Boek III · Hoofdstuk 19
Christelijke vrijheid
Inhoud van dit hoofdstuk · 16 secties
- 1Het belang van christelijke vrijheid
- 2Eerste onderdeel: vrij van het oordeel van de wet
- 3Paulus over vrij zijn van de wet
- 4Tweede onderdeel: God vrijwillig gehoorzamen
- 5We mogen erop vertrouwen dat God blij is met onze gehoorzaamheid
- 6We hoeven ons niet te laten ontmoedigen door onze zonden
- 7Derde onderdeel: in dingen die er niet toe doen nergens aan gebonden zijn
- 8We mogen Gods gaven gebruiken waarvoor Hij ze bedoeld heeft
- 9Geen vleselijke, maar geestelijke vrijheid
- 10Rekening houden met zwakken
- 11Aanstoot geven en aanstoot nemen
- 12Het verschil tussen zwakken en farizeeën
- 13We mogen niet Gods geboden overtreden om geen aanstoot te geven
- 14Het geweten is vrij van de macht van mensen
- 15Geestelijke regering en burgerlijke regering
- 16Het geweten is alleen vrij in dingen die er niet toe doen
Het belang van christelijke vrijheid
Nu moeten we de christelijke vrijheid behandelen. Wie de kern van de leer van het evangelie in het kort wil samenvatten, mag niet nalaten de christelijke vrijheid uit te leggen. Wantdatis een onmisbaar onderwerp. Wie dat onderwerp niet kent, zal in zijn gewetennergenszonder aarzelingaandurven beginnen. Hij zal bij veel dingen weifelen en voor veel dingen terugschrikken.
Maar dit onderwerp is vooral een bijlage bij het onderwerp van de rechtvaardiging.De christelijke vrijheid helpt enorm om te begrijpen wat het belang is van de rechtvaardiging. Als je God serieus vreest, levertdechristelijke vrijheid je zelfs een weergaloze vrucht op van de leer van de rechtvaardiging. Goddelozen en mensen zoals Lucianus van Samosata drijven de spot met deze leer. Want in hun geestelijke dronkenschap is elke onbeschaamdheid toegestaan. Daarom is het nu het juiste moment om dit onderwerp aan te snijden.
Nu heb ik de christelijke vrijheid al een aantal keer eerder oppervlakkig aangestipt. Maar het was goed om een meer uitgebreide behandeling tot deze plek uit te stellen. Want zodra de christelijke vrijheid genoemd wordt, begint de wellust te branden of rijzen er ongezonde gemoedsbewegingen op. Als je je niet snel tegen die bandeloze geesten verzet, bederven ze alle heel goede dingen. Want aan de ene kant werpt men onder het mom van deze vrijheid alle gehoorzaamheid aan God van zich af en stort men zich in een tomeloze losbandigheid. En aan de andere kant is men verontwaardigd dat, zo denkt men, deze vrijheid een eind maakt aan alle zelfbeheersing, orde en onderscheid tussen de dingen.
Wat moeten we doen als zulke problemen ons omringen? Moeten we de christelijke vrijheid vaarwel zeggen om zulke risico’s te voorkomen? Maar zoals ik gezegd heb: als we de christelijke vrijheid niet kennen, kennen we Christus niet echt en ook de waarheid van het evangelie niet of de innerlijke vrede voor de ziel. We moeten er juist onze uiterste best voor doen dat zo’n onmisbaar onderdeel van de leer niet wordt verzwegen. En ondertussen moeten we de absurde bezwaren die er steeds weer tegen opkomen weerleggen.
Eerste onderdeel: vrij van het oordeel van de wet
Christelijke vrijheid bestaat, volgens mij tenminste, uit drie onderdelen.
Het eerste onderdeel is dat gelovigen in hun geweten hun vertrouwen moeten zoeken in de rechtvaardiging voor Gods ogen en zich dan moeten oprichten en verheffen boven de wet. Heel de rechtvaardigheid op basis van de wet moeten ze vergeten. Immers, ik heb ergens anders al laten zien dat voor de wet niemand rechtvaardig blijft. Dus óf we worden van elke hoop op rechtvaardigheid uitgesloten, óf we moeten van de wet losgemaakt worden. En dan wel zo dat we met onze daden helemaal geen rekening meer houden. Want als je denkt dat je een daad mee moet brengen, hoe klein ook, om rechtvaardigheid te krijgen, dan kun je geen maat of grens vaststellen. Dan maak je jezelf tot een schuldenaar van heel de wet.
Dus als het gaat over de rechtvaardiging, mogen we de wet niet meer noemen en moeten we elke gedachte aan onze daden aan de kant schuiven. We moeten alleen Gods barmhartigheid omhelzen, de blik van onszelf afkeren en alleen naar Christus kijken. Want als het gaat over de rechtvaardiging, is de vraag niet hoe wij rechtvaardig zijn. Nee, de vraag is hoe wij als rechtvaardig beschouwd worden, hoe onrechtvaardig en onwaardig we ook zijn. En als we in ons geweten daar enige zekerheid over willen krijgen, moeten we geen ruimte laten voor de wet.
Maar hieruit mogenweniet concluderen dat de wet voor gelovigen overbodig is. Er is voor de wet voor Gods rechterstoel weliswaar geen plaats in ons geweten. Maar daarom blijft de wet ons nog wel onderwijzen, vermanen en aansporen. Dit zijn twee heel verschillende dingen en die moeten we daarom ook goed en nauwkeurig van elkaar onderscheiden. Heel het leven van christenen moet een nadenken zijn over vroomheid. Want ze zijn geroepen om geheiligd te worden.Efeziërs 1:4; 1 Thessalonicenzen 4:3-7Het is de taak van de wet om hen te herinneren aan hun plicht en zo hen er toe aan te zetten dat ze heilig en onschuldig proberen te leven.
Maar als ze zich in hun geweten zorgen maken hoe God hun genadig kan zijn, wat ze moeten antwoorden en met welk vertrouwen ze kunnen bestaan als ze voor zijn oordeel gedaagd worden – dan moeten ze geen rekening houden met wat de wet eist. Nee, dan moeten ze alleen Christus als rechtvaardigheid voor ogen houden: Christus, die alle volmaaktheid van de wet te boven gaat!
