Boek III · Hoofdstuk 17

Beloften van wet en evangelie

Inhoud van dit hoofdstuk · 15 secties
  1. 1Inleiding
  2. 2De beloften van de wet kunnen we niet verdienen door onze daden
  3. 3We krijgen de beloften van de wet door het evangelie
  4. 4Het voorbeeld van Cornelius
  5. 5God accepteert onze goede daden uit genade
  6. 6Het verschil tussen de beloften van de wet en van het evangelie
  7. 7De rechtvaardigheid van onze daden
  8. 8De waarde van goede daden vóór en na de rechtvaardiging door geloof
  9. 9De rechtvaardigheid van onze daden is het gevolg van de rechtvaardiging door geloof
  10. 10Onze daden zijn pas rechtvaardig nadat onze zonden vergeven zijn
  11. 11Jacobus is niet in strijd met Paulus
  12. 12Jacobus gebruikt het woord ‘rechtvaardigen’ anders dan Paulus
  13. 13Als je rechtvaardigheid wilt verdienen, moet je je volmaakt aan de wet houden
  14. 14Gelovigen beroepen zich op hun rechtvaardigheid vergeleken met goddelozen
  15. 15Gelovigen bereiken in dit leven geen volmaaktheid

Inleiding

Laten we nu ook de anderebewijzen langslopen waarmee Satan door middel van zijn handlangers de rechtvaardiging door geloof probeert onderuit te halen of te vernielen.

Volgens mij heb ik de lasteraars al uit handen geslagen dat ze mij zouden mogen behandelen als een vijand van het doen van goede daden. Want ik ontzeg goede daden wel rechtvaardigheid. Maar dat doe ik niet om ervoor te zorgen dat er geen goede daden meer verricht worden of dat we zouden ontkennen dat goede daden goed zijn. Ik ontzeg goede daden rechtvaardigheid om ervoor te zorgen dat we er niet op vertrouwen, ons er niet op laten voorstaan en er niet onze redding aan toeschrijven. Want ons vertrouwen, onze roem en het enige anker van ons behoud is dit: Christus, Gods Zoon, is van ons en omgekeerd zijn wij in Hem kinderen van God en erfgenamen van het hemelse koninkrijk. Dankzij Gods welwillendheid, niet omdat wij het waard zouden zijn, zijn wij geroepen om te hopen op eeuwig geluk.

Maar deze lasteraars bestoken mij, zoals ik heb verteld, ook nog met andere belegeringswerktuigen. Dus kom, laten we die nu ook verjagen.

Om te beginnengaan ze terug naar de beloften van de wet, die de Heer gedaan heeft aan degenen die zich aan zijn wet houden. Ze vragen of ik wil beweren dat die beloften volslagen waardeloos zijn. Of zijn ze toch effectief? Natuurlijk zou het dwaas en belachelijk zijn om te zeggen dat ze waardeloos zijn, dus gaan ze er bij voorbaat van uit datzeeffectief zijn. Dus concluderen ze daaruit dat we niet alleen door geloof gerechtvaardigd worden. Want de Heer zegt: ‘En als jij naar al deze geboden en bepalingen zult luisteren en je eraan zult houden en ze zult doen, dan zal ook de HEER zich houden aan het verbond en de zegeningen die Hij je voorvaders gezworen heeft. Hij zal je liefhebben, laten groeien en zegenen …’Deuteronomium 7:12-13En: ‘Als jullie je wegen en doen en laten goed richten, niet achter vreemde goden aangaan, recht doentussen mensen en niet afwijkennaar het kwaad, dan zal ik in jullie midden wandelen.’Jeremia 7:5-7; 7:23

Ik wil geen duizend van dit soort uitspraken opsommen. Dat heeft geen zin. Omdat ze qua betekenis niet van de voorgaande verschillen, is de uitleg hetzelfde. De kern is dit: Mozes verklaart dat in de wet zegen en vloek, dood en leven gepresenteerd worden.Deuteronomium 11:26; 30:15Dus redeneren deze lasteraars zo: óf die zegen wordt nutteloos en vruchteloos, óf de rechtvaardiging is niet alleen op basis van geloof. Maar ik heb hierboven al aangetoond dat we het zonder zegen moeten doen als we aan de wet blijven hangen. Dan hangt ons alleen de vloek boven het hoofd die aangekondigd is voor alle overtreders. Want de Heer beloofd niets aan wie zich niet volmaakt aan zijn wet houdt. En zulke mensen zijn niet te vinden.

Er blijft dus niets anders over dan dat de wet bewijst dat heel het menselijk geslacht onderworpen is aan Gods vloek en woede. Om daarvan bevrijd te worden, moeten de mensen loskomen van de macht van de wet. Ze moeten als het ware uit hun slavernij in vrijheid gesteld worden. Niet in een vleselijke vrijheid, die ons afleidt van het ons houden aan de wet en uitnodigt tot allerlei losbandigheid, die als het ware de hekken openbreekt en onze begeerten met losse teugel laat ronddartelen. Nee, in een geestelijke vrijheid, die het verslagen en neergeworpen geweten troost en opbeurt, door te laten zien dat het geweten vrij is van de vloek en de veroordeling waar de wet het mee gevangen hield en onderdrukte. Deze bevrijding van de onderwerping door de wet en, zeg maar, invrijheidstelling uit de slavernij krijgen we als we door geloof Gods barmhartigheid in Christus vastpakken. Dat geeft ons rust en zekerheid dat onze zonden vergeven zijn. De wet steekt en bijt ons dan niet langer door het besef van die zonden.

De beloften van de wet kunnen we niet verdienen door onze daden

Daarom zouden ook de beloften die ons in de wet worden aangeboden allemaal zonder effect en zonder nut zijn, als Gods goedheid ons niet door het evangelie te hulp kwam. Want nooit kunnen we voldoen aan de voorwaarde waar de beloften van afhankelijk zijn en waar eerst aan voldaan moet worden vóór de beloften vervuld hoeven te worden: dat we de wet volledig moeten uitvoeren. En de Heer helpt ons niet door een deel van de rechtvaardigheid voor ons over te laten en een ander deel uit welwillendheid zelf te vervullen. Nee, Hij wijst ons alleen Christus toe als de enige vervulling van de rechtvaardigheid.

Want de apostel Paulus zegt dat hij en de andere Joden wisten dateenmens niet gerechtvaardigd wordt op basis van daden van de wet. Daarom geloofden ze in Christus Jezus. En dan voegt hij er de reden bij: niet om door geloof in Christus geholpen te worden om de rechtvaardigheid te vervullen, maar om door geloof gerechtvaardigd te worden en niet op basis van daden van de wet.Galaten 2:15-16 De gelovigen gaan dus van de wet over naar het geloof, om daarin rechtvaardigheid te vinden. Want ze zien dat die in de wet niet te vinden is. Daarmee geven ze natuurlijk de rechtvaardigheid van de wet op. Nu mag ieder die dat wil hoog opgeven van de beloningen die je te wachten staan als je je aan de wet houdt. Als je dan tegelijk ook maar beseft dat het door onze slechtheid komt dat we daar geen vrucht van ervaren, zolang we niet een andere rechtvaardigheid gekregen hebben op basis van geloof.

