter verantwoording roept over duizend misdaden, kunnen we ons zelfs niet van één daarvan zuiveren. Paulus, dat uitverkoren instrument van God, had in zijn geest vast het besef van zo’n rechtvaardigheid, toen hij openlijk verklaarde dat hij zich van geen kwaad bewust was, maar dat hij daardoor nog niet gerechtvaardigd was. 1 Korinthiërs 4:4

Augustinus en Bernardus van Clairvaux over de echte rechtvaardigheid

En zulke voorbeelden hebben we niet alleen in de Heilige Schrift. Alle vrome schrijvers laten zien dat ze er zo over dachten. Augustinus zegt bijvoorbeeld: ‘Dit is de enige hoop van alle vromen die onder deze last van het vergankelijke vlees en in deze zwakheid van leven zuchten: we hebben een middelaar, Jezus Christus, de rechtvaardige. Hij is het die bidt of onze zonden vergeven mogen worden.’ Wat horen we? Als dit hun enige hoop is, waar is dan het vertrouwen op hun daden?

En Bernardus zegt: ‘En inderdaad, waar is voor zwakke mensen anders een veilige en zekere rust en zorgeloosheid, dan in de wonden van de redder? Hoe machtiger Hij is om te redden, hoe rustiger ik daar woon. De wereld roept, het lichaam dringt, de duivel loert. Ik val niet, omdat ik gefundeerd sta op een stevige rots. Ik heb een zware zonde begaan, mijn geweten wordt onrustig, maar het zal niet volledig in verwarring raken, omdat ik zal blijven denken aan de wonden van de Heer.’

Later concludeert hij daaruit: ‘Daarom is de ontferming van de Heer mijn verdienste. Ik zit niet volledig zonder verdienste, zolang Hij niet zonder ontferming zit. Als de Heer veel barmhartigheid heeft, heb ik dus ook veel verdiensten. Zal ik dan zingen over mijn eigen rechtvaardigheid? Heer, ik zal alleen aan uw rechtvaardigheid denken. Want dat is ook mijn rechtvaardigheid. Want Hij is voor mij door God rechtvaardigheid geworden.’

En: ‘Dit is de hele verdienste van de mens: dat hij heel zijn hoop stelt op Hem die de hele mens redt.’

En zelf houdt hij vrede, maar toch geeft hij de eer aan God: ‘Uw eer moet onaangetast blijven. Met mij gaat het goed als ik vrede heb. De eer wijs ik volledig af, om te voorkomen dat ik zou verliezen wat ik gekregen heb, omdat ik mij aanmatig wat niet van mij is.’

Ergens anders spreekt hij nog duidelijker: ‘Waarom zou de kerk zich zorgen maken om verdiensten? In Gods plan ligt voor haar een veel sterkere en veel zekerder reden om te roemen! Dus is er geen reden voor jou om te vragen dankzij welke verdiensten wij goede hoop hebben, vooral omdat je bij de profeet Ezechiël hoort: “Ik zal het niet doen omwille van jullie, maar omwille van Mijzelf, spreekt de HEER.” Ezechiël 36:22; 36:32 Het is verdienste genoeg als je weet dat er niet genoeg verdiensten zijn. Maar zoals het verdienste genoeg is om je niets in te beelden over verdiensten, zo is geen verdiensten hebben ook genoeg om veroordeeld te worden.’

Dat Bernardus rustig het woord ‘verdiensten’ gebruikt voor goede daden, moeten we maar door de vingers zien als een gewoonte van zijn tijd. Uiteindelijk was het zijn bedoeling om de huichelaars aan het schrikken te maken, die brutaal tegen Gods genade ingingen door zich de vrijheid aan te matigen om te zondigen. Dat legt hij later ook in zijn eigen woorden uit: ‘Gelukkig de kerk die niet zonder verdiensten zit zonder zich iets in te beelden, maar zich wel iets inbeeldt zonder verdiensten. De kerk heeft reden om zich iets in te beelden, maar geen verdiensten. De kerk heeft verdiensten, maar die zijn bedoeld om te verdienen, niet om zich iets in te beelden. Zich niets inbeelden, is dat niet juist een verdienste? Dus mag de kerk zich extra gerust iets inbeelden, omdat ze zich niets inbeeldt. Want ze heeft alle aanleiding om te roemen: de overvloedige barmhartigheid van de Heer!’

Menselijke rechtvaardigheid is waardeloos

Ja, zo is het inderdaad. Mensen met een onrustig geweten voelen dat dit het enige toevluchtsoord is. Alleen daar kunnen ze veilig op adem komen als ze te maken hebben met Gods oordeel. Zelfs de sterren die ’s nachts het helderst schijnen, verliezen hun glans in het licht van de zon. Dus wat denken we dan dat er zal gebeuren, zelfs met de meest zeldzame onschuld van de mens, als die vergeleken wordt met Gods zuiverheid?

