Boek III · Hoofdstuk 23

Kritiek op de uitverkiezing

Inhoud van dit hoofdstuk · 14 secties
  1. 1Geen uitverkiezing zonder verwerping
  2. 2Eerste bezwaar: is God niet onrechtvaardig?
  3. 3Dat de verworpenen verworpen worden, is hun eigen schuld
  4. 4Gods rechtvaardigheid gaat ons verstand te boven
  5. 5Wij kunnen God niet ter verantwoording roepen
  6. 6Tweede bezwaar: zijn mensen nog wel zelf verantwoordelijk?
  7. 7God heeft ook de zondeval voorbestemd
  8. 8Er is bij God geen verschil tussen willen en toelaten
  9. 9Verworpenen zijn zelf verantwoordelijk voor hun verwerping
  10. 10Derde bezwaar: trekt God geen mensen voor?
  11. 11God laat zowel zijn rechtvaardigheid als zijn barmhartigheid zien
  12. 12Vierde bezwaar: maakt het nog wel uit hoe je leeft?
  13. 13De uitverkiezing is geen excuus om niet vroom te leven
  14. 14Wij weten niet wie wel of niet uitverkoren is

Geen uitverkiezing zonder verwerping

Maar als mensen dit horen, kunnen ze er in hun onbeschaamdheid niet van weerhouden worden om met hun verstand op allerlei manieren in oproer te raken, als op de klank van een krijgstrompet.

Velen geven wel toe dat er een uitverkiezing is, maar ze ontkennen dat er iemand verworpen wordt. Zo willen ze de blaam van God afwenden. Maar dit is heel dom en kinderachtig. Want als de uitverkiezing niet tegenover de verwerping staat, blijft er van de uitverkiezing zelf ook niets over. Er wordt gezegd dat God degenen die Hij adopteert voor het behoud, apart zet. Dan is het onzinnig om te zeggen dat de rest toevallig of door eigen inspanning krijgt wat de eersten alleen krijgen dankzij hun uitverkiezing. Degenen die God passeert, verwerpt Hij dus. En dat alleen omdat Hij hen wil uitsluiten van de erfenis die Hij voor zijn kinderen bestemd heeft.

En het is onacceptabel als mensen zo brutaal zijn dat ze zich niet in toom laten houden door Gods Woord, als het daar gaat over zijn onbegrijpelijk plan. Zelfs de engelen moeten dat aanbidden. Maar we hebben nu gehoord dat ook verharding in Gods hand en goeddunken ligt, evengoed als zijn barmhartigheid. En ook Paulus volgt niet het voorbeeld van degenen die ik noemde. Hij doet niet angstvallig zijn best om God met behulp van een leugen te verontschuldigen. Hij wijst er alleen maar op dat het maaksel niet in discussie mag gaan met zijn maker. Romeinen 9:20

Bovendien, als je niet wilt accepteren dat sommigen door God verworpen worden, hoe wil je je dan redden uit deze uitspraak van Christus? ‘Elke plant die mijn Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden!’ Mattheüs 15:13 Ze horen dat ieder die de hemelse Vader het niet waard gekeurd heeft dat Hij hen als heilige bomen in zijn akker plant, openlijk aangewezen en bestemd wordt voor de ondergang. Dat is een teken van de verwerping. Als mijn tegenstanders dat al ontkennen, wat is dan nog duidelijk genoeg dat het voor hen bewezen kan worden?

Maar zelfs als zij niet ophouden met tegenspreken, nuchter geloof moet tevreden zijn met deze waarschuwing van Paulus: er is geen reden om met God in discussie te gaan, als Hij aan de ene kant zijn woede wil bewijzen en zijn macht bekend wil maken en daarom met groot geduld en toegeeflijkheid de vaten voor woede verdraagt die bestemd zijn voor de ondergang en als Hij aan de andere kant de rijkdom van zijn glorie bekend wil maakt aan de vaten voor barmhartigheid die Hij van tevoren bestemd heeft voor de glorie. Romeinen 9:22-23 De lezers moeten erop letten dat Paulus het hoogste gezag toekent aan Gods woede en macht. Zo wil hij de aanleiding wegnemen om te mopperen en te lasteren. Want het zou onrecht zijn als we aan ons oordeel de diepe oordelen zouden willen onderwerpen die al onze zinnen verzwelgen.

Mijn tegenstanders geven een zinloos antwoord: degenen die God in zijn toegeeflijkheid nog tolereert, verwerpt Hij niet volledig. Hij schort alleen zijn oordeel op, voor het geval ze misschien nog tot inkeer komen. Alsof Paulus aan God geduld toeschrijft, waarmee Hij wacht op de bekering van degenen die, zo zegt hij, bestemd zijn voor de ondergang! Want als Augustinus deze passage uitlegt, zegt hij terecht dat als Gods macht en zijn tolerantie samenkomen, God niet toelaat, maar door zijn kracht bestuurt.

Mijn tegenstanders voegen daaraan toe dat er niet voor niets gezegd wordt dat de vaten voor woede klaargemaakt zijn voor de ondergang, maar dat God de vaten voor barmhartigheid vooraf klaargemaakt heeft. Romeinen 9:22 Op die manier zou Paulus de lof voor de redding aan God toeschrijven, maar de schuld voor de ondergang geven aan degenen die die door hun eigen goeddunken over zich heen halen. Nu geef ik toe dat Paulus door dat verschil in spreken de hardheid van het eerste onderdeel verzacht. Toch past het absoluut niet in de context als je het klaarmaken voor de ondergang aan iets anders toeschrijft dan aan Gods verborgen plan. Want kort daarvóór wordt in hetzelfde verband ook gesteld dat God de farao heeft opgericht en vervolgens dat Hij verhardt wie Hij wil. Dat betekent dus dat Gods verborgen plan de oorzaak is van die verharding. Romeinen 9:17-18

Ik houd me in elk geval aan wat Augustinus leert: als God van wolven schapen maakt, hervormt Hij hen door een genade die sterker is dan zij, om hun hardheid te temmen. Dus als God koppige mensen niet bekeert, is dat omdat Hij hun die genade die sterker is dan zij niet geeft. Maar als Hij het zou willen, zou Hij het wel kunnen.

Eerste bezwaar: is God niet onrechtvaardig?

Dit zou voor vrome en bescheiden mensen en voor hen die beseffen dat ze mensen zijn meer dan genoeg moeten zijn. Maar die giftige honden spuwen meer dan één soort laster uit tegen God. Daarom moet ik op elk soort antwoord geven, voor zover dat voor het onderwerp nodig is.

Dwaze mensen gaan op allerlei manieren met God in discussie, alsof Hij onderworpen zou zijn aan hun beschuldigingen. Om te beginnen vragen ze dan welk recht de Heer heeft om boos te zijn op zijn schepselen, die Hem vooraf door geen enkele belediging hebben geprovoceerd. Want, zeggen ze, het past meer bij de willekeur van een tiran dan bij het rechtvaardig oordeel van een rechter om aan de ondergang over te geven wie Hij maar wil. Dus hebben de mensen reden om zich over God te beklagen als ze alleen door zijn goeddunken, zonder dat ze het zelf verdiend hebben, voorbestemd worden voor de eeuwige dood.