Daarom stapt ook David, nadat hij de beloning genoemd heeft die de Heer heeft klaarliggen voor zijn dienaren, meteen over op het erkennen van zijn zonden. Want diemakende beloningniet ongedaan. Ook in Psalm 19 predikt hij magnifiek de zegeningen van de wet. Maar meteen daarna roept hij uit: ‘Wie kan zijn afdwalingen begrijpen? Reinig mij van mijn verborgen afdwalingen, Heer!’Psalm 19:12 Deze passage stemt volledig overeen met een andere, waar hij eerst zegt dat alle paden van de Heer welwillendheid en trouw zijn voor wie Hem vrezen. Dan voegt hij eraan toe: ‘Omwille van uw naam, Heer, vergeef mij mijn slechtheid, want die is groot!’Psalm 25:10-12Zo moeten ook wij bekennen dat ons in de wet Gods welwillendheid wordt gepresenteerd, als we die met onze dadenzouden kunnenverdienen, maar dat het met onze verdiensten nooit zover komt dat we die welwillendheid ook krijgen.

We krijgen de beloften van de wet door het evangelie

Wat dan? Zijn de beloften van de wet gegeven om te verdwijnen zonder vrucht voort te brengen? Ik heb eerder al verklaard datdatniet is wat ik bedoel. Wel zeg ik dat hun effect ons niet bereikt zolang ze alleen slaan op wat wij met onze daden verdienen. En dus zijn ze, op zichzelf bekeken, tot op zekere hoogteongedaan gemaakt.

Dat geldt bijvoorbeeld voor deze heerlijke belofte:‘Ik heb jullie goedevoorschriften gegevenEzechiël 20:21en wie ze opvolgt, zal daardoor leven.’Leviticus 18:5 De apostel Paulus leert dat diebelofte waardeloos is als we daarbij blijven staan.Romeinen 10:15; Galaten 3:12Dan hebben we er even weinig aan als wanneer die belofte niet gegeven was. Want zelfs de meest heilige dienaren van God hebben er geen recht op, omdat ze allemaal ver verwijderd blijven van het vervullen van de wet en omringt worden door vele overtredingen.

Maar als de beloften van het evangelie eraan toegevoegd worden, die gratis vergeving aankondigen van onze zonden, dan is het effect van de beloften van de wet dat wij niet alleen zelf voor God acceptabel zijn, maar dat Hij ook onze daden gunstig gezind is. En dat niet alleen, maar dan overlaadt Hij ze ook met de zegeningen die volgens het verbond moesten volgen als je je aan de wet hield.

Ikerken dus dat de daden van de gelovigen beloond worden zoals de Heer in zijn wet beloofd heeft aan degenen die hun best doen rechtvaardig en heilig te leven. Maar bij deze beloningen moeten we altijd letten op de oorzaak waarom God hun daden gunstig gezind is. En dan zien we dat er drie oorzaken zijn.

De eerste oorzaak is dat God zijn blik heeft afgekeerd van de daden van zijn dienaren, die continu meer afkeuring dan goedkeuring verdienen. Maar God omhelst hen in Christus en verzoent zich met hen, alleen doordat er geloof tussenbeide komt en zonder dat hun daden daar iets toe bijdragen.

De tweede oorzaak is dat God hun daden niet op hun waarde schat, maar ze uit vaderlijke vriendelijkheid en welwillendheid hoger aanslaat dan ze waard zijn.

De derde oorzaak is dat Hij ze gunstig gezind is en aanneemt, zonder hun hun onvolmaaktheid aan te rekenen. Want door hun onvolmaaktheid zouden ze allemaal onrein zijn en eerder als zonden beschouwd moeten worden dan alsgoededaden.

Hieruit blijkt hoe erg de sofisten van de Sorbonne-universiteit zich vergist hebben. Zij dachten dat ze netjes alle absurditeiten omzeild hebben als ze zeggen dat zondige daden niet in staat zijn om het behoud te verdienen omdat ze van zichzelf goed zijn, maar omdat God zo vrijgevig is om ze op grond van zijn verbond te beschouwen als van grote waarde. Maar ondertussen beseffen de sofisten niet hoever onze volgens hen verdienstelijke daden verwijderd zijn van het voldoen aan de voorwaarden van de beloften. Eerst moet de rechtvaardiging eraan voorafgaan, alleen op grond van geloof, en de vergeving van zonden. Dat is volgens mij nodig om de goede daden te reinigen van hun vlekken. Van de drie oorzaken van Gods vrijgevigheid waardoor de daden van de gelovigen voor Hem acceptabel zijn, hebben de sofisten er dus maar één genoemd. De andere twee, en dan ook nog de belangrijkste twee, verzwijgen ze.

Het voorbeeld van Cornelius

De sofisten citeren de woorden van Petrus, die Lucas noemt in Handelingen: ‘Ik merk dat God niet een persoon aanneemt, maar datHij uitelk volkieder dierechtvaardig handeltgoedgezind is.’Handelingen 10:34-35 Deze passage lijkt ondubbelzinnig. Maar zij maken eruit op dat, alseenmens er door het doen van goede daden voor zorgt dat God hem goedgezind is, zijn behoud niet alleen een geschenk van God is. Nee, God komt in zijn barmhartigheid de zondaar te hulp, zodat God zich door de daden van die zondaar laat overhalen om barmhartig te zijn.

Maar je kunt de passages uit de Schrift op geen enkele manier met elkaar in overeenstemming brengen als je niet inziet dat een mens op twee manieren voor God acceptabel is.

Zoals de mens van nature is, zo vindt God niets in hem wat Hem kan overhalen om barmhartig te zijn. Hij vindt alleen ellende. Het staat dus vast dat een mens, als hij voor het eerst door God wordt aangenomen, naakt is. Hij heeft niets goeds, integendeel, hij zit boordevol kwaad van allerlei soort. Wat heeft hij dan, vraag ik je, op grond waarvan we kunnen zeggen dat hij de hemelse roeping waard is? Weg dus met dat loze waanidee van verdiensten! God geeft duidelijk hoog op van zijn genadige welwillendheid.

Want de sofisten verdraaien heel verkeerd de passage waar via de stem van een engel tegen Cornelius gezegd wordt dat zijn gebeden enzijnliefdegaven aan de armen opgeklommen zijn tot voor Godsogen.Handelingen 10:31Zij zeggen dateenmens wordt voorbereid tot het krijgen van Gods genade als hij zijn best doet goede daden te verrichten. Maar het kan niet anders of Cornelius was al verlicht door de Geest van de wijsheid. Want hij was al voorzien van de echte wijsheid: het vrezen van God. En hij was al door diezelfde Geest geheiligd, omdat hij rechtvaardigheid eerde. Rechtvaardigheid is namelijk een heel zekere vrucht van de Geest. Dat leert de apostel Paulus.Galaten 5:5Dus alles wat Cornelius had, waarvan verteld wordt dat het God plezier deed,kwam voort uit Gods genade. Het is dus absoluut niet zo dat Cornelius zich door die goede eigenschappen op eigen kracht voorbereidde om die genade te ontvangen.

Er kan echt geen lettergreep uit de Schrift aangevoerd worden die niet in overeenstemming is met deze leer: God heeft geen andere reden om de mens aan te nemen dan dat Hij ziet dat de mens op alle manieren verloren is als hij aan zichzelf wordt overgelaten. Maar omdat God de mens niet verloren wil laten gaan, bewijst Hij zijn barmhartigheid in het verlossen van de mens. Nu zien we dat die aanneming niet slaat op de rechtvaardigheid van de mens. Nee, het is een zuiver bewijs van Gods goedheid tegenover ellendige zondaren die zo’n geschenk helemaal niet waard zijn.

