Boek III · Hoofdstuk 18
Rechtvaardigheid en beloning
Inhoud van dit hoofdstuk · 10 secties
- 1God beloont goede daden
- 2Het loon is een onverdiende erfenis
- 3Het loon wordt niet afgemeten aan onze daden
- 4Het loon is bedoeld om ons aan te sporen
- 5De basis voor het loon is vergeving
- 6Door goede daden te verrichten, zend je je schatten vooruit naar de hemel
- 7Paulus over God die rechtvaardig is als Hij ons beloont
- 8Paulus over liefde die meer is dan geloof
- 9Loon verdienen kan alleen met volmaakte rechtvaardigheid
- 10Eén zonde maakt onrechtvaardig, maar één goede daad maakt niet rechtvaardig
God beloont goede daden
Laten we nu verdergaan met de uitspraken die verzekeren dat God ieder zal belonen op basis van zijn daden.
Dit zijn zulke uitspraken: ‘Ieder zal uitbetaald krijgen wat hij in het lichaam gedaan heeft, of het nu goed was of slecht.’2 Korinthiërs 5:10‘Wie goed doet,voorhemglorieen eer, maar verdrukking en benauwdheid voor ieder die het kwade doet.’Romeinen 2:6-10En: ‘Zij zullen gaan: wie het goede gedaan hebben, gaan naardeopstanding van het leven enwie het kwade gedaan hebben, gaan naar de opstanding van het oordeel.’Johannes 5:29‘Kom, gezegenden van mijn Vader! Ik had honger en jullie hebben mij eten gegeven. Ik had dorst en jullie hebben mijtedrinken gegeven.’Mattheüs 25:34-35; 25:42
Laten we daar nog de uitspraken bij nemen die het eeuwige leven het loon voor onze daden noemen. Tot die categorie horen deze uitspraken: ‘De mens zal vergoed krijgen wat hij met zijn handen doet.’Spreuken 12:14‘Wie het gebod vreest, zal beloond worden.’Spreuken 13:13‘Wees blij en verheug jullie!Kijk, jullie loon is groot in de hemel.’Mattheüs 5:12; Lucas 6:23‘Ieder zal loon krijgen in overeenstemming met zijn werk.’1 Korinthiërs 3:8
Dat er gezegd wordt dat God ieder zal betalen in overeenstemming met wat hij gedaan heeft, kan ik gemakkelijk oplossen. Want deze manier van spreken geeft eerder de volgorde aan dan de oorzaak. En er is geen twijfel aan dat de Heer via deze stappen zijn barmhartigheid uitvoert: de uitverkorenenroept Hij naar zich toe, de geroepenenrechtvaardigt Hij en de gerechtvaardigdenlaat Hij delen in zijn glorie.Romeinen 8:30Weliswaar neemt Hij de zijnen alleen door zijn barmhartigheid aan in het leven. Maar toch is het dus niet zo vreemd dat er van hen gezegd wordt dat ze gekroond worden in overeenstemming met hun daden. Want Hij brengt hen naar het leven via de route van goede daden. Zo voert Hij zijn werk uit in hen in de volgorde die Hij heeft vastgesteld. En door die daden worden ze ongetwijfeld klaar gemaakt om de erekrans van de onsterfelijkheid te ontvangen.
Daarom wordt er dus terecht over hen gezegd dat ze zelf hun redding bewerken.Filippenzen 2:12Want door ijverig het goede te doen, denken ze na over het eeuwige leven.Dat klopt met dat hun ergens anders geboden wordt om te werken voor het voedsel dat niet vergaat. Door in Christus te geloven, verdienen ze het leven voor zichzelf. En toch wordt er meteen aan toegevoegd: ‘Het voedsel dat de mensenzoon jullie zal geven.’Johannes 6:27 Daaruit blijkt dat het woord ‘werken’ absoluut geen tegenstelling vormt met de genade. Het heeft te maken met onze ijver. En daarom betekent dat niet dat gelovigen zelf hun redding bewerken of dat deze het gevolg is van hun eigen werk.
Hoe zit het dan? Zodra ze door het kennen van het evangelie en door de verlichting door de Heilige Geest opgenomen zijn in de gemeenschap met Christus, is in hen het eeuwige leven begonnen. En het goede werk dat God in hen begonnen is, moet ookvoltooidworden op de dag van de Heer Jezus.Filippenzen 1:6 En het wordtvoltooidals ze door rechtvaardigheid en heiligheid een afspiegeling vormen van de hemelse Vader en zo bewijzen dat ze zijn niet ontaarde kinderen zijn.
Het loon is een onverdiende erfenis
Het woord ‘loon’ vormt voor ons geen argument dat onze daden de oorzaak zijn voor ons behoud. In ons hart moet in de eerste plaats vaststaan dat het koninkrijk van de hemelgeenloon is voor slaven, maar een erfenis voor kinderen.Efeziërs 1:18Alleen wie de Heer als kinderen geadopteerd heeft, krijgen deze erfenis.Galaten 4:7En deze adoptie is daarvoor de enige reden.Efeziërs 1:5-6‘Want de zoon van de slavin zal geen erfgenaam zijn, maar de zoon van de vrije.’Galaten 4:30
Juist op die plaatsen waar de Heilige Geest belooft dat de eeuwigegloriehet loon zal zijn voor onze daden, bewijst Hij daarom dat dat loon voor ons ergens anders vandaan komt. Als Christus de uitverkorenen roept om de hemel te bezitten, somt Hij op welke daden Hij met dat loon beloont. Maar Hij voegt er tegelijk ook aan toe dat ze dat loon moeten bezitten via het recht van de erfenis.Mattheüs 25:34En Paulus beveelt de slaven om trouw hun plicht te doen en te hopen op een vergoeding van de Heer. Maar hij voegt eraan toe: ‘van de erfenis.’Kolossenzen 3:24 We zien dat ze er, als het ware met vast voorgeschreven termen, nauwkeurig voor oppassen dat ze het ontvangen van het eeuwige geluk zouden toeschrijven aan onze daden in plaats van aan onze adoptie door God. Waarom noemen ze dan tegelijk toch onze daden? Deze vraag kan ik ophelderen met één voorbeeld uit de Schrift.