Ook bij vrome mensen kunnen zulke gedachten opkomen. Maar om die aanvallen af te slaan, zijn ze voldoende bewapend als ze alleen maar bedenken hoe brutaal het is als je enkel de redenen voor Gods wil wilt onderzoeken. Gods wil zelf is de reden voor alles wat er is. En dat is ook terecht. Want als er een reden zou zijn voor Gods wil, moet er iets zijn dat aan Hem voorafgaat. Iets waar Hij als het ware aan gebonden is. En dat mogen we ons niet inbeelden.

Want God is de hoogste norm voor rechtvaardigheid. Dat geldt zo sterk, dat we alles wat Hij wil als rechtvaardig moeten beschouwen, juist omdat Hij het wil. Dus als de vraag gesteld wordt: ‘Waarom heeft de Heer het zo gedaan?’ dan moet het antwoord luiden: ‘Omdat Hij het gewild heeft.’ En als je verder gaat en vraagt: ‘Waarom heeft Hij het gewild?’ dan vraag je naar iets dat groter en hoger is dan Gods wil. En dat is nergens te vinden.

Mensen moeten hun overmoed dus bedwingen. Ze moeten niet vragen naar iets dat niet bestaat. Want dan vind je misschien niet wat wel bestaat. Volgens mij kan deze teugel ieder goed in toom houden die met eerbied wil nadenken over de mysteries van zijn God. Goddelozen deinzen er niet voor terug God openlijk te lasteren. Maar tegen die brutaliteit zal de Heer zich voldoende verdedigen door zijn rechtvaardigheid, zonder onze hulp. Hij zal hun geweten elke uitvlucht ontnemen, hun schuld bewijzen en hen veroordelen.

Toch kom ik hier niet aanzetten met het verzinsel van de pausgezinde theologen dat Gods macht absoluut is. Dat zou onheilig zijn en dat zouden we terecht afschuwelijk moeten vinden. Ik verzin niet dat God wetteloos is. Hij is zichzelf tot wet.

Immers, Plato zegt dat mensen een wet nodig hebben omdat ze last hebben van begeerten. Maar Gods wil is niet alleen zuiver en foutloos. Die is zelfs de hoogste norm van volmaaktheid. Daarom is Gods wil de wet van alle wetten.

Maar ik ontken wel dat God verplicht is om verantwoording af te leggen. Ik ontken ook dat wij geschikt zijn om als rechter volgens onze eigen mening uitspraak te doen in deze zaak. Dus als wij uit zijn op meer dan is toegestaan, laat dan het dreigement van Psalm 143 ons angst aanjagen: God zal overwinnen, telkens als Hij door een sterfelijk mens geoordeeld wordt. Psalm 143:2

Dat de verworpenen verworpen worden, is hun eigen schuld

Zo kan God zijn vijanden zwijgend in bedwang houden. Maar wij mogen niet toestaan dat zij zijn heilige naam ongestraft bespotten. Daarom geeft Hij ons ook wapens tegen hen uit zijn Woord. Dus valt iemand ons met zulke woorden aan, waarom God vanaf het begin sommigen bestemd heeft voor de dood, terwijl ze het nog niet verdiend konden hebben om ter dood veroordeeld te worden, omdat ze immers nog niet bestonden? Dan moeten we geen antwoord geven, maar in plaats daarvan op onze beurt vragen: wat denken zij dan dat God de mens schuldig is als Hij hen volgens hun aard wil beoordelen?

Wij zijn allemaal bedorven door de zonde. Daarom kan het niet anders of we zijn weerzinwekkend voor God. Dat ligt niet aan de wreedheid van een tiran, maar aan de heel billijke norm van rechtvaardigheid. Ieder die de Heer bestemt voor de dood, verdient het dus door zijn natuurlijke toestand om ter dood veroordeeld te worden. Over welk onrecht dat hun wordt aangedaan, vraag ik je, zouden zij zich dan kunnen beklagen? Laat alle kinderen van Adam maar komen! Laat hen met hun schepper in discussie gaan omdat ze door zijn eeuwige voorzienigheid vóór hun geboorte zijn bestemd voor een altijddurende ellende. Wat kunnen ze daartegen als verdediging inbrengen? God roept juist hen ter verantwoording!

Als iedereen deel uitmaakt van een bedorven groep, is het geen wonder als ze allemaal onderworpen zijn aan de veroordeling. Ze moeten God dus niet van onrechtvaardigheid beschuldigen als ze door zijn eeuwig oordeel voor de dood bestemd zijn. Of ze nu willen of niet, ze voelen zelf wel dat hun eigen aard hen daarheen leidt. Daaruit blijkt hoe verkeerd hun neiging is om tegen te spreken. Ze zijn gedwongen te erkennen dat de reden voor hun veroordeling in henzelf ligt, maar ze onderdrukken die en gebruiken God als excuus om te worden vrijgesproken. En toch, al zou ik honderdmaal erkennen dat God dit bewerkt – en dat is ook echt zo – dan wassen ze daarmee toch niet meteen hun schuld af. Die staat in hun geweten gegrift en komt hun van tijd tot tijd voor ogen.

Gods rechtvaardigheid gaat ons verstand te boven

Vervolgens brengen mijn tegenstanders hier dit tegen in: zijn ze niet van tevoren door een besluit van God bestemd voor het bederf dat nu als reden voor hun veroordeling wordt aangevoerd? Als ze in hun bederf omkomen, dragen ze dus alleen maar de straf voor de ellende waar Adam door Gods voorbestemming in gevallen is en waar hij zijn nakomelingen in meegesleurd heeft. Is God dan niet onrechtvaardig, dat Hij zo’n wreed spelletje speelt met zijn schepselen?

Ik erken natuurlijk dat alle kinderen van Adam door Gods wil gevallen zijn in deze toestand van ellende waarin ze nu gevangen zitten. Dat is wat ik in het begin gezegd heb: je moet altijd weer terugkomen op alleen het goeddunken van Gods wil, waarvoor de reden in Hem verborgen ligt. Maar dat betekent nog niet meteen dat God vatbaar is voor deze laster. Want we kunnen daar direct met Paulus op deze manier op antwoorden: ‘Mens, wie ben jij dat je met God in discussie gaat? Kan het maaksel soms tegen zijn maker zeggen: “Waarom heb je mij zo gemaakt?” Of heeft de pottenbakker niet het recht om uit dezelfde klomp zowel een vat voor eervol gebruik en een vat voor niet eervol gebruik te maken?’ Romeinen 9:20-21

Zij zullen zeggen dat Gods rechtvaardigheid zo niet echt verdedigd wordt, maar dat er een uitvlucht gezocht wordt, zoals altijd gebeurt door mensen die geen geldig excuus hebben. Want hier lijkt toch alleen maar gezegd te worden dat God zoveel macht heeft dat je niet kunt voorkomen dat Hij doet wat Hij maar wil.

