Boek III · Hoofdstuk 15
Goede daden en beloning
Inhoud van dit hoofdstuk · 8 secties
- 1Onze daden kunnen ons niet rechtvaardigen
- 2Het woord ‘verdienste’ is gevaarlijk
- 3Dat God onze goede daden beloont, is enkel genade
- 4De sofisten misbruiken Jezus Sirach en Hebreeën
- 5Christus is het enige fundament
- 6De sofisten beroven Christus van zijn macht en eer
- 7De dwalingen van Lombardus
- 8Vermaning en troost
Onze daden kunnen ons niet rechtvaardigen
Ik heb nu uitgelegd wat bij dit onderwerp het belangrijkste is: rechtvaardigheid ligt alleen in Gods barmhartigheid, alleen in het delen in Christus en daarom alleen in geloof. Want als rechtvaardigheid gebaseerd is op onze daden, stort ze voor Godsogenonvermijdelijk meteen in elkaar.
We moeten er zorgvuldig op letten dat dit het belangrijkste punt is bij dit onderwerp. Dan voorkomen we dat we verward raken in de algemene waanvoorstelling van eenvoudige en zelfs van geleerde mensen. Want zodra het gaat over de rechtvaardiging door geloof en door onze daden, nemen ze hun toevlucht tot Schriftpassages die aan onze daden enige verdiensten voor God lijken toe te kennen, alsof die bewijzen dat onze daden enige waarde hebben voor God.
Ik heb echter in het voorbijgaan duidelijk aangetoond dat de rechtvaardiging op basis van onze daden alleen bestaat als je je volmaakt aan de wet houdt. En dat betekent dus dat een mens alleen gerechtvaardigd wordt op basis van zijn daden als hij het toppunt van volmaaktheid bereikt heeft. Hij mag van geen enkele, zelfs niet de kleinste, overtreding beschuldigd kunnen worden.
Maar ook al zijn onze daden volstrekt onvoldoende om een mens te rechtvaardigen, het is dus een heel andere vraag, of onze daden toch geen genade verdienen bij God.
Het woord ‘verdienste’ is gevaarlijk
Om te beginnen moetikvooraf iets zeggen over het woord ‘verdienste’. Degene die dezetermhet eerst gebruikt heeft voor de daden van mensen in hun verhouding tot Gods oordeel, heeft het oprechte geloof een slechte dienst bewezen. Ik houd me graag ver van discussies over woorden. Maar ikhad wel graag gewilddat christelijke schrijvers zonuchtergeweest warendat ze nooit zonder enige noodzaak woorden gebruikt hadden die vreemd zijn aan de Schrift en die wel veelbezwarenopleveren, maar slechts heel weinig vrucht. Want, vraag ik je, waar was het voor nodig om het woord ‘verdienste’ erbij te halen? De waarde van het doen van goede dadenhadgemakkelijk zonderbezwarenuitgelegd kunnen worden met behulp van een ander woord.
Hoeveel bezwaar er tegen dit woord is, blijkt wel uit de grote schade die de wereld erdoor geleden heeft. Het is een heel hoogmoedig woord en daarom kan het Gods genade natuurlijk alleen maar verduisteren en de mensen vervullen met een verkeerde hoogmoed.
Ik geef toe dat de oude schrijvers van de kerk dit woord overal gebruikt hebben. En toch, hadden ze door het verkeerde gebruik van dit ene woordje het nageslacht maar niet zoveel aanleiding gegeven om te dwalen! Trouwens, ook zelfbewijzenze soms dat ze de waarheid niet tekort hebben willen doen.
Want Augustinus zegt ergens: ‘Laat menselijke verdiensten, die door Adam verloren gegaan zijn, hier zwijgen en laat Gods genade hierregerendoor Jezus Christus.’ En: ‘De heiligen schrijven niets toe aan hun verdiensten. Ze zullen alles alleen aan uw barmhartigheid toeschrijven, God.’ En: ‘Als de mens ziet dat al het goede dat hij heeft niet van hemzelf komt, maar van zijn God, dan ziet hij dat alles wat in hem geprezen wordt niet zijn eigen verdienste is, maar voortkomt uit Gods barmhartigheid.’ Je ziet dat Augustinus de mens het vermogen afneemt om goed te doen en vervolgens ook de waarde van zijn verdiensten omverhaalt.
