Boek III · Hoofdstuk 13
Gods eer en een gerust geweten
Inhoud van dit hoofdstuk · 5 secties
- 1God moet alle eer krijgen voor onze rechtvaardiging
- 2Wie waarde toekent aan zijn eigen rechtvaardigheid, doet God tekort
- 3Zekerheid en rust zijn alleen mogelijk als we zelf niets hoeven te verdienen
- 4Als we zelf iets moeten verdienen, zijn Gods beloften voor ons waardeloos
- 5Alleen de rechtvaardiging door geloof alleen geeft zekerheid
God moet alle eer krijgen voor onze rechtvaardiging
Hier moeten we vooral op twee dingen letten: dat de eer van de Heer onaangetast en, zeg maar, in ongeschonden staat blijft en dat ons geweten kalme vrede en ongestoorde rust heeft onder zijn oordeel.
We zien hoe vaak en hoe ernstig de Schrift ons, als het gaat over rechtvaardigheid, ertoe aanspoort om onze lof alleen te belijden aan God. De apostel Paulus verklaart zelfs dat de Heer, toen Hij in Christus rechtvaardigheid aan ons gaf, dat deed met de bedoeling zijn eigen rechtvaardigheid te laten zien. En meteen daarna voegt hij eraan toe hoe Hij die laat zien: als alleen Hij wordt erkent als rechtvaardig en als degene die rechtvaardigt wie uit geloof in Jezus Christus is. Romeinen 3:25-26 Zie je wel dat Gods rechtvaardigheid nog niet genoeg aandacht krijgt als we niet alleen Hem beschouwen als rechtvaardig en als degene die in de genade van rechtvaardigheid mensen laat delen die het niet verdienen? Daarom wil Hij dat elke mond gestopt wordt en dat de hele wereld aan Hem onderworpen wordt. Romeinen 3:19 Want zolang een mens iets heeft dat hij tot zijn verdediging zou kunnen zeggen, komt Gods eer tekort.
Daarom leert God bij Ezechiël hoe we de glorie van zijn naam laten schitteren door onze onrechtvaardigheid te erkennen. ‘Jullie zullen denken,’ zegt Hij, ‘aan jullie wegen en aan al jullie misdaden waar jullie mee besmeurd zijn. Dan zullen jullie een hekel krijgen aan jullie zelf bij het zien van al die slechte daden die jullie bedreven hebben. En dan zullen jullie weten dat Ik de
HEER ben, omdat Ik jullie goed gedaan heb omwille van mijn naam en niet in overeenstemming met jullie slechte misdaden.’ Ezechiël 20:43-44 Bij het echt kennen van God hoort dus dat we, gebroken onder het besef van onze eigen onrechtvaardigheid, bedenken dat Hij ons goed doet, ook al zijn we dat niet waard. Waarom zouden we dan nog, tot grote schade van onszelf, proberen de Heer zelfs maar een klein stukje te ontfutselen van de eer van zijn gratis welwillendheid?
Ook Jeremia roept uit: ‘Laat een wijze zich niet beroemen op zijn wijsheid, een rijke niet op zijn rijkdom en een sterke niet op zijn kracht. Maar laat wie roemt, zich beroemen op de HEER.’ Jeremia 9:23-24 (9:22-23) Geeft hij hiermee niet aan dat Gods eer tekortgedaan wordt als een mens zich beroemt op zichzelf? Vast en zeker gebruikt Paulus deze woorden zo. Hij leert dat alle onderdelen van ons behoud in Christus liggen, zodat we ons alleen op de Heer moeten beroemen. 1 Korinthiërs 1:30-31 Want hij bedoelt dat je in opstand komt tegen God en Gods eer verduistert als je denkt dat je iets van jezelf hebt, al is het nog zo weinig.
Wie waarde toekent aan zijn eigen rechtvaardigheid, doet God tekort
Zo is het ongetwijfeld: we beroemen ons nooit echt op God, tenzij we volledig afstand gedaan hebben van onze eigen eer. Andersom moeten we als algemene regel vasthouden dat ieder die zich op zichzelf beroemt, zich beroemt tegen God. Paulus vindt immers dat de wereld pas aan God onderworpen wordt als de mensen elke reden om zich op zichzelf te beroemen volledig afgenomen is. Romeinen 3:19
Jesaja kondigt aan dat Israël in God gerechtvaardigd zal worden. En dan voegt hij het roemen er meteen aan toe, alsof hij zei: de uitverkorenen worden door de HEER gerechtvaardigd met de bedoeling dat ze zich op Hem zouden beroemen en nergens anders op. En in het voorgaande vers had hij geleerd hoe we ons op de Heer horen te beroemen: we moeten zweren dat onze rechtvaardigheid en onze kracht bij de HEER zijn. Jesaja 45:24-25 Let erop dat hier geen gewone belijdenis geëist wordt, maar een die met een eed bevestigd is. Niemand kan dus denken dat we er met een ik weet niet wat voor nederigheid vanaf zijn.
