Boek III · Hoofdstuk 21

De uitverkiezing

Inhoud van dit hoofdstuk · 7 secties
  1. 1De leer van de uitverkiezing is nodig en nuttig
  2. 2Alleen op basis van de Schrift
  3. 3Niets verzwijgen van wat de Schrift leert
  4. 4Laster mag geen reden zijn om over de uitverkiezing te zwijgen
  5. 5De uitverkiezing van Abraham en zijn nageslacht
  6. 6Uitverkiezing en verwerping binnen Abrahams nageslacht
  7. 7Uitverkiezing en verwerping van individuen

De leer van de uitverkiezing is nodig en nuttig

Het is een feit dat het verbond van het leven niet bij alle mensen exact hetzelfde gepredikt wordt. En bij wie het gepredikt wordt, krijgt het niet continu evenveel ruimte. Uit dat onderscheid blijkt de wonderlijke diepte van Gods oordeel. Want er is geen twijfel aan dat ook dit onderscheid dient om het besluit van Gods eeuwige uitverkiezing uit te voeren.

Het is duidelijk dat het door Gods wil komt dat sommigen de redding vanzelf aangeboden krijgen en dat voor anderen de toegang daartoe geblokkeerd wordt. Daarom rijzen hier meteen grote en moeilijke vragen. Die kunnen we alleen maar uitleggen als mensen met een vroom hart over de uitverkiezing en de voorbestemming zeker weten wat ze horen te weten.

Velen vinden dit maar een ingewikkelde kwestie. Want volgens hen is niets zo ongepast als dat uit heel de mensenmassa sommigen voorbestemd worden om gered te worden en anderen om verloren te gaan. Maar ze lopen zichzelf heel verkeerd voor de voeten. Dat zal straks uit de bespreking blijken.

Bovendien, juist in deze duisternis die hen afschrikt, komt niet alleen het nut van deze leer aan het licht, maar ook haar heel zoete vrucht. Zolang we Gods eeuwige uitverkiezing nog niet kennen, zullen we er nooit zo duidelijk als gepast is van overtuigd raken dat ons behoud naar ons toestroomt uit de bron van zijn gratis barmhartigheid. Die uitverkiezing laat Gods genade schitterend uitkomen in deze tegenstelling: Hij neemt niet zonder onderscheid iedereen aan in de hoop op redding. Nee, Hij geeft de een wat Hij een ander weigert.

Het is duidelijk hoe erg je Gods eer tekort doet en afbreuk doet aan echte nederigheid als je dit principe niet kent. Het is dus echt nodig dat we dit weten. Maar volgens Paulus kunnen we dit alleen weten als God zonder te letten op onze daden uitkiest wie Hij bij zichzelf besloten heeft om uit te kiezen. Hij zegt: ‘In de tegenwoordige tijd is er een rest gered in overeenstemming met de uitverkiezing uit genade. En als het door genade is, dan is het dus niet meer door daden. Anders is de genade geen genade meer. Als het door daden is, dan is het dus geen genade meer. Anders is de daad geen daad meer.’ Romeinen

11:5-6

We moeten dus teruggeroepen worden naar de oorsprong van de uitverkiezing. Alleen dan staat vast dat ons behoud nergens anders vandaan komt dan enkel uit Gods vrijgevigheid. Als je dit wilt uitdoven, verduister je dus kwaadaardig, voor zover je dat kunt, wat je heerlijk en uit volle borst zou moeten prijzen. En zo roei je de nederigheid bij de wortel uit. Paulus verklaart duidelijk dat het behoud van de rest van het volk moet worden toegeschreven aan de uitverkiezing uit genade. Pas dan zie je dat God enkel uit welbehagen redt wie Hij wil en dat Hij geen loon betaalt, omdat het onmogelijk is dat Hij zo’n loon schuldig zou zijn.

Degenen die de deur dicht doen om te voorkomen dat iemand zou proberen om iets van deze leer te proeven, doen de mensen niet minder onrecht dan God. Want niets anders kan genoeg zijn om ons te vernederen zoals het hoort. En dan kunnen we nooit van harte beseffen hoeveel we aan God te danken hebben. En we hebben nergens anders een steunpunt om vast op te vertrouwen. Dat klopt ook met wat Christus zegt. Om ons te midden van zoveel gevaren, hinderlagen en dodelijke gevechten te bevrijden van alle angst en ons onoverwinnelijk te maken, belooft Hij ons dat iedereen gered zal worden die Hij van zijn Vader in bewaring gekregen heeft. Johannes 10:28-29