God accepteert onze goede daden uit genade

En nadat de Heereenmens heeft teruggebracht uit de afgrond van de ondergang en hem voor zichzelf apart gezet heeft door de genade van de adoptie, neemt Hij hem aan als een nieuw schepsel met de gaven van zijn Geest.2 Korinthiërs 5:17Want Hij heeft hem opnieuw geboren laten worden en veranderd in een nieuw leven. Dit is de aanneming die Petrus noemt.Handelingen 10:34; 1 Petrus 1:17Door deze aanneming worden de gelovigen na hun roeping door God goedgekeurd, ook wat betreft hun daden. Wanthet is onmogelijk datde Heer het goede dat Hij door zijn Geest in hen werktniet liefheeft en omhelst.

Maar we moeten steeds opnieuw bedenken dat gelovigen wat betreft hun daden alleen maar voor God acceptabel zijn omdat ze van Hem komen en omdat Hij het al hun goede daden, die Hij hun omwille van hen gegeven heeft, uit genade waard keurt om door Hem geaccepteerd te worden. Zo wil Hij zijn vrijgevigheid vergroten. Immers, hoe komen gelovigen anders aan goede daden dan doordat de Heer hen heeft uitgekozen als eervol vaatwerkRomeinen 9:21en hen nu ook wil tooien met echte zuiverheid? Waarom worden de daden als goed beschouwd, alsof er niets aan mankeert? Toch alleen omdat de welwillende Vader vergeving schenkt voor de vlekken envieze plekken waar ze mee bezaaid zijn? Kortom, Petrus geeft in deze passage alleen maar aan dat God zijn kinderen goedgezind is en van hen houdt. Hij ziet in hen de trekken van zijn eigen gelaat.

Ergens anders heb ik immers geleerd dat de nieuwe geboorte het herstel is van Gods beeld in ons. Logisch dus dat God ieder liefheeft en eert in wie Hij zijn eigen gelaat ziet. Daarom wordt er niet voor niets gezegd dat het leven van de gelovigen dat zich richt op heiligheid en rechtvaardigheid, God plezier doet.

Maar zolang de vromen nog gehuld zijn in sterfelijk vlees, zijn ze nog zondaren. Hun goede daden zijn nog maar een begin en stinken nog naar de zonde van het vlees. Daarom kan God henzelf en ook hun daden alleen genadig zijn als Hij ze meer in Christus omhelst dan in henzelf.Op die manier moeten we de passages opvatten die zeggen dat God welwillend en barmhartig is voor degenen die rechtvaardigheid dienen.

Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘De HEER jullie God houdt zich aan het verbond en de barmhartigheid tegenover hen die Hem liefhebben en zich aan zijn geboden houden, duizend generaties lang.’Deuteronomium 7:9 Later werd die uitspraak door het volk gebruikt als een vaak voorkomende uitdrukking. Salomo bidtbijvoorbeeldplechtig: ‘HEER, God van Israël,die zich houdt aan het verbond en de barmhartigheid tegenover uw dienaren die met heel hun hart voor uwogenwandelen.’1 Koningen 8:23 Dezelfde woorden worden ook herhaald door Nehemia.Nehemia 1:5

Want in elk verbond van zijn barmhartigheideistGod van zijn dienaren van hun kant een zuiver en heilig leven. Zo wil Hij voorkomen dater een spelletje gespeeld wordt metzijn goedheid.Niemandmaguit een ongefundeerde vreugde overGodsgoedheidverwaandzijn zielzegenen, terwijl hij ondertussen blijft leven volgens de slechtheid van zijn hart.Deuteronomium 29:19 (29:18)En zo wil God ook degenen die zijn toegelaten om deel te hebben aan zijn verbond langs deze weg aan hun plicht houden. Maar ondanks dat wordt het verbond toch gratis gesloten en blijft het altijd gratis.

Om die reden verkondigt David weliswaar dat hij beloond is omdat zijn handen schoon zijn. Maar toch gaat hij niet voorbij aan de bron die ik genoemd heb: hij is uit de moederschoot voortgekomen omdat God hem liefhad.2 Samuël 22:20-21; Psalm 18:20-21Hij prijst zijn zaak dus aan als goed, zonder afbreuk te doen aan de gratis barmhartigheid die voorafgaat aan alle gaven en daar de oorsprong van is.

Het verschil tussen de beloften van de wet en van het evangelie

En het is nuttig om hier kort op te merken in hoeverre deze manieren van spreken verschillen van de beloften van de wet. Met beloften van de wet bedoel ik niet alle beloften die her en der in de boeken van Mozes verspreid staan. Want in die boeken tref je ook veel beloften van het evangelie aan. Nee, ik bedoel de beloften die specifiek betrekking hebben op de bediening van de wet. Hoe je zulke beloften ook wilt noemen, ze kondigen aan dat er een beloning voor je klaarligt met deze voorwaarde: je moet doen wat jou bevolen wordt.

Maar als er gezegd wordt dat de Heer zich aan het verbond van barmhartigheid houdt tegenover hendie Hem liefhebben, maaktdatnietzozeerduidelijk wat de reden is waarom de Heer hen goed doet.Hetlaatzienzien wat voor mensen zijn dienaren zijn die oprecht zijn verbond hebben aangenomen.En dit is de manier waarop het dat laat zien: God keurt ons de genade van het eeuwige leven waard met het doel dat wij Hem liefhebben, vrezen en dienen. Op dezelfde manier zijn ook alle beloften van barmhartigheid die je in de Schrift aantreft gericht op dit doel: we moeten de gever van dat goede vrezen en dienen.

Dus telkens als we horen dat God degenen die zich aan zijn wet houden goed doet, moeten we bedenken dat dan Gods kinderen worden aangeduid volgens de plicht die ze continu moeten vervullen: wemoetenGod als Vader vereren.Dat is de reden waarom we geadopteerd zijn.We moeten dus altijd nastreven waar we toe geroepen zijn. Anders doen we zelf afstand van het rechtvan adoptie als kinderen.

Maar aan de andere kant moeten webeseffen dat de vervulling van de barmhartigheid van de Heer niet afhangt van de daden van de gelovigen. Nee, voor degenen die hun roepingbeantwoorden met een oprecht leven, vervult Hij de belofte van redding om deze reden: alleen in hen die door zijn Geest geleid worden tot het goede, herkent Hij de echte kenmerken van zijn kinderen.

In dit verband moeten we zien wat in Psalm 15 staat over de burgers van de kerk: ‘HEER, wie mag wonen in uw tent en wie mag verblijven op uw heilige berg? Hij wiens handen onschuldig zijn en wiens hart rein is …’Psalm 15:1; 24:4 Hetzelfde staat bij Jesaja: ‘Wie kan wonen bij een verterend vuur? Wie rechtvaardig leeft enjuistspreekt …’Jesaja 33:14-15 Daar wordt niet het fundament beschreven waarop de gelovigen voor de Heer steunen, maar de manier waarop de heel welwillende Vader hen binnen zijn gemeenschap brengt en hen daarin bewaart en bevestigt. Want de Heer vindt zonde heel erg en daarom heeft Hij rechtvaardigheid lief. Wie Hij met zich verbindt, reinigt Hij door zijn Geest, om hen gelijkvormig te maken aan zichzelf en zijn koninkrijk.

Dus als we vragen wat de eerste oorzaak is waardoor voor de heiligen de toegang geopend wordt tot Gods koninkrijk en waardoor het mogelijk wordt dat ze daar een stevige voet aan de grond krijgen en er kunnen blijven, dan ligt het antwoord klaar: de Heer heeft hen voor eens en voor altijd geadopteerd als zijn kinderen en blijft hen continu beschermen. Maar als we vragen op welke manier dat gebeurt, dan moeten we terechtkomen bij de nieuwe geboorte en de vruchten daarvan, die in Psalm 15 opgesomd worden.