Want Gods oordeel zal een heel streng onderzoek zijn. Het zal doordringen tot de diepst verborgen gedachten van het hart. En zoals Paulus zegt, het zal aan het licht brengen wat verborgen is in duisternis. Een geweten dat zich schuilhoudt en zich verzet, zal dan gedwongen worden zelfs alles tevoorschijn te brengen wat nu uit ons geheugen verdwenen is. 1 Korinthiërs 4:5 De aanklager, de duivel, zal ons in het nauw brengen. Hij kent alle misdaden, want hij heeft ons ertoe aangezet die te plegen. In dat oordeel zullen we niets hebben aan de uiterlijke praal van goede daden, waar we nu alleen waarde aan hechten. Daar zal alleen een zuivere wil geëist worden. Daarom zal de huichelarij geschokt neervallen, zelfs al loopt zij nu te pronken uit een meer dan dronken overmoed. Dat geldt niet alleen voor de huichelarij waarmee de mens die zich tegenover God van zijn slechtheid bewust is, zich tegenover de mensen probeert groot te houden. Het geldt ook voor de huichelarij waarmee ieder zich voor God bedriegt. We zijn immers allemaal geneigd om onszelf te strelen en te vleien.

Als je geen aandacht hebt voor zo’n toneel, kun je jezelf wel een tijdje prettig en gerust rechtvaardigheid toeschrijven. Maar dat is wel een rechtvaardigheid die in Gods oordeel onvermijdelijk al snel uit je weggerukt wordt, net zoals grote schatten die je in je droom opgehoopt hebt, verdwijnen als je wakker wordt.

Maar als je serieus, als het ware onder Gods ogen, de juiste norm voor rechtvaardigheid onderzoekt, zul je zeker ontdekken dat alle daden van mensen, op hun waarde geschat, alleen maar vieze vlekken zijn. Wat meestal als rechtvaardigheid beschouwd wordt, is voor God enkel onrechtvaardigheid. Wat meestal als reinheid beschouwd wordt, is voor God enkel smerigheid. En wat meestal als eer beschouwd wordt, is voor God enkel schande.

We moeten nederig worden door zelfonderzoek

We moeten het niet erg vinden om van het kijken naar deze volmaaktheid van God af te dalen om naar onszelf te kijken, zonder vleierij en zonder blinde neiging tot eigenliefde. Want het is geen wonder als we op dat punt zo blind zijn. Immers, niemand van ons is onvatbaar voor een levensgevaarlijke toegeeflijkheid tegenover zichzelf. De Schrift verklaart dat we daar van nature allemaal mee besmet zijn. Salomo zegt: ‘Voor ieder mens is zijn weg in eigen ogen recht.’ Spreuken 21:2 En: ‘Alle wegen van een mens zijn in zijn eigen ogen zuiver.’ Wat dan? Wordt hij vanwege die misleiding vrijgesproken? Integendeel! In dezelfde passage voegt Salomo toe: ‘De Heer weegt het hart.’ Spreuken 16:2 Dat wil zeggen: de mens streelt zichzelf onder het uiterlijke masker van rechtvaardigheid. Maar ondertussen onderzoekt de Heer de verborgen onreinheid van zijn hart in zijn weegschaal.

We schieten dus niets op met zulke vleierij. Daarom moeten we ons dus maar niet uit eigen beweging bedriegen, want dat wordt onze ondergang. We moeten onszelf onderzoeken zoals het hoort. Daarom is het nodig dat ons geweten gebracht wordt voor

Gods rechterstoel. Zijn licht is absoluut onmisbaar om onze slechtheid te ontdekken. Zonder zijn licht zou die veel te diep schuilgaan. Pas voor Gods rechterstoel zien we duidelijk wat deze woorden betekenen: ‘Er is geen sprake van dat voor God een mens gerechtvaardigd zou worden die verrot als een worm,’ Job 25:6 ‘die weerzinwekkend en zinloos is, die de onrechtvaardigheid indrinkt als water.’ Job 15:16 ‘Want wie kan iemand die uit onrein zaad geboren is, rein maken? Niemand!’ Job 14:4 Dus zullen we hetzelfde ervaren wat Job van zichzelf zei: ‘Als ik zal bewijzen dat ik onschuldig ben, zal mijn mond mij veroordelen. Als ik wil bewijzen dat ik rechtvaardig ben, zal mijn mond aantonen dat ik slecht ben.’ Job 9:20

Want deze klacht van de profeet Jesaja over Israël slaat niet op één bepaalde tijd, maar op alle tijden: ‘Ze dwaalden als schapen en ze gingen ieder hun eigen gang.’ Jesaja 53:6 Jesaja neemt daar immers alle mensen samen naar wie de genade van verlossing zou komen.