Hieruit kunnen we opmaken dat ieder die niet weet dat hij Gods eigendom is, continu in een ellendige angst moet leven. En dus zorgen degenen die, blind voor de drie voordelen die ik heb aangegeven, graag de basis voor ons behoud willen wegnemen, slecht voor zichzelf en alle gelovigen. Ja, uit deze basis rijst voor ons de kerk op. Terecht leert Bernardus van Clairvaux dat we die anders niet zouden kunnen vinden en niet onder de schepselen zouden kunnen ontwaren. Want ze ligt naar twee kanten op een wonderlijke manier verborgen in de schoot van de gelukkige voorbestemming en in de massa van de jammerlijke veroordeling.

Maar vóór ik toekom aan het onderwerp zelf, moet ik een dubbele inleiding houden over twee soorten mensen.

De uitleg van de voorbestemming is op zichzelf al vrij moeilijk. Maar het wordt nog veel ingewikkelder en zelfs gevaarlijk gemaakt door de nieuwsgierigheid van de mensen. Die kan door geen enkele grendel belemmerd worden om rond te dwalen langs verboden omwegen en zich hoog op te heffen. Als het even kan, wil men niets van wat verborgen is aan God overlaten. Men wil alles onderzoeken en uitpluizen. We zien overal veel mensen die zich aan deze overmoed en brutaliteit overgeven, waaronder sommigen die verder niet slecht zijn. Daarom moeten ze er op tijd op gewezen worden wat op dit punt hun plicht is.

Om te beginnen moeten ze dus bedenken dat ze, als ze onderzoek doen naar de voorbestemming, doordringen in de mysteries van Gods wijsheid. En als je daar lichtzinnig en brutaal in binnendringt, krijg je niets waarmee je je nieuwsgierigheid zou kunnen bevredigen. Je stapt een doolhof binnen waar je geen uitgang van kunt vinden. Het is immers ongepast dat een mens ongestraft zou onderzoeken wat de Heer bij Hem verborgen heeft willen houden. Of dat een mens zelfs van eeuwigheid af de verhevenheid van Gods wijsheid zou onderzoeken. Hij wilde dat we die aanbidden, niet dat we die begrijpen. Zo wilde Hij dat zijn wijsheid ons zou vervullen met verwondering. Van sommige geheimen van zijn wil heeft God besloten dat die aan ons bekendgemaakt zouden worden. Die geheimen heeft Hij geopenbaard door zijn Woord. En Hij heeft besloten dat er zoveel geopenbaard zou worden als Hij voorzag dat goed voor ons zou zijn.

Alleen op basis van de Schrift

Augustinus zegt: ‘We zijn op de weg van het geloof gekomen. Laten we ons standvastig aan die weg houden. Hij leidt naar de kamer van de koning, waarin alle schatten van kennis en wijsheid verborgen liggen. Want de Heer Christus zelf was niet jaloers op zijn grote en meest selecte leerlingen toen Hij zei: “Ik heb veel dingen tegen jullie te zeggen, maar jullie kunnen die nu nog niet verdragen.” Johannes 16:12 We moeten wandelen, we moeten vooruitkomen, we moeten groeien. Dan kan ons hart de dingen bevatten die we nu nog niet bevatten kunnen. Als de laatste dag ons vindt terwijl we vooruitkomen, dan zullen we daar leren wat we hier niet hebben kunnen leren.’

Hechten we waarde aan het idee dat Gods Woord de enige weg is waarlangs we kunnen onderzoeken wat we van Hem horen te weten en het enige licht waarbij we alles kunnen doorzien wat we van Hem moeten zien? Dan zal dat idee ons gemakkelijk weerhouden van elke roekeloosheid. Want dan weten we dat we, zodra we de grenzen van het Woord overschrijden, naast het pad en in het donker lopen. Daar dwalen we en zullen we ons onvermijdelijk steeds weer stoten.

Laten we dus allereerst dit voor ogen houden: als je probeert iets anders te weten te komen over de voorbestemming dan wat in

Gods Woord onthuld wordt, is dat net zo dwaas als wanneer iemand wil gaan waar geen weg is of wil zien in het donker. En we moeten ons er niet voor schamen als we iets niet weten over een onderwerp waarbij onwetendheid eigenlijk een teken is van kennis. We moeten juist graag af willen zien van onderzoek naar kennis als het dwaas en gevaarlijk, ja levensgevaarlijk is om naar die kennis te zoeken. Als onze overmoed ons ophitst, is het goed om daar altijd dit tegenover te stellen, zodat die overmoed daarop afstuit: net zoals te veel honing niet goed is, zo levert het voor nieuwsgierigen ook geen eer op om Gods eer te onderzoeken. Spreuken 25:27 Want we worden niet voor niets afgeschrikt van zo’n brutaliteit. Het kan ons alleen maar in de ondergang storten.

