Boek III · Hoofdstuk 20

Het gebed

Inhoud van dit hoofdstuk · 52 secties
  1. 1Al het goede krijgen we van God
  2. 2Bidden is een gesprek tussen mensen en God
  3. 3Bidden is niet overbodig
  4. 4De eerste regel: al je aandacht richten op God
  5. 5Geconcentreerd bidden en niet méér vragen dan God toestaat
  6. 6De tweede regel: alleen vragen wat je ook echt graag van God wilt krijgen
  7. 7Altijd blijven bidden, maar zonder te huichelen
  8. 8De derde regel: nederigheid
  9. 9Bidden begint met vragen om vergeving
  10. 10Als gelovigen zich beroepen op hun rechtvaardigheid
  11. 11De vierde regel: vast vertrouwen dat God naar ons luistert
  12. 12Zonder zekerheid geen vrijmoedigheid
  13. 13Een gebod en een belofte
  14. 14We kunnen vrijmoedig bidden als we Gods belofte geloven
  15. 15Gebeden die niet gebaseerd zijn op een bevel of belofte van God
  16. 16Gebeden hoeven niet volmaakt te zijn
  17. 17Christus is onze advocaat
  18. 18Christus als advocaat en de offers in het Oude Testament
  19. 19Christus alleen
  20. 20Christus als eeuwige hogepriester
  21. 21Geen voorbede door gestorven heiligen
  22. 22Bidden tot heiligen is bijgeloof en heiligschennis
  23. 23De Schrift wordt verdraaid
  24. 24Geen contact tussen levenden en doden
  25. 25Het aanroepen van de namen van Abraham, Izak en Jacob
  26. 26Gebeden van heiligen zijn niet beter dan die van ons
  27. 27Samenvatting
  28. 28Bidden en danken
  29. 29Bidden in het openbaar
  30. 30Kerkgebouwen
  31. 31Samen hardop bidden en zingen
  32. 32Zingen is goed
  33. 33Bidden in de volkstaal
  34. 34Het Onze Vader
  35. 35Indeling
  36. 36‘Onze Vader’
  37. 37Wij zijn Gods kinderen
  38. 38Wij zijn samen leden van hetzelfde gezin
  39. 39Bidden voor specifieke personen
  40. 40‘In de hemel’
  41. 41De eerste bede
  42. 42De tweede bede
  43. 43De derde bede
  44. 44De vierde bede
  45. 45De vijfde bede
  46. 46De zesde bede
  47. 47Het slot
  48. 48We mogen niets anders bidden dan het Onze Vader
  49. 49We hoeven het Onze Vader niet letterlijk te volgen
  50. 50Bidden op vaste tijden
  51. 51Geduldig volhouden
  52. 52Verhoring

Al het goede krijgen we van God

Uit wat ik tot nutoebehandeld heb, blijkt ons duidelijk dat de mens alle goede dingen mist en leeg is. Alle hulpmiddelen om gered te worden ontbreken hem. Als hij hulp zoekt tegen zijn armoede, moet hij dus buiten zichzelf gaan en die hulp ergens anders proberen te krijgen.

Vervolgens is ons uitgelegd dat de Heer uit eigen beweging laat zien datHij vrijgevig is in Christus. In Hem biedt Hij voor onze ellende alle geluk en voor onze armoede rijkdom aan. In Hem opent Hij voor ons de hemelse schatkamers, zodat we in ons geloof alleen zijn geliefde Zoon zien, alleen Hem verwachten en alleen op Hem onze hoop vestigen en alleen in Hem rust vinden.Inderdaad is dit een geheime en verborgen filosofie. Je kuntdieniet ontdekken door logisch te redeneren. Je kunt die alleen leren kennen als God je ogen geopend heeft, zodat je in zijn licht het licht ziet.Psalm 36:10

Door geloof leren we dus dat alles wat we nodig hebben en wat we zelf niet hebben, in God te vinden is en in onze Heer Jezus Christus. De Vader heeft immers gewild dat zijn vrijgevigheid volledig in Christus zou wonen en dat wij uit Hem zouden putten als uit een bron die overloopt.Kolossenzen 1:19; Johannes 1:16Maar nadat we dat geleerd hebben, blijft nog over dat we in Hem zoeken en door te bidden van Hem vragen wat, zoals we geleerd hebben, in Hem te vinden is. We weten immers dat God de Heer en gever is van al het goede en dat Hij ons uitnodigt om Hem erom te vragen. Dus dan zouden we daar niets aan hebben als we ons niet tot Hem richten en er niet om vragen. Dan zou het net zijn alsof je een schat is aangewezen, maar je hem in de aarde begraven en verborgen laat liggen.

Daarom heeft de apostel Paulus, om te laten zien dat echt geloof niet anders kan dan God aanroepen, deze volgorde gegeven: geloof wordt geboren uit het evangelie en zomaaktgeloof ons hartgeschiktom Gods naam aan te roepen.Romeinen 10:14-17En dat is precies wat hij even daarvóór had gezegd: de Geest van de adoptiealskinderenbezegeltin ons hart het evangelie en richt onze geest op, zodatwe onzeverlangens aan God bekenddurvenmaken.Hijwekt onuitsprekelijke verzuchtingen op enweroepenvol vertrouwen: ‘Abba, Vader!’Romeinen 8:15-16; 8:26

Dit laatste heb ik tot nu toe slechts in het voorbijgaan gezegd en eigenlijk alleen maar even aangestipt. Daarom moet ik het nu uitgebreider behandelen.

Bidden is een gesprek tussen mensen en God

Door te bidden krijgen we dus toegang tot de rijkdommen die voor ons bij de hemelse Vader klaarliggen. Want gebed is een soort gesprek tussen mensen en God, waardoor ze het heiligdom van de hemel binnengaan en Hem persoonlijk aanspreken over zijn beloften. Daardoor ervaren ze dat ze niet tevergeefs geloofd hebben wat Hij hun alleen met woorden beloofde.

Daarom zien we dat ons niets wordt gepresenteerd om van de Heer te verwachten, zonder dat we ook bevel krijgen om er door gebed om te vragen. Zo waar is het dat we door te bidden de schatten uitgraven die ons door het evangelie van de Heer zijn aangewezen en die we door te geloven gezien hebben.

Verder schieten woorden tekort om uit te leggen hoe nodig de training vanhetbiddenis en op hoeveel manieren dat nuttig is. Het is bepaald niet zonder reden dat de hemelseVader verklaart dat in het aanroepen van zijn naam het enige middel ligt om gered te worden.Joël 2:32 (3:5); Handelingen 2:21Want door zijn naam aanteroepen, roepen wij zijn voorzienigheid, kracht en goedheid naar ons toe. Door de aanwezigheid van zijn voorzienigheid waaktHij over onze zaken om die te beschermen. Door de aanwezigheid van zijn kracht steuntHij ons in onze zwakheid,omdat we haast bezwijken. Door de aanwezigheid van zijn goedheid neemtHij ons aan, ook al zijn we ellendig omdat we met zonden beladen zijn. Kortom, door zijn naam aan te roepen, halen we Hem volledig naar ons toe,zodat Hijzijn aanwezigheid aan onslaatzien. Hierdoor wordt ons geweten buitengewoon rustig en kalm. Immers, als we de nood die ons beklemt aan de Heer verteld hebben, vinden we overvloedig rust in het besef dat geen van onze rampen voor Hem verborgenisen in de overtuiging dat Hij voor ons het beste wil en kan zorgen.

Bidden is niet overbodig

‘Maar,’ zal iemand zeggen, ‘God weet toch wel hoe we in het nauw zitten en wat we nodig hebben zonder dat we het Hem laten weten?’ Het kan dus overbodig lijken dat we Hem met onzegebeden opporren, alsof Hij ingedommeld is of slaapt totdat wij Hem met onze stemmen wekken.

Maar als je zo redeneert, zie je niet met welk doel de Heer de zijnen heeft leren bidden. Immers, Hij heeft dit niet in de eerste plaats bepaald omwille van zichzelf, maar juist omwille van ons. Weliswaar wil Hij dat de mensen Hemgeven waar Hij recht op heeft, want dat is zoals het hoort. Dus moeten ze Hembeschouwen als de gever van alles wat zeverlangenen waarvan ze vinden dat ze dat nodig hebben.En dat moeten zemet hun gebeden bewijzen. Maar zelfs dit offer waarmee we Hem dienen,levert ook onszelf voordeel op.

Daarom baden de heilige aartsvaders extra enthousiast naarmate ze tegenover zichzelf en anderen met meer vertrouwen roemden van Gods zegeningen. Alleen al aan het voorbeeld van Elia hebben we genoeg. Hij was zeker van Gods besluit en had koning Achab niet zomaar regen beloofd. Toch gaat hij angstvallig, geknield bidden en stuurt hij zevenmaal zijn knecht op onderzoek uit.1 Koningen 18:42-43Niet omdat hij geen geloof hecht aan Gods uitspraak, maar omdat hij weet dat het tot zijn plicht behoort om zijn wensen voor God neer te leggen, om te voorkomen dat zijn geloof indommelt of koud wordt.

Ook al waakt God over ons en beschermt Hij ons als wij in onze ellende verstard en afgestomptrakenen komt Hij ons soms te hulp zonder dat we erom vragen, toch is het voor ons van het grootste belang dat we Hem steeds weer aanroepen. Want dan ontbrandt ons hart in een serieus en vurig verlangen om Hem te zoeken, lief te hebben en te dienen. Dat komt doordat we ons eraan wennen in alle noodde toevlucht te nemen tot Hem, als tot een heilig anker.Bovendien voorkomen we zo dat er in ons hart begeerten of verlangens opkomen waar we ons voor zouden schamen om Hem er getuige van te laten zijn. Dat komt doordat we leren al onze wensen Hem onder ogen te brengen en zo ons hele hart voor Hem uit te storten. Ook leren we zo echt dankbaar te zijn en dankbaar de zegeningen aan te nemen die uit zijn hand naar ons toekomen.Daarherinnertons biddenonssteeds weer aan. Verder gaan we, als we gekregen hebben wat we vroegen en de zekerheid gekregen hebben dat Hij onze gebeden verhoort, nog enthousiaster nadenken over zijn welwillendheid. En tegelijk gaan we nog meer genieten van de dingen waarvan we weten dat we die dankzij onze gebeden gekregen hebben.Ten slottebevestigenjuist het gebruik en de ervaring zijn voorzienigheid in onze gedachten, in de mate waarin wij zwak zijn. Dat komt doordat we beseffen dat Hij niet alleen belooft dat Hij ons nooit in de steek zal laten en dat Hij uit eigen beweging in tijden van nood de toegang opent om Hem aan te roepen. Nee, Hij houdt ook altijd zijn hand uitgestrekt om de zijnen te helpen.

Hijsusthen niet met woorden, maar beschermt hendaadwerkelijk met zijn hulp.

Dit zijn de redenen waarom onze heel welwillende Vader toch vaak doet alsof Hij slaapt of ingedommeld is, ook al slaapt Hij nooit en dommelt Hij nooit in. Zo traint Hij ons erin omvan Hem te vragen, te bidden ente verlangen. Dat is goed voor ons, want anders zouden we traag en laks worden.

Het is dus dwaas dat sommigen het hart van de mensen van het bidden af willen trekken en daarom kletsen dat het vergeefse moeite is om Gods voorzienigheid te storen als Hij de wacht houdt om alle dingen te bewaken. Want de Heer zelf verklaart niet voor niets dat Hij dichtbijis bijallendie zijn naam oprecht aanroepen.Psalm 145:18

Niets beter is het dat anderen leuteren dathetoverbodig is om te vragen om dingen die de Heer uit eigen beweging al wil geven. Want Hij wil dat we erkennen dat wat uit zijn vrijwillige vrijgevigheid naar ons toestroomt, gegeven wordt omdat we erom bidden. Dat blijkt uit deze opmerkelijkeuitspraak in Psalm 34, waar vele andere uitspraken mee overeenkomen: ‘De ogen van de HEERrustenop de rechtvaardigen en zijn oren zijn gespitst op hun geroep.’Psalm 34:16; 1 Petrus 3:12Deze uitspraak prijst Gods voorzienigheid aan, die zich uit eigen beweging inzet om te zorgen voor het welzijn van de vromen. Maar dan zo dat niet voorbijgegaan wordt aan degeloofstraining, die het hart van de mensen reinigt van hun zorgeloosheid. Gods ogen waken dus om blinden te hulp te komen in hun nood. Maar Hij wil op zijn beurt wel onze verzuchtingen horen, zodat Hij zijn liefde voor ons nog beter kan bewijzen.

Het is dus allebei waar: de wachter van Israël slaapt niet en dommelt niet in.Psalm 121:4Toch blijft Hij passief, alsof Hij ons vergeten is, als Hij ziet dat wij lakszijnen zwijgen.

De eerste regel: al je aandacht richten op God

Welnu, om het bidden goed in te richten zoals het hoort, moet dit de eerste regel zijn: als je met God in gesprek gaat, mogen je gedachten en je hart er niet anders aan toe zijn dan daarbij gepast is.

Wat betreft onze gedachten kunnen we dat bereiken als we ze losmaken van vleselijke zorgen en gedachten die ons kunnen afleiden van het op de juiste, zuivere manier kijken naar God. We moeten ons volledig wijden aan het bidden en, voor zover dat mogelijk is, boven onszelf uitstijgen.

Maar ik vraag niet dat onze gedachten zo vrij zijn dat we door geen enkele zorg meer gekweld worden. Want het vuur van het bidden moet juist in ons ontstoken worden door grote benauwdheid.Dat zien we bij heilige dienaren van God. Zij getuigen van grote kwellingen en nog veel meer van zorgen als ze zeggen dat ze uit een diepe afgrond en midden uit de muil van de dood hun klachten laten horen aan de Heer.Psalm 130:1-2

Watik bedoel,isdat we alle vreemde zorgen moeten verjagen die van buiten komen en die onze gedachten, die van zichzelf al onrustig zijn, heen en weer slingeren, van de hemel aftrekken en op aarde neergedrukthouden.

Als ik zeg dat we in onze gedachten boven onszelf moeten uitstijgen, dan bedoel ik daarmee dat we God niets onder ogen mogen brengen van de dingen die ons blind en dwaas verstand altijd verzint. We mogen ons niet beperken tot de maat van onze eigen zinloosheid, maar moeten opstijgen tot de zuiverheid die past bij Gods waardigheid.

Geconcentreerd bidden en niet méér vragen dan God toestaat

De volgende twee dingen zijn de moeite waard om aandacht aan te schenken.

In de eerste plaats moet ieder die gaat bidden zijn zinnen en begeerten richten op dat bidden en zich niet, zoals zo vaak gebeurt, naar allerlei kanten laten afleiden door dwalende gedachten. Want niets is zo in strijd met eerbied voor God als lichtzinnigheid. Dat getuigt van een losbandigheid die veel te overmoedig is en geen vrees kent. En hoe moeilijker dit in onze ervaring is, hoe meer we ons best ervoor moeten doen. Want niemand is zo geconcentreerd aan het bidden dat hij niet merkt dat er allerlei gedachten binnensluipen die de loop van zijn gebed afbreken of belemmeren doordie te laten afbuigen ofer een draaiaan te geven.

Hier moeten we bedenken hoe ongepast het is als God ons een vertrouwelijk gesprek met Hem toestaatenwij zijn grote vriendelijkheid misbruiken door het heilige te vermengen met het onheilige. Dat doen we als onze gedachten niet door eerbied voor Hem in bedwang gehouden worden, maar Hem onder het bidden laten varen en allerlei kanten opschieten. We moeten dus beseffen dat je alleen goed gaat bidden zoals het hoort, als je onder de indruk bent van Gods majesteit,zodat je daar vrij van aardse zorgen en begeerten naartoe gaat.

Dat is de betekenis van het ritueel van handen opheffen: mensen bedenken dat ze ver van God verwijderd zijn als ze hun zinnen niet naar boven opheffen. Zo wordt het ook gezegd in Psalm 25: ‘Naar U heb ik mijn ziel opgeheven.’Psalm 25:1En meer dan eens gebruikt de Schrift deze manier van spreken: ‘Het gebed opheffen.’ Want als je graag wilt dat God naar je luistert, moet je niet in je droesem blijven steken.

Het moet dus hier op neerkomen: hoe milder God ons behandelt door ons vriendelijk uit te nodigen om ons in zijn schoot te ontlasten van onze zorgen, hoe minder wij te verontschuldigen zijn als zijn heerlijk en onvergetelijk geschenk voor ons niet zwaarder weegt dan alle andere dingen. Dat moet ons zo aantrekken dat onze begeerten en zinnen zich serieus richten op het gebed. En dat kan alleen als we ons in gedachten met kracht verzetten tegen alle belemmeringen en als we onze aandacht omhoog richten.

In de tweede plaatsmogen we volgens mij niet méér vragen dan God toestaat.Weliswaar beveelt Hij ons dat we ons hart uitstorten. Maar toch geeft Hij onze dwaze en slechte neigingen niet zonder onderscheid de vrije teugel. En als Hij belooft dat Hij zal doen wat de vromen willen, dan gaat zijn welwillendheid niet zover dat Hij zich onderwerpt aan hun oordeel.

Maar op beide punten wordt overal zwaar gezondigd. Immers, velen durven niet alleen zomaar, zonder schaamte en zonder eerbied, God aanspreken over hun dwaasheden en alles waar ze in hun fantasieën maar zin in hebben voor zijn rechterstoel brengen. Ze zijn ook bevangen door zo’n dwaasheid en domheid dat ze zelfs de smerigste begeerten aan God durven opdringen. Begeerten waar ze zich heel erg voor zouden schamen als ze die met mensen zouden delen. Weliswaar hebben sommige heidenen deze brutaliteit belachelijk gemaakt en hun afschuw erover uitgesproken. Maar toch heeft deze fout juist overal de boventoon gevoerd. En zodoende namen eerzuchtigen Jupiter aan als patroon, hebzuchtigen Mercurius, leergierigen Apollo en Minerva, oorlogzuchtigen Mars en wellustigen Venus. En hetzelfde gebeurt dus tegenwoordig, zoals ik net zei, als mensen hunverboden begeerten in hun gebeden meer de vrije teugel laten dan ze zouden doenalsze er in een gesprek met gelijken grappen over maken.

Maar God accepteert het niet als zijn vriendelijkheid zo bespot wordt. Hij staat op zijn recht. Daarom onderwerpt Hij onze wensen aan zijn regering en houdt Hij ze met een teugel in bedwang. Daarom moeten we denken aande uitspraakvan Johannes: ‘Onze vrijmoedigheid is dit: als we iets bidden in overeenstemming met zijn wil, dan verhoort Hij ons.’1

Johannes 5:14

Maar wij zijn absoluut niet in staat tot zo’n grote volmaaktheid! Daarom moeten we een middel zoeken dat ons te hulp kan komen.Wemoeten de intelligentie van onze geest op God richten. En de verlangens van ons hart moet daar achteraan gaan. Maar beiden blijven stilstaan, lang voordat ze zover zijn. Of betergezegd:ze verslappen en bezwijken, of ze slaan de tegengestelde richting in. Daarom geeft God ons in onze gebeden zijn Geest als leermeester, om ons in deze zwakheid te hulp te komen. Zijn Geest zegt ons voor wat goed is en leidt onze verlangens. Wij weten niet wat we bidden moeten zoals het hoort. Daarom komt de Geest ons te hulp en bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.Romeinen 8:26Niet dat Hij daadwerkelijk zelf bidt of zucht. Nee, Hij wekt in ons het vertrouwen, het verlangen en de verzuchtingen. De vermogens van onze natuur zouden nooit voldoende zijn om die op te wekken.

En Paulus noemt de verzuchtingen die de gelovigen onder leiding van de Geest opzenden niet voor niets ‘onuitsprekelijk’. Want als je echt getraind bent in het bidden, weet je wel dat je door verborgen benauwdheden zo verward en belemmerd wordt dat je nauwelijks weet wat je moet zeggen. Ja, als je probeert te stamelen, blijf je in verwarring steken. Dat betekent dus dat het een bijzonderegave is om goed te bidden.

En dit wordt niet gezegd omtoe te geven aanonze eigen laksheid. We mogen de taak van het bidden niet overdragen aan Gods Geest en zelf in zorgeloosheid verslappen. Daar zijn we al te veel toe geneigd. Zo hoor je sommigen bijvoorbeeld zeggen dat we, als ons hart met iets anders bezig is, passief moeten afwachten tot God eerst ingrijpt. Maar nee, we moeten juist een afkeer hebben van onze laksheid en zorgeloosheid en de hulp van de Geest gaan zoeken. En daarom houdt Paulus, als hij ons beveelt om te bidden in de Geest, niet op ons aan te sporen tot waakzaamheid.1 Korinthiërs 14:15Daarmee geeft hij aan dat een ingeving van de Geest zo goed in staat is om onze gebeden te vormen dat onzeeigen inspanningendaarmeetotaalniet gehinderd of vertraagd worden. Want God wilin dit opzicht testen hoe sterk ons hart wordt aangedreven door geloof.

De tweede regel: alleen vragen wat je ook echt graag van God wilt krijgen

Dit moet de tweede regel zijn: als we bidden, moeten we altijd oprecht onze gebrekkigheid voelen. En in het besef dat we alles wat we vragen echt nodig hebben, moeten we ons gebed gepaard laten gaan met een brandende begeerte om het ook echt te krijgen.

Immers, velen zeggen gebeden op volgens een formule.Het is netalsofzezich erzovanaf te maken, alsof ze een bepaalde verplichting nakomen voor God. Ze erkennen wel dat het een onmisbaar hulpmiddel is tegen hun rampen.Wantals ze de hulp van God, die ze inroepen, zouden missen,zou dat de ondergang brengen. Maar toch blijkt dat ze deze taak verrichten uit gewoonte.Want ondertussenblijfthun hart koud enzedenkener niet over nawat ze vragen. Ze worden er wel toe gebracht door een algemeen en verward besef van hun nood. Maar het zet hen er niet toe aan om verlichting te zoeken voor hun ellende alsof datiets dringendsis.

Bovendien, watis voor God erger of afschuwelijker dan huichelarij? Dat iemand vergeving vraagt voor zijn zonden, terwijl hij ondertussen denkt dat hij geen zondaar is, of in elk gevalernietaandenkt dat hij een zondaar is? Het staat toch buiten kijf dat dat een bespotting is van God zelf? Toch zit het menselijk geslacht, zoals ik zo pas zei, zo vol slechtheid dat ze, alleen om deze verplichting na te komen, vaak heel veel van God vragen dat ze volgens hun overtuiging buiten zijn vrijgevigheid om ergens anders vandaan krijgen of al in hun bezit hebben. Anderen bedrijven een zonde die minder erg lijkt, maar toch even onacceptabel is: ze mompelen gebeden zonder erbij na te denken.Wantzezijnalleen doordrongen van dit principe: je moet God gunstig stemmen door te bidden.

Maar de vromen moeten vooral oppassen datze Godnietonder ogen komen om iets anders te vragen dan wat ze echt heel graag willen hebbenenwat ze tegelijk ook graag van Hém willen krijgen. Dat geldt zelfs voor dingen die we alleen vragen om God te eren en die op het eerste gezicht niets bijdragen voor wat wij nodig hebben. Ook om zulke dingen moeten we niet vragen met minder brandend en hevig verlangen. Bijvoorbeeld als we bidden of Gods naam geheiligd mag worden.Mattheüs 6:9; Lucas 11:2Dan moeten we als het ware honger en dorst hebben naar die heiliging.

Altijd blijven bidden, maar zonder te huichelen

Misschien werpt nu iemand tegen dat we er niet altijd evenveel behoefte aan hebben om te bidden. Ik erken dat. Jacobus leert ons een nuttig onderscheid: ‘Is er onder jullie iemand die lijdt? Laat hij bidden. Laat wie opgewekt is, zingen.’Jacobus 5:13 Gezond verstand leert ons dusdatwe, gezien onzelaksheid, sterker door God geprikkeld worden om flink te bidden naarmate het harder nodig is. David noemt dit de geschikte tijd. Want zoals hij ook in andere passages leert, hoe zwaarder we gebukt gaan onder moeiten, ongemakken, angsten en andere soorten beproevingen, hoe vrijer de toegang voor ons open staat. Het is zelfs alsof God ons dan bij zich nodigt!Psalm 32:6

Ondertussen isniet minder waar wat Paulus zegt: je moet altijd bidden,Efeziërs 6:18; 1 Thessalonicenzen 5:17ook als de dingen voorspoedig en naar wens gaan. Zelfs alwordenwe van alle kanten omringt door redenen tot blijdschap, toch is er nooit een moment waarop onze armoede ons niet aanspoort om te bidden.Misschien heeft iemand een overvloed aan wijn en tarwe. Maar hij kan geen hap brood genieten zonder Gods continue genade. Daarom zullen zijn volle kelders en schuren hem niet verhinderen om te bidden voor zijn dagelijks brood. En als we verder bedenken hoeveel gevaren ons elk ogenblik bedreigen, leert de angst zelf ons dat we nooit een moment mogen nalaten om te bidden.

In geestelijke dingen kunnen we dit echter gemakkelijker begrijpen. Wantwe zijn ons bewust van vele zonden. Wanneer latendieons zonder zorgen, zodat we niet nederig zouden bidden om kwijtschelding van schuld en straf? Wanneer staan de verleidingen ons een wapenstilstand toe, zodat we niet haastig hulp hoeven te zoeken? Bovendien moet het verlangen naar Gods koninkrijk en zijnglorieons niet zo nu en dan, maar continu zosterkaantrekken dat we ook daarom altijd reden hebben om te bidden.

Het is dus niet voor niets dat ons zo vaak opgedragen wordt om continu te bidden. Ik heb het nu nog niet overhetvolhoudendatlater aan de orde komt. Maar als de Schrift ons aanspoort om continu te bidden, beschuldigt ze ons van zorgeloosheid. Want we beseffen niet hoe nodig het voor ons is dat we daar ijverig ons best voor doen.

Deze regel maakt radicaal een eind aan huichelarij en slinks God voorliegen. God belooft dat Hij dichtbij is bij allen die Hem oprecht aanroepenPsalm 145:18en dat wie Hem met heel hun hart zoeken, Hem zullen vinden.Jeremia 29:13Daar benje zeker nietop uitals je geniet van je onreinheid. Juist bidden vraagt daarom om berouw.