De rechtvaardigheid van onze daden

Maar een veel groter probleem lijkt te liggen in de passages waarin goede daden getooid worden met debenaming‘rechtvaardigheid’ of passages die verklaren dateenmens door die daden gerechtvaardigd wordt.

Er zijn heel veel passages van de eerste soort. Het je houden aan de geboden wordt daar ‘rechtvaardiging’ of ‘rechtvaardigheid’ genoemd. Een voorbeeld van de tweede soort is wat je bij Mozes leest: ‘Als we al deze gebodenbewaren, zal dat onze rechtvaardigheid zijn.’Deuteronomium 6:25Misschien brengt iemand daartegen in dat dit een belofte van de wet is. Die bewijst dus niets, omdat die verbonden is aan een voorwaarde waar niet aan voldaan kan worden. Maar er zijn andere voorbeelden, waar datzelfde niet van gezegd kan worden. Bijvoorbeeld: ‘Het zal voor u rechtvaardigheid zijnin de ogenvan de HEER als ude waarborg dieu in bewaring is gegeven, teruggeeft …’Deuteronomium 24:13En ook wat de profeet zegt: de ijver die Pinehas liet zien toen hij Israëls schande wreekte, werd hem als rechtvaardigheidtoegerekend.Psalm 106:30-31

En daarom denken de farizeeën van onze tijd dat ze alle reden hebben om mij aan te vallen. Want ik zeg dat de rechtvaardiging door goede daden verdwijnt als de rechtvaardigheid door geloof tevoorschijn komt. En dus redeneren ze even terecht dat als rechtvaardigheid gebaseerd is op goede daden, het dus niet waar is dat we alleengerechtvaardigd wordenop basis van geloof.

Nu geef ik toe dat de geboden van de wet ‘rechtvaardigheden’ genoemd worden. Dat is niet zo vreemd. Want dat zijn ze inderdaad. Al moet ik de lezers er wel op wijzen dat de Griekse vertalers van de Septuagint het Hebreeuwse woordchukkimonjuist vertaald hebben metdikaiomata– ‘rechtvaardigheden’ – in plaats van met ‘geboden’of ‘bepalingen’. Maar ik heb er geen behoefte aan om over dit woord mijn gelijk te halen. Ik ontzeg Gods wet ook niet dat zij een volmaakte rechtvaardigheid bevat. Weliswaar zijn wij nutteloze slaven, zelfs als we de wet volledig gehoorzaamd zouden hebben. Want alles wat de wet gebiedt,zijn we schuldig. Maar daarmee ontneem ik de wet nog niet wat de Heer haar gegeven heeft. Want de Heer heeft haar de eer van rechtvaardigheid waard gekeurd.

Ik erken dus graag dat het volledig gehoorzamen van de wet rechtvaardigheid is en voor elk gebod geldt dat het een deel van de rechtvaardigheid is als je je aan dat gebod houdt. Maar dat geldt alleen als ook in de andere delen het geheel van de rechtvaardigheid overeind blijft. Echter, ik ontken dat zo’n rechtvaardigheid daadwerkelijk bestaat. En daarom haal ik de rechtvaardigheid van de wet weg. Niet omdat die op zichzelf gebrekkig en verminkt is, maar omdat die vanwege de zwakheid van ons vlees nergens te vinden is.

Maar de Schrift noemt niet alleen de geboden van de Heer simpelweg ‘rechtvaardigheden’. De Schrift kent dezebenamingook toe aan de daden van de heiligen. Bijvoorbeeld als de Schrift vertelt dat Zacharias en zijn vrouw leefden volgens de rechtvaardigheden van de Heer.Lucas 1:6 Als de Schrift het zo zegt, taxeert ze hun daden natuurlijk meer volgens de aard van de wet, dan volgens hun eigen toestand.

Echter, opnieuw moet hier opgemerkt worden wat ik zonet gezegd heb: je moet geen norm vaststellen op basis van de onzorgvuldigheid van de Griekse vertaler. Maar Lucas heeft in de algemeen aanvaarde vertaling niets willen veranderen en daarom zal ik hier ook geen discussie over beginnen.

Immers, God heeft de mensen de dingen die in de wet staan geboden met het oog op rechtvaardigheid. Maar die rechtvaardigheid volbrengen we alleen als we ons volledig aan de wet houden. Elke overtreding bederft die rechtvaardigheid. De wet schrijft dus niets anders voor dan rechtvaardigheid. Als we naar de wet kijken, zijn alle geboden dus rechtvaardigheden. Maar als we naar de mensen kijken die de geboden uitvoeren, verdienen ze de lof van rechtvaardigheid echt niet op basis van één daad, terwijl ze veel andere geboden overtreden. En al helemaal niet op basis van een daad die in alle opzichten onvolmaakt en gebrekkig is.

Mijn antwoord is dus dat de daden van de heiligen ‘rechtvaardigheid’ genoemd worden, niet omdat ze dat verdienen, maar voor zover ze neigen tot de rechtvaardigheid die God heeft bevolen. Die rechtvaardigheid is niets waard als die niet volmaakt is. Nu is er in de hele wereld niemand te vinden bij wie die rechtvaardigheid volmaakt is. Dus moeten we concluderen dat goede daden nooit op zichzelf de benaming ‘rechtvaardigheid’ verdienen.

De waarde van goede daden vóór en na de rechtvaardiging door geloof

Maar ik kom nu bij de tweede soort beloften. Daar ligt het grootste probleem. Paulus, zeggen de sofisten, heeft geen sterker argument om de rechtvaardigheid door geloof te bewijzen dan wat er over Abraham geschreven staat: dat zijn geloof hem als rechtvaardigheid werd toegerekend.Romeinen 4:3; Galaten 3:6Maar er wordtookgezegddateen daad die Pinehas verricht heeft hem als rechtvaardigheid wordt toegerekend. Dus kunnen we over de daden hetzelfde zeggen als wat Paulus beweert over geloof. Daarom stellen mijn tegenstanders vast, alsof ze hun zaak gewonnen hebben, dat we weliswaar niet zonder geloof gerechtvaardigd worden, maar dat we ook niet alleen door geloof gerechtvaardigd worden. Onze daden maken onze rechtvaardigheid compleet.

Ik roep hier alle vromen op als getuigen. Als ze weten dat de echte norm voor rechtvaardigheid alleen uit de Schrift gehaald mag worden, moeten ze maar eens samen met mij vroom en serieus nagaan hoe de Schrift prima met zichzelf in overeenstemming gebracht kan worden. Daar zijn geen spitsvondigheden voor nodig.

Paulus wistdat rechtvaardigheiddoorgeloof een toevlucht is voor wie zelf geen rechtvaardigheid hebben. Daarom concludeert hij ronduit dat ieder die gerechtvaardigd wordt door geloof dus is uitgesloten van rechtvaardigheid door zijn daden.Romeinen 4:4-5 Enhetstaat vast datdatslaat op alle gelovigen. Daarom concludeert hij met evenveel vertrouwen dat niemand door zijn daden gerechtvaardigd wordt.Romeinen 3:20Sterker nog, er bestaat geen enkele rechtvaardiging waar onze daden iets aan bijdragen.

Maar uitleggen welke waarde onze daden op zichzelf hebben, is nog iets anders dan uitleggen welke positie we ze moeten toekennen nadat de rechtvaardigheid door geloof bevestigd is.