Maar het ligt heel anders. Want welk argument kun je aanvoeren dat sterker is dan dit: we moeten bedenken wie God is? Want hoe zou Hij, de rechter van de aarde, iets onrechtvaardigs kunnen doen? Genesis 18:25 Recht doen is eigen aan Gods aard. Hij heeft dus van nature rechtvaardigheid lief en een afkeer van onrechtvaardigheid. De apostel heeft dus niet gezocht naar een geheime uitweg, alsof hij in de val zat. Nee, hij heeft erop gewezen dat de manier van handelen van Gods rechtvaardigheid ons te boven gaat. Die kan niet naar menselijke maatstaven afgemeten of door ons kleine mensenverstand begrepen worden. De apostel geeft zelfs toe dat Gods oordelen zo diep zijn dat elk mensenverstand erdoor verzwolgen wordt als het daarin probeert door te dringen. Romeinen 11:33 Maar hij leert hoe ongepast het is Gods daden te onderwerpen aan deze norm dat we ze durven afkeuren zodra de reden ervoor ons niet duidelijk is.

Er is een uitspraak van Salomo die wel bekend is, maar slechts door weinigen goed begrepen wordt: ‘De grote schepper van alle dingen geeft loon aan de dwaas en loon aan de overtreders.’ Spreuken 26:10 Want Salomo juicht over Gods grootheid. Hij heeft het recht dwazen en overtreders naar eigen goeddunken te straffen, ook al keurt Hij hen zijn Geest niet waard.

En het is wonderlijk hoe waanzinnig mensen zijn, dat ze aan de maat van hun verstand willen afmeten wat onmetelijk is. De engelen die in hun ongeschonden toestand overeind zijn gebleven, noemt Paulus uitverkoren. 1 Timotheüs 5:21 Als hun standvastigheid gefundeerd was op Gods welbehagen, bewijst de afval van de andere engelen dat zij niet in bedwang gehouden werden, maar juist verlaten waren. En daar kan geen andere reden voor aangevoerd worden dan de verwerping die in Gods geheime plan verborgen is.

Wij kunnen God niet ter verantwoording roepen

Nou, laat er nu maar een of andere manicheeër of celestiaan – of een andere ketter – komen die Gods voorzienigheid lastert. Dan zeg ik dat er van die voorzienigheid geen verantwoording afgelegd hoeft te worden. Want ze is zo groot dat ze ons begrip ver te boven gaat. Wonderlijk? Absurd? Heeft zo iemand dan liever dat Gods macht zo beperkt is dat God niets méér kan doen dan zo iemand met zijn verstand kan bevatten?

Ik zeg met Augustinus dat de Heer mensen geschapen heeft van wie Hij ongetwijfeld van tevoren wist dat ze verloren zouden gaan en dat dat zo gebeurd is omdat Hij het zo wilde. Maar dat geeft ons niet het recht de reden te onderzoeken waarom Hij het wilde. Want wij kunnen dat niet begrijpen.

Bovendien is het ongepast als wij Gods wil verlagen tot een punt van discussie. Want telkens als het over Gods wil gaat, wordt daarmee de hoogste norm voor rechtvaardigheid genoemd. Waarom wordt er een probleem gemaakt van Gods onrechtvaardigheid? Zijn rechtvaardigheid blijkt duidelijk!

En we moeten ons er ook niet voor schamen om, naar Paulus’ voorbeeld, de brutalen de mond te snoeren en telkens als ze het wagen tegen God te blaffen, te herhalen: ellendige mensen, wie zijn jullie dat je God dreigt met een beschuldiging? Waarom beschuldigen jullie Hem omdat Hij de grootheid van zijn daden niet beperkt tot de maat van jullie onwetendheid? Alsof ze verkeerd zijn omdat ze voor het vlees verborgen zijn! Op grond van overduidelijke ervaringen weten jullie best dat Gods oordelen onmetelijk zijn. Jullie weten dat ze een diepe afgrond genoemd worden. Psalm 36:7 Onderzoek je bekrompen verstand. Kan dat bevatten wat God besloten heeft? Wat hebben jullie er dan aan om je door een dwaas onderzoek in een afgrond te storten die levensgevaarlijk voor je is? Jullie eigen verstand leert je dat! Waarom laten jullie je zelfs niet weerhouden door angst, door wat het verhaal van Job en de boeken van de profeten verkondigen over Gods onbegrijpelijke wijsheid en geduchte macht?

Als je geest opstandig is, dan moet je het niet erg vinden om de raad van Augustinus aan te nemen: ‘Jij, een mens, verwacht van mij een antwoord? Ik ben ook een mens. Laten we daarom beiden luisteren naar degene die zegt:

“Mens, wie ben je?” Romeinen 9:20 Gelovige onwetendheid is beter dan overmoedige kennis. Zoek je verdiensten? Je zult alleen straf vinden. O, diepte! Petrus verloochent. De moordenaar gelooft. O, diepte! Zoek jij argumenten? Ik sta verwonderd. Ga jij in discussie? Ik geloof. Ik zie de diepte, maar de bodem peil ik niet. Paulus had rust omdat hij verwondering vond. Hij noemt Gods oordelen ondoorgrondelijk en kom jij ze dan doorgronden? Hij zegt dat Gods wegen niet zijn na te gaan en ga jij ze dan na?’

Romeinen 11:33

Nog verder gaan heeft geen zin. Want in hun brutaliteit zullen ze nooit tevreden zijn en de Heer heeft geen andere verdediging nodig dan de verdediging die Hij gebruikt heeft door zijn Geest. Die sprak via de mond van Paulus. En als we ophouden met God te spreken, dan leren we af om goed te spreken.

Tweede bezwaar: zijn mensen nog wel zelf verantwoordelijk?

Ook het tweede bezwaar komt voort uit goddeloosheid. Dit bezwaar is niet zozeer bedoeld om God te beschuldigen, maar meer om de zondaar regelrecht te verontschuldigen. Ook al kan de zondaar eigenlijk alleen maar gerechtvaardigd worden door de rechter te beschuldigen. Immers, God zelf veroordeelt hem!

Deze onheilige tongen mopperen als volgt: waarom zou God dingen aanrekenen als zonde die Hij hun door zijn voorbestemming onvermijdelijk heeft opgelegd? Immers, wat kunnen ze eraan doen? Moeten ze tegen zijn besluiten gaan vechten? Maar dat zou tevergeefs zijn, want dat kunnen ze helemaal niet. Dus worden ze onterecht gestraft om dingen waarvan de belangrijkste oorzaak in Gods voorbestemming ligt.

