Boek III · Hoofdstuk 14

Rechtvaardiging en heiliging

Inhoud van dit hoofdstuk · 21 secties
  1. 1Vier categorieën mensen
  2. 2Ook ongelovigen krijgen goede eigenschappen van God
  3. 3Goed gedrag zonder geloof is zonde
  4. 4Zonder Christus is alles wat een mens doet te veroordelen
  5. 5God moet ons eerst opnieuw geboren laten worden voor we iets goeds kunnen doen
  6. 6De mens kan zelf niets bijdragen aan zijn rechtvaardiging
  7. 7Het draait om een rein hart
  8. 8Je daden zijn voor God pas acceptabel als Hij eerst jouzelf aangenomen heeft
  9. 9Ook van ware gelovigen is geen enkele daad volmaakt
  10. 10Eén zonde is genoeg om alle goede daden teniet te doen
  11. 11Ook gelovigen kunnen niets zelf verdienen
  12. 12Weerlegging van bezwaren
  13. 13Meer doen dan nodig is
  14. 14Wij zijn slaven en daarom kunnen we nooit meer doen dan we verplicht zijn
  15. 15Dat Paulus afzag van zijn recht was niet meer dan hij hoefde te doen
  16. 16Geen vertrouwen en geen roemen op onze daden
  17. 17Vier soorten oorzaken: effectief, materieel, instrumenteel en finaal
  18. 18Goede daden geven pas vertrouwen als we eerst vertrouwen op Gods barmhartigheid
  19. 19Goede daden bewijzen dat we gered zijn
  20. 20Goede daden zijn gaven van God
  21. 21Goede daden zijn lagere oorzaken

Vier categorieën mensen

Laten we, om dit onderwerp nog duidelijker te maken, onderzoeken hoe rechtvaardig de mens tijdens heel zijn levensloop kan zijn. Laten we daarvoor een indeling maken in vier categorieën. Want óf de mensen zijn ondergedompeld in afgoderij, omdat ze geen kennis van God hebben, óf ze zijn alleen in naam christen, omdat ze wel zijn ingewijd in de sacramenten, maar door hun onreine levenmethun daden de God verloochenen die ze met hun mond belijden, óf ze zijn huichelaars die de slechtheid van hun hart verstoppen onder een loze schijn, óf ze zijn door Gods Geest opnieuw geboren en brengen echte heiligheid in praktijk.

De eerste categorie moet beoordeeld wordenvolgenshun natuurlijke gaven. Daarom zal er in hen van top tot teen nog geen vonkje goeds gevonden worden. Of we zouden de Schrift van leugens moetenwillen beschuldigen omdat ze van alle kinderen van Adam dit getuigenis geeft: ze hebben een slecht en koppig hart,Jeremia 17:9al de hersenspinsels van hun hart zijn van jongs af aan alleen maar slecht,Genesis 6:5; 8:21hun gedachten zijn zonder inhoud,Psalm 94:11de vrees voor God hebben ze niet voor ogen, niemand van hen is verstandig en niemand van hen zoekt God.Psalm 14:2In één woord, ze zijn vlees.Genesis 6:3Dat woord omvat alle daden die Paulus opsomt: ontucht, onreinheid, losbandigheid, overdaad, het dienen van afgoden,toverij, vijandschap, ruzie, jaloezie, woede, tweedracht, onenigheid, partijvorming, verbittering, moord en alles wat er maaraan smerigs en weerzinwekkends bedacht kan worden.Galaten 5:19-21

Dit is dan de waardigheid waar zijopmogen vertrouwen en waar ze trots op mogen zijn. Sommigen van hen hebben nog wel enig moreel fatsoen, dat onder mensen nog een beetje heilig lijkt. Maar we weten dat God niet op uiterlijkeschijn let. Daarom moeten we doordringentotde eigenlijkebron van hun daden, als we willen dat ze iets te betekenen hebben voor rechtvaardigheid. Volgens mij moeten we dus grondig onderzoeken uit wat voor hart deze daden voortkomen.

Op dit punt is er genoeg aanleiding om veel te zeggen. Maar omdat dit onderwerp ook in enkele woorden behandeld kan worden, zal ik proberen het zo kort mogelijk uit te leggen.

Ook ongelovigen krijgen goede eigenschappen van God

Om te beginnen ontken ik niet dat alle uitstekende gaven die in ongelovigenen afgodendienaarstevoorschijn komen, geschenken van God zijn. Ik wijk ook niet zover af vanhet gezond verstanddat ik zou beweren dat er geen verschil is tussenderechtvaardigheid, zelfbeheersing en eerlijkheid van Titus enTrajanus2en de waanzin, bandeloosheid en wreedheid vanCaligula,Nero3ofDomitianus. Of tussen de vuile wellust vanTiberius5en de in dit opzicht ingetogen levenswijze vanVespasianus. Of – om niet elke goede of slechte eigenschap apart op te noemen – tussen het vasthouden aan het recht en de wetten of het minachten daarvan. Want hetverschiltussen recht en onrecht is zo groot, dat het zelfs zichtbaar isineen dode afbeelding daarvan. Immers, wat blijft er nog aan goede orde over in de wereld als we recht en onrecht door elkaar halen?

Daarom heeft de Heer een dergelijk onderscheid tussen fatsoenlijke en schandelijkedaden niet alleen in het hart van ieder mens gegrift. Hij versterkt dat onderscheid ook vaak door het uitdelende werk van zijn voorzienigheid.Want wezien datHij van de mensen degenen die fatsoenlijk leven tegemoet komt met veel zegeningen van het tegenwoordige leven. Niet dat dat uiterlijk zichtbare fatsoen ook maar de kleinste goede gave van Hem zou verdienen. Maar Hij laat graag zien hoe belangrijk Hij echte rechtvaardigheid vindt, door niet toe te staan dat ook uiterlijke, gehuichelde rechtvaardigheid niet beloond zou worden. En dat betekent dus – dat heb ik zo neterkent– dat al zulke goede eigenschappen, of beter afbeeldingen van goede eigenschappen, gaven van God zijn. Want er is niets prijzenswaardigs dat niet bij Hem vandaan komt.

Goed gedrag zonder geloof is zonde

Toch is ook waar wat Augustinus schrijft:alle mensendie van het dienen van de enige God vervreemdzijn, verdienengeen beloning, maar juist straf, zelfs al worden ze bewonderd omdat ze bekend staan om hun goede eigenschappen. Want de reine gaven van God besmeuren ze door hun onreine hart. Weliswaar zijn ze instrumenten van God om door rechtvaardigheid, ingetogenheid, vriendschap, zelfbeheersing, kracht en wijsheid de maatschappij in stand te houden. Maar ze verrichten hun goede daden wel op een heel verkeerde manier. Want ze worden niet van verkeerde daden afgehouden door verlangen naar het goede, maar alleen door eerzucht of egoïsme of door welke andere verkeerde motivatie ook.

Hun daden komen voort uit een onrein hart. Hun daden zijn dus bedorven omdat de bron onrein is. En daarom moeten hun daden niet gerangschikt worden onder de goede daden, net zo min als de slechte eigenschappen die ons vaak bedriegen omdat ze zo lijken op goede eigenschappen.

Kortom, we moeten ons herinneren dat het eeuwige doel van rechtvaardigheid is dat God gediend wordt. Daarom verliest alles wat een ander doel nastreeft terecht de naam rechtvaardigheid.

Zij kijken niet naar het doel dat God in zijn wijsheid voorschrijft. Dus is wat zij doen zonde, ook al lijkt het dat ze hun plicht goed vervullen. Het is toch zonde omdat het doel verkeerd is.

Augustinus concludeert daarom dat alle Fabriciussen,

Scipio’s2en Cato’s –alle heidenen die zo geprezen worden –in hun geweldige daden gezondigd hebben omdat ze het licht vanhetgeloof misten en daarom hun daden niet richtten op het doel waaropze die hadden moeten richten.Echte rechtvaardigheid was in hen dus niet aanwezig. Want of je je plicht vervult hebt, wordt niet beoordeeld op grond van wat je doet, maar op grond van wat je bedoeling is.