Voor de geboorte van Izak was aan Abraham nageslacht beloofd waarin alle volken van de aarde gezegend zouden worden. En dat dat nageslacht zich zo zou vermenigvuldigen dat het net zo groot zou worden als het aantal sterren aan de hemel en de hoeveelheid zand aan de zee. En meer van zulke dingen.Genesis 15:5; 17:1; 18:18Vele jaren later maakt Abraham zichklaarom zijn zoon te offeren, zoals hem in een goddelijke uitspraak bevolen was. Toen hij dit gehoorzaam gedaan had, kreeg hij deze belofte: ‘Ik heb bij Mijzelf gezworen, zegt de HEER: omdat jij dit gedaan hebt en je zoon, je enige, Mij niet onthouden hebt, zal ik je zegenen en je nageslacht vermenigvuldigen, net als de sterren aan de hemel en het zand aan de zee. Je nageslacht zal de poorten van zijn vijanden in bezit nemen en in jouw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat jij mijn stem gehoorzaamd hebt.’Genesis 22:16-18
Wat horen we? Heeft Abraham met zijn gehoorzaamheid de zegen verdiend die hem al beloofd was vóórhijhet bevel had gekregen?Hier zien we ondubbelzinnig dat de Heer de daden van de gelovigen beloont met de gaven die Hij hun al gegeven heeft, voordat ze er maar aan dachten om goede daden te doen. Hij heeft dus geen enkele reden om hen goed te doen, behalve zijn barmhartigheid.
Het loon wordt niet afgemeten aan onze daden
Toch doet God geen loze beloften en speelt Hij geen spelletje met ons als Hij zegt dat Hij onze daden beloont met wat Hij ons al vóór die daden gratis gegeven heeft. Want Hij wil dat wij door goede daden getraind worden om, zeg maar, de beloning of het genot na te streven van wat Hij beloofd heeft. Hij wil dat wein die goede daden wandelen, om ijverig ons best te doen voor de hoop op het behoud dat in de hemel voor ons klaarligt. Daarom wordt ook aan onze daden terecht de vrucht van de beloften toegeschreven. Door middel van onze daden komt die vrucht voor ons tot rijpheid.
De apostel Paulus heeft die beide dingen heel mooi weergegeven toen hij zei dat de
Kolossenzenijverig liefdevolle daden verrichtten, omwille van de hoop die voor hen klaarlag in de hemel, waarover ze eerder gehoord hadden via het woord van het ware evangelie.Kolossenzen 1:4-5Want als Paulus zegt dat ze uit het evangelie de hoop hebben leren kennen die voor hen in de hemel klaarlag, verklaart hij dat die hoop alleen gebaseerd is op Christus en op geen enkele daad van henzelf.
Dat klopt ook met wat Petrus zegt: de vromen worden in Gods kracht bewaard door geloof, voor het behoud dat op het juiste moment geopenbaard wordt. Petrus 1:5Als Paulus zegtdat ze zich daarominspannen, geeft hij aan dat de gelovigen heel het parcours van hun leven moeten lopen om dat te pakken te krijgen.
En we moeten niet denken dat het loon dat de Heer ons belooft, wordt afgemeten aan de omvang van onze verdiensten. Daarom heeft de Heer ons een gelijkenis gepresenteerd waarin Hij zichzelf voorstelt als een heer des huizes. Ieder die hij ontmoet wordt door die heer des huizes zijn wijngaard in gezonden om die te bebouwen. Sommigen in het eerste uur van de dag, anderen in het tweede uur, weer anderen in het derde uur. Sommigen zelfs in het laatste uur. Maar ’s avonds betaalt hij hun allemaal hetzelfde loon.Mattheüs 20:1-16
De uitleg daarvan is kort en waarheidsgetrouw samengevat door de oude schrijver, wie het ook is, wiens boekOver de roeping van de heidenenop naam staat van Ambrosius.Omdat hij een oude leraar van de kerk is,gebruikikliever zijn woorden dan mijn eigen woorden. Hij zegt: ‘Door middel van de norm van deze vergelijking heeft de Heer de verscheidenheid laten zien van de veelvoudige roeping wat betreft dezelfde genade.Zij die in het laatste uur de wijngaard in gezonden worden en gelijkgesteld worden met degenen die de hele dag gewerkt hebben, vormen ongetwijfeld een verwijzing naar het lot van degenen die God, tot eer van zijn goedheid, aan het eind van de dag, aan het eind van hun leven beloond heeft met zijn goddelijke welwillendheid. Hun betaalt Hij niet het loon voor hun werk, maar Hij stort over hen de rijkdom van zijn goedheid uit. Hij heeft hen uitverkoren zonder hun daden, om ook degenen die zo gezwoegdhebbendat het zweet over hun gezicht liep en toch niet meer gekregen hebben dande laatsten, te laten beseffen datzeeen genadegave gekregen hebben en geen arbeidsloon.’ Ten slotte is het ookopmerkelijk dat in deze passages met het loon voor onze daden niet simpelweg bedoeld wordt dat we deel hebben aan God, tot aan de gelukkige onsterfelijkheid, als Hij ons met vaderlijke welwillendheid omhelst in Christus. Het slaat ook op het bezitten of het genieten van dat geluk zelf. Daarom luiden ook Christus’ eigen woorden: ‘En in de toekomstige tijd het eeuwige leven.’Marcus 10:30En ergens anders: ‘Kom, bezit het koninkrijk …!’Mattheüs 25:34
Daarom noemt Paulus de adoptiealskinderen ook de openbaring van de adoptie die zal plaatsvinden bij de opstanding. En vervolgens legt hij uit dat het de verlossing is uit ons lichaam.Romeinen 8:18-23
Bovendien, vervreemd zijn van God is de eeuwige dood. Daarom wordt de mens overgebracht van de dood naar het leven als God hem in genade aanneemt om te genieten van het delen in Hem en met Hem één te worden. Dat gebeurt alleen door de zegen van de adoptie.
