Boek III · Hoofdstuk 22

Schriftbewijzen voor de uitverkiezing

Inhoud van dit hoofdstuk · 11 secties
  1. 1Geen uitverkiezing op basis van voorkennis
  2. 2Paulus’ argumentatie stap voor stap
  3. 3Goede daden geen oorzaak, maar gevolg van de uitverkiezing
  4. 4Paulus over Jacob en Esau
  5. 5Bij Jacob en Esau hield God geen rekening met hun daden
  6. 6Jacob werd uitgekozen voor eeuwig leven
  7. 7Christus zelf over de uitverkiezing
  8. 8De kerkvaders over de uitverkiezing
  9. 9Thomas van Aquino over de uitverkiezing
  10. 10Algemene roeping en uitverkiezing zijn niet met elkaar in tegenspraak
  11. 11Ook verwerping alleen omdat God het wil

Geen uitverkiezing op basis van voorkennis

Al deze dingen die ik hier beweerd heb, stuiten bij velen op tegenspraak. Vooral de gratis uitverkiezing van de gelovigen, ook al kan die niet aan het wankelen gebracht worden. Want bijna iedereen denkt dat God onderscheid maakt tussen mensen op basis van wat Hij voorziet dat ieder zal verdienen. Als zijn kinderen adopteert Hij dan dus degenen van wie Hij van tevoren weet dat ze zijn genade waard zullen zijn. En degenen van wie Hij ziet dat hun aard zich neigt naar slechtheid en goddeloosheid, geeft Hij dan over aan de veroordeling tot de dood. Op die manier plaatsen deze mensen dus Gods voorkennis er als een gordijn tussen. Zo verduisteren ze de uitverkiezing niet alleen. Ze doen ook net alsof de oorsprong daarvan ergens anders ligt.

En dit idee is niet alleen algemeen geaccepteerd bij de grote massa. Het heeft ook altijd belangrijke aanhangers gehad. Ik geef dat openlijk toe, zodat niemand ervan uit kan gaan dat mijn zaak veel schade zal lijden als deze grote namen daartegen in stelling gebracht worden. Want Gods waarheid is op dit punt zo zeker en zo helder dat die niet aan het wankelen gebracht of verduisterd kan worden door gezag van mensen.

Maar er zijn ook anderen, die niet getraind zijn in de Schrift en geen enkele instemming verdienen. Zij kennen de gezonde leer niet, maar toch verscheuren ze die zo onbeschaamd dat hun brutaliteit onuitstaanbaar is. Omdat God sommigen naar eigen goeddunken uitkiest en anderen passeert, dreigen zij Hem met een proces! Maar we weten dat Hij het zo doet. Dus wat willen ze dan bereiken door met God in discussie te gaan?

Ik leer niets dat niet uit ervaring blijkt: God heeft altijd de vrijheid gehad om zijn genade te geven aan wie Hij maar wil. Ik zal niet vragen hoe de afstammelingen van Abraham konden uitblinken boven anderen als het niet zou liggen aan een onderscheid waarvan de reden alleen bij God te vinden is. Ze moeten maar eens antwoord geven op deze vraag: waarom, denken ze, zijn zij mensen en geen ossen of ezels? God had de macht om honden van hen te maken. Toch heeft Hij hen naar zijn beeld gemaakt.

Willen ze de redeloze dieren toestaan om met God in discussie te gaan over hun lot, alsof het onrechtvaardig is dat zij anders zijn dan mensen? Dat zij een voorrecht zouden hebben dat ze nergens mee verdiend hebben, zou echt niet eerlijker zijn dan dat God bij het uitdelen van zijn geschenken onderscheid maakt volgens de maat van zijn oordeel.

Als ze het over individuele personen gaan hebben, vinden ze ongelijkheid nog ergerlijker. Maar dan hoort het voorbeeld van Christus hen zo te laten schrikken dat ze niet zo zorgeloos over dit diepe mysterie kletsen. Hij wordt verwekt als sterfelijk mens uit het zaad van David. Waar heeft Hij het volgens hen aan verdiend dat Hij al in de schoot van zijn moeder het hoofd van de engelen wordt, de eniggeboren Zoon van God, het beeld en de glorie van de Vader, het licht, de rechtvaardigheid en de redding van de wereld? Hebreeën 1:2

Augustinus merkte dit heel verstandig op: het hoofd van de kerk vormt de helderste spiegel van de gratis uitverkiezing. Daarom hoeft die ons in zijn ledematen niet in verwarring te brengen.

Christus is niet Gods Zoon geworden door rechtvaardig te leven. Hij heeft dat gratis gekregen om daarna anderen aan die genade deel te geven. Stel dat iemand nu vraagt waarom anderen niet zijn wat Hij is of waarom wij allemaal zo enorm van Hem verschillen, waarom wij allemaal bedorven zijn, maar Hij de reinheid zelf is. Dan laat zo iemand niet alleen blijken hoe dwaas hij is, maar ook hoe onbeschaamd.

Willen mijn tegenstanders God nog steeds het vrije recht om uit te kiezen en te verwerpen afnemen? Dan moeten ze meteen ook van Christus afpakken wat Hem gegeven is!

Nu moeten we letten op wat de Schrift zegt over de uitverkiezing en de verwerping. Paulus leert dat we in Christus uitgekozen zijn vóór de schepping van de wereld. Efeziërs 1:4 Daarmee haalt hij natuurlijk elk rekening houden met onze eigen waardigheid onderuit. Want het is net alsof hij zegt dat de Hemelse Vader in heel het nageslacht van Adam niets vond dat het waard was om door Hem uitgekozen te worden. Daarom keek Hij naar Christus, om uit zijn lichaam ledematen uit te kiezen die Hij zou aannemen om te delen in het leven. Voor gelovigen moet dus dit de geldige reden zijn: we zijn in Christus aangenomen in de hemelse erfenis omdat we uit onszelf niet in staat waren tot zoiets geweldigs.

Dat maakt Paulus ook ergens anders duidelijk. Hij spoort de Kolossenzen aan om dankbaar te zijn omdat ze door God geschikt gemaakt zijn om te delen in het lot van de heiligen. Kolossenzen 1:12 De uitverkiezing gaat dus vooraf aan die genade van God, dat we geschikt gemaakt worden om de glorie van het toekomstige leven te krijgen. Wat zou God dan in ons kunnen vinden waardoor Hij ertoe aangezet zou worden om ons uit te kiezen?