Zonder Christus is alles wat een mens doet te veroordelen

Bovendien zegt Johannes dat er geen leven is buiten de Zoon van God. Johannes 5:12Als dat waar is, gaan wie geen deel hebben aan Christus, wie het ook zijn en wat ze ook doen of ondernemen, vol hoop hun ondergang en het oordeel van de eeuwige dood tegemoet.

Dat klopt met deze uitspraak van Augustinus: ‘Onze godsdienst maakt geen onderscheid tussen rechtvaardigen en onrechtvaardigen door de wet van onze daden, maar door de wet van geloof. Zonder geloofveranderendaden die goed lijken in zonden.’

En hetzelfde zegt hij ergens anders ook heel mooi, als hij de ijver van zulke mensen vergelijkt met een hardloper die van zijn parcours afwijkt. Want hoe ijveriger je buiten het parcours loopt, hoe verder je verwijderd raakt van het doel en hoe ongelukkiger je daardoor wordt. Daarom beweert hij dat je beter kreupel op het parcours kunt lopen, dan dat je buiten het parcours loopt.

Ten slotte staat vast dat zulke mensen slechte bomen zijn. Want als je geen deel hebt aan Christus, is er geen heiliging. Ze kunnen dus wel mooie vruchten voortbrengen die er prachtig uitzien en heerlijk smaken. Maar toch is er niets goeds aan. Hieruit blijkt duidelijk dat alles wat een mens denkt, beraamt en uitvoert voordat hij met God verzoendis, vervloekt is. Het heeft niet alleen geen waarde voor rechtvaardigheid. Het verdienthetzelfs absoluut om veroordeeld te worden. En waarom zou ik nog meer argumenten aanvoeren, alsof dit iets twijfelachtigs zou zijn? Het getuigenis van de apostel heeft al bewezen dat het onmogelijk is dat God blij met iemandiszonder datdiegenegelooft.Hebreeën

11:6

God moet ons eerst opnieuw geboren laten worden voor we iets goeds kunnen doen

Maar het bewijs zal nog overtuigender blijken als we tegenover de natuurlijke toestand van de mens Gods genade plaatsen. Want overal roept de Schrift uit dat God in de mens niets vindt dat Hem kan aansporen om de mens goed te doen. Alleen door zijn genadige welwillendheid komt Hij eerst naar de mens toe. Want wat kan een dode doen om levend te maken? En toch wordt er van God gezegd dat Hij, als Hij ons verlicht met zijn kennis, uit de dood opwektJohannes 5:25en een nieuw schepsel van ons maakt.2 Korinthiërs 5:17

We zien immers dat Gods welwillendheid tegenover ons vaakindezeterminologieaangeprezen wordt, vooral bij de apostel Paulus. Hij zegt: ‘God, die rijk is aan barmhartigheid, door zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, ook toen wij dood waren door de zonden, heeft ons levend gemaakt met Christus …’Efeziërs 2:4-5 Ergens anders behandelt hij Abraham als het voorbeeld van de algemene roeping van de gelovigen. Dan zegt hij: ‘God is het die de doden levend maakt en de dingen roept dieer niet zijn, alsof ze er wel zijn.’Romeinen 4:17Als wij niets zijn, wat – vraag ik je – kunnen we dan doen?

Daarom houdt de Heer in het verhaal van Job deze arrogantie met kracht in toom, met deze woorden: ‘Wie is Mij vóór geweest, zodat Ik hem moet terugbetalen? Want alles is van Mij.’Job 41:2 (41:3) En als Paulus die uitspraak uitlegt, past hij die zo toe: wij moeten niet denken dat we de Heer iets kunnen geven, behalve dan de schande van armoede en gebrek.Romeinen 11:35

Daarom voert Paulus in de passage die ik hierboven aanhaalde, als hijwilbewijzen dat we alleen door Gods genade de hoop op redding verkregen hebben en niet door onze daden, aan dat we Gods schepselen zijn. Want in Christus Jezus zijn we opnieuw geboren om goede daden te verrichten, die God heeft voorbereid, zodat we op die manier zouden leven.Efeziërs 2:8-10Het is alsof hij zei: ‘Wie van ons zou zich erop kunnenlaten voorstaandat hij door zijn rechtvaardigheid God ertoe aangezet heeft? Wij kunnen immers pas voor het eerst iets goeds doen als gevolg van onze nieuwe geboorte. Want wij zijn er van nature zo aan toe datereerder olie uit een steen stroomt dan dat er een goede daad uit ons geperst kan worden.’ Werkelijk, het is wonderlijk dat een mens die veroordeeld is tot zo’n grote schande, zichzelf nog iets durft toeschrijven.

Laten wij dus met dit uitstekende instrument van God erkennen dat de Heer ons geroepen heeft met een heilige roeping, niet op grond van onze daden, maar op grond van zijn plan en zijn genade.2 Timotheüs 1:9 En dat de welwillendheid en liefde van God, onze redder, aan ons verschenen is. Want Hij heeft ons gered, niet op grond van rechtvaardige daden, die wij gedaan zouden hebben, maar op grond van zijn barmhartigheid, zodat wij door zijn genade gerechtvaardigd zouden worden en erfgenamen zouden worden van het eeuwige leven.Titus 3:4-7 Als we dit erkennen, beroven we de mens van elk greintje rechtvaardigheid. Dan zal hij alleen door Gods barmhartigheid opnieuw geboren zijn in de hoop op het eeuwige leven. Want als de rechtvaardigheid van onze daden iets bijdraagt om ons te rechtvaardigen, is het onterecht om te zeggen dat we door genade gerechtvaardigd worden.

Natuurlijk had de apostel zijn eigen woorden niet vergeten, toen hijzeidat we uit genade gerechtvaardigd worden. Want ergens anders had hij beargumenteert dat genade geen genade meer is als onze daden enige waarde hebben.Romeinen 11:6 En wat bedoelt de Heer anders als Hij zegt dat Hij niet gekomen is om rechtvaardigen te roepen, maar zondaren?Mattheüs 9:13Als alleen zondaren toegelaten worden, waarom zouden wijdantoegang krijgen door verzonnen rechtvaardige daden?

De mens kan zelf niets bijdragen aan zijn rechtvaardiging

Steeds weer komt bij mij dezelfde gedachteop: loop ikgeengevaar dat ik Gods barmhartigheid onrecht doe doordat ik zo angstvallig mijn best doe die te verdedigen alsof het iets twijfelachtigs of onduidelijks is? Maar wij zijn nu eenmaal zo slecht dat we nooit aan God overlaten wat van Hem is, als we niet heel krachtig in toom gehouden worden. Daarom zie ik me gedwongen hier wat langer bij stil te staan. Maar omdat de Schrift over dit onderwerp duidelijk genoeg is, voer ik de discussie liever met haar woorden dan met die van mij.

Jesaja beschreef het algemene bederf van het menselijk geslacht. Vervolgens voegde hij daar heel mooi aan toe op welke manier dat bederf weer hersteld wordt: ‘De HEER zag het en het was slecht in zijn ogen. Hij zag dat er niemand was en Hij verwonderde zich dat er niemand was die tussenbeide kwam. En Hij nam de redding in eigen hand en versterkte zichzelf met zijn rechtvaardigheid.’Jesaja 59:15-16Waar zijn onze rechtvaardige daden, als het waar is wat de profeet zegt, dat er niemand is die de Heer helpt in het terugkrijgen van zijn behoud?

Daarom zegt een andere profeet, als hij vertelt wat de Heer doet om de zondaren te verzoenen: ‘Ik zal mij met jou verloven in rechtvaardigheid, recht, welwillendheid en barmhartigheid. Ik zal zeggen tegen haar die geen barmhartigheid gekregen heeft: jij die barmhartigheid gekregen hebt!’Hosea 2:18:22 (2:21-25)Als zo’n verbond, dat vast en zeker onze eerste band met God is, steunt op Gods barmhartigheid, blijft er geen enkele basis meer over voor onze eigen rechtvaardigheid.