En als mijn tegenstanders koppig blijven vasthouden aan arbeidsloon, kunnen we het woord van Petrus weer tegen hen inbrengen, dat het eeuwige leven het loon is voor geloof.
Petrus 1:9
Het loon is bedoeld om ons aan te sporen
Wemoeten dus niet denken dat de Heilige Geest door zo’n belofte de waarde van onzedadenaanprijst, alsof die zo’n loon verdienen. Want de Schrift laat niets over waarop wij ons voor Godsogenkunnen verheffen. De Heilige Geest wil juist onze arrogantie in toom houden en ons nederig maken, neerwerpen en volledig breken. Maar deze belofte ondersteunt ons in onze zwakheid. Anders zouden we meteen bezwijken en omvallen. In onze zwakheid moeten we ons staande houden door deze verwachting. Die moet onze pijn verlichten door haar troost.
Om te beginnen moet ieder bij zichzelf bedenken hoe moeilijk het is om niet alleen alles wat je hebt, maar ook jezelf los te laten en te verloochenen. Toch is dat het eerstewat Christus zijn leerlingen – dat zijn alle vromen – leert. Vervolgens onderwijst Hij hen heel hun leven lang via de discipline van het kruis, om te voorkomen dat ze hun begeertezouden richten opde goede dingen van het tegenwoordige leven, of daarop zouden vertrouwen.Kortom, Hij behandelt hen bijna altijd zo dat ze overal niets anders te zien krijgen dan wanhoop, waar ze hun ogen ook heen wenden en zover deze wereld zich uitstrekt.
Daarom zegt Paulus dat wij de ellendigste van alle mensen zijn als we alleen voor deze wereld onze hoop hebben. Korinthiërs 15:9Om te voorkomen dat zijn leerlingen in zulke grote benauwdheden bezwijken, staat de Heer hen bij. Hij spoort hen aan het hoofd hoger op te heffen en hun ogen verder te laten kijken. Het geluk dat ze in de wereld niet zien, zullen ze dan bij Hem vinden. Dit geluk noemt Hij een prijs, een loon, een vergoeding. Niet dat Hij enige waarde hecht aan wat zij met hun daden verdienen. Maar Hij maakt duidelijk dat het geluk een vergoeding is voor hun verdrukkingen, lijden, schande, enzovoort.Mattheüs 5:12; 6:1
Niets verhindert ons daarom om het eeuwige leven, naar het voorbeeld van de Schrift,Hebreeën 10:35; 11:26een vergoeding te noemen. Want in het eeuwige leven neemt de Heerde zijnen uit zwaar werk op in de rust, uit verdrukking in een aantrekkelijke toestand van voorspoed, uit verdriet in vreugde, uit armoede in overvloed, uit schande inglorie. Kortom, alle rampen waaronder ze geleden hebben, wisselt Hij in voor betere dingen. Daarom is er ook niets op tegen om te denken dat een heilig leven een weg is, die weliswaar niet de toegang opent naar deglorievan het hemelse koninkrijk, maar waarlangs de uitverkorenen wel door hun God gebracht worden naar de openbaring van dieglorie. Want het is zijn welbehagen om degenen die Hij geheiligd heeft,te laten delen in zijn glorie.Romeinen 8:30
Alleen moeten we ons niet inbeelden dat er een wederkerig verband bestaat tussen verdienste en loon. De sofisten houden daar onbeschaamd aan vast, omdat ze niet inzien wat het doel is zoals ik dat uitleg. En wat is het verkeerd om je oog ergens anders op te richten, als de Heer ons naar één doel roept! Het is toch overduidelijk dat er een beloning beloofd wordt voor onze goede daden om onszwakke vlees te troosten en op te beuren en niet om onshart op te blazen tot verwaandheid. Dus wie daaruit concludeert dat we met onze daden iets verdienen, of in de weegschaal onze daden laat opwegen tegen het loon, dwaalt heel ver af van het juiste richtpunt dat God gesteld heeft!