Niets verzwijgen van wat de Schrift leert

Anderen willen dit kwaad juist genezen. Zij zeggen dat je haast elke vermelding van de voorbestemming moet begraven. Zij leren dat je inderdaad elk onderzoek daarnaar net als een klip op zee moet vermijden. De zelfbeheersing van die mensen op dat punt moeten we terecht prijzen, omdat ze vinden dat mysteries heel nuchter behandeld moeten worden. Maar toch bereiken ze daarmee maar weinig bij het menselijk verstand. Want ze dalen af tot zo’n laag niveau dat ons verstand zich daar niet zomaar door in bedwang laat houden.

We moeten ook op dit punt dus de juiste maat houden. Daarom moeten we terugkeren naar het Woord van de Heer. Daarin hebben we een vaste norm voor ons verstand. Want de Schrift is de school van de Heilige Geest. Daarin wordt niets overgeslagen dat voor ons nodig en goed is om te weten. En er wordt ook niets méér geleerd dan wat voor ons goed is om te weten. We moeten dus oppassen dat we de gelovigen niet afhouden van iets dat in de Schrift over de voorbestemming geleerd wordt. Want dan zou het net lijken alsof we hen boosaardig willen beroven van een geschenk van hun God. Of dat we de Geest beschuldigen en beledigen omdat Hij dingen bekend gemaakt zou hebben waar Hij om wat voor reden dan ook maar beter over had kunnen zwijgen.

Volgens mij moeten we een christen dus toestaan zijn hart en oren te openen voor alle woorden die God tot hem richt. Maar alleen met deze beperking: zodra de Heer zijn heilige mond sluit, moet hij ook meteen zijn onderzoeksweg afsluiten. De beste norm voor nuchterheid is dus niet alleen dat we in het leren altijd Gods leiding volgen. Het houdt ook in dat als God ophoudt met onderwijzen, wij ook ophouden met wijs te willen zijn.

Het gevaar dat deze mensen vrezen, weegt niet zo zwaar dat we daarom ons hart zouden moeten afkeren van Gods woorden. Een bekende uitspraak van Salomo is dat het voor God een eer is om een woord te verbergen. Spreuken 25:2 Maar vroomheid en gezond verstand zeggen ons dat we dit niet moeten opvatten als iets dat zonder onderscheid voor elk onderwerp geldt. We moeten dus een onderscheid zoeken om te voorkomen dat we onder het voorwendsel van bescheidenheid en nuchterheid tevreden zouden zijn met domme onwetendheid.

Nu wordt dit onderscheid in enkele woorden heel helder weergegeven door Mozes. Hij zegt: ‘Zijn verborgen dingen zijn voor onze God. Maar Hij heeft die geopenbaard aan ons en onze kinderen.’ Deuteronomium 29:29 (29:28) Mozes raadt het volk aan om de leer van de wet te bestuderen. Maar we zien dus dat hij dat alleen doet vanwege het hemelse besluit: het heeft God behaagd om die leer bekend te maken. En we zien dat Mozes het volk houdt binnen die omheining, alleen om deze reden: het is mensen niet toegestaan om door te dringen in Gods geheimen.

Laster mag geen reden zijn om over de uitverkiezing te zwijgen

Ik erken dat onheilige mensen bij het onderwerp van de voorbestemming gretig iets aangrijpen om aan te vallen of te lasteren, om tegen te keer te gaan of om te bespotten. Maar als hun brutaliteit ons afschrikt, dan moeten we alle belangrijke geloofsdogma’s verbergen. Want zij of anderen zoals zij laten vrijwel geen enkel dogma onaangetast met hun laster.

Een koppige geest zal niet minder onbeschaamd steigeren als hij hoort dat Gods wezen drie personen bevat, dan wanneer hij hoort dat God, toen Hij de mens schiep, vooraf voorzien heeft wat er van hem worden zou. En zij zullen zich er niet van weerhouden te schaterlachen als ze inzien dat er nog maar nauwelijks meer dan vijfduizend jaren verlopen zijn sinds de wereld geschapen is. Want ze zullen vragen waarom Gods kracht zolang passief gebleven is en geslapen heeft.