EnChrysostomoszegt: ‘Als op Godsgratisroeping enige goede daden volgen, dan vormen die een terugbetaling van schuld. Maar toch zijn ze ook Gods geschenk, genade, goedheid en grote vrijgevigheid.’ Maar we laten het woord nu maar los. Laten we naar de inhoud kijken.Hiervóór heb ik deze uitspraak geciteerd van Bernardus van Clairvaux: ‘Zoals het verdienste genoeg is om je niets in te beelden over verdiensten, zo is geen verdiensten hebben ook genoeg om veroordeeld te worden.’Maar hij verzacht de scherpte van die uitspraakmeteen doordat hij er een verklaring aan toevoegt. Want hij zegt: ‘Zorg er dus voor dat je verdiensten hebt. Als je ze hebt, weet dan dat ze je gegeven zijn. Hoop op de vrucht: Gods barmhartigheid. Dan ben je ontkomen aan elk gevaar van armoede, ondankbaarheid en vals vertrouwen.Gelukkig de kerk die niet zonder verdiensten zit zonder zich iets in te beelden, maar zich wel iets inbeeldt zonder verdiensten.’
Even eerder had hij overduidelijk aangetoond dat hij het woord ‘verdienste’ gebruikte in een vrome betekenis. ‘Want,’ zegt hij, ‘waarom zou de kerk zich zorgen maken om verdiensten? In Gods plan ligt voor haar een veel sterkere en veel zekerderereden om te roemen!God kan zichzelf niet verloochenen. Timotheüs 2:13Hij zal doen wat Hij beloofd heeft.Dus is er geen reden voor jou om te vragen dankzij welke verdiensten wij goede hoop hebben, vooral omdat je hoort: “Nietomwille van jullie, maar omwille vanMijzelf.”Ezechiël 36:22; 36:32 Het is verdienste genoeg als je weet datergeenverdiensten zijn.’
Dat God onze goede daden beloont, is enkel genade
Wat we met al onze daden verdienen, laat de Schrift zien als ze zegt dat onze daden Gods blik niet kunnen verdragen. Want ze zijn vol onreinheid. Verder, wat iemand verdient door zich volmaakt aan de wet te houden – als er al zo iemand te vinden zou zijn – laat de Schrift zien als ze beveelt dat we onszelf moeten beschouwen als nutteloze slaven, ook al hebben we alles gedaan wat ons is opgedragen.Lucas 17:10Want dan hebben we de Heer niets betaalddat we Hem niet al schuldig waren. We hebben dan niets anders gedaan dan onze plicht en daarvoor hoeven we niet bedankt te worden.
Toch noemt de Heer de goede daden die Hij ons gegeven heeft, ookónze daden. En Hij verklaart niet alleendatHij ze aangenaam vindt, maar ook dat Hij ze zal belonen. Van onze kant is het onze plicht ons door zo’ngrote beloftete laten bemoedigen en moed te scheppen.Dan wordenwehetniet moeomgoed te doenGalaten 6:9; 2 Thessalonicenzen 3:13enzijn weGod echt dankbaar om zijn o zo grote welwillendheid. Er is geen twijfel aan dat alles wat er in onze daden prijzenswaard is, Gods genade is. Er is geen druppel die we aan onszelf kunnen toeschrijven. Alswe dit inderdaad serieus erkennen, dan verdwijnt niet alleen elk vertrouwen op eigen verdiensten, maar ook elk waanidee van zulke verdiensten.
Ik zeg dat ik de lof voor goede daden niet – zoals de sofisten doen – verdeel tussen God en de mens. Nee, ik bewaar die volledig, ongeschonden en gaaf voor de Heer. Ik wijs alleen dit aan de mens toe: wat goed was, besmet en besmeurt hij juist met zijn onreinheid. Want uit een mens, hoe volmaakt hij ook is, komt niets voort dat niet met een of andere vlek besmet is. Laat de Heer het beste dat er in menselijke daden zit voor zijn rechtbank dagen. Hij zal daarin dan wel zijn eigen rechtvaardigheid herkennen, maar ook de schande en slechtheid van de mens.