Echt, van degenen die beweren dat de mens met een beetje rechtvaardigheid op grond van eigen daden God tegemoet komt – van hen zou ik wel eens willen weten of ze vindenof er nog een andererechtvaardigheidkan zijndan de rechtvaardigheid waar God blij mee is. Als het onzin is om zoiets te denken, wat kan God dan van zijn vijanden krijgen waar Hij blij mee is? Hij wijst hen immers volledig af, met al hun daden. En volgens mij zijn wij, zo verklaart de waarheid, allemaal uitgesproken doodsvijanden van onze God, totdat we gerechtvaardigd worden en als zijn vrienden worden aangenomen.Romeinen 5:10; Kolossenzen 1:21 Als de rechtvaardiging het begin van liefde is, welke rechtvaardige daden kunnen daar dan aan voorafgaan?

Om deze gevaarlijke arrogantie af te wenden, wijst Johannes ons er met nadruk op dat wij niet eerst Hem liefgehad hebben. Johannes 4:10En datzelfde had de Heer vroeger al geleerd via zijn profeet: ‘Ik zal hen liefhebben,’ zegt Hij, ‘met een vrijwillige liefde. Want mijn woede heeft zich van hen afgewend.’Hosea 14:5Als Hij zich vrijwillig tot ons gekeerd heeft, wordt zijn liefde natuurlijk niet gewekt door onze daden.

Maar de onwetende massa denkt dat dit niets anders betekent dan dat niemand verdiend heeft dat Christus onze verlossing zou volbrengen en dat wij door onzedaden geholpen worden om onze verlossing in bezit te krijgen. Integendeel, ook al zijn we door Christus verlost, zolang we nog niet door de Vader worden geroepen ennog nietingelijfd worden om deel te krijgen aan

Christus, zijn we nog steeds erfgenamen vanduisternis endood en tegenstanders van God.Want Paulus leert dat we pas van onze onreinheid door het bloed van Christus gereinigd en gewassen worden als de Geest die reiniging in ons werkt. Korinthiërs

6:11

Petrus wil hetzelfde zeggen. Hij verklaart dan dat de heiliging van de Geesthet effect heeft dat we gehoorzamen en besprenkeldworden met het bloed van Christus. Petrus 1:2Als de Geest ons besprenkeltmet het bloed van Christus om ons te reinigen, moeten we dus niet denken dat we vóór die besprenkeling iets anders zijn dan een zondaar zonder Christus.

Het moet dus vast blijven staan dat het begin van onze redding een opstanding is, als uit de doodnaarhet leven. Want pas als het ons omwille van Christus gegeven is dat we gaan geloven,Filippenzen 1:29beginnen we uit de dood over te gaan in het leven.

Het draait om een rein hart

Dit geldt ook voor de tweede en de derde categorie mensen uit de hierboven genoemde indeling. Want de onzuiverheid van hun geweten bewijst dat deze beide categorieën nog niet door Gods Geest opnieuw geboren zijn. En het feit dat zij nog niet opnieuw geboren zijn, verraadt vervolgens dat zij nog geloof missen. En daaruit blijkt dat ze nog niet met God verzoend zijn en dat ze in zijn ogen nog niet gerechtvaardigd zijn. Want die zegeningen krijg je alleen door geloof.

Wat kunnen zondaren die van God vervreemd zijn anders voortbrengen dan dingen die voor zijn oordeel afgekeurd worden? Zowel alle goddelozen als vooral de huichelaars zijn verwaand en vol dwaas vertrouwen. Ze weten dat heel hun hart vol vuil is. Maar als ze enkele ogenschijnlijk goede daden doen, denken ze toch dat die daden zoveel waard zijn dat God ze niet mag afwijzen. Vandaar die gevaarlijke dwaling dat ze er niet toe gebracht kunnen worden dat ze erkennen dat ze alle rechtvaardigheid missen, ook al zijn ze er wel van overtuigd dat hun hart slecht en goddeloos is. Maar ook al erkennen ze dat ze onrechtvaardig zijn – want dat kunnen ze niet ontkennen – toch matigen ze zich enige rechtvaardigheid aan.

Deze ijdelheid weerlegt de Heer heel mooi via de profeet Haggaï. Hij zegt: ‘Vraag de priesters: “Als iemand heilig vlees draagt in de slip van zijn mantel endaarmeebrood of ander voedsel aanraakt, zal dat dan heilig worden?” En de priesters antwoordden: “Nee.” En Haggaï zei: “Als iemand die onrein is van een dood lichaam iets van deze dingen aanraakt, zal het dan onrein worden?” En de priesters antwoordden: “Ja, het zal onrein worden.” Toen zei Haggaï: “Dan ishetvolk voor mijnogen, spreekt de HEER, en dan is al het werk van hun handen en alles wat ze Mij offeren dus onrein.”’Haggaï 2:12-15 (2:11-14)

Och, konden wij die uitspraak maar echt geloven of goed in ons geheugen prenten! Want erisniemand,hoe verdorven hij in heel zijn leven ook is, die zich wil laten overtuigen van wat de Heer hier duidelijk uitspreekt. Zodra een van de slechtste mensen één of twee plichten van de wet vervuld heeft, twijfelt hij er niet aan dat hem dat als rechtvaardigheid wordttoegerekend. Maar integendeel, de Heer roept dat dat geen heiliging oplevert, tenzij eerst het hart gezuiverd is. En dat is nog niet alles. Want Hij verklaartookdat alle daden die verricht worden door zondaren, besmet zijn door de onreinheid van hun hart.

Weg dus met de benaming ‘rechtvaardigheid’ voor daden die door de mond van God veroordeeld worden vanwege hun onreinheid! En dat laat Hij zien met een heel mooie vergelijking. Want je zou kunnen tegenwerpen dat wat de Heer geboden heeft onontkoombaar heilig is. Maar Hijzelf gaat daar dwars tegenin en zegt dat het logisch is dat wat in de wet van de Heer geheiligd is, besmeurd raakt door het vuil van goddelozen. Want als een onreine hand iets heiligs aanraakt, wordt het ontheiligd.

Je daden zijn voor God pas acceptabel als Hij eerst jouzelf aangenomen heeft

Dezelfde kwestie behandelt de Heer schitterend bij Jesaja. Hij zegt: ‘Breng Mij niet tevergeefs offers. Het reukwerk vindIk weerzinwekkend. Jullie nieuwe maanden en plechtige feesten haatIk. Zij zijn voor Mij een last geworden. Ik ben het zat om ze te verdragen. Als jullie je handen opheffen, zalIk mijnogen voor jullie sluiten. Als jullie nog vaker gaan bidden, zalIk niet luisteren. Want jullie handen zitten vol bloed. Was je, reinig je, doe de slechtheid van jullie gedachten weg!’Jesaja 1:13-16

Wat betekent dat dat de Heer zo’n afkeer heeft van gehoorzaamheid aan de wet? Ja, maar de Heer verwerpt hier niets wat in overeenstemming is met de juiste manier om je aan de wet te houden. Maar het begin daarvan, zo leert Hij overal, ligt in de vrees voor zijn naam. Als die vrees er niet is, is alles wat Hem geofferd wordt niet alleen zonder betekenis. Het is vuile en weerzinwekkende onreinheid.

Laat de huichelaars nu hun gangmaar gaan. Ze mogen de in hun hart verborgen slechtheid houden en hun best doen om met hun daden God voor zich te winnen. Maar op die manier zullen ze Hem steeds erger irriteren. Want offers van goddelozen vindt Hij weerzinwekkend. Alleen het gebed van oprechten doet Hem plezier.Spreuken 15:8

Daarommoet volgens mij boven elke twijfel verheven zijn en hoort het iedereen die redelijk thuis is in de Schrift bekend te zijn: zelfs de daden die in mensen die nog niet echt geheiligd zijn het meest schitteren,staanvoor God zover af van rechtvaardigheid dat ze als zonden beschouwd moeten worden.En dus is het helemaal waar wat gezegd is door degenen die leerden dat personen bij God geen genade krijgen door hun daden, maar integendeel, dat God pas blij is met de daden als eerst de persoon in Gods ogen genade gevonden heeft.