Paulus over vrij zijn van de wet
Vrijwel heel de argumentatie in de brief aan de Galaten draait om dit punt. Want zij die leren dat Paulus in deze brief alleen maar strijdt voor het vrij zijn van de rituelen, zijn dwaze uitleggers. Dat kan ik bewijzen op basis van de argumenten die Paulus aanvoert.
Bijvoorbeeld dit argument: Christus is voor ons een vervloekte geworden om ons te verlossen van de vloek van de wet.Galaten 3:13
En: ‘Sta in de vrijheid waarmee Christus jullie bevrijd heeft en laat je niet opnieuw vangen onder het juk van de slavernij. Kijk, ik Paulus, zeg jullie: als jullie je laten besnijden, hebben jullie niets aan Christus. En wie zich laat besnijden, is een schuldenaar van de hele wet. Christus heeft voor jullie geen betekenis meer, als jullie gerechtvaardigd willen worden door de wet. Dan zijn jullie weggevallen uit de genade.’Galaten 5:1-4
Deze woorden bevatten natuurlijk meer dan vrijheid van de rituelen. Ik geef wel toe dat Paulus het hier over de rituelen heeft. Want hij strijdt hier tegen valse apostelen, die de oude schaduwen van de wet, die door de komst van Christus afgeschaft waren, weer in de christelijke kerk probeerden in te voeren. Maar om deze kwestie te behandelen, moest hijhogere dingen bespreken. Daarin lag de kern van het meningsverschil.
In de eerste plaats werd door de Joodse schaduwen de helderheid van het evangelie verduisterd. Daarom laat Paulus zien dat we in Christus de volledige vervulling hebben van alles waar de rituelen van Mozes een schaduw van vormden.
In de tweede plaats doordrenkten deze bedriegers het eenvoudige volk met het gevaarlijke idee dat je met deze gehoorzaamheid Gods genade kon verdienen. Daarom doet Paulus zijn uiterste best om ervoor te zorgen dat de gelovigen niet denken dat ze rechtvaardigheid zouden kunnen krijgen door een daad van de wet. Laat staan door zulke minieme basisbeginselen!
In de derde plaats leert Paulus dat ze dankzij het kruis van Christus vrij zijn van de vloek van de wet, die anders alle mensen boven het hoofd hangt. Ze kunnen dus volledig gerust zijn als ze op Christus vertrouwen. En de geciteerde passage slaat vooral hierop.
Ten slotte bevestigt Paulus voor het geweten van de gelovigen dat ze vrij zijn. Ze hoeven dus door geen enkele vrees bevangen te zijn in dingen die er niet toe doen.
Tweede onderdeel: God vrijwillig gehoorzamen
Het tweede onderdeelvan christelijke vrijheidis gebaseerd op het eerste.Het houdt in datgelovigen in hungeweten de wet niet gehoorzamen omdat ze daartoe gedwongen wordendoordat het niet anders kan. Nee, ze zijn vrij van het juk van de wet zelf en gehoorzamen Gods wil uit eigen beweging.Want zolang ze onderhet gezagvan de wet staan, zullen ze nooit opgewekt en graag God kunnen gehoorzamen. Eerst moeten ze deze vrijheid krijgen.
Door een voorbeeld kunnen we sneller en duidelijker begrijpen wat hiermee bedoeld wordt. Het is het gebod van de wet dat we onze God moeten liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel en met al onze krachten.Deuteronomium 6:5Voordat dat kan gebeuren, moet de ziel eerst ontdaan worden van elke andere neiging of gedachte. Het hart moet gezuiverd worden van alle verlangens en onze krachten moeten verzameld en samengebald worden voor dit ene doel. Zelfs wie veel verder dan anderen vooruitgekomenzijnop de weg van de Heer,zijnnog heel ver verwijderd van deze eindstreep. Ze hebben God wel oprecht lief met een diepe genegenheid. Maar toch wordt een groot deel van hun hart en hun ziel in beslag genomen door begeerten van het vlees. Die trekken hen terug en houden hen tegen zodat ze niet snel naar God kunnen doorrennen. Ze doen daar wel hun uiterste best voor, maar het vlees verzwakt hun krachten voor een deel en eist die voor een ander deel op voor zichzelf.
Wat moeten ze dan doen? Ze voelen immers dat ze de wet absoluut niet kunnen volbrengen! Ze willen het,ze proberen het, ze doen er hun best voor. Maar niets van wat ze doen, is zo volmaakt als het hoort te zijn. Als ze naar de wet kijken, merken ze dat alles wat ze proberen of bedenken vervloekt is. En we moeten onszelf niet voor de gek houdenmet het feit dat een daad niet helemaal slecht is, ook al isdieonvolmaakt.
We moeten daaruit niet concluderen dat God daarom toch blij is met het goede dat erin zit. Want de wet eist een volmaakte liefde. Daarom veroordeelt de wet alle onvolmaaktheid, tenzij die strengheid verzacht wordt. Kijk maar eens naar een daad die je voor een deel als goed wilt beschouwen. Dan zul je merken dat het een overtreding van de wet is, juist omdat het onvolmaakt is.
We mogen erop vertrouwen dat God blij is met onze gehoorzaamheid
Zie je dat al onze daden onderworpen zijn aan de vloek van de wet als ze onderzocht worden volgens de norm van de wet? Hoe zouden de ongelukkige zielen dan opgewekt kunnen beginnen aan een daad waarvoor ze alleen maar een vervloeking kunnen verwachten? Echter, als ze van deze strenge eis van de wet – of beter: van heel deonbuigzaamheid van de wet – bevrijd zijn en horen dat God hen roept met een vaderlijke zachtmoedigheid, dan zullen ze Hem blij en enthousiast antwoorden op zijn roep en Hem volgen als Hij hen leidt.