De basis voor het loon is vergeving
Daarom, als de Schrift zegt dat God, de rechtvaardige rechter, de zijnen eens de overwinningskrans van rechtvaardigheid zal geven, Timotheüs 4:8antwoord ik metAugustinus: ‘Aan wie zou de rechtvaardige rechter die krans geven, als de barmhartige Vader geen genade geschonken had? En hoe zou er rechtvaardigheid kunnen zijn als er niet eerst genade geweest was om de goddeloze te rechtvaardigen? Hoe zouden er nu verschuldigde dingen gegeven kunnen worden als er niet eerst onverschuldigde dingen gegeven waren?’
Maar ik voeg er nog iets anders aan toe: hoe zou God rechtvaardigheid kunnen toekennen aan onze daden als Hij niet door zijn welwillendheid verborg wat er nog aan onrechtvaardigheid in die daden is? Hoe zou Hij onze daden loon waard keuren als Hij niet door zijn oneindige goedheid wegnam wat er in onze daden nog straf verdient? Augustinus heeft de gewoonte om het eeuwige leven genade te noemen omdat, als de daden beloond worden, Gods gratis gaven beloond worden. Maar de Schrift vernedert ons nog meer en richt ons meteen ook op. Want de Schrift verbiedt ons niet alleen dat we ons laten voorstaan op onze daden omdat het gratis gaven van God zijn. De Schrift leert ook dat onze daden nog altijd bezoedeld zijn met vuil. Daarom kunnen ze God geen genoegdoening geven als ze onderzocht worden volgens de norm van zijn oordeel. Maar om te voorkomen dat ons enthousiasme zou inzakken, leert de Schrift bovendien dat onze daden God enkel door vergeving toch plezier doen.
Augustinus spreekt dus een beetje anders dan ik. Maar inhoudelijk verschilt hij niet zo sterk van mij. Dat blijkt uit zijn woorden in boek 3van Aan Bonifacius, hoofdstuk 5.Daar vergelijkt hij twee mensen met elkaar. Het leven van de een is haast een wonder van heiligheid en volmaaktheid. De ander is wel goed en moreel zuiver, maar toch niet zo volmaakt dat er niet nog veel op hem aan te merken is. Ten slotte trekt hij deze conclusie: ‘De laatste lijkt moreel achter te staan bij de ander. Maar als hij bevrijdt wordt uit dit leven, verhuist hij naar de gemeenschap met Christus, vanwege zijn oprechte geloof. Uit dat geloof leeft hij en volgens dat geloof beschuldigt hij zichzelf van alle misdaden en prijst hij in al zijn goede daden
God. Zichzelf kent hij de schande toe en God de eer, omdat hijvanHem vergeving krijgt voor zijn zonden en liefde voor goede daden. Waarom anders dan om zijn geloof? Weliswaar redt dat geloof niemand zonder goede daden.Geloof werkt immers door liefde. Anders zou het geen echt geloof zijn. Toch worden door dit geloof ook de zonden vergeven, omdat de rechtvaardige leeft door geloof. Maar zonder geloofveranderendaden die goed lijken, in zonden.’ Hier erkentAugustinus in elk geval duidelijk wat ik met zoveel klem beweer: de rechtvaardigheid van onze goede daden is het gevolg van het feit dat onze daden voor God aangenaam zijn dankzij vergeving.Dat wil zeggen: dankzij barmhartigheid en niet op grond van zijn oordeel.
Door goede daden te verrichten, zend je je schatten vooruit naar de hemel
De volgende passages zijn qua betekenis sterk verwant aan de hierboven genoemde passages: ‘Maak jezelf vrienden door middel van de onrechtvaardige Mammon. Dan zullen zij je, als je sterft, ontvangen in de eeuwige tenten.’Lucas 16:9‘Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld dat ze niet hoogmoedig mogen zijn en hun hoop niet mogen stellen oponzekererijkdom, maar op de levende God. Ze moeten goeddoen, rijk zijn in goededaden en voor zichzelf een schat verzamelen als een goed fundament in de toekomst, om het eeuwige leven in handen te krijgen.’ Timotheüs 6:17-19Goede daden worden immers vergeleken met rijkdommen waar de gelovigen van kunnen genieten in het echte geluk van het eeuwige leven.
Mijn antwoord is dat we deze passages nooit echt kunnen begrijpen als weonzeogen niet richten op het doel waar de Geest zijn woorden op richt. Christus zegt dat ons hart is waar onze schat is.Mattheüs 6:21Als dat waar is,moeten gelovigen ervoor zorgen dat ze datgene waar ze echt van willen genieten, vooruitzendennaar de plek waar ze een volmaakt leven zullen leiden. Want zo doen de kinderen van deze tijd altijd hun best om in handen te krijgen wat helpt om van het tegenwoordige leven te genieten. Maar gelovigen hebben geleerd dat dit leven al snel als een vluchtige droom voorbijgaat.
We moeten dus hetzelfde doen als mensen die van plan zijn te verhuizen naar een plek die ze hebben uitgekozen om daar de rest van hun leven te blijven wonen. Ze zenden hun bezittingen vooruit. Die willen ze graag een tijd missen. Want ze beschouwen zichzelf als extra gelukkig als ze extra veel spullen hebben op de plek waar ze lang zullen zijn. Als wij geloven dat de hemel ons vaderland is, moeten we onze rijkdommen juist daarheen zenden, in plaats van ze hier te houden. Want hier zouden ze voor ons verloren gaan als we plotseling moeten verhuizen.