Vandaar dat er in de Schrift zo vaak gezegd wordt dat God niet luistert naar misdadige mensenJohannes 9:31en dat hun gebeden, net als hun offers, weerzinwekkend zijn.Spreuken 28:9; 15:8; 21:27Want het is wel zo eerlijk dat wie hun hart sluiten, Gods oren gesloten vinden en dat wie met hun koppigheid Gods strengheid uitdagen, merken dat God onverzettelijk is. Bij Jesaja dreigt God: ‘Als jullie nog meer gaan bidden, zal ik niet luisteren. Want jullie handenzitten onder het bloed.’Jesaja 1:15En bij Jeremia: ‘Ik heb geroepen, maar zij hebben niet willen luisteren. Zij zullen van hun kant roepen, maar ik zal niet naar hen luisteren.’Jeremia 11:7-11WantGodbeschouwt het als een enorme beledigingalsgoddelozen hun mond vol hebben van zijn verbond, terwijl ze met heel hun leven zijn heilige naam besmeuren.

Daarom klaagt Hij bij Jesaja dat de Joden wel met hun lippen naar Hem toekomen, maar dat ze hun hart ver bij Hem vandaan houden.Jesaja 29:13Dat beperkt Hij niet alleen tot het bidden.

Nee, Hij verzekert dat Hij in het dienen van Hem huichelarij in elk opzicht heel erg vindt. Daarop slaat deze uitspraak van Jacobus: ‘Jullie bidden wel, maar jullie krijgen niet. Want jullie bidden verkeerd,om wat jullie krijgen te besteden aan jullie genot.’Jacobus 4:3

Het is wel waar dat de gebeden die de vromen uitstorten niet gebaseerd zijn op wat ze waard zijn. Dat zullen we straks opnieuw zien. Toch is de volgende waarschuwing van Johannes niet overbodig: ‘Als we iets bidden, zullen we het van Hem krijgen, omdat we ons aan zijn geboden houden.’1 Johannes 3:22Immers, een kwaad geweten doet de deur voor ons dicht. En dat betekent dus dat alleen de meest oprechte dienaren van God bidden zoals het hoort en verhoord worden. Dus ieder die gaat bidden, moet een hekel hebben aan zijn zonden en de rol en houding van een bedelaar aannemen. En dat is iets dat niet kan zonder berouw.

De derde regel: nederigheid

Hier moet dit als derde regel bijkomen: ieder die God onder ogen komt om te bidden moet afstand doen van elke gedachte aan eigen roem. Hij moet elk waanidee van eigen waardigheid loslaten. Kortom, hij moet elk vertrouwen op zichzelf wegdoen door zichzelf weg te gooien en God alle eer te geven. Dan voorkomen we datwemet onzeloze verwaandheid van voor Godsogennaar beneden storten omdat we ons ook maar iets, hoe klein ook, aanmatigen.

Van deze nederigheid die elke hoogmoed omver haalt, zien we talrijke voorbeelden in Gods dienaren. Hoe heiliger ze zijn, hoe dieper ze zich neerwerpen als ze God onder ogen komen.

Daniël werd door God zelf enorm geprezen. Deze Daniël zei: ‘Niet op basis van onze rechtvaardige daden werpen wij onze smekingen voor uw ogen neer. Luister naar ons Heer! Heer, wees ons genadig, luister naar ons en doe wat wij U bidden omwille van uw eigen naam. Want er wordt een beroep gedaan op uw naam voor uw volk en voor uw heilige plaats.’Daniël 9:18-19Sommigen mengen zich slinks onder het volk, alsof ze gewoon een van de grote massa zijn. Maar Daniël doet dat niet. Hij belijdt juist zijn eigen individuele schuld en zoekt smekend zijn toevlucht in de vrijplaats van de vergeving. Dat spreekt hij duidelijk uit: ‘Toen ik mijn zonden en de zonden van mijn volk beleden had …’Daniël 9:20

Deze nederigheid leert ook David met zijn voorbeeld: ‘Ga geen rechtszaak aan met uw knecht. Want niemand die leeft, zalin uw ogengerechtvaardigd worden.’Psalm 143:2

Zo bidt Jesaja: ‘Kijk,U bent kwaad omdat wij gezondigd hebben. Op uw wegen is de wereld gefundeerd, daarom zullen we behouden worden. We zijn allemaal vol onreinheid en al onze rechtvaardige daden zijn net een besmeurd kleed. We vallen af als blad en onze misdaden verstrooien ons als de wind. Er is niemand die uw naam aanroept, die zich in beweging zet om U vast te grijpen. Want U verbergt uwgelaatvoor ons en doet ons smelten in de hand van onze onrechtvaardigheid. Maar nu, HEER, U bent onze Vader, wij zijn leem. U bent onze pottenbakker en wij zijn het werk van uw handen. Wees niet kwaad, HEER, en denk niet voor eeuwig aan onze onrechtvaardigheid. Kijk, zie toch, we zijn allemaal uw volk!’Jesaja 64:5-9Zie je dat ze nergens anders op vertrouwen dan alleen hierop: ze bedenken dat ze van God zijn. Daarom wanhopen ze er niet aan dat Hij voor hen zal zorgen.

En Jeremia zegt: ‘Ook al getuigen onze onrechtvaardige daden tegen ons, doe het omwille van uw naam!’Jeremia 14:7

Want een onbekende schrijver, wie het ook geweest mag zijn – het wordt aan de profeet Baruch toegeschreven – heeft heel waar en heilig geschreven: ‘Wie zich bedroefd en verlaten voelt omdat zijn zonden zo groot zijn en wie gebogen en zwak is, wie honger heeft en hij wiens ogen bezwijken – die geven U eer, Heer! Niet omwille van de rechtvaardige daden van onze voorvaders storten wij onze gebeden voor U uit en bidden wij voor uwogenom barmhartigheid, Heer, onze God.Baruch 2:18-19Maar omdat U barmhartig bent, ontferm U over ons, want wij hebben tegen U gezondigd.’Baruch 3:2

Bidden begint met vragen om vergeving

Kortom, de juiste manier om met bidden te beginnen en ook om je erop voor te bereiden, bestaat uit het bidden om vergeving met een nederige en oprechte schuldbelijdenis. Want je hoeft er niet op te hopen dat je iets van God gedaan krijgt vóór je uit genade met Hem verzoend bent. Dat geldt zelfs voor de meest heilige. En God kan niemand anders genadig zijn dan degenen aan wie Hij vergeving schenkt. Het is dus logisch dat de gelovigen met deze sleutel de deur voor zich openen om te bidden.

Dat leren we uit allerlei passages uit de Psalmen.David vraagt iets anders, maar toch zegt hij: ‘Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd of aan mijn overtredingen. Denk aan mij volgens uw welwillendheid, omwille van uw goedheid, HEER.’Psalm 25:7En: ‘Kijk naar mijn ellende en mijn moeite en vergeef al mijn zonden.’Psalm 25:18 Daaraan zien we ook dat het niet genoeg is als we elke dag verantwoording afleggen van onze nieuwe zonden. We moeten ook opnieuw de zonden in herinneringbrengendie we allang vergeten lijken te zijn. Wantergens andersbelijdt dezelfde profeetéén zware zonde.En dankomt hij bij die gelegenheid terug op zijn zonden van de moederschoot af.Psalm 51:7Dat hij toen al met zonden besmet was, noemt hij niet om zijn schuld te bagatelliseren met een beroep op zijn bedorven aard. Nee,hijveroordeelt zichzelf extra streng in de hoop dat hij God sneller kan overhalen hem te vergeven.

Nu vragen de heiligen niet altijd expliciet vergeving voor hun zonden. Maar als we de gebeden die de Schrift van hen weergeeft, nauwkeurig langsgaan, kunnen we gemakkelijk opmerken wat ik zeg: de moed om te bidden ontleenden ze alleen aan Gods barmhartigheid. Daarom gingen ze altijd uit van hun verzoening met Hem.Want als ze hun eigen geweten ondervragen, durft geen van hen zijn zorgen in een intiem gesprek bij God neerleggen. Dan schrikken ze er juist voor terug om naar Hem toe te gaan. Ze durvendat alleen doen als ze vertrouwen op zijn barmhartigheid en vergeving.

Er is ook nog een andere speciale vorm vanschuldbelijdenis. Daarbij vragen ze om verlichting van de straffen terwijl ze tegelijkerkennen dat ze straf verdiend hebben enbidden of hun zonden vergevenmogenworden. Want het zou absurd zijn als je wel wilt dat er een eind komt aan de gevolgen, maar niet aan de oorzaak. Want we moeten oppassen dat we niet net zo doen als dwaze zieken die zich wel druk maken over de behandeling van de symptomen van hun ziekte, maar de wortel van hun ziekte negeren.Ze willen wel graag verlost worden vandepijn in hoofd of ingewanden, maar nemen er genoegen mee dat de koorts onaangetast blijft.Onze eerste zorg moet zijn dat God ons genadig is. Pas daarna kunnen we vragen of Hij zijn gunst wil tonen in zichtbare tekenen. Want ook God zelf wil deze volgorde aanhouden. En we zouden er weinig aan hebben om te ervaren dat Hij ons goed doet, alswe inons geweten niet voeldendat Hij met ons verzoend is, zodat Hij een en al lieflijkheid voor ons is.

Hier worden we ook toe aangespoord door een antwoord van Christus. Want toen Hij besloten had de verlamde man te genezen, zei Hij: ‘Je zonden zijn je vergeven.’Mattheüs 9:2Daarmee richtte Hij het hart omhoog, op wat we vooral moeten wensen: dat God ons in genade aanneemt. Pas daarna schenkt Hij ons de vrucht van de verzoening door ons hulp te bieden.

Verder mag naast deze speciale belijdenis van tegenwoordige schuld, waarmee de gelovigen smeken om vergeving voor elke schuld en kwijtschelding van de straf, ook nooit de algemene inleiding weggelaten worden, waarmee we God gunstig stemmen voor onze gebeden. Want onze gebeden zullen God nooit bereiken als ze niet gebaseerd zijn op gratis barmhartigheid. Daarop kunnen we deze woorden van Johannes laten slaan: ‘Als we onze zonden belijden, is Hij trouw en rechtvaardig om onze zonden te vergeven en om ons te reinigen van alle onrechtvaardigheid.’1 Johannes 1:9Daarom moesten de gebeden onder de wet geheiligd worden door een zuivering met bloed. Pas dan zouden ze aanvaardbaar zijn. En zo moest het volk eraan herinnerd worden dat ze zo’n eervol voorrecht pas waard waren als ze gezuiverd waren van alle onreinheid en dat het vertrouwen om de bidden alleen gebaseerd was op Gods barmhartigheid.

Als gelovigen zich beroepen op hun rechtvaardigheid

Soms lijkthet alsof heiligen bewijs aanvoeren voor hun eigen rechtvaardigheid omGod te vermurwen. Bijvoorbeeld als David zegt: ‘Bewaar mijn ziel, want ik ben goed.’Psalm 86:2Of Hizkia: ‘Ach HEER, bedenk toch dat ik voor uwogenoprecht geleefd heb en gedaan heb wat goed is in uw ogen.’2 Koningen 20:3 Maar met zulke uitdrukkingen bedoelen ze niets anders dan te getuigen dat ze opnieuw geboren zijn en dat ze Gods dienaren en kinderen zijn. En Hij heeft zelf beloofd dat Hij die genadig zal zijn.

Via de profeet David leert God, zoals we al gezien hebben, dat zijn ogen rusten op de rechtvaardigen en zijn oren gespitst zijn op hun gebeden.Psalm 34:16-17En via de apostel Johannes leert Hij dat we alles zullen krijgen waar we om bidden, als we ons aan zijn geboden houden.1 Johannes 3:22 In die uitspraken bepaalt God geen prijs voor onze gebeden aan de hand van wat we met onze daden verdienen. Nee, zo wil Hij het vertrouwen versterken van degenen die zich heel goed bewust zijn van hun ongehuichelde oprechtheid en onschuld. En alle gelovigen horen zich daar bewust van te zijn.

Immers,de blindedie weer kon zien, zegt dat God niet luistert naar zondaren.Johannes 9:31Dat komt uit Gods eigen waarheid. Tenminste, als we het woord ‘zondaren’ opvatten zoals de Schrift het meestal gebruikt: het zijn degenen die niet naar rechtvaardigheid verlangen, maar volledig in hun zonden slapen en berusten. Want niemand komt er in zijn hart toe om God oprecht aan te roepen als hij niet tegelijk zijn best doet om vroom te zijn. Met zulke beloften corresponderen dus degetuigenissenvan heiligen, waarin ze hun zuiverheid of onschuld noemen.Zo willen ze het gevoel krijgen dat God hun geeft wat ieder die Hem dient, mag verwachten.

Bovendien merk je dat ze deze manier van bidden vooral gebruiken als ze zich voor de Heer vergelijken met de vijanden die hen onrechtvaardig behandelen en waarvan ze graag door God bevrijd willen worden.En het is niet vreemd als ze in vergelijking met die vijanden hun eigen rechtvaardigheid en ondubbelhartigheid uitspreken, om de Heer eerder over te halen hen te hulp te komen omdat hun zaak eerlijk is.

Als je een vroom hart hebt, mag je genieten van het besef dat je voor de Heer zuiver bent. Zo mag je je vertrouwen versterken in de beloften waarmee de Heer zijn trouwe dienaren troost en steunt. Ik wil je dat dus niet ontnemen. Ik wil alleen dat we ons vertrouwen op verhoring alleen baseren op Gods welwillendheid. Elk idee van eigen verdiensten moeten we loslaten.

De vierde regel: vast vertrouwen dat God naar ons luistert

De vierde regel ten slotte is dit: ook al zijn we zo verslagen en bedwongen door echte nederigheid, toch moeten we bezield worden door een vastehoop op verhoring van onze gebeden.

Dat lijkt weliswaar tegenstrijdig, als je het besef van Gods rechtvaardige wraak verbindt met een vast vertrouwen dat Hij zijn gunst aan ons zal tonen. Maar toch passen die twee heel goed bij elkaar. Want als je neergedrukt wordt door je eigen zonden, word je alleen door Gods goedheid weer opgericht. Immers, ik heb eerder geleerd dat berouw en geloof bondgenoten zijn die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Van die twee maakt de een ons bang, maar maakt de ander ons blij. En zo moeten ze ook in onze gebeden bij elkaar komen.

Ditsamengaan geeft David met enkele woorden weer. Hij zegt: ‘Dankzij de grote omvang van uw welwillendheid zal ik uw huis binnengaan. Met vrees zal ik mij buigen in de tempel van uw heiligheid.’Psalm 5:8 Geloof laat hij vallen onder Gods goedheid. Toch sluit hij daarmee vrees niet uit. Wantnietalleen Gods majesteit dwingt ons tot eerbied.Ook onze eigen onwaardigheid laat ons alle trots en zorgeloosheid vergeten, zodat we blijven vrezen.

Maar met vertrouwen bedoel ik ook geen vertrouwen dat het hart bevrijdt van elk gevoel van angst en het streelt met een zoete en volmaakte rust. Zo heerlijk rusten kun je alleen als alles naar wens gaat, geen enkele zorg je beroert, geen enkel verlangen je kwelt en geen enkele vrees je verontrust. Maar heiligen worden het best geprikkeld om God aan te roepen als nood hen aangrijpt, alsgrote onrust hen kwelt en ze haast bezwijken in zichzelf, totdathungeloofhunop het juiste moment te hulp komt.Want in het midden van zulke benauwdheden straalt Gods goedheid hun tegemoet. Weliswaar zuchten ze onder de zwaarste rampenvan het hedenen ook worden ze gekweld door angst voor nog grotere rampenvoor de toekomst. Maar toch vertrouwen ze op Gods goedheid. Dat verlicht en verzacht de moeilijkheden van het lijden. Want ze hopen op uitkomst en verlossing.

Het gebed van een vrome moet dus opkomen uit beide emoties. Het moet beide bevatten en voor ogen stellen. Hij zucht om de tegenwoordige rampen en is bang voor nieuwe angsten. Maar toch vlucht hij naar God. Hij twijfelt er absoluut niet aan dat God bereid is hem de helpende hand toe te steken. Want het irriteert God enorm als we Hem om een zegen vragen terwijl we niet verwachten dat we die ook krijgen.

Daarompast niets beter bij de aard vangebedendan dat deze regel wordt voorgeschreven en vastgesteld: ze mogen niet zomaar tevoorschijn komen, maar moeten het geloof als gids volgen. Naar dituitgangspuntroept Christus ons allemaal met deze uitspraak: ‘Ik zeg jullie, geloof dat je alles waar in je in gebed om vraagt, zult krijgen.Dan zal het jullie gebeuren.’Marcus 11:24 Ook ergens anders bevestigt Hij dat: ‘Alles waarjullie in het gebed gelovigomvragen …’Mattheüs 21:22

Dat klopt ook met wat Jacobus zegt: ‘Als iemand wijsheid tekort komt,dan moet hij dat vragen van Hem die aan ieder mild geeft, zonder verwijt. Maar hij moet het vragen in geloof, zonder te twijfelen.’ Hij stelt daar geloof tegenover twijfel. Zo geeft hij heel goed weer wat de kracht van geloof is. Bovendien moeten we ook letten op wat hij eraan toevoegt: wie God aarzelend en twijfelend aanroepen, zonder zeker te weten of hun gebeden wel verhoord worden, bereiken niets met hun bidden. Zulke mensen vergelijkt hij dan ook met golven van de zee die door de wind opgejaagd en neergeworpen worden.Jacobus 1:5-7Daarom noemt hij ergens anderseen gelovig gebed een legitiem gebed.Jacobus 5:15

Verder, als God zo vaak verzekert dat Hij ieder geeft in overeenstemming met zijn geloof, maakt Hij duidelijk dat we zonder geloof niets kunnen krijgen. Kortom, alles wat we als antwoord op ons bidden krijgen, krijgen we door geloof. Dat wordt bedoeld met deze bekende uitspraak van Paulus, waar domme mensen te weinig op letten: ‘Hoe kunnen zij dan Hem aanroepen in wie ze niet geloofd hebben? En wie kan geloven als hij niet gehoord heeft?Geloof komt dus voort uit horen en horen uit Gods Woord.’Romeinen 10:14-17Hij leidt het begin van het bidden stap voor stap af uit geloof. Hij stelt openlijk dat je God alleen oprecht kunt aanroepen als je door de prediking van het evangelie zijn welwillendheid en vriendelijkheid hebt leren kennen en als die vertrouwelijk aan je geopenbaard zijn.

Zonder zekerheid geen vrijmoedigheid

Mijn tegenstanders denken er helemaal niet over na hoe onmisbaar dat is. Daarom denken zij dat ik iets heel absurds zeg als ik de gelovigen beveel om in vast vertrouwen vast te stellen dat God hun genadig en welwillend gezind is. Maar toch, als ze enige ervaring hadden met echt bidden, zouden ze vast wel begrijpen dat je God niet kunt aanroepen zonderzekerbesef van zijn welwillendheid. Niemand kan goed doorzien waar geloof toe in staat is, als hij dat niet zelf in zijn hart ervaart. Dus wat schiet je er dan mee op om met zulke mensen in discussie te gaan? Ze laten openlijk blijken dat ze nooit meer gehad hebben dan een loze inbeelding! Hoe sterk en hoe onmisbaar die zekerheid is waar ik om vraag, leer je namelijk het best uit het bidden zelf. En als je dat niet ziet, verraad je dat je een heel erg afgestompt geweten hebt. Dit soort blinden moetenwehun gang dus maar laten gaan. Wij moeten stevig vasthouden aan de woorden van Paulus dat God alleen aangeroepen kan worden door degenen die zijn barmhartigheid uit het evangelie hebben leren kennen en er vast van overtuigd zijn dat die voor hen klaarligt.

Want wat is dit nu voor gebed? ‘O Heer, ik twijfel er aan of U wel naar mij wilt luisteren. Maar omdat ik zo in het nauw zit, vlucht ik toch naar U. Mocht ik het waard zijn, helpt U mij dan!’ De heiligen van wie je de gebeden in de Schrift kunt lezen, bidden zo niet!En de Heilige Geest leert ons via de apostel niet om zo te bidden. Hij beveelt onsdat we vol vertrouwen naar de hemelse troon moeten gaan om genade te krijgen.Hebreeën 4:16En ergens anders leert Hij dat we door geloof in Christus vrijmoedigen vol vertrouwen toegang hebben.Efeziërs 3:12

In zijn woord beveelt de Heer ons dus – en alle heiligen leren ons dat met hun voorbeeld: als we met vrucht willen bidden, moeten we met beide handen vasthouden aan de zekerheid dat we krijgen waar we om bidden.Want een gebed is pas acceptabel voor God als het, zeg maar, geboren wordt uit een gelovige vrijpostigheid en wordt gefundeerd op een onbeschroomde zekerheid van hoop. God had ermee tevreden kunnen zijn om alleen geloof te noemen. Maar Hij heeft niet alleen het vertrouwen daaraan toegevoegd, maar het ook voorzien van vrijheid en moed. Dat onderscheidtons van ongelovigen. Zij bidden wel samen met ons tot God, maar zij doen dat op goed geluk.

Daarombidt heel de kerk in Psalm 33: ‘Laat uw barmhartigheid over ons komen, zoals we op U gehoopt hebben.’Psalm 33:22 Ergens anders stelt de profeet dezelfde voorwaarde: ‘Op de dag dat ik roep, weet ik dat God met mij is.’Psalm 56:10En: ‘’s Morgens stel ik me voor U op en houd wacht.’Psalm 5:4 Uit deze woorden kunnen we immers concluderen dat we onze gebeden tevergeefs de lucht in gooien als ze niet gepaard gaan met een hoop waarmee we, als uit een wachttoren, rustig naar Hem uitkijken. Dat klopt met de volgorde van Paulus’ vermaning. Hij wekt de gelovigen op om altijd te blijven waken en aanhoudend te bidden in de Geest. Maar voordat hij dat doet, raadt hij eerst aan het schild van het geloof, de helm van de redding en het zwaard van de Geest – Gods Woord – aan te nemen.Efeziërs 6:16-18

Verdermoeten de lezers zich hier opnieuw in herinnering brengen wat ik eerder gezegd heb: het doet het geloof absoluut niet tekort als het verbonden wordt met het erkennen van onze ellende, armoede en onreinheid.Gelovigen voelen weliswaar dat ze gebukt gaan onder de zware last van hun zonden of zich daar zorgen om maken. Ze merken dat ze niet alleen alles missen waarmee ze bij God in de gunst zouden kunnen komen, maar ook met vele schulden beladen zijn. Terecht wordt God daardoor angstwekkend voor hen. Tochkomen ze Hem steeds weer onder ogen. Want dit besef maakt hen niet zo bang dat ze niet meer naar Hem toegaan. Er is immers geen enkele andere manier om toegang tot Hem te krijgen.

Want het gebed is niet ingesteld met de bedoeling dat we ons arrogant voor God zouden verheffen of meer waarde zouden hechten aan iets van onszelf.Nee, de bedoeling is dat we onze schuld belijden en bij Hem huilen over onze ellende, zoals kinderen in vertrouwen uithuilen bij hun ouders. Deonmetelijkemassa van onze zonden moet juist vol sporen en prikkels zijn die ons ertoe aanzetten om te bidden.Zo leert de profeet ons ook met zijn voorbeeld: ‘Genees mij, want ik heb tegen U gezondigd.’Psalm 41:5Ik geef toe dat die prikkels dodelijke steken zouden zijn als God ons niet te hulp kwam. Maar in zijn weergaloze toegeeflijkheid heeft de zeer goede Vader er een uitstekend geneesmiddel aan toegevoegd. Daarmee kalmeert Hij alle onrust, verzacht Hij de zorgen, wist Hij de angst uit en lokt Hij ons vriendelijk naar zich toe. Kortom, alle stenen – om niet te zeggen:obstakels– neemt

Hij weg en Hij baant voor ons een effen pad.

Een gebod en een belofte

Omte beginnen verklaart God ons juist door het gebod om te bidden schuldig aan goddeloze koppigheid als we daar niet aan gehoorzamen. Dit bevel kon niet directer gegeven worden dan zoals we het lezen in Psalm 50: ‘Roep Mij aan op de dag dat je in het nauw zit.’Psalm 50:15Maar er is geen vrome plicht die in de Schrift vaker aanbevolen wordt. Er is dus geen reden waarom ik hier meer tijd aan zou besteden. ‘Bid,’ zegt deleermeester, ‘dan zullen jullie krijgen. Klop, dan zal er voor jullie opengedaan worden.’Mattheüs 7:7

Trouwens, hier wordt aan het gebod ook een belofte toegevoegd. Dat is nodig. Want ook al erkent iedereen dat we dat gebod moeten gehoorzamen, toch zouden de meesten bij God vandaan vluchten als Hij hen roept, als Hij niet beloofde dat ze Hem kunnen overhalen en dat Hij hun tegemoet zal komen.

Er is ons dus een gebod en een belofte gegeven. Daarom staat niet alleen vast dat ieder diezich in allerlei bochten wringtommaarniet rechtstreeks naar God te gaan, koppig en ongehoorzaam is.Daardoorwordt ookhun ongeloof bewezen. Want ze vertrouwen niet op de beloften.

En hier moeten we extra goed op letten omdat huichelaars onder het mom van nederigheid en bescheidenheid niet alleen Gods gebod trots negeren, maar bovendien geen geloof hechten aan zijn vriendelijke uitnodiging. Sterker nog, ze beroven Hem van het belangrijkste onderdeel van hoe Hij gediend moet worden. Immers, Godwijstde offersaf, waarin in die tijd heel zijn heiligheid leek te liggen, en verklaart vervolgens dat dit het belangrijkste is en voor Hem het kostbaarste boven alles: dat we Hem aanroepen op de dag dat we in noodverkeren.Psalm 50:7-15

Dus als Hij eist waar Hij recht op heeft en ons bezielt om Hem graag te gehoorzamen, kunnen we onze aarzelingen nooit zo inkleden dat die ons zouden kunnen verontschuldigen. Zo veel uitspraken als er in de Schrift voorkomen die ons bevelen om God aan te roepen, zo veel banieren worden er dus voor onze ogen geplant om in ons vertrouwen op te wekken.