Kortom, degenen die gebonden zijn aan het juk van de wet, zijn net slaven die elke dag weer werk opgedragen krijgen door hun heer. Want zij vinden dat ze nog niets gedaan hebben en ze durven hun heer niet onder ogen komen als ze de taak die hen is opgelegd niet volledig uitgevoerd hebben. Maar kinderen worden milder en vrijer behandeld door hun vader. En zij aarzelen niet hun werk aan te bieden, ook al zijn ze nog maar net begonnen en is het werk nog maar half af en laat het zelfs gebreken zien. Want ze vertrouwen erop dat hun vader blij is met hun gehoorzaamheid en bereidwilligheid, zelfs al hebben ze hun werk minder precies gedaan dan ze wilden. Zulke kinderen moeten wij ook zijn. Ook wij moeten er vast op vertrouwen dat onze heel welwillende Vader blij is met onze gehoorzaamheid, hoe klein, gebrekkig en onvolmaakt die ook is.
Dat verzekert Hij ons ook via de profeet.Hij zegt:‘Ik zal hen ontzien zoals een vader zijn zoon ontziet als die hem dient.’Maleachi 3:17Het staat vast dat met ontzien daar toegeeflijk behandelenbedoeld wordtof vriendelijk de fouten door de vingers zien.Want ook daar gaat hetover dienen.
En dit vertrouwen hebben wij heel hard nodig. Want zonder dat vertrouwen zijn al onze pogingen tevergeefs. Want in Gods ogen dienen wij Hem met niets van wat wij doen als we het niet echt tot zijn eer doen. Maar hoe zouden we dat kunnen in alle verschrikking, omdat we er niet zeker van zijn of onze daden God ergeren of eren?
We hoeven ons niet te laten ontmoedigen door onze zonden
En dat is de reden waarom de schrijver van de brief aan de Hebreeën alle goede daden die, zo lezen we, de heilige aartsvaders gedaan hebben, toeschrijft aan geloof. Daarom beoordeelt hij ze alleen op basis van geloof.Hebreeën 11
Over deze vrijheid gaat een belangrijke passage in de brief aan de Romeinen. Paulus betoogt daar dat de zondenietin onsmagregeren, omdat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade.Eerst had hij de gelovigen vermaand dat de zonde niet in hun sterfelijk lichaam mocht regeren en dat ze hun ledematen niet ter beschikking mochten stellen aan de zonde, als wapens van onrechtvaardigheid. Ze moesten zich wijden aan God als doden die levend geworden waren en ze moestenhun ledematen ter beschikking stellen aan God, als wapens van rechtvaardigheid. Maar zij konden daartegen inbrengen dat ze het vlees nog met zich meedroegen, vol hartstochtelijke begeerten.Erwoonde nogzondein hen. Daarom voegt Paulus er als troost aan toe dat ze vrij waren van de wet.Het is net alsof hij zei: ook al voelen ze duidelijk dat de zonde nog niet is uitgedoofd en de rechtvaardigheid nog niet in hen leeft, toch is er geen reden waarom ze bang zoudenzijnen de moedzouden laten zakken, alsof God steeds boos zou blijven om de restanten van zonde. Door genade zijn ze bevrijd van de wet. Hun daden worden niet meerbeoordeeld volgens de norm van de wet.Romeinen 6:12-14
Maar degenen die hieruit opmaken dat je mag zondigen omdat we niet meer onder de wet staan, moeten begrijpen dat deze vrijheid niet op hen slaat. Want het doel van deze vrijheid is ons aan te sporen tot het goede.
Derde onderdeel: in dingen die er niet toe doen nergens aan gebonden zijn
Het derde onderdeel van christelijkevrijheid is dat we in uiterlijke dingen, die erop zich zelf niet toe doen, voor God door geen enkele religieuze verplichting gebonden zijn. We mogen ze het ene moment gebruiken en het andere moment ongebruikt laten. Daarin hoeven we geen onderscheid te maken. En ook het kennen van deze vrijheid hebben we hard nodig. Want als we deze kennis niet hebben, zal ons geweten geen rust vinden enzaler geen eind komen aan alle vormen van bijgeloof.
Velen vinden het tegenwoordig maar overdreven dat we een discussie beginnen over het vrij eten van vlees, het vrij vieren van feestdagen, het vrij dragen van kleren en dergelijke. Zij vinden dat maar onbenullige dingen. Maar ze zijn belangrijker dan meestal gedacht wordt. Want als je je in je geweten eenmaal hebt laten strikken, stap je een lang en ingewikkeld doolhof binnen, waar je vervolgens niet gemakkelijk meer uit komt.
Stel dat iemand begint te twijfelen of hij voor lakens, hemden, zakdoeken en handdoeken wel linnen mag gebruiken. Vervolgens zal hij niet meer zeker weten of hij wel hennep mag gebruiken en uiteindelijk zal hij ook gaan twijfelen over grof vlas. Want hij zal zich gaan afvragen of hij niet zonder tafellakens kan eten en of hij zakdoeken niet kan missen. Stel dat iemand denkt dat voedsel dat iets luxer is, niet is toegestaan. Uiteindelijk zalhijniet meer met eenvoor Godgerust gewetengewoon brood of eenvoudig voedselkunneneten. Want hij zal bedenken dat hij zijn lichaam ook wel kan onderhouden met nóg eenvoudiger voedsel. Stel dat hij twijfelt of hij wel een goede wijn mag drinken. Vervolgens zal hij ook geen slechte wijn meer kunnen drinken met een gerust geweten. Uiteindelijk zal hij zelfs geen water meer durven aanraken dat lekkerder en zuiverder is dan ander water.Kortom, het komt zover met hem dat hij gaat denken dat het niet is toegestaan om, zeg maar, over een dwarsliggend strootje te stappen.
Want ik begin hier geen debat zonder veel gewicht. Het draait om de vraag of God wil dat we dit of dat gebruiken. En al onze plannen en daden moeten geleid worden door zijn wil. Het kan niet anders of sommigen zinken als gevolg hiervan uit wanhoop in een bodemloze afgrond van verwarring. Anderen verachten God, schudden de vrees voor Hem van zich af en waar ze geen weg zien, banen ze voor zichzelf een weg door hun ondergang.Want als je in een dergelijke twijfel verstrikt zit, zie je overal, waarheen je je ook wendt, ietsdat je gewetenbezwaart.