Maar hoe moeten wij ze vooruit zenden? Nou, door ze uit te delen aan de armen en aan mensen die er behoefte aan hebben. Want alles wat we aan hen geven, beschouwtde Heer als gegeven aan Hem.Mattheüs 25:40Vandaar die heerlijke belofte: ‘Wie geeft aan de arme, leent uit aan de HEER.’Spreuken 19:17En: ‘Wie royaal zaait, zal royaal oogsten.’2 Korinthiërs 9:6 Want wat we uit liefdeplicht opofferen aan onze broeders, geven we in bewaring in de hand van de Heer. Omdat Hij een betrouwbare bewaarder is, zal Hij het eens met een royale rente teruggeven.DusGodvindthet doen van onze plichtzo waardevol dat het in zijn hand net schatten zijn die voor onszijn opgeborgen in zijn hand. Wie zou er dan voor terugschrikken om er zo over te spreken, als de Schrift dit zo vaak en openlijk verklaart?
Maar als iemandvanuitenkel Gods goedheid de overstap zou willen maken naar de waarde van onze daden, dan kunnen deze passages hem niet helpen om zijn dwaling te bevestigen. Want je hoort er niets anders uit te concluderen dan dat God ons in zijn barmhartigheid genegen is. Want de diensten die wij Hem bewijzen zijn nog geen blik van Hem waard. Maar om ons op te wekken goed te doen, laat Hij er toch niet één van verloren gaan.
Paulus over God die rechtvaardig is als Hij ons beloont
Lastiger zijn de woorden van Paulus als hij de Thessalonicenzen troost in hun verdrukkingen. Hij leert dan dat die verdrukkingen naar hen gezonden worden, zodat ze Gods koninkrijk waard gekeurd zullen worden. Want voor dat koninkrijk lijden ze. Hij zegt: ‘Het is rechtvaardig als God degenen die jullie verdrukken, beloont met verdrukking en jullie met rust, samen met ons, als de Heer Jezus vanuit de hemel geopenbaard zal worden.’2 Thessalonicenzen 1:5-7 En de schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt: ‘God is niet onrechtvaardig. Hij zal jullie daden en de liefdediejullie in zijn naam hebben laten zien door de heiligen te bedienen, niet vergeten.’Hebreeën 6:10
Op de eerste passage is mijn antwoorddat daar geen waarde door verdienste bedoeld wordt. Maar God de Vader wil dat wij, die Hij heeft uitgekozen als zijn kinderen, gelijk worden aan Christus, zijn eniggeboren Zoon. Hij moest eerst lijden en is pas daarna degloriebinnengegaan die voor Hem bestemd was.Lucas 24:26Daarom moeten ook wij door veel verdrukkingen heen het koninkrijk van de hemel binnengaan.Handelingen 14:22Dus als wij voor de naam van Christus lijden onder verdrukkingen, worden wij Gods koninkrijk waard gekeurd omdat we in ons lichaam de littekens dragen van onze Heer en meester. Dat zijn de kenmerken van Gods kinderen.Galaten 6:17
Hierop slaan ook deze uitspraken: in ons lichaam dragen wij de dood van Jezus Christus mee, zodat in ons zijn leven geopenbaard wordt.2 Korinthiërs 4:10En we gaan lijken op zijn lijden, om dezelfde opstanding uit de doden te bereiken als Hij.Filippenzen 3:10-11
De reden die de apostel Paulus eraan toevoegt, is niet bedoeld om te bewijzen dat onze daden waarde hebben, maar om onze hoop op Gods koninkrijk te versterken. Het is alsof de apostel zei: ‘Omdat het voor Gods rechtvaardig oordeel gepast is dat Hij jullie vijanden straft voor de kwellingen die ze jullie aangedaan hebben, daarom is het voor dat oordeel ook gepast dat Hij jullie verlichting en rust gunt van die kwellingen.’
De andere passage leert dat het voor Gods rechtvaardigheid gepast is om de gehoorzaamheid van de zijnenniette vergeten. Deze woorden zeggen dus dat het haast onrechtvaardig zou zijn als Hij ze wel zou vergeten. De redenering is als volgt:om ons in onze laksheid aan te sporen, heeft God ons de zekerheid gegeven dat het werk dat wij tot eer van zijn naam verricht hebben, niet voor niets zal zijn.
We moeten altijd bedenken dat deze belofte ons, net als alle andere beloften, niets oplevert als het gratis verbond van barmhartigheid er niet aan voorafging. Daar rust heel de zekerheid van ons behoud op. En als we daarop vertrouwen, moeten we er ook gerust op zijn dat onze gehoorzaamheid dankzij Gods vrijgevigheid beloond zal worden, ook al is die gehoorzaamheid dat zelf niet waard. Om ons in die verwachting te versterken, verklaart de apostel dat God niet onrechtvaardig is en zich zal houden aan de belofte die Hij ooit gedaan heeft. Die rechtvaardigheidslaat dus meer opde betrouwbaarheid van Gods belofte, danophet betalen vaniets wat God ons verschuldigd is.
Augustinus bedoelt dit ineen beroemde uitspraak vanhem. En die heilige manheeftniet geaarzelddie uitspraak vaakte herhalen, omdat die het waard is om te onthouden. Hij zegt: ‘Trouw is de Heer, die zich tot onze schuldenaar gemaakt heeft. Hij krijgt niets van ons, maar belooft alles.’