Ik ga hier niet de verdediging gebruiken waar bijna alle kerkelijke schrijvers hun toevlucht toe nemen. Zij zeggen dat Gods voorkennis niet verhindert dat de mens als zondaar beschouwd wordt, omdat het kwaad dat God van tevoren ziet het kwaad van de mens is en niet Gods eigen kwaad. Maar dit maakt geen eind aan de laster, maar houdt die juist in stand. Want dan zeggen ze: God had het kwaad dat Hij van tevoren zag, kunnen tegenhouden als Hij had gewild. Maar dat heeft Hij niet gedaan.

Dus heeft Hij de mens met opzet geschapen met de bedoeling dat die zich op aarde zo zou gedragen. Als de mens door Gods voorzienigheid geschapen is om te doen wat hij ook inderdaad doet, dan mag dat hem niet aangerekend worden. Want hij kan er niet aan ontkomen en ondergaat het dankzij Gods wil.

Laten we eens kijken hoe deze knoop op de juiste manier ontward moet worden. Allereerst moet voor ons allemaal vaststaan wat Salomo zegt: God heeft alles geschapen omwille van zichzelf. Ook de goddeloze voor de dag van het kwaad. Spreuken 16:4 Kijk, Gods hand beschikt over alles. Hij oordeelt over redding en dood. Hij bepaalt het in zijn plan en wil dus dat er onder de mensen sommigen geboren worden die van de moederschoot af bestemd zijn voor een zekere dood. Want door hun ondergang laten ze de glorie van zijn naam schitteren.

Stel dat iemand aanvoert dat Gods voorzienigheid hun niets onvermijdelijks oplegt, maar dat Hij ze juist in die toestand geschapen heeft omdat Hij hun toekomstige slechtheid van tevoren gezien heeft. Met zo’n uitspraak zeg je niet niets, maar ook niet alles. De oude schrijvers gebruiken deze oplossing soms wel eens, al is het een beetje aarzelend. Maar de scholastici vinden er rust in, alsof er niets tegen in te brengen valt.

Ik wil graag toegeven dat enkel voorkennis schepselen niets onvermijdelijks oplegt, ook al is niet iedereen het daar mee eens. Want er zijn ook mensen die stellen dat voorkennis ook dingen veroorzaakt. Maar volgens mij heeft Lorenzo Valla het scherper en verstandiger doorzien, ook al was hij een man die anders niet erg getraind was in de Schrift. Hij laat zien dat deze discussie overbodig is. Want leven en dood zijn eerder effecten van Gods wil dan van zijn voorkennis. Stel dat God alleen van tevoren zag wat er met de mensen zou gebeuren, zonder het ook volgens zijn goeddunken te regelen en te bepalen. Dan zou het logisch zijn om de vraag te stellen of zijn voorkennis ook iets te betekenen heeft voor de onvermijdelijkheid ervan. Maar de reden dat God de toekomstige dingen van tevoren ziet, is juist dat Hij besloten heeft dat ze zo zouden gebeuren. Daarom heeft het geen zin om over voorkennis te discussiëren. Want het staat vast dat alles juist gebeurt in overeenstemming met wat God bepaalt en wil.

God heeft ook de zondeval voorbestemd

Mijn tegenstanders zeggen dat nergens uitdrukkelijk te lezen staat dat God besloten heeft dat Adam door zijn verraad zou vergaan. Alsof dezelfde God over wie de Schrift predikt dat Hij alles doet wat Hij wil, zijn edelste schepsel geschapen zou hebben met een dubbelzinnig doel!

Zij zeggen dat Adam een vrije wil had. Hij kon zelf zijn lot bepalen en God zou niets anders bepaald hebben dan dat Hij hem zou behandelen zoals hij zou verdienen. Als je zo’n loos verzinsel accepteert, wat blijft er dan over van Gods almacht? God bestuurt toch alles door zijn verborgen plan dat van niets anders afhankelijk is?

Toch, of ze nu willen of niet, de voorbestemming is zichtbaar in Adams nakomelingen. Want het kwam niet door de normale gang van de natuur dat iedereen het behoud is kwijtgeraakt door de schuld van één voorvader. Wat houdt hen tegen om bij één mens te erkennen wat ze tegen hun wil moeten toegeven bij heel het menselijk geslacht? Waarom zouden ze vergeefse moeite doen door uitvluchten te zoeken? De Schrift roept dat alle stervelingen in de persoon van één mens zijn overgegeven aan de eeuwige dood. Romeinen 5:12 En omdat je dit niet kunt toeschrijven aan de normale gang van de natuur, is het overduidelijk dat het het gevolg is van Gods wonderlijke plan. Het is wel heel absurd dat die goede beschermers van Gods rechtvaardigheid beduusd blijven staan voor een stokje, maar wel weten hoe ze over hoge balken moeten springen!

Opnieuw vraag ik: hoe komt het dat zoveel volken met kleine kinderen en al door de val van Adam in de eeuwige dood geworpen zijn, zonder redmiddel? Hoe komt dat anders dan doordat God het zo wilde? De tongen die anders zoveel te zeggen hebben, moeten hier zwijgen. Natuurlijk is het een huiveringwekkend besluit, dat geef ik toe. Maar toch kan niemand ontkennen dat God van tevoren, voordat Hij de mens schiep, geweten heeft hoe het met hem zou aflopen. En Hij heeft dat van tevoren geweten, omdat Hij het door zijn besluit zo bepaald had.

Als iemand nu een aanval doet op Gods voorkennis, dan handelt hij roekeloos en onbezonnen. Want, vraag ik je, welke reden is er waarom je de hemelse rechter zou aanklagen omdat Hij wist wat er zou gebeuren? Als er al een rechtvaardige of ogenschijnlijk geldige reden zou zijn om te klagen, dan zou het om de voorbestemming gaan. Maar het moet ook niet absurd lijken dat ik zeg dat God niet alleen de val van de eerste mens en in hem de ondergang van zijn nakomelingen van tevoren gezien heeft, maar dat ook volgens zijn goeddunken geregeld heeft. Want zoals het bij zijn wijsheid hoort om van tevoren alles te weten wat er zal gebeuren, zo hoort het bij zijn macht om door zijn hand alles te regeren en te besturen.

En Augustinus legt ook deze kwestie, net als andere, verstandig uit: ‘Het is heel gezond dat wij belijden en heel gezond dat wij geloven dat de God en Heer van alle dingen alles heel goed geschapen heeft, dat Hij van tevoren geweten heeft dat uit het goede het kwade zou voortkomen, dat het meer bij zijn almachtige goedheid hoort om het kwade goed te maken dan om het kwade niet te laten bestaan, dat God – zeg ik – het leven van engelen en mensen zo bepaald heeft dat Hij daarin eerst liet zien waar een vrije wil toe in staat is en vervolgens waar het geschenk van zijn genade en het oordeel van zijn rechtvaardigheid toe in staat is.’