Eerbiedig moeten we op deze volgorde letten. De Schrift leidt ons er met de hand naartoe. Mozes schrijft dat de Heer letteop Abel en op zijn daden.Genesis 4:4 Zie je wel hoe Mozes duidelijk maakt dat de Heer mensen eerst genadig is en dan pas op hun daden let? Daarom moet de reiniging van het hart vooropgaan. Pas daarna zal God de daden die wij verrichten welwillend ontvangen. Want altijd geldt het woord van Jeremia dat Gods ogen letten opoprechtheid.Jeremia 5:3

Verder heeft de Heilige Geest via de mond van Petrus verklaard dat het hart van de mensen alleen gereinigd wordt door geloof.Handelingen 15:9Daaruit blijkt dat eenechten levend geloof het eerste fundament vormt.

Ook van ware gelovigen is geen enkele daad volmaakt

Laten we nu kijken wat voor rechtvaardigheid de mensen uit de vierde categorie hebben. Ikgeef toe: als God ons met zich verzoent doordat Christus’ rechtvaardigheid tussenbeide komt enHijons als rechtvaardig beschouwt omdat wij uit genade vergeving voor onze zonden gekregen hebben, dan gaat die barmhartigheid tegelijk ook gepaard met deze vrijgevigheid van Hem: door zijn Heilige Geest woont Hij in ons en door de kracht van die Geest worden de begeerten van ons vlees elke dag steeds meer gedood en worden wij geheiligd.Dat wil zeggen: we worden toegewijd aan de Heer in een werkelijk rein leven, omdat ons hart zo gevormd wordt dat het de wet gaat gehoorzamen. Dan is het onze belangrijkste wil dat we zijn wil dienen en alleen zijn eer op alle mogelijke manieren bevorderen.

Maar ook alswe door de leiding van de Heilige Geest wandelen op de wegen van de Heer, blijven er toch restanten van onvolmaaktheid, om ons reden te geven tot nederigheid.Zo wordt voorkomendat we onszelf vergeten en verwaand worden.De Schrift zegt: ‘Er is geen rechtvaardige die altijd goed doet en nooit zondigt.’Prediker 7:20; 1 Koningen 8:46Wat voor rechtvaardigheid kunnen ze dan nog met hun daden verdienen?

In de eerste plaats is volgens mij het beste wat zij voortkunnen brengen toch altijd nog door enige onreinheid van het vlees besmeurd en bedorven. Het is als het ware vermengd met een beetje droesem.Een heilige dienaar van God moet volgens mij maar eens uit heel zijn levensloop het beste uitkiezen wat hij ooit in zijn leven gedaan heeft. Dan moet hij dat maar eens stukje bij beetje in gedachten goed overwegen. Ongetwijfeld zal hij steeds iets vinden waarvan de smaak bedorven is door het vlees. Want ons enthousiasme om goed te doen is nooit zo groot alshetzou moetenzijn.Uit onze laksheid blijkt veel zwakheid.

Trouwens, de vlekken waarmee de daden van de heiligen besmeurdzijn,zijn duidelijk zichtbaar. Maar al zouden het maar heel kleine vlekjes zijn, zouden ze dan in Gods ogen geen aanstoot geven? Zelfs de sterren zijn in zijn ogen niet zuiver!Job 25:5We zien dus dat heiligen geen enkele daad kunnen verrichten die niet, op zichzelf bekeken, terechtafkeuringverdient.

Eén zonde is genoeg om alle goede daden teniet te doen

In de tweede plaats, ook al zou het mogelijk zijn dat wij enkele volledig zuivere en volmaakte daden verrichten, dan nog is één zonde genoeg om elke herinnering aan eerdere rechtvaardigheid uit te wissen, zoals de profeet Ezechiël zegt.Ezechiël 18:24En Jacobus is het daarmee eens. Hij zegt: ‘Wie op één punt struikelt, is schuldig aan alles.’Jacobus 2:10 Maar dit sterfelijke leven is nooit rein of vrij van zonden. De rechtvaardigheid die we verdiend zouden hebben, wordt dus steeds weer door latere zonden bedorven. Zo zou onze rechtvaardigheid onderdrukt en vernietigd worden. Ze zouGod nooit onder ogen komenen ons nooit als rechtvaardigheidtoegerekend worden.

Kortom, als het gaat over de rechtvaardigheid van onze daden, moeten we niet kijken naar wat we doen volgens de wet, maar naar wat ons geboden is te doen. Dus als we rechtvaardigheid zoeken op basis van de wet, heeft het geen zin als we één of twee daden tevoorschijn halen. Nee, we moeten onophoudelijk gehoorzaam zijn aan de wet.

Daarom kent God ons de vergeving van zonden waar ik het over gehad heb niet slechts eenmaal toe om ons te rechtvaardigen. Het is niet de bedoeling dat we, nadat we vergeving gekregen hebben voor ons vroegere leven, vervolgens rechtvaardigheid zouden zoeken in de wet. Velen zijn zo dwaas te denken dat het wel zo is. Maar dat zou ons alleen maar valse hoop opleveren. Het zou ons uitlachen en bespotten. Want zolang we gekleed zijn in dit vlees, is volmaaktheid voor ons onbereikbaar. En de wet kondigt alleen dood en oordeel aan aan iedereen die geen volmaakte rechtvaardigheid heeft kunnen bereiken met zijn daden. Dus zal de wet altijd reden hebben om ons aan te klagen en te beschuldigen, als Gods barmhartigheid dat niet voorkwam. Hij moet ons steeds opnieuw vrijspreken door continu onze zonden te vergeven.

Daaromstaat altijd vast wat ik in het begin gezegd heb: als we beoordeeldworden naar wat we zelf waard zijn, zijn we met al onze daden en pogingen, wat we ook bedenken of ondernemen, de dood en de ondergang waard.

Ook gelovigen kunnen niets zelf verdienen

Er zijn dus twee dingen die we stevig moeten vasthouden. In de eerste plaats: nooit heeft een vroom mens iets gedaan dat, als het onderzocht zou worden door het strenge oordeel van God, geen veroordeling verdiende. In de tweede plaats: stel dat we wel zo’n daad zouden kunnen aanwijzen – voor een mens is dat dus niet mogelijk – dan nog zou die daad bedorven en besmeurd zijn door de zonden waar degene die die daad verricht heeft ongetwijfeldaanlijdt. En daarom zou die daadelke waarde verliezen.

Dit is de kern waar heel mijn uiteenzettingomdraait. Want over hetbeginvan de rechtvaardiging is er geen discussie tussen mij en de verstandigste scholastici.Weliswaar is de arme wereld ertoe verleid om te denken dat een mens zichzelf erop kan voorbereiden om door God gerechtvaardigd te worden. Deze godslastering is wijdverbreid in preken en scholen en dit wordt nog steeds beweerd door ieder die vasthoudt aan al de gruwelen van het pausdom. Maar de verstandigste scholastici geven toe dateen zondaar uit genade bevrijdwordtvan veroordeling en rechtvaardigheidkrijgtdoordat zijn zonden vergeven worden. Alleen, zij verstaan onder het woord ‘rechtvaardiging’ de vernieuwing waardoor Gods Geest ons hervormt tot gehoorzaamheid aan de wet. En de rechtvaardigheid vaneenopnieuw geboren mens beschrijven zij zo: door geloof in Christus eenmaal met God verzoend, wordt hij door zijn goede daden voor God als rechtvaardig beschouwd. Door wat hij met die daden verdient, is God blij met hem.

Maar dat is in strijd met wat de Heer verklaart: Hij heeft Abraham zijn geloof toegerekend als rechtvaardigheid,Romeinen 4:3niet in de tijd toen hij nog de afgoden diende, maar toen hij al vele jaren had uitgeblonken in een heilig leven. Abraham had toen dus al lange tijd God gediend en laten zien dat hij de wet gehoorzaamde, voor zover een sterfelijk mens dat kan. Maar toch ligt zijn rechtvaardigheid nog steeds in zijn geloof. En volgens de redenering van Paulus concluderen we daar dus uit dat hij niet rechtvaardig was op basis van zijn daden.