Als ik een prijs moet vaststellen voor onze daden op basis van hun waarde, zeg ik dat ze het niet waard zijn om God onder ogen te komen. Daarom heeft een mens geen daden waarop hij zich voor God kan laten voorstaan. Zijn daden bieden hem dus geen enkele hulp. Hij wordt alleen gerechtvaardigd door geloof. Van die rechtvaardigheid geef ik dus deze definitie: een zondaar die is aangenomen om te delen in Christus, wordt door Christus’ genade met God verzoend, doordat hij door Christus’ bloed gereinigd wordt en vergeving van zonden krijgt.

Gekleed in Christus’ rechtvaardigheid, alsof het zijn eigen rechtvaardigheid is, verschijnt hij onbekommerd voor de hemelse rechterstoel.

Maar als er vergeving van zonden voorafgegaan is, hebben de goede daden die daarna komen een andere waarde dan ze op basis van hun eigen verdienste zouden hebben. Want hun onvolmaaktheid wordt dan bedekt door Christus’ volmaaktheid. Alle vlekken en alle vuil wordt door zijn reinheid afgewist, zodat ze niet meer in Gods oordeel onderzocht worden. Dan is de schuld uitgewist van alle overtredingen die de mensen verhinderen iets voort te brengen waar God blij mee is. Bovendien is dan het gebrek begraven van de onvolmaaktheid die zelfs onze goede daden nog altijd bezoedelen. En dán worden de goede daden die de gelovigen verrichten als rechtvaardig beschouwd. Oftewel – dat is hetzelfde – ze worden als rechtvaardigheid toegerekend.

De rechtvaardigheid van onze daden is het gevolg van de rechtvaardiging door geloof

Stelnudatiemand dit bezwaar tegen mij zou inbrengen om de rechtvaardigheid door geloof te bestrijden.Danvraag ik hem eerst:wordt eenmens als gerechtvaardigd beschouwd om één of twee heilige daden, terwijl hij verder in zijn leven met zijn daden de wet overtreedt? Dat zou heel absurd zijn!

Vervolgens vraag ik:wordtiemand als rechtvaardig beschouwd om veel goede daden, terwijl hij toch op een bepaald punt schuldig is aan een overtreding? Ook dit zal mijn tegenstander niet durven beweren. Want de bepaling van de wet gaat daar dwars tegenin. Die verkondigt dat ieder vervloekt is die niet alle geboden van de wet tot en met de laatste toe vervuld heeft.Deuteronomium 27:26

Dan zal ik nog een stapje verder gaan en vragen:iser een daad te vinden die van geen enkele onzuiverheid of onvolmaaktheidbeschuldigdkan worden? Hoe zou dat kunnen bestaan voor die ogen waarvoor de sterren niet rein genoegJob 25:5en de engelen niet rechtvaardig genoeg zijn?Job 4:18Mijn tegenstander is dus gedwongen toe te geven dat er geen enkele goede daad bestaat die nietbesmet isdoor de overtredingen die er mee gepaard gaan en door zijn eigen slechtheid. Geen enkele goede daad mag dus de eer van rechtvaardigheid dragen.

Het staat dus vast dat het een gevolg is van de rechtvaardiging door geloof, dat daden als rechtvaardig beschouwd worden, die anders onzuiver, onrein en half zijn en het niet waard zijn om God onder ogen te komen, laat staan dat ze zijn liefde waard zijn. Als dat zo is, waarom doen mijn tegenstanders dan hun best om de rechtvaardigingdoorgeloof te vernietigen door de rechtvaardigheid van onze daden zo op de voorgrond te stellen? Want zonder rechtvaardiging door geloof laten ze zich tevergeefs voorstaan op de rechtvaardigheid van hun daden! Willen ze soms addergebroed voortbrengen,waarbij de kinderen hun ouders vermoorden? In die richting gaan de woorden van de goddelozen. Ze kunnen niet ontkennen dat de rechtvaardiging door geloof het begin, het fundament, de oorzaak, het bewijs en het wezen is van de rechtvaardigheid van onze daden. Maar toch concluderen ze dat de mens niet door geloof gerechtvaardigd wordt, omdat ook zijn goede daden als rechtvaardigbeschouwdworden.

We moeten deze dwaasheid dus maar laten rusten en erkennen hoe het werkelijk zit: de rechtvaardigheid van onze daden, hoe we die ook opvatten, hangt af van de rechtvaardiging door geloof. Daarom doet de eerste niets af aan de laatste, maar versterkt die juist. Want daardoor schittert de kracht van de laatste extra helder.

Ook moeten we niet denken dat na de gratis rechtvaardiging goede daden aanbevolen worden om daarna de mens te rechtvaardigen of om samen met geloof een dergelijke functie te vervullen. Want de rechtvaardiging door geloof moet altijdrecht overeind blijven staan. Anders zou de onreinheid van onze daden niet langer bedekt zijn.En er is niets absurds aan dateenmens zo door geloof gerechtvaardigd wordt dat hij niet alleen zelf rechtvaardig is, maar ook zijn daden als rechtvaardig beschouwd worden, ook al zijn ze dat niet waard.

Onze daden zijn pas rechtvaardig nadat onze zonden vergeven zijn

Volgens die redenering kunnen we toegeven dat onze daden niet alleen een deel van de rechtvaardigheid bevatten, zoals onze tegenstanders zelf beweren. We kunnen zelfs toegeven dat God dierechtvaardigheid vollediggoedkeurt, alsofdie volmaaktis.

Maar het probleem is volledig opgelost als we bedenken wat de basis daarvoor is. Want een daad is voor God pas aangenaamalsHij die met vergeving heeft aangenomen. En waar komt die vergeving anders vandaan, dan uit het feit dat God ons en alles wat we hebben bekijkt in Christus? Als wij in Christusgeëntzijn, verschijnen we als rechtvaardigen voor God. Want onze zonden worden bedekt door zijn onschuld. En zo zijn ook onze daden rechtvaardig. Ze worden als rechtvaardig beschouwd omdat alle gebreken die ze anders zouden hebben, door Christus’ reinheid begraven worden. Daarom worden ze ons niet aangerekend. Dus kunnen we terecht zeggen dat door geloof niet alleen wij, maar ook onze daden gerechtvaardigd worden.

De rechtvaardigheid van onze daden, wat dat dan ook inhoudt, hangt dus af van geloof en de gratis rechtvaardiging. Daar is het een effect van. Maar dan is het daar ook een onderdeel van. Ze zijn met elkaar verbonden als oorzaak en gevolg. Het is dus absoluut niet zo dat de rechtvaardigheid van onze daden gebruikt kan worden om de rechtvaardiging door geloof onderuit te halen of te verduisteren. Ze horen bij elkaar zoals de vrucht bij de boom hoort.

Daarom legt Paulus heel sterk de nadruk op deze woorden van David: ‘Gelukkigzijvan wie deovertredingen vergeven zijn.Gelukkig hij, wie de HEER zijn zonden niet aanrekent.’Romeinen 4:7; Psalm 32:1-2 Zo wil Paulus overtuigend bewijzen dat ons geluk gebaseerd is op Gods barmhartigheid en niet op onze daden.