En we moeten in ons onderzoek zo streng te werk gaan dat we er compleet door verslagen raken en op die manier voorbereid worden om Christus’ genade te ontvangen. Want je vergist je als je denkt dat je in staat bent om van die genade te genieten als je niet eerst de hoogmoed van je hart vernederd hebt. Het is een bekende uitspraak dat God de hoogmoedigen in verwarring brengt, maar de nederigen genade geeft. 1 Petrus 5:5

We moeten alles van onszelf loslaten

En op welke manier kunnen we ons anders vernederen dan door, zelf totaal arm en leeg, ruimte te geven aan Gods barmhartigheid? Want ik noem het geen nederigheid als we denken dat er nog iets in ons overgebleven is. Tot nog toe wordt er een gevaarlijke huichelarij geleerd door degenen die deze twee dingen bij elkaar willen houden: dat we tegenover God nederig moeten denken over onszelf, maar dat we toch onze eigen rechtvaardigheid ook enige waarde moeten toekennen. Maar als we voor God iets belijden wat in strijd is met wat we eigenlijk vinden, staan we schandelijk tegen Hem te liegen. En we kunnen onmogelijk een gepaste mening over onszelf hebben als we niet alles vernietigen wat in ons prijzenswaard lijkt.

Bij de profeet lees je dat er redding klaarligt voor het nederige volk, maar vernedering voor de ogen van de trotsen. Psalm 18:28 Bedenk dan dus in de eerste plaats dat de toegang tot redding niet voor je openstaat, tenzij je alle trots hebt afgelegd en door en door nederig geworden bent. En in de tweede plaats dat die nederigheid niet een bepaalde bescheidenheid is, waardoor je voor de Heer een centimeter afstand doet van je recht. Zo worden onder de mensen nederig genoemd wie zich niet hoogmoedig verheffen en niet op anderen neerkijken, hoewel ze er toch wel enig vertrouwen in hebben dat ze beter zijn dan anderen. Maar voor God moet je nederigheid een oprechte nederigheid van hart zijn, verslagen door een ernstig besef van je ellende en armoede. Want zo wordt het overal in Gods Woord beschreven.

Bij Zefanja zegt de Heer: ‘Ik zal van jou wegnemen wie juicht, maar Ik zal in het midden van je volk laten overblijven wie bedrukt en arm is en zij zullen op de Heer hopen.’ Zefanja 3:11-12 Laat de Heer daarmee niet duidelijk zien wie de nederigen zijn? Dat zijn zij die verslagen neerliggen omdat ze hun ellende kennen. Maar aan de andere kant noemt Hij degenen die juichen trots. Want mensen die blij zijn om hun voorspoed, juichen meestal. Maar de nederigen die Hij besloten heeft te redden, laat Hij niets overhouden, behalve dat ze hopen op de Heer.

Daarom zegt de Heer ook bij Jesaja: ‘Op wie zal Ik anders letten dan op de arme met een gebroken hart en op hem die beeft voor mijn woorden?’ Jesaja 66:2 En: ‘De hoge en verhevene, die woont in de eeuwigheid en wiens naam heilig is, die woont in de hoogte en in het heilige en bij wie een gebroken en nederig hart heeft, om de geest van de nederigen en het hart van de gebrokenen levend te maken.’ Jesaja 57:15 Als je zo vaak het woord ‘gebroken’ hoort, zie dat dan als de wond van het hart waardoor een mens die verslagen op de grond ligt niet kan opstaan. Als je, volgens Gods woorden, samen met de nederigen verhoogd wilt worden, moet je hart zo gebroken en gewond zijn. Als dat niet gebeurt, zul je door Gods machtige hand vernederd worden, tot je eigen schaamte en schande.

De gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar

En onze heel goede leermeester was niet tevreden met woorden. Daarom heeft Hij in een gelijkenis als op een schilderij het beeld van oprechte nederigheid voor ons getekend. Want Hij presenteert ons een tollenaar die op een afstand blijft staan en zijn ogen niet naar de hemel durft opheffen, maar luid jammerend bidt: ‘Heer, wees mij, zondaar, genadig!’ We moeten niet denken dat dit tekenen zijn van een gehuichelde bescheidenheid: dat hij niet naar de hemel durft kijken en niet dichterbij durft komen en dat hij zo luid jammert. We moeten beseffen dat dit bewijzen zijn van hoe hij er vanbinnen aan toe is.