We mogen Gods gaven gebruiken waarvoor Hij ze bedoeld heeft
‘Ik weet,’ zegt Paulus, ‘dat niets onrein is, behalve voorwie het als onrein beschouwt. Voor hem is het onrein.’Romeinen 14:14Met deze woorden onderwerpt hij alle uiterlijke dingen aan onze vrijheid. Als we in ons hart voor God maar zeker zijn van die vrijheid. Maar als een bijgelovig idee ons een bezwaar oplevert, dan wordt wat naar zijn aard rein is, voor ons bezoedeld.Daarom voegt Paulus eraan toe: ‘Gelukkigwie zichzelf niet oordeelt in wat hij als goed beschouwt. Maar wie twijfelt als hij eet, is al veroordeeld, omdat hij niet uit geloof eet. En alles wat niet uit geloof is, is zonde.’Romeinen 14:22-23
Als je in een dergelijke benauwdheid toch dapper en onbekommerd alles aandurft, keer je je dan niet even ver van God af? En als je vanbinnen getroffen bent door vrees voor God, word je door angst verward en terneergeslagen, omdat je wel gedwongen bent om tegen je geweten in veel toe te laten. Ieder die er zo aan toe is, kan geen enkel geschenk van God dankbaar aannemen. Terwijl we volgens Paulus’ getuigenis alles toch alleen kunnen gebruiken als het geheiligd is door dankbaarheid.1 Timotheüs 4:4-5 Volgens mij wordt daar een dankbaarheid mee bedoeld die voortkomt uit een hart dat Gods vrijgevigheid en goedheid in zijn gaven erkent. Veel van zulke mensen beseffen wel dat het Gods gaven zijn, die ze gebruiken. En ze prijzen God in wat Hij doet. Maar ze zijn er niet van overtuigd dat die dingen aan hen gegeven zijn. Dus hoe kunnen ze God dan danken als de gever?
Kortom, we zien wat de kern is van deze vrijheid: we mogen Gods gaven zonder gewetensbezwaren enzonder ongerustheid gebruiken voor het doel waarvoor Hij ze aan ons gegeven heeft. Door die vrijmoedigheid hebben we vrede met Hem en erkennen we zijn vrijgevigheid tegenover ons. Want dit slaat op alle rituelen waarinwevrij zijn om ons daar wel of niet aan te houden. Ons geweten wordt bij die rituelen door geen enkele verplichting gebonden. We mogen bedenken dat het gebruik van die rituelen door Gods goedheid aanHemis onderworpen, om ons op te bouwen.
Geen vleselijke, maar geestelijke vrijheid
We moeten er echter goed op letten dat christelijke vrijheid in al haar onderdelen iets geestelijks is. Haar waarde ligt volledig in het voor God tot rust brengen van bangelijke gewetens. Of ze nu ongerust zijn en zich zorgen maken over de vergeving van hun zonden, of dat ze angst hebben over de vraag of God wel blij is met hun onvolmaakte en met de gebreken van ons vlees bezoedelde daden, of dat ze gekweld worden wat betreft het gebruik van dingen die er niet toe doen. Als je dezevrijheidgebruikt als excuus voor je hartstochtelijke begeerten, om Gods goede gaven te misbruiken voor je wellust, dan leg je deze vrijheid dus verkeerd uit. En dat doe je ook als je denkt dat er alleen maar vrijheid is als jeervoor het oog van de mensen gebruikvan maakt en je daarom bij het gebruikmaken van die vrijheid geen rekening houdt met je zwakke broeders.
Op de eerste manier wordt tegenwoordig het meest gezondigd.Van degenen die de middelen hebben voor hoge uitgaven, is er bijna niemand die niet houdt van overdadige en schitterende banketten, lichaamsuitdossing en bouwstijl. Er is bijna niemand die qua pracht niet graag boven anderen uitsteekt en zichzelf niet heerlijk vleit met zijn praal. En dat wordt allemaal verdedigd onder het mom van christelijke vrijheid. Ze zeggen dat deze dingen er niet toe doen. Ik geef dat toe, maar dan moet je ze ook gebruiken alsof ze er niet toe doen. Maar wanneer je ze vol begeerte najaagt, als je je er trots op laat voorstaan, als je ze in overdaad verkwist – dan worden dingen die op zichzelf toegestaan zijn natuurlijk verontreinigd door deze zonden.
Deze uitspraak van Paulus maakt een heel duidelijk onderscheid tussen dingen die er niet toe doen: ‘Alles is wel rein voor wie rein zijn, maar voor wie besmeurd en ongelovig zijn, is niets rein. Want hun verstand en geweten is besmeurd.’Titus 1:15 Want waarom worden de rijken vervloekt, die hun troost hebben,genoeg te eten hebben, nu lachen,Lucas 6:24-25in ivoren bedden slapen,Amos 6:1-7akker bij akker voegen en bij hun diners citer, lier, trommel en wijn hebben?Jesaja 5:8-12 Ivoor, goud en rijkdom zijn echt goede scheppingsgaven van God.Mensen mogen daar gebruik van maken. Daar heeft God ze in zijn voorzienigheid ook voor bestemd. En lachen, genoeg te eten hebben, nieuwe bezittingen bij de oude, voorvaderlijke bezittingen voegen, genieten van muziek of wijn drinken wordt nergens verboden. Dat is waar. Maar als jou een overvloed van die dingen ter beschikking staat en je baadt jezelf in genot, je stort je er middenin, je laat je verstand en gevoel dronken worden van wellust naar genot in het tegenwoordige leven en je snakt continu naar nieuw genot – dat staat ver af van een legitiem gebruik van Gods gaven.