Misschien stelt iemand daar talloze uitspraken tegenover die het geluk lijken toe te schrijven aan onze daden. Bijvoorbeeld: ‘Gelukkig de man die deHEERvreest,Psalm 112:1die barmhartig is voor de armen,Spreuken 14:21die niet leeft volgenshet adviesvan goddelozen,Psalm 1:1die de toets doorstaat.Jacobus 1:12Gelukkig zij die zich houden aan het recht,Psalm 106:3die onbevlekt zijn,Psalm 119:1arm van geest, zachtmoedig, barmhartig …’Mattheüs 5:3-7 Maarmet zulke uitsprakenkan hij nooit voor elkaar krijgen dat wat Paulus zegt niet waar zou zijn. Want geen van de daden die hier genoemd worden, zijn voor God ooit op zichzelf reden om een mens goed te keuren. Dat betekent dus dat een mens altijd ellendig is, tenzij hij door de vergeving van zonden van zijn ellende verlost wordt. Alle vormen van geluk waar de Schrift hier hoog van opgeeft, storten dus als loos ineen. Het is onmogelijk dat een mens er iets aan heeft. Dat kan pas als hij het geluk gekregen heeft door de vergeving van zonden. Dat maakt dan vervolgens ruimte voor andere vormen van geluk. Dat betekent dus dat dit niet alleen het toppunt van geluk en het belangrijkste geluk is, maar ook het enige geluk. Of je zou moeten beweren dat dit geluk verzwakt wordt door de andere vormen van geluk, die ervan afhankelijk zijn.

Er is voor ons dus maar weinig reden om in verwarring te raken door deaanduiding‘rechtvaardigen’, die meestalvoorde gelovigen gebruiktwordt. Ik erken zeker dat ze rechtvaardigen genoemd worden volgens de heiligheid van hun leven. Maar zestreven eerderrechtvaardigheidnadan dat ze die rechtvaardigheid ook daadwerkelijk bereiken. Daarom is het wel zo eerlijk dat deze rechtvaardigheid, wat die ook inhoudt, aan de kant gaat voor de rechtvaardiging door geloof. Want wat deze rechtvaardigheid is, is ze dankzij de rechtvaardiging door geloof.

Jacobus is niet in strijd met Paulus

Mijn tegenstanders zeggen echter dat er nog een groter probleem voor mij overblijft in Jacobus. Want die zou mij uitdrukkelijk tegenspreken. Hij leert namelijk dat Abraham gerechtvaardigd is op basis van zijn daden en dat ook wij allemaal door onze daden gerechtvaardigd worden en niet alleen door geloof.Jacobus 2:14-26

Wat nu? Willen ze Paulus in stelling brengen tegen Jacobus? Als ze Jacobus als een dienaar van Christus beschouwen, dan moeten we zijn uitspraak zo opvatten dat die niet verschilt met wat Christus zegt via de mond van Paulus. De Geest verklaart via de mond van Paulus dat Abraham door geloof rechtvaardigheid gekregen heeft en niet door zijn daden. Ook ik leer dat iedereen door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder daden van de wet. Dezelfde Geest leert via Jacobus dat Abrahams rechtvaardigheid en onze rechtvaardigheid ligt in onze daden en niet alleen in geloof. De Geest spreekt zichzelf niet tegen, dat is zeker. Hoe zijn die twee dingen met elkaar te rijmen?

Mijn tegenstanders vinden het meer dan genoeg als ze alleen maar de rechtvaardigheid door geloofkunnen uitrukken, die ik met heel diepe wortelsvastgezet hebop de bodem van het hart. Maar ze maken zich er niet bepaald druk om hoe ze het geweten weer rust kunnen geven. Daaraan kun je zien dat ze wel knagen aan de rechtvaardiging door geloof, maar ondertussen geen enkele norm voor rechtvaardigheid geven waar het geweten houvast aan kan hebben. Van mij mogen ze dus net zoveel victorie kraaien als ze willen, zolang ze zich nergens anders op kunnen beroemen dandatze de zekerheid van de rechtvaardigheid weggenomen hebben. En ze zullen een jammerlijke overwinning behalen als de Heer hun zal toestaan de duisternis van hun leugens te verspreiden, nadat het licht van de waarheid is uitgedoofd. Maar zolangGodswaarheid stevig overeind staat, zullen ze niets bereiken.

Ik ontken dus dat de woorden van Jacobusdiemijn tegenstandersmij steeds voorhouden, alsof die mijn achilleshiel zouden vormen,hun ook maar enige steun bieden. Omdat duidelijk te maken, moeten we eerst letten op wat de apostel met zijn woorden bedoelt. Vervolgens moeten we kijken hoe mijn tegenstanders het mis hebben.

Er waren in die tijd heel veel mensen die in hun daden overduidelijk lieten blijken dat ze ongelovig waren. Dat is een kwaad dat er altijd in de kerk is.Deze mensen lieten natedoen wat gelovigen horen te doen, maar toch bleven ze zich beroemenophun valse zogenaamde geloof. Daarom bespot Jacobus hier hun dwaze vertrouwen. Het is dus niet zijn bedoeling om ook maar iets af te doen aan de waarde vanechtgeloof. Hij wil laten zien hoe dwaas het is dat diepraatjesmakerszoveel waarde hechtten aan een loos schijngeloof, dat ze daarmee tevreden waren en onbekommerd opgingen in allerlei zondige losbandigheid.

Als je dezesituatiegoed begrijpt, kun je gemakkelijk zien hoe mijn tegenstanders het mis hebben. Want zij trekken twee verkeerde conclusies. De eerste wat betreft het woord ‘geloof’. De tweede wat betreft het woord ‘rechtvaardigen’.

De apostel noemt het loze waanidee, dat ver af staat van echt geloof, ‘geloof’. Dat is een kwestie van toegeeflijkheid. Het doet niets af aan de inhoud. Dat laat hij zien aan het begin, als hij zegt: ‘Wat hebben jullie eraan, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, maar geen daden heeft?’ Hij zegt niet: ‘Als iemand geloof heeft, maar geen daden heeft.’ Nee, hij zegt: ‘Als iemand zegt dat hij geloof heeft.’ Even later zegt hij het nog duidelijker. Dan maakt hij van geloof op een spottende manier iets dat nog erger is dan wat de demonen weten. En aan het eind noemt hij geloof zelfs dood.

Maaruit de definitie kun je voldoende opmaken wat hij bedoelt. Hij zegt: ‘Jullie geloven dat er een God is.’ Natuurlijk, als dat geloof niets anders inhoudt dan dat je gelooft dat er een God is, is het geen wonder dat dat geloof niet rechtvaardigt. En als dat geloof ontzegt wordt dat het rechtvaardigt, moeten we niet denken dat dat iets afdoet aan het christelijk geloof. Want dat is een heel ander soort geloof. Want hoe rechtvaardigtechtgeloof anders, dan door onsvast te lijmen aan Christus? Doordat we één worden met Hem, genieten we van het delen in zijn rechtvaardigheid. Het rechtvaardigt dus niet doordat we Gods wezen leren kennen, maar doordat we leren vertrouwen op de zekerheid van zijn barmhartigheid.

Jacobus gebruikt het woord ‘rechtvaardigen’ anders dan Paulus

Ik heb nog niet besproken watde bedoeling vande apostel was, als ik niet ook de tweede verkeerde conclusie tegenspreek. Ze zeggen immers dat Jacobus een deel van de rechtvaardiging in onze daden plaatst. Als je Jacobus in overeenstemming wilt laten zijn met de rest van de Schrift en met zichzelf, moet je het woord ‘rechtvaardigen’ wel in een andere betekenis nemen dan bijPaulus. WantPauluszegt dat we gerechtvaardigd worden als de herinnering aan onze eigen rechtvaardigheid uitgewist is en we als rechtvaardig beschouwd worden.