Bovendien wordt bij de profeet Habakuk gezegd: ‘De rechtvaardige zal leven door zijn geloof.’Habakuk 2:4En ook daar gaat het niet over goddelozen en onheiligen die de Heer zou rechtvaardigen door ze tot geloof te brengen.

Nee, dit wordt gezegd tegen de gelovigen. Hun wordt het leven beloofd in geloof.

Ook Paulus maakt aan alle bezwaren een eind als hij die uitspraak bevestigt door middel van dit vers van David: ‘Gelukkig zij van wie de overtredingen vergeven zijn!’Romeinen 4:7; Psalm 32:1En het is zeker dat David het niet over goddelozen heeft, maar over gelovigen zoals hijzelf. Want hij sprak volgens de overtuiging van zijn eigen geweten. Dus moeten wij dit geluk niet één keer krijgen, maar heel ons leven houden.

Ten slottegetuigtPaulus dat de boodschap van gratis verzoening niet wordt afgekondigd voor één of twee dagen, maar dat die verzoening continu in de kerk bediend wordt.2 Korinthiërs 5:18-19 Daarom hebben gelovigen tot het eind van hun leven toe geen andere rechtvaardigheid dan de rechtvaardigheid die daar beschreven wordt. Want Christus blijft altijd de middelaar om ons met de Vader te verzoenen. Het effect van zijn dood blijft voor eeuwig: reiniging, genoegdoening, verzoening enten slottevolmaakte gehoorzaamheid, waardoor al onze overtredingen bedekt worden.

En in de brief aan de Efeziërs zegt Paulus niet dat onze redding begonnen is uit genade, maar dat we gered worden door genade en niet op basis van onze daden, zodat niemand zich kan beroemen op zichzelf.Efeziërs 2:8-9

Weerlegging van bezwaren

De uitvluchtenwaarmeede scholastici hieraan proberente ontkomen, helpen hen niet. Ze zeggen: goede daden hebben van zichzelf te weinig waarde om rechtvaardigheid te verdienen. Maar dankzij de ‘aannemende genade’ zijn ze daar toch toe in staat. Verder moeten ze erkennen dat de rechtvaardigheid van onze daden hier altijd onvolmaakt is. Daarom geven ze toe dat wij, zolang we leven, vergeving van zonden nodig hebben om daardoor aan te vullen wat onze daden tekortkomen. Maar de zonden die we doen, zouden worden goedgemaaktals we meer goede werken doen dan nodig is.

Mijn antwoord is dat wat zij ‘aannemende genade’ noemen, geen andere genade is dan de gratis goedheid waarmee de Vader ons in Christus omhelst. Hij kleedt ons dan in de onschuld van Christus en kent ons die toe, zodat Hij ons door dat geschenk beschouwt als heilig, rein en onschuldig. Want alleen Christus’ rechtvaardigheid is volmaakt en dus kan alleen die rechtvaardigheid voor God bestaan. Daarom moet die rechtvaardigheid als borg in onze plaats verschijnen voor Gods oordeel. Als we voorzien zijn van die rechtvaardigheid, krijgen we in geloof steeds weer vergeving voor onze zonden. Als we gekleed zijn in die reinheid, worden de vuile en onreine vlekken van onze onvolmaaktheid ons niet aangerekend. Ze worden als het ware begraven en bedekt en komen niet voor Gods oordeel, totdat het moment komt waarop de oude mens in ons gedood en volledig uitgedoofd is. Dan zal Gods goedheid ons ontvangen in de gelukkige vrede met de nieuwe Adam. In die vrede mogen we wachten op de dag van de Heer, waarop we een onvergankelijk lichaam krijgen en worden overgebracht in deglorievan het hemelse koninkrijk.

Meer doen dan nodig is

Als dat waar is, kunnen wij uit onszelf niets doen om ervoor te zorgen dat God blij met ons is. En zelfs kunnen we niets doen waar God op zich blij mee is,behalve dan voor zover God blij is met een mens die bedekt is door de genade van Christus en vergeving voor zijn zonden krijgt. Want God heeft het leven niet als beloning beloofdvoorbepaalde daden. Nee, Hij verklaart dat je alleen zult leven als jeál deze dingen doet.Leviticus 18:5En zijn bekende vervloeking geldt voor ieder die zich niet aanálle geboden houdt.Galaten 3:10; Deuteronomium 27:26 Dat weerlegtoverduidelijk het verzinsel van een gedeeltelijke rechtvaardigheid. Want in de hemel wordt geen andere rechtvaardigheid toegelaten dan het je volledig houden aan de wet.

Minstens zo wankel staat watde scholasticisteeds kletsen over genoegdoening geven door meer te doen dan nodig is. Waarom? Omdat ze immers altijd weer terugkomenop het punt waar ze al eerder vastgelopen zijn: dat wie de wet maar voor een deel volbrengt, voor dat deel rechtvaardig zou zijn door zijn daden. Niemand met gezond verstand zou dat met hen eens zijn, maar zij zijn zo brutaal om dat als een uitgemaakte zaak te beschouwen. De Heer verklaart zo vaak datHijgeen enkele rechtvaardigheid erkent op grond van onze daden, behalve als iemand zich volledig aan de wet houdt. Maar daar kunnen wij niet aan voldoen. Wat is het dan slecht van ons als we niet willen dat het net lijkt alsof we van alle eer beroofd zijn – omdat we voor God aan de kant zijn gegaan – en ons daarom beroemen op ik weet niet wat voor kleine kruimeltjes van goede daden en wat we nog tekortkomen, proberen te kopen met andere genoegdoeningen!

Hierboven heb ikdie genoegdoeningen al met zoveel kracht omvergeworpen dat ze ons zelfs in een droom niet meer in gedachten mogen komen. Ikzegnu alleen maar dat wie zo dwaas zijn er helemaal niet bij nadenken hoe erg God zonde vindt. Want als ze dat wel deden, zouden ze wel beseffendatalle rechtvaardigheid van mensen op één hoop gegooid nog niet genoeg zou zijn om genoegdoening te doen voor één zonde. Want we zien dat de mens om één misdaad zo door God verworpen en afgewezen is dat hij meteen elke mogelijkheid om zijn behoud terug te krijgen verloren heeft. Dus is er ook geen mogelijkheid meer om genoegdoening te doen.En wie zich vleit met het idee dat die mogelijkheid er nog wel is, zal God nooit kunnen voldoen. Want Hij is nooit blij met iets dat van zijn vijanden komt. En iedereen vanwieHij besloten heeft dat Hij hun hun zonden aanrekent, is zijn vijand. Dus moeten onze zonden bedekt en vergeven zijn voordat de Heer gaat kijken naar ietsdat wij doen.

Dat betekent dus dat de vergeving van zonden gratis is. Enje lastert die vergeving op een kwaadaardige manier alsje komt aandragen met genoegdoeningen.Volgenshet voorbeeld van de apostel Paulus moeten we dus vergeten wat achter ons ligt en ons uitstrekken naar wat voor ons ligt. We moeten ons parcours lopen, om de prijs te pakken te krijgen van de roeping die van boven komt.Filippenzen 3:14 (3:13-14)

Wij zijn slaven en daarom kunnen we nooit meer doen dan we verplicht zijn

En als jepochtdat je meer gedaan hebt dan nodig is, hoe valt dat te rijmen met het gebod aan onsdat we, als we alles gedaan hebben wat ons is opgedragen,moetenzeggen dat we nutteloze slaven zijn en niet meer gedaan hebben dan onze plicht?Lucas 17:10Als we dat tegen God zeggen, huichelen we niet en liegen we niet. We stellen dan bij onszelf iets vast waar we van overtuigd zijn.De Heer beveelt ons dus dat we oprecht moeten beseffen en bij onszelf moetenbedenkendat we Hem geen diensten bewijzen waar we niet toe verplichtzijn. Nee,weverrichten voor Hem alleen diensten die we Hem verschuldigd zijn. En terecht. Want we zijn slaven die zoveel verplichtingen hebben tegenover Hem, dat we ze niet eens allemaal zouden kunnen uitvoeren, zelfs al zouden onzegedachten en al onze ledematen gericht worden op het volbrengen van de plichten vandewet.