Wat ik wil zeggen, blijkt nog duidelijker uit een andere uitspraak van Paulus. Hij zegt: ‘Hij heeft ons uitgekozen voordat de fundamenten van de wereld gelegd waren, volgens het welbehagen van zijn wil, zodat wij in zijn ogen heilig, smetteloos en onberispelijk zouden zijn.’ Efeziërs 1:4-5; Kolossenzen 1:22 Daar stelt Paulus Gods welbehagen tegenover alle mogelijke verdiensten van ons.

Paulus’ argumentatie stap voor stap

Om dit bewijs nog overtuigender te laten zijn, is het nodig apart aandacht te geven aan de onderdelen van deze passage. Samen laten ze dan geen ruimte meer voor twijfel.

Als Paulus de uitverkorenen noemt, spreekt hij natuurlijk de gelovigen aan. Dat bevestigt hij even later ook. Als je de aanduiding ‘uitverkorenen’ verdraait en beperkt tot de tijd waarin het evangelie geopenbaard werd, bederf je die tot een schandelijk verzinsel.

Paulus zegt dat ze uitgekozen zijn vóór de schepping van de wereld. Daarmee haalt hij elk rekening houden met onze eigen waardigheid onderuit. Want welke reden kon er zijn om onderscheid te maken tussen hen? Ze waren er nog niet eens en na Adam zouden ze allemaal gelijk zijn.

Verder zijn ze uitgekozen in Christus. Dat betekent dus dat ze niet alleen ieder zijn uitgekozen buiten zichzelf, maar ook dat ze daarmee apart gezet zijn van anderen. Want we zien dat niet iedereen een ledemaat van Christus is.

Daar wordt aan toegevoegd dat ze uitgekozen zijn om heilig te zijn. Dat weerlegt duidelijk de dwaling die de uitverkiezing afleidt uit Gods voorkennis. Want Paulus roept daar tegenin dat elke goede eigenschap die in mensen aan het licht komt, een gevolg is van de uitverkiezing.

En als je verder vraagt naar de hogere oorzaak, dan antwoordt Paulus dat God het zo van tevoren bepaald heeft en wel volgens het welbehagen van zijn wil. Met die woorden haalt hij alle middelen onderuit waarvan mensen zich inbeelden dat ze die zelf hebben voor hun uitverkiezing. Want hij leert dat alle geschenken die God geeft voor het geestelijk leven voortkomen uit deze ene bron: God heeft uitgekozen wie Hij wilde en voordat ze geboren waren, heeft Hij voor ieder van hen afzonderlijk de genade klaargelegd die Hij hun waard wilde keuren.

Goede daden geen oorzaak, maar gevolg van de uitverkiezing

Als dit welbehagen van God regeert, wordt er helemaal geen rekening meer gehouden met onze daden. De apostel Paulus laat deze tegenstelling hier weliswaar niet volgen. Maar we moeten het wel zo opvatten. Want ergens anders legt hij het zo uit. Daar zegt hij: ‘Hij heeft ons geroepen met een heilige roeping, niet volgens onze daden, maar volgens zijn eigen voornemen en de genade, die ons gegeven is door Christus, vóór de tijd begon.’ 2 Timotheüs 1:9

En ik heb al laten zien dat elk bezwaar wordt weggenomen door wat volgt: ‘Zodat wij heilig en smetteloos zouden zijn.’ Efeziërs 1:4 Want als je zegt: ‘God heeft ons uitgekozen omdat Hij van tevoren zag dat we heilig zouden zijn,’ dan keer je de volgorde van Paulus om. Je kunt dus veilig zo redeneren: als God ons uitgekozen heeft zodat we heilig zouden zijn, dan heeft Hij ons niet uitgekozen omdat Hij vooraf zag dat we dat zouden zijn. Want deze twee dingen zijn met elkaar in strijd: dat de vromen heilig zijn dankzij de uitverkiezing en dat tot hun uitverkiezing is besloten op basis van hun daden.

Soms nemen mijn tegenstanders dan hun toevlucht tot deze bewering: de Heer geeft de genade van de uitverkiezing niet om voorafgaande verdiensten, maar Hij staat die wel toe om toekomstige verdiensten. Maar dat is een waardeloze uitvlucht. Want als er gezegd wordt dat de gelovigen uitgekozen zijn om heilig te zijn, dan wordt daarmee tegelijk aangegeven dat de heiligheid die ze later zouden hebben het gevolg is van de uitverkiezing. En hoe kan het gevolg van de uitverkiezing tegelijk de oorzaak van de uitverkiezing zijn?

Later lijkt Paulus hetzelfde wat hij gezegd had nog eens extra te bevestigen, als hij zegt: ‘Volgens het voornemen van zijn wil dat Hij zich in zichzelf had voorgenomen.’ Want dat God het zich in zichzelf had voorgenomen, betekent hetzelfde als wanneer Paulus had gezegd dat God naar niets buiten zichzelf gekeken heeft om bij het besluiten rekening mee te houden. Daarom voegt Paulus er meteen aan toe dat het er bij de uitverkiezing volledig om draait dat wij Gods genade zouden prijzen. Efeziërs 1:5-6 Natuurlijk verdient Gods genade het alleen om als enige in onze verlossing gepredikt te worden, als die verlossing gratis is. Maar onze verlossing is niet gratis als God er bij het uitkiezen van de zijnen rekening mee houdt wat voor daden ieder zal gaan doen.

Zodoende merken we dat wat Christus tegen zijn leerlingen zegt, in het algemeen voor alle gelovigen geldt: ‘Jullie hebben Mij niet uitgekozen, maar Ik heb jullie uitgekozen.’ Johannes 15:16 Christus sluit daar niet alleen de voorafgaande verdiensten uit. Hij maakt duidelijk dat ze in zichzelf niets hadden waarom ze uitgekozen zouden worden, als Hij in zijn barmhartigheid niet de eerste stap had gezet.