Als Jacobus hetzelfde bedoeld had, zouhijverkeerd deze uitspraak van Mozes geciteerd hebben: ‘Abraham geloofde God …’Genesis 15:6Want hij legt het volgende verband: Abraham heeft rechtvaardigheid gekregen door zijn daden. Want hij aarzelde niet om op Gods bevel zijn zoon te offeren. En zo is de Schrift vervuld, die zegt dat Abraham God geloofd heeft en dat hem dat als rechtvaardigheid is toegerekend. Het zou absurd zijn als het effect van iets voorafgaat aan de oorzaak. Dus óf Mozes verklaart daar onterecht dat Abrahams geloof hem als rechtvaardigheid is toegerekend, óf Abraham heeft die rechtvaardigheid niet verdiend met zijn gehoorzaamheid toen hij Izak wilde offeren. Toen Izak geboren werd, was Ismaël al volwassen. Toen Ismaël nog niet verwekt was, toen is Abraham gerechtvaardigd door zijn geloof. Dus hoe kunnen we dan zeggen dat hij rechtvaardigheid verdiend heeft door zijn gehoorzaamheid, die pas lange tijd daarna kwam? Dus óf Jacobus heeft de volgorde onterecht omgekeerd – maar dat mogen we niet denken – óf hij heeft niet willen zeggen dat Abraham gerechtvaardigd is omdat hij verdiend had dat hij als rechtvaardig beschouwd werd.

Wat dan?Het blijkt duidelijk dat Jacobus het erover heeft hoe wewetendat Abraham als rechtvaardig beschouwd werd en niet overwaaromAbraham als rechtvaardig beschouwd werd. Het is alsof hijzei:als jedoorechtgeloof rechtvaardigbent, bewijs jedatjerechtvaardigbentdoor gehoorzaamheid en goede daden. Niet door een leeg, ingebeeld schijngeloof. Kortom, Jacobus legt niet uit op welke manier we gerechtvaardigd worden. Maar hij eist van gelovigen een actieve rechtvaardigheid. Net zoalsPaulusbeweert dat we gerechtvaardigd worden zonder dat onze daden daar iets aan bijdragen, zo wil Jacobus hier niet dat we mensen zonder goede daden als rechtvaardig beschouwen.

Als we met deze bedoeling rekening houden, is elk probleem opgelost. Want mijn tegenstanders vergissen zich vooral hierin: ze denken dat Jacobus beschrijft op welke manier we gerechtvaardigd worden. Maar hij heeft geen andere bedoeling dan een eind maken aan de verkeerde zorgeloosheid van degenen die tevergeefs doen alsof ze geloven, als excuus voor het minachten van goede daden. Dus, hoe mijn tegenstanders de woorden van Jacobus ook verdraaien, ze kunnen er slechts twee conclusies uit trekken: een loos schijngeloof rechtvaardigt niet en een gelovige is niet tevreden met zulke schijn, maar bewijst zijn rechtvaardigheid door zijn daden.

Als je rechtvaardigheid wilt verdienen, moet je je volmaakt aan de wet houden

Ookhelpt het mijn tegenstanders helemaal niet wat ze in dezelfde betekenis aanhalen uitPaulus: dat niet degenen gerechtvaardigd worden die de wet horen, maar degenen die de wet doen.Romeinen 2:13Ik wil me er niet van afmaken met de uitleg van Ambrosius, datPaulusdit zegt omdat geloof in Christus de vervulling van de wet is. Want volgens mij is dat maar een uitvlucht, die helemaal niet nodig is, omdat de weg voor ons open ligt.

De apostel maakt daar een eind aan het dwaze vertrouwen van de Joden. Zij gaven hoog van zichzelf op, alleen omdat ze de wet kenden. Maar ondertussen waren zij degenen die de wet het meest verachten. Paulus wil voorkomen dat ze het zo met zichzelf getroffen hadden, enkel omdat ze de wet kenden. Daarom wijst hij erop dat, als je rechtvaardigheid zoekt in de wet, er niet gevraagd wordt of je de wet kent, maar of je je aan de wet houdt. Ik twijfel er in elk geval niet aan dat de rechtvaardigheid van de wet bestaat uit daden. Zelfs twijfel ik er niet aan dat er rechtvaardigheid ligt in wat zulke daden waard zijn en wat je ermee verdient. Maar daarmee is nog niet bewezen dat wij door onze daden gerechtvaardigd worden. Dan moeten mijn tegenstanders eerst maar eens iemand aanwijzen die de wet vervuld heeft.

Dat Paulus er niet anders over dacht, blijkt overduidelijk uit de context van zijn woorden. Eerst heeft hij de heidenen en de Joden in het algemeen schuldig verklaard aan onrechtvaardigheid. Vervolgens heeft hij het over elk van beide groepen afzonderlijk. Hij zegt dan dat wie zonder wet gezondigd hebben, zonder wet verloren gaan. Dat slaat op de heidenen. Maar zij die onder de wet gezondigd hebben, worden door de wet veroordeeld. Dat slaat op de Joden.Romeinen 2:12Bovendien, omdat de Joden hun eigen overtredingen door de vingers zagen en alleen pronkten met de wet, voegt hij er iets aan toe wat heel toepasselijk is: de wet is niet gegeven om hen te rechtvaardigen als ze er alleen maar naar luisteren. De wet kan hen pas rechtvaardigen als ze gehoorzamen. Het is alsof hij wilde zeggen: ‘Zoeken jullie rechtvaardigheid in de wet? Verschuil je dan niet achter het horen! Dat stelt op zichzelf maar weinig voor. Kom met daden, om daarmee te bewijzen dat de wet jullie niet voor niets gegeven is.’ Omdat ze geen van allen zulke daden hadden, betekende dat dus dat ze zich niet op de wet konden laten voorstaan. Paulus’ bedoeling moeten we dus gebruiken om het tegendeel te bewijzen: de rechtvaardigheid van de wet ligt in de volmaaktheid van onze daden. Niemand kan zich erop laten voorstaan dat hij met zijn daden de wet vervuld heeft. Dus brengt de wet geen rechtvaardigheid.

Gelovigen beroepen zich op hun rechtvaardigheid vergeleken met goddelozen

Verderbestrijden mijn tegenstanders mij op basis vanSchriftpassages waarin de gelovigen God vrijmoedig aanbieden dat Hij hun rechtvaardigheidmag onderzoeken endat zegraag volgens die rechtvaardigheid beoordeeld willen worden. Bijvoorbeeld: ‘Oordeel mij volgens mijn rechtvaardigheid en volgens mijn onschuld, die in mij zijn.’Psalm 7:9En: ‘God, luister naar mijn rechtvaardigheid! U hebt mijn hart getoetst en ’s nachts bezocht en er is geen onrechtvaardigheid in mij gevonden.’Psalm 17:1-3En: ‘DeHEERzal mij belonen in overeenstemming met mijn rechtvaardigheid enHij zal mij betalen in overeenstemming met de reinheid van mijn handen. Want ik heb de wegen van de HEERbewaard enben niet goddeloos van mijn God afgeweken. En ik zal onbezoedeld zijn en oppassen voor onrechtvaardigheid.’Psalm 18:21-24En: ‘Doe mij recht HEER, want ik heb onschuldig geleefd. Ik heb niet bij bedriegers gezeten en ik zal niet bij misdadigers komen. Laat mijn ziel niet samen met de goddelozen verloren gaan of mijn leven samen met de moordenaars. Hun handen zijn vol onrechtvaardigheid, hun rechterhand vol geschenken. Maar ik heb onschuldig geleefd.’Psalm 26

Ik heb het er hiervóór over gehad dat heiligen alleen vertrouwen lijken te ontlenen aan hun daden. Welnu, de Schriftbewijzen die ik tot nu toe geciteerd heb, leveren ons niet veel problemen op als we ze nemen in hun context of, zoals men meestal zegt, in hun omstandigheden. Die zijn tweevoudig. Deze gelovigen willen niet dat er in het algemeen onderzoek naar hen gedaan wordt om op grond van heelhunlevensloop veroordeeld of vrijgesproken te worden. Nee, zebrengen een specifieke kwestie voor het gerecht. Daar willen zeeenuitspraak over. En ze matigen zich geen rechtvaardigheid aan ten opzichte van Gods volmaaktheid, maar in vergelijking met slechte en verdorven mensen.