Het zou brutaal zijn om als een indringer God onder ogen te komen als Hij ons niet eerst zelf geroepen had. Daarom opentHij zelf voor ons de weg met zijn Woord: ‘Ik zal tegen hen zeggen:

“Jullie zijn mijn volk.” Zij zullen tegen Mij zeggen: “U bent onze God.”’Zacharia 13:9 We zien hoe Hij tegenover degenen die Hem dienen de eerste stap zet en wil dat zij volgen. We hoeven daarom niet bang te zijn dat deze melodie niet lieflijk genoeg is. Hij schrijft die zelf voor.

Vooral moet ons deze heerlijke lofrede op God in gedachten komen, waarmee we gemakkelijk alle bezwaren kunnen overwinnen als we daarop steunen: ‘U bent een God die het gebed verhoort. Al het vlees gaat naar U toe.’Psalm 65:3 Want wat is lieflijker of vriendelijker dan dat God een naam krijgt die ons ervan verzekert dat niets beter bij zijnaardpast dan dat Hij de wensen vervult van degenen die Hem daarom smeken?

De profeet concludeert hieruit dat de deur niet slechts voor een enkeling open staat, maar voor alle mensen. Want hij spreekt ook iedereen toe met deze woorden: ‘Roep mij aan op de dag dat je in het nauw zit. Ik zal je eruit helpen en dan zul je Mij eren.’Psalm 50:15 Volgens deze regel wijst David, om te krijgen waar hij om bidt, op wat hem beloofd was: ‘U, God, hebt het voor het oor van uw knecht geopenbaard. Daarom heeftuwknecht de moed gevonden om te bidden.’2 Samuël 7:27Daar kunnen we uit opmaken dat hij het niet gedurfd zou hebben als de belofte hem niet bemoedigd had.

En ergensandersonderwijst hij zichzelf met dezealgemeneles: ‘Hij zal doen wat degenen die Hem vrezen graag willen.’Psalm 145:19In de Psalmen zie jevaak dat David de loop van zijn gebed als het ware onderbreekt en het dan heeft over Gods macht of zijn goedheid of over de betrouwbaarheid van zijn beloften. Het lijkt misschien dat David zulke uitspraken invoegt op ongelegen momenten en zo zijn gebeden verminkt. Maargelovigen weten uit ervaring dat hun enthousiasme uitdooft als ze geen nieuwe brandstof aanvoeren. Daarom is het absoluut niet overbodig om onder het bidden na te denken zowel over Gods aard als over zijnWoord. We moeten het dus niet erg vinden om, volgens het voorbeeld van David, in ons gebed in te voegen wat ons zwakke hart met nieuw kracht kan bezielen.

We kunnen vrijmoedig bidden als we Gods belofte geloven

Het is vreemd dat het ons zoflauwof vrijwel helemaal niet raakt hoe heerlijk Gods beloften zijn. Een groot deel van de mensendwaalt langs omwegen. Ze verlaten liever de bron van het levende water omvoorzichzelf droge putten te graven, dan dat ze Gods vrijgevigheid omhelzen die hun vanzelf wordt aangeboden.

‘De naam van deHEER is een onoverwinnelijke burcht,’ zegt Salomo. ‘Als de rechtvaardige daarheen vlucht,zalhij geredworden.’Spreuken 18:10 En Joël profeteert over de vreselijkeellende die eraankomt.Danvoegt hij daar deze gedenkwaardige uitspraak aan toe: ‘Ieder die de naam van de HEER aanroept, zal gered worden.’Joël 2:32 (3:5); Handelingen 2:21Zoals we weten, slaat deze uitspraak vooral op de loop van het evangelie.Nauwelijks een op de honderd wordt ertoe aangezet om naar God toe te gaan. Via Jesaja roept God zelf: ‘Jullie zullen Mij roepen en Ik zal naar jullie luisteren. Sterker nog, voordat jullie roepen, zal Ik jullie antwoorden.’Jesaja 65:24 Ergens anders keurt Hij heel de kerk deze eer waard, omdat het slaat op alle ledematen van Christus: ‘Als hij Mij roept, zal Ik naar hem luisteren. Ik ben methem als hij in het nauw zit, om hem eruit te trekken.’Psalm 91:15

Maar zoals ik al gezegd heb, ben ik niet van plan om alle passages op te sommen. Ik wil alleen de meest bijzondere uitkiezen.Daaruit kunnenweproeven hoe vriendelijk God ons naar zich toe lokt en hoe krap de banden zijn waarin onze ondankbaarheid zit vastgesnoerd als we bij zulke scherpe prikkels in onze laksheid toch nog blijventreuzelen. Daarom moeten steeds deze woorden weerklinken in onze oren: ‘De HEER is dicht bij allen die Hem aanroepen, die Hem oprecht aanroepen.’Psalm 145:18Hetzelfde geldt voor de woorden uit Jesaja en Joël die ik geciteerd heb.Daarmee verklaartGoddat Hij graag onze gebeden verhoort, dat Hij ervan geniet als van een offer dat heerlijk ruikt, als we onze zorgen op Hem werpen.1 Petrus 5:7; Psalm 55:23

Deze speciale vrucht van Gods beloften krijgen we als weonze gebeden uitsprekenzonder twijfel en vrees.Als weHem als onze Vader durven aanroepen omdat we vertrouwen op zijnWoord. De majesteit van datWoord schrikt ons niet af, omdat Hij ons die heerlijke naam zelf in de mond gelegd heeft.

Kortom, omdat we zoveel uitnodigingen gekregen hebben, mogen we weten dat die voldoende reden zijn om verhoord te worden. Want onze gebeden zijn niet gebaseerd op ietsdat we zelf verdiend hebben. Hun waarde en onze hoop dat we krijgen waar we om vragen, zijn gefundeerd op Gods beloften. Daar zijn die van afhankelijk. Dus hebben onze gebeden geen andere ondersteuning nodig en hoeven we niet her en der om ons heenopte kijken.De heilige aartsvaders, profeten en apostelen werden geprezen om hun heiligheid.Maar wijblinken niet uit door net zo heilig te zijnals zij. Toch mogen we er in ons hart zeker van zijn dat we terechtbij hen horen. Want als we op Gods

Woord vertrouwen, hebben we hetzelfde gebod om te bidden en hetzelfde geloof als zij. Immers, hiervóór hebben we gezien dat God verkondigt dat Hij iedereen goedgezind en genadig zal zijn. Dan geeft Hij dus zelfs aan de meest ellendige mensen de hoop dat ze zullen krijgen waar ze om bidden.

Daarom moeten we letten op de algemene uitspraken, die van de eerste tot de laatste, zeg maar, niemand uitsluiten. Als we maar wel oprecht, ontevreden over onszelf en nederig zijn en geloof hebben. Dan wordt Gods naam niet ontheiligd doordat we huichelen en roepen we Hem niet aan zonder het te menen. En dan zal de heel goede Vader ons niet afwijzen. Wantniet alleen spoortHij ons zelf aan om naar Hem toe te komen.Hijwekt ons ook op alle mogelijke manieren daartoe op.

Vandaar de manier waarop David bidt – ikciteerde datkort hiervóór: ‘Kijk, HEER,Uhebt het uw knecht beloofd.Daaromvindt uwknechtnude moeden heeft hijgevondenwat hij kan bidden. Nu dan, HEER God, U bent God en uw woorden zijn betrouwbaar. U hebt tegen uw knecht over deze zegeningen gesproken. Begint U er dus mee en doet U het.’2 Samuël 7:27-29 Zo zegt hij ook ergens anders: ‘Doe met uw knecht zoals U gezegd hebt.’Psalm 119:76En telkens als alle Israëlieten samen kracht putten uit de herinnering aan het verbond, verklaren ze duidelijk genoeg dat je niet angstig moet bidden. Want God schrijft het zelf voor. Daarin volgden ze het voorbeeld van hun voorvaders, vooral van Jacob. Jacob erkende dat hij te onbeduidend was voor alle barmhartigheid die hij uit Gods hand gekregen had. Maar toch zegt hij vervolgens dat hij de moed vindt om te vragen om nog grotere dingen. Want God had beloofd dat Hij die dingen zou doen.Genesis 32:10-13

(32:11-14)

Ongelovigen kunnen allerlei excuses aanvoeren om, telkens als de nood dringt, niet hun toevlucht tot God te nemen, Hem niet te zoeken en niet zijn hulp in te roepen. Maar zeker is dat ze Hem dan beroven van de eer waar Hij recht op heeft. Het is hetzelfde als nieuwe goden en afgoden voor zichzelf maken. Want op deze manier ontkennen ze dat alle dingen hun door God gegeven worden.

Aan de andere kant helpt niets zo sterk om de vromen te bevrijden van al hun bezwaren dan dat ze zich wapenen met deze gedachte: er is geen reden waarom ze zich door iets zouden laten ophouden of tegenhouden om te bidden. Want als ze bidden, luisteren ze naar Gods gebod. En Hij zegt dat Hij niets liever heeft dan gehoorzaamheid.

Hieruit blijkt opnieuw en nog duidelijker wat ik eerder al gezegd heb: onbevreesde moed om te bidden gaat heel goedsamen met vrees, eerbied en bezorgdheid. Het is niet absurd als God neerslachtige mensen opbeurt. Op die manier vallen uitspraken die elkaar lijken tegen te spreken toch heel goed met elkaar te rijmen. Jeremia en Daniël zeggen dat ze hun gebeden neerleggen voor God.Jeremia 42:9; Daniël 9:18Ergens anders zegt Jeremia: ‘Laat onze smeekbede toch voor Godsgelaatneervallen. Dan zal Hij zich ontfermen over zijn overgebleven volk.’Jeremia 42:2

Ook wordt erovergelovigen vaak gezegd dat ze hun gebeden opheffen. Hizkia zegt dat bijvoorbeeld als hij de profeet Jesaja vraagt om de taak op zich te nemen om voor het volk te bidden.2 Koningen 19:4 En David wil graag dat zijn gebed zal opstijgen als een reukoffer.Psalm 141:2 Weliswaar zijn zij overtuigd van

Gods vaderlijke liefde. Daarom richten ze zich opgewekt op zijn trouw en aarzelen ze niet om de hulp in te roepen die Hij uit eigen beweging belooft. Maar toch wagen ze het niet om zorgeloos achterover te leunen, alsof ze alle schaamte van zich af geworpen hadden. Nee, ze klimmen op zo’n manier omhoog langs de trappen van de beloften dat ze in hun nederigheid toch smekelingen blijven.

Gebeden die niet gebaseerd zijn op een bevel of belofte van God

Hier rijst meer dan één vraag. Want de Schrift vertelt dat God soms een gebed verhoord heeft dat toch voortkwam uit een hart dat absoluut niet kalm of rustig was. Jotham had weliswaar een goede reden om de inwoners van Sichem te vervloeken met de ramp diehunlater overkwam. Maar hij deed dat uit een driftige woede en wraakzucht.Richteren 9:20 Als God die vervloeking verhoort, lijkt Hij onbeheerste drift goed te keuren. Ook Simson liet zich meeslepen door een dergelijk vuur, toen hij zei: ‘Geef mij kracht, God, zodat ik me kan wreken op de onbesnedenen.’Richteren 16:28Er zat bij hem wel wat goede ijver bij, maar zijn drift en boosaardige begeerte naar wraak overheerste. Daaruit lijk je te kunnen concluderen dat gebeden toch effect hebben, zelfs al ze niet vallen binnen de kaders van wat het Woord voorschrijft.

Mijn antwoord is dat bijzondere voorbeelden een eeuwigeregelnietannulleren. Bovendien hebben enkele mensen soms speciale gemoedsbewegingen gekregen, waardoor het met hen anders zit dan met de grote massa. Want we moeten letten op wat Christus antwoordde toen zijn leerlingen onbesuisd het voorbeeld van Elia wilden volgen. Hij zei tegen hen dat ze niet wisten wat voor geest ze hadden.Lucas 9:55

Maar we moeten nog een stapje verder gaan: niet alle gebeden die God verhoort, doen Hem ook plezier. Maar het is nodig dat uit duidelijke voorbeelden blijkt wat de Schrift leert: dat God ellendigen te hulp komt en luistert naar het zuchten van degenen die onrechtvaardig verdrukt worden en Hem te hulp roepen. Daarom voert Hij zijn oordelen uit als de klachten van hulpeloze mensen naar Hem opstijgen, ook al verdienen ze het niet om zelfs maar het kleinste beetje te krijgen. Immers, hoe vaak heeft God niet de wreedheid, roofzucht, gewelddadigheid, willekeur en andere misdaden van goddelozen bestraft, hun vermetelheid en razernij bedwongen en hun tirannieke macht omvergeworpen? Zo bewees Hij dat Hij hulp biedt aan degenen die onrechtvaardig verdrukt worden, zelfs als ze tot een onbekende God en dus alleen maar een slag in de lucht baden.

Er is één psalm die duidelijk leert dat gebeden die niet tot de hemel doordringen door geloof, toch effect hebben. Psalm 107 gooit op één hoop de gebeden waar zowel ongelovigen als vromen in hun nood als vanzelf toe gedwongen worden en laat zien dat uit de uitkomst blijkt dat God die gebeden toch genadig aanneemt.Is Hij hun zo goedgezind om daarmee te bewijzen dat die gebeden Hem plezier doen? Nee,Hijdoet het om zijn barmhartigheid te benadrukken of in het licht te zetten, doordat zelfs aan ongelovigen niet geweigerd wordt wat ze verlangen. Bovendien wil God degenen die Hem oprecht dienen zo extra aanzetten tot bidden, doordat ze zien dat zelfs het kermen van goddelozen soms zin heeft.

Er is echter geen reden waarom gelovigen zouden afwijken van deregeldie God hun heeft opgelegd. Ook hoeven ze niet jaloers te worden op ongelovigen, alsof die er zoveel mee gewonnen hebben als ze krijgen wat ze graag willen hebben.

Op deze manier, zo heb ik gezegd, werd God bewogen door het gehuichelde berouw van Achab. Koningen 21:29Door dit voorbeeld wilde Hij laten zien hoeveel aandacht Hij heeft voor de gebeden van zijn uitverkorenen als ze zich echt bekeren en naar Hem toekomen om zich met Hem te verzoenen. Daarom klaagt God in Psalm 106 over de Joden. Ze hadden ervaren dat Hij graag naar hun gebeden luisterde, maar kort daarna keerden ze weer terug naar de koppigheid van hun hart.Psalm 106:43 Dat blijkt ook duidelijk uit het verhaal van Richteren: telkens als ze huilden, ook al waren hun tranen niet gemeend, werden ze toch bevrijd uit de handen van hun vijanden. God laat zijn zon opgaan over goeden en slechten, zonder onderscheid. En zo negeert Hij dus ook niet het huilen van degenen die in hun recht staan en in hun moeilijkheden hulp verdienen. Maar ondertussen draagt zijn verhoring niet meer bij aan hun behoud dan het voedsel dat Hij uitdeelt aan degenen die zijn goedheid verachten.

Wat betreft Abraham en Samuël lijken lastiger vragen te rijzen. De eerste bad voor de inwoners van Sodom, zonder dat God iets gezegd had om hem daar bevel toe te geven.Genesis 18:23De ander bad voor Saul, zelfs tegen een uitdrukkelijk bevel in. Samuël 15:11; 16:1Hetzelfde deed Jeremia. Hij bad of de stad niet verwoest zou worden.Jeremia 32:16Hun gebeden zijn niet verhoord, maar toch kun je hun moeilijk geloof ontzeggen.

Maar ik hoop dat lezers met zelfbeheersing tevreden zullen zijn met de volgende oplossing. Ze baseerden zich op algemene principes.

Volgens die principes beveelt God om ook barmhartigheid te bewijzen aan mensen die dat niet verdienen. Daarom zijn ze niet volledig zonder geloof geweest, ook al hadden ze zich in deze gevallen in hun mening vergist.

Augustinus zegt ergens verstandig: ‘Hoe kunnen de heiligendoor geloof bidden als ze iets van God vragen dat ingaat tegen wat Hij besloten heeft? Dat kan omdat ze niet bidden in overeenstemming met Gods verborgen en onveranderlijke wil, maar in overeenstemming met de wil die Hij hun ingeeft. Dan verhoort Hij hen op een andere manier, zoals Hij in zijn wijsheid besluit.’1Dat is juist gezegd. Want volgens zijn onbegrijpelijke plannen bestuurt God de uitkomst van de dingen zo dat de gebeden van de heiligen niet voor niets zijn. Zelfs al gaan ze behalve met geloof ook gepaard met dwaling. Maar toch mag het daarom nog geen reden zijn om hen daarin te imiteren. Evenmin verontschuldigt het die heiligen zelf. Want ik ontken niet dat ze een grens overschreden hebben.

Daarom moeten we, als we God bidden om ietsdat Hij niet beloofd heeft, een voorwaarde toevoegen. Daarop slaat wat David zei: ‘Sta op, voor het oordeel dat U bevolen hebt.’Psalm 7:7Want hij geeft daarmee aan dat hij door een speciale uitspraak van God instructie gekregen had om te vragen om deze tijdelijke zegen.Anders zou hij zich daar niet zeker over gevoeld hebben.

Gebeden hoeven niet volmaakt te zijn

Verder moeten we erop letten dat wat ik heb uitgelegd over de vier regels om juist te bidden niet heel erg streng geëist wordt. Het is niet zo dat God gebeden negeert als Hij daarin geen volmaakt geloof of berouw vindt,datgepaardgaatmet enthousiaste ijver en juist opgestelde wensen.

Ik heb gezegd dat het gebed een vertrouwelijk gesprek is tussen de vromen en God, maar dat we daarbij toch eerbiedig moeten zijn en ons moeten beheersen. We mogen niet allerlei wensen van ons de vrije teugel laten. We mogen niets anders verlangen dan wat God toestaat. Ook heb ik gezegd dat we ons hart omhoog moeten richten en Gods majesteit zuiver en rein moeten vereren. Anders zouden we zijn majesteit minachten. Maar niemand heeft dit ooit zo zuiver gedaan als gepast zou zijn!

Want – ik heb het nu maar niet over gewone mensen – uit hoeveel klachten van David blijkt geen gebrek aan zelfbeheersing? Niet dat hij expres klaagt over God of tegen Gods oordelen ingaat. Maar hij bezwijkt door zijn zwakheid en vindt geen betere troost dan zijn verdriet en pijn in Gods schoot werpen. Ja, God accepteert zelfs ons gestamel en vergeeft onze domheid, telkensalsons iets onbedachtzaams ontvalt. Zonder deze welwillendheid zoudenwenooit de vrijheid hebben om te bidden.Bovendien wil David zich echt helemaal onderwerpen aan Godsoordeel. Hij bad met een geduld dat even groot was als zijn verlangen om te krijgen. Maar ondanks dat duiken, ja bruisen er soms onstuimige emoties op die ver verwijderd zijn van de eerste regel die ik genoemd heb.

Vooral uit het slot van Psalm 39 kun je zien door wat voor hevig verdriet deze heilige man werd meegesleept, zodat hij zichzelf niet meer in de hand had. Hij zegt: ‘Keer U van mij af, voordat ik verdwijn en er niet meer ben.’Psalm 39:14Je zoukunnenzeggen dat hij als een wanhopig mens wil dat Gods hand hem met rust laat en hij in zijn ellende mag wegkwijnen.Niet dat hij met een hart vol twijfel bewust te ver gaat of, zoals verworpenen altijd doen, wil dat God weggaat. Nee, hij klaagt alleen dat Gods woede voor hem ondraaglijk is.

Tijdens zulke beproevingen ontvallen heiligen ook vaak wensen die niet goed gevormd zijn volgens de regel van Gods Woord. Ze denken er dan te weinig over na wat wel en niet is toegestaan en wat wel en niet nuttig is. Alle gebeden die met deze gebreken besmeurd zijn, verdienen het om afgewezen te worden. Maar als heiligen alleen maar zuchten, zichzelf erom berispen en meteen weer tot bezinning komen, vergeeft God het hun.

Zo zondigen ze ook tegen de tweede regel. Want zehebben vaak te kampen met hun kilheid. Hun armoede en ellende prikkelt hen niet sterk genoeg om serieus te bidden. Bovendien gebeurt het vaak dat hun geest verslapt en haast uitdooft. Ook wat dat betreft hebben ze dus vergeving nodig. Anders zouden hun slappe, verminkte, onderbroken of dwalende gebeden afgewezen worden. God heeft het de mensen van nature in het hart gegeven dat hun gebeden alleen legitiem zijn als ze hun hart omhoog richten. Vandaar het ritueel van het opheffen van de handen. Ik heb eerder al gezegd dat dat in alle tijden en bij alle volken gebruikelijk geweest is en dat is het nog. Maar hoe velen zijn er niet die zich, terwijl ze hun handen opheffen, toch niet bewust zijn van hun laksheid, omdat hun hart op de aarde gericht is!

Wat betreft het bidden om vergeving van de zonden: niemand van de gelovigen slaat dit onderdeel over. Maar wie echt getraind is in het bidden, voelt toch dat ze nauwelijks eentiende deel leveren van het offer waarvan David zegt: ‘Het offer dat God plezier doet is een gebroken geest. Een gebroken en verslagen hart zult U, God, niet negeren.’Psalm 51:19Daarom moeten ze dus steeds dubbel om vergeving vragen. In de eerste plaats omdat ze zich van vele zonden bewust zijn, ook al raakt het besef daarvan hen niet zo sterk dat ze zo ontevreden over zichzelf zijn als zou moeten. En omdat het hun gegeven is om te groeien in berouw en vrees voor God, moeten ze in de tweede plaats, verslagen onder terecht verdriet over hun misstappen, bidden of de wraak vanderechter hun niet zal treffen.

De gebeden van gelovigen worden het meest geschonden door de zwakheid van hun geloof of door hun onvolmaaktheid, als Gods welwillendheid hen niet te hulp komt. Maar het is niet vreemd dat God dit gebrek vergeeft. Want Hij traint de zijnenvaak door middel van harde lessen. Dan is het net alsof Hij met opzet hun geloof wil laten uitdoven. Dat is de zwaarste beproeving, als gelovigen worden gedwongen om uit te roepen: ‘Hoe lang zult U nog boos zijn over het gebed van uw knecht?’Psalm 80:5Alsof het bidden zelf God zou irriteren. En Jeremia zegt: ‘God heeft zijn oren voor mijn gebed gesloten.Klaagliederen 3:8Ook dan valt er niet aan te twijfelen dat hij hevig ontsteld en geschokt is.

Er komen in de Schriftontelbaarveel van dit soort voorbeelden voor. Daaruit blijkt dat het geloof van de heiligen vaak vermengd was met twijfels en daardoor geschokt werd. In hun geloof lieten ze dus toch nog een beetje ongeloof zien. Ze komen niet zover als te wensen zou zijn. Daarom moeten ze extra hun best doen om hun fouten te corrigeren en elke dag dichter bij de volmaakte regels van het bidden te komen. En ondertussen moeten ze beseffen hoe diep de ellende is waarin ze verzonken liggen.Zelfs door het gebruiken van de geneesmiddelenhalen zezichnog nieuwe ziekten op de hals! Er is immers geen enkel gebed waar God niet terecht een afkeer van zou hebben, als Hij zijn ogen niet sloot voor de vlekken waar ze allemaal mee bezaaid zijn.

Dat ik dit noem, is niet omdat gelovigen zorgeloos en toegeeflijk voor zichzelf zouden mogen zijn. Ik noem dit omdat ze zichzelf streng moeten berispen en hun best moeten doen om deze hindernissen te overwinnen. Satan probeert hun weliswaar alle wegen te versperren om hen van het bidden af te houden. Maar ze moeten door die versperringen heen breken in de vaste overtuiging dat God toch blij is met hun pogingen. Ook al kunnen ze zich niet ontdoen van alle hindernissen, toch accepteert God hun gebeden. Als ze maar hun best doen om het doel te bereiken dat ze niet meteen kunnen bereiken.

Christus is onze advocaat

Niemand van de mensen is het waard om God onder ogen te komen.We moeten verlost wordenvan zowel de schaamte als de vrees waardoor we onvermijdelijk de moedzouden laten zakken.Daaromheeft de hemelse Vader ons zijn Zoon, Jezus Christus geschonken. Hij is als middelaar onze advocaat bij God.1 Timotheüs 2:5; 1 Johannes 2:1Onder zijn leiding kunnen we veilig naar God toegaan, in het vertrouwen dat ons met zo’n middelaar niets geweigerd zal worden waar we in zijn naam om bidden. Want de Vader kan Hem niets weigeren.

En in dit verband moeten we ook zien wat ik eerder over geloof geleerd heb. Want zoals de belofte ons Christus aanprijst als middelaar, zo raakt de hoop om te krijgen wat we bidden de zegen van het gebed kwijt als zij niet op die middelaar gefundeerdis. Want zodra Gods afschrikwekkende majesteit ons in gedachten komt, kan het niet anders of we worden bang.We moetenerkennendat we het niet waard zijn.Datdrijft ons bij Hem vandaan, totdat Christus tussenbeide komt. Hij verandert dan de troon van ontzagwekkendegloriein een troon van genade. Daarom leert de apostel ook dat we vol vertrouwennaar die troon durven toe gaan om op het juiste moment barmhartigheid te krijgen en genade te vinden.Hebreeën 4:16

En ons isniet alleenbevolen om God aan te roepen.Ons is ookbeloofd dat wie Hem aanroepen, verhoord zullen worden. En zo wordt ons ookniet alleenspecifiek bevolen om Hem aan te roepen in de naam van Christus.Ons wordt ookbeloofd dat we zullen krijgen wat we in zijn naam bidden. ‘Tot nog toe,’ zegt Christus, ‘hebben jullie nog niets gebeden in mijn naam. Bid, dan zullen jullie krijgen! Op die dagmoetenjullie bidden in mijn naam.Johannes 16:24-26En waar jullie om vragen, dat zal Ik doen,zodatin de Zoon de glorie van de Vader schittert.’Johannes 14:13

Hieruit blijkt onweerlegbaar datdegenen die God aanroepen in de naam van iemand anders dan Christus, koppig zijn bevelen overtreden en zijn wil miskennen. Zij hebben dus geen enkele belofte dat ze iets zullen krijgen. Immers, zoals Paulus zegt: ‘Alle beloften van God zijn in Christus ja en amen.’2 Korinthiërs 1:20Dat wil zeggen: ze worden in Hem bevestigd en vervuld.