De Heer is dus wel blij met onze goede daden en ze zijn ook niet zonder nut voor degenen die ze doen. Sterker nog, ze worden juist bij wijze van terugbetaling beloond met heel grote zegeningen van God. Niet omdat ze dat verdienen, maar omdat God in zijn welwillendheid zelf deze prijs ervoor heeft vastgesteld.Wat is dat dan voor gierigheid dat mensen niet tevreden zijn met Gods vrijgevigheid, dat Hij onze daden beloont, die dat helemaal niet verdienen,maarzelf volledig een geschenk van Gods vrijgevigheid zijn?
Hier beroep ik me op ieders gezond verstand. Stel dat iemand dankzij de vrijgevigheid van iemand anders het vruchtgebruik van een akker heeft. Als hij dan ook aanspraak maakt op de titel van eigenaar, zou hij hetdan met zo’n ondankbaarheidniet verdienen om zijn bezit kwijt te raken? En stel dat een slaaf door zijn heer is vrijgelaten. Als hij de lage rang van vrijgelatene negeert en doet alsof hij een vrijgeboren man is, zou hij het dan niet verdienen om teruggebracht te worden in zijn voormaligesituatievan slavernij?Want we genieten pas op de juiste manier van een geschenk als we ons niet méér aanmatigen dan ons gegeven is en ook niet de gever van het goede beroven van zijn lof. We moeten ons juist zo gedragen dat wat hij aan ons heeft toevertrouwd, in zekere zin bij hem lijkt te blijven. Als we deze zelfbeheersing moeten laten zien tegenover mensen, kan ieder voor zichzelf zien enbedenkenwat voor zelfbeheersing je God schuldig bent.
De sofisten misbruiken Jezus Sirach en Hebreeën
Ik weet dat de sofisten sommige Schriftpassages misbruiken om op grond daarvan te bewijzen dat je in de Schrift kunt vinden dat we iets verdienen tegenover God. Uit Jezus Sirach citeren ze deze uitspraak: ‘De barmhartigheid zal voor ieder plaats maken in overeenstemming met wat hij met zijn daden verdiend heeft.’Sirach 16:15En uit de brief aan de Hebreeën: ‘Vergeet niet om goed te doen en te delen, want door zulke offers maak je je verdienstelijk bij God.’Hebreeën 13:16
Ik doe nu afstand van mijn recht om het gezag van Jezus Sirach af te wijzen. Ik zeg wéldat ze niet eerlijk citeren wat Jezus Sirach geschreven heeft, wie deze schrijver ook geweest mag zijn. Want in de Griekse tekst staat dit: ‘Hij zal plaats maken voor barmhartigheid. Want ieder zal vinden in overeenstemming met wat hij gedaan heeft.’Dit is de juiste lezing. In de vertaling in het Latijn is die misvormd. Dat blijkt niet alleen uit deze ene zin, maar ook uit de context van wat er in het voorgaande gezegd is.
Wat betreft de passage uit de brief van de Hebreeën:er is voor hen geen reden om ons op één woordje te vangen. Want in de Griekse woorden van de apostel staat niets anders te lezendandat God met zulke offers blij is en dat Hij ze aangenaam vindt. Alleen dit al zou meer dan genoeg moeten zijn om de brutaliteit van onze hoogmoedin bedwangte houden: dat we onze daden geen enkele waarde toekennen buiten de woorden van de Schrift om.
Verderleertde Schrift dat onze goede daden continu bezaaid zijn met veel vuil. Terechtergeren zulke daden Goden wordt Hij boos op ons.Het is absoluut niet zo dat onze daden Hem met ons zouden kunnen verzoenen ofervoorzouden kunnenzorgendat Hij ons goed doet. Maar omdat God in zijn welwillendheid onze daden niet onderzoekt volgens zijn hoogste recht, neemt Hij ze aan alsof ze zuiver waren. Ook al verdienen ze het niet,tochbeloont Hij ze met ontelbare goede gaven, zowel in het tegenwoordige als in het toekomstige leven. Want ik accepteer niet het onderscheid dat gemaakt wordt doorvoor de restgeleerde en vrome mannen: dat we met onze goede daden de genadegaven verdienen die we in dit leven krijgen en dat het eeuwige behoud de beloning is voor geloof alleen. Want de Heer plaatst het loon voor onze daden en de overwinningskrans voor de strijd bijna altijd in de hemel.