Kortom, we kunnen niets tevoorschijn halen dat zij niet met hun gespot zullen aanvallen. Moeten we dan, om deze heiligschennis te bedwingen, zwijgen over het God zijn van de Zoon en de Geest? Of de schepping van de wereld stilzwijgend negeren? Integendeel! Gods waarheid is bij dit onderwerp en alle onderwerpen zo sterk, dat die niet bang hoeft te zijn voor de kwaadsprekerij van goddelozen.

Dat betoogt Augustinus ook heel overtuigend in zijn boekje Over degavevan volharding. We zien immers dat valse apostelen de ware leer van Paulus wel verdacht probeerden te maken. Maar ze konden niet voor elkaar krijgen dat hij zich ervoor schaamde.

Deze mensen zeggen ook dat heel het spreken over voorbestemming voor mensen met een vroom hart gevaarlijk is omdat het conflicteert met vermaningen, het geloof aan het wankelen brengt en het hart zelf in verwarring brengt en moedeloos maakt. Maar dat is onzin! Augustinus verzwijgt niet dat hij om deze redenen het verwijt kreeg dat hij veel te vrijmoedig over de voorbestemming preekte. Maar hij kon dat gemakkelijk meer dan overtuigend weerleggen.

Maar er worden hier vele en allerlei verschillende absurde argumenten tegen ingebracht. Daarom wil ik die liever allemaal bewaren om ze op hun eigen plek te ontzenuwen. Ik wil nu alleen maar dat mijn tegenstanders mij in het algemeen toegeven dat ik niet onderzoek wat de Heer verborgen heeft gehouden. En dat ik niet negeer wat Hij aan het licht gebracht heeft. Want ik wil voorkomen dat ik óf aan de ene kant vanwege te grote nieuwsgierigheid, óf aan de andere kant vanwege ondankbaarheid veroordeeld wordt.

Augustinus heeft namelijk ook heel verstandig gezegd dat we veilig de Schrift kunnen volgen. Die loopt als het ware in het tempo van een moeder die zich voorover buigt naar haar kind, om ons niet in de steek te laten in onze zwakheid. Maar degenen die zo voorzichtig of bangelijk zijn dat ze willen dat de voorbestemming begraven wordt om zwakke zielen niet in verwarring te brengen – ik vraag je: met welke kleur willen zij hun arrogantie bedekken? Immers, indirect beschuldigen ze God van dwaze onbedachtzaamheid. Alsof Hij het gevaar niet voorzien had dat zij zo verstandig denken te voorkomen! Dus ieder die de leer van de voorbestemming opzadelt met deze verdachtmaking, lastert openlijk God. Alsof Hem per ongeluk iets ontvallen is dat schadelijk is voor de kerk.

De uitverkiezing van Abraham en zijn nageslacht

Niemand die als vroom beschouwd wil worden, durft simpelweg de voorbestemming ontkennen waardoor God sommigen aanneemt in de hoop op leven en anderen veroordeelt tot de eeuwige dood. Maar men wikkelt er vele spitsvondige redeneringen omheen. Dat doen vooral degenen die Gods voorkennis nemen als reden voor de voorbestemming. En inderdaad stel ik ook dat God zowel van tevoren weet als van tevoren bestemt. Maar ik zeg ook dat het verkeerd is om van die dingen de een ondergeschikt te maken aan de ander.

Als ik God toeschrijf dat Hij voorkennis heeft, dan bedoel ik daarmee dat altijd alles Hem onder ogen is en altijd zal blijven. Voor zijn kennis is er geen toekomst of verleden. Alles is heden en wel zo dat Hij het zich niet visueel inbeeldt. Op die manier staan ons dingen voor de geest die we in onze herinnering bewaren. Maar Hij ziet het echt daadwerkelijk. Hij neemt het waar als iets dat daadwerkelijk voor Hem staat. En deze voorkennis omvat alles wat er in de wereld gebeurt en alle schepselen.

Voorbestemming noem ik het eeuwige besluit van God waardoor Hij bij zichzelf heeft vastgesteld wat Hij wilde dat van ieder mens zou worden. Immers, niet iedereen wordt geschapen met dezelfde conditie. Want voor sommigen is vooraf eeuwig leven bepaald en voor anderen eeuwige veroordeling. Daarom zeggen we dat iedereen, afhankelijk van het doel waarvoor hij geschapen is, voorbestemd is voor het leven of voor de dood.