Weg dus met die onbeheerste begeerte! Weg met die overdadige verkwisting! Weg met die ijdelheid en arrogantie! Dan kunnen ze Gods gaven gebruiken met een zuiver geweten. Als hun hart geneigd is tot de juiste soberheid, hebben ze de regel voor het juiste gebruik. Maar wanneer deze zelfbeheersing juist ontbreekt, dan is zelfs eenvoudig en gewoon genot al te veel. Want terecht wordt er gezegd dat in grove en ruwe kleren vaak een hart van purper woont en dat onder zijde en purper soms eenvoudennederigheid schuilt.
Ieder moet in zijn levensstaat, of het nu een eenvoudig, sober of schitterend leven is, bedenken dat Godjevoedt om te leven, niet om in overdaad te zwelgen. Eniedermoet weten dat dit de wet is van christelijke vrijheid: dat je net als Paulus geleerd hebt om tevreden te zijn met wat je hebt, dat je weet hoe je tegelijk nederig kunt zijn en uit kunt blinken, datjegeleerd hebt overal en in alles zowel genoeg te hebben als honger te lijden, zowel overvloed te hebben als gebrek te lijden.Filippenzen 4:11-12
Rekening houden met zwakken
Er zijn ook velen die dwalen omdat ze hun vrijheid zonder onderscheid en onverstandig gebruiken. Ze doen net alsof hun vrijheid alleen intact zou zijn als mensen er getuige van zijn. Door dit verkeerde gebruikvormenze vaakeen struikelblok voorzwakke broeders.
Je kunt tegenwoordig mensen tegenkomen die denken dat hun vrijheid alleen vaststaat als ze die in bezit nemen door op vrijdagvlees te eten. Ik berisp hen niet omdat ze op vrijdag vlees eten. Maar dat onjuiste idee moet uit hun hart gebannen worden. Ze zouden moeten bedenken dat hun vrijheid hun nietiets extra’s oplevert in de ogen van mensen, maar bij God. En die vrijheid ligt zowel in het niet gebruiken als in het wel gebruiken. Als ze beseffen dat het er voor God niets toe doet of ze vlees eten of eieren, of ze rode of zwarte kleren dragen, dan is dat meer dan genoeg. Dan is het geweten vrij. En daar is deze vrijheid voor bedoeld. Ook al eten ze de rest van hun leven nooit meer vlees en dragen ze altijd maar één kleur, danzijnze evengoed vrij.
Maar sommigen struikelen op een heel gevaarlijke manier omdat ze zich niet bekommeren om de zwakheid van hun broeders. Wij moeten onze zwakke broeders ondersteunen. Daarom moeten we niets onbezonnen doen, om te voorkomen datdat voor hen een struikelblok vormt.
Maar soms is het inderdaad van belang dat we onze vrijheid voor mensen bevestigen. Dat geef ik toe. Maar toch moeten we onze vrijheid heel voorzichtig en beheerst gebruiken. Want we mogen de zorg voor zwakken niet van ons afschudden. De Heer heeft sterk aangedrongen op die zorg.
Aanstoot geven en aanstoot nemen
Daarom zal ik nu het een en ander zeggen overhet geven van aanstoot, welk onderscheid je daarin moet maken, watje moet zien te voorkomen en waarje je niet drukomhoeft te maken. Dan kunnen we daarna bepalen welke ruimte er is voor onze vrijheidte midden vande mensen.
Ik gebruik graag de gewone indeling, die leert dat je aanstoot kunt geven en aanstoot kunt nemen. Want deze indeling wordt duidelijk gesteund door de Schrift en geeft goed weer wat ermee bedoeld wordt.
Als je iets doet uit ongepaste lichtzinnigheid, losbandigheid of overmoed, niet op de juiste manier of op het juiste moment, zodatje daardooronwetenden en zwakkenkwetst, dan noemen we dat ‘aanstoot geven’. En over het algemeen gaat het dan over iets waarvan de schuld ligt bij degene die de daad zelf gedaan heeft.
We noemen iets ‘aanstoot nemen’ als iets niet verkeerd of ongepast gedaan is,maaruit boze opzet of uit slinkse boosaardigheid opgevat wordt als een reden tot ergernis. Dan wordt er geen aanstoot gegeven, maar wordt er door die slinkse uitleggers zonder reden aanstoot genomen.
De eerste vorm van aanstoot kwetst alleen zwakken. Maar de tweede ergert zure geesten en zwartkijkende farizeeën. Dus noemen wehet enede aanstoot van zwakken enhet anderede aanstoot van farizeeën. En we moeten het gebruik van onze vrijheid zo beperken dat we wel opzij gaan voor de onwetendheid van zwakken, maar absoluut niet voor de zuurheid van farizeeën.
Paulus laat immers op heel veel plaatsen zien dat je moet toegeven aan zwakheid. Hij zegt: ‘Wie zwak isquageloof, moeten jullie steunen.’Romeinen 14:1En: ‘Laten we dus niet meer over elkaar oordelen, maar bedenk liever dat jejebroeder geen aanstoot mag gevenen geen struikelblok voor hem mag vormen.’Romeinen 14:13En nog meer woorden in deze betekenis, die je beter daar kunt opzoeken dan dat ik ze hier noem.In de kern komt het hierop neer: ‘Wij die sterk zijn, moeten de zwakheden verdragen van degenen die niet sterk zijn.
We moeten niet doen wat we zelf graag willen, maar wat onze naaste wil en wat goed en opbouwend voor hem is.’Romeinen 15:1-2
En ergens anders: ‘Pas op dat dit recht van jullie geen struikelblok wordt voor degenen die zwak zijn.’1 Korinthiërs 8:9En: ‘Eet alles wat in de vleeshal verkocht wordt, zonder navraag te doen omwille van het geweten. Maar dit zeg ik omwillevanjullie eigen geweten, niet om dat van anderen.’ En ten slotte: ‘Geef geen aanstoot, niet aan Joden en niet aan Grieken en ook niet aan Gods gemeente.’1 Korinthiërs 10:25-32
En weer ergens anders: ‘Jullie zijn geroepen om vrij te zijn, broeders. Alleen, gebruik die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dien elkaar door liefde.’Galaten 5:13Zo is het. Onze vrijheid is ons niet gegeven tegen onze zwakke naasten. De liefde heeft ons in alles hun slaven gemaakt. Onze vrijheid is ons juist gegeven om in ons hart vrede met God te hebben en vervolgens ook vreedzaam tussen de mensen te leven.