Hij zegt: ‘Als jullie alles gedaan hebben wat jullie opgedragen is …’Die woordenbetekenendushetzelfde als wanneer Hij had gezegd datéén mensallemenselijkerechtvaardigheidzou hebben. Maar wij zijn allemaal ver verwijderd van dit richtpunt. Hoe zouden wij ons er dan op durven beroemen dat we nog meer gedaan hebben bovenop de maat van wat we horen te doen?

En niemand moet tegenwerpen dat niets verhindert dat iemand die op een of andere manier tekortschiet in het doen van wat hij moet doen, toch nog wel zo ijverig kan zijn dat hij dingen doet die hij niet hoeft te doen. Want dit moeten we goed vasthouden: als het gaat om het dienen van God of om liefde, kan ons niets in gedachten komen dat niet al onder Gods wet valt. En als het onderdeel van de wet is, kunnen we ons dus niet laten voorstaan op vrijwillige vrijgevigheid. Want we worden er uit noodzaak toe gedwongen.

Dat Paulus afzag van zijn recht was niet meer dan hij hoefde te doen

En het is onterecht dat mijn tegenstanders zich in deze kwestie beroepen op de woorden van Paulus waarmee hij zich eroplaat voorstaandat hij bij de Korinthiërs uit eigen beweging afstand heeft gedaan van zijn recht. Als hij gewild had, had hij van dat recht gebruik kunnen maken, maar dat heeft hij niet gedaan. En hij heeft zich niet alleen aan hen gewijd voor zover hij dat verplicht was, maar is hen ook van dienst geweest in dingen die verder gingen dan zijn plicht.1 Korinthiërs 9:1-12

Mijn tegenstanders hadden er echter op moeten letten welke reden Paulus daar noemt: hij heeft dit gedaan om de zwakken geen aanstoot te geven.Want er waren slechte en valse lerarendie zich steeds probeerden aan te prijzen onder het mom van welwillendheid. Zo probeerden ze met hun schadelijke leer in de gunst te komen en het evangelie in een kwaad daglicht te stellen. Daarom stond Paulus voor de keus: óf de leer van Christus in gevaar brengen, óf zulke listen tegengaan. Welnu dan, als het voor een christener niet toe doetof hij het geven van aanstoot voorkomt of niet, terwijl hij het kan voorkomen – dan geef ik toe de apostel meer gedaan heeft voor God dan hij verplicht was. Maar als dit juist terecht geëist werd van hem als verstandige uitdeler van het evangelie – dan deed hij volgens mij wat hij moest doen.

Ten slotte, ook al is er niet zo’n reden te geven, dan geldt toch altijd nogde uitspraakvanChrysostomos: met alles wat we hebben,zit het net zoals met het bezitvan slaven.Volgens het recht is dat het eigendom van hun heer. En indegelijkenis laat Christus dat ook niet buiten beschouwing. Want hij vraagt waarom we onze slaaf zouden bedanken als hij na een heledag hard werken ’s avond bij ons terugkomt.Lucas 17:7-9Nu is het mogelijk dat hij zich met meer ijver aan zijn werk gewijd heeft danwij van hem zouden durven eisen. Dat kan. Maar toch heeft hij niets gedaan wat hij in zijnsituatievan slavernij niet verplicht was. Want hij is met alles wat hij in huis heeft ons eigendom.

Ik heb het er maar niet over wat voor daden dat zijn die mijn tegenstanders aan God willen aanbieden als meer dan wat ze moeten doen. Want het zijn onzinnige dingen die God nooit bevolen heeft en die Hij niet goedkeurt. Hij zal ze ook nietaccepterenals we tegenover Hem verantwoording af moeten leggen.

Er is maar één betekenis waarin ik zal toegeven dat er daden zijn die verder gaan dan wat we moeten doen: de daden waarvan bij de profeet Jesaja gezegd wordt: ‘Wie heeft dit van jullie geëist?’Jesaja 1:12Maar mijn tegenstanders moeten maar eens bedenken wat er ergens anders ook van zulke daden gezegd wordt: ‘Waarom tellen jullie je geld uit, maar niet voor brood? Waarom werken jullie zo hard, maar niet om verzadigd te worden?’Jesaja 55:2Natuurlijk is het voor zulke rabbijnen geen zwaar werk om in de rust van hun scholen over deze dingen verhandelingen te houden vanaf hun katheders. Maar als straks de hoogste rechter op zijn rechterstoel zit, zullendit soort zinloze redeneringenhun niets baten. Er zalnietsvanoverblijven. Dit zou men moeten onderzoeken: met wat voor vertrouwen we ons voor zijn rechterstoel kunnen verdedigen. Niet wat we in de schuilhoeken van onze scholen kunnen kletsen.

Geen vertrouwen en geen roemen op onze daden

Twee plagen moeten we bij deze kwestie vooral uit ons hart bannen: we mogen geen vertrouwen stellen op de rechtvaardigheid van onze daden en we moetenons daar niet op beroemen.

DeSchrift pakt ons op veel plaatsen elk vertrouwen op onze daden af. De Schrift leert namelijk dat al onze rechtvaardige daden voor Godsogenstinken, tenzij zedeaangename geur krijgen van Christus’ onschuld. Onze daden kunnen niets anders dan God aanzetten tot wraak, tenzij Hij ze welwillend verdraagt omdat Hij barmhartig is.Wat betreft onzedadenzit er voor ons dusnietsandersopdan bij onze rechter smeken met de belijdenis van David: als Hij van zijn dienaren rekenschap eist, wordt er niemand gerechtvaardigd.Psalm 143:2

En Job zegt: ‘Als ik goddeloos gehandeld heb, wee mij! Maar als ik rechtvaardig gehandeld heb, ook dan zal ik mijn hoofd niet opheffen.’Job 10:15 Weliswaar doelt hij dan op de hoogste rechtvaardigheid van God, waar zelfs de engelen niet aan kunnen voldoen. Maar toch laat hij tegelijk zien dat als het op Gods oordeel aankomt, er voor alle stervelingen niets andersoverblijft dan zwijgen. Want hij bedoelt niet alleen dat hij liever uit eigen beweging aan de kant gaat dan de gevaarlijke strijd aan te gaan met Gods strengheid. Hij maakt ook duidelijk dathijin zichzelf geen andere rechtvaardigheid gevonden heeft dan een rechtvaardigheid die voor Godsogenogenblikkelijk zou bezwijken.

Als het vertrouwenuitgebannen is, moet ook al hetroemenzich uit de voeten maken. Want wiewilde lof van rechtvaardigheid toekennen aan daden waar hij voor Godsogenniet op durft vertrouwen? We moeten dus zover komen dat, zoals Jesaja roept, heel het nageslacht van Israël God prijst en zich op Hem beroemt.Jesaja 45:25Want het is helemaal waar wat hij ergens anders zegt: wij zijn geplant tot eer van God.Jesaja 61:3Ons hart is dus gereinigd zoals het hoort als we op geen enkele manier vertrouwen op onze daden en ons daar ook niet op laten voorstaan. Dat dwaze mensen wel tot zo’n vluchtig en vals vertrouwen gebracht worden, komt door hun dwaling dat ze altijd in hun daden deoorzaakvoor hun redding leggen.

Vier soorten oorzaken: effectief, materieel, instrumenteel en finaal

De filosofen leren dat er vier soorten oorzaken zijn waar je op moet letten bij hoe dingen tot stand komen. Als we naar die vier soorten oorzaken kijken, zullen we merken dat bij het tot stand komen van ons behoud geen van die oorzaken te maken heeft met onze daden.