Er is bij God geen verschil tussen willen en toelaten

Op dit punt nemen mijn tegenstanders hun toevlucht tot het onderscheid tussen willen en toelaten. Op basis van dat onderscheid willen ze overeind houden dat de goddelozen alleen verloren gaan omdat God het toelaat, niet omdat Hij het wil.

Maar welke reden kunnen we geven waarom God het toelaat? Toch alleen dat Hij het zo wil? Trouwens, het is ook op zichzelf onwaarschijnlijk dat de mens zich de ondergang alleen op de hals gehaald heeft doordat God het toeliet, zonder dat God dat op enige manier zo bepaald had. Alsof God niet had vastgesteld in welke toestand Hij zijn belangrijkste schepsel wilde hebben! Zonder aarzeling belijd ik dus simpelweg met Augustinus dat Gods wil inhoudt dat dingen onvermijdelijk zijn en dat onvermijdelijk zal gebeuren wat Hij wil. Net zoals echt zal gebeuren wat Hij van tevoren gezien heeft.

Nu hebben we hier te maken met vier sekten: de pelagianen, de manicheeërs, de wederdopers en de epicureeërs. Om de goddelozen te verontschuldigen, werpen zij ons voor de voeten dat ze als gevolg van Gods voorbestemming gebonden zijn aan een onvermijdelijkheid. Maar daarmee voeren ze niets aan wat hout snijdt. Want de voorbestemming is niets anders is dan het uitdelen van Gods rechtvaardigheid. Die is wel verborgen, maar er valt niets op aan te merken. En het staat vast dat de goddelozen het lot waartoe ze voorbestemd zijn, niet onwaardig zijn. Dus is het ook zeker dat de ondergang die hen als gevolg van die voorbestemming overkomt, volkomen rechtvaardig is.

Bovendien is hun ondergang op zo’n manier het gevolg van Gods voorbestemming, dat de reden en de aanleiding daarvoor in henzelf gevonden worden. Want de eerste mens is gevallen omdat de Heer vond dat dat nuttig was. Waarom Hij dat vond, is voor ons verborgen. Toch is het zeker dat Hij niet iets anders vond, omdat Hij zag dat dat terecht de glorie van de eer van zijn naam liet schitteren.

Als je Gods eer hoort noemen, denk dan aan zijn rechtvaardigheid. Want wat lof verdient, hoort rechtvaardig te zijn. De mens valt dus terwijl Gods voorzienigheid het zo bepaalt. Maar hij valt door zijn eigen schuld. Even daarvóór had de Heer gezegd dat alles wat Hij gemaakt had heel goed was. Genesis 1:31 Hoe komt de mens dan aan die slechtheid, dat Hij zijn God verraadt? We moeten niet denken dat dat uit de schepping voortkomt. Daarom heeft God wat van Hem komt zelf uitdrukkelijk goedgekeurd. Dus heeft de mens zijn zuivere natuur, die hij van de Heer gekregen had, door zijn eigen slechtheid bedorven. En door zijn val heeft hij heel zijn nageslacht met zich meegesleurd in de ondergang.

Laten we dus liever kijken naar de duidelijke reden voor de veroordeling in de bedorven natuur van het menselijk geslacht. Dat is ons van dichtbij bekend en het is beter dat we daarnaar kijken dan dat we de verborgen en totaal onbegrijpelijke reden in Gods voorbestemming onderzoeken. En we moeten het niet erg vinden om ons verstand zover te onderwerpen aan Gods onmetelijke wijsheid, dat het in al haar mysteries bezwijkt. Want onwetendheid in dingen die je niet kan en mag weten, is kennis. En verlangen om ze toch te weten, is een vorm van dwaasheid.

Verworpenen zijn zelf verantwoordelijk voor hun verwerping

Nu zal misschien iemand zeggen dat ik nog niets heb aangevoerd om die heiligschennende verontschuldiging te weerleggen. Maar ik geef toe dat dat ook helemaal niet kan zonder dat goddelozen altijd blijven mopperen en tegenspreken. Maar ik denk toch dat wat ik wel gezegd heb, genoeg kan zijn om niet alleen de reden tot tegenspreken weg te nemen, maar ook elk excuus.

Verworpenen willen dat ze verontschuldigd worden voor het zondigen omdat ze niet kunnen ontkomen aan de onvermijdelijkheid van het zondigen. Vooral omdat zo’n onvermijdelijkheid hun wordt opgelegd als gevolg van Gods bepaling. Maar ik ontken dat dat hen terecht verontschuldigt. Want het staat vast dat Gods bepaling, waarvan zij klagen dat die hen tot de ondergang bestemt, eerlijk is. Waarom dat zo is, is ons weliswaar onbekend. Maar toch is het volkomen zeker. Op grond daarvan stel ik vast dat hun geen kwaad overkomt dat hun niet word opgelegd door Gods heel rechtvaardige oordeel.

Vervolgens leer ik dat het verkeerd van hen is dat ze hun ogen richten op de verborgen heiligdommen van Gods plan. Daar zoeken ze naar de oorsprong van hun veroordeling. Maar ze sluiten hun ogen voor het bederf van hun eigen natuur, terwijl die veroordeling in werkelijkheid dáár het gevolg van is. Dit bederf kunnen ze God niet aanrekenen, omdat Hij van zijn schepping verklaart dat die goed is. Weliswaar is de mens door Gods eeuwige voorzienigheid geschapen voor de ellende waaraan hij onderworpen is. Maar de aanleiding daarvoor komt toch uit de mens zelf en niet uit God. Want de enige oorzaak waardoor de mens bedorven is, is dat hij van de zuivere schepping van God ontaard is in zondige en onreine verdorvenheid.

Derde bezwaar: trekt God geen mensen voor?

Verder komen de tegenstanders van Gods voorbestemming met nog een derde absurde laster. Want degenen die God aanneemt als erfgenamen van zijn koninkrijk, onttrekt Hij aan de algemene ondergang. De reden daarvoor schrijf ik alleen toe aan het goeddunken van Gods wil. Zij concluderen daaruit dat God dus personen voortrekt. Maar de Schrift ontkent dat overal. Dus zeggen zij: óf de Schrift spreekt zichzelf tegen, óf God kijkt bij de uitverkiezing naar onze daden.

Om te beginnen, als de Schrift ontkent dat God personen voortrekt, bedoelt de Schrift daar iets anders mee dan zij. Want met het woord ‘persoon’ bedoelt de Schrift niet een mens, maar dat wat in een mens zichtbaar is en normaal gesproken gunst, aanzien en waardigheid opwekt of haat, minachting en schande veroorzaakt. Bijvoorbeeld rijkdom, bezit, macht, adeldom, functies, afkomst, uiterlijke schoonheid enzovoort.