En niemand moet hier beweren dat hij zich nergens op beroemt als hij zonder arrogantie zijn eigen rechtvaardigheid erkent. Want als je enige waarde toekent aan je eigen rechtvaardigheid, leidt dat er onvermijdelijk toe dat je daarop vertrouwt. En als je erop vertrouwt, leidt dat er onvermijdelijk toe dat je je erop beroemt.
We moeten dus bedenken dat we bij heel de behandeling van rechtvaardigheid dit doel in het oog moeten houden: de eer van die rechtvaardigheid moet volledig ongeschonden bij de Heer blijven. Want zoals Paulus verklaart, Hij heeft zijn genade in ons uitgestort om zijn rechtvaardigheid te laten zien, om zelf rechtvaardig te zijn en om te rechtvaardigen wie uit geloof in Christus is. Romeinen 3:26
In een andere passage leert Paulus dat de Heer ons het behoud gegeven heeft om daardoor de glorie van de eer van zijn naam te laten schitteren. Efeziërs 1:6 En dan voegt hij er later aan toe, alsof hij hetzelfde nog een keer zegt: ‘Uit genade zijn jullie gered en door een gave van God. Niet door jullie daden, zodat niemand zich ergens op kan beroemen.’ Efeziërs 2:8-9
En Petrus leert dat wij geroepen zijn om te hopen op redding, zodat wij de goede eigenschappen zouden verkondigen van degene die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderlijk licht. Petrus 2:9Ongetwijfeld wil hij dan dat alleen Gods lof weerklinkt in de oren van de gelovigen, zodat daardoor alle arrogantie van het vlees in een diep stilzwijgen gehuld wordt.
Het komt hierop neer: een mens kan zich geen greintje rechtvaardigheid toe-eigenen zonder heiligschennis. Want zoveel rechtvaardigheid als jezelf toe-eigent, zoveel wordt er dan afgeplukt en afgerukt van de eer van Gods rechtvaardigheid.
Zekerheid en rust zijn alleen mogelijk als we zelf niets hoeven te verdienen
Dan nu de vraag op welke manieronsgeweten voor God tot rust gebracht wordt. Er is geen andere manier te vinden dan dat we gratis rechtvaardigheid krijgen als geschenk van God. We moeten steeds bedenken wat Salomo zegt: ‘Wie zal zeggen: “Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?”’Spreuken 20:9Er is echt niemand die niet bedolven zit onder een oneindige hoop onreinheid.
Ieder, zelfs de meest volmaakte, moet dus afdalen in zijn eigen geweten en zijn daden ter verantwoording roepen. Welke uitkomst zal hij dan vinden? Zal hij heerlijk gaan rusten, alsof al zijn zaken met God in orde zijn? Of zal hij juist door vreselijke kwellingen verscheurd worden, omdat hij merkt dat in hem een reden aanwezig is waarom hij veroordeeld moet worden, als hij volgens zijn daden beoordeeld wordt? Als het geweten naar God kijkt, moet het óf een onwankelbare vrede hebben met zijn oordeel, óf door de verschrikkingen van de hel gekweld worden.
Met het behandelen van rechtvaardigheid schieten we dus niets op als we geen rechtvaardigheid vaststellen die zo onwankelbaar is dat onze ziel er in Gods oordeel door gesteund wordt. Als onze ziel zelf niets heeft waarmee ze zonder te beven God onder ogen kan komen en ongeschokt zijn oordeel kan ondergaan, pas dan weten we dat we geen denkbeeldige rechtvaardigheid gevonden hebben.
Niet voor niets houdt de apostel Paulus hier dus zo aan vast. Ik gebruik liever zijn woorden dan mijn eigen woorden. Hij zegt: ‘Alsde beloofde erfenis van de wet afhangt, is geloof zonder betekenis geworden en de belofte tenietgedaan.’Romeinen
4:14Eerst vertelt hij dat geloof zonder betekenis en zonder inhoud gemaakt is als de beloofde rechtvaardigheid slaat op wat we met onze daden verdienen of ervan afhangt of je je aan de wet houdt. Want daar kan nooit iemand zorgeloos rust vinden, omdat nooit iemand bij zichzelf met zekerheid kan vaststellen dat hij de wet genoegdoening gegeven heeft. Want nooit kan iemand volledig genoegdoening geven door zijn daden. Bewijzen daarvan hoeven we niet ver te zoeken. Ieder die eerlijk naar zichzelf wil kijken, kan de bewijzen bij zichzelf vinden.