En God heeft deze voorbestemming niet alleen laten blijken bij individuele personen. Hij heeft er ook een voorbeeld van gegeven in heel het nageslacht van Abraham, om duidelijk te maken dat het aan zijn besluit ligt wat er met elk volk gebeurt. ‘Toen de allerhoogste de volken verdeelde en de kinderen van Adam scheidde, was het volk Israël zijn erfdeel en het snoer van zijn erfenis.’ Deuteronomium 32:8-9 Ieder kan het apart zetten met eigen ogen zien: in de persoon van Abraham wordt als een dorre boomstronk één volk speciaal uitgekozen. En alle andere volken worden verworpen. Maar er blijkt geen reden voor te zijn, behalve dan dat Mozes, om Abrahams nakomelingen alle reden tot pochen af te snijden, leert dat ze alleen boven anderen uitsteken dankzij Gods gratis liefde. Want hij verklaart dat dit de reden is voor hun verlossing: God heeft hun voorvaders liefgehad en hun nageslacht na hen uitgekozen. Deuteronomium 4:37

Nog duidelijker zegt hij in een ander hoofdstuk: ‘Niet omdat jullie de andere volken overtroffen in aantal, had de HEER plezier in jullie en koos Hij jullie uit. Nee, omdat Hij jullie liefhad.’ Deuteronomium 7:7-8 Regelmatig herhaalt Mozes dezelfde waarschuwing: ‘Kijk, van de HEER jullie God is de hemel, de aarde en alles wat daarin is. Maar de HEER had alleen plezier in jullie voorvaders. Hen heeft Hij liefgehad en jullie, hun nageslacht, heeft Hij uitgekozen.’ Deuteronomium 10:14-15 En ergens anders wordt hun bevolen dat ze zich moeten heiligen omdat ze als een speciaal volk zijn uitgekozen. Deuteronomium 7:6 En nog weer ergens anders wordt verzekerd dat Gods liefde de reden is voor hun bescherming. Deuteronomium 23:5 (23:6)

Ook de gelovigen verklaren met één stem: ‘Hij kiest voor ons onze erfenis uit, de glorie van Jacob, die Hij heeft liefgehad.’

Psalm 47:5 Want de gaven waarmee God hen getooid had, schrijven ze allemaal toe aan zijn gratis liefde. Ze wisten niet alleen dat ze die zelf op geen enkele manier verdiend hadden. Ze wisten ook dat de heilige aartsvader niet zulke goede eigenschappen had dat hij voor zichzelf en zijn nakomelingen zo’n eervol privilege had kunnen verdienen.

En om hun hoogmoed nog verder stuk te breken, verwijt God hun dat ze zoiets helemaal niet verdienen. Want ze waren een koppig en halsstarrig volk. Exodus 32:9; Deuteronomium 9:6 Ook de profeten werpen de Joden deze uitverkiezing vaak als een beschamend verwijt voor de voeten, omdat ze er schandelijk van afgeweken waren.

Hoe dan ook, nu mogen degenen naar voren komen die Gods uitverkiezing afhankelijk willen maken van wat mensen waard zijn of met hun daden verdiend hebben. Hier zien ze dat één volk boven alle andere volken geplaatst wordt. Ze horen dat God zonder naar de mensen zelf te kijken ertoe gebracht is om enkelingen, onaanzienlijken genegen te zijn. En dat waren dan ook nog eens slechte en koppige mensen. Willen ze met Hem in discussie gaan, omdat Hij zo’n bewijs heeft willen geven van zijn barmhartigheid? Maar met hun rumoer kunnen ze zijn werk niet verhinderen. Door de stenen van hun beledigingen naar de hemel te gooien kunnen ze zijn rechtvaardigheid niet raken of kwetsen. Die stenen zullen juist op hun eigen hoofd terugvallen.

Ook de Israëlieten worden teruggeroepen naar dit principe van een gratis verbond, als ze God moeten danken of als hun hoop voor de toekomst opgebeurd moet worden. ‘Hij en niet wijzelf, heeft ons zijn volk gemaakt en de schapen van zijn weide,’ zegt de profeet. Psalm 100:3 De ontkenning ‘en niet wijzelf’ wordt erbij gevoegd om ons uit te sluiten. Dat is niet overbodig, want ze moeten niet alleen weten dat al het goede waar zij in uitblinken van God komt. Ze moeten ook weten dat Hij in zichzelf de reden gevonden heeft. Want in hen was niets waardoor ze zo’n eer waard waren.