Want de Schrift verkondigt overal dat de effectieve oorzaak voor ons verwerven van het eeuwige leven de barmhartigheid is van onze hemelse Vader en zijn onverdiende liefde voor ons. En dat de materiële oorzaak Christus is met zijn gehoorzaamheid, waarmee Hij voor ons de rechtvaardigheid verdiend heeft. En de formele of instrumentele oorzaak, waar kan die anders liggen dan in geloof?

Johannes vat die drie oorzaken samen als hij zegt: ‘God heeft de wereld zo liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leeft.’Johannes 3:16

Verder verklaart de apostel Paulus dat de finale oorzaak het tonen van Gods rechtvaardigheid is en de lof van zijn goedheid. En daar noemt hij ook in duidelijke bewoordingen de andere drie oorzaken. Want hij zegt tegen de Romeinen: ‘Allemaal hebben ze gezondigd en missen ze Godsglorie. En allemaal worden ze gratis gerechtvaardigd uit zijn genade.’ Hier heb je de kern en de eerste bron: God heeft ons door zijngratisbarmhartigheid aangenomen. Dan volgt: ‘Door de verlossing in Christus Jezus.’ Hier heb je als het ware de materie waaruit onze rechtvaardigheid gemaakt wordt. Dan: ‘Door geloof in zijn bloed.’ Hier krijg je de instrumentele oorzaak te zien waardoor Christus’ rechtvaardigheid onze rechtvaardigheid wordt. Ten slotte voegt Paulus er het doel aan toe, als hij zegt: ‘Om zijn rechtvaardigheid te laten zien, om zelf rechtvaardig te zijn en om te rechtvaardigen wie uit geloof in Christus is.’Romeinen 3:23-26 En om er in het voorbijgaan op te wijzen dat deze rechtvaardigheid ligt in de verzoening, schrijft hij uitdrukkelijk dat Christus gegeven isals verzoening.

Dit leert hij ook in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Efeziërs: God heeft ons in genade aangenomen, enkel uit barmhartigheid. Dit gebeurt door de tussenkomst van Christus. We krijgen dat in handen door geloof. En allemaal met het doel dat deglorievan Gods goedheid volledig zou schitteren.Efeziërs 1:3-14

We zien dus dat alle onderdelen van ons behoud buiten onszelf liggen. Wat voor reden is er dan nog om te vertrouwen of ons te beroemen op onze daden? Over de effectieve of over de finale oorzaak kunnen zelfs de meest gezworen vijanden van Gods genade niet met ons van mening verschillen, of ze zouden de hele

Schrift moeten ontkennen. Op het punt van de materiële of de formele oorzaak proberen ze ons een valse voorstelling van zaken te geven, alsof geloof en Christus’ rechtvaardigheid hun positie delen met onze daden. Maar ook dit is in strijd met de Schrift. Want de Schrift verklaart simpelweg dat Christus onze rechtvaardigheid en ons leven is en dat we deze zegen van rechtvaardigheid alleen in bezit krijgen door geloof.

Goede daden geven pas vertrouwen als we eerst vertrouwen op Gods barmhartigheid

Nu versterken en troosten heiligen zich vrij vaak door na te denken over hun onschuld en zuiverheid. Ze laten zelfs niet na die openlijk te verkondigen. Maar dat gebeurt om twee redenen. Óf omdat ze hun goede zaak vergelijken met de slechte zaak van goddelozen en op grond daarvan zeker zijn van hun overwinning. Die zekerheid berust dan niet zozeer op de waarde van hun eigen rechtvaardigheid, maar meer op de terechte en verdiende veroordeling van hun tegenstanders. Óf ze vinden enige troost en vertrouwen in de reinheid van hun eigen geweten als ze zich voor God onderzoeken, zonder zich te vergelijken met anderen.

Naar de eerste reden zullen we later kijken. Laten we nuin het kort nagaan hoe de tweede reden te rijmen valt met wat ik hierboven gezegd heb, dat je in Gods oordeel geen enkel vertrouwen mag stellen op je eigen daden en je niet mag beroemen op wat je je over je eigen daden verbeeldt.

Dat valt zo te rijmen: als het gaat om het funderen en stevig vastzetten van hun behoud, richten de heiligen hun ogen alleen op Gods goedheid, zonder te letten op hun eigen daden. En ze keren zich niet alleen allereerst naar Gods goedheid omdat dat het begin is van hun geluk, maar zij vinden daarin ook hun rust omdat hun geluk daarin vervuld wordt. Pas als het geweten zo gefundeerd, opgericht en bevestigd is, wordt het vervolgens ook bevestigd door het kijken naar de eigen daden, voor zoverdiebewijzen zijn dat God in ons woont en regeert. Er is dus geen ruimte voor dat vertrouwen op onze eigen daden als je niet eerst het vertrouwen van je hartvolledigop Gods barmhartigheid gebouwd hebt. Daarom hoeft het niet zo te lijken dat het vertrouwen op eigen daden in strijd is met het vertrouwen op Godsbarmhartigheid. Want daar is het van afhankelijk.

Dus alsik het vertrouwen op eigen daden uitsluit, bedoel ik daarmee alleen maar dat een christen zijn hart niet mag wenden tot de verdienste van zijn eigen daden, alsof die helpen bij de redding. Hij moet zijn hart volledig richten op de belofte van gratis rechtvaardigheid. Maar ik verbied niet dat hij dit geloof versterkt en ondersteunt met tekenen dat God hem goedgezind is. Want als we in herinnering alle gaven bij langs gaan die God ons geschonken heeft, dan zijn dat in zekere zin net stralen van Godsgelaatdie ons zo verlichten dat we het hoogste licht van zijn goedheid kunnen zien. En dat geldt nog veel meer voor de genade van goede daden. Die tonen aan dat ons de Geest van adoptie als kinderen gegeven is.Romeinen 8:15

Goede daden bewijzen dat we gered zijn

Dus als de heiligen hun geloof versterken op basis van de onschuld van hun geweten en dat voor hen aanleiding is tot blijdschap, doen ze niets anders dan op grond van de vruchten van hun roeping concluderen dat ze door de Heer als kinderen zijn aangenomen.

Salomo leert datinhet vrezen van de Heer een sterke zekerheid ligt.Spreuken 14:26En somsverklaren heiligen, omdat ze willen dat de Heer naar hen luistert, dat ze voor zijnogenoprecht en ondubbelhartig geleefd hebben.Genesis 24:40; 2 Koningen 20:3Maar dat is niet bedoeld als fundament om het geweten op te bouwen. Die woorden hebben pas betekenis als je ze opvat als conclusie achteraf,als een teken dat God je geroepen heeft. Want nooit vrezen mensen de Heer zo dat ze daarop hun volledige zekerheid kunnen bouwen. Ook de heiligen zijn zich ervan bewust dat hun zuiverheid nog steeds vermengd is met vele restanten van het vlees.

Maar aan de vruchten van hun nieuwe geboorte ontlenen ze het bewijs dat de Heilige Geest in hen woont. Dat versterkt in hen niet zo’n beetje het vertrouwen dat ze in elke nood hulp van God mogenverwachten.Want inzo’n belangrijke kwestie ervarenzedat Hij hun Vader is. Maar zelfs dat kunnen ze pas als ze eerst Gods goedheid hebben vastgepakt, die door niets andersbezegeldwordt dan door de zekerheid van de belofte. Want als ze Gods goedheid zouden gaan beoordelenvolgenshun eigen goede daden, zou er niets zo onzeker en zwak zijn. Want alshundaden op zichzelf beoordeeld worden, zullen ze door hun onvolmaaktheid evengoed bewijzen zijn van Gods woede, alszedoor hun begin van zuiverheid, hoe gebrekkig ook, tekenenzijndat Hij hun goedgezind is.