Maar uit de woorden van de Heer leren we hoe we de ergernis van farizeeën moeten opnemen. Hij beveelt ons hen hun gang te laten gaan, want ze zijn blind en gidsen van blinden.Mattheüs 15:14De leerlingen hadden Hem verteld dat de farizeeën zich aan zijn woorden ergerden. Hij antwoordt dat je daar geen aandacht aan moet geven en je om hun ergernis niet druk moet maken.
Het verschil tussen zwakken en farizeeën
Toch blijft deze kwestie vol twijfel als we niet weten wie we als zwakken en wie we als farizeeën moeten beschouwen. Als dit onderscheid weg is, zie ik niet hoe we onze vrijheid nog kunnen gebruiken zonder groot gevaar te lopen dat we aanstoot geven.
Maar het lijkt mij toe dat Paulus heel duidelijk gedefinieerd heeft hoe we onze vrijheid moeten beperken en hoe we die mogen gebruiken ondanks ergernis. Dat blijkt zowel uit zijn leer als uit zijn voorbeeld. Toen hij Timotheüs opnam in zijn gezelschap, heeft hij hem besneden.Handelingen 16:3Maar hij kon er niet toe gebracht worden om Titus te besnijden.Galaten 2:3 Hier heb je een verschillende manier van doen. Maar toch is er geen verandering van bedoeling of overtuiging.
Immers, door Timotheüs te besnijden, maakte hij zich een slaaf van iedereen, ook al was hij vrij van iedereen. Hij werd voor de Joden als een Jood, om de Joden te winnen. Voor degenen onder de wet, werd hij als iemand onder de wet, om degenen onder de wet te winnen. Hij is voor allen alles geworden, om velen te kunnen winnen, zoals hij ergens anders schrijft. Korinthiërs 9:19-22Hier hebben we de juiste beperking van de vrijheid: als het nuttig is om bij dingen die er niet toe doen onze vrijheid te beperken.
Wat Paulus op het oog had toen hij pertinent weigerde om Titus te besnijden, verklaart hij zelf. Hij schrijft: ‘Maar ook Titus, die bij mij was, een Griek, werd niet gedwongen zich te laten besnijden. Dat was omwille van de binnengeslopen valse broeders, die van buitenaf binnengedrongen waren om onze vrijheid te bespieden die wij in Christus Jezus hebben, om ons in slavernij te brengen. Geen moment zijn wij gedwee voor hen aan de kant gegaan, zodat de waarheid van het evangelie bij jullie zou blijven.’Galaten 2:3-5Hier hebbenwede noodzaak om onze vrijheid te handhaven: als die vrijheid in zwakke gewetens gevaar loopt door onbillijke eisen van valse apostelen.
In alle gevallen moeten we ons richten op liefde en letten op wat goed is voor onze naaste. ‘Alles,’ zegt Paulus ergens anders, ‘is mij toegestaan, maar niet alles is nuttig. Alles is mij geoorloofd, maar niet alles bouwt op. Niemand moet zijn eigen belang zoeken, maar ieder moet het belang van de ander zoeken.’ Korinthiërs 10:23-24De regel is dus overduidelijk:als het helpt om onze naaste op te bouwen, moeten we onze vrijheid gebruiken. Maar als het voor onze naaste niet nuttig is, moeten we ons ervan onthouden.
Er zijn mensen dienet doen alsof ze bij het niet gebruiken van hun vrijheid net zo voorzichtig zijn als Paulus. Maar ondertussen gebruiken ze hun vrijheid helemaal niet, ook niet voor liefdediensten. Want uit zorg voor hun eigen rust, willen ze liever dat de vrijheid begraven wordt en helemaal niet meer genoemd wordt. Terwijl, omwille van het welzijn en opbouwen van onze naasten, het wel gebruiken van onze vrijheid soms niet mindernuttigis als soms het intomen van die vrijheid. Maar een vroom mens moet bedenken dat hem in uiterlijke dingen juist de vrije beschikking is gegeven om extra goed in staat te zijn tot alle plichten van liefde.
We mogen niet Gods geboden overtreden om geen aanstoot te geven
Alles wat ik geleerd heb over het vermijden van aanstoot geven,magvolgens mij alleenslaanop dingen die er niet toe doen,die op zichzelf niet goed of slecht zijn.Want wat we onontkoombaar moeten doen, mogen we nooit nalaten uit vrees dat we iemand aanstoot zouden geven.Immers, zoals we onze vrijheid moeten onderwerpen aan liefde, zo moeten we ook onze liefde op haar beurt onderwerpen aan de zuiverheid van het geloof. Natuurlijk hoort daar ook bij dat we rekening houden met liefde. Maar daarin mogen we niet verder gaan dan het altaar. Dat wil zeggen: we mogen niet omwille van onze naaste God kwetsen.
We mogen niet het gebrek aan zelfbeheersing goedkeuren van hen die met alles wat ze doen grote opschudding veroorzaken en liever forceren dan kalm losmaken. Maar evenmin mogen we luisteren naar degenen die gids blijken te zijn in duizend vormen van goddeloosheid, maar ondertussen beweren dat ze zo moeten doen om te voorkomen dat ze hun naasten aanstoot geven. Alsof ze daarmee het geweten van hun naasten niet opbouwen in het kwade, vooral omdat ze zo altijd in de modder blijven steken, zonder enige hoop om eruit te komen.