Christus als advocaat en de offers in het Oude Testament

En we moetenernauwkeurigopletten op welk moment Christus beveelt dat zijn leerlingen hun toevlucht moeten nemen tot zijn voorbede: nadat Hij naar de hemel is gevaren. Hij zegt: ‘Op dat moment moeten jullie bidden in mijn naam.’Johannes 16:26

Het is zeker dat ook vanaf het begin ieder die gebeden heeft, alleen verhoord is omwille van de middelaar. Daarom had God in de wet bepaald dat de priester, die alleen het heiligdom binnenging, de namen van de stammen van Israël op zijn schouders moest dragen en hetzelfde aantal edelstenen op zijn borst.Exodus 28:9-21Het volk moest echter op afstand in de voorhof blijven staan. Vandaar af moesten zij hun gebeden bij die van de priester voegen.Ja, zelfs het offer was bedoeld om de gebeden geldig te maken en kracht te geven. Dit schaduwachtige ritueel van de wet leerde zo dus dat we geen van allen God onder ogen mogen komen en dat we daarom een middelaar nodig hebben. Die verschijnt daar in onze naam. Hij draagt ons op zijn schouders en heeft ons op zijn borst gebonden. In zijn persoon kunnen wij verhoord worden. Bovendien leert dit ritueel dat de gebeden gereinigd worden door het vergieten van bloed. Anders zouden ze nooit helemaal schoon zijn, zoals ik al gezegd heb.

We zien dan ook dat de heiligen, als ze graagiets wilden krijgen, hun hoop op een offer vestigden. Want ze wisten dat elk gebed daar door bekrachtigd werd.David zegt:‘Laat Hij aan je spijsoffer denken en je brandoffer vet maken.’Psalm 20:4 Hieruit kunnen we concluderen dat God vanaf het begin verzoend werd door de voorbede van Christus. Alleen daarom nam Hij de gebeden van de vromen aan.

Maar waarom wijst Christus dan een nieuw moment aan waarop zijn leerlingen moeten beginnen in zijn naam te bidden?Alleen omdat deze genade nu nog heerlijker is en daarom dus nog aantrekkelijker voor ons hoort te zijn. Dat bedoelde Hij ook toen Hij net daarvóór zei: ‘Tot nog toe hebben jullie nog niets gebeden in mijn naam. Bid …’Johannes 16:24Niet omdat ze nog helemaal niets wisten over de taak van de middelaar. Want alle Joden hadden de basisbeginselen daarvan geleerd. Nee, omdat ze nog niet duidelijk wisten dat Christus door zijn hemelvaart een nog zekerder advocaat van de kerk zou zijn dan eerst. Christus wil het verdriet over zijn afwezigheid verzachten met een bijzondere vrucht. Daarom leert Hij dat ze deze geweldige zegen tot nog toe hebben moeten missen, maar nu zullen ze daarvan kunnen genieten. Als ze vertrouwen op zijn voorspraak, kunnen ze God met nog meer vrijmoedigheid aanroepen. Daarom zegt de apostel dat Christus met zijn bloed een nieuwe wegheeftingewijd.Hebreeën 10:20

Onze slechtheid is dus nog minder te verontschuldigen als we zo’n onschatbare zegen, die speciaal voor ons bestemd is, niet – zeg maar – met beide handen aangrijpen.

Christus alleen

Christus is dusdeenige weg en de enige toegang waarlangs wij naar God mogen gaan. Daarom blijft er voor degenen die van deze weg afgaan en deze toegang verlaten, geen enkele weg of toegang meer over. Voor hen is er op zijn troon nietsanders over dan woede, oordeel en verschrikking. Kortom, de Vader heeft Christus bestempeld als hoofd en gids. Degenen die op wat voor manier ook van Hem afwijken of zich van Hem afkeren, proberen dat stempel dat God in Hem gedrukt heeft, dus te vernietigen en te vervalsen, voor zover ze dat kunnen.

Christus is dus aangesteld als de enige middelaar. Door zijn voorbede is de Vader ons genadig en laat Hij zich overhalen. Maar ondertussen mogen ook heiligenookzelf voorbede doen. Ze mogen elkaars welzijn over en weer bij God aanbevelen. De apostel Paulus noemt dat. Timotheüs 2:1Maar deze voorbedes zijn wel van die ene voorbede afhankelijk. Het is absoluut niet zo dat ze daar iets van zouden afdoen!Ze komen immers op uit het gevoel van liefde waarmee we elkaar over en weer omhelzen als ledematen van één lichaam. Daarom verwijzen ze ook naar de eenheid met het hoofd. Ook deze voorbedesgebeuren in Christus’ naam. Wat verklaren we er dan anders mee dan dat niemand geholpen kan worden door wat voor gebed ook, als Christus niet tussenbeide komt? De voorbede van Christus verhindert dus niet dat wij in de kerk elkaar ook over en weer te hulp komen door te bidden. Maar dan moet wel overeind blijven dat alle voorbedes van heel de kerk gericht moeten zijn op die ene voorbede.

En daarom moeten we vooral oppassen voor ondankbaarheid. Want God, die het ons vergeeft dat we het niet waard zijn, staat het ons niet alleen toe dat we ieder voor onszelf bidden, maar laat ook toe dat we voor elkaar bidden. God heeft dus advocaten aangesteld voor zijn kerk die het terecht zouden verdienen om, als ze alleen voor zichzelf zouden bidden, afgewezen te worden. Wat zou het dan hoogmoedig zijn als ze deze vrijgevigheid dat we voor elkaar mogen bidden, zouden misbruiken om Christus’ eer te verduisteren!

Christus als eeuwige hogepriester

Verder is het alleen maar gekletswat de sofisten leuteren: dat Christus middelaar is om te verlossen en de gelovigen middelaars om voorbede te doen. Alsof Christus slechts een tijdelijke bemiddelingstaak heeft uitgevoerd en daarna de eeuwige bemiddelingstaak, waar nooit een eind aan zal komen, heeft afgeschoven op zijn dienaren. Dat is toch wel heel royaal van hen, dat ze Hem maar zo’n klein stukje van zijn eer afpakken! Maar de vromen moeten tevreden zijn met de Schrift, zonder te letten op deze bedriegers. En de Schrift leert iets heel anders.

Want Johannes zegt: ‘Als iemand gezondigd heeft, we hebben een advocaat bij de Vader, Jezus Christus.’ Johannes 2:1 Bedoelt hij daarmee dat Christus in het verleden voor ons advocaat geweest is? Schrijft Hij hem niet juist toe dat Hij voor eeuwig voor ons bidt?

En stelt Paulus niet dat Christus aan de rechterhand van de Vader zit en ook voor ons bidt?Romeinen 8:34En ergens anders noemt Paulus Christus de enige middelaar tussen God en mensen. Doelt hij dan niet op de gebeden, die hij kort daarvóór nog genoemd had?Immers, hij had eerst gezegd dat we voor alle mensen moeten bidden en om dat extra te onderstrepen, voegt hij er vervolgens aan toe dat we allemaal dezelfde God hebben en dezelfde middelaar. Timotheüs 2:1-5

Ook Augustinus legt dit niet anders uit. Hij zegt het volgende: ‘Christenen dragen elkaar aan God op door hun gebeden. Maar niemand bidt voor

Christus. Zelf bidt Hij voor iedereen. Hij is de enige en echte middelaar. De apostel Paulus was weliswaar een belangrijke ledemaat onder het hoofd, maar was toch een ledemaat van het lichaam van Christus. Hij wist dat de grootste en betrouwbaarste priester van de kerk het heilige der heiligen,verborgenachter het voorhangsel, niet figuurlijk is binnengaan. Nee, Hij isdaadwerkelijk binnengegaan in de hemel. Niet voor een figuurlijke heiligheid, maar voor een eeuwige heiligheid. Daarom vraagt Paulus aan de gelovigen of ze ook voor hem willen bidden.Romeinen 15:30; Efeziërs 6:19; Kolossenzen 4:3En hij stelt zichzelf niet aan als middelaar tussen het volk en God. Nee, hij vraagt dat alle ledematen over en weer voor elkaar bidden. Want de ledematen moeten voor elkaar zorgen en als één ledemaat lijdt, lijden de andere mee. Korinthiërs 12:25-26 En dus moeten de gebeden die alle ledematen die op aarde leven over en weer voor elkaar doen, opstijgen naar hun hoofd. Hij is ons voorgegaan in de hemel en in Hem is verzoening voor onze zonden. Want als Paulus een middelaar was, dan zouden de andere apostelen dat ook zijn. En dan zouden er zoveel middelaars zijn dat Paulus’ eigen redenering geen stand houdt. Hij zegt immers: “Want er is één God en één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus. Timotheüs 2:5In Hem zijn ook wij één, als we de eenheid van het geloof bewaren door de band van de vrede.”’Efeziërs 4:3

En ergens anders zegt Augustinus: ‘Maar als je een priester zoekt, Hij is boven in de hemel. Daar bidt Hij voor jou, Hij die op aarde voor jou gestorven is.’

Maar ik stel me Hem niet voor, languit liggend voor de knieën van zijn Vader, biddend voor ons als een smekeling. Net als de apostel zie ik het zo: als Hij God onder ogen komt, dient de kracht van zijn dood als een eeuwige voorbede voor ons. Maar dan zo dat alleen Hij, nadat Hij het heiligdom van de hemel binnengegaan is, tot het eind van de wereld toe de gebeden van zijn volk, dat op afstand in de voorhof blijft staan, naar God brengt.

Geen voorbede door gestorven heiligen

Wat betreft de heiligen die, in hun vlees gestorven, in Christus leven: als we hun toeschrijven dat ze nog steeds bidden, moeten we ons niet inbeelden dat zelfs zij langs een andere weg tot God kunnen bidden danviaChristus – de enige weg – of dat hun gebeden in naam van iemand anders voor God acceptabel kunnen zijn. De Schrift roept ons allemaal van ieder ander terug naar Christus alleen. Want de Vader wil alles samenbrengen in Hem. Daarom zouhetveel te dwaas zijn – om niet te zeggen: krankzinnig – als we toegang willen krijgen via deze heiligen en ons laten afleiden van Christus.Ook voor hen staat er zonder Christusgeen enkele toegang open.

Maarwie zou kunnen ontkennen dat dit wel enkele eeuwen geprobeerd is en ook nu nog geprobeerd wordt, overal waar het pausdom regeert? Om God gunstig te stemmen worden steeds opnieuw de verdiensten van de heiligen aan Hem opgedrongen. En meestal wordt in hun naam tot God gebeden, terwijl Christus gepasseerd wordt. Ik vraag je: draag je dan de taak van enige voorbidder, die ik hierboven aan Christus heb toegekend, niet over op hen?

Bovendien, welke engel of geest heeft ooit een van de mensen iets verteld over zo’n soort voorbede als zij verzinnen? Er staat immers niets over in de Schrift! Welke reden is er dan geweest om dit te verzinnen? Natuurlijk, als het menselijk verstand zo naar hulpmiddelen zoekt die Gods Woord ons niet biedt, dan verraadt dat duidelijk een gebrek aan vertrouwen.

Moeten we onsberoepen op het geweten van al degenen die graag een beroep doen op de voorbede van de heiligen? Dan zullen we merken dat dit alleen maar voortkomt uit angst. Alsof Christus op dit punt tekort zou schieten of te streng zou zijn.

In de eerste plaats onteren ze Christus door die angstvalligheid. Ze beroven Hem van de titel ‘enige middelaar’. Die titel heeft de Vader Hem gegeven als een bijzonder voorrecht en die mag niet zomaar aan een ander worden gegeven.En ze verduisteren hierdoor juist deglorievan zijn geboorte en doen zijnkruisdood teniet. Kortom, alles wat Hij gedaan of geleden heeft, ontdoen en beroven zij van zijn lof. Immers, alles is erop gericht dat Hij de enige middelaar is en als de enige middelaar erkend wordt.

Bovendien verwerpen ze Gods welwillendheid. Hij biedt zich aan hen aan als Vader. Maar Hij is geen Vader voor hen als ze niet erkennen dat Christus hun broer is. En dat ontkennen ze pertinent als ze niet beseffen dat Hij hen als een broer liefheeft en koestert, de zachtste en tederste liefde die er bestaat!

Daarom biedt de Schrift ons alleen Hem aan. Ze stuurt ons naar Hem en richt ons oog op Hem. Ambrosius zegt: ‘Hij is onze mond. Via Hem spreken wij met de Vader. Hij is ons oog. Via Hem zien wij de Vader. Hij is onze hand. Via Hem offeren wij aan de Vader. En als Hij niet tussenbeide kwam, zouden wij en welke heilige ook geen enkele gemeenschap met God hebben.’

Als ze daartegen inbrengendat hun openbare gebeden in de kerk eindigen met: ‘Door Christus, onze Heer,’ dan is dat een waardeloos excuus. Want als je Christus’ voorbede vermengd met gebeden en verdiensten van doden, wordt die evengoed ontheiligd als wanneer je die volledig zou weglaten en het alleen over de doden zou hebben. Bovendien, in al hun klaagzangen, liederen en opgezegde gebeden waarin dode heiligen alle mogelijke eer wordt toegekend, wordt over Christus met geen woord gerept.

Bidden tot heiligen is bijgeloof en heiligschennis

En deze dwaasheid is zover gegaan, datwedaarin een duidelijk voorbeeld zien van wat nu precies bijgeloof inhoudt: als het de teugels eenmaal heeft weten los te rukken, komt er meestal geen eind meer aan zijn losbandigheid. Want toen de mensen eenmaal aandacht waren gaan geven aan de voorbede door de heiligen, hebben ze stap voor stap elke heilige een eigen taak gegeven. Afhankelijk van het onderwerp kon je dan de een en dan de ander inroepen als advocaat. Vervolgens heeft ieder zijn eigen heilige aangenomen, aan wiens hoede hij zich, als aan een beschermgod toevertrouwde. Zo zijn er niet alleen net zoveel goden opgericht als er steden zijn – dat verweet de profeet Jeremia in het verleden IsraëlJeremia 2:28; 11:13– maar zelfs net zoveel als er mensen zijn!

Maar de heiligen richten zich in al hun verlangens alleen op Gods wil. Alleen daar letten ze op en alleen daar baseren ze zich op. Daarom denk je dom en vleselijk over hen, sterker nog, je beledigt hen zelfs als je hun toeschrijft dat ze om iets anders bidden dan om de komst van Gods koninkrijk. En als je de heiligen toedicht dat ze elk met een speciale genegenheid hun eigen dienaren extra goedgezind zijn, dan staat dat daar heel ver vanaf!

Uiteindelijk hebben heel velen zich niet kunnen weerhouden van deze afschuwelijke heiligschennis: ze riepen de heiligen niet meer aan alsdegenen die kunnen helpen bij hun behoud, maar alsdegenen die over hunwelzijnbeslissen.Kijk, hoe diep ellendige mensen zinken als ze afdwalen buiten hun legitieme verblijfplaats, Gods Woord.

Ik laat nu die monsterlijk goddeloze dingen maar lopen, waarvoor zezichniet schamen en waar ze geen spijt van hebben, ook al vinden God, engelen en mensen ze afschuwelijk. Ze vallen neer voor een beeld of schilderij van Barbara, Catharina en dergelijkeen prevelen dan het Onze Vader. En in plaats van dat deherdersdeze waanzin proberen te genezen of te bedwingen, juichen ze het toe omdat ze winst ruiken.

Maar ook al zouden ze de blaam voor zo’n schandelijke misdaad van zich afschuiven, met welk excuus willen ze zich verdedigen als ze bidden tot Eligius en Medardus,of die uit de hemel mogen neerkijken op hun dienaren en hen helpen? Als ze bidden tot de heilige maagd of ze haar Zoon wil opdragen om te doen waar zij om vragen?

In het verleden heeft het concilie van Carthago(397)verboden om aan het altaar rechtstreeks tot de heiligen te bidden. Waarschijnlijk zagen die heilige mannen dat ze de macht van de slechte gewoonte niet volledig konden bedwingen en voerden ze daarom in elk geval deze beperking in. Dan werden in elk geval deopenbaregebeden niet geschonden door deze manier van bidden: ‘Heilige Petrus, bid voor ons!’ Hoeveel verder zijn deze mensen dan gekomen in hun duivelse onbeschaamdheid!Zeaarzelen zelfs niet meerom op doden over te dragen waar alleen God en Christus recht op hebben!

De Schrift wordt verdraaid

Mijn tegenstanders proberen wel om het zo te laten lijken dat zo’n voorbede gebaseerd is op het gezag van de Schrift. Maar dat is vergeefse moeite.

Ze zeggen dat je meer dan eens leest over gebeden van engelen. En dat niet alleen.Er wordtookgezegd dat de gebeden van de gelovigen door de handen van de engelen God onder ogen gebracht worden. Ze willen de heiligen die dit leven achter zich gelaten hebben dus vergelijken met de engelen. Maar dan hadden ze moeten bewijzen dat deze heiligen dienende geesten zijn,Hebreeën 1:14die de taak gekregen hebben om te zorgen voor ons welzijn en ons in al onze gangen te beschermen,Psalm 91:11die ons moeten omringen, vermanen en troosten en die over ons waken.Psalm 34:8Allemaal dingen die aan de engelen worden toegeschreven, maar zeker niet aan de heiligen.De Schrift maakt met heel verschillende taken onderscheid tussen gestorven heiligen en engelen. Daaruit blijkt heel duidelijk hoe fout het is dat mijn tegenstanders die door elkaar halen.

Voor een aardse rechter zal niemandde functievan advocaat durven bekleden als hij daar niet toe is toegelaten.Hoe durven wormen het dan te wagen zo brutaal te zijn dat ze God advocaten opdringen van wie we niet lezen dat deze taak hun is opgedragen? God heeft de engelen willen belasten met de zorg voor ons welzijn. Daarom komen zij in de heilige vergaderingen. De kerk is voor hen een toneel waar ze Gods rijk geschakeerde wijsheid bewonderen.Efeziërs 3:10Dus als je hun speciale taak overdraagt op anderen, verstoor je de door God gestelde orde. Dan werp je omver wat onschendbaar hoortte zijn.

Even gemakzuchtig halen ze nog andere Schriftbewijzen aan. God zei tegen Jeremia: ‘Al zouden Mozes en Samuël voor mijnogenstaan, dan zou ik dit volk nog niet genegen zijn.’Jeremia 15:1 Mijn tegenstanders zeggen: hoe zou God zo over doden gesproken hebben als Hij niet geweten had dat ze voor de levenden bidden?

Ik kom echter tot een andere conclusie. Uit deze woorden blijkt dat Mozes en Samuël geen van beiden voor het volk Israël gebedenhebben. Dus was er in die tijd helemaal geen voorbede door doden. Want Mozes heeft tijdens zijn leven alle anderen in dit opzicht overtroffen. En als hij het niet doet, van wie van de heiligen zouden we dan moeten geloven dat hij zijn best doet voor het welzijn van het volk?

Zij komen met deze onbenullige spitsvondigheid dat doden voor de levenden bidden, omdat de Heer gezegd heeft: ‘Ook al zouden ze tussenbeide komen …’ Maar mijn redenering is veel plausibeler: in de diepste nood van het volk bad Mozes niet. Want er wordt van hem gezegd: ‘Ook alzouhij tussenbeide komen …’ Dus dan is het ook niet waarschijnlijk dat iemand anders wel voor het volk tussenbeide kwam. Want alle anderen blijven ver verwijderd van de vriendelijkheid, goedheid en vaderlijke zorg van Mozes.

Met hun uitvluchten bereiken mijn tegenstanders dus alleen maar dat ze gewond raken door de wapens waarmee zezich heel goed dachten te beschermen. Maar het is heel belachelijk dat een eenvoudige uitspraak zo verdraaid wordt. Want de Heer spreekt daarmeeuit dat Hijde misdaden van het volk niet door de vingers zal zien, zelfsalzouden ze het geluk hebben dat Mozes of Samuël hun advocaat was, ook al had Hij altijd welwillend naar hun gebeden geluisterd.

Deze betekenis kun je heel gemakkelijk afleiden uit een vergelijkbare passage bij Ezechiël. Daar zegt de Heer: ‘Zelfs al zouden deze drie mannen: Noach, Daniël en Job, in de stad zijn, dan zouden ze met hun rechtvaardigheid hun zonen en dochters niet kunnen bevrijden. Ze zouden alleen hun eigen ziel kunnen bevrijden.’Ezechiël 14:14Ongetwijfeld heeft de Heer met die woorden willen aangeven: als twee van hen weer levend zouden worden. Want de derde leefde in die tijd nog: Daniël. Van hem staat vast dat hij toen nog in de eerste bloei van zijn jeugd was en een weergaloos bewijs van zijn vroomheid had gegeven.

Degenen die hun levensloop voltooid hebben, kunnen we dus overslaan. Daarom leert Paulus, als hij het over David heeft, dus niet dat David met zijn gebeden zijn nageslacht helpt. Hij heeft alleen de mensen uit zijn eigen tijd gediend.Handelingen 13:36

Geen contact tussen levenden en doden

Verder komen mijn tegenstanders met dit tegenargument: mogen we de heiligen dan berovenvanalle vrome verlangens? In heel hun leven hebben ze niet anders dan vroomheid en barmhartigheid laten zien!

Werkelijk, ik wil niet nieuwsgierig onderzoeken wat ze doen of denken en ik vind het daarom ook niet waarschijnlijk dat ze door verschillende specifieke wensen heen en weer geslingerd worden. Ik denk dat ze juist met een vaste en onveranderlijke wil uit zijn op Gods koninkrijk. En dat betekent dat ze zowel uit zijn op de ondergang van de goddelozen als het behoud van de gelovigen. En als dat waar is, is er geen twijfel aan dat ook hun liefdebeperkt wordt tot de gemeenschapvanChristus’lichaamen dat die liefde niet verder reikt dan past bij de aard van die gemeenschap. Weliswaar geef ik toe dat ze op die manier voor ons bidden. Maar dat betekent nog niet dat ze hun rust verlaten en weggerukt worden naar aardse zorgen. Laat staan dat we ze daarom maar moeten aanroepen!

En het is ook niet nodig om hen aan te roepen omdat de mensen die op aarde leven elkaar over en weer in hun gebeden opdragen. Want deze plicht is bedoeld om hen op te voeden in liefde, als ze hun noden als het ware met elkaar delen en over en weer op zich nemen. Dit doen ze omdat de Heer het gebiedt en niet zonder belofte. En die twee –gebod en belofte –nemen bij het bidden altijd de belangrijkste plaats in. Maar die argumenten gelden niet voor de doden. Want de Heer heeft een eind gemaakt aan hun verblijf bij ons. Hij staat niettoedat wij nog met hen omgaan en zelfs niet dat zij nog met ons omgaan, voor zover we kunnen raden.Prediker 9:5-6

En zelfs al zou je beweren dat het niet anders kan of ze hebben ons nog steeds even lief, net zoals ze met ons verenigd zijn in hetzelfde geloof – wie heeft dan geopenbaard dat ze zulke grote oren hebben dat ze onze stem nog zouden kunnen opvangen? En zulke scherpe ogen dat ze zouden kunnen zien wat wij nodig hebben? Mijn tegenstanders kletsen in hun scholen wel over het een of ander licht van Gods gelaat dat de heiligen beschijnt. In dat licht zouden ze als in een spiegel vanuit de hoogte de dingen van de mensen kunnen bekijken. Maar zo’n bewering en dan met zo’n gewaagde stelligheid – wat is dat anders dan buiten Gods Woord om met de dronken fantasieën van onze hersens durven doordringen en inbreken in Gods verborgen oordelen en de Schrift vertrappen? De Schrift verkondigt zo vaak dat de wijsheid van ons vlees een vijand is van Gods wijsheid. En Gods wijsheid veroordeelt dezinloosheidvan onze gedachten volledig. Zij werpt onsverstand volledig omver en wil dat we alleen letten op wat God wil.Romeinen 8:6-7; Efeziërs 4:17

Het aanroepen van de namen van Abraham, Izak en Jacob

De andere Schriftbewijzen die mijn tegenstanders aanvoeren om deze leugen te verdedigen, verdraaien ze heel verkeerd.

Maar, zeggen ze, Jacob bidt of zijn naam en die van zijn vaders Abraham en Izak over zijn nakomelingen mag worden aangeroepen.Genesis 48:16Laten we eerst eens kijken wat voor manier van aanroepen daarmee bedoeld wordt bij de Israëlieten. Want ze roepen hun voorvaders niet aanzodat diehen te hulp komen, maar ze smeken God of Hij zich zijn dienaren Abraham, Izak en Jacob wil herinneren. Hun voorbeeld biedt dus totaal geen steunals jede heiligen zelf wiltaanspreken.

Maar deze blokken hout, dom als ze zijn, begrijpen niet wat het betekent om de naam van Jacob aan te roepen. En evenmin begrijpen ze waarom die naam aangeroepen moet worden. Daarom is het geenwonderdat ze zich ook in de manier van aanroepen zo kinderlijk vergissen. Deze manier van spreken komt meer dan eens in de Schrift voor. Want Jesaja zegt datover vrouwen de naam van hun man aangeroepen wordt.Danbedoelthij dat getrouwde vrouwen leven onderde trouw en bescherming van hun man en daarom zijn naam dragen.Jesaja 4:1Dus als over de Israëlieten de naam van Abraham aangeroepen wordt, betekent dat dat ze hem als de oorsprong van hun afkomst zien en hem eren door hem speciaal in herinnering te houden als hun eerste voorvader.

En Jacob doet dit niet om dat hij zich zorgen maakt of zijn naam wel wordt doorgegeven en beroemd blijft. Nee, hij weet dat heel het geluk van zijn nakomelingen ligt in de erfenis van het verbond dat God met hem gesloten had. Daarom wenst hij hun toe wat in zijn ogen het belangrijkste van alles is: dat ze beschouwd worden als zijn nageslacht. Want dat is niets anders dan de erfenis van het verbond aan hen overdragen. En als zij van hun kant in hun gebeden zo’n herinnering invoegen, nemen ze niet hun toevlucht tot een voorbede door doden. Nee, ze herinneren de Heer aan zijn verbond. In dat verbond heeft de Vader zich ertoe verplicht hun genadig te zijn enhungoed te doen omwille van Abraham, Izak en Jacob.

Anders dan zo hebben de heiligen maar weinig op de verdiensten van hun voorvaders gesteund. Dat blijkt uit de algemene uitspraak van de kerk bij de profeet Jesaja: ‘U bent onze Vader. Abraham weet niets van ons en Izak kent ons niet. U, HEER, bent onze Vader en onze verlosser.’En terwijl ze dit zeggen, voegen ze eraan toe: ‘Kom terug, HEER, omwille van uw dienaren.’Jesaja 63:16-17 Maar daarbij denken ze niet aan een of andere voorbede. Ze letten op de zegen van het verbond. Maar wij hebben nu de Heer Jezus. In zijn hand is het eeuwige verbond van barmhartigheid niet alleen met ons gesloten, maar ook voor ons bevestigd. Wiens naam zouden we dan liever gebruiken om ons achter te verschuilen?