En hieruit blijkt in wat voor diepe en donkere schuilhoeken de ziel van de mensen begraven wordt door huichelarij. Want dan zijn ze tegenover zichzelf zo zorgeloos toegeeflijk dat ze niet aarzelen hun eigen vleierijen tegenover Gods oordeel te plaatsen, alsof ze van Hem konden eisen dat Hij het uitvoeren van zijn recht zou opschorten.
Maar de gelovigen die zichzelf oprecht onderzoeken, worden door een heel andere bezorgdheid in het nauw gebracht en gekweld.
In ieders hart zou dus eerst twijfel en uiteindelijk wanhoop opkomen als ieder voor zichzelf zou uitrekenen hoe groot de schuldenlast is die nog op hem drukt en hoe ver hij nog verwijderd is van het voldoen aan de voorwaarde die hem is opgelegd. Kijk, dan is het geloof al onderdrukt en uitgedoofd. Want twijfel, wispelturigheid, onbestendigheid, aarzeling, onzekerheid, wankelmoedigheid en wanhoop – dat is geen geloof. Geloven is dat je jezelf sterkt door een solide zekerheid en een onwrikbare rust, dat je ergens op kunt leunen of je voet op kunt neerzetten.
Als we zelf iets moeten verdienen, zijn Gods beloften voor ons waardeloos
In de tweede plaats zegt Paulus dat de belofte vergeefs zal zijn en zal verdwijnen. Want als de vervulling van de belofte afhangt van wat wij verdienen, wanneer komt het dan eindelijk zover dat we het verdienen dat God ons goed doet? Dit tweede punt is zelfs een logisch gevolg van het eerste punt. Want de belofte zal alleen vervuld worden voor degenen die in de belofte geloofd hebben. Dus als het geloof verdwenen is, heeft de belofte geen kracht meer. En dus hangt de erfenis af van geloof, zodat daardoor de belofte bevestigd wordt in overeenstemming met de genade. Want de belofte is ruimschoots bevestigd als die alleen rust op Gods barmhartigheid. Want Gods barmhartigheid en zijn betrouwbaarheid zijn door een eeuwige band met elkaar verbonden. Alles wat God barmhartig belooft, voert Hij ook trouw uit.
Voordat David vraagt of God hem wil redden zoals Hij beloofd had, noemt hij daarom eerst de reden voor die redding. Hij zegt: ‘Laat uw welwillendheid over mij komen en uw redding, volgens uw belofte.’Psalm 119:76 En terecht. Want de enige reden waarom God ertoe gebracht wordt om ons een belofte te doen, is zijn welwillendheid. Daar moeten we dus al onze hoop op vestigen en als het ware diep in verankeren. We moeten niet kijken naar onze daden, om daar enige hulp van te verwachten.
Ook Augustinus schrijft voor dat we dat moeten doen. Denk maar niet dat ik hier iets nieuws zeg. Hij zegt: ‘Christus zal voor eeuwig regeren in zijn dienaren. Dat heeft God beloofd. Dat heeft God gezegd. Of, als dat niet genoeg is, dat heeft God gezworen. De belofte is dus zeker, niet volgens onze verdiensten, maar volgens zijn barmhartigheid. Daarom moet niemand al aarzelend verkondigen waar hij nietaankan twijfelen.’
Ook Bernardus van Clairvaux zegt: ‘“Wie kan behouden worden?” vragen Christus’ leerlingen. Maar Hij antwoordt: “Bij de mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God.”Mattheüs 19:25-26 Dat is heel ons vertrouwen, heel onze troost, de hele basis voor onze hoop. Maar nu we er zeker van zijn dat het mogelijk is, wil God het nu ook? Wie weet ofhijliefde of haat verdient?Prediker 9:1Wie kent de gedachten van de Heer of wie is zijnadviseurgeweest?Romeinen 11:34; 1 Korinthiërs 2:16 Hier moet ons geloof ons duidelijk te hulp komen. Hier moet de waarheid steun bieden. Dan wordt wat verborgen is in het hart van de Vader, geopenbaard door de Geest. Zijn Geest getuigt en overtuigt ons hart dat wij kinderen van God zijn. Hij overtuigt ons door ons te roepen en gratis te rechtvaardigen, door geloof. En in die roeping en rechtvaardiging ligt als het ware een doorgang van de eeuwige voorbestemming naar de toekomstigeglorie.’