Deze innemende mensen zeggen dat de naaste, of hij nu door de leer of door het voorbeeld van het leven onderwezen moet worden, gevoed moet worden met melk. Maar ondertussen doordrenken ze hem met de slechtste en afschuwelijkste opvattingen. Paulus vertelt dat hij de Korinthiërs met melk gevoed heeft. Korinthiërs 3:2Maar als in die tijd de mis bij hen bestaan had, zouhijdie dan bediend hebben om hun melk te geven? Natuurlijk niet! Want melk is geen vergif. Ze liegen dus dat ze hen voeden. Want onder het mom van vriendelijkheid, vermoorden ze hen op een wrede manier. En ook al zou ik hun toegeven dat een dergelijke huichelarij een tijdje goedgekeurd zou kunnen worden, hoe lang gaan ze hun kinderen dan met dezelfde melk voeden? Want als ze nooit groot worden en nooit in elk geval wat licht voedsel kunnen verdragen, dan is het wel zeker dat ze ook nooit metgoedemelk grootgebracht zijn.
Twee redenen weerhouden mij ervan om nu feller met hen in debat te gaan. In de eerste plaats zijn hun dwaasheden het nauwelijks waard om weerlegd te worden, omdat alle verstandige mensen ze terecht minachten. En in de tweede plaats heb ik deze kwestie in aparte geschriften al ruim voldoende behandeld en ik wil geen dubbel werk doen.
Alleen dit moeten mijn lezers vasthouden: welke ergernissen Satan en de wereld ook gebruiken om te proberen ons af te keren van Gods wil of te verhinderen dat wij volgen wat Hij voorschrijft, toch moeten we krachtig doorgaan. En in de tweede plaats: welk gevaar ons ook dreigt, toch hebben we niet de vrijheid om ook maar een centimeter af te wijken van een bevel van diezelfde God. Het is onder geen enkel voorwendsel toegestaan om ook maar iets te proberen als Hij het niet toestaat.
Het geweten is vrij van de macht van mensen
Het geweten van de gelovigen heeft dus, zoals ik hierboven beschreven heb, het voorrecht gekregen om vrij te zijn. Dankzij een geschenk van Christus zijn ze door geen enkele strik gebonden om zich te houden aan dingen waarvan de Heer wil dat ze daarin vrij zouden zijn. Daarom stel ik vast dat het geweten van de gelovigen bevrijd is van de macht van alle mensen. Want Christus verdient het niet dat Hij beroofd wordt van de lof voor zo’n grote vrijgevigheid of dat het geweten beroofd wordt van wat die vrijgevigheid ons heeft opgeleverd.
En we moeten deze vrijheid niet beschouwen als iets onbeduidends. Want we zien dat zij Christus zoveel gekost heeft! Hij heeft die niet met goud of zilver, maar met zijn eigen bloed gekocht. En Paulus aarzelt niet om te zeggen dat Christus’ dood nutteloos wordt als we onze ziel onderwerpen aan mensen.Galaten 5:1-4 Want in enkele hoofdstukken van de brief aan de Galaten behandelt hij nietsanders dan dit: Christus wordt voor ons verduisterd, of liever uitgedoofd, als de vrijheid van ons geweten niet overeind blijft.En ongetwijfeld is die vrijheid omvergehaald als het geweten verstrikt kan worden in de banden van wetten en bepalingen volgens het oordeel van mensen.
Maar zoals dit onderwerp heel erg de moeite waard is om te kennen, zo heeft het ook een langere en duidelijkere uitleg nodig. Want zodra het gaat over de afschaffing van menselijke bepalingen, ontstaat er grote opschudding. Voor een deel aan de kant van oproerkraaiers en voor een deel aan de kant van lasteraars. Alsof hiermee meteen een eind gemaakt wordt aan alle gehoorzaamheid!
Geestelijke regering en burgerlijke regering
Om te voorkomen dat iemand zich aan deze steen stoot, moeten we dus eerst opmerken dat er onder de mensen een dubbele regering bestaat. De ene is geestelijk en onderwijst het geweten in vroomheid en het dienen van God. De andere is burgerlijk en brengt de mens menselijke en burgerlijke plichten bij waar je je onder de mensen aan moet houden. Meestal worden zij de geestelijkeen de tijdelijke jurisdictie genoemd. Dat zijn inderdaad toepasselijke aanduidingen. Ze geven aan dat de eerste regeringsvorm slaat op het leven van de ziel en dat de tweede zich beweegt op het terrein van wat tot het tegenwoordige leven behoort. Niet alleen wat betreft voeding en kleding, maar ook wat betreft het uitvaardigen van wettenwaardoorde mens zijn leven onder de mensen heilig, fatsoenlijk en beheerst kan leiden. Want de eerste regeringsvorm huist binnen in het hart en de tweede reguleert alleenhetuiterlijkeleven enmoraal. De eerste mogen we een geestelijk rijk noemen en de tweede een burgerlijk rijk.
En zoals we deze twee nu hebben ingedeeld, zo moeten ze altijd ieder apart bekeken worden. Als we naar de een kijken, moeten we het hart wegroepen en afkeren van het denken aan de ander. Want er zijn in de mens als het ware twee werelden, waarover verschillende koningen en verschillende wetten regeren. Als we dit onderscheid maken, zullen we wat het evangelie leert over de geestelijke vrijheid niet onterecht betrekken op de burgerlijke orde. Alsof christenen volgens de uiterlijke regering minder aan de menselijke wetten onderworpen zouden zijn omdat hun geweten voor God is vrijgemaakt. Alsof ze verlost zouden zijn van elke vleselijke slavernij, omdat ze geestelijk vrij zijn.
Verder kan er ook een verkeerd idee bestaan over de bepalingen die tot het geestelijke rijk behoren. Daarom moeten we ook daartussen onderscheid maken: tussen de bepalingen die we als legitiem moeten beschouwen omdat ze in overeenstemming zijn met Gods Woord en de bepalingen waarvoor bij vromen geen ruimte mag zijn.
Over de burgerlijke regering zullen we het ergens anders hebben.1 Ook over de kerkelijke wetten heb ikhetop dit moment nog niet, want een meer uitgebreide behandeling past beter in boek 4. Daar zal het gaan over de macht van de kerk. Voorlopig ga ik duseindigenmet devolgendeuitleg.