Paulus over liefde die meer is dan geloof
Mijn tegenstanders voeren ook deze passages van Paulus aan: ‘Al had ik al het geloof, zodat ik bergen kon verzetten – als ikgeenliefde had, was ik niets.’ Korinthiërs 13:2En: ‘Nu blijven hoop, geloof en liefde. Maar de grootste van deze is de liefde.’ Korinthiërs 13:13En: ‘Trek bij alles de liefde aan. Dat is de band van de volmaaktheid.’Kolossenzen 3:14
Op basis van de eerste twee passages beweren onze farizeeën dat we eerder door liefde gerechtvaardigd worden dan door geloof. Want, zeggen ze, dat is de belangrijkste goede eigenschap. Maar deze spitsvondigheid kan ik zonder enige moeite weerleggen. Want ik heb ergens anders al uitgelegd dat het in de eerste passage niet overechtgeloof gaat. Paulus zegt immers dat liefde groter is dan dit geloof. Hij bedoelt niet dat liefde meer verdiensten heeft, maar dat liefde vruchtbaarder is.Liefde reikt verder en dient meer mensen, want liefde floreert altijd. Maar geloof wordt maar een korte tijd gebruikt.
Als we kijken wat beter is, moet liefde voor God op de eerste plaats staan. Maar daarover heeft Paulus het hier niet. Hij benadrukt alleen dat we elkaar door middel van wederzijdse liefde moeten opbouwen in de Heer.
Maar stel nu eens dat liefde wel in alle opzichten geloof te boven gaat. Wie met een gezond oordeel, ja met gezonde hersenen, zou daar dan uit concluderen dat liefde ook meer rechtvaardigt? Dat geloof de kracht heeft om te rechtvaardigen, ligt niet in de waarde van geloof als daad. Onze rechtvaardiging bestaat alleen dankzij Gods barmhartigheid en Christus’ verdienste. Als geloof dievastgrijpt, wordt er gezegd dat geloof rechtvaardigt. Maar als je mijn tegenstanders vraagt op welke manier ze de rechtvaardiging toeschrijven aan liefde, zullen ze antwoorden: liefde is een daadwaar God blij mee is. Doordat God die in zijn goedheid accepteert, verdienen we dat de rechtvaardigheid ons toegerekend wordt.
Hier zie je hun argumentatie heel mooi uitkomen! Ik zeg dat geloof niet rechtvaardigt omdat de waarde vanhetgeloof voor ons rechtvaardigheid verdient. Nee, geloof is een instrument waardoor we gratis Christus’ rechtvaardigheid in handen krijgen. Maar mijn tegenstanders schuiven Gods barmhartigheid aan de kant en gaan voorbij aan Christus, terwijl daarin de kern van rechtvaardigheid ligt! Ze beweren dat we gerechtvaardigd worden door de goede daad van liefde, omdat die ver uitsteekt boven geloof. Dat is hetzelfde als wanneer iemand zou beweren dat een koning beter een schoen kan maken dan een schoenmaker, omdat een koning oneindig ver hoger staat dan een schoenmaker. Alleen deze simpele logica bewijst al overduidelijk dat de scholen van de Sorbonne-universiteit zelfs nog niet eens met het buitenste randje van hun lippen hebben geproefd wat de rechtvaardiging door geloof eigenlijk is.
Misschien wil een ruziezoeker nu nog bezwaar maken door te vragen waarom ik het woord ‘geloof’ in passages die bij Paulus zo dicht bij elkaar staan, zo verschillend opvat. Maar dan is mijn antwoord dat ik voor die uitleg een heel goede reden heb.Paulus noemt allemaal gaven op die in zekere zin vallen onder geloof en hoop. Want ze hebben allemaal te maken met het kennen van God. Daarom vat hij ze samen onder de term ‘geloof en hoop’. Het is alsof hij zei: ‘Profetie, talen, de gave van interpretatie en kennis hebben dit doel: ze moeten ons brengen tot kennis van God. En we kennen God in ditleven alleen door hoop en geloof. Dus als ik geloof en hoop noem, vat ik al deze gaven samen. Dus blijven deze drie over: hoop, geloof en liefde. Dat wil zeggen: hoe groot de variatie in gaven ook is, toch komen ze allemaal hierop neer. En onder deze drie, is liefde de belangrijkste.’ Enzovoort.
Op basis van de derde passage komen mijn tegenstanders tot deze conclusie: als liefde de band is van volmaaktheid, is liefde ook de band van rechtvaardigheid. Want rechtvaardigheid is niets anders dan volmaaktheid.Om te beginnen sla ik nu maar over dat Paulus met volmaaktheid bedoeltdat de leden van een goed ingerichte kerk hecht met elkaar verbonden zijn. Als ik toegeef dat we door liefde volmaakt worden in Gods ogen, wat voor nieuws brengen mijn tegenstanders dan met deze passage naar voren? Want mijn antwoord zal altijd zijn dat we die volmaaktheid alleen bereiken als we de liefde volledig vervullen. En omdat iedereen ver verwijderd blijft van het volledig vervullen van de liefde, concludeer ik dat voor iedereen alle hoop op volmaaktheid is afgesneden.
Loon verdienen kan alleen met volmaakte rechtvaardigheid
Ik wil niet stuk voor stuk alle bewijzen langsgaan die de dwaze leraren van de Sorbonne-universiteit tegenwoordig zo onbezonnen uit de Schrift halen en tegen mij afschieten, welke ze maar als eerste tegenkomen. Sommige zijn zo belachelijk dat ik ze zelfs niet kan noemen, als ik niet terecht als dwaas beschouwd wil worden. Daarom wil ik ermee ophouden nadat ik een uitspraak van Christus uitgelegd heb, waar zij een wonderlijk genoegen in scheppen. Want als een wetgeleerde vraagt wat er nodig is om gered te worden, antwoordt Christus: ‘Als je het leven wilt binnengaan, houd je dan aan de geboden.’Mattheüs 19:17Wat willen we nog meer, vragen mijn tegenstanders, als de gever van de genade zelf beveelt om Gods koninkrijk in handen te krijgen door je aan de geboden te houden?