Hij beveelt ook dat ze tevreden moeten zijn met enkel Gods welbehagen. Hij zegt het zo: ‘Nageslacht van Abraham, zijn slaven, kinderen van Jacob, zijn uitverkorenen!’ Psalm 105:6 Dan somt hij Gods zegeningen op als vruchten van de uitverkiezing. En dan concludeert hij ten slotte dat God zo vrijgevig geweest is omdat Hij zijn verbond in herinnering hield.

In overeenstemming met deze leer zingt heel de kerk: ‘Uw rechterhand en het licht van uw gelaat heeft onze voorvaders het land gegeven, omdat U plezier in hen had.’ Psalm 44:4 En we moeten erop letten dat met het land een zichtbaar symbool bedoeld wordt van het in het verborgen apart zetten, wat de adoptie als kinderen inhoudt.

Ergens anders spoort David het volk aan tot dezelfde dankbaarheid: ‘Gelukkig het volk dat de HEER als God heeft, het volk dat Hij als zijn erfdeel heeft uitgekozen!’ Psalm 33:12 En

Samuël wekt hen op om goede hoop te hebben: ‘God zal jullie niet verlaten omwille van zijn grote naam. Want het heeft Hem behaagd van jullie zijn eigen volk te maken.’ 1 Samuël 12:22 Op die manier wapent ook David zich voor de strijd, als zijn geloof onder vuur ligt: ‘Gelukkig hij die U hebt uitgekozen. Hij zal wonen in uw voorhoven!’ Psalm 65:5

De uitverkiezing is in God verborgen. Maar de uitverkiezing wordt bevestigd zowel door de eerste als de tweede verlossing en door andere zegeningen die tussenbeide kwamen. Daarom slaat daar bij Jesaja het woord ‘uitkiezen’ op: ‘God zal zich over Jacob ontfermen en Hij zal Israël nog uitkiezen.’ Jesaja 14:1 Hij doelt op een moment in de toekomst. Het leek alsof God zijn volk verstoten had en alsof er een eind gekomen was aan de uitverkiezing. Daarom zegt Jesaja dat de verzameling van het overgebleven volk een teken zal vormen dat de uitverkiezing onveranderlijk en zeker is. En ergens anders wordt gezegd: ‘Ik heb jou uitgekozen en ik heb jou niet verworpen.’ Jesaja 41:9 Daarmee geeft God hoog op van de geweldige vrijgevigheid van zijn vaderlijke goedheid, die continu doorgaat. Nog duidelijker zegt de engel het bij Zacharia: ‘God zal Jeruzalem nog uitkiezen.’ Zacharia 2:12 (2:16) Omdat God Jeruzalem zo hard strafte, leek het alsof Hij het had verworpen. Maar toch blijft de uitverkiezing onaangetast, ook al zijn daar niet altijd tekenen van te zien.

Uitverkiezing en verwerping binnen Abrahams nageslacht

Hier moeten we een tweede niveau van uitverkiezing aan toevoegen. Dit niveau is beperkter, maar daarin is Gods meer specifieke genade te zien. Uit hetzelfde nageslacht van Abraham heeft God sommigen verworpen. Maar anderen in zijn kerk heeft Hij gekoesterd. Zo liet Hij zien dat Hij hen als zijn kinderen hield.

Ismaël mocht in het begin op hetzelfde niveau staan als zijn broer Izak. Want het geestelijke verbond was in hem evengoed bevestigd door het teken van de besnijdenis. Hij wordt verworpen. Daarna Ezau. Uiteindelijk een ontelbare menigte: bijna heel Israël. In Izak werd het zaad geroepen. Diezelfde roeping duurde voort in Jacob. Eenzelfde voorbeeld gaf God door Saul te verwerpen. In Psalm 78 wordt dat heel mooi verkondigd: ‘Hij verwierp de stam van Jozef en de stam van Efraïm koos Hij niet uit. Nee, Hij koos de stam van Juda uit.’ Psalm 78:67-68 En in de heilige geschiedenis wordt dat een paar keer herhaald om door die verandering het wonderlijke mysterie van Gods genade nog duidelijker te laten uitkomen.