Daartegenover plaatst de Heer een farizeeër die God dankt dat hij niet hoort bij de gewone mensen en geen rover is of een onrechtvaardige of een overspelige. Want hij vastte tweemaal per week en gaf tienden van alles wat hij bezat. Hij belijdt openlijk dat zijn rechtvaardigheid een geschenk van God is. Maar omdat hij erop vertrouwt dat hij rechtvaardig is, gaat hij weg van onder Gods ogen zonder dat God blij met hem is en terwijl God hem haat. Maar de tollenaar wordt gerechtvaardigd door zijn erkenning van zijn onrechtvaardigheid. Lucas 18:9-14

Hieraan kun je zien hoe blij God is als we Hem nederig onder ogen komen. Het hart staat dus niet open om zijn barmhartigheid te ontvangen als het niet helemaal leeg is van elke inbeelding dat we het zelf waard zijn. Als zo’n inbeelding ons hart in beslag neemt, wordt daarmee de toegang voor Gods barmhartigheid gesloten.

En niemand moet hieraan twijfelen. Daarom is Christus door de Vader naar de aarde gezonden met dit bevel: Hij moest het evangelie verkondigen aan armen, mensen met een gebroken hart genezen, gevangenen vrij verklaren, gebondenen verlossen en treurenden troosten. Hij moest hun eer geven in plaats van hun as, olie in plaats van hun droefheid, feestkleding in plaats van hun neerslachtigheid. Jesaja 61:1-3; Mattheüs 11:5; 11:28; Lucas 4:18 In overeenstemming met dat bevel nodigt Hij alleen mensen uit die vermoeid en belast zijn, om te delen in zijn goedheid. Mattheüs 11:28 En ergens anders zegt Hij: ‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaren.’ Mattheüs 9:13

Arrogantie en zorgeloosheid blokkeren Gods barmhartigheid

Dus als we Christus de ruimte willen geven om ons te roepen, moeten we alle arrogantie en zorgeloosheid ver van ons weg doen. Arrogantie ontstaat als we zo dwaas zijn ons een eigen rechtvaardigheid in te beelden, als een mens denkt dat hij iets heeft waarmee hij het verdient dat God blij met hem is. Zorgeloosheid kan ook bestaan zonder dat we ons iets inbeelden over onze eigen daden. Want vele zondaren zijn zo dronken van de zoetheid van hun zonden dat ze niet denken aan Gods oordeel. Ze blijven liggen alsof ze door een of andere slaapziekte verstijfd zijn. Daardoor proberen ze niet eens om de barmhartigheid te pakken te krijgen die hun wordt aangeboden.

Maar zo’n verlamming moeten we evengoed van ons afschudden als elk zelfvertrouwen. Alleen dan kunnen we ons onbelemmerd naar Christus haasten om leeg en hongerig gevuld te worden met zijn goede gaven. Want we kunnen nooit voldoende op Hem vertrouwen, als we onszelf niet volledig wantrouwen. We zullen ons hart nooit voldoende opheffen naar Hem, als we niet eerst in onszelf neergeworpen zijn. We zullen nooit voldoende troost vinden in Hem, als we nog troost vinden in onszelf.

We zijn dus pas geschikt om Gods genade aan te pakken en te houden als we het vertrouwen op onszelf volledig weggegooid hebben en alleen vertrouwen op de zekerheid dat Hij goed is. Als we, zoals Augustinus zegt, onze eigen verdiensten vergeten en Christus’ gaven omhelzen. Want als Hij verdiensten in ons zocht, zouden we zijn gaven nooit in handen krijgen.

En Bernardus van Clairvaux is het hier helemaal mee eens. Hij vergelijkt hoogmoedigen, zelfs al laten ze zich op hun verdiensten zo min mogelijk voorstaan, met ontrouwe slaven. Want de eer van de genade, die alleen maar door hen heengaat, houden ze onbeschaamd voor zichzelf. Dat is hetzelfde als wanneer een muur zou beweren dat hij de lichtstraal voortbrengt die hij door het venster opvangt.

Om hier niet langer bij te blijven stilstaan, laten we als een algemene en zekere regel hier aan vasthouden: je bent klaar om te delen in de vruchten van Gods barmhartigheid als je jezelf volledig leeg gemaakt hebt – ik zeg niet van rechtvaardigheid, want die is er niet – maar van de loze en verwaande inbeelding van rechtvaardigheid. Want voor zover je op jezelf vertrouwt, sta je Gods goedheid in de weg.

Voetnoten

  1. 355

    Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 5,15.

  2. 356

    Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 61,3.

  3. 357

    Bernardus van Clairvaux, Sermones in Psalmum Qui habitat, 15,5.

  4. 358

    Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 13,4.

  5. 359

    Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 68,6.

  6. 360

    Augustinus, De verbis apostolorum, 174,2.

  7. 361

    Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 13,5.

Voetnoot 355

Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 5,15.

Voetnoot 356

Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 61,3.

Voetnoot 357

Bernardus van Clairvaux, Sermones in Psalmum Qui habitat, 15,5.

Voetnoot 358

Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 13,4.

Voetnoot 359

Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 68,6.

Voetnoot 360

Augustinus, De verbis apostolorum, 174,2.

Voetnoot 361

Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 13,5.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.