Alsof niet vaststaat dat Christus zijn antwoorden aanpaste aan degenen met wie Hij te maken bleek te hebben. Hier ondervraagt een leraar van de wet Hem over de manier waarop we gered kunnen worden. En dat niet alleen. Hij vraagt wat de mensen moeten doen om dat te bereiken. De persoon van de spreker en de vraag zelf brachten de Heer ertoe om te antwoorden zoals Hij deed. De wetgeleerde was zo doortrokken van de overtuiging dat in de wet rechtvaardigheid lag, dat hij blind vertrouwde op zijn eigen daden. Zodoende vroeg hij niets anders dan welke daden rechtvaardige daden waren waarmee de redding verdiend kon worden. Dus is het terecht dat hij verwezen wordt naar de wet, die een volmaakte spiegel van rechtvaardigheid is.
Ook ik verkondig in duidelijke bewoordingen dat we ons aan de geboden moeten houden als we het leven zoeken in onze daden. En het is voor christenen nodig dat ze deze leer kennen. Want hoe zouden ze tot Christus kunnen vluchten als ze niet beseften dat ze van de weg van het leven in de afgrond van de dood gestort zijn? En hoe zouden ze kunnen begrijpen hoe ver ze van de weg van het leven afgedwaald zijn, als ze niet eerst begrepen hoe die weg eruit ziet? Ze kunnen er dus pas op gewezen worden dat Christus het toevluchtsoord is om redding te krijgen, als ze zien hoe groot het verschil is tussen hun leven en Gods rechtvaardigheid, die ligt in het je houden aan de wet.
In de kern komt het hierop neer:als je je redding zoekt in je daden, moet je je houden aan de geboden. Door die geboden wordt ons volmaakte rechtvaardigheid geleerd. Maar als we niet onderweg willen bezwijken, moeten we daar niet bij blijven stilstaan. Want niemand van ons is in staat zich aan de geboden te houden. Dus is de rechtvaardigheid van de wet voor ons uitgesloten. Daarom moeten we ons tot een ander hulpmiddel wenden: geloof in Christus.
Hier roept de Heer een wetgeleerde, van wie Hij wist dat hij verwaand was uit een ongefundeerd vertrouwen op zijn eigen daden, terug naar de wet.Daar moest hij uit leren dat hij een zondaar is, onderworpen aan het vreselijke oordeel van de eeuwige dood. Maar ergens anders troost de Heer anderen die al door zo’n zelfkennis vernederd zijn. Dan noemt Hij de wet niet, maar troost Hij hen met de belofte van genade, door te zeggen: ‘Kom naar Mij, ieder die vermoeid en belast is, en Ik zaljullierust geven. Dan zullen jullie rust vinden voor jullie ziel.’Mattheüs 11:28-29
Ik wil niet stuk voor stuk alle bewijzen langsgaan die de dwaze leraren van de Sorbonne-universiteit tegenwoordig zo onbezonnen uit de Schrift halen en tegen mij afschieten, welke ze maar als eerste tegenkomen. Sommige zijn zo belachelijk dat ik ze zelfs niet kan noemen, als ik niet terecht als dwaas beschouwd wil worden. Daarom wil ik ermee ophouden nadat ik een uitspraak van Christus uitgelegd heb, waar zij een wonderlijk genoegen in scheppen. Want als een wetgeleerde vraagt wat er nodig is om gered te worden, antwoordt Christus: ‘Als je het leven wilt binnengaan, houd je dan aan de geboden.’ Wat willen we nog meer, vragen mijn tegenstanders, als de gever van de genade zelf beveelt om Gods koninkrijk in handen te krijgen door je aan de geboden te houden?
Alsof niet vaststaat dat Christus zijn antwoorden aanpaste aan degenen met wie Hij te maken bleek te hebben. Hier ondervraagt een leraar van de wet Hem over de manier waarop we gered kunnen worden. En dat niet alleen. Hij vraagt wat de mensen moeten doen om dat te bereiken. De persoon van de spreker en de vraag zelf brachten te Heer ertoe om te antwoorden zoals Hij deed. De wetgeleerde was zo doortrokken van de overtuiging dat de rechtvaardigheid in de wet lag, dat hij blind vertrouwde op zijn eigen daden. Zodoende vroeg hij niets anders dan welke daden rechtvaardige daden waren waarmee de redding verdiend kon worden. Dus is het terecht dat hij verwezen wordt naar de wet, die een volmaakte spiegel van de rechtvaardigheid is.
Ook ik verkondig in duidelijke bewoordingen dat we ons aan de geboden moeten houden als we het leven zoeken in onze daden. En het is voor christenen nodig dat ze deze leer kennen. Want hoe zouden ze tot Christus kunnen vluchten als ze niet beseften dat ze van de weg van het leven in de afgrond van de dood gestort zijn? En hoe zouden ze kunnen begrijpen hoe ver ze van de weg van het leven afgedwaald zijn, als ze niet eerst begrepen hoe die weg eruit ziet? Ze kunnen er dus pas op gewezen worden dat Christus het toevluchtsoord is om de redding te krijgen, als ze zien hoe groot het verschil is tussen hun leven en Gods rechtvaardigheid, die ligt in het je houden aan de wet.