Zo moeten we ook deze uitspraak van Paulus opvatten: ‘Wie heeft Hem eerst iets gegeven en krijgt daar een vergoeding voor?’

Romeinen 11:35 Want hij wil laten zien dat Gods goedheid altijd als eerste naar mensen toekomt, omdat er bij hen niets te vinden is – niets wat ze gedaan hebben en niets wat ze nog gaan doen – waardoor Gods goedheidéénmet hen zou kunnenworden.

Paulus over Jacob en Esau

In zijn brief aan de Romeinen gaat Paulus dieper op dit onderwerp in en behandelt hij het uitgebreider. Daar zegt hij dat niet ieder die van Israël afstamt een Israëliet is. Romeinen 9:6 Ze waren wel allemaal gezegend met een erfelijk recht. Maar toch ging de erfopvolging niet op allemaal op dezelfde manier over.

De reden voor deze uitleg lag in de hoogmoed van het Joodse volk. Dat liet zich onterecht voorstaan op zijn afkomst. Ze kenden zichzelf de naam ‘kerk’ toe. Daarom vonden ze dat de waarheid van het evangelie afhing van hun eigen goeddunken. Net zoals tegenwoordig de pausgezinden zich graag onder dit valse voorwendsel in Gods plaats willen stellen.

Paulus geeft toe dat het nageslacht van Abraham heilig was dankzij het verbond. Maar toch verzekert hij dat er onder dat nageslacht veel buitenstaanders zijn. En dat niet alleen omdat ze ontaarden en zo in plaats van wettige kinderen, bastaarden worden. Het komt doordat Gods speciale uitverkiezing overal boven staat. Die alleen maakt dat iemand daadwerkelijk geadopteerd wordt.

Stel dat sommigen dankzij hun eigen vroomheid overeind bleven in de hoop op redding en anderen alleen door zelf daarvan af te wijken die hoop kwijtraakten. Dan zou het natuurlijk dom en absurd zijn dat Paulus de verborgen uitverkiezing aan zijn lezers presenteert. Maar stel dat Gods wil de een van de ander onderscheidt, waardoor niet alle kinderen van Israël echte Israëlieten zijn. Dan is daarvoor geen reden te zien of te vinden buiten God. En dan heeft het geen zin om te verzinnen dat de oorsprong van ieders toestand in hemzelf ligt.

Vervolgens gaat Paulus nog verder op dit onderwerp in aan de hand van het voorbeeld van Jacob en Ezau. Zij waren allebei kinderen van Abraham en zaten tegelijk in de schoot van hun moeder opgesloten. Dat de eer van het eerstgeboren zijn overging op Jacob, leek daarom een onnatuurlijke verandering. Toch verzekert Paulus dat daaruit bleek dat de een uitgekozen was en de ander verworpen.

Als we nu vragen wat de oorsprong en de reden is, leggen zij die uitgaan van Gods voorkennis die in de goede of slechte eigenschappen van de mensen. Want zij komen meteen met deze simpele verklaring: in de persoon van Jacob laat God zien dat Hij uitkiest wie zijn genade waard zijn en in de persoon van Ezau dat Hij verwerpt van Hij voorziet dat ze zijn genade niet waard zijn. Dat durven ze heel stellig te zeggen.

Maar wat zegt Paulus? ‘Toen de kinderen nog niet geboren waren en nog geen goed of kwaad gedaan hadden, zodat Gods voornemen van zijn uitverkiezing vast zou blijven staan, niet op basis van daden, maar op basis van zijn roeping, werd tegen

Rebekka gezegd: “De meerdere zal de mindere dienen,” zoals geschreven staat: “Jacob heb ik liefgehad, maar Ezau heb ik gehaat.”’ Romeinen 9:11-13; Genesis 25:23; Maleachi 1:2-3

Als Gods voorkennis iets te betekenen had in dit onderscheid tussen de broers, zou het noemen van het moment hier slecht passen. Stel dat Jacob uitgekozen was omdat hij dat door zijn toekomstige goede eigenschappen verdiend had. Waarom zou Paulus dan zeggen dat hij nog niet geboren was? Dan zou het ook dom zijn om eraan toe te voegen dat hij nog niets goeds gedaan had. Want dan zou het voor de hand liggen om daartegen aan te voeren dat voor God niets verborgen is en dat Jacobs vroomheid voor Hem dus al heden was. Als hij met zijn daden de genade verdiende, dan moest ook toen al vaststaan hoeveel ze waard waren, nog voordat Jacob geboren was, alsof hij toen al volwassen was.

Maar in het vervolg lost de apostel het probleem op. Hij leert dan dat de adoptie van Jacob niet het gevolg was van zijn daden, maar van Gods roeping. Als hij de daden noemt, gebruikt hij geen toekomende of verleden tijd. Bovendien stelt hij ze recht tegenover Gods roeping. Het een sluit het ander uit. Het is alsof hij zei: je moet letten op wat God gewild heeft, niet op wat mensen uit zichzelf meebrengen.

Ten slotte sluiten de woorden ‘uitverkiezing’ en ‘voornemen’ natuurlijk alle oorzaken uit die mensen altijd buiten Gods verborgen plan verzinnen.

Bij Jacob en Esau hield God geen rekening met hun daden

Als je de daden die al gedaan zijn of nog gedaan zullen worden een plek wilt geven in de uitverkiezing, wat kun je dan nog aanvoeren om dit te verduisteren? Want dan ga je toch volledig voorbij aan wat de apostel Paulus beweert: dat het onderscheid tussen de broers al bepaald is toen ze nog niet geboren waren en daarom niet berust op een rekening houden met hun daden, maar alleen op Gods roeping.

Als hun scherpzinnigheid ergens op gebaseerd was, zou dat ook de apostel niet ontgaan zijn. Maar hij wist heel goed dat God niets goeds in de mens kon voorzien, behalve wat Hij van tevoren al besloten had om hem te geven door het geschenk van zijn uitverkiezing. Daarom neemt Paulus niet zijn toevlucht tot die verkeerde volgorde waarbij de goede daden vóór hun eigen oorzaak gesteld worden.