Aan de andere kant is het in strijd met de leer van de Schrift omaan de verdienste van onze daden toe te schrijven – en dus aan de genade te ontnemen – dat door de Heer de ene genadegave bovenop de andere gestapeld wordt.Johannes 1:16Weliswaar zegt Christus dat wie heeft, nog meer krijgtMattheüs 25:29; Lucas 8:18en dat een goede en trouwe slaaf die in weinig trouw geweest is, aangesteld zal worden over veel.Mattheüs 25:21 Maar ergens anderslaat Hij ook zien datdie toename voor de gelovigen een gratis geschenk is van Hem, door zijn welwillendheid.Hij zegt:‘Ieder die dorst heeft, kom naar het water en wie geen geld heeft, kom, koop zonder geld en zonder prijs wijn en melk!’Jesaja 55:1 Dus alles wat de vromen nu krijgen als ondersteuning voor hun behoud en ook het behoud zelf, komt enkel voort uit Gods goedheid. Toch verklaart Hij dat Hij zowel daarin als in die genadegaven rekening houdt met onze daden. Want als bewijs hoe groot zijn liefde voor onsis, keurt Hij niet alleen ons, maar ook de gaven die Hij ons geschonken heeft zo’n eer waard.
Christus is het enige fundament
Als deze dingen invoorgaandeeeuwen behandeld en uitgelegd warenop de manier waarop dit had moeten gebeuren, zou er nooit zoveel verwarring en onenigheid zijn ontstaan. Paulus zegt dat bij het opbouwen van de christelijke leer het fundament bewaard moet blijven dat hij zelf bij de Korinthiërs gelegd had. Er kan geen ander fundament gelegd worden dan dat fundament en dat fundament is Christus. Korinthiërs 3:10-11 Wat voor fundament is Christus in ons? Een fundament dat voor ons het begin van ons behoud was, zodat wij het zelf afmaken? Heeft Hij alleen de weg gebaand, zodat wij daarop in eigen kracht verder zouden gaan? Natuurlijk niet! Het is zoals Paulus kort daarvóór geschreven had: als we Christus erkennen, is Hij ons gegeven als rechtvaardigheid.
Je bent dus alleen goed in Christus gefundeerd als je in Hem een volledige rechtvaardigheid hebt. Want de apostel zegt niet dat Christus gezonden is om te helpen zo’n rechtvaardigheid te krijgen, maar om zelf onze rechtvaardigheid tezijn. Korinthiërs 1:30 Want Paulus zegt dat wij in Christus van eeuwigheid af, vóór de fundering van de wereld, uitverkoren zijn, zonder zelf iets verdiend te hebben, maar volgens het plan van Gods welbehagen.Efeziërs 1:4-5Door zijn dood zijn wij verlost van de vloek van de dood en bevrijd van de ondergang.Kolossenzen 1:14; 1:20In Hem zijn wij door de hemelse Vader geadopteerd als kinderen en erfgenamen.Romeinen 8:17; Galaten 4:5-7Door zijn bloed zijn wij met de Vader verzoend.Romeinen 5:9-10 Omdat we aan Hem zijn toevertrouwd,zijn welosgerukt uit het gevaar van ondergang en vernietiging.Johannes 10:28Omdat we zo in Hemgeëntzijn,Romeinen 11:19delen we nu al een beetje in het eeuwige leven en zijn we door hoop nu al Godskoninkrijk binnengestapt.