Laten we het zo kort samenvatten: de Schrift laat zien dat Gods beloften alleen zeker zijn als je ze met een vast vertrouwen in je geweten aanneemt. Als je twijfelt of onzeker bent, zo verklaart de Schrift, worden de beloften krachteloos. Bovendien verklaart de Schrift dat de beloften wankelen en onzeker zijn als ze gebaseerd worden op onze daden. Dus óf onze rechtvaardigheid gaat verloren, óf onze daden tellen niet mee, omdat er alleen ruimte is voor geloof. En de aard van dat geloof is dat het onze oren opent en onze ogen sluit, dat wil zeggen: we richten ons alleen op de belofte en denken helemaal niet meer aan wat wij als mensen waard zijn of verdienen.
Zo wordt die heerlijke voorzegging van Zacharia vervuld: als de onrechtvaardigheid van de aarde vernietigd zal zijn, zal ieder zijn vriend uitnodigen onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom.Zacharia 3:9-10Daarmee geeft de profeet aan dat de gelovigen alleen van de vrede genieten omdat ze vergeving gekregen hebben voor hun zonden. Want als de profeten het hebben over het rijk van Christus, moet je erop letten dat ze deze beeldspraak gebruiken: ze presenteren zichtbare zegeningen van God als beelden van geestelijke zegeningen.
Daarom wordt Christus ook de vredekoning en onze vrede genoemd.Jesaja 9:6; Efeziërs 2:14Hij brengt alle stormen in ons geweten tot bedaren.Als iemand vraagt op welke manier Hij dat doet, dan moeten we terechtkomen bij het offer waardoor God verzoend is. Want ieder die niet vasthoudt dat God ons alleen gunstig gezind is door die verzoening waardoor Christus zijn woede gedragen heeft, die zal nooit ophouden bang te zijn. Kortom, nergens anders dan in de verschrikkingen van Christus, onze verlosser, moeten wij onze vrede zoeken.
Alleen de rechtvaardiging door geloof alleen geeft zekerheid
Maar waarom gebruik ik een nogal onduidelijk Schriftbewijs? Paulus ontkent overal datwevrede of rustige vreugdein het geweten kunnen hebben als we niet voor vast aannemen dat we door geloof gerechtvaardigdworden.En hij verkondigt meteen waar die zekerheid vandaan komt: Gods liefde is door de Heilige Geest uitgestort in ons hart.Romeinen 5:1-5 Het is alsof hij zei dat onze zielen alleen rust kunnen vinden als we er vast van overtuigd zijn dat God blij met ons is.
Daaromroept hijergens anders ook namens alle vromen uit: ‘Wie kan ons scheiden van Gods liefde, die in Christusis?’Romeinen 8:35-39 Want bij het elk zuchtje wind, hoe klein ook, zullen we beven, tot we die haven binnengelopen zijn. Maar wehoevenons in het donker van de dood geen zorgentemaken zolang de Heer laat zien dat Hij onze herder is.Psalm 23:4
Degenen die kletsen dat we door geloof gerechtvaardigd worden omdat we, nadat we opnieuw geboren zijn, rechtvaardig zijn door geestelijk te leven, hebben nooit geproefd hoe heerlijk de genade is, omdat ze nooit overwogen hebben dat God hun genadig zal zijn. En dat betekent dus datzeevenmin als de moslims en alle mogelijke andere goddeloze volken weten wat de juiste manier is om te bidden.
Want Paulus getuigt dat je geen echt geloof hebt als je geloof je niet die o zo lieflijke naam van ‘Vader’ vóórzegt en in de mond legt. Ons geloof moet ons de mond openen, zodat we vrijmoedig uitroepen: ‘Abba, Vader!’Galaten 4:6; Romeinen 8:15Ergens anders zegt Paulus het nog duidelijker: in Christus hebben wij de vrijmoedigheid envol vertrouwende toegang door geloof in Hem.Efeziërs 3:12Dat gebeurt zeker niet door het geschenk van de nieuwe geboorte. Want die blijft in het vlees altijd onvolmaakt en blijft daarom ook vele redenen geven om te twijfelen.
Daarom komen we onvermijdelijk uit bij dit geneesmiddel: de gelovigen moeten eraan vasthouden dat ze recht hebben op de erfenis van het hemelse koninkrijk om geen andere reden dan dat ze zijn geënt in Christus’ lichaam en daarom gratis als rechtvaardig beschouwd worden. Want voor de rechtvaardiging geldt: geloof is enkel iets passiefs. We nemen in ons geloof niets van onszelf mee om Gods genade te verdienen, maar krijgen van Christus alles wat ons ontbreekt.
Voetnoten
- 362
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 88, 1,5.
- 363
Bernardus van Clairvaux, Sermones in dedicatione templi, 5,6.
Voetnoot 362
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 88, 1,5.
Voetnoot 363
Bernardus van Clairvaux, Sermones in dedicatione templi, 5,6.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.