Uit de woorden van de apostel hebben we begrepen dat het behoud van de gelovigen alleen gebaseerd is op het besluit van Gods uitverkiezing. En dat je die gunst niet verdient met je daden, maar dat die het gevolg is van de gratis roeping. We hebben daar als het ware een voorbeeld van gekregen. Ezau en Jacob zijn broers, voortgekomen uit dezelfde ouders, nog in dezelfde moederschoot opgesloten, nog niet ter wereld gekomen. In hen is alles gelijk, maar toch is Gods oordeel verschillend. Want de een neemt Hij aan en de ander verwerpt Hij.

Alleen door het eerstgeboorterecht stond de een boven de ander. Maar zelfs dat wordt genegeerd. De jongste krijgt wat de oudste geweigerd wordt. Sterker nog, ook bij anderen lijkt God steeds vastbesloten het eerstgeboorterecht te negeren, om het vlees elke aanleiding tot pochen te ontnemen. Hij verstoot Ismaël en zet zijn hart op Izak. Genesis 21:12 Hij passeert Manasse en eert Efraïm meer. Genesis 48:20

Jacob werd uitgekozen voor eeuwig leven

Maar stel dat iemand hiertegen inbrengt dat je uit deze lagere en kleinere zegeningen geen conclusies mag trekken over het belangrijke punt van het toekomstige leven. Iemand die verheven is tot de eer van eerstgeborene mag je daarom nog niet beschouwen als geadopteerd in de erfenis van de hemel.

Er zijn inderdaad velen die zelfs Paulus niet sparen. Alsof hij bij het citeren van bewijzen uit de Schrift, de Schrift tot een vreemde betekenis verdraait. Maar dan antwoord ik hetzelfde als eerder: de apostel heeft zich niet door onnadenkendheid vergist. Hij heeft niet met opzet bewijzen uit de Schrift misbruikt. Nee, hij zag iets wat mijn tegenstanders niet willen zien: de geestelijke uitverkiezing van Jacob heeft God door een aards symbool duidelijk willen maken. Want anders zou die uitverkiezing verborgen blijven bij Gods ontoegankelijke rechterstoel.

Want als we het eerstgeboorterecht dat Jacob kreeg niet laten slaan op de toekomstige tijd, dan is het maar een loze en belachelijk soort zegen. Het leverde hem dan niets anders op dan allerlei ellende en problemen, een pijnlijke ballingschap en veel bitter verdriet en zorgen. Paulus zag dus zonder twijfel dat God door een uiterlijke zegen getuigde van de geestelijke en absoluut onvergankelijke zegen die Hij in zijn koninkrijk voor zijn knecht had klaargelegd. Daarom heeft Paulus niet geaarzeld die uiterlijke zegen als bewijs te gebruiken om de geestelijke zegen te bevestigen.

We moeten ook in gedachten houden dat het land Kanaän een waarborg vormde van de hemelse woonplaats. Daarom mogen we er absoluut niet aan twijfelen dat Jacob met de engelen was ingelijfd in het lichaam van Christus, om met Hem te delen in hetzelfde leven.

Jacob wordt dus uitgekozen en door Gods voorbestemming onderscheiden van Ezau, die verworpen wordt. Toch was er qua verdiensten geen enkel verschil tussen hen. Vraagt iemand naar de reden daarvoor? Dan geeft de apostel Paulus deze: tegen Mozes is gezegd: ‘Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij zal ontfermen en ik zal barmhartig zijn voor wie Ik barmhartig zal zijn.’ Romeinen 9:15-17; Exodus 33:19 En wat betekent dat, vraag ik je? Natuurlijk maakt de Heer hier heel duidelijk dat Hij in mensen geen reden vindt om hen goed te doen. Daarom haalt Hij die reden alleen uit zijn barmhartigheid. En dus is de redding van de zijnen zijn werk.

Als God je redding alleen in zichzelf plaatst, waarom zou je dan afdalen naar jezelf? Als Hij jou alleen zijn barmhartigheid toewijst, waarom zou je dan je toevlucht nemen tot je eigen verdiensten? Als Hij je gedachten bepaalt bij zijn barmhartigheid, waarom zou je dan een deel van je aandacht richten op je eigen daden?

Daarom moeten we bij dat kleinere volk komen, waar Paulus ergens anders over schrijft dat God het van tevoren gekend heeft. Romeinen 11:2 Niet op de manier waarop mijn tegenstanders zich dat voorstellen. Zij denken dat Hij passief toekijkt en van tevoren dingen weet die Hij niet zelf doet. Nee, Paulus schrijft het in de betekenis waarin je het vaak leest.

Petrus zegt bij Lucas dat Christus door het vastgestelde plan en de voorkennis van God aan de dood is overgegeven. Handelingen 2:23 Natuurlijk presenteert Hij God dan niet als toeschouwer bij onze redding, maar als de bewerker ervan.

En dezelfde Petrus zegt dat de gelovigen aan wie hij schrijft uitverkoren zijn in overeenstemming met Gods voorkennis. 1 Petrus 1:2 Dan bedoelt hij eigenlijk de verborgen voorbestemming waardoor God degenen die Hij wilde, heeft aangewezen als zijn kinderen. Hij voegt daar als synoniem het woord ‘voornemen’ aan toe. Daarmee wordt altijd een vast besluit bedoeld. Petrus leert daarmee natuurlijk dat God als bewerker van onze redding, niet buiten zichzelf gaat.

Hetzelfde bedoelt Petrus als hij in hetzelfde hoofdstuk zegt dat Christus het lam was dat gekend was voordat de fundamenten van de wereld gelegd waren. 1 Petrus 1:19-20 Het zou immers wel heel flauw en onbeduidend zijn als God vanuit de hoogte had toegekeken waar redding vandaan zou komen voor het menselijk geslacht!

Het volk dat van tevoren gekend is, betekent bij Paulus dus hetzelfde als de kleine groep die vermengd is met de grote massa die zich onterecht op Gods naam beroept.

Ook ergens anders zegt Paulus dat God degenen kent die van Hem zijn. 2 Timotheüs 2:19 Zo wil hij het pochen tot zwijgen brengen van mensen die zich voor het oog van de wereld de eerste plaats onder de vromen aanmatigen, terwijl ze slechts een masker dragen.