Deze goede leermeesters beweren dat met deze uitspraak de aartsvaders aangesteld worden als advocaat. Daarom zou ik wel eens van hen willen weten waarom Abraham, de vader van de kerk, bij hente midden vanzo’n enormezwerm aan heiligenzelfs nog niet het allerkleinste plekje krijgt. Het is absoluut niet onbekend uit wat voor afvoerput zij hun advocaten halen. God heeft Abraham boven alle anderen geplaatst en hem qua eer op de hoogste trede gezet. Dus moeten zij mij maar eens antwoord geven op de vraag hoe het komt dat zij Abraham negeren en wegstoppen! Nou, dit is de reden: het is duidelijk dat de oude kerk een dergelijkegewoonte niet gekend heeft. Dus vonden ze het maar het beste om over de oude aartsvaders te zwijgen, om zo te verbergen dat het een nieuwe gewoonte is. Alsof een nieuwe en verdorven gewoonte verontschuldigd kan worden door andere namen te gebruiken.

Sommigen voeren aan dat men tot God bad of Hij zich omwille van David over het volk wilde ontfermen. Maar dat biedt geen enkele steun aan hun dwaling. Het is juist heel effectief om die te weerleggen. Want als we bedenken wat Davids roeping was, dan zien we dat hij apart gezet wordt van heel de massa heiligen, omdat God het verbond wilde bevestigen dat Hij in Davids hand gesloten heeft. Het gaat dan dus meer om het verbond dan om de persoon. Als beeld bevestigt het juist Christus’ enige voorbede. Want dit was alleen eigen aan David voor zover hij het beeld van Christus was. En dus kan het natuurlijk niet op anderen toegepast worden.

Gebeden van heiligen zijn niet beter dan die van ons

Echter, sommigen worden blijkbaar beïnvloed door het feit dat je vaak leest over gebeden van heiligen die verhoord werden. Waarom werden ze verhoord? Omdat ze gebeden hadden. De profeet zegt: ‘Op U hebben zij gehoopt en ze zijn gered. Ze hebben geroepen en kwamen niet beschaamd uit.’ Psalm 22:5-6 Maar dan moeten wij ook bidden volgens hun voorbeeld. Dan worden ook wij net als zij verhoord! Maar mijn tegenstanders redeneren verkeerd. Ze draaien de argumentatie om en zeggen dat alleen degenen verhoord worden die al een keer verhoord zijn.

Wat redeneert Jacobus dan beter! Hij zegt: ‘Elia was een mens als wij. Hij bad of het niet zou regenen en drie jaar en zes maanden lang regende het niet op aarde. En hij bad opnieuw en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort.’ Jacobus 5:17-18 Wat? Maakt Jacobus hieruit op dat Elia een bijzonder voorrecht had, waar wij onze toevlucht toe moeten nemen? Absoluut niet! Hij leert juist dat een vroom en zuiver gebed altijd kracht heeft. Zo wil hij ons aansporen om op dezelfde manier te bidden. Want we leggen Gods bereidheid en welwillendheid om gebeden te verhoren heel verkeerd uit als zulke ervaringen ons niet sterken om nog vaster te vertrouwen op zijn beloften. Hij belooft immers dat Hij zijn oor niet neigt tot één of twee of enkele mensen, maar tot iedereen die zijn naam aanroept.

Deze onwetendheid is nog minder te verontschuldigen omdat ze daarmee zoveel vermaningen uit de Schrift opzettelijk lijken te negeren. David is meer dan eens door Gods kracht verlost. Maar gebeurde dat met de bedoeling dat hij zelf die kracht zou houden en wij op zijn verzoek verlost zouden worden? Hijzelf verklaart iets heel anders: ‘De rechtvaardigen wachten op mij, totdat U mij goed doet.’ Psalm 142:8 En: ‘De rechtvaardigen zullen het zien en zich verheugen en hopen op de HEER.’ Psalm 52:8 ‘Kijk, deze ellendige riep tot God en Hij antwoordde hem.’ Psalm 34:7

Er staan veel van zulke gebeden in de Psalmen, waarin David God bidt of Hij wil geven waar hij om vraagt, met als reden dat dan de rechtvaardigen opgebeurd worden en goede hoop krijgen. Anders zouden ze beschaamd staan. Laten we met één voorbeeld tevreden zijn: ‘Daarom zal elke heilige U aanbidden op het juiste moment.’ Psalm 32:6 Ik haal juist deze passage graag aan omdat deze mensen, die goed en fout door elkaar halen en hun tong lenen om het pausdom te verdedigen, zich er niet voor hebben geschaamd juist deze passage aan te voeren als bewijs voor de voorbede door doden. Alsof David iets anders wilde dan erop wijzen welke vrucht Gods welwillendheid en genade oplevert als God hem verhoort!

In het algemeen moeten we weten dat het ervaren van Gods genade, zowel door anderen als door onszelf, een buitengewoon hulpmiddel is om de betrouwbaarheid van zijn beloften te bevestigen. Ik haal niet de vele passages aan waar David zich Gods zegeningen voor ogen stelt als bouwmateriaal voor zijn vertrouwen. Wie de

Psalmen leest, komt ze vanzelf tegen. Jacob had eerder al met zijn voorbeeld hetzelfde geleerd: ‘Ik ben kleiner dan al uw barmhartigheid en betrouwbaarheid die U uw dienaar bewezen hebt. Met mijn staf ben ik deze Jordaan overgestoken. En nu trek ik op met twee legers.’ Genesis 32:10 (32:11) Hij heeft het inderdaad over de belofte. Maar niet alleen daarover. Hij noemt daarbij ook het effect: voor de toekomst mag hij er nog sterker op vertrouwen dat God tegenover hem dezelfde zal blijven. Immers, God is niet zoals de mensen. Die krijgen spijt van hun vrijgevigheid of hun vermogen raakt uitgeput. Maar God moet beoordeeld worden volgens zijn eigen aard.

David doet dat op een verstandige manier: ‘U hebt mij verlost, God van de waarheid.’ Psalm 31:6 Hij kent God de lof toe voor zijn verlossing. En dan voegt hij eraan toe dat God betrouwbaar is. Want als Hij niet altijd aan zichzelf gelijk zou blijven, zouden zijn zegeningen niet voldoende reden vormen om Hem met vertrouwen aan te roepen. Maar we mogen weten dat Hij, telkens als Hij ons helpt, een voorbeeld en bewijs geeft van zijn goedheid en trouw. Daarom hoeven we niet bang te zijn dat onze hoop beschaamd uitkomt of ons bedriegt.

Samenvatting

Een korte samenvatting. Als belangrijkste onderdeel van het dienen van God, prijst de Schrift ons het aanroepen van Hem aan. Deze plicht van vroomheid eist God van ons en alle andere offers zijn daaraan ondergeschikt. Daarom is het overduidelijk een heiligschennis als we ons gebed richten tot anderen. In Psalm 44 wordt daarom ook gezegd: ‘Als we onze handen uitstrekken naar een vreemde god, zou God daar dan geen onderzoek naar doen?’ Psalm 44:21-22

Bovendien wil God dat we Hem alleen aanroepen vanuit geloof. En Hij beveelt ons uitdrukkelijk dat we onze gebeden moeten vormen volgens de norm van zijn Woord. Kortom, als geloof, gebaseerd op het Woord, de moeder is van juist gebed, wordt het gebed onvermijdelijk bedorven zodra het van het Woord afwijkt. En ik heb al aangetoond dat, als je de Schrift raadpleegt, daarin deze eer alleen aan God wordt toegekend.

Wat betreft de taak van de voorbede: we hebben ook gezien dat die eigen is aan Christus. En een gebed is alleen aangenaam voor God als het door die middelaar geheiligd is. Weliswaar zenden de gelovigen onderling ook gebeden omhoog voor hun broeders. Maar zoals we gezien hebben, doet dat niets af aan de enige voorbede van Christus. Immers, als de gelovigen zichzelf of anderen aan God opdragen, steunen ze allemaal altijd op Christus’ voorbede.

Bovendien heb ik geleerd dat mijn tegenstanders dit onterecht op de doden laten slaan. Want we lezen nergens dat hun wordt opgedragen om voor ons te bidden. De Schrift spoort ons wel vaak aan om elkaar deze dienst te bewijzen, maar over de doden zegt de Schrift geen woord. Sterker nog, Jacobus voegt deze twee dingen samen: we moeten elkaar onze zonden belijden en over en weer voor elkaar bidden. Impliciet sluit hij de doden daarmee dus uit. Jacobus 5:16

Daarom is dit ene argument voldoende om deze dwaling te veroordelen: bidden zoals het hoort, vindt zijn oorsprong in geloof en geloof komt voort uit het luisteren naar Gods Woord. Romeinen 10:14-17 In dat Woord wordt deze verzonnen voorbede niet één keer genoemd. Want uit bijgeloof heeft men zich zomaar advocaten toegeëigend, zonder dat God die gegeven heeft. De Schrift staat vol van allerlei vormen van gebed. Maar toch vind je daar geen enkel voorbeeld van deze voorbede, waar – zo gelooft men in het pausdom – geen enkel gebed zonder kan bestaan.

Verder staat vast dat dit bijgeloof ontstaan is uit een gebrek aan vertrouwen. Óf omdat ze met Christus als voorbidder niet tevreden waren, óf omdat ze Hem volledig van deze eer beroofd hebben. Dat dat laatste het geval is, kun je gemakkelijk bewijzen uit hun onbeschaamdheid. Want het sterkste argument dat zij in stelling brengen om te bewijzen dat we de voorbede van de heiligen nodig hebben, is dat we het niet waard zijn om op de gewone manier naar God toe te gaan. Ik erken dat dit volkomen waar is. Maar ik concludeer daaruit dat ze voor Christus niets over laten. Want ze vinden zijn voorbede waardeloos als daar geen Joris, Hippolytus of andere van zulke spoken bij komen.

Bidden en danken

Het gebed beperkt zich eigenlijk tot wensen en verzoeken. Maar toch is bidden zo verwant aan danken dat we ze prima onder één noemer kunnen scharen. Immers, de soorten die Paulus opsomt, vallen onder het eerste onderdeel van deze indeling. 1 Timotheüs 2:1 Door te vragen en te smeken storten we onze verlangens voor God uit. We verzoeken zowel om wat helpt om zijn eer te verbreiden en de glorie van zijn naam te laten schitteren, als om de zegeningen die goed zijn voor ons. Door te danken prijzen we zijn zegeningen voor ons met de lof waar Hij recht op heeft, omdat we al het goede dat we gekregen hebben te danken hebben aan zijn vrijgevigheid. Daarom neemt David die twee onderdelen samen: ‘Roep Mij aan op de dag dat je in het nauw zit.Ik zal je eruit helpen en dan zul je Mij eren.’Psalm 50:15

En de Schrift gebiedt ons niet voor niets dat we die twee continu in praktijk moeten brengen. Want ergens anders heb ik gezegd dat onze armoede zo groot is. Onze eigen ervaring roept het uit. Van alle kanten worden we door zo grote en zo vele moeilijkheden gekweld en in het nauw gebracht. We hebben dus allemaal voldoende reden om continu te zuchten en te hijgen naar God en te smeken of Hij ons te hulp wil komen. Want ook al zouden we vrij zijn van tegenslag, dan nog moeten zelfs de meeste heilige mensen door de schuld van hun zonden en bovendien door de talloze aanvechtingen van verleidingen geprikkeld worden om te verlangen naar een hulpmiddel.En als we de lof en de dank onderbreken, is dat onvermijdelijk zonde. Want God houdt niet op de ene zegen op de andere te stapelen om ons, hoe laks we ook zijn, tot dankbaarheid te dwingen. Kortom, we worden door zijn vrijgevigheid haast bedolven onder zo’n grote overvloed aan zegeningen, we zien zoveel en zo grote wonderen van Hem, waarheenwe onze blik ook wenden, datwenooit een reden of aanleiding missen om Hem te loven en te danken.

Ik zal dit nog iets duidelijker uitleggen. Al onze hoop en hulp ligt in God. Dat heb ik eerder al uitgelegd. Wij en alles wat van ons is, kunnen niet voorspoedig zijn zonder zijn zegen. Daarom moeten we onszelf en alles wat van ons is, continu aan Hem opdragen.Jacobus 4:14Bovendien,alles wat we beramen, zeggen of doen, moeten we beramen, zeggen en doen onder zijn hand en wil en hopend op zijn hulp.

Want de Schrift verklaart dat ieder vervloekt is die op zichzelf of een ander vertrouwt als hij plannen maakt, die buiten Godswil om en zonder Hem aan te roepen iets onderneemt of probeert te beginnen.Jesaja 30:1; 31:1

En ik heb nu al een aantal keer gezegd dat God de eer krijgt waar Hij recht op heeft, als we Hem erkennen als de gever van al het goede. Dat betekent dus dat we alle goede dingen zo uit zijn hand moeten ontvangen dat we er continu dankbaar voor zijn. Bovendien kunnen we zijn zegeningen alleen maar legitiem gebruiken als we ook continu zijn lof blijven verkondigen en Hem danken. Want dat is de enige reden waarom die zegeningen vanuit zijn vrijgevigheid naar ons toe stromen. Want Paulus verklaart dat Gods gaven worden geheiligd door het Woord en door gebed.1 Timotheüs 4:5Daarmee geeft hijtegelijk ook aan dat ze zonder Woord en gebed totaal niet heilig of zuiver zijn. Met het Woord bedoelt hij daarbij in overdrachtelijke zin geloof.

Daarom zegt David iets heel moois als hij verkondigt dat hem door het ontvangen van Gods vrijgevigheid een nieuw lied in de mond gegeven is.Psalm 40:4Natuurlijk geeft hij daarmee aan dathetverkeerd is om te zwijgen, als we een zegen van God zonder lof laten passeren. Want telkens als Hij ons goed doet, geeft Hij ons een reden om Hem te prijzen. Zo roept ook Jesaja, als hij Gods bijzondere genade verkondigt, de gelovigen op tot een nieuw en buitengewoon lied.Jesaja 42:10

Met dezelfde bedoeling zegt David ergens anders: ‘Heer, open mijn lippen, dan zal mijn mond uw lof verkondigen!’Psalm 51:17En op dezelfde manier verklaren Hizkia en Jona dat het einddoel van hun verlossing zal zijn dat ze in de tempel met liederen Gods goedheid zullen loven.Jesaja 38:20; Jona 2:9 (2:10) David schrijft deze zelfde regel voor aan alle gelovigen samen. Hij zegt: ‘Hoe zal ik de HEER betalen voor alle zegeningen die Hij mij bewezen heeft? Ik zal de beker van de verlossing oppakken en de naam vandeHEER aanroepen!’Psalm 116:12-13En de kerk volgt die regel in een andere psalm: ‘Verlos ons, God! Dan zullen wij uw naam belijden en ons beroemen in uw lof!’Psalm 106:47En: ‘Hij heeft gelet op het gebed van de eenzame en heeft hun gebeden niet veracht. Dit zal worden opgeschreven voor de volgende generatie en het volk dat geschapen zal worden, zal de HEER loven. Dan zal men zijn naam vertellen in Sion en zijn lof in Jeruzalem!’Psalm 102:18-22

Ja, telkens als gelovigen God bidden of Hij iets wil doen omwille van zijn naam, belijden ze daarmee niet alleen dat ze het niet waard zijn om iets te krijgen in hun eigen naam. Nee, ze verplichten zich daarmee ook tot dankbaarheid. Ze belovendatze Gods vrijgevigheid op de juiste manier zullen gebruiken, door die te verkondigen. Daarom zegt Hosea, als hij het over de komende verlossing van de kerk heeft: ‘God, neem de onrechtvaardigheid weg en geef het goede.Danzullenwijbetalen met de kalveren van onze lippen.’Hosea 14:3

En Gods zegeningenclaimen dus niet alleendat we ze met onze tongmoetenloven. Ze wekken ook van nature liefde op voor God. David zegt: ‘Ik heb de HEER lief, want Hij heeft geluisterd naar het smeken van mijn stem.’Psalm 116:1En ergens anders, als hij vertelt over de hulp die hij ervaren heeft: ‘Ik zal U liefhebben, God, mijn vesting.’Psalm 18:2En God zal nooit blij zijn met onze lof, als die niet voortkomt uit deze glorie van de liefde.

Bovendien moeten we vasthouden aan de uitspraak van Paulus, dat allewensen die niet gepaard gaan met dankbaarheid, bedorven en verkeerd zijn. Want hij zegt: ‘Laten al jullie wensen door bidden en smeken met dankzegging bekend worden bij God.’Filippenzen 4:6Uit humeurigheid, tegenzin, gebrek aan geduld, hevig verdriet of angst komen velen ertoe om tijdens het bidden tegen God te mopperen. Daarom gebiedt Paulus dat gelovigen die emoties in bedwang moeten houden. Nog voordat ze gekregen hebben wat ze graag willen, moeten ze God al opgewekt danken. En als gebed ook in tegenspoed al gepaard moet gaan met dankbaarheid, hoe veel dringender beveelt God ons dan om zijn lof te bezingen als Hij onze verlangens inwilligt!

En ik heb geleerd dat onze gebeden door Christus’ voorbede geheiligd worden. Anders zouden ze besmeurd zijn. Daarom gebiedt de apostel ons ook om ons lofoffer te offeren via Christus. Hij wijst ons er zo op dat onze mond niet zuiver genoeg is om de glorie van Gods naam te laten schitteren. Christus moet als priester tussenbeide komen. Daar kunnen we uit concluderen dat de mensen in het pausdom wonderlijk betoverd geweest zijn. Het grootste deel van hen verwondert zich erover dat Christus advocaat genoemd wordt!

Dat is de reden waarom Paulus ons opdraagt om continu te blijven bidden en danken.1 Thessalonicenzen 5:17-18Want hij wil dat onze wensen zoveel mogelijk, ononderbroken, altijd, overal, in alle omstandigheden gericht zijn op God. We moeten alles verwachten van Hem en voor alles Hem de lof geven. Want Hij geeft ons continu reden om te loven en te bidden.

Bidden in het openbaar

Nu slaat ditcontinublijven bidden vooral op ieders eigen en persoonlijke gebeden. Toch raakt het ook wel een beetje de openbare gebeden van de kerk. Alleen kunnen die niet ononderbroken doorgaan. Bovendien moeten ze plaatsvinden volgens de orde die men samen overeengekomen is. Dat geef ik natuurlijk toe. Daarom worden er immers ook bepaalde tijdstippen afgesproken en vastgesteld. Voor God doen die er niet toe, maar voor de gewoonte van de mensen zijn die onmisbaar. Zo zorgen we ervoor dat alles goed geregeld is en in de kerk alles eerlijk en ordelijk geleid wordt, in overeenstemming met wat Paulus zegt.1 Korinthiërs 14:40

Dat verhindert echter niet dat elke kerk zich er soms toe moet opwekken om vaker te bidden en soms ook extra enthousiast moet bidden, omdat het om de een of andere reden harder nodig is.

Met dit blijven bidden is het volhouden in het bidden nauw verwant. Straks aan het eind is het het juiste moment om het daarover te hebben.

Blijven bidden heeft trouwens niets te maken met het blijven herhalen van woorden. Dat heeft Christus ons willen verbieden. Hij verbiedt ons om lang of vaak of heel emotioneel te blijven bidden. We mogen er niet op vertrouwen dat we iets van God kunnen afpersen door met loze praatjes aan zijn oren te zeuren, alsof Hij op een menselijke manier overgehaald moet worden.Want we weten dat huichelaarsgraag prat gaan op hoe ze bidden, omdat ze niet bedenken dat we met God te maken hebben. Immers, die farizeeër die God dankte dat hij niet zo was als anderen, juichte zichzelf ongetwijfeld toe in de ogen van mensen, alsof Hij op basis van zijn gebeden als heilig bekend wilde staan.Lucas 18:11

Vandaar dat zinloze herhalen van woorden dat tegenwoordig om dezelfde reden gebruikelijk is in het pausdom. Sommigen verknoeien hun tijd door steeds dezelfde gebedjes te herhalen, anderen prijzen zich aan bij de grote massa door langdradige woorden. Dit geklets drijft op een kinderachtige manier de spot met God. Daarom is het geen wonderdatdit in de kerk verboden is.

Want wat daar klinkt, moet altijd gemeend zijn en voortkomen uit een oprecht hart.

Een ander dergelijk bederf is aan dit bederf verwant. Ook dit veroordeelt Christus: huichelaars proberen veel getuigen te krijgen omdat ze graag pronken. Ze nemen liever het marktplein in beslag om te bidden dan dat hun gebeden niet door de wereld geprezen zouden worden.Mattheüs 6:5Maar ik heb eerder al gezegd dat het doel van het gebed is dat het hart omhoog gericht wordt naar God, zowel om Hem te loven als om Hem om hulp te vragen. Dan begrijp je dus dat het bij het gebed vooral om het hoofd en het hart gaat. Of beter: het gebed is eigenlijk een emotie binnen in het hart die voor God wordt uitgestort en neergelegd. Hij onderzoekt immers het hart.Romeinen 8:27

Daarom heeft de hemelse leermeester, toen Hij de beste regel wilde voorschrijven om te bidden, bevolen dat we de binnenkamer in moeten gaan. Ik heb dat al gezegd. Daar moeten we met de deur dicht in het verborgen tot onze Vader bidden. Onze Vader ziet wat verborgen is en zal ons dan verhoren.Immers, eerst trekt Christus ons weg van het voorbeeld van de huichelaars, die met hun ijdele vertoning bij mensen in de gunst willen komen. En vervolgens voegt Hij daaraan toe wat beter is: de binnenkamer ingaan en bidden met de deuren dicht.Mattheüs 6:6 Ik leg dat zo uit: met die woorden leert Hij ons dat we een eenzame plek moeten zoeken. Dat kan ons helpen om ons volledig te concentreren op ons hart en daar diep in door te dringen. En Hij belooft dat God dicht bij ons zal zijn in de verlangens van ons hart. Ons lichaam hoort immers een tempel voor Hem te zijn.1 Korinthiërs 6:16

Natuurlijk heeft Christus niet willen ontkennen dat het ook goed kan zijn om op andere plekken te bidden. Maar Hij heeft laten zien dat bidden iets geheims is.Hetgaat vooral om het hart en er is rust voor nodig en afstand van alle drukte en zorgen. Niet voor niets zocht de Heer ook zelf, als Hij extra vurig wilde bidden, deeenzaamheid, ver van het rumoer van mensen. Maar Hij deed dat om onser doorzijn voorbeeldnadrukkelijk op te wijzendat we niet de hulpmiddelen moeten negeren die ons helpen om extra serieus en ijverig te bidden. We worden immers veel te gemakkelijk afgeleid.

Maar ondertussen liet Hij niet na om, als de gelegenheid zich voordeed, te bidden in het midden van een menigte mensen. Daarom moeten ook wij overal waar dat nodig is schone handen opheffen. Timotheüs 2:8En we moeten eraan vasthoudendat ieder die weigert om te bidden in de heilige vergadering van de vromen, niet weet wat het is om voor zichzelf te bidden, zowel in de eenzaamheid als thuis. En aan de andere kant, dat wie het alleen en persoonlijk bidden verwaarloost, ook al bezoekt hij ijverig de openbare bijeenkomsten, daar alleen zinloze gebeden doet. Want hij hecht meer waarde aan wat de mensen vinden dan aan Gods verborgen oordeel.

Ondertussenwil God niet dathet gezamenlijk bidden in de kerkgeminacht wordt. Daarom heeft Hij dat getooidmet schitterende, lovende woorden,vooral toenHijde tempel een ‘huis van gebed’ noemde.Jesaja 56:7; Mattheüs 21:13Want met die term leerde Hij dat de plicht om te bidden het belangrijkste onderdeel is van het dienen van Hem. En de tempel is voor de gelovigen opgericht als een banier. Daar moeten ze zich eendrachtig trainen in het bidden.

Daar was nog een heerlijke belofte aan toegevoegd: ‘U, God, wacht de lof in Sion en aan U zal de belofte betaald worden.’Psalm 65:2 Met die woorden wijst de profeet erop dat de gebeden van de kerk nooit voor niets zijn. Want God geeft altijd reden om vol vreugde te zingen. De schaduwen van de wet hebben weliswaar opgehouden. Maar toch heeft God ook onder ons met dit ritueel de eenheid van het geloof willen ondersteunen. Daarom is er geen twijfel aan dat diezelfde belofte ook voor ons geldt. Christus heeft die ook met zijn mond bevestigd en Paulus leert dat die voor eeuwig van kracht is.

Kerkgebouwen

God beveelt door zijn Woord dus dat de gelovigen samen bidden. Daarom moeten er ook openbare kerkgebouwen bestemd zijn voor het houden van die gebeden. En degenen die weigeren om zich daar met Gods volk in gebed te verenigen, mogen geen misbruik maken van het excuus dat ze hun binnenkamer in gaan om Gods gebod te gehoorzamen. Want God belooft dat Hij alles zal doen waar twee of drie die in zijn naam bij elkaar zijn om zullen bidden.Mattheüs 18:19-20Daarmee verklaart Hij dat Hij openlijk uitgesproken gebeden absoluut niet negeert. Als men er maar niet op uit is om door mensen geëerd te worden, maar een oprecht en echt verlangen heeft dat in het verborgene van het hart huist.