Zo leren Petrus en Paulus dat de Heer geen personen voortrekt, omdat Hij geen onderscheid maakt tussen Jood en Griek. Hij verwerpt niet de een en neemt niet de ander aan alleen omdat ze tot verschillende volken behoren. Handelingen 10:34; Romeinen 2:10; Galaten 3:28 Zo gebruikt Jacobus dezelfde woorden als hij wil verzekeren dat God zich in zijn oordeel niet druk maakt om rijkdom. Jacobus 2:5 En Paulus zegt ergens anders dat God in zijn oordeel geen rekening houdt met vrijheid of slavernij. Galaten 3:25; Efeziërs 6:9 Er is dus niets op tegen als ik zeg dat God volgens het goeddunken van zijn welbehagen als zijn kinderen uitkiest wie Hij wil en anderen verstoot en verwerpt, zonder te kijken naar enige verdienste.

Toch kan deze kwestie nog bevredigender opgelost worden. Mijn tegenstanders vragen: hoe komt het dat God van twee mensen, die door geen enkele verdienste van elkaar verschillen, de een in zijn uitverkiezing passeert en de ander aanneemt? Ik vraag op mijn beurt: denken zij soms dat er in degene die aangenomen wordt iets is waardoor God hem genegen is? Als ze toegeven dat er niets is – en dat moeten ze wel toegeven – dan betekent dat dus dat God niet naar de mens kijkt. Nee, Hij vindt in zijn eigen goedheid een reden om hem goed te doen.

Dus als God de ene mens uitkiest en de ander verwerpt, komt dat niet doordat Hij naar de mens kijkt. Nee, het komt alleen door zijn barmhartigheid. En die moet vrij zijn om zichzelf te laten zien en te openbaren, waar en zo vaak Hij maar wil. Want ook ergens anders zien we dat er in het begin niet veel edelen, wijzen of aanzienlijken zijn geroepen. 1 Korinthiërs 1:26 Zo wilde God de hoogmoed van het vlees vernederen. Het is dus absoluut niet zo dat zijn gunst gebonden zou zijn aan personen!

God laat zowel zijn rechtvaardigheid als zijn barmhartigheid zien

Daarom beschuldigen sommigen God onterecht en heel slecht van oneerlijke rechtvaardigheid, omdat Hij in zijn voorbestemming niet voor iedereen dezelfde lijn trekt. Als Hij iedereen schuldig vindt, zeggen zij, laat Hij dan ook iedereen dezelfde straf geven. Als Hij hen onschuldig vindt, laat Hij zijn strenge oordeel dan voor iedereen inhouden.

Maar zij behandelen Hem alsof het Hem verboden is om barmhartig te zijn. Of alsof Hij zijn oordeel volledig moet opgeven als Hij barmhartig wil zijn. Wat eisen zij eigenlijk? Dat als iedereen schuldig is, iedereen dezelfde straf krijgt. Ik geef toe dat we allemaal schuldig zijn. Maar zij zeggen dat God sommigen met zijn barmhartigheid te hulp komt. Laat Hij, zeggen zij, iedereen te hulp komen. Maar ik antwoord dat het eerlijk is dat Hij door te straffen laat zien dat Hij een rechtvaardige rechter is.

Maar als ze dat niet kunnen verdragen, wat doen ze dan anders dan God proberen te beroven van zijn macht om barmhartig te zijn? Of in elk geval die barmhartigheid alleen maar toestaan als Hij volledig afstand doet van zijn oordeel?

Daarom zijn hierop heel mooi deze woorden van Augustinus van toepassing: ‘In de eerste mens is de hele massa van het menselijk geslacht onder de veroordeling gevallen. De vaten die daaruit gemaakt worden voor eervol gebruik, zijn daarom geen vaten van eigen rechtvaardigheid, maar van Gods barmhartigheid. Echter, dat er ook andere vaten gemaakt worden voor oneervol gebruik, moet niet worden toegeschreven aan Gods onrechtvaardigheid, maar aan zijn oordeel …’ God betaalt degenen die Hij verwerpt dus de verdiende straf en schenkt aan degenen die Hij roept onverdiende genade. Hij wordt daarom van elke beschuldiging bevrijd. Want Hij is net een schuldeiser die het recht heeft de een zijn schuld kwijt te schelden en van een ander zijn schuld op te eisen. ‘God kan dus genade schenken aan wie Hij wil, omdat Hij barmhartig is. En Hij kan niet aan iedereen genade geven, omdat Hij een rechtvaardige rechter is. Door aan sommigen te geven wat ze niet verdienen, kan Hij zijn onverdiende genade laten zien. Door die niet aan iedereen te geven, kan Hij laten zien wat iedereen verdient.’

Want als Paulus schrijft dat God alles onder de zonde heeft opgesloten om zich over iedereen te ontfermen, dan moet je daar meteen aan toevoegen dat Hij niemand iets schuldig is. Want niemand heeft Hem eerst iets gegeven, zodat hij een vergoeding zou kunnen eisen. Romeinen 11:32-35 perseverantiae, 12,28.

Vierde bezwaar: maakt het nog wel uit hoe je leeft?

Mijn tegenstanders gaan ook nog op een andere manier tekeer om de voorbestemming onderuit te halen. Ze zeggen dat als de voorbestemming overeind blijft, elke zorg en ijver om goed te doen ineenstort. Want, zeggen ze, als je hoort dat voor jou het leven of de dood is vastgesteld door een eeuwig en onveranderlijk besluit van God, wie zou dan niet meteen beseffen dat het er niet toe doet hoe je je gedraagt? Wat jij doet kan Gods voorbestemming immers in geen enkel opzicht verhinderen of bevorderen? Dus zal ieder zich vergooien en zich vertwijfeld halsoverkop storten in waar zijn wellust hem maar heenleidt.

Inderdaad is dit niet volledig gelogen. Want er zijn allerlei varkens die de leer van de voorbestemming besmeuren met deze smerige laster en ook met alle vermaningen en berispingen de spot drijven met dit excuus: God weet wat Hij voor eens en voor altijd heeft vastgesteld om met ons te doen. Als Hij besloten heeft om ons te redden, zal Hij ons op zijn tijd redden. Als Hij voor ons de dood bepaald heeft, is het tevergeefs als we ons daartegen verzetten.

Maar de Schrift leert dat je met veel meer eerbied en vroomheid over zo’n groot mysterie moet nadenken. De Schrift onderwijst de vromen in een heel andere overtuiging. En daarmee weerlegt de Schrift uitstekend de brutale overmoed van mijn tegenstanders. Want de Schrift spreekt niet over de voorbestemming met de bedoeling ons overmoedig te maken, zodat we met een goddeloze lichtzinnigheid zouden proberen Gods ontoegankelijke geheimen te onderzoeken. Nee, het is juist de bedoeling dat we nederig en verslagen leren te beven voor zijn oordeel en ontzag te hebben voor zijn barmhartigheid. En dat is het doel waar gelovigen op mikken.