Kortom, met het woord ‘voorkennis’ geeft Paulus aan dat er twee volken zijn. Het ene bestaat uit heel het nageslacht van Abraham. En het andere is daaruit apart gezet en wordt bewaard onder Gods ogen, verborgen voor het zicht van mensen.

En er valt niet aan te twijfelen dat Paulus dit baseert op Mozes, die verklaart dat God barmhartig zal zijn voor wie Hij wil. Het ging toen wel om het uitverkoren volk en het leek alsof binnen dat volk iedereen er hetzelfde voor stond. Maar wat God zei, was hetzelfde als wanneer Hij had gezegd dat die algemene adoptie nog een speciale genade bevatte voor sommigen, als een nog heiliger schat. En dat het algemene verbond niet verhinderde dat er een klein aantal apart gezet werd uit de algemene massa. En God wilde zichzelf de vrije uitdeler en rechter daarvan maken. Daarom zegt Hij ronduit dat Hij de een meer barmhartig zal zijn dan een ander, alleen omdat dat het Hem behaagt. Want als je barmhartigheid krijgt omdat je die zoekt, dan word je wel niet afgewezen. Maar dan zou je toch zelf de eerste stap zetten of in elk geval voor een deel Gods gunst verdienen. Maar God eist de lof daarvoor op voor zichzelf.

Christus zelf over de uitverkiezing

Laat nu de hoogste rechter en meester uitspraak doen over heel deze kwestie. Hij merkt dat zijn hoorders zo verhard zijn dat Hij zijn woorden haast zonder vrucht uitstrooit voor de menigte. Om dit struikelblok op te ruimen, roept Hij uit: ‘Alles wat de Vader Mij geeft, zal naar Mij toe komen. Want het is de wil van de Vader dat Ik niets verlies van alles wat Hij Mij gegeven heeft.’ Johannes 6:37-39 Let erop dat Christus een geschenk van de Vader neemt als begin van onze overgave in zijn trouw en bescherming.

Misschien draait iemand de redenering nu om. Misschien brengt iemand hier nu tegen in dat als het eigendom van de Vader alleen degenen beschouwd worden die zich vrijwillig uit geloof hebben overgegeven. Maar Christus bedoelt alleen te zeggen: al zou de hele wereld aan het wankelen gebracht worden door het afwijken van grote menigten, toch blijft Gods plan vast staan. De uitverkiezing kan nooit aan het wankelen gebracht worden, want Gods plan staat steviger dan de hemel zelf.

Christus zegt hier dat de uitverkorenen al van de Vader waren voordat Hij hen aan zijn eniggeboren Zoon gaf. Misschien vraagt iemand of ze dat van nature waren. Integendeel! Vreemdelingen maakt Hij tot de zijnen door hen te trekken. De woorden van

Christus zijn zo duidelijk dat je ze niet met uitvluchten in nevelen kunt hullen. Hij zegt: ‘Niemand kan bij Mij komen als de Vader hem niet trekt. Ieder die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt bij Mij.’ Johannes 6:44-45 Als iedereen zonder onderscheid voor Christus zou knielen, zou de uitverkiezing algemeen zijn. Nu blijkt uit het lage aantal gelovigen duidelijk dat er verschil is.

Daarom voegt Christus nog iets toe, kort nadat Hij verklaard heeft dat de leerlingen die Hem gegeven zijn, het eigendom waren van God de Vader. Hij zegt: ‘Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die U Mij gegeven hebt. Want zij zijn van U.’ Johannes 17:6-9 Niet de hele wereld behoort dus haar Schepper toe. Hoe komt dat anders dan doordat de genade slechts weinigen die anders zouden omkomen, wegrukt uit Gods veroordeling en woede en uit de eeuwige dood? En doordat God de wereld in haar ondergang laat, waar zij voor bestemd is?

Ondertussen eist Christus ook voor zichzelf het recht op om samen met de Vader uit te kiezen, ook al stelt Hij zichzelf tussenbeide. Hij zegt: ‘Ik heb het niet over iedereen. Ik weet wie Ik uitgekozen heb.’ Johannes 13:18 Misschien vraagt iemand waaruit Hij hen uitgekozen heeft. Ergens anders geeft Hij het antwoord: ‘Uit de wereld.’ Johannes 15:19 En die wereld sluit Hij uit van zijn gebeden waarmee Hij zijn leerlingen aan de Vader opdraagt.

Hier moeten we op letten: als Christus verzekert dat Hij weet wie Hij heeft uitgekozen, bedoelt Hij een speciale groep binnen het menselijk geslacht. Bovendien verschilt die groep niet van de rest door haar goede eigenschappen, maar door een hemels besluit. Dat betekent dus dat niemand uitblinkt door eigen kracht of inzet. Want Christus maakt zichzelf de bewerker van de uitverkiezing.

Ergens anders telt Christus Judas mee als een van de uitverkorenen, ook al was hij een duivel. Maar dat slaat alleen op de aposteltaak. Weliswaar was dat een schitterend bewijs van Gods gunst. Paulus erkent dat vaak in zijn eigen persoon. Maar toch omvat het niet de hoop op eeuwig behoud. En dus kon Judas nog slechter zijn dan de duivel, omdat hij ontrouw was in het uitvoeren van zijn aposteltaak. Maar Christus zal niet toelaten dat er van degenen die Hij eenmaal in zijn lichaam heeft ingelijfd, iemand verloren gaat. Want Hij zal doen wat Hij beloofd heeft, door hun behoud te beschermen. Hij zal zijn goddelijke macht openbaren, die alles te boven gaat. Weliswaar zegt Hij ergens anders: ‘Vader, van hen die U Mij gegeven hebt, is niemand verloren gegaan, behalve de zoon van de ondergang.’ Johannes 17:11-12 Maar dat is een oneigenlijke manier van spreken en het is zeker niet dubbelzinnig.

In de kern komt het hierop neer: door gratis adoptie schept God hen die Hij als zijn kinderen wil hebben. En de reden voor die uitverkiezing ligt binnen in Hemzelf. Want Hij heeft genoeg aan zijn verborgen welbehagen.