Kortom,als ze Gods zegeningen verkondigen, doen ze dat zo dat ze toch niets afwijken van Gods onverdiende gunst. Want Paulus verklaart dat Godsgunst de lengte, breedte, diepte en hoogte omvat, alsof hij zei: ‘Waarheen vromen hun zinnen ook wenden, hoe hoog ze ook stijgen, hoever ze zich ook in de lengte of de breedte uitstrekken, toch moeten ze niet buiten Christus’ liefde gaan. Ze moeten altijd blijven binnen de grenzen van het nadenken over die liefde, omdat die alledimensiesomvat.’ En daarom zegt Paulus dat die liefde alle verstand te boven gaat. En dat we, als we erkennen hoezeer Christus ons heeft liefgehad, vervuld worden met al de volheid van God.Efeziërs 3:18-19 En daarom voegt hij, als hij ergens anders roemt dat de vromen in elke strijd overwinnen, er meteen de reden aan toe: ‘Door Hem die ons liefgehad heeft.’Romeinen 8:37

Goede daden zijn gaven van God

We zien dus dat de heiligen niet zo op hun eigen daden vertrouwen dat ze aan die daden enige verdienste toeschrijven. Want ze beschouwen ze niet anders dan als gaven van God, waaruit ze zijn goedheid leren kennen. Ze beschouwen ze niet anders dan als tekenen van zijn roeping, waaruit ze concluderen datzedoor Hem zijn uitverkoren. Evenmin vertrouwen ze zo op hun eigen daden dat ze iets afdoen aan de gratis rechtvaardigheid die we in Christus krijgen. Want hun vertrouwen is van die gratis rechtvaardigheid afhankelijk en kan zonder die gratis rechtvaardigheid niet bestaan.

Augustinus geeft dit in enkele woorden, maar heel mooi, weer als hij schrijft: ‘Ik zeg niet tegen de Heer: veracht de dingen niet die ik met mijn handen doe. Ik heb de Heer gezocht met mijn handen en ben niet bedrogen uitgekomen. Maar ik prijs de dingen die ik met mijn handen doe niet aan. Want ik vrees dat als U ernaar kijkt, U meer zonden zult vinden dan verdiensten. Ik zeg alleen dit, ik vraag alleen dit, ik verlang alleen dit: veracht die dingen niet die U met uw handen doet.Psalm 138:8Zie uw werk in mij, niet mijn eigen werk. Want als U mijn werk ziet, veroordeelt U het. Als U uw eigen werk ziet,bekroont U het. Want ook de goede daden die ik doe, komen van U.’

Hij geeft twee redenen aan waarom hij zijn eigen daden niet aan God zou durven aanbieden. In de eerste plaats ziet hij, als hij iets goeds doet, daarin niets dat van hemzelf komt. En in de tweede plaatsligtook het goede dat hij doet bedolvenondervele zonden. Zodoende voelthij in zijngeweten eerder angst en verwarring dan zekerheid. Daarom wil hij dus dat God alleen naar zijn daden kijkt om daar in de genade van zijn roeping te herkennen, zodat

Hij het werk afmaakt dat Hij begonnen is.

Goede daden zijn lagere oorzaken

Soms maakt de Schrift duidelijk dat de goede daden van de gelovigen de reden zijn waarom de Heer hun goed doet. Maar dat moeten we zo opvatten dat ongeschokt overeind blijft wat ik hiervóór gezegd heb: de effectieve oorzaak van onze redding ligt in de liefde van God de Vader, de materiële oorzaak ligt in de gehoorzaamheid van de Zoon, de instrumentele oorzaak ligt in de verlichting door de Heilige Geest – het geloof – en de finale oorzaak ligt in deglorievan Gods grote vrijgevigheid.

Dat de Heer onze daden aanneemt als lagere oorzaken is daar niet mee in strijd. Maar waarom doet Hij dat?Nou, omdat Hij degenen die Hij in zijn barmhartigheid bestemd heeft om het eeuwige leven te erven,dat leven in bezit laat krijgendoor middel van goede daden. Dat is zijn gewone manier van uitdelen. Wat in de volgorde van uitdelen eerst komt, noemt Hij de oorzaak van wat later komt. Op die manier noemt Hij het eeuwige leven soms een gevolg van onze daden. Niet dat het eeuwige leven aan die daden moet worden toegeschreven. Maar Hij rechtvaardigt zijn uitverkorenen om hen uiteindelijk tete laten delen in zijnglorie.Romeinen 8:30Daarom noemt Hij de eerste genade, die een opstapje is naar de volgende genade, in zekere zin de oorzaak daarvan.

Maar telkens als de echte oorzaak aangewezen moet worden, beveelt Hij ons niet onze toevlucht tezoekenin onze daden. Dan houdt Hij ons uitsluitend bij het denken aan zijn barmhartigheid. Want via de apostel Paulus leert Hij: ‘Het loon voor de zonde is de dood, maar de genadegave van God is het eeuwige leven.’Romeinen 6:23Wat betekent dat? Waarom stelt hij tegenover de zondegeen rechtvaardigheid, zoals hij tegenover de doodhetleven stelt? Waarom noemt hijrechtvaardigheid nietals oorzaak voor het leven, zoals hij zonde de oorzaak noemt van de dood? Want dan zou hij een fatsoenlijke tegenstelling gemaakt hebben, die nu een beetje hapert door de variatie. Maar de apostel heeft met deze tegenstelling willen aangeven hoe het zit: wat mensen verdienen is de dood, maar het leven ligt alleen in Gods barmhartigheid.

Kortom, in al die manieren van spreken waarin het over goede daden gaat, draait het niet om de reden waarom God zijn volk goed doet. Het gaat alleen om de volgorde die Hij daarbij aanhoudt. Want God stapelt genadegaven op genadegaven.

Eerdere genadegaven zijn voor Hem reden om nieuwe genadegaven toe te voegen. Met zijn vrijgevigheid gaat Hij steeds verder, maar Hij wil wel dat wij altijd kijken naar zijn gratis uitverkiezing. Dat is de bron en het begin. Hij houdt van de gaven die Hij ons elke dag schenkt, voor zover ze voortkomen uit die bron. Toch is het onze plicht vast te houden aan die gratis aanneming. Alleen die kan onze ziel ondersteunen. En de gaven van zijn Geest die Hij daarna schenkt, moeten we zo vastknopen aan de eerste oorzaak dat ze daar op geen enkele manier iets vanaf doen.

Voetnoten

  1. 364

    Titus (39-81), keizer van Rome.

  2. 365

    Trajanus (53-117), keizer van Rome.

  3. 366

    Nero (37-68), keizer van Rome.

  4. 367

    Domitianus (51-96), keizer van Rome.

  5. 368

    Tiberius (42 v. Chr.-37 na Chr.), keizer van Rome.

  6. 369

    Vespasianus (9-79), keizer van Rome.

  7. 370

    Gaius Fabricius Luscinus (3e eeuw v. Chr.), Romeinse generaal en politicus.

  8. 371

    Publius Cornelius Scipio (ca. 200 v. Chr.), Romeinse generaal en politicus.

  9. 372

    Augustinus, Contra Iulianum IV, 3.

  10. 373

    Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 5,14.

  11. 374

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 31, 2,4.

  12. 375

    Augustinus, De vera et falsa poenitentia,15,30; Paus Gregorius de Grote, in: Gratianus, DecretumII, 3,7.

  13. 376

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 138, 18.

Voetnoot 364

Titus (39-81), keizer van Rome.

Voetnoot 365

Trajanus (53-117), keizer van Rome.

Voetnoot 366

Nero (37-68), keizer van Rome.

Voetnoot 367

Domitianus (51-96), keizer van Rome.

Voetnoot 368

Tiberius (42 v. Chr.-37 na Chr.), keizer van Rome.

Voetnoot 369

Vespasianus (9-79), keizer van Rome.

Voetnoot 370

Gaius Fabricius Luscinus (3e eeuw v. Chr.), Romeinse generaal en politicus.

Voetnoot 371

Publius Cornelius Scipio (ca. 200 v. Chr.), Romeinse generaal en politicus.

Voetnoot 372

Augustinus, Contra Iulianum IV, 3.

Voetnoot 373

Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 5,14.

Voetnoot 374

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 31, 2,4.

Voetnoot 375

Augustinus, De vera et falsa poenitentia,15,30; Paus Gregorius de Grote, in: Gratianus, DecretumII, 3,7.

Voetnoot 376

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 138, 18.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.