Dit is vast en zekereen legitiem gebruik van kerkgebouwen.Als dat zo is,dan moeten we aan de andere kant oppassen dat we die kerkgebouwen niet beschouwen als plekken waar God daadwerkelijk woont, waarHijvaneen plekdichter bij ons naar ons luistert. Ook moeten we kerkgebouwen niet een of andere verborgen heiligheid toeschrijven, waardoor ons gebed voor God heiliger zou zijn. Sinds enkele eeuwen doet men dat wel. Maar wij zijn zelf Gods tempel. Als we God in zijn heilige tempel willen aanroepen, moeten we dus in onszelf bidden. Maar zo’n domheid moeten we aan de Joden en de heidenen overlaten. Wij hebben het gebod om de Heer zonder onderscheid van plaats aan te roepen in geest en in waarheid.Johannes 4:23

Vroeger was de tempel weliswaar op bevel van God gewijd om er te bidden en slachtoffers te offeren. Maar dat was in de tijdtoen de waarheid nog door zulke schaduwen werd afgebeeld en daaronder schuilging. Nu is de waarheid als levende werkelijkheid voor ons uitgedrukt. Dat staat niet toe dat we ons afhankelijk maken van een materiële tempel. En zelfs bij de Joden werd de tempel niet aangeprezen met de voorwaarde dat ze Gods aanwezigheid zouden opsluiten binnen zijn tempel. Nee, ze moesten daar getraind worden in het zien van de gedaante van de echte tempel. En daarom berispten Jesaja en Stefanus ernstig degenen die dachten dat God op een of andere manier woont in tempels die met handen gemaakt zijn.Jesaja 66:1; Handelingen 7:48-49

Samen hardop bidden en zingen

Hieruit blijkt bovendien overduidelijk dathardop sprekenofzingen, als datin het gebed voorkomt, geen enkele waarde heeftals datniet voortkomtuit ietsdat we diep in ons hart voelen. Sterker nog,hetwektalleen maar woede op tegen ons, alshetalleen maar voortkomtuit de buitenkant van onze lippen en uit onze keel. Want dat betekent dat je Gods heilige naam misbruikt en zijn majesteit bespot.

Dat kunnen we opmaken uit de woorden van Jesaja. Weliswaar hebben die woorden een bredere betekenis, maarze bestraffen ook deze fout. Hij zegt: ‘Dit volk komt naar Mij toe met zijn mond en eert Mij met zijn lippen. Maar hun hart blijft ver bij Mij vandaan en zij vrezen Mij met geboden en leringen van mensen.

Daarom, kijk, Ik zal een groot en opzienbarend wonder doen onder dit volk. Want de wijsheid van hun wijzen zal vergaan en het verstand van hun ouderen zal verdwijnen.’Jesaja 29:13-14; Mattheüs 15:8-9 Maar ik veroordeel hardop spreken en zingen niet. Sterker nog, ik raad dat sterk aan. Als het maar gepaard gaat met oprechtheid. Want dan traint het de geest in het denken aan God en houdt hethem daarop gespitst. Onze geest is wankel en wispelturig. Daarom verslapt hij gemakkelijk en is hij snel afgeleid, als hij niet door verschillende hulpmiddelen gesteund wordt.

Bovendien hoort Gods eer tot op zekere hoogte in al onze lichaamsdelen afzonderlijk te schitteren. Daarom is het vooral gepast dat de tong aan deze dienst gewijd wordt, zowel door te zingen als door te spreken. Immers, de tong is speciaal geschapen om Gods lof te verkondigen.

Maar de belangrijkste manier om de tong te gebruiken is bij de openbare gebeden, als de gelovigen samenkomen. Ze dienen God in één geest en in hetzelfde geloof en door samen te bidden prijzen ze Hem met één gezamenlijke stem en als het ware allemaal tegelijk met dezelfde mond. En dan ook nog openlijk, zodat ze allemaal van elkaar een geloofsbelijdenis ontvangen, ieder van zijn broeder. Zo worden ze door elkaars voorbeeld uitgenodigd en aangespoord.

Zingen is goed

In het voorbijgaan: het staat vast dat het al een oude gewoonte is om in de kerk te zingen. Maar dat niet alleen. Ook de apostelen kenden dit gebruik al. Dat kun je opmaken uit deze woorden van Paulus: ‘Ik zal zingen met de geest, ik zal ook zingen met het verstand.’ Korinthiërs 14:15En tegen de Kolossenzen: ‘Onderwijs en vermaan elkaar met lofzangen, psalmen en geestelijke liederen. Zing voor de Heer met dank in jullie hart.’Kolossenzen 3:16 Immers, in de eerste plaats beveelt Paulus om hardop te zingen en vanuit het hart. En in de tweede plaats raadt hij de vromen geestelijkeliederen aan om daarmee elkaar op te bouwen.

Toch is dit geen algemene gewoonte geweest.Dat getuigt Augustinus. Hij vertelt dat de kerk van Milaan pas onder Ambrosius is gaan zingen. Justina, de moeder vankeizerValentinianusII2ging toen tekeer tegen het orthodoxe geloof. Het volk was toen meer dan anders zonder ophouden waakzaam. Daarna zijn de andere kerken in hetWesten gevolgd.3Want even daarvóór had hij gezegd dat deze gewoonte bij de kerken in hetOosten vandaan kwam,waar het altijd gewoonte geweest is.

Ook geeft Augustinus in boek 2 van zijnHerroepingenaan dat deze gewoonte in zijn tijd was aangenomen in Afrika. Hijzegt: ‘Een zekere Hilarius, een man met de rang van tribuun, hekelde en bespotte overal waar hij maar kon de gewoonte die toen in Carthago in gebruik raakte: er werden lofzangen gezongen bij het altaar, óf vóór het offeren van de gaven, óf tijdens het uitdelen van de offergaven aan het volk. Ik heb hem op verzoek van de broeders antwoord gegeven.’

En natuurlijk, als er beheerst gezongen wordt, passend bij de verhevenheid die gepast is voor Gods ogen en voor die van de engelen, dan verleent het de heilige handelingen waardigheid en gratie. Dan draagt het veel bij aan het opwekken van het hart tot echt ijverig en vurig bidden. Maar toch moeten we er goed voor oppassen dat de oren meer aandacht schenken aan de mooie melodie dan het hart aan de geestelijke betekenis van de woorden.

Dezelfde Augustinus bekent ergens dat hij vanwege dit risico graag zou willen dat de gewoonte vanAthanasius zou worden ingevoerd.Athanasiusbeval de voorlezer om zijn stem zo weinig intonatie mee te geven dat het meer leek op spreken dan op zingen. Maar als Augustinus dan weer bedacht hoeveel hij aan gezangen te danken had, was hij toch weer geneigd om te willen zingen.

Dus als we ons zo beheersen, is zingen ongetwijfeld heel heilig en gezond. Maar aan de andere kant passen er bij de majesteit van de kerk geen gezangen die er alleen op gericht zijn om mooi te klinken en de oren te strelen. Het kan niet anders of dit soort gezangen vindt God heel erg.

Bidden in de volkstaal

En daaruit blijkt ook duidelijk dat de openbare gebeden bij Latijn-sprekenden niet in het Grieks uitgesproken moeten worden en bij de Fransen en Engelsen niet in het Latijn. Zo gebeurt het tot nu toe wel overal. Maar het moet in de volkstaal, die iedereen in de samenkomst begrijpen kan. Want heel de kerk hoort erdoor opgebouwd te worden. Maar aan een geluid dat ze niet kan begrijpen, heeft de kerk niets.

En als je geen rekening houdt met liefde of menselijk gevoel, moet je je toch in elk geval een beetje laten beïnvloeden door het gezag van Paulus. Zijn woorden zijn ondubbelzinnig. Hij zegt: ‘Als je zegent met de geest, hoe zal iemand die in de positie van een leek verkeert “amen” kunnen zeggen op je zegen? Hij weet immers niet wat je zegt? Want je zegent wel, maarde ander wordt niet opgebouwd.’ Korinthiërs 14:16-17 Wie kan zich dan voldoende verwonderen over de tomeloze brutaliteit van de pausgezinden? De apostel verzet zich er openlijk tegen en toch deinzen zij er niet voor terug om langdradige gebeden te laten weergalmen in een vreemde taal! Soms verstaan ze er zelf geen enkel woord van en ze willen niet dat anderen er iets van begrijpen.

Maar Paulus schrijft ons voor om het anders te doen. Hij zegt: ‘Want dan? Ik zal wel bidden met deGeest, maar ik zal ook bidden met het verstand. Ik zal wel zingen met deGeest, maar ik zal ook zingen met het verstand.’ Korinthiërs 14:15Met het woord ‘Geest’ bedoelt hij de speciale gave van de talen. Sommigen die deze gave gekregen hadden, misbruikten die. Want ze maakten die los van het verstand, dat wil zeggen: van het begrijpen.

Maar we moeten volledig beseffen: het kan niet anders, niet in het openbaar en niet in het persoonlijk gebed, oftongzonder hart vindt God heel erg.

Bovendien moeten we beseffen dathet verstandopgewekt moet worden door vurige gedachten, zodat het verstand verder reikt dan alles wat door de tong kan worden uitgedrukt.

Ten slotte moeten we beseffen dat voor persoonlijk gebed de tong helemaal niet nodig is. Behalve dan voor zover het innerlijk besef niet sterk genoeg is om zichzelf op te wekken, of voor zover het verstand zo hevig opgewekt wordt dat de tong daardoor gaat spreken. De beste gebeden gebeuren immers stilzwijgend. Maar toch gebeurt het vaak dat de emoties van de geest zo sterk opgewekt worden, dat de tong als vanzelf gaat spreken en de andere ledematen gaan gebaren. Zo kwam het natuurlijk dat Hanna zo onduidelijk fluisterde Samuël 1:13en alle heiligen ervaren zoiets steeds weer bij zichzelf, als ze losbarsten in hakkelend en verbrokkeld spreken.

Wat betreft de lichamelijke gebaren die we altijd gebruiken als we bidden, zoals knielen en het ontbloten van het hoofd: daardoor trainen we ons om te proberen nog meer eerbied voor God te bereiken.

Het Onze Vader

Nu moeten we niet alleen de betrouwbaarste manier van bidden leren, maar ook de vorm zelf: de vorm die de hemelse Vader aan ons gegeven heeft via zijn geliefde Zoon. Daarin kunnen we zijnonmetelijkegoedheid en zachtmoedigheid opmerken.

Want Hij spoort ons niet alleen aan om Hem om hulp te vragen, telkens als we in nood zitten, zoals kinderen telkens als ze door moeilijkheden gekweld worden altijd naar hun trouwe ouders vluchten. Ook komt Hij onze onwetendheid te hulp. Want Hij zag dat we zelf niet genoeg begrijpen hoe groot onze armoede is, wat we horen te vragen en wat goed voor ons is. Daarom heeft Hij zelf aangevuld wat wij tekortkomen en ons dat gegeven.

Want Hij heeft ons een formule gegeven met een soort lijst waarin Hij alles opsomt waar we Hem om mogen vragen, alles wat goed voor ons is en alles waar we om moeten vragen omdat we het nodig hebben. En die goedheid levert ons een grote troost op. Want nu begrijpen we dat nietsdaarvanabsurd, vreemd of ongeschikt is, kortom, datdaarnietsbijis waarvan Hij het erg vindt als weerom vragen.We bidden immers haast met zijn eigen mond.

Plato zag hoe weinig de mensen wisten hoe ze hun wensen moesten overbrengen aan God. Als hun wensen ingewilligd zouden zijn, zou het hun meer dan eens slecht vergaan zijn. Daarom verklaarde Plato dat dit de beste manier was om te bidden – overgenomen van een oude dichter: ‘Koning Zeus, geef ons het beste, of we er nu om vragen of niet. En houdt het kwaad van ons weg, zelfs als we erom vragen.’

Het is wijs van deze heiden dat hij begrijpt hoe gevaarlijk het is als we van de Heer vragen wat onze begeerte ons ingeeft. Bovendien maakt hij duidelijk hoe ongelukkig we eraan toe zijn, omdat we zelfs voor God niet zonder risico onze mond open kunnen doen als de Geest ons niet leert wat de juiste manier is om te bidden. Daarom moeten we extra het voorrecht waarderen dat Gods eniggeboren Zoon ons de woorden in de mond legt en zo onze geest van alle aarzeling bevrijdt.

Indeling

Deze formule of deze richtlijn voor het gebed bestaat uit zes beden. Ik sluit me niet aan bij degenen die het gebed willen verdelen in zeven onderdelen. De reden is dat de evangelist een voegwoord gebruikt, waarmee hij twee onderdelen als tegenstelling met elkaar lijkt te willen verbinden. Het is alsof hij zegt: ‘Laat ons niet door verzoeking in het nauw komen, maar kom ons te hulp in onze breekbaarheid en verlos ons, om te voorkomen dat we bezwijken.’ Ook de oude schrijvers van de kerk zijn het met mij eens dat we wat bij Mattheüs als zevende punt is toegevoegd, moeten opvatten als een uitleg bij de zesde bede.

Nu gaatheter bij heel het bidden om dat je altijd in de eerste plaats rekening moet houden met Gods eer. Toch zijn de eerste drie beden speciaal gericht op Gods eer. In die beden moeten we dus alleen op Gods eer letten en niet op, zeg maar, ons eigen belang. Bij de andere drie beden gaat het om de zorg voor ons. Zij zijn specifiek bedoeld om te vragen wat goed voor ons is.

Dus als we bidden of Gods naam geheiligd mag worden, moeten we helemaal niet aan ons eigen belang denken. Want God wil testen of we Hem soms liefhebben en dienen in de hoop daarvoor beloond te worden. We moeten alleen aan Gods eer denken en onzeogen daar strak op gevestigd houden. En bij de andere gebeden van deze categorie moeten we ook zo denken.

En juist dan levert ons dat een groot voordeel op. Want als Gods naam geheiligd wordt, zoals wij bidden, wordt Hij omgekeerd ook onze heiliging. Maar dat voordeel krijgen we alleen als onze ogen, zoals ik zei, gesloten en in zekere zin blind zijn. Ze moeten daar helemaal niet naar kijken. Zelfs al was alle hoop op persoonlijk voordeel voor ons afgesneden, dan nog zouden we deze heiliging en de andere dingen die te maken hebben met Gods eer nog steeds moeten wensen en zouden we er nog steeds om moeten bidden.

Dat kun je zien in de voorbeelden van Mozes en Paulus.Zij vonden het niet moeilijk om hun hart en ogen af te keren van zichzelf en met een hevig en brandend verlangen hun eigen ondergang te begeren, om zelfs met nadeel voor henzelf Gods eer en koninkrijk te bevorderen.Exodus 32:32; Romeinen 9:3

Verder, als we bidden of we ons dagelijks brood mogen krijgen, dan vragen we weliswaar om iets in ons eigen belang. Maar ook daarin moeten we vooral uit zijn op Gods eer. Als het niet tot zijn eer zou zijn, zouden we er dus niets eens om mogen vragen.

Laten we nu beginnenmetde uitleg van het gebed zelf.

‘Onze Vader’

Meteen al bij het begin komen we tegen wat ik eerder gezegd heb: elk gebed tot God kunnen we alleen maar tot Hem richten in de naam van Christus. In geen enkele andere naam kan het aan Hem worden opgedragen. Want als we God onze Vader noemen,Mattheüs 6:9danverschuilen we ons natuurlijk achter de naam van Christus.Want op grond van welk vertrouwen zou je God je Vader durven noemen? Wie zou zo brutaal durven zijn, dat je jezelf de eer zou aanmatigen dat je Gods kind bent, als we nietinChristus waren geadopteerd als kinderen vandegenade? Hij is de echte Zoon en God heeft Hem als broer aan ons gegeven. Wat van nature zijn eigendom is, wordt nu door de zegen van de adoptie van ons, als we zo’n grote goedheid met een vast geloof omhelzen.Dat klopt met watJohanneszegt:degenen die geloven in de naam van Gods eniggeboren Zoonzijnin staat gesteld om zelf ook Gods kinderen te worden.Johannes 1:12

Daarom noemt God zichzelf onze Vader en wil Hij zo door ons genoemd worden. Door deze o zo heerlijke naam bevrijdt Hij ons van elk gebrek aan vertrouwen. Want nergens anders dan in een vader is zo’n grote genegenheid en liefde te vinden. Daarom heeft Hij zijn onmetelijke liefde voor ons met geen betrouwbaarder bewijs kunnen laten zien dan door ons Gods kinderen te laten noemen. Johannes 3:1En zijn liefde voor ons is veel groter en beter dan alle liefde van onzeouders, net zoveel als Hij alle mensen in goedheid en barmhartigheid overtreft. Al zouden alle aardse vaders elk gevoel van vaderlijke liefde loslaten en hun kinderen in de steek laten, God zal ons nooit in de steek laten.Psalm 27:10; Jesaja 63:16Want Hij kan zichzelf niet verloochenen.2 Timotheüs 2:13We hebben immers zijn belofte: ‘Als jullie, die slecht zijn, je kinderen goede gaven weten te geven, hoeveel meer dan jullie Vader in de hemel!’Mattheüs 7:11En ook bij de profeet Jesaja: ‘Kan een moeder soms haar kinderen vergeten? En zelfs al zou ze hen vergeten, dan nog zal ik jullie niet vergeten!’Jesaja 49:15

En een zoon kan zich niet toevertrouwen aan de hoede van een vreemde, die geen familie van hem is, zonder zich daarmee tegelijk te beklagen over de wreedheid of armoede van zijn vader. Zo kunnen wij, als wij Gods kinderen zijn,dus ook niet ergens anders hulp zoeken dan bij Hem, zonder Hem te verwijten dat hij arm is en te weinig kan, of wreedofveel te streng is.

Wij zijn Gods kinderen

En we moeten niet aanvoeren dat we terecht afgeschrikt woorden door het besef van onze zonden. Ook al is onze Vader welwillend en zachtmoedig, toch zorgen die zonden erimmers voor dat Hij elke dag boos op ons wordt. Maarstel dat bij mensen een zooneenverdediger nodig heeft om zijn zaak bij zijn vader te bepleiten, een bemiddelaar om de verloren gunst van zijn vader weer terug te winnen. Wie kan dat dan beter zijn dan hijzelf, als hij deemoedig en nederig zijn schuld erkent en een beroep doet op de barmhartigheid van zijn vader? Zijn vader kan dan vanbinnen onmogelijk onbewogen blijven onder zulke smekingen. Dus wat zou de Vader van de barmhartigheid en de God van alle troost dan wel niet doen?2 Korinthiërs 1:3Zal Hij de tranen en verzuchtingen van zijn kinderen die voor zichzelf tot Hem bidden niet veel eerder verhoren dan het pleiten van iemand anders? Hij nodigt zijn kinderen zelf uit en spoorthen aan om tot Hem te bidden! Waarom zouden ze dan vol angst en blijkbaar wanhopig hun toevlucht nemen tot een ander, omdat ze te weinig vertrouwen hebben in de zachtmoedigheid en welwillendheid van hun Vader?

Deze overvloed aan vaderlijke zachtmoedigheid tekentGodvoor ons uit in een gelijkenis. In die gelijkenis heeft de zoon zich van zijn vader vervreemd. Hij heeft zijn vaders bezittingen losbandig verkwist en op alle mogelijke manieren ernstig tegen zijn vader gezondigd.

Maar zijn vader omhelst hem met open armen. Hij wacht niet tot zijn zoon uitdrukkelijk om vergeving vraagt, maar zet zelf de eerste stap. Als hij terugkomt, herkent hij hem al van grote afstand en loopt hem tegemoet. Hij troost hem en neemt hem in genade aan.Lucas 15:20-24 ToenGodons dit voorbeeld presenteerde van zo’n grote zachtmoedigheid in een mens, heeft

Hij ons willen leren hoeveel overvloediger zachtmoedigheid wij moeten verwachten vanHem. Hij is niet zomaar onze Vader, maar verreweg de beste en meest welwillende van alle vaders. Zelfs al zijn wij ondankbare, koppige en slechte kinderen. Als we ons maarovergevenaan zijn barmhartigheid.

En God wilde een nog vaster vertrouwen in ons wekken dat Hij zo’n Vader is, als wij christenen zijn. Daarom wilde Hij niet alleen maar ‘Vader’ genoemd worden, maar uitdrukkelijk ‘onze Vader’. Alsof we tegen Hem zeggen: ‘Vader, U hebt uw kinderen zo lief en wilt hen zo graag vergeven. Wij, uw kinderen, roepen U aan en bidden tot U omdat we er zeker van zijn en er volkomen van overtuigd zijn dat U niets anders voor ons voelt dan vaderlijke liefde. Zelfs al zijn wij zo’n Vader niet waardom wat voor verkeerde dingen we ook gedaan hebben en hoe onvolmaakt en arm we ook zijn.’

Maar ons hart is zo krap dat het zo’n onmetelijke goedheid niet kan bevatten. Daarom is Christus voor ons niet alleen eenwaarborgvan onze adoptiealskinderen. Hij geeft ons ook een getuige van die adoptie: de Geest. Door Hem mogen wij vrijuit en luidkeels roepen: ‘Abba, Vader!’Galaten 4:6; Romeinen 8:15Telkens als een of andere aarzeling ons hindert, moeten we er dus aan denken dat we Hem vragen of Hij onze angst wil corrigeren en ons die Geest wil geven als gids, zodat we vrijmoedig kunnen bidden.

Wij zijn samen leden van hetzelfde gezin

Echter, ons wordt niet geleerd om God ieder voor zich ‘mijn Vader’ te noemen. We moeten Hem juist samen ‘onze Vader’ noemen. Daardoor worden weerop gewezenhoeveel broederlijke liefde we voor elkaar moeten hebben. Want we zijn allemaal kinderen van zo’n Vader, volgens hetzelfde recht van barmhartigheid en onverdiende vrijgevigheid.En als we allemaal dezelfde gemeenschappelijke Vader hebben, van wie we al het goede krijgen dat ons te beurt kan vallen, dan moeten we bereid zijn om alles wat onder ons verdeeld is, met een opgewekt hart te delen met elkaar, voor zover dat nodig is.

Welnu, als we elkaar graag zo de hand reiken en hulp bieden, zoals het hoort, dan is er niets waar onze broeders meer aan hebben, dan dat we hen opdragen in de zorg en voorzienigheid van de allerbeste Vader. Want als die hun genadig en goedgezind is, dan kan het hun aan niets meer ontbreken.

En natuurlijk zijn wehetook verplicht aan onze Vader. Want als je een huisvader echt en van harte liefhebt, omhels je tegelijk ook zijn hele gezin met liefde en welwillendheid. Zo moeten ook wij dezelfde genegenheid die we voor onze hemelse Vader hebben, ook betonen aan zijn volk, aan zijn gezin en ten slotte ook aan zijn erfdeel. Want Hij heeft hen zo geëerd dat Hij hen de vervulling genoemd heeft van zijn eniggeboren Zoon.Efeziërs 1:23

Een christen moet zijn gebedendus inrichten volgens deze regel: ze moeten algemeen zijn en ieder omvatten die in Christus zijn broeders zijn. En niet alleen degenen die hij op dat moment ziet en van wie hij weet dat het zijn broeders zijn, maar alle mensen die op aarde leven. Want we weten niet wat God over hen besloten heeft. Wel weten we dat het zowel vroom alshumaanis om voor hen het goede te wensen en te hopen. Ook al horen we de gezinsleden van het geloof lief te hebben met een speciale genegenheid. Want de apostel Paulus heeft hen in alle dingen speciaal bij ons aanbevolen.Galaten 6:10Kortom, al onze gebeden moeten gericht zijn op de gemeenschap die onze Heer in zijn koninkrijk en huishouding heeft ingesteld.

Bidden voor specifieke personen

Maar dat verhindert niet dat we specifiek voor onszelf en voor bepaalde anderen mogen bidden. Als we ons hart maar gericht houden op deze gemeenschap. We moeten ons daar niet van afkeren, maar alles daarop richten. Zulke gebeden worden dan wel gedaan voor specifieke personen, maar blijven dan toch algemeen, omdat ze op het algemene doel gericht worden.

Je kunt dit gemakkelijk begrijpen door middel van een vergelijking. Er is een algemeen gebod van God dat het gebrek van alle mensen verlicht moet worden. Toch gehoorzaam je dit gebod als je, gericht op dit doel, mensen te hulp komt in hun armoede van wie je weet of ziet dat ze gebrek lijden. Ook al passeer je velen dienietminder in problemen zitten,omdat je hen niet allemaal kent, of omdat je niet iedereen kunt helpen. Op deze manier ga je niet in tegen Gods wil als je de algemene gemeenschap van de kerk in het oog houdt en daaraan denkt en dan specifiek voor bepaalde personen bidt. Als je met een hart vol liefde voor iedereen, aan God uitdrukkelijk jezelf of anderen opdraagt. Want God heeft gewild dat de nood van hen jou speciaal bekend is.

Echter, bidden en het geven van financiële hulp zijn niet in alle opzichten gelijk. Want welwillend geven kan alleen aan mensen van wie we gezien hebben dat ze arm zijn. Maar met gebed kunnen we zelfs mensen helpen die ons totaal vreemd of onbekend zijn, hoe groot de afstand ook is die ons op aarde van hen scheidt. Dat gebeurt door een algemene gebedsformule die al Gods kinderen omvat, waar ze ook bij horen.

Hierop kunnen we deaansporingvan Paulus laten slaan aan de gelovigen van zijn tijd: ze moeten overal schone handen opheffen, zonder ruzie.1 Timotheüs 2:8Paulus waarschuwt dat tweedracht de deur sluit voor hun gebeden. Daarom wil hij dat ze hun gebed eensgezind gebruiken voor het algemeen nut.

‘In de hemel’

Er wordt aan toegevoegd dat God in de hemel is.Mattheüs 6:9Daaruit moeten we niet meteen concluderen dat Hij door de omtrek van de hemel, als door een hek ingesloten en omheind, gevangen wordt gehouden. Want Salomo belijdt dat de hemelen der hemelen Hem niet kunnen bevatten.1 Koningen 8:27 En God zelf zegt via de profeet Jesaja dat de hemel zijn stoel is en de aarde de voetbank voor zijn voeten.Jesaja 66:1; Handelingen 7:49; 17:24 Daarmee maakt Hij natuurlijk duidelijk dat Hij niet door een bepaald gebied begrensd wordt, maar zich over alles uitstrekt.Maar ons verstand is zo ruw dat het Gods onuitsprekelijke glorie anders niet kon begrijpen. Daarom wordt die voor ons afgebeeld door de hemel. Want die is het hoogste en meest majesteitelijkedat wij kunnen zien.

Onze zinnen verbinden alle dingen altijd aan de plek waar we die zien. Daarom wordt God gepositioneerd buiten elke plaats. Als we Hem zoeken, worden we zo uitgetild boven elke zintuiglijke waarneming van lichaam en ziel. Bovendien wordt Hij door deze manier van spreken gesteld boven elke wisselvalligheid van bederf of verandering. En ten slottewordt duidelijk gemaakt dat Hij de hele wereld omvat, bij elkaar houdt en door zijn macht bestuurt.