De kerkvaders over de uitverkiezing

Maar Ambrosius, Origenes en Hiëronymus waren van mening dat God zijn genade onder de mensen uitdeelt in overeenstemming met hoe God voorziet dat ieder die goed zou gebruiken. Daar komt bij dat ook Augustinus ooit die overtuiging had. Maar toen hij verder vooruitgekomen was in Schriftkennis, heeft hij die opvatting niet alleen herroepen, maar ook krachtig weerlegd. Sterker nog, toen hij na die herroeping de pelagianen bestreed omdat ze aan die dwaling vasthielden, zei hij: ‘Wie zou niet versteld staan dat de apostel Paulus dit scherpzinnige inzicht heeft gemist? Toen hij die verbazingwekkende kwestie gepresenteerd had van die nog ongeboren kinderen, stelde hij de vraag: “Wat zullen we dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God?” Dat was toch het moment om te antwoorden dat God van tevoren de verdiensten van hen beiden gezien had! Maar toch zegt hij dat niet. Nee, hij neemt zijn toevlucht tot Gods oordelen en barmhartigheid.’ En ergens anders haalt Augustinus alle verdiensten weg die aan de uitverkiezing vooraf zouden gaan. Vervolgens zegt hij: ‘Natuurlijk ontzenuwt dit de loze redenering van degenen die Gods voorkennis verdedigen tegenover Gods genade. Zij zeggen dat we voordat de fundamenten van de wereld gelegd zijn, zijn uitgekozen omdat God van tevoren wist dat wij goed zouden zijn. Niet dat Hij ons zelf goed zou maken. Maar dat bedoelt Hij niet, als Hij zegt: “Jullie hebben Mij niet uitgekozen, maar ik heb jullie uitgekozen.” Johannes 15:16 Want als Hij ons had uitgekozen omdat Hij zag dat wij goed zouden worden, dan zou Hij meteen ook van tevoren geweten hebben dat we Hem zouden uitkiezen en wat daar het gevolg van zou zijn.’ Wie zich graag baseert op het gezag van de kerkvaders, moet toch waarde toekennen aan deze verklaring van Augustinus!

Trouwens, Augustinus laat niet toe dat hij wordt losgemaakt van de andere kerkvaders. Nee, met duidelijke bewijzen laat hij zien dat deze verdeeldheid, waar hij van beschuldigd werd, niet waar is. Want hij citeert het volgende van Ambrosius: ‘Over wie Christus zich ontfermt, die roept Hij.’ En: ‘Als Hij gewild had, zou Hij van niet-vromen vromen gemaakt hebben. Maar God roept degenen die Hij het waard keurt en maakt vroom wie Hij wil.’ Als ik een heel boek zou willen vullen met Augustinus, dan zou ik de lezer kunnen laten zien dat ik niets anders nodig zou hebben dan zijn boek. Maar ik wil hen niet lastigvallen met breedsprakigheid.

Maar vooruit, laten we net doen alsof de kerkvaders het er niet over hebben. Laten we de kwestie op zichzelf bekijken. Er was een lastige vraag opgekomen: is God wel rechtvaardig als Hij alleen bepaalde mensen zijn genade waard keurt? Paulus had zich daar met één woord uit kunnen redden door te beweren dat God naar onze daden kijkt. Waarom doet hij dat dan niet? Sterker nog, waarom vervolgt hij de bespreking liever op een manier die het probleem in stand houdt? Toch omdat hij niet anders mocht? Want via zijn mond sprak de Heilige Geest. En die lijdt niet aan de fout van vergeetachtigheid!

Dus antwoordt Paulus ronduit dat God zijn uitverkorenen gunstig gezind is omdat Hij dat wil. En dat Hij hun barmhartig is omdat Hij dat wil. Want Gods uitspraak: ‘Ik zal genadig zijn aan wie Ik genadig zal zijn en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij zal ontfermen,’ Exodus 33:19 betekent hetzelfde als wanneer er gezegd werd dat God zich om geen enkele andere reden ertoe laat zetten om barmhartig te zijn, dan omdat Hij barmhartig wil zijn. Dus blijft deze uitspraak van Augustinus waar: ‘Gods genade vindt de mensen niet geschikt om uitgekozen te worden, maar maakt hen geschikt.’

Thomas van Aquino over de uitverkiezing

Ik maak me zelfs niet druk om de spitsvondigheid van Thomas van Aquino. Hij beweert dat de voorkennis van onze verdiensten weliswaar niet de reden is voor onze voorbestemming, gezien vanuit God die voorbestemt. Maar volgens hem kun je het, vanuit ons gezien, in zekere zin wel zo noemen, volgens een speciale inschatting van de voorbestemming. Bijvoorbeeld als er gezegd wordt dat God glorie voorbestemt voor de mens, op basis van zijn daden. Want Hij heeft besloten hem genade te schenken waardoor hij die glorie kan verdienen.

Maar omdat de Heer wil dat we bij de uitverkiezing enkel en alleen op zijn goedheid letten, is het verkeerd als iemand hier nog iets meer wil onderscheiden. Als we maar met Thomas willen wedijveren in scherpzinnigheid, dan kunnen we zijn spitsvondigheidje wel ontzenuwen. Hij beweert dat de glorie in zekere zin wordt voorbestemd voor de uitverkorenen op basis van hun verdiensten. Want God bestemt de genade voor voor hen, zodat ze de glorie kunnen verdienen.

Maar als ik daar nu eens tegen in zou brengen dat de voorbestemming voor de genade ondergeschikt is aan de uitverkiezing voor het leven en die als het ware moet dienen? En dat de genade wordt voorbestemd voor degenen aan wie allang het bezit van de glorie is toegewezen, omdat het de Heer behaagt om zijn kinderen van de uitverkiezing naar de rechtvaardiging te leiden? Immers, dat zou betekenen dat de voorbestemming tot glorie juist de reden is van de voorbestemming tot genade en niet omgekeerd.

Maar weg met deze discussies! Die zijn overbodig tussen mensen die vinden dat Gods Woord genoeg wijsheid voor hen bevat. Want het is waar wat een leraar van de kerk in het verleden gezegd heeft: als je Gods uitverkiezing toeschrijft aan verdiensten, ben je wijzer dan je hoort te zijn.