Ik geef toe dat Ismaël, Ezau en andere zulke mensen door hun eigen fout en schuld de adoptie als kinderen verloren hebben. Want er was een voorwaarde bij gesteld: ze moesten zich trouw houden aan Gods verbond. Maar zij waren ontrouw en schonden dat verbond. Toch was het een bijzondere zegen van God geweest dat Hij hen het waard gekeurd had om hen boven andere volken te stellen. Dat wordt gezegd in Psalm 147: ‘Dit heeft Hij niet gedaan met andere volken. Hun heeft Hij zijn oordelen niet geopenbaard.’ Psalm 147:20

Maar ik zeg niet voor niets dat we hier twee niveaus moeten zien. Want al door heel het volk uit te kiezen, heeft God laten zien dat Hij in enkel zijn vrijgevigheid niet gebonden is aan wetten. Hij is vrij. Je mag dus niet van Hem eisen dat Hij zijn genade gelijk verdeeld. Juist doordat Hij zijn genade ongelijk verdeeld, laat Hij zien dat die echt gratis is.

Daarom laat Maleachi de ondankbaarheid van Israël extra sterk uitkomen: ze waren niet alleen uitgekozen uit heel het menselijk geslacht. Ze waren ook uit een heilig huis apart gezet als eigendom. En toch waren ze zo ontrouw en goddeloos om God, de Vader die hun zo goed deed, te verachten! ‘Was Ezau niet Jacobs broer?’ vraagt hij. ‘Toch heb Ik Jacob liefgehad en heb Ik Esau gehaat.’ Maleachi 1:2-3; Romeinen 9:13 God stelt als iets vanzelfsprekends dat de kinderen van Jacob veel verplichtingen hadden, alleen al omdat Jacob en Ezau beiden geboren waren uit een heilige vader. Ze waren beiden opvolgers van het verbond en takken uit een heilige wortel. Toch waren alleen de kinderen van Jacob in deze waardigheid aangenomen. Want na de verwerping van Ezau, de oudste, was hun voorvader, die van nature de minste was, erfgenaam geworden. Daarom verwijt God hun een dubbele ondankbaarheid en klaagt Hij dat die dubbele band hen niet in bedwang gehouden heeft.

Uitverkiezing en verwerping van individuen

Het is nu al wel duidelijk genoeg dat God door zijn verborgen plan vrij uitkiest wie Hij wil en anderen verwerpt. Toch is zijn gratis uitverkiezing nog maar half uitgelegd zolang we niet toekomen aan de individuele personen. God biedt hun het behoud niet alleen aan, maar wijst hun die ook zo toe dat ze niet in spanning hoeven te zitten of eraan hoeven te twijfelen of de effectiviteit daarvan wel zeker is. Ze worden meegeteld met het enige zaad waar Paulus het over heeft. Romeinen 9:6-8; Galaten 3:16-20

De adoptie als kinderen was weliswaar in de handen van Abraham gelegd. Toch zijn veel van zijn nakomelingen als verrotte ledematen afgesneden, om de uitverkiezing effectief en werkelijk blijvend te laten zijn. Daarom is het nodig om op te klimmen naar het hoofd, in wie de hemelse Vader zijn uitverkorenen bij elkaar verzameld en door een onverbrekelijke band met zichzelf verbonden heeft. In de adoptie van de afstammelingen van Abraham heeft dus wel Gods royale gunst geschitterd, die Hij aan anderen ontzegd heeft. Maar in Christus’ ledematen blinkt de kracht van zijn genade nog veel mooier. Want omdat ze zijn ingelijfd in hun hoofd, raken ze hun behoud nooit meer kwijt.

Paulus redeneert dus verstandig op basis van de passage van Maleachi die ik zo pas aanhaalde: als God een bepaald volk bij zich nodigt door met hen een verbond van eeuwig leven te sluiten, dan valt daaronder nog een speciale vorm van uitverkiezing van een deel van dat volk. Hij kiest dus niet door een genade zonder onderscheid iedereen effectief uit. Want in deze passage wordt gezegd: ‘Jacob heb Ik liefgehad.’ Dat slaat op de nakomelingen van deze aartsvader. De profeet zet die tegenover de nakomelingen van Ezau. Toch verhindert dat niet dat ons hier in één persoon een bewijs gepresenteerd wordt van een uitverkiezing die niet kan verdwijnen zonder haar einddoel te bereiken.

Niet voor niets merkt Paulus op dat zij een rest genoemd worden. Romeinen 9:27; 11:5: Jesaja 10:22-23 Want uit de ervaring blijkt dat van een grote menigte het grootste deel vergaat en verdwijnt. Vaak blijft er maar een klein deel over. De algemene uitverkiezing van een volk is dus niet altijd vast en effectief. Maar de reden daarvoor ligt voor de hand: aan degenen met wie God zijn verbond sluit, geeft Hij niet meteen ook de Geest van de nieuwe geboorte. Door de kracht van die Geest zouden ze binnen het verbond kunnen blijven. Maar uiterlijke verandering zonder innerlijke werking van de genade maakt het verschil tussen de verwerping van het menselijk geslacht en de uitverkiezing van een klein aantal vromen.