Daarom is het net alsof er over Hem gezegd werd dat Hij een onbegrensde grootheid of verhevenheid, een onbegrijpelijk wezen, een onmetelijke macht en een eeuwige onsterfelijkheid heeft. En als we dit horen, moeten weonze gedachtenhogerbrengen als het over God gaat. We mogen niet iets aards of vleselijksoverHem fantaseren, we mogen Hem niet afmeten aan onze beperkte maatstaf en zijn wil niet beoordelen volgens onze neigingen. Bovendien moeten we ons vertrouwen op Hem richten, omdat we weten dat hemel en aarde bestuurd worden door zijn voorzienigheid en kracht.

Een korte samenvatting: onder de naam ‘Vader’ wordt ons die God gepresenteerd die in zijn eigen beeld aan ons verschenen is, om met een vast geloof aangeroepen te worden. En de intieme naam ‘Vader’ is niet alleen geschikt om vertrouwen te wekken, maar ook in staat om te voorkomen dat ons hart wordt aangetrokken tot twijfelachtige of verzonnen goden. Ons hart moet van de eniggeboren Zoon opstijgen tot de enige Vader vandeengelen en van de kerk. Verder wordt Gods troon geplaatst in de hemel, zodat wij er op basis van het bestuur van de wereld aan herinnerd worden dat we niet tevergeefs naar Hem toegaan. Want Hij komt ons uit eigen beweging tegemoeten omringt onsmet zijnzorg.

De apostel zegt:‘Wie naar God toegaan, moeten geloven dat Hij bestaat en dat Hij allen die Hem zoeken, beloont.’Hebreeën 11:6Christus kentdeze beide dingen toe aan zijn Vader:we moeten ons geloof vestigen op Hem. En we moeten er vast van overtuigd zijn dat Hij ons welzijn niet verwaarloost. Want Hij keurtonshetwaard dat Hij zijn voorzienigheid uitstrekttot ons.

Paulusbereidt ons voor op het juiste bidden door middel van het volgende onderwijs. Voordat hij ons beveelt God onze verlangens bekend te maken, zegt hij bij wijze van inleiding: ‘Maak je nergens bezorgd over. De Heer is vlakbij!’Filippenzen 4:5-6Daaruit blijkt dat je stevig in je hart verankerd moet hebben dat Gods oog rust op de rechtvaardigen.Psalm 33:18Als dat niet zo is, laat je je wensen twijfelend en verward in je hart rondtollen.

De eerste bede

De eerste bede is of Gods naam geheiligd mag worden.Mattheüs 6:9En de noodzaak van deze wens hangt samen met onze grote schande. Want wat is schandelijker dan dat Gods eer, voor een deel door onze ondankbaarheid, voor een deel door onze slechtheid, verduisterd wordt en door onze brutaliteit en woedende onbeschaamdheid, voor zover wij dat kunnen, vernietigd wordt? Ook al maken alle goddelozen rumoer met hun heiligschennende wellust, toch schittert de heiligheid van Gods naam. Niet voor niets roept de profeet uit: ‘Zoals uw naam is, God, zo is uw roem tot aan de einden van de aarde.’Psalm 48:11 Want overal waar God bekend wordt, openbaren zich onvermijdelijk zijn goede eigenschappen: zijn kracht, goedheid, wijsheid, rechtvaardigheid, barmhartigheid en waarheid. Die brengen ons ertoe Hem te bewonderen en zetten ons ertoe aan zijn glorie te prijzen. Wij kunnen Gods heiligheid niet verdedigen. Maar omdat die op aarde zo schandelijk van Hem gestolen wordt, krijgen we in elk geval het bevel door onze gebeden de zorg voor Gods heiligheid op ons te nemen.

De kern isdat we wensen dat Goddeeerkrijgtdie Hij waard is. Dat de mensen nooit over Hem spreken of denken zonder de grootst mogelijke eerbied. Daar tegenover staat de ontheiliging van zijn naam, die altijd veel te wijd verbreid is en ook nu nog in de wereld woedt. Vandaar dat deze bede nodig is. Als eralleen maareen middelmatige vroomheid in ons leefde, zou deze bedealoverbodig moeten zijn.En Gods naam houdt zijn heiligheid als hij apart gezet wordt van alle andere namen en enkelglorieademt. Daarom wordt ons hier niet alleen bevolen te bidden of God die heilige naam wil bevrijden van elke verachting en belediging, maar ook of Hij heel het menselijk geslacht wil dwingen tot eerbied voor die naam.

Verder openbaart God zich aan ons, voor een deel door zijn leer, voor een deel door zijn daden. Daarom kunnen we Hem alleen heiligen als we Hem op die beide punten geven waar Hij recht op heeft. We moeten alles wat van Hem komt, aanvaarden. We moeten zijn strengheid evengoed prijzen als zijn goedheid. Want in de grote variatie van zijn daden heeft Hij de kenmerken van zijn glorie gegrift. Het is terecht als alle tongen daardoor verleid worden om zijn lof te belijden. Zodoende krijgt de Schrift bij ons het gezag waar ze recht op heeft en vormt geen enkele ervaring voor ons een belemmering om God te loven zoals Hij in heel de loop van het wereldbestuur verdient.

Aan de andere kant is het ook de bedoeling van deze bede dat alle goddeloosheid die deze heilige naam besmeurt, omkomt en vernietigd wordt. Dat alle laster en spot die deze heiliging verduisteren of kleineren, uitgebannen worden. En dat de glorie van Gods majesteit steeds meer schittert, doordat God alle heiligschennis bedwingt.

De tweede bede

De tweede bede isofGods koninkrijkmagkomen.Mattheüs 6:10 Weliswaar bevat deze bede niets nieuws. Toch wordt er niet voor niets onderscheid gemaakt tussendeze bede en de eerste. Want als we bedenken hoe slaperig we op dit belangrijkste punt zijn, dan is het nodig dat wat ons op zichzelf volledig bekend had moeten zijn, er uitdrukkelijk bij ons ingestampt wordt. Duseerst hebbenwe het bevelgekregen omGod tevragen of Hij alles terecht wil wijzen en zelfs volledig wil vernietigen wat een smet werpt op zijn heilige naam. En nu wordt daar nog zo’n bede aan toegevoegd, die bijna hetzelfde is: of Gods koninkrijk mag komen.

Ik heb eerder al een definitie van dat koninkrijk gegeven. Maar ik zal die nu kort herhalen. God regeert waar mensen zich toewijden aan zijn rechtvaardigheid, door zichzelf te verloochenen, de wereld en het aardse leven te verachten en te streven naar het hemelse leven. Dit koninkrijk bestaat dus uit twee onderdelen. In de eerste plaats dat God alle slechte begeerten van het vlees, diebataljon na bataljon oorlog met Hem voeren, door de krachtvan zijn Geestcorrigeert. In de tweede plaats dat Hij al onze zinnen vormt tot gehoorzaamheid aan zijn regering.

Daarom houd je je bij deze bede alleen aan de goede volgorde als je bij jezelf begint. Jij moet gereinigd worden van elk bederf dat de toestand van rust in Gods koninkrijk verstoort en zijn reinheid besmet.

Verder is Gods Woord net een koninklijke scepter. Daarom wordt ons hier bevolen te bidden of God ieders verstand en hart in vrijwillige gehoorzaamheid wil onderwerpen aan dat Woord.

Dat gebeurt als Hij door de verborgen innerlijke werking van zijn Geest de effectiviteit van zijn Woord openbaart. Danschittert dat Woord op de eervolle positie die het verdient.

Vervolgens moeten we afdalen naar de goddelozen, die zich koppig en met een wanhopige razernij tegen Gods regering verzetten.God richt dus zijn koninkrijk op als Hij heel de wereld vernedert. Maar Hij doet dat op verschillende manieren. Want van sommigen temt Hijdeovermoed, van anderen breekt Hijdeongetemde hoogmoed. We moeten graag willen dat dit elke dag gebeurt. Dan verzamelt God kerken uit alle werelddelen. Hij laat die in aantal groeien, verrijkt die met zijn gaven enhandhaaft in hen een wettelijke orde. Aan de andere kant werpt Hij alle vijanden van de zuivere leer en de zuivere godsdienst omver, Hij gooit hun plannen in de war en verijdelt hun pogingen.

Daaruit blijkt dat we niet voor niets het bevel krijgen dat we ons best moeten doen om elke dag vooruit te komen. Want het gaat met de menselijke zaken nooit zo goed dat het vuil van de zonden uit de weg geruimd en afgewassen wordt. De zuiverheid floreert nooit volledig.Nee,die volledigheid blijft uit tot het einde, als Christus terugkomt. Dan zal God alles zijn in allen, zoals Paulus leert.1 Korinthiërs 15:28

Deze bede moet ons dus aftrekken van de bedorven dingen van de wereld. Die scheiden ons van God, zodat zijn koninkrijk niet in ons floreert. En zo moet deze bede ons ook aansporen om ijverig ons vlees te doden. En ten slotte moet deze bede ons leren ons kruis te dragen. Want God wil dat zijn koninkrijk op die manier wordt uitgebreid.

En we moeten het niet oneerlijk vinden als de uiterlijke mens vergaat. Als de innerlijke mens maar vernieuwd wordt. Want de voorwaarde voor Gods koninkrijk is dat Hij ons laat delen in zijnglorieals we ons onderwerpen aan zijn rechtvaardigheid. Dat gebeurt als Hij zijn licht en waarheid door nieuwe groeisteeds meerlaat schitteren. Door dat licht en die waarheid verdwijnen de duisternis en de leugens van Satan en zijn rijk. Ze worden vernietigd en vergaan. Dan beschermt God de zijnen. Hij leidt hen door de hulp van zijn Geestop het rechte spooren geeft hun kracht om vol te houden. Maar de goddeloze samenzweringen van de vijanden gooit Hij omver. Hij verzet zich tegen hun slechtheid. Hij onderdrukt hun koppigheid. Totdat Hij uiteindelijk met de adem van zijn mond de antichrist onderwerpt en alle goddeloosheid vernietigtmet de schittering van zijn komst.2 Thessalonicenzen 2:8

De derde bede

De derde bede isofGods wilmaggebeuren, op aarde net zoals in de hemel.Mattheüs 6:10Deze bede heeft te maken met Gods koninkrijk en kan daar niet van losgemaakt worden. Toch wordt deze bede niet voor niets apart toegevoegd. Want in onze onwetendheid begrijpen we niet zomaar meteen wat het inhoudt dat God in de wereld regeert.Het is daarom logisch om deze bede zo uit te leggen: God is koning in de wereld als ieder zich aan zijn wil onderwerpt.

Verder gaat het hier niet om Gods verborgen wil. Door zijn verborgen wil bestuurt God alles en bepaalt Hij hoe alles afloopt. Ook al gaan Satan en de mensen als razenden tegen Hem te keer, toch weet Hij hun aanvallen door zijn onbegrijpelijk plan niet alleen te buigen, maar ook zo te leiden dat Hij via hen doet wat Hij besloten heeft.

Maar hier gaat het om een andere wil van God: de wil waarmee een vrijwillige gehoorzaamheid correspondeert. Daarom wordt in vergelijking met de aarde de hemel genoemd. Want over de engelen wordt, bijvoorbeeld in Psalm 103, gezegd dat zij God graag gehoorzamen en hun best doen om zijn bevelen uit te voeren.Psalm 103:20 We krijgen dus bevel omgraag te willendatook de aarde aan Gods regering onderworpen wordt en alle koppigheid en slechtheid wordt uitgeroeid. Netzoals er in de hemel niets anders gebeurt dan wat volgens

Gods wil is.

En als we dat vragen, doen we afstand van de begeerten van ons vlees. Want als je je verlangens niet overgeeft aan God en niet onderwerpt aan zijn wil, dan verzet je je tegen die wil, voor zover je dat kunt. Want uit ons komt niets voort dat nietslechtis.Opnieuw wordt ons door deze bede geleerd onszelf te verloochenen, zodat God ons kan regeren zoals Hij goed vindt. En dat niet alleen. Ook zodat Hij ons hart en ons verstand teniet kan doen en een nieuw hart en een nieuw verstand kan scheppen. Dan voelen wij in ons geen andere begeerten meer opkomen dan wat zuiver in overeenstemming is met zijn wil. Kortom, dan willen we niets meer uit onszelf, maar bestuurt zijn Geest ons hart.Door zijn onderwijs binnenin ons leren we dan lief te hebben waar God blij mee is en te haten wat God erg vindt. En dat betekent dus ook dat we graag willen dat God onze verlangens die tegen zijn wil ingaan, verijdelt en van hun kracht berooft.

Tot zover de eerste drie onderdelen van het gebed. Als we deze beden bidden, moeten we alleen Gods eer voor ogen hebben. We mogen geen rekening houden met onszelf of aandacht hebben voor wat goed voor ons kan zijn. Weliswaarleveren deze beden ons heel veel op. Maar daar mogen we niet op uit zijn.

En ook al zal dit allemaal onvermijdelijk gebeuren, zelfs als wij er niet aan denken, het niet willen en er ook niet om bidden, toch moeten we het willen en erom bidden. Het is heel belangrijk dat wij dat doen. Want zo verklaren en belijden we datweGods dienaren en kinderen zijn.Dat we, voor zover wij dat kunnen, ons best doen voor zijn eer en ons daar echt en volledig aan wijden. Dat zijn we onze Heer en Vader immers verplicht.

Dus wie niet met dit verlangen en met deze ijver, om Gods eer te bevorderen, bidden of Gods naam geheiligd mag worden, of zijn koninkrijk mag komen en of zijn wil mag gebeuren, die mogen ook niet beschouwd worden als mensen die bij Gods kinderen en dienaren horen. En zoals dit allemaal zal gebeuren, zelfs tegen hun wil, zo zal het ook uitlopen op hun verwarring en ondergang.

De vierde bede

Nu volgt het tweede deel van het gebed. Daarin dalen we af naar wat goed is voor onszelf. Maar het is niet de bedoeling dat we Gods eer dan loslatenen alleen uit zijn op ons eigen belang. Paulus verklaart dat we ook bij eten en drinken moeten letten op Gods eer.1 Korinthiërs 10:31 Ik heb erop gewezen dat dit het verschil is: door drie beden speciaal voor zichzelf te claimen, trektGodons volledig naar zich toe. Op die manier test Hij onze vroomheid. Daarna staat Hij ons ook toe om te zorgen voor onze eigen belangen. Maar op deze voorwaarde: we mogen alleen dingen vragen met de bedoeling dat alle zegeningen die Hij ons bewijst,de glorie vanzijn eerlaten schitteren.Want niets is zo eerlijkalsdat we voor Hem leven en sterven.Romeinen 14:7-9

De eerste bede van het tweede deel is: ‘Geef ons vandaag ons dagelijks brood.’Mattheüs 6:11Met deze bede bidden we in het algemeen om alles wat we van de dingen van deze wereld nodig hebben om ons lichaam te onderhouden. Niet alleen de dingen waarmee we ons voeden en kleden, maar ook alleswat volgens God goed voor ons is, zodat we ons brood in vrede kunnen eten. Kortom, met deze bede plaatsen we ons onder zijn zorg en vertrouwen we ons toe aan zijn voorzienigheid, om ons door Hem te laten voeden, verzorgen en bewaren.

Want onze heel goede Vader vindt het niet beneden zijn waardigheid omook ons lichaam trouw onder zijn hoede te nemen. In die kleine dingen traint Hij ons geloof, doordat we alles, tot een kruimel brood en een druppel water toe, van Hem verwachten. Immers, door een ik weet niet wat voor slechtheid van ons is het nu eenmaal zo dat we meer bezorgd zijn om ons lichaam dan om onze ziel. Dat drijft en kwelt ons het meest. Daarom zijn er velen die voor hun ziel wel op God durven vertrouwen, maar zich toch nog zorgen maken om hun vlees. Nog steeds twijfelen ze over wat ze moeten etenofwat ze aan moeten trekken. Ze zijn bang als ze geen voorraad wijn, graan en olie voor handen hebben. Zo belangrijk vinden we de schaduw van dit leven, dat maar kort duurt! Veel belangrijker dan de eeuwige onsterfelijkheid!

Maar als je op God vertrouwt en die angstige zorg om het vlees eenmaal hebt losgelaten, verwacht je meteen ook de meer belangrijke dingen van Hem: redding en eeuwige leven.Je geloof wordt dus geen klein beetje getraind als je op God hoopt voor de dingen die ons zo bang maken. We zijn geen klein stukje opgeschoten als we dit ongeloof, dat haast bij alle mensenvast in hun botten zit, hebben losgelaten.

Sommigen filosoferen dat het hier gaat om bovennatuurlijk brood. Maar dat lijkt slecht te kloppen met wat Christus bedoelt. Sterker nog, als we niet ook in dit vergankelijkeleven aan God de taak toekenden om ons te voeden, dan zou het gebed niet volmaakt zijn. Deze mensen voeren een veel te onheilig argument aan: Gods kinderen horen geestelijk te zijn. Daarom zou het ongepast zijn dat ze zich niet alleen bezig houden met aardse zorgen, maar ook nog God daarin betrekken. Alsof Gods zegen en vaderlijke gunst niet ook schittert in ons levensonderhoud, of dat er voor niets geschreven staat dat er voor vroomheid niet alleen in het toekomstige leven beloften zijn, maar ook in het tegenwoordige leven.1 Timotheüs 4:8 Weliswaar is vergeving van zonden veel belangrijker dan voedsel voor het lichaam. Maar toch heeft Christus het minst belangrijke voorop gezet. Zo brengt Hij ons stap voor stap naar de twee overige beden. Die gaan over het hemelse leven. Op deze manier houdt Hij rekening met onze laksheid.

Wij krijgen opdracht om te bidden voor ons brood om tevreden te zijn met het rantsoen dat de hemelse Vader ons wil schenken. Dan jagen we niet met behulp van verboden listen naar winst.

Ondertussen moeten we beseffen dat het brood ons brood wordt in de zin van een geschenk. Want zoals bij Mozes gezegd wordt, onze ijver, inspanning of eigen handen kunnen op zichzelf niets voor ons te pakken krijgen als Gods zegen er niet bij komt. Leviticus 26:20; Deuteronomium 8:17-18 Sterker nog, zelfs aan een overvloed aan brood zouden we helemaal niets hebben als het niet dankzij God voedsel was. En daarom hebben rijken deze vrijgevigheid van God net zo hard nodig als armen. Want al waren hun voorraadkamers en schuren vol, ze zouden toch van honger en dorst bezwijken als ze niet dankzij zijn genade hun brood aten.

Het woordje ‘vandaag’ – of ‘elke dag’, zoals het bij de andere evangelist staat – en ook het bijvoeglijk naamwoord ‘dagelijks’ houdt onze onbeheerste begeerte naar vergankelijke dingen in toom. Wij branden altijd veel te veel van zulke begeerte en daar komen nog andere slechte dingen bij: want als we de beschikking hebben over een royalere overvloed, storten we ons gretig in genot, vermaak, pracht en praal en andere soorten overdaad. Daarom krijgen we opdracht om alleen te bidden voor wat we nodig hebben en voor wat als het ware genoeg is voor één dag, in het vertrouwen dat als de hemelse Vader ons vandaag gevoed heeft, Hij ons ook morgen niet in de steek zal laten. Dus hoe veel overvloed aan dingen ook naar ons toe mag stromen, toch moeten we ook als onze schuren en voorraadkamers vol zitten, altijd bidden om ons dagelijks brood. Want we moeten er vast van overtuigd zijn dat al het goede niets is als God het niet continu vruchtbaar maakt door zijn zegen uit te gieten. Zelfs het goede dat we in handen hebben, is alleen maar van ons voor zover Hij ons elk uur een stukje daarvan geeft en ons toestaat het te gebruiken.

Maar mensen zijn zo hoogmoedig dat ze zich hier maar met heel veel moeite van laten overtuigen. Daarom verklaart de Heer dat Hij er voor alle eeuwen een speciaal bewijs van gegeven heeft: Hij heeft zijn volk in de woestijn gevoed met manna om ons eraan te herinneren dat een mens niet alleen van brood leeft, maar vooral van het woord dat uit zijn mond komt. Deuteronomium 8:3; Mattheüs 4:4 Daarmee wordt erop gewezen dat alleen door zijn macht leven en krachten in stand gehouden worden, ook al deelt Hij zijn macht uit via fysieke middelen. En zo onderwijst Hij ons ook vaak door middel van een tegenovergesteld bewijs als Hij de kracht – en zoals Hij dat zelf noemt: de stok – van het brood breekt, zo vaak Hij dat wil. Wie eten, kwijnen dan weg van honger en wie drinken, Leviticus 26:26 drogen dan uit van dorst. Ezechiël 4:17; 14:13

Echter, ben je niet tevreden met je dagelijks brood, maar jaag je met een tomeloze begeerte eindeloze bezittingen na? Of heb je genoeg overvloed en maak je je nergens meer druk om omdat je zoveel rijkdommen hebt? En roep je dan toch God aan met deze bede? Dan bespot je God alleen maar! Want in het eerste geval bid je om iets dat je niet wilt hebben, sterker nog, dat je vreselijk vindt: alleen maar dagelijks brood. Dan probeer je je hebzucht zoveel mogelijk voor God te verstoppen, terwijl je in een echt gebed heel je hart en alles wat daarin schuilt voor Hem moet uitstorten. En in het andere geval vraag je iets wat je helemaal niet van Hem verwacht: iets waarvan je denkt dat je het al hebt.

Dat ons brood ‘ons’ brood genoemd wordt, laat – zoals ik zei – extra goed uitkomen hoe vrijgevig God is. Hij maakt van ons waar wij helemaal geen recht op hebben. Toch moeten we er ook op letten – ik heb dat al aangestipt – dat hiermee het brood bedoeld wordt dat we verdiend hebben met legitiem en eerlijk werk en niet door middel van bedrog of diefstal. Want alles wat we te pakken krijgen dankzij een misdaad, is altijd van een ander.

Als we bidden of het ons gegeven mag worden, erkennen we dat het enkel en alleen een onverdiende gave van God is. Hoe we er ook aan komen, zelfs al lijken we het nog zo sterk met eigen vaardigheid en ijver verdiend te hebben. Want alleen dankzij zijn zegen lukt ons werk.

De vijfde bede

Dan volgt: ‘Vergeef ons onze schulden.’ Mattheüs 6:12 In deze bede en in de daaropvolgende bede heeft Christus alles samengevat wat te maken heeft met het hemelse leven. Het is net als met het geestelijk verbond dat God gesloten heeft om zijn kerk te redden. Ook dat verbond bestaat uit deze twee delen: ‘Ik zal mijn wetten in hun hart schrijven,’ en: ‘Ik zal hun onrechtvaardigheid genadig zijn.’ Jeremia 31:33; 33:8; 2 Korinthiërs 3:3 Hier begint Christus bij de vergeving van zonden. Daarna zal Hij snel de tweede genade eraan toevoegen: dat God ons door de kracht van zijn Geest zal beschermen en ons met zijn hulp ondersteunt, zodat wij onoverwinnelijk overeind kunnen blijven tegenover alle verleidingen.

Christus noemt de zonden ‘schulden’, omdat wij daarvoor straf schuldig zijn. En die straf kunnen we op geen enkele manier betalen als we er niet door deze vergeving van bevrijd worden. En deze vergeving komt voort uit Gods gratis barmhartigheid. Hij streept deze schulden royaal door zonder dat Hij enige betaling van ons krijgt. Hij betaalt die schuld zelf door zijn eigen barmhartigheid in Christus, die zichzelf voor eens en voor altijd ter compensatie heeft overgegeven. Romeinen 3:24

Er zijn mensen die erop vertrouwen dat God genoegdoening krijgt door hun eigen verdiensten of die van anderen. Dat door zulke genoegdoeningen de vergeving van zonden betaald en gekocht wordt. Maar deze mensen hebben dus absoluut geen deel aan dit gratis geschenk. En als ze God op deze manier aanroepen, doen ze niets anders dan hun eigen aanklacht ondertekenen en met hun eigen getuigenis hun veroordeling bezegelen. Want ze erkennen dat ze schuldenaars zijn als ze niet door het geschenk van de vergeving bevrijd worden. Maar ze nemen dat geschenk niet aan.

Ze wijzen het juist af, doordat ze God hun eigen verdiensten en genoegdoeningen opdringen. Want daarmee doen ze geen beroep op Gods barmhartigheid, maar op zijn oordeel.

Er zijn ook mensen die fantaseren dat ze zo volmaakt zijn dat ze niet meer hoeven te bidden om vergeving. Het kan best zijn dat ze leerlingen hebben die in zulk bedrog worden meegesleept doordat hun oren jeuken. Maar dan staat wel vast dat ieder die zij als leerlingen weten te winnen van Christus gestolen is. Want Christus leert iedereen om zijn schuld te belijden. Hij laat dus niemand anders als zijn leerlingen toe dan zondaren. Niet dat Hij hun zonden streelt met vleierij. Maar Hij wist dat gelovigen nooit volledig verlost worden van de gebreken van hun vlees. Ze blijven altijd onderworpen aan Gods oordeel.

Weliswaar moeten we ernaar verlangen en er ook ijverig ons best voor doen dat we in alle opzichten onze plicht doen en daarna voor God echt blij kunnen zijn dat we volledig vrij van smetten zijn. Maar het behaagt God om zijn beeld geleidelijk in ons te herstellen. Daarom blijft ons vlees altijd nog een beetje besmet. En dus moeten we dit hulpmiddel zeker niet verwaarlozen.

In overeenstemming met het gezag dat de Vader Hem gegeven heeft, beveelt Christus ons dat we tijdens heel onze levensloop de toevlucht moeten nemen tot het bidden om vergeving voor onze schuld. Als Hij ons dat beveelt, wie kan dan die nieuwe leermeesters verdragen? Ze proberen de ogen van eenvoudigen te verblinden met een schijnsel van volmaakte onschuld. Zo proberen ze hen ervan te overtuigen dat ze van elke schuld bevrijd kunnen worden. Maar volgens Johannes is dat niets anders dan van God een leugenaar maken! 1 Johannes 1:10

Tegelijk verscheuren deze nietsnutten ook Gods verbond. Zoals we gezien hebben, is ons behoud daarop gebaseerd. Maar zij strepen één onderdeel van dat verbond door en brengen het zo op zijn fundament aan het wankelen. Ze plegen niet alleen heiligschennis door uit elkaar te halen wat zo nauw met elkaar verbonden is. Ze zijn ook goddeloos en wreed doordat ze ellendige zielen in wanhoop storten. En ze zijn ontrouw aan zichzelf en hun metgezellen doordat ze zichzelf in een toestand van zorgeloosheid brengen die regelrecht tegen Gods barmhartigheid ingaat.