Algemene roeping en uitverkiezing zijn niet met elkaar in tegenspraak

Sommigen werpen tegen dat God met zichzelf in tegenspraak zou zijn als Hij in het algemeen alle mensen bij zich uitnodigt, maar toch slechts enkele uitverkorenen bij zich toelaat. De belofte is universeel. Volgens hen maakt dat een verschil qua speciale genade onmogelijk.

Zo spreken sommige gematigde mensen. Niet om de waarheid te onderdrukken, maar eerder om lastige discussies te voorkomen en de nieuwsgierigheid van velen in toom te houden. Hun bedoeling is goed, maar hun handelwijze mogen we absoluut niet goedkeuren. Want ontwijken valt nooit te verontschuldigen. Echter, er zijn ook mensen die veel brutaler aanvallen. Hun laster is echt veel te weerzinwekkend en hun dwaling veel te schandelijk.

Ik heb ergens anders uitgelegd hoe de Schrift het met elkaar laat rijmen dat iedereen door de uiterlijke prediking geroepen wordt tot berouw en geloof en dat toch niet iedereen de Geest van bekering en geloof krijgt. En straks moet ik nog iets daarvan herhalen. Nu ontken ik wat zij beweren. Want het is op twee manieren onjuist.

Immers, God dreigt de ene stad met droogte, terwijl Hij het boven een andere stad laat regenen. Amos 4:7 En ergens anders kondigt Hij honger aan naar de leer. Amos 8:11 Deze God bindt zich niet aan een vaste wet dat Hij alle mensen gelijk moet roepen. Hij verbiedt Paulus het Woord te spreken in Azië. Hij laat hem een andere kant opgaan, weg van Bithynië, en trekt hem naar Macedonië. Handelingen 16:6-9 Daarmee laat Hij zien dat Hij het recht heeft om die schat uit te delen aan wie Hij wil.

Maar via Jesaja laat Hij nog duidelijker zien dat Hij de beloften van redding speciaal bestemt voor de uitverkorenen. Want Hij verkondigt dat alleen zij zijn leerlingen zullen zijn. Niet heel het menselijk geslacht, zonder onderscheid. Jesaja 8:16 Daaruit blijkt dat het een onjuist idee is dat de leer van het behoud aan ieder wordt gepresenteerd met de bedoeling dat hij er effectief iets aan heeft. Er wordt over die leer juist gezegd dat die apart klaargelegd is voor alleen de kinderen van de kerk.

Voor dit moment moet dit voldoende zijn: het Woord van het evangelie is weliswaar algemeen gericht tot iedereen. Maar toch wordt de gave van geloof slechts aan enkelen geschonken.

Jesaja wijst de reden daarvoor aan: de arm van de HEER wordt niet aan iedereen geopenbaard. Jesaja 53:1 Als hij had gezegd dat het evangelie opzettelijk boosaardig veracht wordt, omdat velen koppig weigeren om te luisteren, dan zou misschien dit tegenargument geldig zijn over de algemene roeping. Maar het is niet de bedoeling van de profeet om de schuld van de mensen kleiner te maken, als hij leert dat dit de oorzaak voor hun blindheid is: God keurt hen het niet waard dat Hij zijn arm aan hen openbaart. Hij wijst er alleen op dat oren tevergeefs getroffen worden door de uiterlijke leer. Want geloof is een speciaal geschenk.

Ik zou van deze leraren wel eens willen weten of alleen prediking kinderen van God maakt, of dat geloof dat doet. In Johannes 1 wordt gezegd dat ieder die in de eniggeboren Zoon van God gelooft, ook zelf Gods kind wordt. Natuurlijk wordt daar niet een of andere onbestemde massa bedoeld. Nee, er wordt een speciale rang gegeven aan de gelovigen, die niet uit bloed of uit de wil van het vlees of uit de wil van een man geboren zijn, maar uit God. Johannes 1:12-13

Maar, zeggen mijn tegenstanders, geloof en het Woord zijn onderling met elkaar in overeenstemming. Zeker. Overal waar echt geloof is. Maar het zaad valt ook onder de dorens of op steenachtige plaatsen. Mattheüs 13:5-7 Dat is niets nieuws. Niet alleen omdat het grootste deel van de mensen zich inderdaad koppig tegen God blijkt te verzetten. Ook omdat niet iedereen voorzien is van ogen en oren. Hoe valt het dan met elkaar te rijmen dat God mensen bij zich roept van wie Hij weet dat ze niet zullen komen?

Mag Augustinus voor mij het antwoord geven? ‘Willen jullie met mij in discussie? Sta samen met mij in verwondering en roep uit: “Wat een diepte!” Laten we het samen eens zijn in vrees. Dan komen we niet om in dwaling.’ Daar komt bij dat Paulus verklaart dat de uitverkiezing de moeder is van geloof. Als dat zo is, keer ik hun argument om tegen henzelf. Dan zeg ik dat geloof niet algemeen is, juist omdat de uitverkiezing speciaal is. Want Paulus zegt dat wij vervuld zijn met alle geestelijke zegeningen omdat God ons heeft uitgekozen vóór de schepping van de wereld. Efeziërs 1:3-4 Uit de opeenvolging van oorzaken en gevolgen kun je dus gemakkelijk opmaken dat niet alle mensen samen delen in deze rijkdommen omdat God alleen degenen heeft uitgekozen die Hij wilde uitkiezen. Daarom heeft Paulus het ergens anders over het geloof van de uitverkorenen. Titus 1:1 Want niemand moet denken dat iemand door eigen toedoen geloof krijgt. De eer daarvoor ligt bij God. Hij verlicht gratis wie Hij van tevoren heeft uitgekozen.

Terecht zegt Bernardus van Clairvaux: ‘Vrienden luisteren ieder afzonderlijk als Hij ook tegen hen zegt: “Wees niet bang, klein kuddetje, want jullie is het gegeven om het mysterie van het koninkrijk van de hemel te kennen.” Lucas 12:32; Mattheüs 13:11 Wie zijn dat? Het zijn degenen van wie Hij van tevoren geweten en bepaald heeft dat ze zouden gaan lijken op het beeld van zijn Zoon. Romeinen 8:29 Het grote en verborgen plan is bekend geworden. De Heer weet wie de zijnen zijn. Maar wat God al wist, is aan mensen geopenbaard. En Hij keurt echt niemand anders het waard om te delen in zo’n groot mysterie, dan degenen van wie Hij van tevoren geweten en bepaald heeft dat ze de zijnen zouden zijn.’