In de kern komt het hierop neer:als je je redding zoekt in je daden, moet je je houden aan de geboden. Door die geboden wordt ons volmaakte rechtvaardigheid geleerd. Maar als we niet onderweg willen bezwijken, moeten we daar niet bij blijven stilstaan. Want niemand van ons is in staat zich aan de geboden te houden. Dus is de rechtvaardigheid van de wet voor ons uitgesloten. Daarom moeten we ons tot een ander hulpmiddel wenden: het geloof in Christus.
Hier roept de Heer een wetgeleerde, van wie Hij wist dat hij verwaand was uit een ongefundeerd vertrouwen op zijn eigen daden, terug naar de wet.Daar moest hij uit leren dat hij een zondaar is, onderworpen aan het vreselijke oordeel van de eeuwige dood. Maar ergens anders troost de Heer anderen die al door zo’n zelfkennis vernederd zijn. Dan noemt Hij de wet niet, maar troost Hij hen met de belofte van genade, door te zeggen: ‘Kom naar Mij, ieder die vermoeid en belast is, en Ik zal je rust geven. Dan zullen jullie rust vinden voor jullie ziel.’
Eén zonde maakt onrechtvaardig, maar één goede daad maakt niet rechtvaardig
Uiteindelijk, als mijn tegenstanders er genoeg van hebben om de Schrift te verdraaien, vervallen ze tot spitsvondigheden en drogredenen. Ze zoeken een uitvlucht in het feit dat geloof ergens een daad genoemd wordt. Daaruit concluderen ze dat ik geloof onterecht tegenover daden stel. Alsof we door geloof, voor zover het gehoorzaamheid is aan Gods wil, zelf onze rechtvaardigheid verdienen, in plaats van datwedoor geloof Gods barmhartigheid omhelzen, zodat in ons hart Christus’ rechtvaardigheidbezegeld wordt, die ons door Gods barmhartigheid wordt aangeboden via de prediking van het evangelie.
Mijn lezers zullen het me wel vergeven als ik geen tijd verspil door zulke dwaasheden te weerleggen. Want die dwaasheden worden door hun eigen zwakheid al voldoende weerlegd, zonder dat een ander ze aanvalt. Toch wil ik in het voorbijgaan één bezwaar onderzoeken. Dat bezwaar lijkt wel iets redelijks te hebben en ik wil niet dat het minder ervaren mensen problemenoplevert.
Het gezond verstand leert dat voor tegengestelde dingen dezelfde norm geldt. En elke zonde afzonderlijk wordt ons aangerekend als onrechtvaardigheid. Daarom zeggen mijn tegenstanders dat ook aan elke goede daad afzonderlijk de lof van rechtvaardigheid toegekend wordt. Er zijn mensen die antwoorden dat de veroordeling van de mensen eigenlijk alleen maar het gevolg is van hun ongeloof en niet van elke afzonderlijke zonde. Maar dat antwoord bevredigt mij niet. Ik ben het wel met hen eens dat ongeloof de bron en de wortel is van elk kwaad. Want ongeloof is het eerste verraad aan God en de afzonderlijke overtredingen van de wet volgen daar op. Maar het lijkt erop dat deze mensen bij het taxeren van rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid dezelfde norm gebruiken voor goede en slechte daden. En op dat punt zie ik me gedwongen om het met hen oneens te zijn.
Immers, rechtvaardigheid van onze daden is volmaakte gehoorzaamheid aan de wet. Je kunt dus alleen maar rechtvaardig zijn door je daden als je in heel je levensloop ononderbroken als het ware een rechte lijn volgt. Zodra je daarvan afwijkt, ben je vervallen in onrechtvaardigheid. Daaruit blijkt dat je rechtvaardigheid niet krijgt door één of enkele daden, maar door je zonder te wankelen en zonder vermoeid te raken te houden aan Gods wil. Maar voor het beoordelen van onrechtvaardigheid geldt een heel andere norm. Want wieonkuis geweest is of iets gestolen heeft, heeft door die ene zonde al de doodstraf verdiend. Want hij heeft Gods majesteit beledigd.
Deze mensen slaan met hun scherpzinnige redeneringen de plank mis, omdat ze niet letten op wat Jacobus zegt: ‘Wie in één ding struikelt, is schuldig aan alles. WantHij die verboden heeft om te doden, heeft ook verboden om te stelen …’Jacobus 2:10Daarom mag het niet absurd lijken als ik zeg dat de dood het rechtvaardige loon is voor elke zonde. Want elke zonde is Gods rechtvaardige verontwaardiging en wraak waard. Maar je redeneert dwaas als je andersom concludeert dat een mens die door veel zonden Gods woede opwekt, dus ook door één goede daad met Hem verzoend kan worden.
Voetnoten
- 386
Prosper van Aquitanië, De vocatione omnium gentium I, 5.
- 387
Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum, 6,14.
- 388
Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 5,14.
- 389
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 32, 2; Psalm 109, 1; Psalm 83, 16.
- 390
- 391
Voetnoot 386
Prosper van Aquitanië, De vocatione omnium gentium I, 5.
Voetnoot 387
Augustinus, De gratia et libero arbitrioad Valentinum, 6,14.
Voetnoot 388
Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 5,14.
Voetnoot 389
Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 32, 2; Psalm 109, 1; Psalm 83, 16.
Voetnoot 390
Voetnoot 391
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.