Maar Paulus brengt het lelijke geknor van deze varkens terecht tot zwijgen. Zij zeggen dat ze onbezorgd doorgaan met hun misdaden. Want als ze bij het aantal van de uitverkorenen horen, kunnen hun misdaden niet voorkomen dat ze uiteindelijk tot leven gebracht worden. Maar Paulus wijst erop dat we uitverkoren zijn met het doel dat we een heilig en onberispelijk leven leiden. Efeziërs 1:4 Als een heilig leven het doel is van de uitverkiezing, moet die ons juist opwekken en aanzetten tot een enthousiast nadenken over die heiligheid. Dan kunnen we die juist niet gebruiken als excuus voor laksheid. Want hoe groot is het verschil tussen die twee: goede daden nalaten omdat de uitverkiezing voldoende is om gered te worden en uitverkiezing met het doel dat wij ons best doen om goede daden te doen! Weg dus met zo’n heiligschennis! De uitverkiezing wordt zo volledig op z’n kop gezet!

Maar zij gaan met hun laster nog verder en zeggen dat je, als je door God verworpen bent, tevergeefs moeite doet om met een onschuldige en rechte levenswandel bij God in de gunst te komen. Maar uit deze bewering blijkt overtuigend dat ze heel onbeschaamd liegen. Want waar zou zo’n ijver anders uit voort kunnen komen dan uit de uitverkiezing? Immers, iedereen die bij het aantal van de verworpenen hoort, is een vat voor oneervol gebruik. Daarom houden zulke mensen niet op continu schanddaden te plegen, Gods woede tegen zich op te wekken en door duidelijke tekenen te bevestigen dat Gods oordeel over hen al geveld is. Het is dus absoluut niet zo dat ze zich daar tevergeefs tegen verzetten.

De uitverkiezing is geen excuus om niet vroom te leven

Verder zijn er nog anderen die deze leer kwaadaardig en onbeschaamd lasteren alsof deze leer alle aansporingen om vroom te leven onderuithaalt. In het verleden heeft Augustinus daarover veel verwijten te verduren gekregen. Hij heeft die uitgeveegd in zijn boek Over berisping en genade. Alle vrome en ontvankelijke mensen zullen gemakkelijk tot rust komen als ze dit boek lezen. Toch zal ik hier enkele dingen aanstippen die, hoop ik, eerlijke mensen die niet graag in discussie gaan, tevreden zullen stellen.

We hebben eerder al gezien hoe openlijk en uitgesproken Paulus de gratis uitverkiezing verkondigde. Was hij daarom lauw in het waarschuwen en aansporen? Die goede zeloten moeten zijn felheid maar eens vergelijken met die van hen. Dan zal er bij hen ijs gevonden worden, vergeleken bij zijn hitte! En vast en zeker wordt elk bezwaar weggenomen door dit uitgangspunt: we zijn niet geroepen tot onreinheid, zegt Paulus, maar met de bedoeling dat ieder zijn vat in bezit heeft in eer enzovoort. 1 Thessalonicenzen 4:4-7 Verder zegt hij dat wij Gods maaksel zijn, geschapen om goede daden te verrichten, die God heeft voorbereid, zodat we op die manier zouden leven. Efeziërs 2:10 Kortom, als je een beetje getraind bent in Paulus’ geschriften, begrijp je zonder lange bewijsteksten wel hoe harmonieus hij bij elkaar brengt wat volgens het verzinsel van deze mensen met elkaar in tegenspraak is.

Christus beveelt dat men in Hem moet geloven. Toch is het geen leugen of in tegenspraak met dit gebod als Hij zegt: ‘Niemand kan bij Mij komen, tenzij het hem door mijn Vader gegeven is.’ Johannes 6:65 Vrij baan dus voor de prediking, zodat die mensen tot geloof brengt en daar continu in laat vooruitkomen en volhouden. Maar toch mag dat geen belemmering zijn voor het kennen van de voorbestemming. Anders zouden degenen die gehoorzamen hoogmoedig kunnen worden, alsof ze het van zichzelf hebben. Ze moeten zich juist beroemen in de Heer.

Niet voor niets zegt Christus: ‘Wie oren heeft om te horen, moet luisteren!’ Mattheüs 13:9 Dus als we waarschuwen en prediken, gehoorzamen degenen die voorzien zijn van oren, graag. Maar voor degenen zonder oren gaat in vervullen wat geschreven staat: ‘Ze luisteren wel, maar ze horen niet.’ Jesaja 6:9; Mattheüs 13:14 ‘Maar waarom,’ zegt Augustinus, ‘zouden zij wel oren hebben en anderen niet? Wie kent de gedachten van de Heer? Romeinen 11:34 Moeten we dan ontkennen wat overduidelijk is, alleen omdat we niet kunnen begrijpen wat verborgen is?’

Dit heb ik trouw overgenomen van Augustinus. Maar waarschijnlijk hebben zijn woorden meer gezag dan die van mij. Dus kom, ik zal maar gewoon citeren wat bij hemzelf te lezen staat. Hij zegt: ‘Als sommigen dit horen en dan slap en laks worden, geneigd zijn hun werk te laten zitten en zich aan hun wellust over te geven en hun begeerten na te jagen – moeten we het dan als een leugen beschouwen wat er gezegd is over Gods voorkennis? Als God van tevoren wist dat ze goed zullen zijn, zullen ze dan ook niet goed zijn, hoe slecht ze nu ook zijn? En als Hij van tevoren wist dat ze slecht zullen zijn, zullen ze dan niet slecht zijn, hoe goed ze nu ook lijken te zijn? Moeten we dan om zulke redenen ontkennen of verzwijgen wat er naar waarheid gezegd wordt over Gods voorkennis? Zelfs als je, door het niet te zeggen, in andere dwalingen terechtkomt?’

Hij zegt: ‘Er is verschil tussen het verzwijgen van de waarheid en de noodzaak om de waarheid te zeggen. Het zou te ver gaan om de redenen te onderzoeken waarom de waarheid verzwegen moet worden. Maar dit is er toch één van: als we degenen die de waarheid begrijpen geleerder willen maken, worden degenen die waarheid niet begrijpen er mogelijk slechter van. Als we in zo’n geval de waarheid zeggen, worden ze er niet werkelijk geleerder van, maar ook niet slechter. Maar stel nu dat het met iets waars zo zit: als we het zeggen, wordt degene die het niet kan begrijpen er slechter van, maar degene die het wel begrijpen kan, wordt er slechter van als we erover zwijgen. Wat vinden we dan dat we moeten doen? Is dat dan niet het beste om de waarheid te zeggen? Dan kan degene die het begrijpen kan, het tenminste begrijpen. Want als we het verzwijgen, wordt ook degene met het meeste begrip er slechter van. En hij zou, als hij het hoort en begrijpt, het aan nog vele anderen kunnen leren. Dus waarom willen we niet zeggen wat we volgens het getuigenis van de Schrift mogen zeggen? We zijn bang dat als wij spreken, degene die het niet begrijpen kan gekwetst wordt. Maar we zijn niet bang dat als we zwijgen, degene die de waarheid wel begrijpen kan door de leugen bevangen wordt.’