En later concludeert hij: ‘“Gods barmhartigheid is van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen.” Psalm 103:17 Van eeuwigheid vanwege de voorbestemming. Tot eeuwigheid vanwege de redding. Van die twee heeft de eerste geen begin en de tweede geen eind.’

Maar waarom is het nodig om Bernardus als getuige aan te halen? We horen immers uit de mond van onze leermeester dat alleen wie uit God zijn God zien. Johannes 6:46 Met die woorden maakt Hij duidelijk dat ieder die niet opnieuw geboren is uit God verstijft bij de helderheid van zijn gelaat.

Het is dus juist om geloof te koppelen aan de uitverkiezing. Maar dan moet geloof wel op de tweede plaats komen. Die volgorde werd ergens anders duidelijk aangegeven door Christus’ woorden: ‘Het is de wil van de Vader dat Ik niet verlies wat Hij Mij gegeven heeft. Want het is zijn wil dat ieder die in de Zoon gelooft, niet verloren gaat.’ Johannes 6:39-40 Als Hij had gewild dat iedereen gered werd, zou Hij hun zijn Zoon geven als beschermer en iedereen door de heilige band van het geloof in zijn lichaam inlijven. Maar nu staat vast dat geloof een speciale waarborg vormt van zijn vaderlijke liefde. Hij heeft het apart gelegd voor de kinderen die Hij geadopteerd heeft.

Daarom zegt Christus ergens anders dat de schapen hun herder volgen omdat ze zijn stem kennen. Een vreemde volgen ze niet, want ze kennen de stem van de vreemde niet. Johannes 10:4-5 Waar komt dit verschil anders vandaan dan uit het feit dat hun oren door God gemerkt zijn? Want niemand maakt zichzelf tot een schaap. Nee, je wordt door de hemelse genade een schaap gemaakt. Daarom leert de Heer ook dat ons behoud altijd vast en veilig zal zijn, omdat het beschermd wordt door Gods onoverwinnelijke macht. Johannes 10:29 En daarom concludeert Hij dat de ongelovigen niet bij zijn schapen horen. Want ze horen niet bij het aantal van hen van wie God via Jesaja beloofd heeft dat ze zijn leerlingen zouden zijn. Johannes 10:26; Jesaja 54:13

De Schriftbewijzen die ik heb aangehaald, gaan over volharding. Daarom bewijzen ze meteen ook dat de uitverkiezing onveranderlijk en constant is.

Ook verwerping alleen omdat God het wil

Nu moeten we het nog hebben over de verworpenen. Daar heeft de apostel Paulus het ook over. Want zoals Jacob in genade wordt aangenomen terwijl hij nog niets met goede daden verdiend heeft, zo wordt Ezau gehaat terwijl hij nog door geen enkele misdaad besmeurd is. Romeinen 9:13

Als we naar de daden kijken, doen we de apostel onrecht. Alsof hij onterecht is niet gezien zou hebben wat wij wel duidelijk zien! Dat hij het niet gezien heeft, blijkt duidelijk. Want hij legt er expres de nadruk op dat de een uitgekozen en de ander verworpen is, toen ze nog niets goeds of kwaads gedaan hadden. Zo wil hij bewijzen dat het fundament onder Gods voorbestemming niet ligt in onze daden.

Vervolgens noemt hij als tegenargument de vraag of God dan niet onrechtvaardig is. En dan gebruikt hij niet het argument dat Gods rechtvaardigheid het overtuigendst en het duidelijkst zou beschermen: dat God Ezau betaald heeft wat hij met zijn slechtheid verdiende. Nee, Paulus stelt zich tevreden met een andere oplossing: dat er verworpenen worden opgericht, heeft als doel dat via hen Gods glorie schittert. Romeinen 9:17

Ten slotte voegt hij er deze slotwoorden aan toe: ‘God is barmhartig aan wie Hij wil en verhardt wie Hij wil.’ Romeinen 9:18 Zie je dat hij deze twee dingen alleen baseert op Gods goeddunken? We kunnen dus geen andere reden aanwijzen waarom Hij de zijnen barmhartigheid waard keurt dan dat het Hem behaagt. En daarom kunnen we voor de verwerping van anderen ook geen andere reden vinden dan zijn wil. Want als er gezegd wordt dat God verhardt of barmhartig is wie Hij wil, dan worden de mensen gewaarschuwd dat ze geen reden moeten zoeken buiten zijn wil.

Voetnoten

  1. 411

    Augustinus, De correptione et gratia, 11; Augustinus, De dono perseverantiae, 24,67; Augustinus, De verbis apostolorum, 174,2.

  2. 412

    Augustinus, Retractiones I, 8,2-4.

  3. 413

    Augustinus, Epistulae, 194.

  4. 414

    Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 86,2.

  5. 415

    Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 19,49.

  6. 416

    Augustinus, Epistulae, 186.

  7. 417

    Thomas van Aquino, Scriptum supersententiisI, 41,1,3.

  8. 418

    Prosper van Aquitanië, De vocatione omnium gentium I, 2.

  9. 419

    Augustinus, De verbis apostolorum, 11.

  10. 420

    Bernardus van Clairvaux, Epistulae,107.

Voetnoot 411

Augustinus, De correptione et gratia, 11; Augustinus, De dono perseverantiae, 24,67; Augustinus, De verbis apostolorum, 174,2.

Voetnoot 412

Augustinus, Retractiones I, 8,2-4.

Voetnoot 413

Augustinus, Epistulae, 194.

Voetnoot 414

Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 86,2.

Voetnoot 415

Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 19,49.

Voetnoot 416

Augustinus, Epistulae, 186.

Voetnoot 417

Thomas van Aquino, Scriptum supersententiisI, 41,1,3.

Voetnoot 418

Prosper van Aquitanië, De vocatione omnium gentium I, 2.

Voetnoot 419

Augustinus, De verbis apostolorum, 11.

Voetnoot 420

Bernardus van Clairvaux, Epistulae,107.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.