Ze brengen hiertegen in dat we al om vergeving van zonden vragen omdat we bidden om de komst van Gods koninkrijk. Maar dat is wel heel kinderachtig. Want in het eerste deel van het gebed wordt ons de grootst mogelijke volmaaktheid gepresenteerd, maar hier onze zwakheid. Deze twee passen heel goed bij elkaar: op jacht naar de eindstreep moeten we niet de middelen verwaarlozen die we in onze armoede nodig hebben.

Ten slotte, we vragen of we vergeving mogen krijgen zoals wij ook onze schuldenaren vergeven. Dat wil zeggen: zoals wij iedereen sparen en iedereen vergeven die ons op wat voor manier ook gekwetst heeft. Of zo iemand ons nu daadwerkelijk onrechtvaardig behandeld heeft, of ons alleen met woorden heeft beledigd.

Niet dat het aan ons is om de schuld van een misdaad of belediging te vergeven. Dat kan God alleen. Jesaja 43:25 Maar onze vergeving houdt in dat we uit eigen beweging woede, haat en wraakzucht uit ons hart bannen. We moeten vrijwillig het onrecht vergeten en de herinnering daaraan laten verdwijnen. Daarom mogen we God niet om vergeving voor onze zonden vragen als we niet ook zelf het onrecht dat ons is aangedaan vergeven aan iedereen die het ons aandoet of aangedaan heeft.

Maar houden we nog iets van haat in ons hart, zinnen we op wraak en bedenken we hoe we onze vijanden schade kunnen berokkenen? Sterker nog, doen we niet ons best om ons met hen te verzoenen en hen aan ons te verplichten en te verbinden door hun allerlei diensten te bewijzen? Dan bidden we met deze bede of God ons geen vergeving wil schenken voor onze zonden. Want we vragen of Hij ons wil vergeven zoals wij anderen vergeven. Maar dat betekent dus dat we bidden of Hij ons niet wil vergeven als wij zelf ook niet vergeven. Als je zo iemand bent, wat win je dan anders met je bede dan een nog zwaarder oordeel?

Ten slotte moeten we opmerken dat deze voorwaarde – dat Hij ons vergeeft zoals wij onze schuldenaren vergeven – er niet aan toegevoegd wordt omdat wij door zelf anderen te vergeven zijn vergeving verdienen. Er wordt hier geen oorzaak aangewezen.

Maar God heeft door deze uitspraak aan de ene kant ons willen steunen in ons zwakke geloof. Want Hij heeft het eraan toegevoegd als een teken dat voor ons bevestigt dat Hij ons net zo zeker vergeving voor onze zonden geeft als wij ons ervan bewust zijn dat anderen vergeving van ons krijgen: als ons hart bevrijd en gezuiverd is van alle haat, jaloezie en wraakzucht.

Aan de andere kant duidt Hij met een kenmerk aan wie Hij uit de lijst van zijn kinderen schrapt: degenen die geneigd zijn tot wraak en niet vergevingsgezind zijn, die koppig vijandig blijven en zelfs tegenover anderen de woede blijven koesteren waar ze zelf door hun gebed aan proberen te ontkomen. Want God wil voorkomen dat zulke mensen Hem durven aanroepen als hun Vader. Dat blijkt ook duidelijk uit Christus’ woorden bij Lucas. Lucas 11:4

De zesde bede

Zoals ik gezegd heb, correspondeert de zesde bede met de belofte die God ons gedaan heeft over het graveren van zijn wet in ons hart. Hij heeft die belofte ook uitgevoerd. Maar wij gehoorzamen God niet zonder continu oorlog te voeren en zware gevechten te leveren. Daarom bidden we hier of we voorzien mogen worden van wapens en beschermd mogen worden door hulp. Dan zijn we in staat om de overwinning te behalen.

Dat herinnert ons eraan dat we niet alleen de genade van de Geest nodig hebben om ons hart vanbinnen te verzachten, te buigen en te richten zodat we God gaan gehoorzamen. We hebben ook zijn hulp nodig om daardoor onoverwinnelijk te worden tegenover alle aanvallen en hevige aanvechtingen van Satan.

Nu zijn er veel verschillende vormen van verleidingen. Immers, de verkeerde ideeën van ons hart zijn verleidingen. Die zetten ons ertoe aan om de wet te overtreden. Ze worden ons ingegeven door onze eigen hartstochtelijke begeerten of ze worden opgewekt door de duivel. Jacobus 1:2; 1:14; Mattheüs 4:1-3; 1 Thessalonicenzen 3:5 Maar ook dingen die op zichzelf van nature niet slecht zijn, worden toch verleidingen door de list van de duivel, als we door de aanblik daarvan worden afgetrokken van God en van Hem afwijken.

En deze verleidingen komen van rechts of van links. Van rechts komen rijkdom, macht en eer. Vaak verblinden ze de mensen met hun schittering en goede schijn en trekken hen aan door hun verleidelijkheid. Door zulke goocheltrucs gevangen en door zo’n zoetheid dronken gevoerd, vergeten ze dan hun God. Van links komen armoede, beledigingen, verachting, verdrukkingen en meer van zulke dingen. Die kwetsen de mensen met hun bitterheid en moeiten, zodat ze de moed verliezen, hun vertrouwen en hoop laten varen en uiteindelijk volledig van God vervreemden.

Deze twee soorten verleidingen, die óf door onze eigen hartstochtelijke begeerten in ons ontbranden, óf door de sluwheid van de Satan aan ons gepresenteerd worden, voeren oorlog tegen ons. We bidden God, onze Vader, of Hij niet wil toelaten dat we eraan toegeven, maar of Hij ons juist wil ondersteunen en oprichten. Dan kunnen we, sterk dankzij zijn kracht, stevig standhouden tegen alle aanvallen van de boze vijand. Welke gedachten hij ook in ons hart laat binnenkomen.

En we bidden of we alles wat ons van beide kanten gepresenteerd wordt, voor het goede mogen gebruiken. Dat wil zeggen: dat we niet verwaand worden door voorspoed en terneergeslagen raken door tegenspoed.

Toch vragen we hier niet of we helemaal geen verleidingen meer hoeven te leren kennen. Want we hebben het hard nodig om daardoor extra geprikkeld en aangespoord te worden. Anders zouden we veel te laks en te slap zijn. David wilde immers niet voor niets graag getest worden. Psalm 26:2 En de Heer testte zijn uitverkorenen niet zonder reden elke dag door hen te tuchtigen met armoede, verdrukkingen en andere soorten kruis.

Maar de Heer test op een andere manier dan Satan. Satan doet het om de uitverkorenen te gronde te richten, verloren te laten gaan, in verwarring te brengen en omver te halen. Maar God doet het omdat zo’n test bewijs oplevert van hun oprechtheid en omdat het een training is die hun kracht versterkt. Zo doodt Hij hun vlees, Hij laat het uitkoken en uitbranden. Want als het niet op die manier bedwongen werd, zou het overmoedig worden en veel te onbesuisd tekeergaan. Bovendien valt Satan degenen aan die ongewapend en onvoorbereid zijn, om hen onverhoeds onderuit te halen. Maar God geeft tegelijk met de beproeving ook de uitkomst, zodat de zijnen geduldig alles kunnen verdragen wat Hij naar hen toezendt. 1 Korinthiërs 10:13; 2 Petrus 2:9

Of we het woord ‘boze’ opvatten als de duivel of als de zonde, doet er weinig toe. Satan is weliswaar zelf de vijand die op ons leven loert. Maar Hij is voor onze ondergang gewapend met de zonde.

Dit is dus ons verzoek: of we niet door verleidingen overwonnen en overvallen mogen worden, maar door de kracht van de Heer tegen alle vijandige machten die ons bestormen stevig stand mogen houden. Dat wil zeggen: dat we niet bezwijken onder de beproevingen. En of Hij ons in zijn trouwe bescherming wil nemen zodat we de overhand houden over zonde, dood, de poorten van de hel en heel het rijk van de duivel. Dat wil zeggen: dat we verlost worden van de boze.

En daarbij moeten we er ook goed op letten dat wij met onze krachten niet in staat zijn om te strijden met de duivel, zo’n groot krijgsman, en zijn geweld en aanval te verduren. Anders zouden we voor niets aan God vragen wat we zelf hebben. Dan zouden we een spelletje met Hem spelen. Als je je op zo’n strijd voorbereid vol vertrouwen op jezelf, dan besef je echt niet genoeg met wat voor strijdlustige en goed uitgeruste vijand je te maken hebt. Nu vragen we of we uit zijn macht bevrijd mogen worden als uit de muil van een woeste en brullende leeuw. 1 Petrus 5:8 Want als de Heer ons niet midden uit de dood zou wegrukken, zouden we meteen door zijn tanden en klauwen verscheurd en door zijn keel verslonden worden. Toch weten we tegelijk ook: als de Heer ons bijstaat en voor ons strijdt terwijl wij zwijgen, dan zullen wij in zijn kracht dappere dingen doen. Psalm 60:14 Anderen mogen, zoveel ze willen, vertrouwen op de vermogens en krachten van hun eigen vrije wil, die ze zelf denken te hebben. Maar voor ons moet het genoeg zijn dat we alleen door Gods kracht standhouden en sterk zijn.

Deze bede omvat echter meer dan op het eerste gezicht lijkt. Want als Gods Geest onze kracht is om de strijd met Satan te kunnen voeren, zullen we de overwinning pas behalen als we vervuld zijn met die Geest en alle zwakheid van ons vlees hebben uitgetrokken. Als we bidden of we van Satan en de zonde verlost mogen worden, bidden we dus of we steeds opnieuw verrijkt mogen worden met nieuwe groei van Gods genade. Totdat we daar helemaal vol van zijn en over al het kwaad zegevieren.

Sommigen vinden het hard en stuitend om God te bidden of Hij ons niet in verleidingen wil brengen. Volgens Jacobus is het immers in strijd met zijn aard om ons in verleiding te brengen. Jacobus 1:13-14 Maar deze kwestie is al voor een deel opgelost doordat eigenlijk onze hartstochtelijke begeerten de oorzaak zijn van alle verleidingen die ons overwinnen. Die krijgen daarom de schuld daarvan. Jacobus wil alleen maar zeggen dat het geen zin heeft en onterecht is om onze zonden toe te schrijven aan God. We zijn gedwongen onszelf die aan te rekenen, omdat we ons ervan bewust zijn dat wij er zelf schuldig aan zijn.

Maar dat verhindert niet dat God ons, als Hij dat goed vindt, aan Satan kan overleveren. Dan werpt Hij ons in onze bedorven zinnen en schandelijke begeerten. Zo brengt Hij ons in verleiding door een oordeel dat weliswaar rechtvaardig, maar toch vaak verborgen is. Want voor mensen is de reden vaak verborgen, ook al is die voor Hem zeker. Daaruit kun je opmaken dat het geen oneigenlijke manier van spreken is. Als we er maar van overtuigd zijn dat God niet voor niets zo vaak dreigt dat het vast bewijzen van zijn straf zijn als de verworpenen geslagen worden met blindheid en een verhard hart.

Het slot

Met deze drie beden dragen we speciaal onszelf en alles wat van ons is aan God op. En ze laten duidelijk zien, wat ik eerder gezegd heb, dat de gebeden van christenen openbaar moeten zijn en bedoeld moeten zijn voor de openbare opbouw van de kerk en het bevorderen van de gemeenschap van de gelovigen. Want niemand bidt of hem persoonlijk iets gegeven mag worden. Nee, we bidden allemaal samen om ons brood, om vergeving van zonden en of we niet in verleiding gebracht mogen worden, maar van de boze verlost mogen worden.

Bovendien wordt de reden eraan toegevoegd, waarom we zo vrijmoedig mogen bidden en er zo vast op mogen vertrouwen dat we krijgen. Weliswaar ontbreekt die reden in de Latijnse Bijbels. Maar toch past die er zo goed bij dat we die niet moeten weglaten: ‘Van Hem is het koninkrijk en de macht en de glorie tot in eeuwigheid.’ Mattheüs 6:13

Dit is de vaste en kalme rust van ons geloof. Want als we God onze gebeden zouden moeten opdragen omdat wij dat waard zouden zijn, wie zou dan tegenover Hem maar een kik durven geven? Maar nu zullen we nooit zonder reden zitten en we zullen nooit het vertrouwen kwijt raken om te bidden, zelfs al zijn we de meest ellendigen en meeste onwaardigen van alle mensen en is er niets dat voor ons pleit. Want ook onze Vader kan nooit beroofd worden van zijn koninkrijk, macht en glorie.

Aan het eind wordt er toegevoegd: ‘Amen.’ Dat geeft aan hoe vurig we ernaar verlangen om te krijgen waar we God om gebeden hebben. En het versterkt onze hoop dat we al die dingen al gekregen hebben en dat ze ons vast en zeker toegestaan worden. Want God heeft het beloofd en Hij kan niet liegen.

En dat komt overeen met de formule die ik eerder genoemd heb: ‘Heer, doe het omwille van uw naam, niet omwille van ons of onze rechtvaardigheid.’ Daarmee geven de heiligen niet alleen uitdrukking aan de bedoeling van hun verzoeken. Ze geven daarmee ook toe dat ze het niet waard zijn om te krijgen waar ze om vragen als God geen reden vindt bij zichzelf en dat hun vertrouwen dat ze God kunnen overhalen alleen gebaseerd is op Gods aard.

We mogen niets anders bidden dan het Onze Vader

Hier in deze formule hebben we voor ons alles beschreven staan wat we van God moeten of wat we zelfs maar kunnen bidden. Het is als het ware een gebedsregel die de allerbeste leermeester Christus ons geleerd heeft. De Vader heeft Hem over ons aangesteld als leraar en gewild dat we alleen naar Hem luisteren. Mattheüs 17:5 Want Hij is altijd zijn eeuwige wijsheid geweest. En toen Hij mens werd, is Hij aan de mensen gegeven als een engel van grote raad.

Dit gebed is dus in alle opzichten volmaakt. Alles wat er extra aan toegevoegd wordt en er niet bijhoort en er niet mee in overeenstemming gebracht kan worden, is daarom goddeloos en het niet waard om door God goedgekeurd te worden. Want in deze samenvatting heeft Hij voorgeschreven wat voor Hem gepast en acceptabel is, wat voor ons nodig is en ten slotte wat Hij ons wil geven.

Durf je verder gaan en behalve dit nog iets anders van God vragen? Dan wil je in de eerste plaats dus aan Gods wijsheid iets toevoegen van jezelf. Dat kan niet zonder waanzinnige godslastering. In de tweede plaats schik je je dan niet onder Gods wil, maar minacht je die en dwaal je door je hartstochtelijke begeerten nog verder af. En ten slotte zul je nooit iets krijgen. Want je bidt zonder geloof. Er is geen twijfel aan dat zulke gebeden gedaan worden zonder geloof. Want Gods Woord is daarbij afwezig. En als geloof niet alleen op dat Woord steunt, kan het niet eens bestaan.

En als je de regel van je leermeester negeert en aan je eigen verlangens toegeeft, mis je Gods Woord niet alleen. Je verzet je er dan tegen met al je kracht, zoveel je kunt. Daarom heeft Tertullianus dit gebed even mooi als juist het wettige gebed genoemd. Daarmee gaf hij impliciet aan dat alle andere gebeden onwettig en verboden zijn.

We hoeven het Onze Vader niet letterlijk te volgen

Ik wil niet dat dit opgevat wordt alsof we aan deze gebedsformule gebonden zouden zijn en er geen woord of lettergreep aan zouden mogen veranderen. Want je kunt overal in de Schrift vele gebeden lezen die qua woorden erg van dit gebed verschillen. Toch zijn ze door dezelfde Geest geschreven. En het is voor ons heel nuttig om die te gebruiken. Bovendien geeft de Geest de gelovigen continu veel gebeden in die qua woorden maar heel weinig op dit gebed lijken.

Als ik dit leer, bedoel ik alleen maar dat niemand ooit iets anders mag vragen, verwachten of verzoeken dan wat in dit gebed als samenvatting genoemd staat. Ook al bid je met heel andere woorden, qua betekenis mag je er niet van afwijken.

Want vast en zeker sluiten alle gebeden die je in de Schrift leest of die voortkomen uit een vroom hart, aan bij dit gebed. En je kunt echt nergens een gebed vinden dat de volmaaktheid van dit gebed kan evenaren, laat staan te boven gaan. Hier wordt niets weggelaten van wat je maar tot Gods eer kunt bedenken, niets van wat in de geest van de mens voor zijn eigen voordeel kan opkomen. En dit gebed is wel zo nauwkeurig opgesteld dat werkelijk iedereen de hoop ontnomen is dat je kunt proberen om het beter te doen.

Kortom, we moeten bedenken dat dit is wat Gods wijsheid ons leert. Die wijsheid leert wat ze wil en wil wat nodig is.

Bidden op vaste tijden

Hierboven heb ik al gezegd dat je altijd met een tot God opgeheven hart moet zuchten en zonder ophouden moet bidden. Maar wij zijn zo zwak dat we door vele hulpmiddelen ondersteund moeten worden. En we zijn zo slap dat we steeds moeten worden aangespoord. Daarom is het toch gepast dat we ieder voor zich specifieke momenten vaststellen voor training. Die momenten mogen niet zonder bidden voorbijgaan. Heel ons hart moet er dan aan gewijd en door in beslag genomen worden.

Deze momenten zijn: als we ’s morgens opstaan, voordat we aan ons werk beginnen, als we gaan zitten om te eten, als we dankzij Gods zegen gegeten hebben en als we ons klaarmaken om te gaan slapen.

Alleen moeten we ons niet op een bijgelovige manier aan deze momenten houden. We moeten niet denken dat we daardoor als het ware een schuld aflossen voor God en voor de rest van de tijd onze plicht volbracht hebben. Het moet juist een steun zijn voor onze zwakheid om die te trainen en nu en dan aan te sporen. We moeten er vooral voor zorgen dat we meteen naar God toe lopen – niet met snelle voeten, maar met een snel hart – zo vaak we zelf door tegenslagen in het nauw zitten of anderen daardoor in het nauw zien zitten. Bovendien mogen we geen enkele voorspoed van onszelf of anderen voorbij laten gaan zonder door lof en dankzegging te verklaren dat we zijn hand daarin erkennen.

Ten slotte moeten we bij elk gebed goed oppassen dat we God niet willen binden aan bepaalde omstandigheden en Hem niet voorschrijven wanneer, waar en hoe Hij iets moet doen. Want dit gebed leert ons dat we Hem niet de wet mogen voorschrijven en Hem geen voorwaarde mogen opleggen. We moeten het aan zijn goeddunken overlaten om wat Hij doet, te doen op zijn manier, tijd en plaats, zoals Hij het goed vindt. Daarom bidden we, voordat we ook maar iets voor ons zelf bidden, of zijn wil mag gebeuren. Daarmee onderwerpen we onze wil al aan die van Hem. We houden onze wil als het ware met een teugel in bedwang om te voorkomen dat we God vooraf aanwijzingen zouden geven. En we stellen Hem aan als rechter en bestuurder van al onze verlangens.

Geduldig volhouden

Als we ons hart geschikt hebben in deze gehoorzaamheid en ons laten besturen door de wetten van Gods voorzienigheid, dan kunnen we gemakkelijk volhouden met bidden. Dan kunnen we onze verlangens opschorten en geduldig wachten op de Heer, omdat we zeker weten dat Hij ons altijd bijstaat. Zelfs al lijkt het er helemaal niet op, Hij zal op zijn tijd laten zien dat zijn oren niet doof waren voor gebeden die Hij in het oog van de mensen leek te negeren. En dat zal voor ons een altijd aanwezige troost zijn: ook al lijkt God onze eerste gebeden soms niet te beantwoorden, toch hoeven we niet te bezwijken en te vergaan van wanhoop.

Dat gebeurt je wel als je alleen door je eigen enthousiasme gedreven wordt. Als je dan God aanroept en Hij je niet op je eerste aandringen onmiddellijk te hulp schiet, denk je meteen dat Hij boos en kwaad op je is. Dan laat je alle hoop op verhoring varen en houd je op Hem aan te roepen.

We moeten onze hoop juist met een beheerste gemoedsrust uitstellen en ijverig proberen vol te houden, zoals ons in de Schrift wordt aanbevolen. Immers, in de Psalmen kun je vaak zien dat het lijkt alsof David en andere gelovigen maar een slag in de lucht gedaan hebben. Ze zijn haast uitgeput van het bidden, maar God blijft doof voor hun woorden. Toch houden ze niet op met bidden. Want je miskent het gezag van Gods Woord als je geloof daarin niet sterker is dan alles wat er kan gebeuren.

Verder mogen we God niet uittesten en niet provoceren door Hem met onze slechtheid lastig te vallen. Velen zijn dat wel gewend. Ze worden het alleen op een bepaalde voorwaarde met God eens. Alsof Hij hun verlangens moet dienen, binden ze Hem aan de eisen van hun contract. En als God daar niet meteen naar luistert, worden ze boos, beginnen ze te mopperen en te protesteren en gaan ze tegen Hem tekeer. Zulke mensen geeft Hij dus vaak uit woede en toorn wat Hij anderen uit barmhartigheid en genade weigert. Een bewijs daarvan vormen de kinderen van Israël. Het was voor hen beter geweest als de Heer hen niet verhoord had. Dan hadden ze niet met hun vlees zijn verontwaardiging verslonden. Numeri 11:18; 11:33

Verhoring

Maar stel dat we ook na lang wachten uiteindelijk toch niet merken dat we door te bidden iets zijn opschoten en er geen enkele vrucht van ervaren. Toch weten we dan door ons geloof zeker wat we met onze zinnen niet kunnen waarnemen: we hebben gekregen wat nuttig was. Want de Heer belooft heel vaak en heel vast dat Hij voor ons zal zorgen in onze moeiten als we die eenmaal in zijn schoot gelegd hebben. En dus zal Hij ervoor zorgen dat we in armoede overvloed en in verdrukking troost hebben. Want ook al zou alles ons in de steek laten, toch zal God ons nooit verlaten. Hij kan de verwachting en het geduld van de zijnen nooit bedrogen uit laten komen. In plaats van alle dingen hebben we alleen aan Hemzelf genoeg. Want Hij bevat al het goede in zichzelf. Eens zal Hij dat onthullen op de dag van het oordeel, als Hij zijn rijk volledig zal openbaren.

Daar komt bij dat God, ook al verhoort Hij ons wel, toch niet altijd precies antwoordt op de woorden van ons gebed. Het lijkt soms alsof Hij ons laat wachten, maar toch laat Hij ons ondertussen op een onverwachte manier zien dat onze gebeden niet voor niets geweest zijn.

Dat bedoelt Johannes met deze woorden: ‘Als we weten dat Hij naar ons luistert als we Hem om iets bidden, dan weten we dat we van Hem krijgen waar we Hem om bidden.’ 1 Johannes 5:15 Dit lijkt een overbodige omhaal van woorden zonder betekenis. Maar je kunt dit heel zinvol zo uitleggen: ook als God ons niet onze zin geeft, is Hij ons gebeden toch vriendelijk en gunstig gezind. Onze hoop die gebaseerd is op zijn Woord, is dus nooit vals.

Het is voor gelovigen hard nodig om door dit geduld ondersteund te worden. Als ze daar niet op zouden rusten, zouden ze niet lang overeind kunnen blijven. Want de Heer test de zijnen door grote beproevingen. Hij traint hen niet zachtzinnig. Nee, vaak brengt Hij hen tot het randje en als Hij ze daar gebracht heeft, laat Hij hen lang in die modder vastzitten. Pas dan laat Hij hen iets van zijn zoetheid proeven.

Het is zoals Hanna zegt: ‘Hij doodt en maakt levend. Hij laat neerdalen in de hel en laat weer omhoog komen.’ 1 Samuël 2:6 Wat zouden gelovigen hier anders kunnen doen dan de moed laten zakken en tot wanhoop vervallen, als ze, terneergeslagen, verlaten en al half dood, niet werden opgebeurd door deze gedachte: God ziet hen en er zal een eind komen aan de rampen in het tegenwoordige leven? Deze hoop geeft hun rust. Maar hoe dat hen ook overeind houdt, toch houden ze ondertussen niet op met bidden. Want als je bidden niet gepaard gaat met standvastigheid en volharding, bereik je met bidden niets.

Voetnoten

  1. 394

    Augustinus, De civitate Dei XXII, 2,1-2.

  2. 395

    Augustinus, Enarrationes in Psalmos,Psalm 94, 6.

  3. 396

    Ambrosius van Milaan, De Isaac et anima, 8,75.

  4. 397

    Justina (ca. 350), vrouw van keizer Valentinianus I en na diens dood regentes.

  5. 398

    Valentinianus II (371-392), keizer van Rome.

  6. 399

    Augustinus, ConfessionesIX, 8,15.

  7. 400

    Augustinus, RetractionesII, 11.

  8. 401

    Athanasius († 373), patriarch van Alexandrië.

  9. 402

    Augustinus, ConfessionesX, 33,5.

  10. 403

    Plato, Alkibiades II, 142.

  11. 404

    Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 115; Pseudo-Chrysostomos, Homiliae in Matthaeum,14.

  12. 405

    Tertullianus, De fuga in persecutione, 2,5.

Voetnoot 394

Augustinus, De civitate Dei XXII, 2,1-2.

Voetnoot 395

Augustinus, Enarrationes in Psalmos,Psalm 94, 6.

Voetnoot 396

Ambrosius van Milaan, De Isaac et anima, 8,75.

Voetnoot 397

Justina (ca. 350), vrouw van keizer Valentinianus I en na diens dood regentes.

Voetnoot 398

Valentinianus II (371-392), keizer van Rome.

Voetnoot 399

Augustinus, ConfessionesIX, 8,15.

Voetnoot 400

Augustinus, RetractionesII, 11.

Voetnoot 401

Athanasius († 373), patriarch van Alexandrië.

Voetnoot 402

Augustinus, ConfessionesX, 33,5.

Voetnoot 403

Plato, Alkibiades II, 142.

Voetnoot 404

Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 115; Pseudo-Chrysostomos, Homiliae in Matthaeum,14.

Voetnoot 405

Tertullianus, De fuga in persecutione, 2,5.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.