Zoals ik gezegd heb, is deze kwestie op zichzelf niet zo onduidelijk of ingewikkeld. Maar het levert velen toch problemen op, omdat ze niet nauwkeurig genoeg onderscheid maken tussende zogenaamdeuiterlijkerechtbank en de rechtbankvan het geweten. Bovendien wordt het probleem nog groter doordat Paulus beveelt dat je de overheid niet alleen moet gehoorzamen uitangstvoor straf, maar ook omwille van het geweten.Romeinen 13:1-5 Datzou dus betekenendat ook het geweten gebonden is aan de burgerlijke wetten. Als dat zo zou zijn, zoudat alles onderuithalenwat ik kort hiervóór gezegd heb en nog ga zeggen over de geestelijke regering.
Omdit probleem op te lossenis het goed om eerst te begrijpen wat het geweten eigenlijk is. De definitie moeten we afleiden uit deoorspronkelijkebetekenis van het woord.Als mensen via hunverstand en inzichtdingen leren kennen, zegjedat zedie dingen‘weten’.Daarvan is ook het woord ‘wetenschap’ –scientia– afgeleid.Zo is het ook als mensen besef krijgen van Gods oordeel. Dat besef is een getuige die aan hen is toegevoegd. Deze getuige staat niet toe dat ze hun zonden verbergen, maar sleept hen voor Gods rechterstoel en klaagt hen aan.Dat besef wordtconscientia– ‘medewetenschap’ – genoemd. Want de consciëntie – het geweten – is iets tussen God en mensin:hetstaatniet toe dat de mens onderdrukt wat hij weet.Nee, het achtervolgt hem net zolang tot hij zijn schuld erkent.
Dat is wat Paulus bedoelt als hij zegt dat het geweten van de mensenmee getuigt als hun gedachten hen in Gods oordeel beschuldigen of vrijspreken.Romeinen 2:15-16 Als de mens zich enkel bewust zou zijn van zijn zonden, zou dat besef als het ware in hem zelf opgesloten kunnen blijven. Daarom is daar nog dit andere besef, dat hem voor Gods oordeel plaatst, aan toegevoegd als een bewaker, om al zijn geheime daden te observeren en tebespioneren, zodat daarvan niets in het donker begraven kan blijven. Vandaar ook dat oude spreekwoord: het geweten staat gelijk aan duizend getuigen.
Op dezelfde manier noemt ook Petrus de rust van het hart, als we zeker zijn van Christus’ genade en onbevreesd voor God verschijnen, een vraag van een goed geweten aan God.1 Petrus 3:21
En als de schrijver van de brief aan de Hebreeën het heeft over geenbesefmeer hebben van de zonde, dan bedoelthij daarmee dat we bevrijd of verlost zijn, zodat de zonde ons niet meer beschuldigt.Hebreeën 10:2
14.20.
Het geweten is alleen vrij in dingen die er niet toe doen
Dus zoals onze daden betrekking hebben op de mensen, zo heeft het geweten betrekking op God. Een goed geweten is dus niets anders dan een innerlijk oprecht hart.
Dat bedoelt Paulus als hij schrijft dat het vervullen van de wet liefde is die voortkomt uit een zuiver geweten en een ongehuicheld geloof. 1 Timotheüs 1:5 Verderop in hetzelfde hoofdstuk laat hij ook zien hoe groot het verschil is tussen het geweten en inzicht, als hij zegt dat sommigen in hun geloof schipbreuk geleden hebben omdat ze een goed geweten hebben opgegeven. 1 Timotheüs 1:19 Met die woorden geeft hij aan dat een goed geweten een levend verlangen is om God te dienen en een oprechte begeerte om vroom en heilig te leven.
Weliswaar wordt het geweten soms ook in verband gebracht met mensen. Bijvoorbeeld als dezelfde Paulus bij Lucas verklaart dat hij zijn best gedaan heeft om voor God en mensen te wandelen met een goed geweten. Handelingen 24:16 Maar dat wordt zo gezegd omdat de vruchten van een goed geweten naar de mensen stromen en hen raken. Maar in eigenlijke zin slaat het geweten alleen op God, zoals ik al gezegd heb.
Vandaar dat we van een wet waar een mens simpelweg aan gebonden is, zonder op de mensen te letten of rekening met hen te houden, zeggen dat die wet het geweten bindt.Bijvoorbeeld: God gebiedt niet alleen ons hart kuis te houden en rein van alle wellust. Hij verbiedt ook obscene taal en uiterlijke losbandigheid. Mijn geweten wordt verplicht zich aan deze wet te houden, zelfs al zou er geen enkel ander mens op aarde leven. Dus wie zich onkuis gedraagt, zondigt niet alleen omdat hij zijn broeders een slecht voorbeeld geeft. Nee, zijn geweten verklaart hem ook schuldig tegenover God.
Maar met dingen die erop zichzelf niet toe doen, zit het anders. Dingen die anderen aanstoot geven, moeten we nalaten. Maar het geweten blijft dan vrij. Zo spreekt Paulus over het vlees dat aan afgoden geofferd is.Hij zegt:‘Als er iemand bezwaar maakt, raak het dan niet aan, omwille van het geweten. Maar daarmee bedoel ik niet jouw eigen geweten, maar dat van de ander.’1 Korinthiërs 10:28-29Een gelovige zou zondigen als hij gewaarschuwd is en toch zulk vlees eet. Hij moet zicherdusvanonthouden omwille van zijn broeder. Dat gebiedt God. Toch blijft hij een vrij geweten houden. We zien dus dat deze wet alleen het uiterlijke gedrag bindt, maar het geweten vrij laat.
Voetnoten
- 392
Lucianus van Samosata (2e eeuw), Griekse auteur.
- 393
Johannes Calvijn, Epistola de fugiendis impiorum illicitis sacris;Johannes Calvijn, Epistola de abiiciendis vel administrandis sacerdotiis;Johannes Calvijn,De vitandis superstitionibus.
Voetnoot 392
Lucianus van Samosata (2e eeuw), Griekse auteur.
Voetnoot 393
Johannes Calvijn, Epistola de fugiendis impiorum illicitis sacris;Johannes Calvijn, Epistola de abiiciendis vel administrandis sacerdotiis;Johannes Calvijn,De vitandis superstitionibus.
Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.