Ten slotte vat hij dit idee kort samen en maakt het zo nog duidelijker: ‘De apostelen en de leraren van de kerk die hen zijn opgevolgd, hebben beide dingen gedaan: ze hebben op een vrome manier over Gods uitverkiezing gesproken én ze hebben de gelovigen onder de discipline van een vroom leven gehouden. Onze eigen leraren kunnen dus niet om het geweld van de waarheid heen. Waarom denken ze dan dat ze gelijk hebben als ze zeggen dat wat over de voorbestemming gezegd wordt, niet aan het volk gepredikt moet worden, ook al is het waar? Integendeel, we moeten de uitverkiezing volledig prediken. Want wie oren heeft om te luisteren, moet het horen. En wie heeft zulke oren als Hij ze niet gekregen heeft van Hem die belooft dat Hij ze zal geven? Natuurlijk, wie zulke oren niet krijgt, mag de prediking verwerpen. Als hij die deze prediking begrijpt maar neemt, drinkt en leeft! Want het is net als met de vroomheid. Die moet gepredikt worden zodat God gediend wordt zoals het hoort. Zo moet ook de voorbestemming gepredikt worden zodat wie oren heeft om te luisteren hoog opgeeft van Gods genade in God en niet van zichzelf.’

Wij weten niet wie wel of niet uitverkoren is

En toch, omdat deze heilige man een bijzondere ijver had om op te bouwen, onderwijst hij de waarheid op een gematigde manier. Want hij wil zoveel mogelijk voorkomen dat er aanstoot gegeven wordt. Daarom wijst hij erop dat je niet alleen de waarheid moet spreken, maar dat ook op een gepaste manier moet doen.

Stel dat iemand het volk zo zou toespreken: ‘Als jullie niet geloven, dan komt dat doordat jullie al door God bestemd zijn voor de ondergang!’ Als je zo spreekt bevorder je niet alleen laksheid. Je geeft ook het kwaad vrij spel. Stel dat iemand zijn woorden zelfs op de toekomst laat slaan en zegt dat degenen die luisteren niet zullen geloven omdat ze verworpen zijn. Dat zou een vervloeking zijn, geen onderwijs! Terecht dus beveelt Augustinus zulke dwaze leraren, zulke onhandige onheilsprofeten, dat ze moeten maken dat ze wegkomen uit de kerk.

Ergens anders heeft hij weliswaar gelijk als hij stelt dat je moet weten dat een mens vooruitkomt door berisping, als hij barmhartigheid en hulp krijgt van Hem die maakt dat degenen van wie Hij dat wil zelfs vooruitkomen zonder berisping. Maar waarom gaat het met de een zus en met de ander zo? We kunnen absoluut niet zeggen dat het oordeel aan de klei is in plaats van aan de pottenbakker.

En later: ‘Als mensen door berisping op de weg naar rechtvaardigheid komen of daarop terugkeren, wie anders bewerkt dan in hun hart de redding dan Hij die de groei geeft als iemand plant en besproeit? 1 Korinthiërs 6:8 Als Hij wil redden, kan een vrije wil van mensen zich daar niet tegen verzetten. Gods wil heeft in hemel en op aarde alles gedaan wat Hij maar wil. Psalm 135:6 Hij heeft zelfs de toekomstige dingen gemaakt! Jesaja 45:11 Er valt dus niet aan te twijfelen dat de wil van mensen zich niet kan verzetten tegen Gods wil, zodat Hij niet zou doen wat Hij wil. Immers, ook met de wil van mensen doet Hij wat Hij maar wil.’

En: ‘Als Hij mensen bij zich wil brengen, bindt Hij ze dan soms met fysieke banden? Nee, Hij wekt ze vanbinnen, neemt vanbinnen hun hart in beslag, zet hun hart vanbinnen in beweging en trekt hen zo met hun wil die Hij in hun hart bewerkt heeft.’

Maar we mogen niet weglaten wat hij daar meteen aan toevoegt: ‘Omdat wij niet weten wie bij het aantal van de voorbestemden horen en wie niet, moeten we bereid zijn om te wensen dat iedereen gered wordt.’ Dan doen we ons best om iedereen die we tegenkomen te laten delen in de vrede. Maar onze vrede zal rusten op de kinderen van de vrede. Dus voor zover het aan ons ligt, moeten we de gezonde en strenge berisping als een medicijn toedienen aan iedereen, om te voorkomen dat ze zelf verloren gaan of anderen verloren laten gaan. Maar God moet ervoor zorgen dat degenen die Hij van tevoren gekend en voorbestemd heeft iets aan die berisping hebben.

Voetnoten

  1. 421

    Augustinus, Contra Iulianum V, 3,13.

  2. 422

    Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 2,4.

  3. 423

    Augustinus, De Genesi contra Manichaeos I, 2,4.

  4. 424

    Augustinus, Epistulae,186.

  5. 425

    Augustinus, De verbis apostolorum, 20.

  6. 426

    Lorenzo Valla (†1457), Italiaanse humanist.

  7. 427

    Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 104.

  8. 428

    Augustinus, De Genesi ad litteram VI, 15,26.

  9. 429

    Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium II, 7.

  10. 430

    Augustinus, Epistulae,186; Pseudo-Augustinus, De praedestinatione et gratia, 3,3; Augustinus, De dono

  11. 431

    Augustinus, De dono perseverantiae, 15,38.

  12. 432

    Augustinus, De dono perseverantiae, 16,40.

  13. 433

    Augustinus, De dono perseverantiae, 20,51.

Voetnoot 421

Augustinus, Contra Iulianum V, 3,13.

Voetnoot 422

Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 2,4.

Voetnoot 423

Augustinus, De Genesi contra Manichaeos I, 2,4.

Voetnoot 424

Augustinus, Epistulae,186.

Voetnoot 425

Augustinus, De verbis apostolorum, 20.

Voetnoot 426

Lorenzo Valla (†1457), Italiaanse humanist.

Voetnoot 427

Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 104.

Voetnoot 428

Augustinus, De Genesi ad litteram VI, 15,26.

Voetnoot 429

Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium II, 7.

Voetnoot 430

Augustinus, Epistulae,186; Pseudo-Augustinus, De praedestinatione et gratia, 3,3; Augustinus, De dono

Voetnoot 431

Augustinus, De dono perseverantiae, 15,38.

Voetnoot 432

Augustinus, De dono perseverantiae, 16,40.

Voetnoot 433

Augustinus, De dono perseverantiae, 20,51.

Johannes Calvijn, Institutie — Onderwijs in de christelijke godsdienst. Nederlandse bewerking door Gerrit Veldman. Bron: de aangeleverde PDF, samengesteld door Matthijs voor de Institutiekring van Depositum Custodi.