Om te beginnen, als het gaat over de rechtvaardiging van een mens, is het niet alleen maar nodig dat hij in een bepaalde zaak sterk staat. Nee, heel zijn leven moet continu in overeenstemming zijn met rechtvaardigheid. Welnu, als heiligen Gods oordeel inroepen om hun onschuld te bewijzen, presenteren ze zichzelf niet als vrij van alle schuld en in alle opzichten onberispelijk. Maar voor hun behoud vertrouwen ze alleen op Gods goedheid. Daarom bevelen ze toch de zaak waarin ze onschuldig verdrukt worden aan Hem aan. Want ze vertrouwen erop dat Hij de armen wreekt die onrechtvaardig en oneerlijk getroffen worden.

En als ze hun tegenstanders samen met hen voor Gods rechterstoel plaatsen, laten ze zich niet voorstaan op een onschuld die in een streng onderzoek voldoende zou blijken om aan Gods reinheid te beantwoorden. Maar ze weten dat God, in vergelijking met de boosaardigheid, slechtheid, sluwheid en verdorvenheid van hun tegenstanders, bekend is met hun oprechtheid, rechtvaardigheid, ondubbelhartigheid en reinheid en daar blij mee is. Daarom zijn ze niet bang om een beroep op Hem te doen als rechter tussen henzelf en hun tegenstanders.

Daarom zei David tegen Saul: ‘De HEER moet ons elk maar belonen in overeenstemming met zijn rechtvaardigheid en trouw.’ Samuël 26:23Hij bedoelde daarmee niet dat de Heer hen elk op zichzelf zou onderzoeken en belonen volgens zijn verdiensten. Nee, hij getuigde voor de Heer hoe groot zijn onschuld was in vergelijking met Sauls onrechtvaardigheid.

En Paulus laat zich erop voorstaan dat zijn geweten voor hem getuigt dat hij zich ondubbelhartig en oprecht in Gods kerk gedragen heeft.2 Korinthiërs 1:12Maar zelfs daarop wil hij niet vertrouwen tegenover God. Hij verdedigt alleen zijn trouw en oprechtheid omdat hij daartoe gedwongen werd door de laster van de goddelozen. Ondanks al het kwaadspreken van mensen wist hij dat God in zijn welwillendheid blij was met die trouw en oprechtheid. Immers, ergens anders zien we dat Paulus zegt dat hij zich van geen kwaad bewust is, maar toch daardoor nog niet gerechtvaardigd is. Korinthiërs 4:4Want hij begreep dat Gods oordeel ver uitgaat boven de bedorven blik van mensen.

Vromenverdedigen hun onschuld dus wel tegenover de huichelarij van goddelozen, met God als getuige en rechter. Maar als ze met God alleen te maken hebben, roepen ze toch allemaal uit één mond: ‘Als U, Heer, let op de zonden, wie, Heer, kan dan bestaan?’Psalm 130:3 En:‘Ga geen rechtszaak aan met uw knechten. Want niemand die leeft, zalinuwogengerechtvaardigd worden.’Psalm 143:2 En omdat ze geen vertrouwen stellen in hun daden, zingen ze graag: ‘Uw goedheid is beter dan het leven!’Psalm 63:4

Gelovigen bereiken in dit leven geen volmaaktheid

Er zijn ook nog andere Schriftpassagesdieniet anders zijn dan de vorige, maar waar men misschien toch nog steun zou kunnen zoeken. Salomo zegt dat wie oprecht leeft, rechtvaardig is.Spreuken 20:7En dat in het pad vanderechtvaardigheid leven is en dat daarin geen dood is.Spreuken 12:28En Ezechiël zegt dat wie recht en rechtvaardigheid gedaan heeft, zeker zal leven.Ezechiël 18:9; 18:21; 33:15Ik ontken of verduister niets van deze passages. Maar laat er eens één van Adams kinderen tevoorschijn komen die zo zuiver is. Als er niemand is, kan het niet anders of ze komen om voor Godsogenof vluchten naar de schuilplaats van zijn barmhartigheid.

Ondertussen ontken ik niet dat hun zuiverheid, hoe half en onvolmaakt ook, voor de gelovigen een stap is op weg naar onsterfelijkheid. Maar hoe komt dat anders dan doordat de Heer hun daden heeft aangenomen in zijn genadeverbond? Daarom onderzoekt hij hun daden niet, maar omhelst hij ze met zijn vaderlijke welwillendheid.

En daarmee bedoel ik niet slechts wat de scholastici leren: dat onze daden hun waarde hebben dankzij ‘aannemende genade’. Want zij bedoelen daarmee dat onze daden volgens het verbond van de wet niet voldoende zouden zijn om de redding te krijgen. Maar omdat God ze accepteert,zoudenze toch zoveel in waardestijgendat ze de prijs van onze redding waard zijn. Ik echter zeg dat die daden zowel door andere overtredingen als door hun eigen vuil besmeurd zijn. Daarom hebben ze geen waarde, behalve als de Heerdat allebei vergeeft. Dat wil zeggen dat de mens rechtvaardigheid gratis krijgt.

Onterecht komen mijn tegenstanders op dit punt aandragen met de gebeden van de apostel Paulus, waarin hij de gelovigen toewenst dat ze zo volmaakt zijn dat ze op de dag van de Heer onschuldig en onberispelijk zijn.Efeziërs 1:4; 1 Thessalonicenzen 3:13; 5:23; Kolossenzen 1:22; 1 Korinthiërs 1:8 In het verleden kwamen de celestianen steeds weer met deze woorden aanzetten om te bewijzen dat onze rechtvaardigheid al in dit leven volmaakt is. Maar sinds Augustinus kan ik kort antwoorden – en volgens mij is dat voldoende: alle gelovigen moeten wel nastreven dat ze eens onbevlekt en onschuldig God onder ogen mogen komen. Maar in het tegenwoordige leven is zelfs de beste levenswijze niet meer dan iets dat nog in ontwikkeling is. We zullen het doel pas bereiken als we verlost zijn van dit vlees van de zonde en ons volledig aan de Heer vastklampen.

Toch zal ik iemand die de heiligen de aanduiding ‘volmaakt’ wil toekennen niet koppig blijven bestrijden. Als hij dit maar definieert met de woorden van Augustinus zelf. Hij zegt: ‘Als we de goede eigenschappen van de heiligen volmaakt noemen, dan hoort bij die volmaaktheid ook het kennen van hun onvolmaaktheid, zowel in oprechtheid als in nederigheid.’

Voetnoten

  1. 385

    Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 7,19.

Voetnoot 385

Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 7,19.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.