Heel het volk Israël werd Gods erfenis genoemd, ook al waren velen van hen buitenstaanders. Maar God had niet voor niets in zijn verbond beloofd dat Hij de vader en verlosser van het volk zou zijn. Daarom keek Hij meer naar zijn genadige gunst dan naar de ontrouw en het verraad van velen. Zij konden zijn betrouwbaarheid niet tenietdoen. Hij bewaarde een rest en zo bleek dat Hij nooit spijt krijgt van zijn roeping. Romeinen 11:29 Immers, God bleef voor zichzelf een kerk verzamelen uit de kinderen van Abraham, liever dan uit onheilige volken. Zo hield Hij rekening met zijn verbond. De massa had dat verbond geschonden en daarom beperkte God het tot weinigen, om te voorkomen dat het helemaal verloren zou gaan. Kortom, de algemene adoptie van Abrahams nageslacht was een zichtbaar beeld van het grotere geschenk dat God sommigen van de velen waard keurde.

Dat is de reden waarom Paulus zo nauwkeurig onderscheid maakt tussen de vleselijke kinderen van Abraham en de geestelijke kinderen die geroepen zijn naar het voorbeeld van Izak. Galaten 4:28 Niet omdat simpelweg een kind van Abraham zijn zonder betekenis is en je daar niets aan hebt. Als je dat zou zeggen, beledig je het verbond. Maar Paulus maakt dit onderscheid omdat alleen deze nakomelingen daadwerkelijk gered worden door Gods onveranderlijke plan, waardoor Hij voor zichzelf heeft voorbestemd wie Hij wilde.

Maar ik waarschuw de lezers dat ze nog geen stelling moeten nemen voor de ene of de andere kant. Ze moeten onbevooroordeeld blijven totdat uit de Schriftpassages die ik ga aanvoeren duidelijk is welke opvatting we horen te hebben.

Ik zeg dus dat de Schrift duidelijk laat zien dat God door een eeuwig en onveranderlijk plan lang van tevoren heeft vastgesteld welke mensen Hij voor eens en voor altijd wilde aannemen om te redden en welke Hij aan de andere kant wilde prijsgeven aan de ondergang. Ik beweer dat dit plan wat betreft de uitverkorenen gebaseerd is op zijn gratis barmhartigheid. God kijkt helemaal niet naar wat mensen waard zijn. En wat betreft degenen die Hij overgeeft aan de veroordeling: voor hen wordt de toegang tot het leven gesloten door Gods rechtvaardig en onberispelijk, maar toch onbegrijpelijk oordeel.

Verder stel ik vast dat voor de uitverkorenen hun roeping een bewijs vormt van hun uitverkiezing. Bovendien is de rechtvaardiging een tweede teken waaruit hun uitverkiezing blijkt, totdat ze de glorie bereiken waarin die uitverkiezing vervuld wordt. En net zoals de Heer zijn uitverkorenen aanwijst door de roeping en de rechtvaardiging, zo maakt Hij ook aan de verworpenen door tekenen bekend welk oordeel hun te wachten staat. Want Hij sluit hen uit van het kennen van zijn naam en van de heiliging door zijn Geest.

Ik ga straks voorbij aan veel verzinsels die dwaze mensen verzonnen hebben om de voorbestemming omver te halen. Die verzinsels hebben geen weerlegging nodig. Want zodra ze naar voren gebracht worden, bewijzen ze zelf overduidelijk hoe vals ze zijn. Ik ga me alleen bezighouden met tegenargumenten waarover tussen geleerden gediscussieerd wordt, die problemen kunnen geven voor eenvoudigen, of die mooi klinken, maar door goddelozen worden aangevoerd om Gods rechtvaardigheid te lasteren.

Voetnoten

  1. 406

    Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 78,4.

  2. 407

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 53,7.

  3. 408

    Augustinus, De dono perseverantiae, 15-20.

  4. 409

    Augustinus, De dono perseverantiae, 14.

  5. 410

    Augustinus, De Genesi ad litteram V, 3.

Voetnoot 406

Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum, 78,4.

Voetnoot 407

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 53,7.

Voetnoot 408

Augustinus, De dono perseverantiae, 15-20.

Voetnoot 409

Augustinus, De dono perseverantiae, 14.

Voetnoot 410

Augustinus, De Genesi ad litteram V, 3.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.