En dat is nog niet alles. Nadat wij zo deel gekregen hebben aan Christus, is Hij voor ons wijsheid voor God, ook al zijn we in onszelf nog zo dwaas. Ook al zijn wij zondaren, Hij is voor ons rechtvaardigheid. Ook al zijn wij onrein, Hij is voor ons reinheid. Ook al zijn wij zwak en zijn we ongewapend blootgesteld aan Satan, voor ons is de macht die Hem gegeven is in de hemel en op de aarde,Mattheüs 28:18waarmee Hij voor ons Satan vertrapt en de poorten van de hel breekt. Ook al dragen wij het lichaam van de dood nog met ons mee, alles wat van Hem is, is van ons. In Hem hebben we alles, maar in onszelf niets.
Op dit fundament moeten wij gebouwd worden als we willen uitgroeien tot een tempel die voor de Heer geheiligd is.Efeziërs 2:21
De sofisten beroven Christus van zijn macht en eer
Maar de wereld heeft nu al lange tijd iets heel anders geleerd. Er zijn ik weet niet wat voor goede morele daden bedacht waarmee mensener zelf voor zorgen dat ze bij God in de gunst komen, voordat ze in Christusgeëntworden.
Alsof de Schrift liegt als ze zegt dat ieder die de Zoon niet bezit, in de dood ligt! Johannes 5:12Als zij in de dood zijn, hoe kunnen ze dan levensmaterie voortbrengen?
Alsof het niets betekent dat de Schrift zegt dat alles wat gebeurtzonder geloof, zonde is!Romeinen 14:23
Alsof een slechte boom goede vruchten kan voortbrengen!Mattheüs 7:18; Lucas 6:43
En wat hebben deze levensgevaarlijke sofisten voor Christus overgelaten, waarin Hij nog zijn kracht zou kunnen laten zien? Ze zeggen dat Hij voor ons de eerste genade verdiend heeft: de gelegenheid om zelf te verdienen. Nu zou het aan ons zijn om de aangeboden gelegenheid te gebruiken. Wat een schandelijke brutaliteit van goddeloosheid!Wie zou verwacht hebben dat mensen die de naam van Christus belijden, Hem van zijn kracht zouden durven beroven en Hem haast met hun voeten zouden durven vertrappen?
Overal wordt van Christus getuigd dat ieder die in Hem gelooft, gerechtvaardigd is. Maar zij leren dat we van Hem geen andere gave krijgen dan dat voor ieder de weg gebaand is om zichzelf te rechtvaardigen.Ach, proefden ze maar eens wat de volgende uitspraken betekenen. Wie Gods Zoon hebben, hebben het leven. Johannes 5:12Ieder die gelooft, is van de dood overgegaan in het leven.Johannes 5:24We zijn door zijn genade gerechtvaardigd om erfgenamen te worden van het eeuwige leven.Titus 3:7; Romeinen 5:1-2Gelovigen hebben Christus in zich wonen. Johannes 3:24Door Hem klampen ze zich aan God vast. Doordat ze delen in zijn leven, zitten ze met Hem in de hemel.Efeziërs 2:6Ze zijn overgebracht in Gods koninkrijkKolossenzen 1:13en hebben de redding gekregen.
En zo zijn er nog veel meer uitspraken.
Uit deze uitspraken blijkt niet slechts dat we door geloof het vermogen krijgen om rechtvaardigheid te verdienen of het behoud in handen te krijgen. Nee, ze worden ons beide geschonken. Zodra je door geloof in Christus bent ingelijfd, ben je dus al een kind van God en een erfgenaam van de hemel. Dan deel je al in rechtvaardigheid en bezit je al het leven. En om hun leugens nog beter te weerleggen: je bent niet in de gelegenheid gesteld om te verdienen, maar je hebt alles gekregen wat Christus verdiend heeft.Want daar mag je in delen.
De dwalingen van Lombardus
Zo hebben de scholen van de Sorbonne-universiteit in Parijs, de moeders van alle dwalingen, de rechtvaardiging door geloof – de kern van alle vroomheid – van ons afgenomen. Met woorden geven ze wel toe dat de mens gerechtvaardigd wordt door ‘gevormd’ geloof. Maar vervolgens leggen ze dit zo uit: dit gebeurt doordat onze goede daden door geloof in staat zijn om te rechtvaardigen. Het lijkt er haast opdatze geloofalleen maar noemen als een praatje voor de vaak, omdat ze er nu eenmaal niet over konden zwijgen zondernog meerergernis te wekken, omdat het zo vaak door de Schrift genoemd wordt.
En daar zijn ze nog niet tevreden mee. Want ze ontfutselen God ook nog een gedeelte van de lof voor onze goede daden en geven die aan de mens. Ze zien dat onze goede daden nauwelijks in staat zijn om een mens op te richten en dat je ze eigenlijk zelfs geen verdiensten kunt noemen, als ze beschouwd worden als vruchten van Gods genade. Daarom willen ze ze voort laten komen uit de vrije wil, oftewel, ze willen olie halen uit een steen. Weliswaar ontkennen ze niet dat de belangrijkste oorzaak ligt in de genade. Maar ze beweren dat de vrije wil, waar alle verdiensten van afhankelijk zijn, daar toch niet door wordt uitgesloten.
Dit leren niet alleen de latere sofisten. Dit leert ook hun Pythagoras,1PetrusLombardus, die je, vergeleken met de latere sofisten, verstandig en nuchter zou kunnen noemen. Het getuigde werkelijk van een wonderlijke blindheid dat hij zo vaak Augustinus in de mond nam en toch niet zag hoe zorgvuldig die man ervoor opgepast heeft geen enkel stukje van de roem voor goede daden aan de mens te geven. Hierboven, toen ik de vrije wil behandelde, heb ik van hem enkele citaten aangehaald die hierop slaan en herhaaldelijk tref je in zijn geschriften vergelijkbare uitspraken aan. Bijvoorbeeld als hij ons verbiedt om ooit te pochen op onze eigen verdiensten, omdat ook dat gaven van God zijn. En als hij schrijft dat al onze verdiensten slechts uit genade voortkomenen dat we ze niet krijgen doordat we zelf voldoende kunnen doen, maar dat ze volledig tot stand komen door genade.
Dat Lombardus blind geweest is voor het licht van de Schrift is minder vreemd. Wanthet blijkt dat hij daarin niet zo goed getraind was. Maar er valt niets duidelijkers tegen hem en zijn leerlingen te wensen dandevolgendeuitspraakvan de apostel Paulus. Want nadatPaulusde christenen elk roemen verboden heeft, voegdehijer de reden bij waarom roemen niet is toegestaan: ‘Omdat God ons gemaakt heeft en ons geschapen heeft om goede daden te verrichten, die God heeft voorbereid, zodat wij op die manier zouden leven.’Efeziërs 2:10Er komt dus niets goeds uit ons voort, behalve voor zover we opnieuw geboren zijn. En onze nieuwe geboorte komt volledig, zonder uitzondering, van God. Daarom is er geen reden om in onze goede daden ook maar een greintje aan onszelf toe te schrijven.
Ten slotte, doordat de sofistener continu op hameren dat je goede daden moet verrichten, leren ze het gewetenom ernooitop tedurvenvertrouwen dat God zijn daden genadig en gunstig gezind is. Ik echter beur met mijn leer het gemoed van gelovigen op met een bijzondere troost, ook al zwijg ik volledig over verdiensten. Want ik leer dat zij met hun daden God plezier doen en voor Hem ongetwijfeld acceptabel zijn. Ik eis zelfs dat niemand iets moet proberen of beginnen zonder geloof. Dat wil zeggen: als hij niet eerst met een vast vertrouwen heeft vastgesteld dat het God plezier zal doen.
Vermaning en troost
Daarom mogen we niet toestaan dat we ook maar eenmillimeter van dat enige fundament afgebracht worden. Als dat fundament gelegd is, bouwen wijze bouwmeestersdaarop op de juiste manier en in de juiste orde.
Want als er onderwijs en vermaning nodig is, dan wijzen zulke bouwmeesters erop dat Gods Zoon verschenen is om de daden van de duivel teniet te doen en dat wie uit God zijn, niet zondigen.1 Johannes 3:8-9Dat het genoeg is dat we in het verleden de wil van de heidenen uitgevoerd hebben.1 Petrus 4:3Dat Gods uitverkorenen vaten voor barmhartigheid zijn, apart gezet voor eer, die van vuil gereinigd moeten worden.2 Timotheüs 2:20-21Maar alles wordt voor eens en altijd gezegd als erop gewezen wordt dat Christus leerlingen wil die zichzelf verloochend hebben, hun kruis opgepakt hebben en achter Hem aangaan.Mattheüs 16:24; Lucas 9:23 Wie zichzelf verloochend heeft, heeft de wortel van alle slechtheid afgesneden. Hij zoekt dan niet meer zijn eigen belang. Wie zijn kruis opgenomen heeft, heeft zichzelferop ingesteld altijdgeduldig en zachtmoedig te zijn. En Christus’ voorbeeld omvat deze en alle andere plichten van vroomheid en heiligheid. Hij is de Vader tot zijn dood toe gehoorzaam geweest.Filippenzen 2:8Hij was altijd bezig Gods werk uit te voeren.Johannes 4:34; Lucas 2:49Hij heeft volledig van harte de eer van zijn Vader bevorderd.Johannes 8:50; 7:16-18Hij heeft zijn leven gegeven voor zijn broers.Johannes 10:15; 15:13Hij heeft zijn vijanden goed gedaan en voor hen gebeden.Lucas 6:27-35; 23:34
Als er troost nodig is,zal dit een geweldige troost bieden: dat we verdrukt worden, maar niet in het nauw komen. Dat we in problemen verkeren, maar niet verlaten worden. Dat we vernederd worden, maar niet gaan twijfelen. Dat we neergeworpen worden, maar niet omkomen. Dat we altijd de dood van Jezus Christus in ons lichaam meedragen, zodat het leven van Jezus in ons geopenbaard wordt.2 Korinthiërs 4:8-10Als wij met Hem gestorven zijn, zullen we ook met Hem leven. Als we met Hem lijden, zullen we ook met Hem regeren.2 Timotheüs 2:11-12Zo krijgen we deel aan zijn lijden, totdat we net zo’n opstanding bereiken als die van Hem.Filippenzen 3:10-11Want de Vader heeft bepaald dat degenen die Hij in zichzelf uitverkoren heeft, gelijk zullen worden aan het beeld van zijn Zoon.Dan zalHij de eerstgeborene zijn van alle broers. En zo zullen de dood of tegenwoordige of toekomstige dingen ons niet scheiden van Gods liefde die in Christus is. Sterker nog, alles zal voor ons meewerken voor ons welzijn en ons behoud.Romeinen 8:28-29; 8:38-39
Let erop dat ik de mens voor God niet rechtvaardig op basis van zijn daden. Ik zeg juist dat allen die uit God zijn, opnieuw geboren worden1 Petrus 1:3en een nieuw schepsel worden,2 Korinthiërs 5:17zodat ze uit het rijk van de zonde overgaan naar het rijk van rechtvaardigheid. Door dit bewijs bevestigen ze hun roeping.2 Petrus 1:10Net als bomen worden ze beoordeeld op basis van hun vruchten.Mattheüs 7:20; Lucas 6:44
Voetnoten
- 377
Augustinus, De praedestinatione sanctorum 15,31.
- 378
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 139, 18.
- 379
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 88.
- 380
Chrysostomos,In Genesis, 34,6.
- 381
Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 68,6.
- 382
Pythagoras (6e eeuw v. Chr.), Griekse filosoof.
- 383
Petrus Lombardus, Sententiae II, 28.
- 384
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 144, 11; Augustinus, Epistulae, 194.
Voetnoot 377
Augustinus, De praedestinatione sanctorum 15,31.
Voetnoot 378
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 139, 18.
Voetnoot 379
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 88.
Voetnoot 380
Chrysostomos,In Genesis, 34,6.
Voetnoot 381
Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 68,6.
Voetnoot 382
Pythagoras (6e eeuw v. Chr.), Griekse filosoof.
Voetnoot 383
Petrus Lombardus, Sententiae II, 28.
Voetnoot 384
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 144, 11; Augustinus, Epistulae, 194.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.